CConstaterende datamstelveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d - De Scheg Oost

Raadsvergadering 15 april 2026, gemeente amstelveenBij agendapunt: TAM-omgevingsplan De Scheg Oost28.594 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Het handelingsperspectief (schuilen/vluchten) is afhankelijk van waar personen zich begeven ten opzichte van de calamiteit/fakkelbrand.

Toelichting TAM­omgevingsplan Hoofdstuk 22d ­ De Scheg Oost (8­3­2026)

62

Binnen het plangebied zijn geen nieuwe functies voorzien die specifiek gericht zijn op minder zelfredzame personen. De planvorming betreft de realisatie van woningen. Uitgangspunt is dat de betreffende personen zelfredzaam zullen zijn. Bij incidenten zal een afweging gemaakt moeten worden tussen schuilen of vluchten. Bij een fakkelbrand is in principe vluchten en schuilen mogelijk, afhankelijk van de situatie en positie. Schuilen in gebouwen kan op 70 meter afstand van de buisleiding, en langdurig schuilen in gebouwen kan op 140 meter afstand. In het geval van een (ongeremde) fakkelbrand is er geen tijd om te vluchten en zullen alle personen binnen de 100% letaliteitscontour slachtoffer worden. Deze contour (70 meter) is reeds weergegeven op afbeelding 6.9A (blauwe stippellijn). Buiten deze zone is schuilen in een gebouw of woning in beginsel de beste manier om de calamiteit te overleven. Echter, dergelijke scenario’s kunnen optreden zonder enige aankondiging vooraf. De omgeving zal dus verrast worden door het incident, en zelfredzaamheid is in dat geval niet aan de orde. Interne vluchtwegen in relatie tot externe veiligheid Een fakkelbrand zal vrijwel direct worden opgemerkt door de directe omgeving. Personen in de omgeving zijn daarbij direct gealarmeerd.

Vervolgens dienen uitgangen in de woningen dusdanig gesitueerd te zijn dat het mogelijk is aan de risicoluwe zijde te ontvluchten. Bij een fakkelbrand is dit, in de onderhavige situatie, in principe richting het oosten. Voor wat betreft interne vluchtwegen, is bij de woningen binnen het brandaandachtsgebied van de buisleiding het mogelijk richting het (zuid)oosten te vluchten, direct of enigszins indirect. Het brandvoorschriftengebied borgt in de woningen een uitgang aan de andere zijde dan de zijde waar de risicobron is. Externe vluchtwegen In sommige gevallen kan vluchten eveneens nodig zijn als reactie op secundaire branden. De huidige situatie biedt meerdere vluchtroutes richting het oosten/zuidoosten. In het ontwerp van het plan De Scheg Oost zijn er mogelijkheden om het plangebied meerzijdig te ontvluchten. In de toekomstige situatie zijn er mogelijke vluchtroutes naar de risicoluwe zijde van het plangebied ten opzichte van de buisleiding, in oostelijke richting, zoals weergegeven op afbeelding 6.9B. Afbeelding 6.9B: Globale indicatie mogelijke vluchtroutes uit het plangebied

Beperkt zelfredzame groepen Binnen het plangebied worden geen specifieke functies mogelijk gemaakt die de aanwezigheid van groepen beperkt zelfredzame personen faciliteren. Bestrijdbaarheid Fakkelbrand In geval van een fakkelbrand spuit aardgas onder hoge druk uit de leiding, voor de brandweer bestaat geen bestrijdingsstrategie om de bron te doven. De Gasunie zal op afstand de leiding afsluiten waarna het gas tussen de inblokking moet opbranden en de fakkelbrand na verloop van tijd dooft. De rol van de brandweer beperkt zich tot het afzetten van de omgeving, zo mogelijk het redden van slachtoffers, het koelen van panden in de omgeving en het bestrijden van secundaire branden.

Toelichting TAM­omgevingsplan Hoofdstuk 22d ­ De Scheg Oost (8­3­2026)

63

Bereikbaarheid De meest nabijgelegen brandweerkazerne is die van de brandweer Uithoorn als onderdeel van de regionale brandweer. De brandweer Amsterdam­Amstelland heeft een kazerne aan de Zijdelweg 1 te Uithoorn. De kazerne bevindt zich op circa 4,5 kilometer afstand van het plangebied. De J.C. van Hattumweg wordt in de toekomst ter plaatse van de kruising met de trambaan voor het gemotoriseerde verkeer afgesloten. Echter, op de Marjoleinlaan is een route naar de J.C. van Hattumweg waar een uitneembaar paaltje staat zodat er toch verkeer doorheen kan wanneer dit nodig is. De locatie is derhalve meerzijdig te benaderen door de brandweer, namelijk (1.) via de N521 en vervolgens de J.C. van Hattumweg en (2.) via de Marjoleinlaan en vervolgens de J.C. van Hattumweg. Provinciale weg N521 / Bovenkerkerweg De provinciale weg N521 (Bovenkerkerweg ter hoogte van De Scheg Oost) bevindt zich circa 100/125 meter ten oosten van het plangebied De Scheg Oost. De N521 is niet opgenomen in de Regeling basisnet, het landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Rijkswegen en provinciale wegen (zoals de N521) zijn in principe opengesteld voor alle transport van gevaarlijke stoffen. Voor deze weg zijn geen recente telgegevens beschikbaar voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Er is daarom aangesloten bij de aannames van het 'Verkennend onderzoek vervoer gevaarlijke stoffen over Provinciale wegen' (Provincie Noord­Holland, 2010): 300 transporten GF3 per jaar. Er bestaat geen aanleiding om te verwachten dat dit uitgangspunt niet meer representatief is voor de huidige situatie. Voor transportcategorie GF3 geldt een invloedsgebied van 355 meter. In de bijlage van de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) zijn vuistregels opgenomen om te bepalen of er sprake is van een PR 10­6 contour. Voor de N521 is ter hoogte van het plangebied geen sprake van een plaatsgebonden risico (PR) 10­6 contour, want minder dan 500 transporten GF3 per jaar. Er wordt daarmee voldaan aan de grens­ en richtwaarden ten aanzien van het plaatsgebonden risico. In de bijlage van de HART staan vuistregels beschreven om een indicatie van de hoogte van het groepsrisico te geven en wanneer er sprake zal zijn van een groepsrisico hoger dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde. Voor het trajectdeel ter hoogte van het plangebied De Scheg Oost moet de gemiddelde personendichtheid op 100 meter van de weg hoger zijn dan 200 personen per hectare (op basis van tweezijdige bebouwing). Op basis van de omgevingskenmerken (woningbouw en agrarisch) wordt geconcludeerd dat de personendichtheid zowel in de huidige als de toekomstige situatie lager is.

Het groepsrisico van de N521 is zowel in de huidige situatie als in de toekomstige situatie (inclusief ontwikkeling/planrealisatie) lager dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, en zal in de toekomstige situatie toenemen ten opzichte van de huidige situatie. Voor deze weg gelden geen aandachtsgebieden op basis van het Bkl. Een nadere beschouwing van het beschermingsniveau is daarmee niet van toepassing. Luchtverkeer (LIB-5 zone) Schiphol Het plangebied De Scheg Oost bevindt zich circa vier kilometer ten zuidoosten van luchthaven Schiphol. Op grond van het Luchthavenindelingbesluit (LIB) Schiphol geldt een beperkingengebied in de omgeving van Schiphol. Het gaat hierbij om zogenaamde LIB­zones 1 tot en met 5. De woningen in het plangebied liggen niet binnen de LIB­5 zone van Schiphol. Dit betekent dat geen nadere motivering vereist wordt ten aanzien van de wijze waarop rekening is gehouden met de mogelijke gevolgen van een vliegtuigongeval met meerdere slachtoffers op de grond. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het plan De Scheg Oost en dit TAM­omgevingsplan.

6.10 Overige aspecten

Toelichting TAM­omgevingsplan Hoofdstuk 22d ­ De Scheg Oost (8­3­2026)

64

Bij het onderhavige plan spelen andere onderdelen van omgevingsveiligheid, dan externe veiligheid en waterveiligheid, geen rol. Het (deel)aspect externe veiligheid is beschouwd in paragraaf 6.9. Het deelaspect waterveiligheid is beschouwd in paragraaf 6.2 onder klimaatadaptatie. De functies in het onderhavige plan(gebied) ondervinden geen trillinghinder. Het onderhavige plan(gebied) bevindt zich niet in de omgeving van een bron dan wel milieubelastende activiteit welke potentieel tot (wezenlijke) geurhinder kan leiden. Met betrekking tot milieuzonering is er voor het onderhavige plan geen belemmering. De woningen in dit TAM­omgevingsplan liggen op voldoende afstand van milieuhinderlijke activiteiten.

6.11 Toetsing milieueffectrapportage (m.e.r. - mer) Regelgeving Het instrument en de procedure milieueffectrapportage (m.e.r./mer) is geregeld in Afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in (samenhang met) hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. De Omgevingswet kent een Milieueffectrapportage voor plannen en programma’s (plan­mer­plicht) en een Milieueffectrapportage voor projecten (mer­(beoordelings)plichtige projecten en besluiten). Voor projecten kan een project­mer­plicht of een mer­beoordelingsplicht van toepassing zijn. Een besluit voor een omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit, valt onder milieueffectrapportage (beoordeling) voor projecten, en komt in de plaats van een besluit als bedoeld in kolom 4 in Bijlage V van het Omgevingsbesluit. Dit volgt uit artikel 11.6 lid 3 en artikel 11.8 lid 3 van het Omgevingsbesluit. Voor de projecten opgenomen in Bijlage V van het Omgevingsbesluit, in combinatie met de gevallen in kolom 3 in die Bijlage V, moet (op grond van artikel 16.43 lid 2) door het bevoegd gezag worden beoordeeld of het project aanzienlijke milieueffecten kan hebben en of een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Oftewel, voor die projecten geldt een mer­beoordelingsplicht (behoudens enkele uitzonderingen). Via een mer­beoordeling worden de milieueffecten van het project of de voorgestane ontwikkeling (in een plan) onderzocht.

Op basis hiervan wordt beoordeeld en beslist of een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld. Blijkens nr. J11 van Bijlage V van het Omgevingsbesluit dient er voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen, een mer­beoordeling te worden gedaan of (zonder een voorafgaande mer­beoordeling) een MER te worden gemaakt . De criteria voor de mer­beoordeling staan benoemd in bijlage III van de Europese mer­richtlijn. In de mer­richtlijn staat dat de voorgenomen activiteiten op de volgende drie aspecten moeten worden getoetst: kenmerken van het project, plaats van het project, en kenmerken van het potentiële effect.

Analyse plan Het project herontwikkeling De Scheg Oost, waarvoor de omgevingsvergunningen reeds zijn verleend, betreft geen stedelijk ontwikkelingsproject en geen ander project als bedoeld in Bijlage V van het Omgevingsbesluit. Aangezien de woningbouw van het project herontwikkeling De Scheg Oost inmiddels planologisch mogelijk is met de omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten, en het plan/project geen nieuwe ruimtelijke ontwikkeling betreft, is er geen sprake meer van een stedelijk ontwikkelingsproject. Tevens leidt het plan/project niet tot een mogelijk nadelig gevolg voor een Natura 2000­gebied. Daarom hoeft geen mer­beoordeling te worden gedaan, en hoeft niet (nader) te worden beoordeeld of een milieueffectrapport (MER) moet worden gemaakt, voor dit TAM­omgevingsplan.

Toelichting TAM­omgevingsplan Hoofdstuk 22d ­ De Scheg Oost (8­3­2026)

65

Bij het project fase 1 herontwikkeling De Scheg Oost met 77 woningen is een m.e.r.­beoordelingsbesluit genomen, waarbij het herontwikkelde plan De Scheg Oost met 152 woningen op milieugevolgen is beoordeeld. De conclusie daarbij is dat een MER niet hoeft te worden gemaakt. Voorts blijkt uit de verrichte onderzoeken en de in dit hoofdstuk gegeven beschouwing van omgevingsaspecten dat het onderhavige plan geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. Conclusie Voor dit TAM­omgevingsplan en het project herontwikkeling De Scheg Oost is geen mer­beoordeling meer benodigd. Dit TAM­omgevingsplan maakt geen aanvullende woningen en functies mogelijk. De milieugevolgen van de volledige herontwikkeling met 152 woningen is reeds beoordeeld bij de omgevingsvergunning voor fase 1. Tevens blijkt uit de voorgaande motivering dat het onderhavige plan geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft.

Toelichting TAM­omgevingsplan Hoofdstuk 22d ­ De Scheg Oost (8­3­2026)

66

HOOFDSTUK 7 MAATSCHAPPELIJKE EN FINANCIËLE ASPECTEN 7.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1.1 Participatie Het “TAM­omgevingsplan Hoofdstuk 22d ­ De Scheg Oost” heeft geen betrekking op een nieuwe ontwikkeling omdat de omgevingsvergunningen voor de woningbouw in De Scheg Oost reeds verleend en onherroepelijk zijn. Gelet op de ‘Werkwijzer Participatie bij wijziging van het omgevingsplan Amstelveen’ wordt voor een omgevingsplanwijziging die betrekking heeft op het inpassen van omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten geen participatietraject doorlopen voorafgaand aan de ontwerp­wijziging omgevingsplan. Het onderhavige TAM­omgevingsplan betreft de inpassing van omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. De voorbereiding van het “TAM­omgevingsplan Hoofdstuk 22d ­ De Scheg Oost” is afgestemd met de ontwikkelaar van het gebied zijnde de vergunninghouder. Gezien het voorgaande beperkt de participatie zich tot de wettelijke mogelijkheid tot zienswijzen op het ontwerp(besluit) van de omgevingsplanwijziging. 7.1.2 Zienswijzen(procedure) Het ontwerp van het TAM­omgevingsplan (het ontwerp van de omgevingsplanwijziging) wordt, gelet op artikel 16.30 van de Omgevingswet, conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Gedurende deze termijn kan door een ieder een zienswijze worden ingediend.

Gelet op artikel 16.31 van de Omgevingswet kan de zienswijze geen betrekking op iets dat al onderdeel is van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Een zienswijze kan in dit geval op zich geen betrekking hebben op de woningen en woonkavels in de reeds verleende omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. Het ontwerp TAM­omgevingsplan heeft van 13 december 2025 t/m 23 januari 2026 ter inzage gelegen, met de mogelijkheid om zienswijzen in te dienen op het ontwerp TAM­omgevingsplan. Er zijn geen zienswijzen ingediend.

7.2 Economische uitvoerbaarheid Ten aanzien van de economische uitvoerbaarheid van een nieuw bouwplan (ofwel een nieuwe bouwactiviteit) is van belang dat de gemeentelijke kosten voor een plan zijn gedekt. De onderhavige omgevingsplanwijziging voorziet in de planologische regeling van 152 woningen. Voor deze woningen zijn reeds de omgevingsvergunningen verleend. Voor die omgevingsvergunningen zijn reeds de kosten verhaald. Daarom hoeven de betreffende 152 woningen niet te worden opgevat als een bouwactiviteit waarvoor (nogmaals) kosten dienen te worden verhaald én kostenverhaalregels in het omgevingsplan dienen te worden opgenomen. Gelet op artikel 13.13 en 13.18 van de Omgevingswet kan (deels) worden afgeweken van de plicht om kostenverhaalsregels in de omgevingsvergunning of het omgevingsplan op te nemen, mits het verhaal van kosten is verzekerd via privaatrechtelijke weg ofwel middels een anterieure overeenkomst. Voor de onderhavige bouwplannen is het kostenverhaal verzekerd via privaatrechtelijke weg. Er is een nieuwe/aanvullende anterieure overeenkomst gesloten tussen de gemeente en de ontwikkelaar. Op basis van de anterieure overeenkomst worden de kosten voor (het opstellen en in procedure brengen van) het TAM­omgevingsplan door de gemeente verhaald op de ontwikkelaar.

Toelichting TAM­omgevingsplan Hoofdstuk 22d ­ De Scheg Oost (8­3­2026)

67

Toelichting TAM­omgevingsplan Hoofdstuk 22d ­ De Scheg Oost (8­3­2026)

68

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=amstelveen&id=ceb20399-813a-415a-a9c6-24ff8cf2f222