CConstaterende datamstelveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting Bestemmingsplan De Scheg West

Raadsvergadering 18 oktober 2023, gemeente amstelveenBij agendapunt: De Scheg West - exploitatieplan, bestemmingsplan en beeldkwaliteitsplan28.755 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

De gemeente streeft naar meer waterveiligheid door het versterken van de sponsfunctie van (nieuw én oud) stedelijk gebied en optimale grondwaterniveaus. De ruimtelijke ontwikkelingen hebben invloed op de bestaande afvoerstructuur. Kosten voor extra maatregelen aan het bestaande stelsel als gevolg van belasting door stedelijke ontwikkelingen komen in principe voor rekening van ontwikkelaars. De gemeente stelt wanneer nodig een afvoerstructuur op. Hierin wordt rekening gehouden met toekomstige ontwikkelingen, maar ook met het verwachte vervangingsregime en ontwikkelingen op Toelichting Bestemmingsplan De Scheg West (9­10­2023) 42

het gebied van afvalwatertransport. Het afvoerstructuurplan kan gebruikt worden als onderlegger om ontwikkelaars op de hoogte te brengen van de gevolgen van uitbreidingen en daar gezamenlijk het gesprek over aan te gaan. Grondwaterbeheer Grondwaterbeheer is een wettelijk verplichte taak voor gemeenten en is in Amstelveen primair functiegericht grondwaterbeheer: het richt zich op de afstemming van het stedelijk grondwater op de grondgebruiksfuncties in de gemeente voor zover dit technisch mogelijk is en voor zover het andere doelen niet schaadt. Grondwaterbeheer is een complexe opgave waarvoor de gemeente een separaat Grondwaterzorgplan Amstelveen 2021­2026 heeft opgesteld, als bijlage bij het Gemeentelijk Rioleringsplan 2021­2026. In dit grondwaterzorgplan staan de eisen beschreven die de gebruiksfuncties stellen aan het stedelijk grondwater; en hoe deze eisen invulling gegeven kan worden. Onder meer is beschreven welke maximale en minimale grondwaterstanden voor gebruiksfuncties gelden. Procesmatig Klimaatadaptieve eisen richten zich niet alleen op uit te voeren maatregelen, maar ook op de te behalen doelen volgens het Actieplan Klimaatadaptatie 2021­2026.

Reconstructies en herinrichtingen door de gemeente De gemeente volgt een meerjarenprogrammering waarin reconstructies en herinrichtingen van de openbare ruimte in wijken gepland zijn die onderhoudsbehoeftig zijn en waarin nieuw beleid ingepast moet worden. Klimaatadaptieve eisen worden in de voorbereiding van projecten meegenomen. Met technisch onderzoek tijdens de ontwerpfase, met name in de schetsontwerpen en voorontwerpen, moet aangetoond worden welke ontwerpen leiden tot het voldoen aan de klimaatadaptieve eisen. Stedelijke ontwikkelingen (gemeente en ontwikkelende partijen) In nieuwe stedelijke ontwikkelingen worden gebieden voorbereid op geheel of gedeeltelijk nieuwe inrichtingen en/of nieuwbouw. Nieuwe verkavelingen worden ontworpen in een nieuw vorm te geven openbare en particuliere ruimte. Klimaatadaptieve eisen worden meegenomen in de voorbereidingstrajecten (visievorming, startnotitie, ontwerptraject met gemeente, architecten, ontwerpers en ontwikkelaars). Met technisch onderzoek moet worden aangetoond in hoeverre de gebiedsontwerpen voldoen aan de klimaatadaptieve eisen. Particuliere ruimte (bewoners en bedrijven) De gemeente heeft geen bevoegdheden in de particuliere ruimte, maar heeft deze ruimte wel nodig om klimaatadaptieve doelen te behalen.

De gemeente heeft in het beleid gekozen voor een faciliterende rol, waarin stimuleren, aanjagen en ondersteunen kernbegrippen zijn. Voor de particuliere ruimte gelden dezelfde klimaatadaptieve eisen, maar deze kunnen niet afgedwongen worden. De gemeente staat het evenwel vrij om, indien nodig, bindende verordeningen op te stellen ten aanzien van particulier waterbeheer. Op dit moment zijn alleen regels gesteld voor hemelwaterverwerking door particulieren, die opgenomen zijn in de aansluitverordening. Situatie en beoordeling plan(gebied) Door het bureau Sweco is een Watertoets opgesteld. De notitie van de watertoets (d.d. 7 augustus 2023) is opgenomen als bijlage 5 bij dit bestemmingsplan. Veiligheid / Waterkeringen Aan de westkant van het plangebied is een regionale waterkering gelegen. De beheerder van deze waterkering is het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht. Voor ontwikkelingen op en nabij een waterkering gelden regels van de Keur. Toelichting Bestemmingsplan De Scheg West (9­10­2023) 43

De ontwikkeling opgenomen in het onderhavige plan is grotendeels gelegen buiten de beschermingszone van de waterkering. Het ontwikkelgebied rijkt op twee locaties in de beschermingszone en kernzone van deze waterkering. In het stedenbouwkundig plan zijn hier een voet­/fietspad en particuliere kavels voorzien. Ook is hier ruimte voor groen en een aantal bomen. Er worden geen woningen of andere grote bouwwerken in de binnenbeschermingszone gerealiseerd. In de binnenbeschermingszone is de beoogde ontwikkeling mogelijk. Waterberging Watercompensatie De toename van verhard oppervlak door de stedelijke ontwikkeling binnen het plangebied verhoogt het risico dat het regenwater sneller wordt afgevoerd, waardoor de werking van het ontvangende oppervlaktewatersysteem negatief kan worden beïnvloed met snellere en hogere peilstijgingen en afvoer. Om een goed functionerend watersysteem te garanderen en te behouden is er een compensatieplicht vanuit het waterschap AGV voor de toename van het verhard oppervlak. Vanuit het waterschapsbeleid volgt een compensatieplicht van 10% voor het onderhavige plan, voor de toename aan verhard oppervlak ten opzichte van de referentiesituatie. Daarnaast geldt dat elke gedempte vierkante meter water in de toekomstige situatie één op één moet worden hergraven. Voor het plan De Scheg West is de watercompensatie situatie inzichtelijk gemaakt.

Ten behoeve van de watercompensatieberekening zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: <0000> Bestaande situatie jaar 2015 (vaststelling ruimtelijk kader); <0000> De Hoogwatersloot (ander peilniveau) telt niet mee in de berekening; <0000> Tuinen worden voor 50% als verharding gerekend; <0000> De ongewijzigde percelen langs de linten zijn niet meegenomen in de berekening. De watercompensatieberekening is uitgevoerd voor het gehele gebied van het stedenbouwkundig plan. Hoogstwaarschijnlijk wordt er per deelgebied een watervergunning aangevraagd. Daarin dient aangetoond te worden dat per deelgebied de watercompensatie kloppend is. Afbeelding 7.2: Oppervlaktes watercompensatie berekening

Uit de oppervlakteanalyse van het stedenbouwkundig plan volgt dat er een toename aan verharding is van circa 100.850 m2. Met een watercompensatie percentage van 10% dient er ten minste circa 10.085 m2 water te worden toegevoegd in het plan. De minimale wateropgave voor het plan De Scheg West bedraagt derhalve (huidig water + watercompensatie) circa 20.089 m2. In het plan is circa 31.200 m2 water voorzien, een toename van circa 21.200 m2. Het plan voldoet daarmee. In het plan is in principe een wateroverschot opgenomen van circa (21.234 ­ 10.085) 11.150 m2. Wateropgave Naast de watercompensatie eis van het waterschap AGV heeft de gemeente Amstelveen in 2020 klimaatadaptatiebeleid vastgesteld (Actieplan Klimaatadaptatie 2021­2026). In dit beleid staat dat binnen nieuwe gebiedsontwikkelingen minimaal 10% van het totale oppervlak van het plangebied aan open water dient te worden gerealiseerd. Dit is in dit geval een strengere eis dan de watercompensatie­eis. In het stedenbouwkundig plan van De Scheg West is circa 8% open water opgenomen. Het Ruimtelijk Raamwerk De Scheg is eerder vastgesteld dan het klimaatbeleid. Er wordt met de circa 8% ruimschoots voldaan aan de watercompensatie­eis. Toelichting Bestemmingsplan De Scheg West (9­10­2023) 44

Alternatieve regenwaterberging (ook in het kader van droogte) Ondanks dat er conform de eisen van het waterschap AGV genoeg oppervlaktewater in het plan word aangebracht om de aan de benodigde watercompensatie te voldoen, is het aanbevolen om vormen van alternatieve regenwaterbergingsvoorzieningen in ogenschouw te nemen bij verdere uitwerkingen. In het gemeentelijk beleid worden eisen gesteld aan het verwerken van een (extreme) regenbui van 70 mm in 1 uur voor openbaar gebied, en 90 mm in 1 uur voor kwetsbare objecten. Piekbuien moeten binnen het plangebied worden opgevangen en vastgehouden en mogen niet leiden tot (water)schade aan gebouwen en andere (kwetsbare) voorzieningen in de openbare ruimte. De gemeente houdt voor de klimaateisen de richtlijnen van de Metropoolregio Amsterdam (MRA) aan. Bij de uitwerking van het stedenbouwkundig plan zullen de inrichtingsplannen getoetst worden aan de klimaatadaptieve eisen en te behalen doelen volgens het Actieplan Klimaatadaptatie 2021­2026 van de gemeente Amstelveen. Afgelopen jaren zijn er lange periodes van droogte geweest. De gemeente heeft als ambitie binnen het klimaatbeleid dat droogte niet leidt tot onomkeerbare schade aan gebouwen, infrastructuur en natuur. De (nationale) strategie van water vasthouden, bergen en eventueel afvoeren zorgt ervoor dat droogte en/of consequenties van droogte worden geminimaliseerd.

Dit kan verwezenlijkt worden binnen het plangebied door bijvoorbeeld het toepassen van regenwateropvang op woningniveau (o.a. regenton). Hierdoor wordt door de toekomstige bewoners regenwater opgevangen voor het bevloeien van de eigen tuin. Om het drinkwaterverbruik verder te reduceren kan het regenwater ook worden gebruikt voor toiletspoeling. In verdere uitwerkingen van het plan kunnen de alternatieve regenwaterbergingen verder worden gedimensioneerd om daarmee ook te toetsen aan de klimaatadaptieve eisen van gemeente Amstelveen. Watersysteem Het plangebied is gelegen in de Noorder Legmeerpolder. Het streefpeil in de huidige situatie van het plangebied bedraagt NAP ­5,80m. Het raamwerk van de watergangen zoals in het stedenbouwkundig plan is opgenomen is gebaseerd op de bestaande polderstructuur. Er is gekozen om langs de Singels (hoofdwegen) gebruik te maken van bruggen, en op de informelere plekken van duikers. Aan de westkant van het plangebied loopt een hoogwatersloot, deze heeft een ander peilniveau, NAP ­4,75m, en sluit daarmee aan op het peil (vak) langs de Legmeerdijk. Om een goede doorstroom van het water te houden zijn er inlaten/overstorten voorzien vanuit de hoogwatersloot naar het plangebied. Voor het toekomstige peil binnen het nieuwe plan is het voornemen van de gemeente Amstelveen om aan te sluiten op het waterpeil van Westwijk, te weten NAP ­5,37m.

Op basis van de peilgebiedenkaart, de huidige situatie (hoogtes) en het te ontwikkelen plan wordt het watersysteem als volgt: Het nieuw te ontwikkelen gebied wordt vermoedelijk aangesloten op het waterpeil van het ten noorden gelegen stedelijk gebied (Westwijk). Hier is in het recente verleden het waterpeil verhoogd naar NAP ­5,37m. Met het nieuwe (mogelijke) maaiveld peil op circa NAP ­3,8m wordt de drooglegging circa 1,6 meter, hetgeen ruim voldoende is voor stedelijk gebied. Daarnaast zorgt het opbrengen van het waterpeil ervoor dat er ook minder kwel ter plaatse van het plangebied aanwezig zal zijn. Het aansluiten van het plangebied op het stedelijk peil NAP ­5,37m zorgt ervoor dat de doorstroming van het water in het stedelijk gebied alhier (Westwijk en nieuwe wijk De Scheg) verbetert en de waterkwaliteit ten goede komt. Hierbij wordt een duidelijke scheiding gemaakt tussen stedelijk en landelijk water. Hetgeen ook een verschil zal opleveren in waterkwaliteit. Hierbij heeft het stedelijk water een beter waterkwaliteit. Toelichting Bestemmingsplan De Scheg West (9­10­2023) 45

In het stedelijk gebied (NAP ­5,37m) zijn er ook meer mogelijkheden om het waterpeil flexibel te beheren (vasthouden water voor tijden van droogte). Ook kan er worden gewerkt met een gesloten grondbalans. De bestaande kunstwerken die het stedelijk water van het landelijk water scheidt dienen verplaatst te worden naar een nieuwe 'rand' in het zuiden of ten zuiden van het plan. Daarmee kunnen de kunstwerken in de stedelijke omgeving ook worden verwijderd uit het straatbeeld in het dichter stedelijke deel. Regenwaterafvoer op maaiveld Om een robuuste afvoer van het regenwater te realiseren wordt zoveel als mogelijk het regenwater oppervlakkig afgevoerd. De Scheg ligt in een kleipolder met relatief hoge grondwaterstanden wat wadi's onmogelijk maakt. Daartoe is er in het stedenbouwkundig plan gekozen om, daar waar mogelijk, het water af te voeren via molgoten en groengoten richting de watergangen. Daar waar het niet mogelijk is om regenwater direct van het maaiveld af te voeren naar bermen, verlaagd groen en watergangen worden kolken gebruikt. Deze kolken voeren het water af via een hemelwaterstelsel (HWA) welke conform het GRP is losgekoppeld van het vuilwaterstelsel. Dit HWA­stelsel wordt al binnen het plangebied aangelegd voor de afvoer van regenwater van de woningkavels.

Waterkwaliteit Bij de inrichting van het watersysteem wordt gestreefd naar het realiseren van een ecologisch gezond watersysteem. Door de nieuw te graven watergangen met elkaar te verbinden en aan te sluiten op het bestaande water, wordt de doorstroming bevorderd. Dit heeft een positief effect op de waterkwaliteit. Ook het aansluiten van het toekomstig water op het bestaande stedelijk waterpeil van NAP ­5,37m biedt kansen voor verbetering van de (ecologische) waterkwaliteit (door betere doorstroming en vermindering voedselrijke kwel en vasthouden van water). Er worden geen uitlogende bouwmaterialen (zoals zinken dakgoten) gebruikt. Voor de waterhuishoudkundige kunstwerken worden alleen milieuvriendelijke en niet­uitlogende materialen gebruikt. Dit komt de waterkwaliteit van het hemelwater ten goede. Het hemelwater binnen het plangebied zal worden geloosd op het oppervlaktewater. Deze voorkeur wordt gebaseerd op het feit dat deze waterstromen in principe geen of geringe verontreinigingen bevatten, zodat dit water zonder maatregelen direct in het milieu kunnen worden geloosd. Klimaatadaptatie Vanuit de gemeente zijn voor diverse klimaatthema's een pakket aan eisen gesteld waaraan het stedenbouwkundig plan en het stedelijk watersysteem moeten voldoen. Deze thema's zijn deels voorgaand al beschouwd en worden ook hierna toegelicht.

Bij de uitwerking van het stedenbouwkundig plan zullen de inrichtingsplannen getoetst worden aan de klimaatadaptieve eisen en te behalen doelen volgens het Actieplan Klimaatadaptatie 2021­2026 van de gemeente Amstelveen. Over het opstellen en toetsen van een inrichtingsplan zijn door de gemeente afspraken gemaakt met het consortium van ontwikkelaars. Daarmee is het meenemen van klimaatadaptatie (maatregelen) in de planontwikkeling van De Scheg West geborgd. Om ervoor te zorgen dat er een ruime hoeveelheid oppervlaktewater is gerealiseerd voordat wordt aangevangen met de tweede fase van de ontwikkeling van de woonwijk De Scheg West, is er in dit bestemmingsplan een regeling opgenomen die toeziet op de aanleg van 11.000 m2 nieuwe oppervlaktewater verdeeld over meerdere gebiedsdelen.

Toelichting Bestemmingsplan De Scheg West (9­10­2023) 46

Wateroverlast De waterbergingseis is 70 mm in 1 uur voor het te ontwikkelen gebied. In het stedenbouwkundig plan is in het zuidelijk deel van De Scheg West een groenzone met veel water voorzien. Door deze groenzone lager aan te leggen dan het stedelijk gebied zelf kan extra ruimte worden gevonden voor het opvangen van zeer extreme neerslaggebeurtenissen. Daarnaast zijn er verscheidene groenvoorzieningen in het plangebied welke lager kunnen worden aangelegd waardoor deze bij extreme neerslaggebeurtenissen tijdelijk kunnen inunderen (vasthouden, bergen, afvoeren). Dit staat buiten de eerder besproken compensatie­eis. Daarnaast moeten nutsvoorzieningen en vitale en kwetsbare objecten kunnen blijven functioneren bij een bui van 90 mm in 1 uur. Naast deze eis streeft de gemeente naar het zoveel mogelijk opvangen, hergebruiken, en eventueel vertraagd afvoeren van regenwater. Hitte Om de impact van hitte niet erger te maken in 2050 dan in 2020 dienen de openbare ruimte, gebouwen, nutsvoorzieningen en vitale functies hittebestendig te worden ingericht. Voor nieuwbouwontwikkelingen geldt dat koele verblijfsplekken (groen, oppervlaktewater) met een minimale oppervlakte van 200 m2 op maximaal 300 meter loopafstand aanwezig zijn binnen het plangebied. Daarnaast dienen verblijfsplekken in nieuwbouwontwikkelingen met minimaal 50% groen en 30% schaduw te worden ingericht.

Hierin gelden bomen voor zowel groenoppervlak als schaduwoppervlak. Voor het onderhavige plan is een hittestress toets verricht. De hittestress toets is als bijlage 15 bij dit bestemmingsplan opgenomen. Uit de hittestress toetsing kan worden afgeleid waar in het plangebied zich koele plekken bevinden en of het plangebied voldoet aan de hittestress­eisen. In het plan(gebied) wordt aan de eis voor koele verblijfsplekken voldaan. De eis van groen­ en schaduwoppervlak wordt in een latere fase bij de planuitwerking verder ingevuld. Droogte (Watertekort) Om te waarborgen dat droogte niet leidt tot onomkeerbare schade aan gebouwen, infrastructuur en natuur dient een plangebied bij een nieuwbouwontwikkeling neerslag bergend en afvoer vertragend te worden ingericht. Hiervoor is reeds aangegeven hoe binnen het plan(gebied) hierop kan worden ingespeeld. In een latere fase van de realisatie zal de uitwerking van de maatregelen worden bepaald. Naast de waterbergende en afvoer­vertragende maatregelen dienen er ook maatregelen in het ontwerp te worden opgenomen welke (schade door) bodemdaling tegengaan en kostenefficiënt zijn over de levensduur van 30 jaar. Dit kan bijvoorbeeld door het toepassen van langdurige voorbelasting welke restzettingen beperkt. Deze maatregelen zullen in een latere fase van de planrealisatie nader worden uitgewerkt.

Waterveiligheid Om de waterveiligheid te kunnen waarborgen is regionale samenwerking met onder andere waterschappen van belang. Bij nieuwbouwontwikkelingen zijn inpassingen van waterkeringen en gevolgbeperkingen van overstromingen onderdeel van het ontwerpproces van gebouwen en openbare inrichtingen. Een deel van het plangebied valt binnen de beschermingszone van een regionale waterkering. Bij de uitvoering van het plan wordt ontwikkeling op en nabij de waterkering middels een watervergunning en afstemming met het waterschap AGV Waternet verder uitgewerkt. Conclusie Het aspect waterhuishouding vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

Toelichting Bestemmingsplan De Scheg West (9­10­2023) 47

7.3 Archeologie Wettelijk kader De Erfgoedwet vormt (momenteel) het wettelijke fundament voor de archeologie in Nederland. Onderdelen van de voormalige Monumentenwet over archeologie vallen nu onder de Erfgoedwet en worden overgeheveld naar de Omgevingswet. Onderdeel van archeologische regelgeving is de verplichting om rekening te houden met archeologie bij het opstellen van bestemmingsplannen. Dit houdt in dat de gemeente bij de voorbereiding van een nieuw bestemmingsplan moet onderzoeken of de grond een archeologische waarde of verwachting bezit. In het bestemmingsplan kunnen archeologische voorschriften worden opgenomen wanneer de gemeente de grond bestemd heeft als archeologisch waardevol of onderzoeksgebied. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta) uit 1992. Dit gaat uit van de bescherming van het archeologische erfgoed als bron van het Europese gemeenschappelijke geheugen en als middel voor geschiedkundige en wetenschappelijke studie. Om dat doel te bereiken moet de wetgever het archeologisch erfgoed betrekken bij de ruimtelijke ordening. Tevens dient de financiering van het archeologisch onderzoek en het behoud in de bodem te worden geregeld. De kern van de Erfgoedwet is dat gemeenten verantwoordelijk zijn geworden voor de archeologische monumentenzorg binnen de gemeentegrenzen.

De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van 'de verstoorder betaalt', dat ervan uitgaat dat de aanvrager van een omgevingsvergunning en een omgevingsvergunning voor aanlegactiviteiten zelf de kosten moet dragen voor het voldoen aan de archeologische voorschriften, worden meer archeologische resten in situ behouden. Het principe dat de veroorzaker betaalt geldt uitsluitend wanneer de wet uitdrukkelijk bepaalt dat er een archeologisch voorschrift aan de vergunning kan worden verbonden. De volgende archeologische voorschriften worden in de Erfgoedwet genoemd: <0000> Het treffen van maatregelen waardoor de archeologische resten in situ behouden blijven; <0000> De verplichting tot het doen van opgravingen; <0000> Het werk laten begeleiden door een deskundige. Het Rijk is het bevoegd gezag bij toevalsvondsten, waarvan sprake is wanneer er bij werkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen (paragraaf 5.4 Erfgoedwet). Vondsten met archeologische waarde dienen te worden aangegeven bij het provinciaal depot voor archeologie van de provincie Noord­Holland. Archeologiebeleid gemeente Amstelveen De gemeente Amstelveen heeft in 2008 archeologisch beleid vastgesteld. Hiertoe is een archeologische verwachtingskaart opgesteld.

Op deze kaart zijn in verschillende gradaties de verwachte archeologische waarden opgenomen, waaraan criteria met betrekking tot oppervlakte en diepte van bodemverstoring zijn verbonden. In 2016 is het archeologisch beleid, en de daarbij behorende archeologische verwachtingskaart geactualiseerd. De gebieden met de hoogste verwachting zijn vermeld als 'AMK­terrein' (Archeologische Monumentenkaart) of als 'historische kern'. Dit zijn de op kaart paars gekleurde gebieden (Amsterdamseweg, oude dorp, bestaande en voormalige buitenplaatsen langs de Amstel en locaties van voormalige molens en posten Linie van Krayenhoff). Hiervoor geldt dat bij bodemverstoringen van meer dan 50 m2 een archeologisch onderzoek dient te worden gestart. In de zones waar 'historische bebouwing' heeft plaatsgevonden (Amsterdamseweg, Handweg, Legmeerdijk, Bovenkerkerweg en de Amsteldijk) geldt verplicht archeologisch onderzoek bij bodemverstoringen groter dan 100 m2. De zone van het onverveend bovenland (gebied ten westen van de Amsteldijk, groot loopveld Toelichting Bestemmingsplan De Scheg West (9­10­2023) 48

(tracé ten zuiden van de A9) en het onverveende gebied in het noord­westen van Amstelveen) heeft een middelhoge verwachtingswaarde. Hiervoor geldt dat bij bodemverstoringen van meer dan 1.000 m2 een archeologisch onderzoek dient te worden gestart. Tot deze categorie van middelhoge archeologische verwachtingswaarde behoren ook de getij­inversie­ruggen, die liggen in de Bovenkerkerpolder en de Noorder Legmeerpolder. Hiervoor geldt dat bij bodemverstoringen van meer dan 5.000 m2 een archeologisch onderzoek dient te worden gestart. Het overgrote deel van Amstelveen bestaat uit verveend, drooggemaakt of met zand opgespoten gebied. Binnen dit gebied geldt een lage archeologische verwachtingswaarde. Hiervoor geldt dat bij bodemverstoringen van meer dan 10.000 m2 een archeologisch onderzoek dient te worden gestart. Situatie en beoordeling plan(gebied) In 2023 is door Sweco een geactualiseerd archeologisch bureauonderzoek verricht. Het onderzoeksrapport is als bijlage 6 bij deze plantoelichting toegevoegd. Hieronder volgen de conclusies en het advies: Op basis van het bureauonderzoek kunnen de onderzoeksvragen als volgt worden beantwoord: ­ Zijn mogelijk archeologische waarden in het plangebied aanwezig? Op basis van de geraadpleegde bronnen en informatie is een lage verwachting aanwezig voor archeologie uit het Neolithicum tot en met de Bronstijd.

Uit recent onderzoek van Antea, is echter gebleken dat het aangrenzende plangebied te nat is geweest voor bewoning. Dit geldt ook voor het onderhavige plangebied. - Is het plangebied voldoende onderzocht. Zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek wordt geadviseerd? Het plangebied is, gezien de resultaten van het proefsleuvenonderzoek van Antea, voldoende onderzocht. Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek en het proefsleuvenonderzoek van Antea in de Scheg Oost adviseert Sweco geen archeologisch vervolgonderzoek. Door NMF erfgoedadvies is eenzelfde advies afgegeven. Een memo met het (herziene) advies van NMF erfgoedadvies aan de gemeente is als bijlage 7 bij deze plantoelichting toegevoegd. In de memo van NMF erfgoedadvies staat het volgende. In de omgeving van De Scheg West is inventariserend onderzoek uitgevoerd in gebieden met een zelfde verwachting. Met name het boor­ en vervolgens proefsleuvenonderzoek in De Scheg Oost en het booronderzoek in de Oosteindedriehoek in Aalsmeer is hierbij van belang. Beide onderzoeken zijn in 2021 uitgevoerd. In de Oosteindedriehoek zijn geen afzettingen gevonden die wijzen op een leefbaar milieu. In De Scheg Oost was wel een mogelijk bewoonbare oeverwal aangeboord maar bij het proefsleuvenonderzoek bleek dat deze oeverwal laaggelegen waardoor deze toch niet of weinig geschikt was voor bewoning.

In dit gebied heeft ook erosie plaatsgevonden. Beide onderzoeken gecombineerd wijzen er op dat de kans klein is dat in het plangebied sprake is van archeologisch relevante geologische eenheden. Het in kaart brengen van de geologische ondergrond heeft nu weinig toegevoegde waarde meer en de kans is klein dat er bij de uitvoering van de plannen archeologische waarden verstoord kunnen worden. Vervolgonderzoek in De Scheg West is in het kader van inzicht in de uitvoerbaarheid van het plan niet noodzakelijk. In zijn algemeenheid blijft gelden dat indien bij de uitvoering van de werkzaamheden in vrijgegeven gebieden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht is.

Toelichting Bestemmingsplan De Scheg West (9­10­2023) 49

Conclusie Naar verwachting is bij de planuitvoering geen of beperkt aanvullend archeologisch onderzoek benodigd, en is het plan uitvoerbaar. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

7.4 Verkeer Voor de ontwikkeling en plannen van De Scheg West en Midden gezamenlijk is een verkeersonderzoek uitgevoerd door Goudappel. In 2023 is het verkeersonderzoek geactualiseerd. Het onderzoeksrapport (d.d. 23 augustus 2023) van Goudappel is als bijlage 8 bij de plantoelichting toegevoegd. Het plan De Scheg Oost is als autonome ontwikkeling in het verkeersonderzoek meegenomen, en heeft tevens (qua autoverkeer) geen directe verbinding met Midden en West. In het verkeersonderzoek is tevens onderzoek uitgevoerd naar de verkeerseffecten in het geval alleen De Scheg West wordt ontwikkeld. Met het verkeersonderzoek is inzicht verkregen in de verkeerskundige effecten van de woningbouwontwikkeling. Met behulp van het gemeentelijke verkeersmodel zijn de verkeersintensiteiten van de toekomstige ontwikkeling berekend en is het effect op het omliggende wegennet bepaald. Daarin is zowel gekeken naar de verkeersafwikkeling op de kruispunten als naar het aansluiten bij de streefwaarden voor intensiteiten op de wegen op basis van kenmerken van de inrichting en functies. In het verkeersonderzoek van augustus 2023 zijn twee varianten op de voorgenomen verkeersstructuur (planvariant 1) onderzocht, beide met een extra aansluiting op de Legmeerdijk waarvan één zonder verlenging van de Hammarskjöldsingel. De variant zonder de verlengde Hammarskjöldsingel betreft planvariant 3.

In planvariant 2 is sprake van drie hoofdontsluitingen voor De Scheg West en Midden, en in de planvarianten 1 en 3 is sprake van twee hoofdontsluitingen. Het onderhavige bestemmingsplan De Scheg West maakt de realisatie van een extra/rechtstreekse aansluiting op de Legmeerdijk, en dus de planvarianten 2 en 3, niet mogelijk. Uit de berekeningen van de verkeersgeneratie blijkt dat de totale verkeersgeneratie van de planontwikkeling van De Scheg West en Midden circa 6.500 ritten bedraagt. (Deze verkeersgeneratie is voor de drie planvarianten hetzelfde). Op het netwerk zorgt het extra gegeneerde verkeer voor een aanzienlijke toename van verkeer op diverse wegen. Wel blijft de totale verkeersintensiteit op veel wegen onder de na te streven intensiteiten vanuit oogpunt van verkeersveiligheid. Op de Meerlandenweg (ontbreken fietspad), Asserring, Jane Addamslaan noord (beiden aanwezigheid tweezijdig langsparkeren) en Bovenkerkerweg (overschrijding wenselijke wachttijd voor fietsers) wordt de streefwaarde overschreden. Voor de Jane Addamslaan (oostelijk en noordelijk deel) geldt dat overschrijding van de streefwaarde enkel optreedt bij eventuele andere verkeersstromen zonder de directe aansluiting van De Scheg West op de Weldam/Jane Addamslaan (variant 3 verkeersonderzoek). Voor het westelijk deel van de Jane Addamslaan is een overschrijding van de streefwaarde niet aan de orde.

Op de Meerlandenweg strookt als wordt gekeken naar streefwaarden de toekomstige intensiteit niet met de aanwezige fietsvoorzieningen. De daadwerkelijke hinder zal meevallen door beperkte fietsintensiteiten. Voor de Asserring en Jane Addamslaan (noord) maakt enige hinder met parkeren dat de sluiproute minder aantrekkelijk wordt. Wezenlijk hinderlijke situaties worden niet verwacht. Op de Bovenkerkerweg wordt de streefwaarde net overschreden. Dit is reeds in de autonome situatie het geval. De geringe overschrijding leidt slechts tot kleine mogelijke hinder voornamelijk voor wachtende fietsers bij de VRI. Toelichting Bestemmingsplan De Scheg West (9­10­2023) 50

De ontwikkeling van De Scheg heeft, bij alle drie de onderzochte varianten, slechts beperkte effecten op de verkeersafwikkeling van kruispunten nabij het plangebied. Het toevoegen van De Scheg aan de autonome situatie zorgt voor geen of slechts een beperkte toename van de gemiddelde wacht­/verliestijden. De rotonde waar de Jane Addamslaan, Legmeerdijk en Snoekbaarsstraat elkaar kruisen kan de hoge intensiteiten in de autonome situatie in beperkte mate aan en slechts met veelal hoge verliestijden afwikkelen. Het toevoegen van De Scheg leidt enigszins tot een toename van de gemiddelde verliestijden, maar is dus niet de oorzaak van de slechte verkeersafwikkeling op deze rotonde. De diverse varianten geven niet een wezenlijk verschil in de verkeersafwikkeling op deze rotonde. Uit het onderzoek naar de verkeerseffecten in het geval alleen De Scheg West wordt ontwikkeld, komt naar voren dat de verkeerseffecten op de Weldam, Jane Addamslaan en Legmeerdijk in de situatie met enkel De Scheg West niet wezenlijk anders zullen zijn dan in de situatie met de totale ontwikkeling van De Scheg. Afweging geen extra aansluiting op de Legmeerdijk Zoals uit het verkeersonderzoek blijkt zijn de verkeersafwikkeling effecten van een extra aansluiting op de Legmeerdijk beperkt.

De voordelen van een extra ontsluiting wegen niet op tegen de nadelen voor andere bewoners, het nadeel van verkleining van het beschikbare areaal voor woningbouw en nieuw groen, en het nadeel van een ingreep op en aan de Legmeerdijk. In het onderhavige bestemmingsplan De Scheg West is daarom planvariant 1 aangehouden en geen wegverbinding toegevoegd. Parkeren De woningbouwontwikkeling in het onderhavige bestemmingsplan leidt tot een parkeervraag. In het stedenbouwkundig plan (zie bijlage 1 van de plantoelichting) is inzicht gegeven in de (potentiële) parkeervraag en de ruimte voor parkeerplaatsen, en is tevens inzichtelijk gemaakt dat kan worden voldaan aan het aantal benodigde parkeerplaatsen volgens de parkeernormen van het gemeentelijk parkeerbeleid. Conclusie Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor het onderhavige bestemmingsplan.

7.5 Geluid Wettelijk kader en beleidskader De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag voor spoor­ en wegverkeerslawaai en gezoneerde industrieterreinen in de Wet geluidhinder. Daarnaast vindt de beoordeling van geluid zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening, met betrekking tot de goede ruimtelijke ordening. Voor spoorwegen, (drukkere) verkeerswegen en (grote) industrieterreinen is in de Wet geluidhinder (Wgh) een wettelijk kader ontwikkeld voor geluidzonering gekoppeld aan een systeem van grenswaarden. In de Wet geluidhinder (Wgh) en het Besluit geluidhinder (Bgh) zijn voorkeursgrenswaarden ten aanzien van de geluidsbelasting op geluidsgevoelige functies opgenomen. Als daar niet aan voldaan kan worden, is het in bepaalde situaties mogelijk om zogenoemde hogere waarden vast te stellen. Voor de hogere waarden van de geluidsbelasting geldt dat deze lager dienen te zijn dan de maximaal te verlenen hogere waarde, voor verschillende situaties, die zijn neergelegd in de Wgh en het Bgh. De gemeenteraad van Amstelveen heeft de "Deelnota Hogere Waarden" vastgesteld. In deze nota is de procedure uitgewerkt voor hogere waarden verlening. In het hogere waardenbeleid is een aantal aspecten opgenomen die bij de afweging van een hogere waarde een rol speelt. Deze aspecten zijn: Toelichting Bestemmingsplan De Scheg West (9­10­2023) 51

<0000> <0000> <0000>

het heersende geluidsniveau; het toetsingskader om af te wijken van het heersende geluidsniveau; cumulatie en compensatie.

Industrie algemeen Voor de (kleinere) bedrijfsterreinen waarvoor zonering niet verplicht is, geven de Handreiking Industrielawaai en Vergunningverlening (VROM 1998) en de VNG­publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) richtlijnen over de wijze waarop met het aspect geluid in bestemmingsplannen moet worden omgegaan. De VNG­handreiking geeft onder meer, ter voorkoming van geluidhinder bij geluidsgevoelige bestemmingen, richtafstanden en streefwaarden. De wettelijke geluidsnormen voor bedrijfsactiviteiten, welke gelden voor de bedrijven, zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Wegverkeer Tijdens de voorbereiding van een bestemmingsplan moet inzicht worden gegeven in de geluidsbelasting op nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen die gesitueerd worden binnen de zone van een weg. In geval sprake is van aanleg van een nieuwe weg of wijziging van een weg zal ook de geluidsbelasting veroorzaakt door verkeer op de nieuwe en/of gewijzigde weg op (bepaalde) bestaande geluidgevoelige bestemmingen in beeld moeten worden gebracht. Luchtvaartverkeer / vliegverkeer Het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) bepaalt de routering van het vliegverkeer van de luchthaven Schiphol. Daarbij zijn in het LIB beperkingen gesteld aan het ruimtegebruik rond de luchthaven. Naast het luchthavengebied is een beperkingengebied aangegeven.

In het beperkingengebied zijn een aantal deelgebieden onderscheiden, waarvoor verschillende regels gelden. Het gaat om o.a. zones waarin beperkingen gelden voor (nieuwe) geluidgevoelige functies. In een bestemmingsplan moet rekening worden gehouden met de beperkingen en bepalingen. Situatie en beoordeling plan(gebied) Voor het plan De Scheg West is een akoestisch onderzoek verricht door het bureau Sweco. In 2023 is het akoestisch onderzoek geactualiseerd en aangevuld. Het onderzoeksrapport (d.d. 24 augustus 2023) van Sweco is aan deze plantoelichting toegevoegd als bijlage 9. Hierna staan een samenvatting van de resultaten en de conclusies van het akoestisch onderzoek beschreven: Vliegtuiglawaai De nieuwe woonwijk in het plan De Scheg West ligt buiten de vastgestelde geluidcontouren van luchthaven Schiphol. Aanvullend akoestisch onderzoek naar het vliegtuiglawaai van Schiphol is hierom niet noodzakelijk en daarom niet uitgevoerd. Aanvulling op het onderzoeksrapport: Voor twee nieuwe woningen in het lint van Noorddammerweg (tussen twee bestaande woningen), gelegen binnen de LIB 5 zone Schiphol op de rand van de 20 Ke-contour, geldt dat geluidsbelasting circa 52-53 dB betreft. Dit betreft een aanvaardbare geluidsbelasting.

Industrielawaai Het plan De Scheg West ligt buiten de vastgestelde geluidcontouren van gezoneerde industrieterreinen (zoals Schiphol) en ligt op voldoende afstand van de nabijgelegen glastuinbouwbedrijven en de tramopstelplaatsen. Op basis van de tussengelegen afstand is het aannemelijk dat de bedrijven aan de geluidsnormen voldoen. Aanvullend akoestisch onderzoek naar industrielawaai is hierom niet uitgevoerd.

Toelichting Bestemmingsplan De Scheg West (9­10­2023) 52

Wegverkeerslawaai Geluidbelasting op de nieuwe woningen en school De geluidsbelastingen (inclusief aftrek) ten gevolge van de volgens de Wet geluidhinder gezoneerde wegen overschrijden de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB op de gevels van de geplande woningen en school. De overschrijdingen worden veroorzaakt door het wegverkeer op de N231 Legmeerdijk, de Weldam (inclusief Verlengde Weldam) en de nieuwe gebiedsontsluitingsweg. Het treffen van bron­ en/of overdrachtsmaatregelen voor de vier genoemde wegen biedt onvoldoende soelaas om de geluidsbelasting te reduceren tot de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB, en/of zijn vanuit praktisch oogpunt niet mogelijk. Daarom resteert het aanvragen van hogere waarden voor de nieuwe woningen en school. In het onderzoeksrapport is een overzicht gegeven van de aan te vragen hogere waarden. De berekende cumulatieve geluidsbelasting (exclusief aftrek) van alle wegen samen bedraagt ten hoogste 65 dB op de nieuwe woningen aan de Legmeerdijk, en ten hoogste 61 dB op nieuwe woningen in de woonwijk en ten hoogste 62 dB op de nieuwe school. Dit betreft de situatie zonder maatregelen. Ten aanzien van de cumulatieve geluidsbelasting wordt het volgende geconstateerd: <0000> Een geluidsbelasting hoger dan 65 dB is te classificeren als akoestisch slecht. Deze geluidsbelasting treedt niet op binnen de bouwvlakken.

<0000> Een geluidsbelasting hoger dan 60 dB is te classificeren als akoestisch tamelijk slecht. Deze geluidsbelasting treedt slechts op bij de grens van een klein aantal bouwvlakken en op een deel van het bouwvlak van het onderwijsgebouw. <0000> Een geluidsbelasting hoger dan 55 dB is te classificeren als akoestisch matig. Deze geluidsbelasting treedt op bij de grens van meerdere bouwvlakken. <0000> De geluidsbelastingen zijn berekend op de bouwvlakgrenzen. Dit geeft een indicatie van de geluidsbelasting op de eerstelijns bebouwing binnen de bouwvlakken. Verwacht wordt dat de meeste gevels van de woningen niet zo dicht op de weg komen te liggen als in het onderzoek is gehanteerd, waardoor de geluidsbelasting op de gevels van de woningen meestal lager zal zijn dan in het onderzoek is berekend. Ook het grootste deel van de school zal een lagere cumulatieve geluidsbelasting kennen. <0000> Er is gerekend zonder bebouwing; na realisatie van de woningen zal de afschermende werking van de eerstelijns bebouwing de geluidsbelasting verlagen op de woningen die erachter liggen. <0000> Tevens kan worden gesteld dat alle woningen zodanig gesitueerd zullen zijn dat iedere woning tenminste één geluidluwe gevel heeft. Vanwege voorgenoemde redenen wordt de beoogde woningbouw en school in plan De Scheg West als akoestisch acceptabel beschouwd.

Bij een cumulatieve geluidsbelasting hoger dan 53 dB dient bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de realisatie van de woningen aangetoond te worden dat voldaan wordt aan de omschreven eisen in afdeling 3.1 van het Bouwbesluit. In de gevels van de verblijfsgebieden/­ruimten gelegen aan de geluidbelaste zijde dienen wellicht maatregelen te worden getroffen om aan de genoemde eisen te voldoen. Hierbij kan het gaan om bijvoorbeeld geluiddempende ventilatievoorzieningen (suskasten) of een mechanisch gebalanceerd ventilatiesysteem en akoestische beglazing, in combinatie met een goede naad­ en kierdichting.

Toelichting Bestemmingsplan De Scheg West (9­10­2023) 53

Reconstructie bestaande Weldam, en geluidsbelasting op bestaande woningen De huidige geluidsbelasting op de bestaande woningen langs de Weldam is lager dan 48 dB, dus geldt 48 dB als toetswaarde voor alle woningen. De wijziging van het kruispunt 'Weldam ­ J.C. van Hattumweg', en daarmee de reconstructie van de Weldam, veroorzaakt een relevante toename in geluidsbelasting op de bestaande woningen. Er is sprake van een 'reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder'. Uit de resultaten van de berekeningen volgt: <0000> De toename in geluidsbelasting op de bestaande woningen en een leeg woningbouwvlak, ten gevolge van de reconstructie van de Weldam, bedraagt ten hoogste 8 dB. De grootste toename is meer dan 5 dB en is hoger dan de grenswaarde volgens de Wet geluidhinder. Er dienen maatregelen te worden getroffen. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt niet overschreden. <0000> Een bronmaatregel in de vorm van een geluidreducerend wegdektype kan op deze locatie technisch mogelijk zijn en de toename in geluidsbelasting op de woningen reduceren tot hoogstens 5 dB. Daarmee is de toename niet hoger dan de grenswaarde volgens de Wet geluidhinder. Overige maatregelen (snelheidsverlaging, geluidschermen) stuiten op bezwaar van technische en/of verkeerskundige aard en zijn geen reële opties.

<0000> Na het toepassen van het wegdektype dunne deklaag type A op de Weldam is de toename in geluidsbelasting hoogstens 5 dB op een een leeg woningbouwvlak en hoogstens 4 dB op bestaande woningen en daarmee niet hoger dan de grenswaarde volgens de Wet geluidhinder. Het wegdektype SMA 0/5 levert onvoldoende reductie om de geluidsbelasting te reduceren tot de grenswaarde van hoogstens 5 dB toename, en is onvoldoende effectief als maatregel. <0000> Omdat meerdere woningen na het toepassen van stiller wegdek nog steeds een toename ondervinden, dienen hogere waarden te worden aangevraagd. In het onderzoeksrapport staan de aan te vragen hogere waarden weergegeven. <0000> Bij de bestaande woningen waarvoor een hogere waarde wordt verleend, dient onderzoek naar gevelisolatie te worden uitgevoerd om aan te tonen dat het binnenniveau van de woningen voldoet aan de maximale waarde van 33 dB voor wegverkeerslawaai zoals gesteld in het Bouwbesluit. Hierbij dient de benodigde geluidwering van de gevel te worden gebaseerd op de cumulatieve geluidsbelasting.

Nadere beschouwing en hogere waarden Ten behoeve van het onderhavige bestemmingsplan De Scheg West hebben het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amstelveen hogere waarden verleend/vastgesteld voor een aanzienlijk deel van de nieuwe woningen, voor de nieuwe school, voor 9 bestaande woningen langs de Weldam en voor een leeg woningbouwvlak langs de Weldam. Het besluit hogere grenswaarden geluid is opgenomen als bijlage 10 bij de plantoelichting. In het besluit hogere (grens)waarden is tevens opgenomen dat stiller asfalt dient te worden aangelegd op de bestaande Weldam, namelijk het geluidreducerend wegdek 'dunne deklaag type A' of een een wegdektype met een ten minste gelijkwaardige geluidreducerende werking. Na de toepassing van stiller asfalt op de Weldam resteert een geluidsbelastingtoename van ten hoogste 4 dB op de voorgenoemde 9 bestaande woningen. Daarom is in dit bestemmingsplan een regeling opgenomen. In de specifieke gebruiksregels van de bestemmingen ‘Woongebied­1/2/4/5’ is ten aanzien van de betreffende 9 bestaande woningen aan/langs de Weldam een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het aantonen van voldoende geluidwering en voor geluidwerende voorzieningen aan de gevel.

Toelichting Bestemmingsplan De Scheg West (9­10­2023) 54

De toepassing van aanvullende bouwkundige maatregelen dan wel geluidwerende voorzieningen aan de gevel bij nieuwe woningen waarvoor een hogere waarde is vastgesteld, is geregeld via het Bouwbesluit. Met de toepassing van de diverse voorgenoemde maatregelen zal sprake zijn van een aanvaardbaar geluidniveau binnen de woningen. Conclusie Het aspect geluid vormt, door de toepassing van maatregelen, geen belemmering voor (de uitvoering van) het onderhavige bestemmingsplan.

7.6 Luchtkwaliteit Wettelijk kader De hoofdlijnen voor regelgeving van de luchtkwaliteitseisen zijn vastgelegd in de Wet milieubeheer (Wm). Artikel 5.16 Wm geeft weer onder welke voorwaarden de bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (zoals wijzigingen van een bestemmingsplan) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in principe geen belemmering: <0000> er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; <0000> een project leidt per saldo niet tot verslechtering van de luchtkwaliteit; <0000> een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; <0000> een project past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of binnen een regionaal programma van maatregelen. Vanaf 1 augustus 2009 is het NSL in werking getreden. In het NSL zijn alle maatregelen opgenomen die de luchtkwaliteit moeten verbeteren en tevens zijn ruimtelijke ontwikkelingen opgenomen die de luchtkwaliteit verslechteren. Overheden zijn gehouden de in het NSL opgenomen maatregelen uit te voeren en kunnen het NSL gebruiken als onderbouwing bij plannen voor de NSL­projecten. Met het NSL laat de Nederlandse overheid zien hoe zij aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit gaat voldoen.

Grenswaarden Voor de beoordeling van de situatie in (de omgeving van) een ruimtelijk plan zijn met name de volgende grenswaarden uit de Wet milieubeheer relevant: <0000> voor stikstofdioxide (NO2) geldt een grenswaarde van 40 µg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie; <0000> voor fijn stof (PM10) geldt een grenswaarde van 40 µg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie, een grenswaarde van 50 µg/m3 voor de 24­uurgemiddelde concentratie; <0000> de 24­uurgemiddelde waarde voor PM10 mag niet vaker dan 35 keer per jaar overschreden worden (39 keer als rekening wordt gehouden met de zogenoemde zeezoutaftrek); <0000> voor PM2,5, deeltjes nog kleiner dan PM10, geldt een grenswaarde van 25 µg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) Met het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' ­ zoals een school of kinderopvang ­ in de nabijheid van provinciale wegen (binnen 50 meter) en rijkswegen (binnen 300 meter) beperkt. Dat geldt voor nieuwe situaties en bestaande situaties die worden uitgebreid, waarbij sprake is van een (dreigende) overschrijding van de grenswaarden voor NO2 of PM10. Binnen het onderhavige bestemmingsplan bevindt zich een gevoelige bestemming, namelijk een nieuwe school.

Besluit en Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) Toelichting Bestemmingsplan De Scheg West (9­10­2023) 55

In het Besluit niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is vastgelegd wanneer een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een project is NIBM als het niet meer dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde voor NO2 en PM10 bijdraagt; concreet betekent dit een bijdrage van maximaal 1,2 µg/m3. Met name NO2 en PM10 zorgen in Nederland nog voor overschrijdingen van grenswaarden, vandaar dat deze grens is gekozen. In de Regeling NIBM is een aantal categorieën projecten met maximale groottes aangewezen die NIBM zijn, waaronder woningbouw, kantoren en bepaalde inrichtingen. Als een project binnen de grenzen van deze Regeling valt, is verdere toetsing aan de grenswaarden niet nodig. Indien sprake is van een combinatie van functies zal een berekening van (de toename van) de luchtconcentraties moeten worden gemaakt. Situatie en beoordeling plan(gebied) Voor de ontwikkeling en plannen van De Scheg West en Midden gezamenlijk is een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd door het bureau Sweco. Het onderzoeksrapport is aan deze plantoelichting toegevoegd als bijlage 11. In de plansituatie ontstaan aanvullende emissies van luchtverontreinigende stoffen (NOx, PM10 en PM2,5) door de verkeersaantrekkende werking van het plan. De luchtkwaliteit ofwel luchtconcentraties in de plansituatie zijn berekend.

In het onderhavige plan is een basisschool opgenomen. De afstand van de basisschool in het plan tot de dichtstbijzijnde rijksweg bedraagt veel meer dan 300 meter, namelijk meer dan 1 kilometer. De afstand van de basisschool in het plan tot de dichtstbijzijnde provinciale weg bedraagt ruim meer dan 50 meter, namelijk circa 400 meter. Daarmee voldoet de school in het plan zonder meer aan het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Uit het luchtkwaliteitsonderzoek komt naar voren dat de grenswaarden voor de jaargemiddelde concentraties voor NO2, PM10 en PM2,5, de uurgemiddelde concentratie NO2 en de 24­uurgemiddelde concentratie PM10 niet worden overschreden door de planontwikkeling. Hiermee voldoet het plan ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit aan de milieukwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer. De luchtconcentraties liggen ruimschoots lager dan de grenswaarden. Ten aanzien van luchtkwaliteit is er sprake van goede ruimtelijke ordening. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het plan.

7.7 Externe veiligheid Bij externe veiligheid gaat het om de risico's die derden lopen als gevolg van bepaalde activiteiten. In Amstelveen gaat het met name om de risico's van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg en door buisleidingen. Wettelijk kader Besluit externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen in de omgeving van het bedrijf. Het gaat daarbij onder meer om bedrijven die vallen onder het BRZO (Besluit Risico's Zware Ongevallen), LPG­tankstations en opslagplaatsen met gevaarlijke stoffen.

Toelichting Bestemmingsplan De Scheg West (9­10­2023) 56

Belangrijke begrippen in het kader van externe veiligheid zijn het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is in het Bevi gedefinieerd als het "risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is". Het groepsrisico is gedefinieerd als de "cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is". Verder zijn kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten van belang. Kwetsbare objecten zijn bijvoorbeeld scholen, kantoorgebouwen met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1.500 m2 en woningen met een dichtheid van meer dan twee woningen per hectare. Beperkt kwetsbare objecten zijn onder meer sporthallen, zwembaden en woningen met een dichtheid van maximaal twee woningen per hectare. Het Bevi bevat eisen voor het plaatsgebonden risico en regels voor het groepsrisico. Voor het plaatsgebonden risico geldt onder meer een grenswaarde van 10­6 per jaar voor kwetsbare objecten in nieuwe situaties.

Voor het groepsrisico geldt dat de gemeenteraad verantwoording moet afleggen over de wijze waarop het groepsrisico is meegewogen in de besluitvorming. Besluit externe veiligheid transportroutes, en Basisnet Op 1 april 2015 is de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en het Besluit externe veiligheid transportroutes inwerking getreden. In deze wetgeving is de grondslag voor het Basisnet voor vervoer van gevaarlijke stoffen opgenomen. Het doel van Basisnet is om gevaarlijke stoffen te kunnen vervoeren tussen de belangrijkste industriële plaatsen in Nederland en in het buitenland en de risico's voor omwonenden langs de routes binnen de wettelijke grenzen te houden. Het systeem Basisnet heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over grote vaarwegen, spoorwegen en autowegen. In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) staan bepalingen met betrekking tot te verrichten onderzoek en risico verantwoording. Besluit externe veiligheid buisleidingen Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) regelt de taken en verantwoordelijkheden van leidingexploitanten en gemeenten. De belangrijkste eisen aan bestemmingsplannen zijn: ruimtelijke reservering voor plaatsgebonden risico, verantwoording van het groepsrisico en een ruimtelijke reservering voor zogenoemde belemmeringenstroken met een aanlegvergunningenstelsel.

Toelichting Bestemmingsplan De Scheg West (9­10­2023) 57

Situatie en beoordeling plan(gebied) Met behulp van de Risicokaart is een inventarisatie gemaakt van de in de omgeving van het plangebied aanwezige risicobronnen ten aanzien van externe veiligheid. Afbeelding 7.7: Uitsnede Risicokaart omgeving plangebied, met ligging plangebied globaal weergegeven met blauw kader

Bedrijven waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt: De Risicokaart geeft aan dat in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen aanwezig zijn. Op circa 700 meter van het plangebied, aan de Aalsmeerderweg 358, bevindt zich een bedrijf met en propaantank. De afstand is dermate groot dat dit niet van invloed is op de voorgenomen woningbouwontwikkeling. Overige inrichtingen met risicobronnen bevinden zich op meer dan een kilometer van het plangebied. Transportroutes gevaarlijke stoffen De N201 ligt circa 1,4 kilometer ten zuiden van het plangebied. Via deze route worden gevaarlijke stoffen (brandbare gassen) vervoerd. De N201 valt daarmee onder de werkingssfeer van het Bevt. Het invloedsgebied is 355 meter. Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied. Ondergrondse buisleidingen met gevaarlijke stoffen Uit de Risicokaart volgt dat ten zuiden en oosten van het plangebied een buisleiding van de Gasunie is gelegen (leidingen W­529­01 en W­540­01). Buisleiding W­529­01 ligt op circa 1 kilometer van het plangebied. Buisleiding W­540­01 ligt op circa 670 meter van het plangebied. Het invloedsgebied van een hogedrukgasleiding wordt bepaald aan de hand van de werkdruk en de diameter van de gasleiding.

Beide hogedrukgasleidingen hebben een werkdruk van 40 bar en een diameter van ongeveer 12,44 inch, waardoor het invloedsgebied van deze gasleidingen 140 meter bedraagt. Het plangebied ligt ruim buiten het invloedsgebied van de beide buisleidingen. Conclusie Met betrekking tot externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor het onderhavige plan.

Toelichting Bestemmingsplan De Scheg West (9­10­2023) 58

7.8 Natuurwaarden Wettelijk kader Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Doel van deze wet is de bescherming van soorten en leefgebieden. De wet is een implementatie van Europeesrechtelijke en internationale verplichtingen (Habitatrichtlijn, Vogelrichtlijn, Verdrag van Bern en Verdrag van Bonn). De Wet natuurbescherming beslaat zowel soortenbescherming als gebiedsbescherming. De wet kent een beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, voor soorten van de Habitatrichtlijn en voor andere soorten. Het komt er onder andere op neer dat soorten niet opzettelijk gedood, gevangen of verstoord mogen worden. Ook het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen en rustplaatsen is verboden. Vrijwel alle vogels zijn beschermd ingevolge de Vogelrichtlijn. Habitatrichtlijnsoorten zijn bijvoorbeeld alle vleermuissoorten. Onder de andere soorten vallen bijvoorbeeld de ringslang en grote modderkruiper, maar ook algemene soorten. Als (bij planuitvoering of werkzaamheden) overtreding van een Wnb­verbodsbepaling dreigt, dan is een ontheffing benodigd. Voor (een groot aantal) algemene soorten is een vrijstelling voor ontheffing vastgesteld. Met betrekking tot de gebiedsbescherming wordt hoofdzakelijk gekeken naar de Natura 2000­gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN).

Gebiedsbescherming In de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn gebieden aangewezen die onderdeel uitmaken van de Europese ecologische hoofdstructuur (Natura 2000­gebieden). Indien een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt in of in de nabijheid van een Natura 2000­gebied (externe werking) moet worden onderzocht of de ontwikkeling de kwaliteit van het gebied kan verslechteren of verstoren. Indien het bestemmingsplan, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, de kwaliteit van een Natura 2000­gebied verslechtert of een significant verstorend effect heeft (dit wordt de verslechterings­ en verstoringstoets genoemd) dient een vergunning op grond van de Wnb te worden aangevraagd. Het bevoegd gezag voor deze vergunning is Gedeputeerde Staten van de provincie waarin het Natura 2000­gebied is gelegen. Indien het plan mogelijk significante negatieve gevolgen heeft voor deze gebieden dient bovendien een passende beoordeling te worden gemaakt. Significant negatieve gevolgen treden op als de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000­gebied worden aangetast. Is dit het geval, dan kan alleen een vergunning worden verkregen indien wordt voldaan aan de zogenaamde ADC­criteria. Dat wil zeggen dat voor het plan geen alternatieven zijn, sprake is van een dwingende reden van groot openbaar belang en is voorzien in compenserende maatregelen.

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming (Wnb) beschermt vele in het wild en van nature in Nederland voorkomende dieren. De wet kent verschillende beschermingsregimes voor diverse soorten. De Wnb bevat verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde diersoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings­ of vaste rust­ en verblijfsplaatsen. Voor van nature in Nederland in het wild voorkomende vogels geldt dat het verboden is om nesten, rustplaatsen of eieren te vernielen. Ook is het verboden om vogels te verstoren, tenzij de verstoring geen wezenlijke invloed heeft op de staat van instandhouding van de soort. Voor algemene soorten, geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen of beheer en onderhoud, op grond van de Verordening vrijstellingen soorten Noord­Holland, vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wnb. Voor overige soorten is geen ontheffing nodig indien de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I) of de provincie een Toelichting Bestemmingsplan De Scheg West (9­10­2023) 59

gedragscode heeft goedgekeurd voor het uitvoeren van de werkzaamheden. De gemeente Amsterdam heeft een gedragscode opgesteld die de minister van (destijds) LNV heeft goedgekeurd. Hoewel de gedragscode zijn basis vindt in de Flora­ en faunawet, die inmiddels is vervallen, is de werking van de gedragscode door de staatssecretaris van Economische Zaken ambtshalve verlengd. Bij naleving van deze gedragscode geldt dan ook een vrijstelling voor de uitvoering van werkzaamheden in het kader van bestendig beheer en onderhoud en ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Ontheffingen mogen slechts worden verleend wanneer geen andere bevredigende oplossing bestaat, geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan en de ontheffing nodig is met het oog op in de Wnb bepaalde belangen. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wnb aan de uitvoering van het bestemmingsplan in de weg staat. Dit zal zich voordoen wanneer de uitvoering van het bestemmingsplan tot ingrepen noodzaakt waarvoor geen vrijstelling geldt of geen ontheffing op grond van de Wnb kan worden verleend. Situatie en beoordeling plan(gebied) - Gebiedsbescherming / Natuurgebied Het onderhavige plangebied ligt niet in een natuurgebied of een weidevogelleefgebied.

Natuurnetwerk Nederland Het plangebied De Scheg West ligt niet in of direct nabij het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het dichtstbijzijnde NNN­gebied ligt op meer dan 800 meter afstand, ten oosten van het plangebied. Door het uitvoeren van de werkzaamheden gaat geen oppervlakte aan NNN verloren. Gezien de afstand en de tussenliggende bebouwing kunnen negatieve effecten op het NNN door het plan worden uitgesloten. Natura 2000-gebied (algemeen) Het dichtstbijzijnde Natura 2000­gebied "Botshol" ligt op circa 6,5 kilometer afstand van het plangebied. Onder andere dit Natura 2000­gebied kent stikstofgevoelig habitat. De externe effecten op de Natura 2000­gebieden dienen getoetst te worden. Voor de mogelijke effectfactoren geluid, licht, menselijke aanwezigheid en trillingen geldt dat gezien de aard van het plan en de werkzaamheden, de afstand en de tussenliggende elementen geen effecten op de Natura 2000­gebieden te verwachten zijn. Ten aanzien van de uitstoot van stikstof kan zonder berekening niet worden uitgesloten dat er geen effect, ofwel stikstofdepositie(toename), op een Natura 2000­gebied is. Derhalve is er een berekening van de (mogelijke) stikstofdepositie(toename) op Natura 2000­gebieden gemaakt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=amstelveen&id=6b4d51ab-3fc9-494b-bee9-62d40094bc6a