CConstaterende datamstelveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting Bestemmingsplan De Scheg Midden

Raadsvergadering 27 november 2024, gemeente amstelveenBij agendapunt: De Scheg Midden bestemmingsplan, exploitatieplan, beeldkwaliteitsplan en herziening grondexploitatie De Scheg33.232 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) staan bepalingen met betrekking tot te verrichten onderzoek en risico verantwoording. Besluit externe veiligheid buisleidingen Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) regelt de taken en verantwoordelijkheden van leidingexploitanten en gemeenten. De belangrijkste eisen aan bestemmingsplannen zijn: ruimtelijke reservering voor plaatsgebonden risico, verantwoording van het groepsrisico en een ruimtelijke reservering voor zogenoemde belemmeringenstroken met een aanlegvergunningenstelsel. Situatie en beoordeling plan(gebied) Met behulp van de Risicokaart/signaleringskaart is een inventarisatie gemaakt van de in de omgeving van het plangebied aanwezige risicobronnen ten aanzien van externe veiligheid. Het plan maakt geen risicovolle activiteiten mogelijk. De nieuw te bouwen woningen worden beschouwd als kwetsbare objecten.

Toelichting Bestemmingsplan De Scheg Midden (9­10­2024)

62

Er is voor De Scheg Midden een externe veiligheid onderzoek verricht. Het onderzoek is in 2024 geactualiseerd. Het onderzoeksrapport is als bijlage 10 bij deze plantoelichting toegevoegd. Bedrijven waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt De Risicokaart/signaleringskaart geeft aan dat in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen aanwezig zijn. Het plangebied is gelegen buiten de berekende plaatsgebonden risicocontouren (PR=10­6) en veiligheidsafstanden voor het plaatsgebonden risico van Bevi inrichtingen en overige risicovolle activiteiten binnen inrichtingen. Het plangebied is gelegen buiten het invloedsgebied van Bevi inrichtingen. De aanwezigheid van risicovolle activiteiten binnen inrichtingen vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen in het plangebied. Transport van gevaarlijke stoffen over (spoor)wegen Het plangebied is gelegen buiten het invloedsgebied van de wegen N201, N231 en N521. De aanwezigheid van transportroutes voor gevaarlijke stoffen vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen in het plangebied. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Uit de Risicokaart/signaleringskaart volgt dat binnen en oostelijk langs het plangebied een buisleiding van de Gasunie is gelegen (leiding W­540­01), en dat zuidelijk van het plangebied twee buisleidingen van de Gasunie zijn gelegen (leidingen W­529­01 en W­529­15).

De zuidelijk gelegen buisleidingen liggen op meer dan 1 kilometer van het plangebied. Buisleiding W­540­01 ligt in het noordoostelijke langgerekte deel van het plangebied, het deel met een nieuw wegtracé. Het invloedsgebied van een hogedrukgasleiding wordt bepaald aan de hand van de werkdruk en de diameter van de gasleiding. De genoemde hogedrukgasleidingen hebben een werkdruk van 40 bar en een diameter van ongeveer 13 inch, waardoor het invloedsgebied van deze gasleidingen 140 meter bedraagt. Het woningbouwgebied van het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de buisleiding W­540­01. Het plangebied is gelegen buiten het invloedsgebied van de hoge druk aardgasbuisleidingen W­529­01 en W529­15. Buisleiding W­540­01 loopt door een klein gedeelte van het plangebied. Een gedeelte van het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van buisleiding W­540­01 en is daarom nader beschouwd. Op afbeelding 7.7 is de ligging van de woonwijk van het plangebied, en het invloedsgebied en de 100% letaliteitscontour van buisleiding W­540­01 weergegeven.

Toelichting Bestemmingsplan De Scheg Midden (9­10­2024)

63

Afbeelding 7.7: Ligging (van de woonwijk) van het plangebied ten opzichte van de aardgasbuisleiding W-540-01 (hogedrukgasleiding) en het invloedsgebied

Een gedeelte van het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied en binnen de 100% letaliteitscontour van hoge druk aardgasbuisleiding W­540­01 van Gasunie. De voorgenomen ontwikkelingen zijn getoetst aan de normen in het Bevb (zie bijlage). Het volgende wordt geconcludeerd: <0000> Plaatsgebonden risico: Buisleiding W­540­01 beschikt ter hoogte van het plangebied niet over een PR=10­6 contour, de normen voor het plaatsgebonden risico vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. <0000> Belemmeringenstroken: De normen voor belemmeringenstroken in het Bevb vormen geen belemmering voor de geprojecteerde bouwvlakken voor woningen binnen het plangebied. Wel is een nieuwe weg geprojecteerd binnen de belemmeringenstrook. Voor de breedte van de belemmeringenstrook in het plangebied geldt de afstand van vier meter aan weerszijden van de buisleiding zoals opgenomen in het Revb. De buisleiding is in een deel van het plangebied, waar de geprojecteerde nieuwbouw het dichtstbij ligt, echter gelegen op een veel grotere diepte dan normaal gesproken het geval is (circa 14,8 meter onder het maaiveld, normaal is dit circa 0,8 to 1,5 meter onder het maaiveld). De aanwezigheid van de buisleiding vormt hierdoor qua risico (zetting, beschadiging tijdens aanleg) en qua bereikbaarheid van de buisleiding (voor onderhoud) geen extra belemmering of aandachtspunt voor de aanleg van de weg.

Ten noorden van de nieuwe woningen is de buisleiding minder diep gelegen en is de bestaande en geprojecteerde weg deels gelegen binnen de belemmeringenstrook van de buisleiding. De belemmeringenstrook, en de daaraan verbonden regels in het bestemmingsplan, zoals voorschreven in het Bevb, zien toe op de bescherming van de buisleiding. Voor uitvoering van de werkzaamheden wordt de Gasunie hierover vooraf geïnformeerd en betrokken bij de vergunningverlening. Indien nodig worden technische maatregelen genomen.

Toelichting Bestemmingsplan De Scheg Midden (9­10­2024)

64

<0000>

Groepsrisico: De ontwikkeling van de personendichtheid in het plangebied heeft geen effect op de hoogte van het groepsrisico. Voor de bestaande situatie en nieuwe situatie wordt een groepsrisico berekend van maximaal 0,066 maal de oriëntatiewaarde. In de bestaande en nieuwe situatie bedraagt het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Op grond van het Bevb kan volstaan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico.

Rampbestrijding en zelfredzaamheid Scenario Fakkelbrand buisleiding Maatgevend scenario is een breuk van een hoge druk aardgas buisleiding. Het aardgas stroomt onder hoge druk continu uit. Het gas ontsteekt waardoor een fakkelbrand optreedt die duurt totdat na inblokken van de leiding de druk afneemt. De grootte van de fakkel is afhankelijk van: <0000> de grootte van het gat in de buisleiding (een klein gat resulteert in een kleinere fakkel dan een totale leidingbreuk); <0000> de diameter en druk in de buisleiding (bij een grotere diameter en grotere druk stroomt er meer gas uit en ontstaat een grotere fakkel); <0000> de weerscondities (bij een lage windsnelheid zal de fakkel met name omhooggericht zijn, bij grotere windsnelheden zal de fakkel meer schuin gericht zijn waardoor op grotere afstand de fakkel zich op een kortere afstand tot de grond zal bevinden. Deze fakkel kan bij een totale leidingbreuk tot een hoogte van enkele tientallen meters reiken. Deze fakkelbrand leidt tot hittestraling in de omgeving (uitgedrukt in kW/m²). De fakkelbrand is gedurende de eerste paar minuten het hoogst en neemt na verloop van tijd in hoogte af. De tijdsduur van de aanwezigheid van de fakkel is afhankelijk van de locaties van afsluiters en hoe snel deze zijn dichtgestuurd door de leidingeigenaar.

Nadat de afsluiters zijn gesloten duurt het nog enige minuten voordat de fakkelbrand vrijwel gedoofd is. Bij een totale leidingbreuk bij buisleiding W­540­01 kan een fakkelbrand optreden. Als deze breuk optreedt ter hoogte van het plangebied zal de optredende warmtestraling van deze fakkelbrand in een deel van het plangebied meer dan 35 kW/m2 bedragen (de 35 kW/m2 contour is bij een standaard diepteligging gelegen op een afstand van circa 70 meter van de leidingbreuk tijdens de beginfase van de fakkelbrand en na verloop van tijd op circa 50 meter van de leidingbreuk). De buisleiding ligt ter hoogte van de bebouwing in het plangebied echter op een diepte van 14,8 meter onder het maaiveld. Vanwege de aanwezige gronddekking en de diepte van de krater die ontstaat bij een leidingbreuk en de hoogte van de fakkelbrand zal de warmtestralingscontour van de optredende fakkelbrand waarschijnlijk iets kleiner zijn dan 70 meter. Met de huidige rekenmodellen kan echter niet worden berekend hoeveel kleiner dit is en wordt verder uitgegaan van de afstand van 70 meter. In ieder geval is de kans van optreden van dit scenario door de aanwezige diepteligging sterk gereduceerd omdat kans van een breuk van de leiding door mechanische beschadiging door derden (de bepalende faalkans) verwaarloosbaar klein is geworden.

Bij een warmtestraling van meer dan 35 kW/m2 biedt een gebouw geen of slechts gedurende zeer korte tijd bescherming aan de personen in het gebouw. Binnen een afstand van 70 meter is vluchten van de bron af de enige optie. Vanaf 70 meter afstand van de leidingbreuk is schuilen binnen/achter een gebouw mogelijk. Na verloop van tijd is brandoverslag naar het gebouw mogelijk en moeten aanwezige personen alsnog het gebouw ontvluchten. Bestrijdbaarheid Bij optreden van een fakkelbrand in de buisleiding zijn er vanuit bestrijdbaarheidsperspectief geen mogelijkheden om dit scenario te voorkomen of te bestrijden zolang door de leidingbeheerder de afsluiters in de buisleiding nog niet zijn gesloten. Na het optreden van een fakkelbrand bij de buisleiding kunnen in het plangebied branden ontstaan die door de brandweer kunnen worden geblust nadat de afsluiters in Toelichting Bestemmingsplan De Scheg Midden (9­10­2024)

65

de buisleiding zijn gesloten. Hierbij is het van belang dat het plangebied goed bereikbaar is voor hulpdiensten. Het oostelijk deel van het plangebied zal aan twee zijden worden ontsloten, namelijk via de Meerlandenweg en nieuwe gebiedsontsluitingsweg en aan de noordelijke zijde via de J.C. van Hattumweg, waardoor er sprake is van een goede bereikbaarheid. Het plangebied is tevens bereikbaar via de Noorddammerweg. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Binnen het plangebied zijn geen nieuwe functies voorzien die specifiek gericht zijn op minder zelfredzame personen. De planvorming betreft de realisatie van woningen. Uitgangspunt is dat de betreffende personen zelfredzaam zullen zijn. Bij incidenten zal een afweging gemaakt moeten worden tussen schuilen of vluchten. Bij een volledige breuk van een buisleiding zal vrijwel direct een fakkelbrand ontstaan waardoor er geen gelegenheid is om het gebied te ontruimen. Bij het optreden van een fakkelbrand bij de buisleiding is binnen een afstand van 70 meter vluchten van de bron af de enige optie. Vanaf 70 meter afstand van de leidingbreuk is schuilen binnen/achter een gebouw mogelijk.

Na verloop van tijd is brandoverslag naar het gebouw mogelijk en moeten aanwezige personen alsnog het gebouw ontvluchten. Vanaf 140 meter afstand van de leidingbreuk valt geen brandoverslag naar gebouwen meer te verwachten. Vliegverkeer De ruimtelijke maatregelen gericht op de beheersing van de risico's die worden benoemd in de Wet luchtvaart zijn opgenomen in het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB). In het LIB zijn een aantal beperkingen opgenomen ten aanzien van de bestemming en het gebruik van de grond voor zover die beperkingen noodzakelijk zijn met het oog op de veiligheid in verband met de nabijheid van de luchthaven. Een klein gedeelte van het plangebied valt binnen het LIB beperkingengebied nummer 5 (van bijlage 3 LIB). Binnen het beperkingengebied nummer 5 worden geen woningen geprojecteerd. Dit betekent dat er geen nadere motivering vereist is op welke wijze er rekening is gehouden met de mogelijke gevolgen van een vliegtuigongeval met meerdere slachtoffers op de grond als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling. Conclusie De normen voor externe veiligheid (plaatsgebonden risico en groepsrisico) zoals aangegeven in het Bevi, het Bevt, het Bevb en het LIB vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Wel is een ontsluitingsweg geprojecteerd binnen de belemmeringenstrook van buisleiding W­540­01.

Over (de randvoorwaarden van) de realisatie van de weg binnen de belemmeringenstrook dient overleg te worden gevoerd met Gasunie. Het vooroverleg met de Gasunie heeft reeds plaatsgevonden, en de Gasunie heeft, mede gelet op het vergunningstelsel, geen bezwaar tegen de weg. De ligging van de buisleiding in het plangebied is verder een aandachtspunt tijdens het bouwrijp maken van het terrein en tijdens de graafwerkzaamheden (afstemming met Gasunie vereist om schade aan de buisleiding te voorkomen tijdens graafwerkzaamheden nabij de buisleiding). Op grond van het Bevb moet een beperkte verantwoording van het groepsrisico worden uitgevoerd en beschouwd in het ruimtelijke besluit. De aspecten van de verantwoording zijn hiervoor beschouwd. Met de beschouwing van de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid is het groepsrisico ten aanzien van de aanwezige buisleiding van de hogedrukgasleiding verantwoord. Met betrekking tot externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor het onderhavige bestemmingsplan. Bij de uitvoering van het plan zal rekening worden gehouden met de aanwezige gasleiding, en kan de gasleiding worden ontzien.

Toelichting Bestemmingsplan De Scheg Midden (9­10­2024)

66

7.8 Natuurwaarden Wettelijk kader Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Doel van deze wet is de bescherming van soorten en leefgebieden. De wet is een implementatie van Europeesrechtelijke en internationale verplichtingen (Habitatrichtlijn, Vogelrichtlijn, Verdrag van Bern en Verdrag van Bonn). De Wet natuurbescherming beslaat zowel soortenbescherming als gebiedsbescherming. De wet kent een beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, voor soorten van de Habitatrichtlijn en voor andere soorten. Het komt er onder andere op neer dat soorten niet opzettelijk gedood, gevangen of verstoord mogen worden. Ook het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen en rustplaatsen is verboden. Vrijwel alle vogels zijn beschermd ingevolge de Vogelrichtlijn. Habitatrichtlijnsoorten zijn bijvoorbeeld alle vleermuissoorten. Onder de andere soorten vallen bijvoorbeeld de ringslang en grote modderkruiper, maar ook algemene soorten. Als (bij planuitvoering of werkzaamheden) overtreding van een Wnb­verbodsbepaling dreigt, dan is een ontheffing benodigd. Voor (een groot aantal) algemene soorten is een vrijstelling voor ontheffing vastgesteld. Met betrekking tot de gebiedsbescherming wordt hoofdzakelijk gekeken naar de Natura 2000­gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN).

Gebiedsbescherming In de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn gebieden aangewezen die onderdeel uitmaken van de Europese ecologische hoofdstructuur (Natura 2000­gebieden). Indien een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt in of in de nabijheid van een Natura 2000­gebied (externe werking) moet worden onderzocht of de ontwikkeling de kwaliteit van het gebied kan verslechteren of verstoren. Indien het bestemmingsplan, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, de kwaliteit van een Natura 2000­gebied verslechtert of een significant verstorend effect heeft (dit wordt de verslechterings­ en verstoringstoets genoemd) dient een vergunning op grond van de Wnb te worden aangevraagd. Het bevoegd gezag voor deze vergunning is Gedeputeerde Staten van de provincie waarin het Natura 2000­gebied is gelegen. Indien het plan mogelijk significante negatieve gevolgen heeft voor deze gebieden dient bovendien een passende beoordeling te worden gemaakt. Significant negatieve gevolgen treden op als de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000­gebied worden aangetast. Is dit het geval, dan kan alleen een vergunning worden verkregen indien wordt voldaan aan de zogenaamde ADC­criteria. Dat wil zeggen dat voor het plan geen alternatieven zijn, sprake is van een dwingende reden van groot openbaar belang en is voorzien in compenserende maatregelen.

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming (Wnb) beschermt vele in het wild en van nature in Nederland voorkomende dieren. De wet kent verschillende beschermingsregimes voor diverse soorten. De Wnb bevat verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde diersoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings­ of vaste rust­ en verblijfsplaatsen. Voor van nature in Nederland in het wild voorkomende vogels geldt dat het verboden is om nesten, rustplaatsen of eieren te vernielen. Ook is het verboden om vogels te verstoren, tenzij de verstoring geen wezenlijke invloed heeft op de staat van instandhouding van de soort. Voor algemene soorten, geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen of beheer en onderhoud, op grond van de Verordening vrijstellingen soorten Noord­Holland, vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wnb. Voor overige soorten is geen ontheffing nodig indien de

Toelichting Bestemmingsplan De Scheg Midden (9­10­2024)

67

Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I) of de provincie een gedragscode heeft goedgekeurd voor het uitvoeren van de werkzaamheden. De gemeente Amsterdam heeft een gedragscode opgesteld die de minister van (destijds) LNV heeft goedgekeurd. Hoewel de gedragscode zijn basis vindt in de Flora­ en faunawet, die inmiddels is vervallen, is de werking van de gedragscode door de staatssecretaris van Economische Zaken ambtshalve verlengd. Bij naleving van deze gedragscode geldt dan ook een vrijstelling voor de uitvoering van werkzaamheden in het kader van bestendig beheer en onderhoud en ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Ontheffingen mogen slechts worden verleend wanneer geen andere bevredigende oplossing bestaat, geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan en de ontheffing nodig is met het oog op in de Wnb bepaalde belangen. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wnb aan de uitvoering van het bestemmingsplan in de weg staat. Dit zal zich voordoen wanneer planuitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvoor geen vrijstelling geldt of geen ontheffing op grond van de Wnb kan worden verleend.

Situatie en beoordeling plan(gebied) - Gebiedsbescherming / Natuurgebied Het onderhavige plangebied ligt niet in een natuurgebied of een weidevogelleefgebied. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied De Scheg West ligt niet in of direct nabij het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het dichtstbijzijnde NNN­gebied ligt op meer dan 800 meter afstand, ten oosten van het plangebied. Door het uitvoeren van de werkzaamheden gaat geen oppervlakte aan NNN verloren. Gezien de afstand en de tussenliggende bebouwing kunnen negatieve effecten op het NNN door het plan worden uitgesloten. Natura 2000-gebied (algemeen) Het dichtstbijzijnde Natura 2000­gebied "Botshol" ligt op circa 6 kilometer afstand van het plangebied. Onder andere dit Natura 2000­gebied kent stikstofgevoelig habitat. De externe effecten op de Natura 2000­gebieden dienen getoetst te worden. Voor de mogelijke effectfactoren geluid, licht, menselijke aanwezigheid en trillingen geldt dat gezien de aard van het plan en de werkzaamheden, de afstand en de tussenliggende elementen geen effecten op de Natura 2000­gebieden te verwachten zijn. Ten aanzien van de uitstoot van stikstof kan zonder berekening niet worden uitgesloten dat er geen effect, ofwel stikstofdepositie(toename), op een Natura 2000­gebied is. Derhalve is er een berekening van de (mogelijke) stikstofdepositie(toename) op Natura 2000­gebieden gemaakt.

Stikstofdepositie In verband met de ontwikkelingen (nieuwe functies) en werkzaamheden in het kader van het plan De Scheg Midden is een stikstofdepositie­onderzoek verricht door het bureau Sweco. Het stikstofdepositie­onderzoek van Sweco is als bijlage bij de plantoelichting toegevoegd. In het stikstofdepositie­onderzoek is de stikstofdepositie(toename) op stikstofgevoelige habitats van Natura 2000­gebieden berekend. Bij het stikstofdepositie­onderzoek zijn berekeningen uitgevoerd voor de toekomstige situatie ofwel de gebruiksfase en voor de tijdelijke situatie van de bouw ofwel de realisatiefase. In het onderzoeksrapport staan de uitgangspunten en resultaten van het stikstofdepositie­onderzoek beschreven. Bij het stikstofonderzoek is gerekend met salderen oftewel het gunstige effect van het verdwijnen van het huidige/voormalige gebruik. Toelichting Bestemmingsplan De Scheg Midden (9­10­2024)

68

Indien negatieve effecten vanwege werkzaamheden en toekomstig gebruik (in verband met een plan of project) op een Natura 2000­gebied op voorhand niet kunnen worden uitgesloten, dan is voor het planologisch besluit een milieueffectrapportage (m.e.r.) noodzakelijk en is voor de verlening van de omgevingsvergunning (voor het bouwen) een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Er is geen sprake van een m.e.r.­plicht of een vergunningsplicht bij een stikstofdepositiebijdrage (vanwege de activiteit) van maximaal 0,00 mol N/ha/jaar op een Natura 2000­gebied. Als sprake is van intern salderen, dan is daarvoor geen natuurvergunning benodigd. Gebruiksfase Met de toepassing van intern salderen is in de gebruiksfase van de planontwikkeling De Scheg Midden geen netto­toename van de stikstofdepositie op Natura 2000­gebieden berekend, op basis van de gehanteerde uitgangspunten. Realisatiefase (sloop- en bouwfase) / Aanlegfase Met de toepassing van intern salderen is in de realisatiefase van de planontwikkeling De Scheg Midden geen netto­toename van de stikstofdepositie op Natura 2000­gebieden berekend, op basis van de gehanteerde uitgangspunten. Bij de berekening van de realisatiefase is tevens de gebruiksfase voor 3/4 deel meegenomen, waarmee het cumulatief effect ofwel een worse­case jaar is beschouwd.

Met een bouwfasering van maximaal 115 woningen per jaar, en de toepassing van elektrische telekranen, zijn er per saldo geen stikstofdepositie­effecten op Natura 2000­gebieden, als gevolg van de realisatiefase van het plan, te verwachten. Conclusie Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor het onderhavige bestemmingsplan. Op basis van intern salderen is het plan uitvoerbaar in relatie tot stikstofdepositie. Natuurgebieden zijn geen belemmering voor het onderhavige plan. Situatie en beoordeling plan(gebied) - Soortenbescherming / Flora & Fauna Voor het plangebied De Scheg Midden zijn in 2023 twee quickscans flora & fauna verricht door het bureau E.C.O.­logisch, namelijk voor het projectgebied van de nieuwe woonwijk en voor het deelgebied van de Verlengde Hammarskjöldsingel. In navolging van de quickscans is in 2023 door het bureau E.C.O.­logisch een nader onderzoek verricht voor het deelgebied Verlengde Hammarskjöldsingel, en een notitie inzake (een verkenning) van maatregelen en vervolgstappen opgesteld voor het gebied van de nieuwe woonwijk. De rapportages zijn als bijlagen bij de plantoelichting toegevoegd. Quickscan De Scheg Midden, gebied nieuwe woonwijk De resultaten van de quickscan, met betrekking tot soortenbescherming, zijn als volgt.

Conclusies De bebouwing en omliggende tuinen en groenstructuren in het projectgebied bieden potentiële verblijfplaatsen voor de bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel. Tijdens de geplande ontwikkeling kunnen mogelijk verblijfplaatsen van marterachtigen verloren gaan en zouden individuen dood kunnen gaan. Het gehele projectgebied bied geschikt habitat voor de rugstreeppad. Tijdens de geplande ontwikkeling kunnen voortplantingsbiotoop, landbiotoop en overwinteringsplaatsen van de rugstreeppad verloren gaan. Daarnaast zouden bij projectontwikkeling er individuen van de rugstreeppad dood kunnen gaan.

Toelichting Bestemmingsplan De Scheg Midden (9­10­2024)

69

De bomen in het projectgebied kunnen door de ransuil als roestplaats worden gebruikt. De schuur en loodsen in het projectgebied kunnen mogelijk als nestlocatie door de steenuil en de kerkuil worden gebruikt. In de bomen in het projectgebied zijn geen potentieel jaarrond beschermde nesten waargenomen. Door het blad aan de bomen waren er mogelijk nesten aan het zicht onttrokken. De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van vogels kan derhalve niet worden uitgesloten. Met de geplande ontwikkelingen kunnen er mogelijk jaarrond beschermde nesten van vogels verloren gaan en vogels worden verstoord en/of gedood. De bestaande woningen in en nabij het projectgebied zijn geschikt voor nestlocaties van de gierzwaluw en de huismus. Ten gevolge van de geplande werkzaamheden kunnen deze verloren gaan en zouden individuen dood kunnen gaan. Met de werkzaamheden kan er daarnaast mogelijk essentieel leefgebied van de huismus verloren gaan. Daarbij wordt opgemerkt dat de meeste van de bestaande woningen blijven staan. De bebouwing in het projectgebied biedt potentie als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. Daarnaast zijn er in de bomen in het projectgebied holtes aanwezig die door boombewonende vleermuizen als verblijfplaats kunnen worden gebruikt. Het projectgebied en de directe omgeving kan door vleermuizen als foerageergebied en vliegroute worden gebruikt.

Ten gevolge van de geplande werkzaamheden kunnen er mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen verloren gaan, kunnen er individuen worden verstoord of gedood en kunnen potentiële vliegroutes en essentieel foerageergebied van vleermuizen verloren gaan. In het projectgebied kunnen algemene amfibieën, broedvogels, vissen en zoogdieren voorkomen. Individuen van algemene soorten kunnen tijdens de werkzaamheden worden gedood. Het projectgebied bevindt zich buiten de bebouwde kom van de gemeente Amstelveen. Voor de bomen in het projectgebied zijn de bepalingen uit de Wet natuurbescherming betreffend houtopstanden van toepassing. Op dit moment is het niet duidelijk welke bomen zullen worden gekapt. Het uitgangspunt is dat zoveel mogelijk bomen blijven behouden. De meeste bomen staan langs de linten. Indien er tijdens de werkzaamheden houtopstanden worden gekapt met een oppervlakte van 10 are of bomenrijen worden gekapt van ten minste 21 bomen, is een kapmelding verplicht bij de provincie Noord Holland. Op dit moment kan niet worden beoordeeld of de aanvraag van een kapmelding benodigd is, maar het aantal te kappen bomen zal beperkt zijn. Aanbevelingen Er is nader onderzoek naar broedvogels met jaarrond beschermde nesten, gierzwaluw, huismus, kleine marterachtigen, rugstreeppad, steenmarter en vleermuizen benodigd, alvorens men aan de werkzaamheden kan beginnen.

Het onderzoek naar jaarrond beschermde nesten dient afgestemd te zijn op de mogelijke aanwezigheid van de boomvalk, buizerd, gierzwaluw, havik, huismus, kerkuil, ransuil, sperwer en de steenuil. Het onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen in de bebouwing dient afgestemd te worden op de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, meervleermuis en de ruige dwergvleermuis. Het onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen in boomholtes dient afgestemd te worden op de rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en de watervleermuis. Er is een bomencheck in de winterperiode benodigd ten einde de aanwezigheid van potentieel jaarrond beschermde nesten en boomholtes in de bomen in en rond het projectgebied vast te stellen. Daarnaast is het aan te bevelen de gebouwen in het projectgebied inpandig te inspecteren op de aanwezigheid van sporen van beschermde soorten en specifiek op de aanwezigheid van nestlocaties van de kerkuil en de steenuil.

Toelichting Bestemmingsplan De Scheg Midden (9­10­2024)

70

Het is aan te bevelen de werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels (globaal maart – augustus) uit te voeren of maatregelen te treffen om de vestiging van broedgevallen van algemene vogels te voorkomen. Indien de werkzaamheden in het broedseizoen van vogels plaatsvinden kunnen mogelijke nestlocaties van algemene broedvogels worden vernietigd. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen. Tijdens grondverzet kunnen er mogelijk individuen van de algemene amfibieën, vissen en zoogdieren worden gedood. Er dienen maatregelen te worden getroffen om het doden van algemene amfibieën, vissen en zoogdieren te voorkomen. Deze maatregelen dienen te worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol. Quickscan gebied Verlengde Hammarskjöldsingel De resultaten van de quickscan, met betrekking tot soortenbescherming, zijn als volgt. Conclusies Het projectgebied kan deel uit maken van een foerageergebied en/of vliegroute van vleermuizen.

Indien in de situatie na of tijdens de geplande werkzaamheden gebruik wordt gemaakt van kunstmatige verlichting die uitstraalt naar de omgeving kan dit een negatief effecten hebben op vleermuizen. Gedurende de habitatscan zijn in de oever twee holen vastgesteld. Deze holen kunnen als geschikte verblijfplaats dienen voor kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) en de waterspitsmuis. Deze potentiële verblijfplaatsen zullen verloren gaan naar aanleiding van de geplande werkzaamheden. Door het projectgebied loopt een heg die als functioneel leefgebied is beoordeeld voor de huismus. Dit functionele leefgebied kan verloren gaan naar aanleiding van de geplande werkzaamheden. In de omgeving van het projectgebied zijn potentieel jaarrond beschermde nesten van vogels aanwezig en de watergang kan mogelijk onderdeel uitmaken van leefgebied van de platte schijfhoren. De geplande werkzaamheden zullen naar verwachting geen significant negatief effect hebben op de potentieel jaarrond beschermde nesten van vogels en het leefgebied van de platte schijfhoren. In het projectgebied kunnen daarnaast nestlocaties van algemene broedvogels en leefgebied van algemene amfibieën, vissen en zoogdieren voorkomen. Andere beschermde soorten worden door het ontbreken van leefgebied niet verwacht voor te komen.

De bomen in het projectgebied bevinden zich binnen de bebouwde kom van de gemeente Amstelveen. De bepalingen ten aanzien van houtopstanden in de Wet natuurbescherming zijn niet van toepassing. Aanbevelingen Het is aan te bevelen nader onderzoek uit te laten voeren naar vaste verblijfplaatsen van de bunzing, hermelijn, waterspitsmuis en wezel.

Toelichting Bestemmingsplan De Scheg Midden (9­10­2024)

71

Het is tevens aan te bevelen tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie (na de geplande werkzaamheden) gebruik te maken van geen of vleermuisvriendelijke verlichting. Indien er met de eventuele verlichting rekening wordt gehouden met aanwezigheid van vleermuizen en rekening houdend met de aanwezigheid van alternatieve foerageergebieden en vliegroutes in de omgeving is het niet noodzakelijk aanvullend onderzoek naar vleermuizen uit te voeren. Het wordt aanbevolen de heg die langs de spoorlijn ten oosten van het projectgebied loopt (gedeeltelijk) te behouden aangezien deze dient als functioneel leefgebied voor de huismus. Deze heg is echter niet essentieel voor het functioneren van de nestlocaties van de huismus in de omgeving en kan eventueel (buiten het broedseizoen van vogels) worden verwijderd. Tijdens grondverzet kunnen er mogelijk individuen van algemene amfibieën en zoogdieren worden gedood. Hiervoor geldt een meldplicht bij de Omgevingsdienst Noord­Holland Noord, omdat er gebruik wordt gemaakt van de provinciale vrijstelling. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient een melding te worden gedaan bij de Omgevingsdienst, omdat er gebruik wordt gemaakt van de provinciale vrijstelling. Er dienen maatregelen te worden getroffen om het doden van algemene amfibieën en zoogdieren te voorkomen.

Het is aan te bevelen de werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels (globaal maart ­ augustus) uit te voeren. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen. Nader onderzoek gebied Verlengde Hammarskjöldsingel De conclusie van het nader onderzoek is als volgt: Uit het soortgericht onderzoek naar de aan­ dan wel afwezigheid van de kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) en waterspitsmuis blijkt dat geen beschermde soorten of functies in het deelgebied aanwezig zijn. Het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming voor deze soorten is voor het deelgebied niet nodig. Conclusie De flora & fauna vormen geen belemmering voor het onderhavige bestemmingsplan. Wel dient nog nader onderzoek te worden verricht ter plaatse van de kassen, om vast te stellen welke maatregelen en ontheffingen (eventueel) nodig zijn voor planuitvoering. Gelet op de kenmerken van het gebied en de treffen maatregelen, komt de gunstige staat van instandhouding. Ten aanzien van algemene soorten kan bij de planuitvoering worden volstaan met (algemene maatregelen in het kader van) de zorgplicht.

Ten aanzien van vogels dienen de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaats te vinden.

Toelichting Bestemmingsplan De Scheg Midden (9­10­2024)

72

7.9 Milieuzonering In ruimtelijke plannen dient rekening te worden gehouden met functiescheiding tussen hindergevoelige en hinderveroorzakende functies. Ten aanzien van de afstand tussen woningen en bedrijven worden de richtafstanden van de VNG, zoals die zijn opgenomen in de publicatie "Bedrijven en milieuzonering", gehanteerd om te beoordelen of er al dan niet hinder te verwachten is vanwege bedrijven op de woningen. Als uitgangspunt voor het bepalen van de aan te houden afstanden tussen verschillende functies en gevoelige objecten wordt de VNG­brochure "Bedrijven en milieuzonering" uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI­code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke (indicatieve) richtafstand. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.

De richtafstanden gaan uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Naast de geadviseerde milieuzonering voor bedrijven op basis van de VNG­brochure "Bedrijven en milieuzonering", kunnen er ook nog afstandscriteria uit specifieke milieuwetgeving gelden. Denk hierbij aan de Wet milieubeheer, de agrarische geurwetgeving (Wgv) of de veiligheidsregelgeving (Bevi/Revi). Deze wetgeving geldt uiteindelijk als toetsingskader voor de toegestane milieueffecten. Ook deze afstandscriteria worden meegenomen bij de beoordeling van de gewenste ontwikkelingen. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. Om een goede milieuzonering op te stellen is een analyse en beschrijving van de omgeving nodig. De richtafstanden uit de VNG­brochure gelden standaard ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is ingericht volgens het principe van de functiescheiding: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor; langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Naast het omgevingstype rustige woonwijk kent de VNG­uitgave ook het omgevingstype gemengd gebied.

Gemengd gebied wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van functiemenging of ligging nabij drukke wegen of een industrieterrein en is daardoor enigszins 'verstoord'. Lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid wordt bijvoorbeeld als gemengd gebied gezien. De richtafstanden ten opzichte van de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied gaan uit van functiescheiding. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gelegen. Deze gebieden worden gebieden met functiemenging genoemd. De richtafstanden, zoals opgenomen in de VNG­brochure "Bedrijven en milieuzonering" zijn dan niet toepasbaar.

Toelichting Bestemmingsplan De Scheg Midden (9­10­2024)

73

Situatie en beoordeling plan(gebied) Een groot deel van het plangebied De Scheg Midden wordt ingericht met woningen. Aan de noordzijde van het plangebied is een bestaande woonwijk aanwezig. Door de nieuwe woonwijk en aansluitend in het noordoostelijk deel van het plangebied wordt een nieuwe gebiedsontsluitingsweg aangelegd. Het plangebied ligt aan de west­ en oostzijde ingeklemd tussen de deellocaties De Scheg West en De Scheg Oost. Ook op deze gronden is woningbouw voorzien waarbij de planologische procedures reeds in gang zijn gezet. Aan de zuidzijde van het plangebied zijn verschillende kassenbedrijven aanwezig. Ten zuidoosten van het plangebied bevindt zich een opstelterrein voor trams. In een notitie is door Sweco inzichtelijk gemaakt welke bedrijven zich bevinden in de omgeving van het plangebied. Deze milieuzonering notitie is als bijlage opgenomen bij de plantoelichting. Gelet op het toekomstig gebruik van het plangebied dat gericht is op de functie wonen en het feit dat het plangebied aansluit op bestaande en toekomstige woongebieden, is voor het grootste deel sprake van het omgevingstype 'rustig woongebied'. De relevante inrichtingen in de omgeving van het plangebied zijn in de genoemde notitie (zie bijlage) opgenomen met per inrichting de Sbi­code, milieucategorie en bestemming.

Uitgangspunt is dat alle bedrijven binnen het plangebied worden opgeheven dan wel wegbestemd. Voor de bedrijven in de omgeving van het plan wordt voldaan aan de richtafstanden. Bedrijven in de omgeving worden niet in de bedrijfsvoering beperkt als gevolg van de bestemmingswijziging in het plangebied. Een goed woon­ en leefklimaat is bovendien geborgd. Vanuit het oogpunt van milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het plan. Conclusie In en bij het onderhavige plan wordt voldaan aan de richtafstanden ten aanzien van bedrijven en milieuzonering. De bedrijven en milieuzonering vormen geen belemmeringen voor het plan.

Toelichting Bestemmingsplan De Scheg Midden (9­10­2024)

74

7.10 Duurzaamheid en Klimaat In zowel de Ontwikkelvisie Scheg Noorder Legmeerpolder (2015) als het Ruimtelijk Raamwerk (2019/2020) is de ambitie uitgesproken om van De Scheg een aantrekkelijke, duurzame en groene woonwijk te maken. In de Ontwikkelvisie is bepaald dat voor het bepalen van de energie­ en duurzaamheidsdoelen bij De Scheg gebruik gemaakt wordt van het instrument 'GPR Stedenbouw'. Voor alle thema's uit de GPR is een basisambitie en eindambitie vastgesteld. Inmiddels beschikt de gemeente over de 'Leidraad Duurzaam Bouwen en Gebiedsontwikkelen' en het Actieplan Klimaatadaptatie Amstelveen 2021­2026. Met het vervolg van de gebiedsontwikkeling waren er bij de tussentijdse toetsing aanleidingen om de duurzaamheidsambities te herijken, zoals: <0000> ontwikkeling van GPR Stedenbouw 1.5 (vernieuwd); <0000> toegenomen aandacht voor en belang van klimaatadaptatie, elektrificeren automobiliteit en circulair bouwen; <0000> veranderde wet­ en regelgeving; <0000> veranderd plangebied; relatie tussen de deelgebieden en het geheel; <0000> de door de gemeenteraad in 2021 vastgestelde Leidraad Duurzaam Bouwen en Gebiedsontwikkelen. Omdat de Leidraad Duurzaam Bouwen en Gebiedsontwikkelen actueel en eigen beleid is, is er voor gekozen om in plaats van het instrument GPR, de leidraad in te zetten.

Het plan voor De Scheg Midden is globaal getoetst aan de leidraad; hieruit is het volgende gebleken: <0000> Op het thema energie is het mogelijk om op BENG1 (gebouw­gebonden energiebehoefte) en BENG2 (primair energiegebruik) op het midden ambitieniveau te score. Dat is voor BENG1 10% minder energiebehoefte en BENG2 50% reductie energiegebruik. Voor de overige onderwerpen binnen het thema energie (o.a. gebruik­gebonden energiebehoefte en energieopslag) scoren de plannen conform het basisniveau. <0000> Op het thema circulair bouwen scoren de plannen naar verwachting conform het basisniveau voor de verschillende onderwerpen. Alleen de gemiddelde 'milieu prestatie gebouwen' (MPG) van de woningen zou kunnen voldoen aan het middenniveau (dit is een MPG van 0,75). <0000> Van het plangebied is ongeveer 26% van het oppervlak als groen ingericht. Hiermee wordt voldaan aan het middenniveau voor aandeel groen. Samen met de 11% oppervlaktewater draagt dit bij aan de klimaatadaptatie. Verwacht wordt dat het plan niet hoger scoort dan het basisniveau voor ecologie. Het beeldkwaliteitplan verleidt op gebouwniveau tot verhogen van de biodiversiteit. <0000> Op het thema mobiliteit wordt waarschijnlijk niet hoger gescoord dan het basisniveau. Er worden geen deelconcepten toegepast (de ligging van het plangebied leent zich hier minder goed voor) of extra openbare laadpalen gerealiseerd.

Klimaatadaptatie: wateroverlast en -tekort In paragraaf 7.2 Water is inzicht gegeven hoe in het plan De Scheg Midden (tot dusver) rekening is gehouden met waterberging en hoe bij de planuitwerking nader aandacht wordt besteed aan klimaatadaptatie.

Toelichting Bestemmingsplan De Scheg Midden (9­10­2024)

75

De thema's die belang zijn voor het stedelijk gebied, volgens het Actieplan Klimaatadaptatie Amstelveen, zijn: A. Wateroverlast: inrichting voor verwerking van extreme buien en bestrijding van extreme grondwaterstanden. B. Hitte: beperking van de impact. C. Droogte: vergroten sponswerking. D. Waterveiligheid: regionaal samenwerken aan gevolgbeperking overstroming. In paragraaf 7.2 is (op hoofdlijnen) per thema aangegeven waar bij de planontwikkeling rekening mee moet worden gehouden volgens Actieplan Klimaatadaptatie Amstelveen. Vanuit de gemeente zijn voor diverse klimaatthema's een pakket aan eisen gesteld waaraan het stedenbouwkundig plan en het stedelijk watersysteem moeten voldoen. Bij de uitwerking van het stedenbouwkundig ontwerp De Scheg Midden zullen de inrichtingsplannen getoetst worden aan de klimaatadaptieve eisen en te behalen doelen volgens het Actieplan Klimaatadaptatie 2021­2026 van de gemeente Amstelveen. Hittestress Om de impact van hitte niet erger te maken in 2050 dan in 2020 dienen de openbare ruimte, gebouwen, nutsvoorzieningen en vitale functies hittebestendig te worden ingericht. Voor nieuwbouwontwikkelingen geldt dat koele verblijfsplekken (groen, oppervlaktewater) met een minimale oppervlakte van 200 m2 op maximaal 300 meter loopafstand aanwezig zijn binnen het plangebied.

Daarnaast dienen verblijfsplekken in nieuwbouwontwikkelingen met minimaal 50% groen en 30% schaduw te worden ingericht. Hierin gelden bomen voor zowel groenoppervlak als schaduwoppervlak. In het plangebied zullen zich koele plekken bevinden. De verwachting is dat het plangebied met de nieuwe invulling voldoet aan de hittestress­eisen. In het plan(gebied) bevinden zich koele verblijfsplekken van minimaal 200 m2 op maximaal 300 meter van de woningbouw. De eis van groen­ en schaduwoppervlak wordt in een latere fase bij de planuitwerking verder ingevuld. De toekomstige situatie van het plangebied De Scheg Midden kan worden getoetst aan de hittestress eisen voortkomend uit het klimaatbeleid van de gemeente Amstelveen en het klimaatconvenant van de Metropoolregio Amsterdam. Ten aanzien van hittestress is de verwachting als volgt: <0000> Algemeen: In het plangebied is er op een hete dag een hoge gevoelstemperatuur bij niet­beschaduwde plekken te verwachten. In principe is een hoge gevoelstemperatuur niet direct problematisch, zolang er schaduw wordt gecreëerd in het gebied. In De Scheg Midden kan voldoende schaduw worden gecreëerd. <0000> Koele plekken: Er zijn een aantal koele plekken (van minstens 200 m2) aanwezig in het toekomstig woongebied.

De koele plekken liggen binnen een voldoende afstand van de woningen en openbare plekken in het plangebied, namelijk binnen 300 meter loopafstand. Er wordt voldaan aan de eis vanuit het MRA­document. De koele plekken liggen veelal op veel kortere afstand. <0000> Vitale en kwetsbare functies: De nutstracés zijn voldoende beschaduwd. Een aantal geprojecteerde transformatorhuisjes in het stedenbouwkundig plan is nog niet beschaduwd. Zowel de stoepen waaronder de nutstracés liggen als de transformatiehuisjes kunnen een lichte kleur krijgen om opwarming te verminderen. <0000> Het plan voldoet naar verwachting aan de eisen gesteld in het klimaatconvenant van de MRA. Er zijn geen verdere grootschalige ruimtelijke aanpassingen nodig om hittestress te minimaliseren.

Toelichting Bestemmingsplan De Scheg Midden (9­10­2024)

76

7.11 Milieueffectrapportage (m.e.r.) Wet- en regelgeving Het instrument en de procedure milieueffectrapportage (m.e.r.) is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in (samenhang met) het Besluit milieueffectrapportage. Voor alle projecten en plannen waarbij de activiteit is opgenomen in (Bijlage D van) het Besluit milieueffectrapportage (Besluit mer) moet door het bevoegd gezag worden beoordeeld of een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Via een m.e.r.­beoordeling worden de milieueffecten van de gewenste ontwikkeling onderzocht. Op basis hiervan wordt beoordeeld en beslist of een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld. Volgens onderdeel D 11.2 van de Bijlage bij het Besluit mer dient er voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen een m.e.r.­beoordeling te worden gedaan. De inhoudelijke vereisten voor de m.e.r­beoordeling staan benoemd in bijlage III van de Europese richtlijn mer. Hierin staat dat de voorgenomen activiteiten aan de volgende drie aspecten moeten worden getoetst: <0000> kenmerken van het project; <0000> plaats van het project; <0000> kenmerken van het potentiële effect. M.e.r.-beoordeling Het onderhavige plan betreft een stedelijk ontwikkelingsproject.

Daarom is beoordeeld of voor het onderhavige bestemmingsplan een milieueffectrapport (MER) moet worden gemaakt. In het kader van de m.e.r.­beoordeling is een m.e.r.(­beoordeling)­notitie voor het plan De Scheg Midden opgesteld, in november 2023 en in juli 2024. De m.e.r.­notitie is geactualiseerd in verband met nieuwe/geactualiseerde onderzoeken. De "M.e.r.­notitie De Scheg Midden" (d.d. 31 juli 2024), van Sweco, is opgenomen als bijlage bij dit bestemmingsplan. Uit de m.e.r.­notitie blijkt dat er geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen vanwege het onderhavige plan. Het college heeft hierop besloten dat geen MER opgesteld hoeft te worden. Bij de m.e.r.­beoordeling ­ de notitie en het besluit ­ zijn de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect in acht genomen. Het m.e.r.­beoordelingsbesluit is opgenomen als bijlage bij dit bestemmingsplan. Conclusie Er is geen sprake van belangrijke nadelige milieugevolgen vanwege het plan. Het is dus niet noodzakelijk om een MER op te stellen en een m.e.r.­procedure te voeren voor het onderhavige bestemmingsplan.

Toelichting Bestemmingsplan De Scheg Midden (9­10­2024)

77

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=amstelveen&id=34b7a6ea-e638-4577-a7fc-2fab2ef6f2a8