CConstaterende datamstelveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting Bestemmingsplan De Scheg Midden

Raadsvergadering 27 november 2024, gemeente amstelveenBij agendapunt: De Scheg Midden bestemmingsplan, exploitatieplan, beeldkwaliteitsplan en herziening grondexploitatie De Scheg33.232 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

In het waterbeheerprogramma zijn zeven thema's geformuleerd, die de doelen voor de komende vijf jaar beschrijven: <0000> Gezuiverd afvalwater. <0000> Gezond water. <0000> Voldoende water. <0000> Waterveiligheid. <0000> Genieten van water. <0000> Wettelijke taken en maatschappelijke opgaven. <0000> Bestuur en maatschappij. Overkoepelend wordt ingezet op een toekomstbestendig watersysteem. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht wil verantwoordelijkheid nemen op het gebied van duurzaamheid, de energietransitie, de herwinning van grondstoffen en de zorg voor natuur en de biodiversiteit. Waterschapsverordening Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2024 In verband met de ingang van de Omgevingswet per 1 januari 2024 is de Keur vervangen door de Waterschapsverordening Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2024. In de Waterschapsverordening zijn de wettelijke regels opgenomen die het waterschap hanteert bij de bescherming van oppervlaktewaterlichamen (beken, sloten en rivieren), waterkeringen, bergingsgebieden, grondwater en bijbehorende kunstwerken (gemalen, stuwen, etc.). Uit de Waterschapsverordening blijkt dat het verboden is om een uitbreiding op het verhard oppervlak van meer dan 1.000 m2 binnen stedelijk gebied of glastuinbouwgebied te doen zonder omgevingsvergunning.

Voor het overige beheergebied van het waterschap wordt een maximale uitbreiding van het stedelijk gebied van 5.000 m2 zonder omgevingsvergunning toegestaan. De compensatienorm (in artikel 2.5) benadrukt dat de toename in hemelwater van het verhard oppervlak moet worden gecompenseerd door oppervlaktewater aan te leggen dat in omvang minimaal 10% van het verhard oppervlak is. Naast het waterschap heeft ook de gemeente zelf een aantal beleidsuitgangspunten die bij een watertoets worden meegenomen.

Toelichting Bestemmingsplan De Scheg Midden (9­10­2024)

44

Klimaatadaptatie Eind 2020 is door de gemeente het Actieplan Klimaatadaptatie Amstelveen 2021­2026 vastgesteld. Het actieplan geeft invulling aan de thema's die zijn benoemd in het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie en sluit (op hoofdlijnen) aan bij de normen die zijn opgesteld door de Metropoolregio Amsterdam (MRA). In het gemeentelijk Actieplan Klimaatadaptatie Amstelveen worden naast beleid en maatregelen in de bestaande buitenruimte ook kaders en randvoorwaarden gegeven voor nieuwe ontwikkelingen. De thema's die van belang zijn voor het stedelijk gebied van Amstelveen, zijn: A. Wateroverlast: inrichting voor verwerking van extreme buien en bestrijding van extreme grondwaterstanden. B. Hitte: beperking van de impact. C. Droogte: vergroten sponswerking. D. Waterveiligheid: regionaal samenwerken aan gevolgbeperking overstroming. In onderstaand overzicht is op hoofdlijnen per thema aangegeven waar bij de planontwikkeling rekening mee moet worden gehouden. Verdere achtergrond en eisen zijn terug te vinden in het Actieplan Klimaatadaptatie Amstelveen 2021­2026. A. Wateroverlast: inrichting voor extreme buien Ambitie: Bij een bui van 70 mm in één uur (die gemiddeld 1x per 100 jaar voorkomt) stroomt er vanuit de openbare ruimte geen water gebouwen in; daarnaast blijven nutsvoorzieningen en vitale objecten functioneren bij een bui van 90 mm in één uur.

Op openbaar en privaat terrein streeft de gemeente ernaar dat regenwater als waardevol product wordt gezien. De gemeente streeft ernaar dat regenwater zoveel mogelijk opgevangen wordt waar het valt, hergebruikt wordt (groen, grondwater, toilet) of vertraagd wordt afgevoerd (invulling van de drietrapsstrategie Vasthouden­Bergen­Afvoeren). Nieuwbouw: Voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen geldt een waterbergingseis van 70 mm voor het te ontwikkelen gebied. Deze waterberging moet primair een plaats vinden in oppervlaktewater (minimaal 10% van het plangebied). De openbare ruimte en privaat terrein moeten zo zijn ontworpen en ingericht dat de resterende berging hier plaatsvindt en het water zonder schade kan worden vastgehouden, geborgen en afgevoerd. Dit moet worden aangetoond in het ontwerp. B. Hitte, beperken van de impact Ambitie: De hitte impact is in 2050 niet erger dan in 2020; knelpunten van kwetsbare groepen uit de stresstest zijn onderzocht en waar nodig maatregelen getroffen. De negatieve gezondheidsimpact op kwetsbare groepen wordt verkleind; de openbare ruimte, gebouwen, nutsvoorzieningen en vitale functies worden hittebestendiger ingericht. Nieuwbouw: Bij nieuwbouwontwikkeling streeft de gemeente naar een zodanige inrichting van het gebied dat de gevoelstemperatuur binnen aanvaardbare normen blijft.

Koele verblijfsplekken van minimaal 200 m2 zijn aanwezig op maximaal 300 meter loopafstand om (de gevolgen van) hitte voor mens en natuur te beperken. Verblijfsplekken worden met minimaal 50% groen en 30% schaduw ingericht (bomen tellen voor beide). Daarbij is het van belang dat er rekening wordt gehouden met de bestaande Flora en Fauna en voor nieuwe beplanting keuzes worden gemaakt voor gebiedseigen Flora en Fauna. C. Droogte: vergroten sponswerking Ambitie: Droogte leidt niet tot onomkeerbare schade aan gebouwen, infrastructuur en natuur. Toelichting Bestemmingsplan De Scheg Midden (9­10­2024)

45

Nieuwbouw: Een gebied bij een nieuwbouwontwikkeling wordt neerslag bergend en afvoer vertragend ingericht. Zodanig dat bij droogte bomen, groen, (dak)tuinen of andere voorzieningen van water worden voorzien. Daarom wordt het principe van de verdringingsreeks gehanteerd: vasthouden, bergen en afvoeren. Maatregelen die schade door bodemdaling tegengaan en kostenefficiënt zijn over de levensduur van 30 jaar worden in het ontwerp opgenomen, zoals langdurige voorbelasting om restzetting te beperken. D. Waterveiligheid: regionaal samenwerken aan gevolgbeperking overstroming Ambitie: Om de waterveiligheid blijvend te borgen draagt de gemeente actief bij aan de regionale samenwerking. Het waterschap is leidend bij dijkversterkingen en de Veiligheidsregio bij gevolgbeperking van overstromingen. Nieuwbouw: Inpassing van waterkeringen en gevolgbeperking van overstromingen zijn onderdeel van het ontwerpproces van de gebouwen en nieuwe inrichting. De gemeente heeft er voor gekozen om de uitwerking van klimaatadaptieve eisen met de programmering van reconstructies en herinrichtingen en de SO projecten mee te nemen ("meekoppelkansen benutten"). Rioleringsbeheer Het Gemeentelijk Rioleringsplan Amstelveen 2021­2026 (GRP) is ook eind 2020 door de gemeenteraad vastgesteld.

Het borgt het beheer en onderhoud van het bestaande rioleringsstelsel en gaat in op de zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater, zowel voor bestaande bouw, als ook voor nieuwe ontwikkelingen. Ook beschrijft het de ambities hoe de gemeente in de toekomst klimaatbestendig, duurzaam en zorgzaam met de afvoer van afvalwater, het vasthouden, bergen en afvoeren van hemelwater en het reguleren van het grondwater omgaat. Tevens is het GRP de basis voor de hoogte van de jaarlijkse rioolheffing. Het rioleringsbeheer voor de periode 2021­2026 sluit direct aan op de eisen die gesteld zijn in het Actieplan Klimaatadaptatie. Beheer, onderhoud en nieuw aanleg van riolering en drainage moeten bijdragen aan de eisen uit het Actieplan Klimaatadaptatie. Achtergronden en nadere technische zijn eisen terug te vinden in het Gemeentelijk Rioleringsplan 2021­2026. Inspelen op herontwikkeling en nieuwbouw In Amstelveen vinden in de komende periode ruimtelijke ontwikkelingen plaats. Bij herontwikkeling en nieuwbouw bouwen we zoveel mogelijk klimaatadaptief, energieneutraal en aardgasvrij. Tegelijkertijd brengt de gemeente vroegtijdig in beeld wat uitbreiding betekent voor het stedelijk watersysteem en de bestaande structuur van het riool. De gemeente streeft naar meer waterveiligheid door het versterken van de sponsfunctie van (nieuw én oud) stedelijk gebied en optimale grondwaterniveaus.

De ruimtelijke ontwikkelingen hebben invloed op de bestaande afvoerstructuur. Kosten voor extra maatregelen aan het bestaande stelsel als gevolg van belasting door stedelijke ontwikkelingen komen in principe voor rekening van ontwikkelaars. De gemeente stelt wanneer nodig een afvoerstructuur op. Hierin wordt rekening gehouden met toekomstige ontwikkelingen, maar ook met het verwachte vervangingsregime en ontwikkelingen op het gebied van afvalwatertransport. Het afvoerstructuurplan kan gebruikt worden als onderlegger om ontwikkelaars op de hoogte te brengen van de gevolgen van uitbreidingen en daar gezamenlijk het gesprek over aan te gaan. Toelichting Bestemmingsplan De Scheg Midden (9­10­2024)

46

Grondwaterbeheer Grondwaterbeheer is een wettelijk verplichte taak voor gemeenten en is in Amstelveen primair functiegericht grondwaterbeheer: het richt zich op de afstemming van het stedelijk grondwater op de grondgebruiksfuncties in de gemeente voor zover dit technisch mogelijk is en voor zover het andere doelen niet schaadt. Grondwaterbeheer is een complexe opgave waarvoor de gemeente een separaat Grondwaterzorgplan Amstelveen 2021­2026 heeft opgesteld, als bijlage bij het Gemeentelijk Rioleringsplan 2021­2026. In dit grondwaterzorgplan staan de eisen beschreven die de gebruiksfuncties stellen aan het stedelijk grondwater; en hoe deze eisen invulling gegeven kan worden. Onder meer is beschreven welke maximale en minimale grondwaterstanden voor gebruiksfuncties gelden. Procesmatig Klimaatadaptieve eisen richten zich niet alleen op uit te voeren maatregelen, maar ook op de te behalen doelen volgens het Actieplan Klimaatadaptatie 2021­2026. Reconstructies en herinrichtingen door de gemeente De gemeente volgt een meerjarenprogrammering waarin reconstructies en herinrichtingen van de openbare ruimte in wijken gepland zijn die onderhoudsbehoeftig zijn en waarin nieuw beleid ingepast moet worden. Klimaatadaptieve eisen worden in de voorbereiding van projecten meegenomen.

Met technisch onderzoek tijdens de ontwerpfase, met name in de schetsontwerpen en voorontwerpen, moet aangetoond worden welke ontwerpen leiden tot het voldoen aan de klimaatadaptieve eisen. Stedelijke ontwikkelingen (gemeente en ontwikkelende partijen) In nieuwe stedelijke ontwikkelingen worden gebieden voorbereid op geheel of gedeeltelijk nieuwe inrichtingen en/of nieuwbouw. Nieuwe verkavelingen worden ontworpen in een nieuw vorm te geven openbare en particuliere ruimte. Klimaatadaptieve eisen worden meegenomen in de voorbereidingstrajecten (visievorming, startnotitie, ontwerptraject met gemeente, architecten, ontwerpers en ontwikkelaars). Met technisch onderzoek moet worden aangetoond in hoeverre de gebiedsontwerpen voldoen aan de klimaatadaptieve eisen. Particuliere ruimte (bewoners en bedrijven) De gemeente heeft geen bevoegdheden in de particuliere ruimte, maar heeft deze ruimte wel nodig om klimaatadaptieve doelen te behalen. De gemeente heeft in het beleid gekozen voor een faciliterende rol, waarin stimuleren, aanjagen en ondersteunen kernbegrippen zijn. Voor de particuliere ruimte gelden dezelfde klimaatadaptieve eisen, maar deze kunnen niet afgedwongen worden. De gemeente staat het evenwel vrij om, indien nodig, bindende verordeningen op te stellen ten aanzien van particulier waterbeheer.

Op dit moment zijn alleen regels gesteld voor hemelwaterverwerking door particulieren, die opgenomen zijn in de aansluitverordening.

Toelichting Bestemmingsplan De Scheg Midden (9­10­2024)

47

Situatie en beoordeling plan(gebied) Door het bureau Sweco is een Watertoets opgesteld. Het rapport van de watertoets (d.d. 24 juli 2024) is opgenomen als bijlage 4 bij dit bestemmingsplan. Veiligheid / Waterkeringen In het plangebied bevinden zich geen waterkeringen. Het plangebied ligt in de Noorder Legmeerpolder welke omringd is door een regionale waterkering (Vuurlijn, Zijdeveld, Amsteldijk, Hollandse Dijk, Bovenkerkerweg, Noorddammerlaan, Legmeerdijk). Daarbij is aan de oostkant een dubbele kering aanwezig, zowel voor de Amstel als voor de polder(s). Volgens de klimaateffectatlas is er in de polder een kleine kans (1/300­1/3.000 per jaar) op een plaatsgebonden overstroming van 50­200 cm binnen de polder van het plangebied. Dit bij een gemiddeld huidig maaiveldniveau van circa NAP ­4,6 m. Door de waterpeilverhoging en de daarbij horende maaiveldverhoging naar circa NAP ­4,0 m neemt het overstromingsrisico af. Het diepste punt in de polder is circa NAP ­5,30 m. Het gemiddelde maaiveldniveau van de polder is na een inschatting ongeveer gelijk aan deze van het plangebied. Ondanks het verminderde risico op overstromingen dient bij de ruimtelijke ontwikkeling van het plan rekening gehouden te worden met mogelijke overstromingen.

De MRA beschrijft voor nieuwbouw oplossingen zoals het verhoogd bouwen (op terpen) en het hoger aanleggen van de hoofdinfrastructuur; het aanpassen van drempelhoogten in acht houdend toegangsmogelijkheden voor beperkten; het hoger aanleggen van elektriciteitsaansluitingen en andere installaties; en bijvoorbeeld op gebouwniveau het hoger plaatsen van ingangen en woonruimtes en het plaatsen van dakramen en noodtrappen. Voor het plangebied kan gekeken worden of de hoofdinfrastructuur hoger wordt aangelegd dan de kavels, bijvoorbeeld op NAP ­3,8 m. Op deze wijze blijft de hoofdontsluiting toegankelijk bij ondiepe overstromingen. Waterberging Watercompensatie De toename van verhard oppervlak door de stedelijke ontwikkeling binnen het plangebied verhoogt het risico dat het regenwater sneller wordt afgevoerd, waardoor de werking van het ontvangende oppervlaktewatersysteem negatief kan worden beïnvloed met snellere en hogere peilstijgingen en afvoer. Om een goed functionerend watersysteem te garanderen en te behouden is er een compensatieplicht vanuit het waterschap AGV voor de toename van het verhard oppervlak. Vanuit het waterschapsbeleid volgt een compensatieplicht van 10% voor het onderhavige plan, voor de toename aan verhard oppervlak ten opzichte van de referentiesituatie.

Daarnaast geldt dat elke gedempte vierkante meter water in de toekomstige situatie één op één moet worden hergraven. Voor het plan De Scheg Midden is de watercompensatie situatie inzichtelijk gemaakt. Ten behoeve van de watercompensatieberekening zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: <0000> Bestaande situatie jaar 2022; <0000> Het waterbassin in de huidige situatie is meegenomen als oppervlaktewater; <0000> Tuinen worden voor 50% als verharding gerekend; <0000> De toekomstige situatie is gebaseerd op het stedenbouwkundig ontwerp van 2023, maar het aangepaste ontwerp van 2024 geeft geen wezenlijk verschil voor de oppervlakte en watercompensatie situatie; <0000> In de oppervlakte berekening is het noordoostelijke deel van het plangebied (gelegen in Westwijk) meegenomen, terwijl in het stedenbouwkundig plan document dit deel niet in de oppervlaktes is meegenomen. <0000> Het berekende plangebied kent een oppervlakte van circa 213.200 m2, maar het plangebied is met circa 4.300 m2 toegenomen waarvan circa 2.000 m2 verhard.

Toelichting Bestemmingsplan De Scheg Midden (9­10­2024)

48

Afbeelding 7.2: Oppervlaktes watercompensatie berekening

Uit de oppervlakteanalyse van het stedenbouwkundig ontwerp (2023) volgt dat er een toename aan verharding is van circa 6.500 m2. Met een watercompensatie percentage van 10% dient er ten minste circa 650 m2 water te worden toegevoegd in het plan. De minimale wateropgave voor het plan De Scheg Midden bedraagt derhalve (huidig water + watercompensatie) circa 6.500 m2. In het plan is circa 23.400 m2 water voorzien, een toename van circa 17.500 m2. Het plan voldoet daarmee. Wateropgave Naast de watercompensatie eis van het waterschap AGV heeft de gemeente Amstelveen in 2020 klimaatadaptatiebeleid vastgesteld (Actieplan Klimaatadaptatie 2021­2026). In dit beleid staat dat binnen nieuwe gebiedsontwikkelingen minimaal 10% van het totale oppervlak van het plangebied aan open water dient te worden gerealiseerd. Dit is in dit geval een strengere eis dan de watercompensatie­eis. In het stedenbouwkundig ontwerp De Scheg Midden is circa 10% tot 11% open water opgenomen. Er wordt voldaan aan de watercompensatie norm. Alternatieve regenwaterberging (ook in het kader van droogte) Ondanks dat er conform de eisen van het waterschap AGV genoeg oppervlaktewater in het plan word aangebracht om de aan de benodigde watercompensatie te voldoen, is het aanbevolen om vormen van alternatieve regenwaterbergingsvoorzieningen in ogenschouw te nemen bij verdere uitwerkingen.

In het gemeentelijk beleid worden eisen gesteld aan het verwerken van een (extreme) regenbui van 70 mm in 1 uur voor openbaar gebied, en 90 mm in 1 uur voor kwetsbare objecten. Piekbuien moeten binnen het plangebied worden opgevangen en vastgehouden en mogen niet leiden tot (water)schade aan gebouwen en andere (kwetsbare) voorzieningen in de openbare ruimte. De gemeente houdt voor de klimaateisen de richtlijnen van de Metropoolregio Amsterdam (MRA) aan. Bij de uitwerking van het stedenbouwkundig plan zullen de inrichtingsplannen getoetst worden aan de klimaatadaptieve eisen en te behalen doelen volgens het Actieplan Klimaatadaptatie 2021­2026 van de gemeente Amstelveen. Afgelopen jaren zijn er lange periodes van droogte geweest. De gemeente heeft als ambitie binnen het klimaatbeleid dat droogte niet leidt tot onomkeerbare schade aan gebouwen, infrastructuur en natuur. De (nationale) strategie van water vasthouden, bergen en eventueel afvoeren zorgt ervoor dat droogte en/of consequenties van droogte worden geminimaliseerd. Dit kan verwezenlijkt worden binnen het plangebied door bijvoorbeeld het toepassen van regenwateropvang op woningniveau (o.a. regenton). Hierdoor wordt door de toekomstige bewoners regenwater opgevangen voor het bevloeien van de eigen tuin. Om het drinkwaterverbruik verder te reduceren kan het regenwater ook worden gebruikt voor toiletspoeling.

In verdere uitwerkingen van het plan kunnen de alternatieve regenwaterbergingen verder worden gedimensioneerd om daarmee ook te toetsen aan de klimaatadaptieve eisen van gemeente Amstelveen.

Toelichting Bestemmingsplan De Scheg Midden (9­10­2024)

49

Watersysteem Het plangebied ligt in de Noorder Legmeerpolder. Het plangebied is gelegen in peilgebied 3­1 in het vastgestelde Watergebiedsplan Westeramstel Noorder Legmeerpolder (04­11­2016). Het peilgebied 3­1 heeft een vastgesteld waterpeil van NAP ­5,80m. Dit betreft een streefpeil. Het streefpeil van het deelgebied De Scheg West, welke ten westen ligt van het onderhavige plangebied, wordt in de toekomstige situatie waarschijnlijk verhoogd naar NAP ­5,37m (stedelijk water) en sluit daarbij aan op het noordelijk gelegen stedelijk peilgebied 3­3. Het bestaande raamwerk van watergangen aan de randen en linten van het plangebied is gerelateerd aan de bestaande polderstructuur, en blijft behouden. Er is gekozen om langs de Singel (hoofdweg) gebruik te maken van bruggen, en op een bestaande plek van duikers. Het streefpeil in de huidige situatie van het plangebied bedraagt NAP ­5,80m. Voor het toekomstige peil binnen het nieuwe plan is het voornemen van de gemeente Amstelveen om aan te sluiten op het waterpeil van Westwijk, te weten NAP ­5,37m. Op basis van de peilgebiedenkaart, de huidige situatie (hoogtes) en het te ontwikkelen plan wordt het watersysteem als volgt: Het nieuw te ontwikkelen gebied wordt vermoedelijk aangesloten op het waterpeil van het ten noorden gelegen stedelijk gebied (Westwijk). Hier is in het recente verleden het waterpeil verhoogd naar NAP ­5,37m.

Met het nieuwe (mogelijke) maaiveld peil op circa NAP ­3,8m wordt de drooglegging circa 1,6 meter, hetgeen ruim voldoende is voor stedelijk gebied. Daarnaast zorgt het opbrengen van het waterpeil ervoor dat er ook minder kwel ter plaatse van het plangebied aanwezig zal zijn. Voor de waterpeilverhoging en de veranderingen in het wateroppervlak dient het watersysteem in (de omgeving van) het plangebied te worden gewijzigd. Het huidige watersysteem en de veranderingen in het watersysteem ten opzichte van de huidige situatie staan opgenomen in het rapport van de watertoets (zie bijlage). Het aansluiten van het plangebied op het stedelijk peil NAP ­5,37m zorgt ervoor dat de doorstroming van het water in het stedelijk gebied alhier (Westwijk en nieuwe wijk De Scheg) verbetert en de waterkwaliteit ten goede komt. Hierbij wordt een duidelijke scheiding gemaakt tussen stedelijk en landelijk water. Hetgeen ook een verschil zal opleveren in waterkwaliteit. Hierbij heeft het stedelijk water een beter waterkwaliteit. In het stedelijk gebied (NAP ­5,37m) zijn er ook meer mogelijkheden om het waterpeil flexibel te beheren (vasthouden water voor tijden van droogte). Ook kan er worden gewerkt met een gesloten grondbalans. De bestaande kunstwerken die het stedelijk water van het landelijk water scheidt dienen verplaatst te worden naar een nieuwe 'rand' in het zuiden of ten zuiden van het plan.

Daarmee kunnen de kunstwerken in de stedelijke omgeving ook worden verwijderd uit het straatbeeld in het dichter stedelijke deel. In samenspraak met het waterschap is voor De Scheg een peilverhoging in voorbereiding om tot eenzelfde streefpeil als het stedelijk water te komen. Voor een peilverhoging is een peilbesluit van het waterschap AGV nodig. Voor de peilverhoging is reeds een analyse gedaan naar de mogelijke effecten. Hieruit komt naar voren dat een peilverhoging in De Scheg (Midden) mogelijk is. Het is gewenst om aan de zuidrand van het plangebied een watergang te realiseren/behouden op het lagere peil, om zo enige (grond)wateroverlast bij de aanwezige kassen te voorkomen en voldoende drooglegging te behouden. Deze watergang met een lager peil is bewerkstelligd in het stedenbouwkundig ontwerp, waarin vanaf de Meerlandenweg richting de Noorddammerweg een aparte watergang wordt Toelichting Bestemmingsplan De Scheg Midden (9­10­2024)

50

gerealiseerd op het lagere (huidige) peil, waarbij deze watergang (via een duiker) aansluit op de sloot die reeds aanwezig is net buiten het plangebied. Tussen de Meerlandenweg en de tramremise ligt reeds een watergang die op het lagere (huidige) waterpeil behouden blijft. Ook is maatwerk van belang voor de particuliere kavels gelegen aan de randen van het plangebied, waar (biologische) drainage aangebracht wordt om (grond)wateroverlast te voorkomen. Regenwaterafvoer op maaiveld Om een robuuste afvoer van het regenwater te realiseren wordt zoveel als mogelijk het regenwater oppervlakkig afgevoerd. De Scheg ligt in een kleipolder met relatief hoge grondwaterstanden wat wadi's onmogelijk maakt. Daartoe kan er in het plan gekozen worden om, daar waar mogelijk, het water af te voeren via molgoten en groengoten richting de watergangen. Daar waar het niet mogelijk is om regenwater direct van het maaiveld af te voeren naar bermen, verlaagd groen en watergangen worden kolken gebruikt. Deze kolken voeren het water af via een hemelwaterstelsel (HWA) welke conform het GRP is losgekoppeld van het vuilwaterstelsel. Dit HWA­stelsel wordt al binnen het plangebied aangelegd voor de afvoer van regenwater van de woningkavels. Waterkwaliteit Bij de inrichting van het watersysteem wordt gestreefd naar het realiseren van een ecologisch gezond watersysteem.

Door de nieuw te graven watergangen met elkaar te verbinden en aan te sluiten op het bestaande water, wordt de doorstroming bevorderd. Dit heeft een positief effect op de waterkwaliteit. Ook het aansluiten van het toekomstig water op het bestaande stedelijk waterpeil van NAP ­5,37m biedt kansen voor verbetering van de (ecologische) waterkwaliteit (door betere doorstroming en vermindering voedselrijke kwel en vasthouden van water). Er worden geen uitlogende bouwmaterialen (zoals zinken dakgoten) gebruikt. Voor de waterhuishoudkundige kunstwerken worden alleen milieuvriendelijke en niet­uitlogende materialen gebruikt. Dit komt de waterkwaliteit van het hemelwater ten goede. Het hemelwater binnen het plangebied zal worden geloosd op het oppervlaktewater. Deze voorkeur wordt gebaseerd op het feit dat deze waterstromen in principe geen of geringe verontreinigingen bevatten, zodat dit water zonder maatregelen direct in het milieu kunnen worden geloosd. Klimaatadaptatie Vanuit de gemeente zijn voor diverse klimaatthema's een pakket aan eisen gesteld waaraan het stedenbouwkundig plan en het stedelijk watersysteem moeten voldoen. Deze thema's zijn deels voorgaand al beschouwd en worden ook hierna toegelicht.

Bij de uitwerking van het stedenbouwkundig plan zullen de inrichtingsplannen getoetst worden aan de klimaatadaptieve eisen en te behalen doelen volgens het Actieplan Klimaatadaptatie 2021­2026 van de gemeente Amstelveen. Het opstellen en toetsen van een inrichtingsplan is een onderdeel van het exploitatieplan. Daarmee is het meenemen van klimaatadaptatie (maatregelen) in de planontwikkeling van De Scheg Midden geborgd. Wateroverlast De waterbergingseis is 70 mm in 1 uur voor het te ontwikkelen gebied. In het stedenbouwkundig plan is in het zuidelijk deel van De Scheg Midden een groenzone met veel water voorzien. Door deze groenzone lager aan te leggen dan het stedelijk gebied zelf kan extra ruimte worden gevonden voor het opvangen van zeer extreme neerslaggebeurtenissen. Daarnaast zijn er verscheidene groenvoorzieningen in het plangebied welke lager kunnen worden aangelegd waardoor deze bij extreme neerslaggebeurtenissen tijdelijk kunnen inunderen (vasthouden, bergen, afvoeren). Dit staat buiten de eerder benoemde compensatie­eis.

Toelichting Bestemmingsplan De Scheg Midden (9­10­2024)

51

Daarnaast moeten nutsvoorzieningen en vitale en kwetsbare objecten kunnen blijven functioneren bij een bui van 90 mm in 1 uur. Naast deze eis streeft de gemeente naar het zoveel mogelijk opvangen, hergebruiken, en eventueel vertraagd afvoeren van regenwater. Hitte Om de impact van hitte niet erger te maken in 2050 dan in 2020 dienen de openbare ruimte, gebouwen, nutsvoorzieningen en vitale functies hittebestendig te worden ingericht. Voor nieuwbouwontwikkelingen geldt dat koele verblijfsplekken (groen, oppervlaktewater) met een minimale oppervlakte van 200 m2 op maximaal 300 meter loopafstand aanwezig zijn binnen het plangebied. Daarnaast dienen verblijfsplekken in nieuwbouwontwikkelingen met minimaal 50% groen en 30% schaduw te worden ingericht. Hierin gelden bomen voor zowel groenoppervlak als schaduwoppervlak. In het plangebied zullen zich koele plekken bevinden. De verwachting is dat het plangebied voldoet aan de hittestress­eisen. In het plan(gebied) bevinden zich koele verblijfsplekken van minimaal 200 m2 op maximaal 300 meter van de woningbouw. De eis van groen­ en schaduwoppervlak wordt in een latere fase bij de planuitwerking verder ingevuld.

Droogte (Watertekort) Om te waarborgen dat droogte niet leidt tot onomkeerbare schade aan gebouwen, infrastructuur en natuur dient een plangebied bij een nieuwbouwontwikkeling neerslag bergend en afvoer vertragend te worden ingericht. Hiervoor is reeds aangegeven hoe binnen het plan(gebied) hierop kan worden ingespeeld. In een latere fase van de realisatie zal de uitwerking van de maatregelen worden bepaald. Naast de waterbergende en afvoer­vertragende maatregelen dienen er ook maatregelen in het ontwerp te worden opgenomen welke (schade door) bodemdaling tegengaan en kostenefficiënt zijn over de levensduur van 30 jaar. Dit kan bijvoorbeeld door het toepassen van langdurige voorbelasting welke restzettingen beperkt. Deze maatregelen zullen in een latere fase van de planrealisatie nader worden uitgewerkt. Waterveiligheid Om de waterveiligheid te kunnen waarborgen is regionale samenwerking met onder andere waterschappen van belang. Bij nieuwbouwontwikkelingen zijn inpassingen van waterkeringen en gevolgbeperkingen van overstromingen onderdeel van het ontwerpproces van gebouwen en openbare inrichtingen. Conclusie Het aspect waterhuishouding vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

7.3 Archeologie Wettelijk kader De Erfgoedwet vormt (momenteel) het wettelijke fundament voor de archeologie in Nederland. Onderdelen van de voormalige Monumentenwet over archeologie vallen nu onder de Erfgoedwet en worden overgeheveld naar de Omgevingswet. Onderdeel van archeologische regelgeving is de verplichting om rekening te houden met archeologie bij het opstellen van bestemmingsplannen. Dit houdt in dat de gemeente bij de voorbereiding van een nieuw bestemmingsplan moet onderzoeken of de grond een archeologische waarde of verwachting bezit. In het bestemmingsplan kunnen archeologische voorschriften worden opgenomen wanneer de gemeente de grond bestemd heeft als archeologisch waardevol of onderzoeksgebied.

Toelichting Bestemmingsplan De Scheg Midden (9­10­2024)

52

De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta) uit 1992. Dit gaat uit van de bescherming van het archeologische erfgoed als bron van het Europese gemeenschappelijke geheugen en als middel voor geschiedkundige en wetenschappelijke studie. Om dat doel te bereiken moet de wetgever het archeologisch erfgoed betrekken bij de ruimtelijke ordening. Tevens dient de financiering van het archeologisch onderzoek en het behoud in de bodem te worden geregeld. De kern van de Erfgoedwet is dat gemeenten verantwoordelijk zijn geworden voor de archeologische monumentenzorg binnen de gemeentegrenzen. De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van 'de verstoorder betaalt', dat ervan uitgaat dat de aanvrager van een omgevingsvergunning en een omgevingsvergunning voor aanlegactiviteiten zelf de kosten moet dragen voor het voldoen aan de archeologische voorschriften, worden meer archeologische resten in situ behouden. Het principe dat de veroorzaker betaalt geldt uitsluitend wanneer de wet uitdrukkelijk bepaalt dat er een archeologisch voorschrift aan de vergunning kan worden verbonden.

De volgende archeologische voorschriften worden in de Erfgoedwet genoemd: <0000> Het treffen van maatregelen waardoor de archeologische resten in situ behouden blijven; <0000> De verplichting tot het doen van opgravingen; <0000> Het werk laten begeleiden door een deskundige. Het Rijk is het bevoegd gezag bij toevalsvondsten, waarvan sprake is wanneer er bij werkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen (paragraaf 5.4 Erfgoedwet). Vondsten met archeologische waarde dienen te worden aangegeven bij het provinciaal depot voor archeologie van de provincie Noord­Holland. Archeologiebeleid gemeente Amstelveen De gemeente Amstelveen heeft in 2008 archeologisch beleid vastgesteld. Hiertoe is een archeologische verwachtingskaart opgesteld. Op deze kaart zijn in verschillende gradaties de verwachte archeologische waarden opgenomen, waaraan criteria met betrekking tot oppervlakte en diepte van bodemverstoring zijn verbonden. In 2016 is het archeologisch beleid, en de daarbij behorende archeologische verwachtingskaart geactualiseerd. De gebieden met de hoogste verwachting zijn vermeld als 'AMK­terrein' (Archeologische Monumentenkaart) of als 'historische kern'. Dit zijn de op kaart paars gekleurde gebieden (Amsterdamseweg, oude dorp, bestaande en voormalige buitenplaatsen langs de Amstel en locaties van voormalige molens en posten Linie van Krayenhoff).

Hiervoor geldt dat bij bodemverstoringen van meer dan 50 m2 een archeologisch onderzoek dient te worden gestart. In de zones waar 'historische bebouwing' heeft plaatsgevonden (Amsterdamseweg, Handweg, Legmeerdijk, Bovenkerkerweg en de Amsteldijk) geldt verplicht archeologisch onderzoek bij bodemverstoringen groter dan 100 m2. De zone van het onverveend bovenland (gebied ten westen van de Amsteldijk, groot loopveld (tracé ten zuiden van de A9) en het onverveende gebied in het noord­westen van Amstelveen) heeft een middelhoge verwachtingswaarde. Hiervoor geldt dat bij bodemverstoringen van meer dan 1.000 m2 een archeologisch onderzoek dient te worden gestart. Tot deze categorie van middelhoge archeologische verwachtingswaarde behoren ook de getij­inversie­ruggen, die liggen in de Bovenkerkerpolder en de Noorder Legmeerpolder. Hiervoor geldt dat bij bodemverstoringen van meer dan 5.000 m2 een archeologisch onderzoek dient te worden gestart. Het overgrote deel van Amstelveen bestaat uit verveend, drooggemaakt of met zand opgespoten gebied. Binnen dit gebied geldt een lage archeologische verwachtingswaarde. Hiervoor geldt dat bij bodemverstoringen van meer dan 10.000 m2 een archeologisch onderzoek dient te worden gestart.

Toelichting Bestemmingsplan De Scheg Midden (9­10­2024)

53

Situatie en beoordeling plan(gebied) In 2023 is door Sweco een geactualiseerd archeologisch bureauonderzoek verricht. Het onderzoeksrapport is als bijlage 5 bij deze plantoelichting toegevoegd. Hieronder volgen de conclusies en het advies: Op basis van het bureauonderzoek kunnen de onderzoeksvragen als volgt worden beantwoord: - Zijn mogelijk archeologische waarden in het plangebied aanwezig? Op basis van de gemeentelijke beleidskaart is een lage verwachting aanwezig voor archeologie uit het Neolithicum tot en met de Bronstijd bovenin het Laagpakket van Wormer en specifiek in de top van eventuele kreekoevers. Op de AHN echter is een mogelijke kreekoever te zien direct ten oosten van het plangebied, en mogelijk deels nog erbinnen. Aan de oostzijde van het plangebied is echter in deze kreekoevers een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in 2021 door Antea. Hieruit is gebleken dat de oevers niet geschikt waren voor bewoning. Er zijn dan ook geen sporen of vondsten aangetroffen. Er kan worden aangenomen dat dit ook geldt voor het onderhavige plangebied. - Is het plangebied voldoende onderzocht. Zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek wordt geadviseerd? Het plangebied is, gezien de resultaten van het proefsleuvenonderzoek van Antea, voldoende onderzocht.

Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek en het proefsleuvenonderzoek van Antea in de Scheg Oost adviseert Sweco geen archeologisch vervolgonderzoek. Door NMF erfgoedadvies is eenzelfde advies afgegeven. Vervolgonderzoek in De Scheg Miden is in het kader van inzicht in de uitvoerbaarheid van het plan niet noodzakelijk. In zijn algemeenheid blijft gelden dat indien bij de uitvoering van de werkzaamheden in vrijgegeven gebieden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, de vondsten bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed dienen te worden gemeld. Conclusie Naar verwachting is bij de planuitvoering geen of beperkt aanvullend archeologisch onderzoek benodigd, en is het plan uitvoerbaar. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

7.4 Verkeer Voor de ontwikkeling en plannen van De Scheg West en Midden gezamenlijk is een verkeersonderzoek uitgevoerd door Goudappel. In 2023 is het verkeersonderzoek geactualiseerd. Het onderzoeksrapport (d.d. 21 november 2023) van Goudappel is als bijlage 6 bij de plantoelichting toegevoegd. Het plan De Scheg Oost is als autonome ontwikkeling in het verkeersonderzoek meegenomen, en heeft tevens (qua autoverkeer) geen directe verbinding met Midden en West. In het verkeersonderzoek is tevens onderzoek uitgevoerd naar de verkeerseffecten in het geval alleen De Scheg West of Midden wordt ontwikkeld. In het verkeersonderzoek is de toevoeging van een huisartsenpraktijk van maximaal 300 m2 bvo in het plan De Scheg Midden niet meegenomen. Deze programmawijziging is in verkeerskundige zin dusdanig beperkt dat het ontbreken van deze huisartsenpraktijk in het verkeersonderzoek/-model geen (wezenlijke) invloed heeft op de verkeersafwikkeling en de conclusies van het verkeersonderzoek.

Toelichting Bestemmingsplan De Scheg Midden (9­10­2024)

54

Met het verkeersonderzoek is inzicht verkregen in de verkeerskundige effecten van de woningbouwontwikkeling. Met behulp van het gemeentelijke verkeersmodel zijn de verkeersintensiteiten van de toekomstige ontwikkeling berekend en is het effect op het omliggende wegennet bepaald. Daarin is zowel gekeken naar de verkeersafwikkeling op de kruispunten als naar het aansluiten bij de streefwaarden voor intensiteiten op de wegen op basis van kenmerken van de inrichting en functies. In het verkeersonderzoek zijn drie varianten op de voorgenomen verkeersstructuur (planvariant 1) onderzocht, alle drie met een extra aansluiting op de Legmeerdijk waarvan twee zonder verlenging van de Hammarskjöldsingel. De varianten zonder de verlengde Hammarskjöldsingel betreffen planvarianten 3 en 4. In planvariant 2 is sprake van drie hoofdontsluitingen voor De Scheg West en Midden, en in de planvarianten 1, 3 en 4 is sprake van twee hoofdontsluitingen. In planvariant 4 is er tevens geen aansluiting op de Weldam maar zijn er twee nieuwe aansluitingen op de Legmeerdijk waarmee er geen aansluiting is op Westwijk. Het bestemmingsplan De Scheg West (en het onderhavige bestemmingsplan) maakt de realisatie van een extra/rechtstreekse aansluiting op de Legmeerdijk, en dus de planvarianten 2, 3 en 4, niet mogelijk.

Het onderhavige bestemmingsplan De Scheg Midden maakt de realisatie van de aansluiting op de Hammarskjöldsingel en Loethoelilaan mogelijk, middels de verlengde Hammarskjöldsingel. Uit de berekeningen van de verkeersgeneratie blijkt dat de totale verkeersgeneratie van de planontwikkeling van De Scheg West en Midden circa 6.500 ritten bedraagt. (Deze verkeersgeneratie is voor de vier planvarianten hetzelfde). Op het netwerk zorgt het extra gegeneerde verkeer voor een aanzienlijke toename van verkeer op diverse wegen. Wel blijft de totale verkeersintensiteit op veel wegen onder de na te streven intensiteiten vanuit oogpunt van verkeersveiligheid. Op de Meerlandenweg (ontbreken fietspad), Asserring, Jane Addamslaan noord (beiden aanwezigheid tweezijdig langsparkeren) en Bovenkerkerweg (overschrijding wenselijke wachttijd voor fietsers) wordt de streefwaarde overschreden. Voor de Jane Addamslaan (oostelijk en noordelijk deel) geldt dat overschrijding van de streefwaarde enkel optreedt bij eventuele andere verkeersstromen zonder de directe aansluiting van De Scheg West op de Weldam/Jane Addamslaan (variant 3 verkeersonderzoek). Voor het westelijk deel van de Jane Addamslaan is een overschrijding van de streefwaarde niet aan de orde. Op de Meerlandenweg strookt als wordt gekeken naar streefwaarden de toekomstige intensiteit niet met de aanwezige fietsvoorzieningen.

De daadwerkelijke hinder zal meevallen door beperkte fietsintensiteiten. Voor de Asserring en Jane Addamslaan (noord) maakt enige hinder met parkeren dat de sluiproute minder aantrekkelijk wordt. Wezenlijk hinderlijke situaties worden niet verwacht. Op de Bovenkerkerweg wordt de streefwaarde net overschreden. Dit is reeds in de autonome situatie het geval. De geringe overschrijding leidt slechts tot kleine mogelijke hinder voornamelijk voor wachtende fietsers bij de VRI. De ontwikkeling van De Scheg heeft, bij de onderzochte varianten met een (rechtstreekse) aansluiting op Westwijk, slechts beperkte effecten op de verkeersafwikkeling van kruispunten nabij het plangebied. Het toevoegen van De Scheg aan de autonome situatie zorgt voor geen of slechts een beperkte toename van de gemiddelde wacht­/verliestijden. De rotonde waar de Jane Addamslaan, Legmeerdijk en Snoekbaarsstraat elkaar kruisen kan de hoge intensiteiten in de autonome situatie in beperkte mate aan en slechts met veelal hoge verliestijden afwikkelen. Het toevoegen van De Scheg leidt enigszins tot een toename van de gemiddelde verliestijden, maar is dus niet de oorzaak van de slechte verkeersafwikkeling op deze rotonde.

De planvarianten 1, 2 en 3 geven niet een wezenlijk verschil in de verkeersafwikkeling op de betreffende rotonde op de Legmeerdijk, maar planvariant 4 verslechtert de verkeersafwikkeling op deze rotonde en op de Legmeerdijk. Toelichting Bestemmingsplan De Scheg Midden (9­10­2024)

55

Uit het onderzoek naar de verkeerseffecten in het geval alleen De Scheg West wordt ontwikkeld, komt naar voren dat de verkeerseffecten op de Weldam, Jane Addamslaan en Legmeerdijk in de situatie met enkel De Scheg West niet wezenlijk anders zullen zijn dan in de situatie met de totale ontwikkeling van De Scheg. Hetzelfde geldt voor de Hammarskjöldsingel in de situatie met enkel De Scheg Midden. Ten behoeve van de ontwikkeling van De Scheg Midden is de verlengde Hammarskjöldsingel benodigd, met of zonder de ontwikkeling van De Scheg West. Afweging geen extra/alternatieve ontsluiting op de Legmeerdijk, en ontsluiting De Scheg Midden middels verlengde Hammarskjöldsingel Zoals uit het verkeersonderzoek blijkt zijn de verkeersafwikkeling effecten van een extra aansluiting op de Legmeerdijk beperkt. De voordelen van een extra ontsluiting of alternatieve ontsluiting op de Legmeerdijk wegen niet op tegen de nadelen voor andere bewoners, het nadeel van verschuiven van verkeersdruk, het nadeel van verkleining van het beschikbare areaal voor woningbouw en nieuw groen, en het nadeel van een ingreep op en aan de Legmeerdijk. In het bestemmingsplan De Scheg West is daarom planvariant 1 aangehouden en geen wegverbinding toegevoegd. Het onderhavige bestemmingsplan De Scheg Midden haakt op deze keuze aan.

Ten behoeve van de ontsluiting van de woonwijk De Scheg Midden is de verlengde Hammarskjöldsingel benodigd en derhalve is deze weg opgenomen in dit bestemmingsplan. Parkeren De woningbouwontwikkeling in het onderhavige bestemmingsplan leidt tot een parkeervraag. In het stedenbouwkundig plan (zie bijlage 1 van de plantoelichting) is inzicht gegeven in de (potentiële) parkeervraag en de ruimte voor parkeerplaatsen, en is tevens inzichtelijk gemaakt dat kan worden voldaan aan het aantal benodigde parkeerplaatsen volgens de parkeernormen van het gemeentelijk parkeerbeleid. Conclusie Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor het onderhavige bestemmingsplan.

7.5 Geluid Wettelijk kader en beleidskader De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag voor spoor­ en wegverkeerslawaai en gezoneerde industrieterreinen in de Wet geluidhinder. Daarnaast vindt de beoordeling van geluid zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening, met betrekking tot de goede ruimtelijke ordening. Voor spoorwegen, (drukkere) verkeerswegen en (grote) industrieterreinen is in de Wet geluidhinder (Wgh) een wettelijk kader ontwikkeld voor geluidzonering gekoppeld aan een systeem van grenswaarden. In de Wet geluidhinder (Wgh) en het Besluit geluidhinder (Bgh) zijn voorkeursgrenswaarden ten aanzien van de geluidsbelasting op geluidsgevoelige functies opgenomen. Als daar niet aan voldaan kan worden, is het in bepaalde situaties mogelijk om zogenoemde hogere waarden vast te stellen. Voor de hogere waarden van de geluidsbelasting geldt dat deze lager dienen te zijn dan de maximaal te verlenen hogere waarde, voor verschillende situaties, die zijn neergelegd in de Wgh en het Bgh. De gemeenteraad van Amstelveen heeft de "Beleidsnota geluid ­ Deelnota Hogere Waarden" vastgesteld. In deze nota is de procedure uitgewerkt voor hogere waarden verlening. In het hogere waardenbeleid is een aantal aspecten opgenomen die bij de afweging van een hogere waarde een rol speelt. Deze aspecten zijn:

Toelichting Bestemmingsplan De Scheg Midden (9­10­2024)

56

<0000> <0000> <0000>

het heersende geluidsniveau; het toetsingskader om af te wijken van het heersende geluidsniveau; cumulatie en compensatie.

Industrie algemeen Voor de (kleinere) bedrijfsterreinen waarvoor zonering niet verplicht is, geven de Handreiking Industrielawaai en Vergunningverlening (VROM 1998) en de VNG­publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) richtlijnen over de wijze waarop met het aspect geluid in bestemmingsplannen moet worden omgegaan. De VNG­handreiking geeft onder meer, ter voorkoming van geluidhinder bij geluidsgevoelige bestemmingen, richtafstanden en streefwaarden. De wettelijke geluidsnormen voor bedrijfsactiviteiten, welke gelden voor de bedrijven, zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Wegverkeer Tijdens de voorbereiding van een bestemmingsplan moet inzicht worden gegeven in de geluidsbelasting op nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen die gesitueerd worden binnen de zone van een weg. In geval sprake is van aanleg van een nieuwe weg of wijziging van een weg zal ook de geluidsbelasting veroorzaakt door verkeer op de nieuwe en/of gewijzigde weg op (bepaalde) bestaande geluidgevoelige bestemmingen in beeld moeten worden gebracht. Luchtvaartverkeer / vliegverkeer Het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) bepaalt de routering van het vliegverkeer van de luchthaven Schiphol. Daarbij zijn in het LIB beperkingen gesteld aan het ruimtegebruik rond de luchthaven. Naast het luchthavengebied is een beperkingengebied aangegeven.

In het beperkingengebied zijn een aantal deelgebieden onderscheiden, waarvoor verschillende regels gelden. Het gaat om o.a. zones waarin beperkingen gelden voor (nieuwe) geluidgevoelige functies. In een bestemmingsplan moet rekening worden gehouden met de beperkingen en bepalingen. Situatie en beoordeling plan(gebied) Voor het plan De Scheg Midden is een akoestisch onderzoek verricht door het bureau Sweco. Het onderzoeksrapport (d.d. 17 juli 2024) van Sweco is aan deze plantoelichting toegevoegd als bijlage 7. Hierna staan een samenvatting van de resultaten en de conclusies van het akoestisch onderzoek beschreven: Vliegtuiglawaai De nieuwe woonwijk in het plan De Scheg Midden ligt buiten de vastgestelde geluidcontouren van luchthaven Schiphol. Aanvullend akoestisch onderzoek naar het vliegtuiglawaai van Schiphol is hierom niet noodzakelijk en daarom niet uitgevoerd. Industrielawaai Het plan De Scheg Midden ligt buiten de vastgestelde geluidcontouren van gezoneerde industrieterreinen (zoals Schiphol) en ligt op voldoende afstand van de nabijgelegen glastuinbouwbedrijven en tramopstelplaatsen. Op basis van de tussengelegen afstand is het aannemelijk dat de bedrijven aan de geluidsnormen voldoen. Aanvullend akoestisch onderzoek naar industrielawaai is hierom niet uitgevoerd. Wegverkeerslawaai Geluidsbelasting op de nieuwe woningen

Toelichting Bestemmingsplan De Scheg Midden (9­10­2024)

57

De geluidsbelasting (inclusief aftrek) ten gevolge van de trambaan bedraagt ten hoogste 50 dB. De ten hoogst toelaatbare waarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder wordt enkel overschreden op de oostzijde/­grens van het meest noordoostelijk gelegen bouwvlak. Voor de geluidsbelasting van 50 dB dient een hogere waarde te worden aangevraagd voor de 46 woningen die in het noordoostelijk bouwvlak zijn bestemd. Gezien de geringe overschrijding van slechts 2 dB op enkel de noordoostelijke grens wordt dit aanvaardbaar geacht. De geluidsbelasting (inclusief aftrek) ten gevolge van de volgens de Wet geluidhinder gezoneerde nieuwe gebiedsontsluitingsweg overschrijdt de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting 48 dB op de gevels van de geplande woningen. De geluidsbelasting boven de voorkeursgrenswaarde varieert tussen de 49 dB en 56 dB, en varieert voor de diverse bouwvlakken. Het treffen van bron­ en/of overdrachtsmaatregelen biedt onvoldoende soelaas om de geluidsbelasting te reduceren tot de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB, en/of zijn vanuit praktisch oogpunt niet mogelijk. Daarom resteert het aanvragen van hogere waarden voor de nieuwe woningen. In het onderzoeksrapport is een overzicht gegeven van de aan te vragen hogere waarden voor de nieuwe woningen.

De berekende cumulatieve geluidsbelasting (exclusief aftrek) van alle wegen en de trambaan samen op de nieuwe woningen bedraagt ten hoogste 62 dB. Uit de berekende cumulatieve geluidsbelastingen volgt: <0000> Een geluidsbelasting hoger dan 65 dB is te classificeren als akoestisch slecht. Deze geluidsbelasting treedt niet op bij de woningen in plan De Scheg Midden. <0000> Een geluidsbelasting hoger dan 60 dB is te classificeren als akoestisch tamelijk slecht. Deze geluidsbelasting treedt slechts op bij de buitenste kavelgrens van twee kavels in plan De Scheg Midden. <0000> Een geluidsbelasting hoger dan 55 dB is te classificeren als akoestisch matig. Deze geluidsbelasting treedt op bij de buitenste kavelgrens van zes kavels in plan De Scheg Midden. <0000> Voor de overige woningen geldt dat de geluidsbelasting te classificeren is van redelijk tot goed; <0000> Op basis van de stedenbouwkundige invulling van het plangebied kan gesteld worden dat alle woningen zodanig gesitueerd zijn dat iedere woning tenminste één geluidluwe gevel heeft. Vanwege voorgenoemde redenen wordt de beoogde woningbouw in plan De Scheg Midden als akoestisch acceptabel beschouwd.

Bij een cumulatieve geluidsbelasting hoger dan 53 dB dient bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de realisatie van de woningen aangetoond te worden dat voldaan wordt aan de omschreven eisen in afdeling 3.1 van het Bouwbesluit. In de gevels van de verblijfsgebieden/­ruimten gelegen aan de geluidbelaste zijde dienen wellicht maatregelen te worden getroffen om aan de genoemde eisen te voldoen. Hierbij kan het gaan om geluiddempende ventilatievoorzieningen (suskasten) of een mechanisch gebalanceerd ventilatiesysteem en akoestische beglazing, in combinatie met een goede naad­ en kierdichting. Geluidsbelasting nieuwe gebiedsontsluitingsweg op bestaande woningen De geluidsbelasting (inclusief aftrek) ten gevolge van de volgens de Wet geluidhinder gezoneerde nieuwe gebiedsontsluitingsweg, met de Verlengde Hammarskjöldsingel als onderdeel daarvan, overschrijdt de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting 48 dB op een aantal bestaande woningen buiten het plangebied en één woning binnen het plangebied. Toelichting Bestemmingsplan De Scheg Midden (9­10­2024)

58

Er dienen hogere waarden te worden aangevraagd voor de geluidsbelasting veroorzaakt door de nieuwe gebiedsontsluitingsweg op de volgende bestaande woningen: <0000> Binnen het plangebied: één woning, Meerlandenweg 3, 51 dB. <0000> Buiten het plangebied: <0000> Anne de Vrieslaan: zes woningen, 49 dB. <0000> Lodewijk van Deysselhof: vijf woningen, 51 dB. <0000> Marjoleinweg: vijf woningen, 49 dB. <0000> J.C. van Hattumweg 4 en 6: twee woningen, 54 dB. Voor alle overige bestaande woningen hoeft geen hogere waarde te worden aangevraagd voor de geluidsbelasting veroorzaakt door de nieuwe gebiedsontsluitingsweg. Reconstructie Hammarskjöldsingel/Loethoelilaan - geluidsbelasting bestaande woningen Voor de Loethoelilaan is geen sprake van een reconstructie­effect ten gevolge van de fysieke wijziging. De geluidsbelasting veroorzaakt door de Hammarskjöldsingel neemt met maximaal 2 dB toe op de bestaande woningen. Daarmee is sprake van een reconstructie­effect zoals gesteld in de Wet geluidhinder. Door het toepassen van een geluidreducerend wegdek in de vorm van een dunne deklaag, kan de geluidsbelasting van de Hammarskjöldsingel verlaagd naar hoogstens 48 dB. Daarmee is er geen sprake meer van reconstructie zoals gesteld in de Wet geluidhinder, en is het niet nodig om hogere waarden aan te vragen.

Indien geen stiller wegdek wordt toegepast, dienen hogere waarden te worden aangevraagd voor de geluidsbelasting veroorzaakt door de Hammarskjöldsingel op de volgende zestien bestaande woningen: Loethoelilaan 139 en Paul Rodenkolaan 1­15, met een hogere waarde van 50 dB. Nadere beschouwing, maatregelenoverweging en hogere waarden Volgens de Wet geluidhinder kan een hogere waarde voor een plan worden verleend wanneer toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidsbelasting onvoldoende doeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige of financiële aard, waarbij een vereiste is dat de geluidsbelasting lager is dan de maximaal te verlenen hogere waarde voor die situatie. Het toepassen van een stiller wegdek op de nieuwe gebiedsontsluitingsweg voor de nieuwbouw is onvoldoende doeltreffend en onvoldoende doelmatig. Het toepassen van een stiller wegdek op de Verlengde Hammarskjöldsingel, als een deel van de nieuwe gebiedsontsluitingsweg, voor de bestaande woningen, is weliswaar voor een groot deel doeltreffend, maar is onvoldoende doelmatig en kent een financieel bezwaar. Het toepassen van een stiller wegdek op de Hammarskjöldsingel, in verband met het reconstructie­effect van 2 dB, voor de bestaande woningen, is weliswaar doeltreffend, maar is onvoldoende doelmatig en kent een financieel bezwaar.

Het beperken van de geluidsbelasting met bijvoorbeeld een snelheidsverlaging of schermen langs de weg is niet haalbaar, vanuit stedenbouwkundig/landschappelijk, verkeerskundig en financieel oogpunt, en is tevens onvoldoende doelmatig. De woningen beschikken allemaal over een geluidluwe zijde.

Toelichting Bestemmingsplan De Scheg Midden (9­10­2024)

59

De geluidsbelastingen bij de bestaande woningen zijn niet hoger dan 1 dB tot 3 dB boven de voorkeursgrenswaarde, met uitzondering van twee woningen aan de J.C. van Hattumweg. Deze twee bestaande woningen ondervinden reeds een geluidsbelasting van de trambaan. De hogere geluidsbelastingen bij de nieuwe woningen tot 8 dB hoger dan de voorkeursgrenswaarde worden ondervangen door hogere geluidwering van de gevel. Gelet op het voorgaande is het mogelijk om de hogere waarden vast te stellen. De geluidsbelastingen worden aanvaardbaar geacht. Het besluit hogere grenswaarden geluid is opgenomen als bijlage 8 bij de plantoelichting. In het besluit, en in het rapport van het akoestisch onderzoek (bijlage 7), staat de maatregelenoverweging nader beschreven. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor (de uitvoering van) het onderhavige bestemmingsplan. De geluidsbelasting(toename) op bestaande woningen is aanvaardbaar. De geluidsbelasting op de nieuwe woningen is aanvaardbaar door de te realiseren geluidwering van de gevel.

7.6 Luchtkwaliteit Wettelijk kader De hoofdlijnen voor regelgeving van de luchtkwaliteitseisen zijn vastgelegd in de Wet milieubeheer (Wm). Artikel 5.16 Wm geeft weer onder welke voorwaarden de bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (zoals wijzigingen van een bestemmingsplan) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in principe geen belemmering: <0000> er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; <0000> een project leidt per saldo niet tot verslechtering van de luchtkwaliteit; <0000> een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; <0000> een project past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of binnen een regionaal programma van maatregelen. Vanaf 1 augustus 2009 is het NSL in werking getreden. In het NSL zijn alle maatregelen opgenomen die de luchtkwaliteit moeten verbeteren en tevens zijn ruimtelijke ontwikkelingen opgenomen die de luchtkwaliteit verslechteren. Overheden zijn gehouden de in het NSL opgenomen maatregelen uit te voeren en kunnen het NSL gebruiken als onderbouwing bij plannen voor de NSL­projecten. Met het NSL laat de Nederlandse overheid zien hoe zij aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit gaat voldoen.

Grenswaarden Voor de beoordeling van de situatie in (de omgeving van) een ruimtelijk plan zijn met name de volgende grenswaarden uit de Wet milieubeheer relevant: <0000> voor stikstofdioxide (NO2) geldt een grenswaarde van 40 µg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie; <0000> voor fijn stof (PM10) geldt een grenswaarde van 40 µg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie, een grenswaarde van 50 µg/m3 voor de 24­uurgemiddelde concentratie; <0000> de 24­uurgemiddelde waarde voor PM10 mag niet vaker dan 35 keer per jaar overschreden worden (39 keer als rekening wordt gehouden met de zogenoemde zeezoutaftrek); <0000> voor PM2,5, deeltjes nog kleiner dan PM10, geldt een grenswaarde van 25 µg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie.

Toelichting Bestemmingsplan De Scheg Midden (9­10­2024)

60

Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) Met het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' ­ zoals een school of kinderopvang ­ in de nabijheid van provinciale wegen (binnen 50 meter) en rijkswegen (binnen 300 meter) beperkt. Dat geldt voor nieuwe situaties en bestaande situaties die worden uitgebreid, waarbij sprake is van een (dreigende) overschrijding van de grenswaarden voor NO2 of PM10. Besluit en Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) In het Besluit niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is vastgelegd wanneer een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een project is NIBM als het niet meer dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde voor NO2 en PM10 bijdraagt; concreet betekent dit een bijdrage van maximaal 1,2 µg/m3. Met name NO2 en PM10 zorgen in Nederland nog voor overschrijdingen van grenswaarden, vandaar dat deze grens is gekozen. In de Regeling NIBM is een aantal categorieën projecten met maximale groottes aangewezen die NIBM zijn, waaronder woningbouw, kantoren en bepaalde inrichtingen. Als een project binnen de grenzen van deze Regeling valt, is verdere toetsing aan de grenswaarden niet nodig.

Indien sprake is van een combinatie van functies zal een berekening van (de toename van) de luchtconcentraties moeten worden gemaakt. Situatie en beoordeling plan(gebied) Voor de ontwikkeling en plannen van De Scheg West en Midden gezamenlijk is een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd door het bureau Sweco, met een geactualiseerde berekening in 2024. Het onderzoeksrapport is aan deze plantoelichting toegevoegd als bijlage 9. Binnen het onderhavige bestemmingsplan bevindt zich geen gevoelige bestemming. In de plansituatie ontstaan aanvullende emissies van luchtverontreinigende stoffen (NOx, PM10 en PM2,5) door de verkeersaantrekkende werking van het plan. De luchtkwaliteit ofwel luchtconcentraties in de plansituatie zijn berekend. Uit het luchtkwaliteitsonderzoek komt naar voren dat de grenswaarden voor de jaargemiddelde concentraties voor NO2, PM10 en PM2,5, de uurgemiddelde concentratie NO2 en de 24­uurgemiddelde concentratie PM10 niet worden overschreden door de planontwikkeling. Hiermee voldoet het plan ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit aan de milieukwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer. De luchtconcentraties liggen ruimschoots lager dan de grenswaarden. Ten aanzien van luchtkwaliteit is er sprake van goede ruimtelijke ordening. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het plan.

7.7 Externe veiligheid Bij externe veiligheid gaat het om de risico's die derden lopen als gevolg van bepaalde activiteiten. In Amstelveen gaat het met name om de risico's van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg en door buisleidingen.

Toelichting Bestemmingsplan De Scheg Midden (9­10­2024)

61

Wettelijk kader Besluit externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen in de omgeving van het bedrijf. Het gaat daarbij onder meer om bedrijven die vallen onder het BRZO (Besluit Risico's Zware Ongevallen), LPG­tankstations en opslagplaatsen met gevaarlijke stoffen. Belangrijke begrippen in het kader van externe veiligheid zijn het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is in het Bevi gedefinieerd als het "risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is". Het groepsrisico is gedefinieerd als de "cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is". Verder zijn kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten van belang.

Kwetsbare objecten zijn bijvoorbeeld scholen, kantoorgebouwen met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1.500 m2 en woningen met een dichtheid van meer dan twee woningen per hectare. Beperkt kwetsbare objecten zijn onder meer sporthallen, zwembaden en woningen met een dichtheid van maximaal twee woningen per hectare. Het Bevi bevat eisen voor het plaatsgebonden risico en regels voor het groepsrisico. Voor het plaatsgebonden risico geldt onder meer een grenswaarde van 10­6 per jaar voor kwetsbare objecten in nieuwe situaties. Voor het groepsrisico geldt dat de gemeenteraad verantwoording moet afleggen over de wijze waarop het groepsrisico is meegewogen in de besluitvorming. Besluit externe veiligheid transportroutes, en Basisnet Op 1 april 2015 is de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en het Besluit externe veiligheid transportroutes inwerking getreden. In deze wetgeving is de grondslag voor het Basisnet voor vervoer van gevaarlijke stoffen opgenomen. Het doel van Basisnet is om gevaarlijke stoffen te kunnen vervoeren tussen de belangrijkste industriële plaatsen in Nederland en in het buitenland en de risico's voor omwonenden langs de routes binnen de wettelijke grenzen te houden. Het systeem Basisnet heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over grote vaarwegen, spoorwegen en autowegen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=amstelveen&id=34b7a6ea-e638-4577-a7fc-2fab2ef6f2a8