CConstaterende datamstelveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Plantoelichting vast te stellen bestemmingsplan Uilenstede - Kronenburg

Gemeenteraad (vergaderingen t/m maart 2022) 7 juli 2021, gemeente amstelveenBij agendapunt: Bestemmingsplan en Beeldkwaliteitplan Uilenstede - Kronenburg45.769 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 6

Provinciale structuurvisie In de geactualiseerde Structuurvisie Noord­ Holland 2040 (sept. 2015) is er aandacht voor bodem onder het aspect milieukwaliteit. In de zogenaamde bodemvisie wordt via kaarten aandacht besteed aan elementen van duurzaam bodemgebruik. Provinciale milieuverordening De provincie beschermt aardkundig interessante gebieden, 'aardkundige waarden', die iets vertellen over manier waarop het landschap is ontstaan. In de provinciale milieuverordening zijn daarnaast grondwaterbeschermingsgebieden opgenomen en geluidscontouren van bedrijfsterreinen van regionaal belang. In het plangebied bevinden zich geen aardkundige monumenten of bijzondere aardkundige beschermingsgebieden. 7.5.2 Relevantie plangebied Voor de ontwikkelingen in het transformatiegebied in Kronenburg is door Royal Haskoning DHV een quick scan bodem uitgevoerd (zie Bijlage 15). De quick scan betreft het gehele plangebied en niet alleen het transformatiegebied. In de quick scan is gekeken waar in het plangebied ondergrondse tank zijn gelegen, zijn de potentiële bodembedreigende activiteiten in het plangebied beoordeeld en is er gekeken naar de algemene bodemkwaliteit. De (voormalige) ondergrondse tanks, die buiten het transformatiegebied gelegen zijn, hebben de bodemkwaliteit in het plangebied niet negatief beïnvloed.

Voor wat betreft de potentiële bodembedreigende activiteiten betreft dit met name ophogingen of dempingen die hebben plaatsgevonden in het plangebied. Ten aanzien van diverse bedrijfsactiviteiten die in het plangebied plaatsvinden/ hebben plaatsgevonden kan geconcludeerd worden dat deze activiteiten de bodemkwaliteit niet negatief hebben beïnvloed. De bodem bij het benzine servicestation aan de Beneluxbaan is in 1996 gesaneerd. Er zijn nu hooguit licht verhoogde gehalten en vluchtige aromaten, minerale olie en MTBE in de grond en/ of het grondwater aanwezig De licht verhoogde gehalten hebben geen invloed op de bodemkwaliteit in het

Ontwerp toelichting Kronenburg­Uilenstede

pagina 77

plangebied. Ook voor de potentiële bodembedreigende activiteiten geldt dat deze de bodemkwaliteit in het plangebied niet negatief beïnvloed. De algemene bodemkwaliteit in het plangebied wordt gekenmerkt door licht verhoogde gehalten zware metalen, PAK, PCB en/of minerale olie in de grond en/of het grondwater. In de ondergrond komen slibhoudende bodemlagen voor die lokaal sterk verontreinigd kunnen zijn met zware metalen. Voor de gebieden waar sprake is van conservering (geen of beperkt grondverzet in de toplaag) heeft dit geen invloed. In het transformatiegebied waar nieuwbouw wordt gerealiseerd, kan dit mogelijk tot aanvullende maatregelen leiden, zijnde (beperkte) sanering. Op basis van de beschikbare gegevens is er een grote kans dat de bodemkwaliteit in het plangebied geschikt voor het huidige en toekomstige gebruik, zijnde wonen, kantoren en voorzieningen. Lokaal kunnen afwijkingen aanwezig zijn ten opzichte van de algemene bodemkwaliteit. Daarnaast kunnen nieuwe verontreinigingen ontstaan, indien onzorgvuldige sloop van de huidige bebouwing en/of grondverzet plaatsvindt. Op basis van deze verwachting kan de haalbaarheid van het bestemmingsplan worden getoetst.

7.6 Water 7.6.1 Beleid en regelgeving Het doel van waterbeheer in Nederland bestaat van oudsher uit het beschermen tegen overstromingen en het ontwateren van laaggelegen gebieden. Door de klimaatverandering is nieuw beleid gemaakt voor deze taken van veiligheid en peilbeheer. Dit vereist mogelijk ruimte vanwege de versterking en verbreding van dijken en waterkerende werken of voor extra waterberging. Een ander doel betreft het zorgen voor schoon en gezond water. Voor schoon water is een goed functionerend watersysteem vereist met voldoende volume en doorstroming. Een ecologische oeverinrichting is wenselijk, maar legt beslag op de ruimte. Grondwater wordt volop benut voor de productie van drinkwater. De laatste jaren ontwikkelt het grondwater zich tot een bron en/of opslagmedium voor warmte. Dit vormt een bijdrage aan de beperking van het gebruik van fossiele brandstoffen. Efficiëntie van benutting is een van de redenen voor ruimtelijke ordening van de ondergrond. Kaderrichtlijn Water De Europese Kaderrichtlijn Water leidt, samen met de dochterrichtlijn Grondwater tot een verbetering en bescherming van de kwaliteit van het oppervlakte­ en grondwater in de lidstaten. De Kaderrichtlijn voorziet in drie planperiodes. Momenteel is de 2e planperiode, de uitvoering van de 2e generatie stroomgebiedsbeheerplannen door alle lidstaten ter hand genomen.

In 2022 start de 3e en laatste planperiode die in 2027 afloopt. De Europese Kaderrichtlijn heeft gevolgen voor de gemeente op het gebied van riolering, hemelwaterverwerking, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijk beleid. Er worden in 2022 opnieuw voor de 3e en laatste planperiode, ecologische en fysisch­chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang. Nationaal Waterplan In het Nationaal Waterplan 2016­2021 (NWP2) is het rijksbeleid voor de landelijke en regionale wateren vastgelegd. Het Nationaal Waterplan wordt vastgesteld door de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken. In het plan zijn de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de daartoe behorende

Ontwerp toelichting Kronenburg­Uilenstede

pagina 78

aspecten van het nationale ruimtelijke beleid beschreven. Met dit Nationaal Waterplan voldoet Nederland aan de Europese eisen die voortvloeien uit de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingrisico’s (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KMS). Met dit NWP2 zet het Rijk een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van onze watersystemen, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit, een duurzaam beheer en goede milieutoestand van de Noordzee en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Hierbij streeft het Rijk naar een integrale benadering, door economie (inclusief verdienvermogen), natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie en cultureel erfgoed zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen. Het beleid en de maatregelen in dit Nationaal Waterplan dragen bij aan het vergroten van het waterbewustzijn in Nederland. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het Nationaal Waterplan is zelfbindend voor het Rijk. Het Rijk is in Ne­42 bestemmingsplan Herziening Landgoederen en Groene Gebieden verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem.

In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Rijkswaterstaat (RWS) neemt in het Beheer­ en Ontwikkelplan voor de Rijkswateren (Bprw) de condities en maatregelen op voor het operationeel beheer om deze strategische doelen te bereiken. Het NWP is kaderstellend voor het Bprw. Het kabinet vraagt andere overheden het NWP te vertalen in hun beleidsplannen. Bestuursakkoord Water Het bestuursakkoord Water volgt op het Nationaal Bestuursakkoord Water en bevat hernieuwde afspraken over bestuur, financiën en richtinggevende kaders voor onder andere water. De maatregelen uit het Bestuursakkoord Water zijn gericht op: <0000> heldere verantwoordelijkheden, minder bestuurlijke drukte; <0000> beheersbaar programma voor de waterkeringen; <0000> doelmatig beheer van de waterketen, <0000> werkzaamheden slim combineren; <0000> het waterschapsbestuur. De doelstellingen van het ‘oude’ Nationaal Bestuursakkoord blijven van kracht. Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie Het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) is een landelijk, gezamenlijk plan van gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk. Het versnelt en intensiveert de aanpak van 4 thema’s: wateroverlast, hittestress, droogte en de gevolgen van overstromingen. Het is plan is landelijk gepresenteerd op Prinsjesdag 2017.

Het DPRA legt de gemeenten direct op om in 2020 over vastgesteld beleid per gemeente te beschikken over de 4 thema’s. In 2050 dienen alle Nederlandse gemeenten “klimaatrobuust” te zijn, d.w.z. alle maatregelen moeten dan zijn uitgevoerd. Het Deltaplan is het leidende plan voor gemeenten voor het opstellen en uitvoeren van klimaatadaptieve inrichting. De voornemens van dit plan worden in nauwe afstemming met waterschappen en andere overheden en met particuliere partijen en inwoners, door de gemeenten ten uitvoer gebracht. In Amstelveen gebeurt dat met een Plan van Aanpak klimaatadaptatie 2019­2020. Watervisie 2021 provincie Noord-Holland De Provinciale Watervisie is van kracht sinds 23 december 2015 en geldt tot 2021. Het plan geeft duidelijkheid over de strategische waterdoelen tot 2040 en de acties tot 2021. De volgende doelen worden nagestreefd:

Ontwerp toelichting Kronenburg­Uilenstede

pagina 79

<0000> <0000> <0000> <0000> <0000> <0000> <0000>

waarborgen van voldoende bescherming van mens, natuur en bedrijvigheid tegen overstromingsrisico’s; zorgen voor schoon en voldoende drinkwater; kader stellen voor regionale waterkeringen; beoordelen versterkingsplannen primaire waterkeringen en bevorderen ruimtelijke kwaliteit; waterrobuust inrichten bevorderen; bijdragen aan schoon en voldoende oppervlaktewater; Zorgen voor schoon en voldoende grondwater.

Een belangrijk middel voor het realiseren van deze waterdoelen is het via integrale gebiedsontwikkeling proactief zoeken naar kansrijke combinaties met veiligheid, economie, recreatie, landbouw, milieu, landschap, cultuur en natuur. Het Waterplan heeft voor de ruimtelijke aspecten de status van een structuurvisie op basis van de Wro. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht Het plangebied is gelegen binnen de grenzen van het waterschap van Amstel, Gooi en Vecht. Waterbeheerplan 2016­2021 (WBP) AGV is de beheerder van de regionale wateren in een gebied van 700 km2, grofweg tussen Amsterdam en Utrecht. Het waterschap is een overheidsorganisatie, die zorgt voor veiligheid achter de dijken en voor voldoende en schoon oppervlaktewater. Elke zes jaar maakt het waterschap een waterbeheerplan, tegelijkertijd met (en afgestemd op) het Nationale Waterplan van het Rijk en de provinciale waterplannen. In dit Waterbeheerplan beschrijft het waterschap wensbeelden per thema voor 2030, en daaruit afgeleid doelen voor de planperiode 2016­2021 en een aanpak op hoofdlijnen.

Uitgangspunten WBP <0000> samenbrengen van alle regionale waterbeheertaken in één regionale waterautoriteit; <0000> een klimaatbestendig en waterrobuust gebied; <0000> steden die beter bestand zijn tegen extreme regenbuien, wateroverlast, overstromingen, hitte en droogte; <0000> een omgeving die zich bewust is van waterveiligheid; <0000> water dat overal in het gebied geschikt is voor de vastgestelde gebruiksfunctie; <0000> gebruik van afvalwater als grondstof en bron voor energie en water; <0000> gebruik van vernieuwende oplossingen vanuit samenwerking met kennisinstellingen, andere overheden en marktpartijen; <0000> vermindering van regeldruk en vergroting van kosteneffectiviteit; <0000> afstemming over alle watertaken per stroomgebied; <0000> behoud van de zelfstandige bevoegdheid. Beleidsregels Keur 2019 De Keur van Amstel, Gooi en Vecht is op 1 november 2019 vastgesteld. De Keur is, net als die van Rijnland, een verordening met wettelijke regels (gebod­ en verbodsbepalingen) voor: <0000> Waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden), <0000> Watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken), <0000> Andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen). De Keur bevat verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of bij de bovengenoemde waterstaatswerken.

Er kan een ontheffing worden aangevraagd om een bepaalde activiteit wel te mogen uitvoeren. Als AGV daarin toestemt, dan wordt dat geregeld in een Watervergunning op grond van de Keur. De Keur is daarmee een

Ontwerp toelichting Kronenburg­Uilenstede

pagina 80

belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen. De Keur is te vinden op de website: www.agv.nl. Nadere regels AGV Ten aanzien van Kronenburg heeft AGV recentelijk specifieke randvoorwaarden beschreven: het gebied van Uilenstede heeft relatief wat meer open water dan gemiddeld in Amstelveen. Het percentage oppervlakte water in/ rondom Uilenstede is circa 11% (5,2 ha. oppervlaktewater (vijvers en ander “dood” water niet meegerekend) en 48 ha gebied). Bij ontwikkelingen in Amstelveen als geheel is het wenselijk om extra water te graven. Vooral in de gebieden waar open water beperkt is kan lokale berging effectief zijn. Rondom Uilenstede is relatief wat meer open water. Dit gebied zal deels al dienen als bergingsgebied voor Amstelveen. Maar Uilenstede ligt aan de noordrand van het dorp en wat meer afgelegen in het afvoergebied. Overtollig water uit Amstelveen moet Uilenstede dan eerst bereiken. Extra openwaterberging graven zal daarom rondom Uilenstede wat minder effectief zijn. Voorstel AGV: <0000> Dempingen en nieuwe (toenemende) verhardingen compenseren (geen achteruitgang van het watersysteem). <0000> In Kronenburg vooral inzetten op lokale klimaatadaptieve maatregelen om water vast te houden en het gemaal minder te belasten.

Snelle afstroming wordt dan voorkomen zodat het gemaal de rest van de polder meer afvoercapaciteit kan inzetten. <0000> Aanleg natuurvriendelijke oevers ter verbetering van de waterkwaliteit. Verbreed gemeentelijk rioleringsplan 2015-2020 Amstelveen & Aalsmeer De gemeente is verplicht om op grond van de Wet Milieubeheer over een verbreed gemeentelijk rioleringsplan te beschikken. De gemeente stelt zich tot doel om tot een doelmatige invulling te komen van de drie zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater. De belangrijkste wettelijke verplichtingen en bevoegdheden van gemeenten op het gebied van de afvalwaterketen en de grondwaterzorgplicht kunnen als volgt worden samengevat: <0000> Dit plan vormt het kader voor de invulling van de zorgplichten op het gebied van afvalwater, hemelwater en grondwater; <0000> de gemeente heeft de bevoegdheid voor het heffen van een belasting ter bekostiging van de genoemde zorgplichten; <0000> de gemeente heeft de mogelijkheid om bij verordening regels te stellen met betrekking tot het lozen van afvloeiend hemelwater en grondwater; <0000> bestuursorganen (in het bijzonder gemeenten en waterschappen) moeten bij opstellen en uitvoeren van beleid met betrekking tot afvalwater rekening houden met een in de wet vastgestelde voorkeursvolgorde. Er worden 5 hoofddoelen onderscheiden, die ten grondslag liggen aan de rioleringszorg: 1.

duurzame bescherming volksgezondheid: <0000> de aanleg en het beheer van voorzieningen voor de inzameling en het transport van afval­ en hemelwater bewerkstelligen dat verontreinigd water uit de directe leefomgeving wordt verwijderd; 2. voorkomen van wateroverlast: <0000> A. ten gevolge van hemelwater. De riolering zorgt, daar waar nodig, voor de afwatering van de bebouwde omgeving en voorkomt overlast door naast het afvalwater van huishoudens en bedrijven, daar waar nodig, ook het hemelwater van pleinen, daken, wegen en dergelijke in te zamelen en af te voeren;

Ontwerp toelichting Kronenburg­Uilenstede

pagina 81

<0000>

B. ten gevolge van grondwater. Grondwater vormt geen structurele belemmering voor de bestemming van een gebied. Grondwaterstanden in de openbare ruimte vormen geen belemmering voor particuliere percelen; 3. duurzame bescherming van natuur en milieu: <0000> door de aanleg van riolering of individuele afvalwatersystemen wordt de directe ongezuiverde lozing van water op bodem of oppervlaktewater voorkomen; <0000> het overstortwater vormt geen belemmering voor de gestelde ambities voor het oppervlaktewater; 4. voorkomen van hinder door: <0000> geur; <0000> geluid; <0000> werkzaamheden; 5. toekomstgerichte (afval)waterketen en grondwatersysteem: <0000> klimaatadaptatie; <0000> afkoppelen; <0000> nieuwe sanitatie Leidraad Inrichting Openbare Ruimte In Amstelveen is de LIOR door het College van B&W in maart 2018 vastgesteld. In de LIOR is een standaardniveau beschreven voor de AA gemeenten voor de inrichting en voorzieningen in de openbare ruimte. Het standaardniveau is gebaseerd op alle wettelijke eisen, regels en normen die van toepassing zijn op inrichting en voorzieningen. Het doel van de LIOR is beheerbaarheid van de inrichting en de voorzieningen in de openbare ruimte in de toekomst. De LIOR wordt daarom geacht zowel intern te worden gebruikt als wel door externen die werken in de openbare ruimte in de AA gemeenten. De LIOR is geen monoliet.

Het is een levend document en wordt bijgesteld indien veranderingen invloed hebben op de inhoud van de LIOR. Denk aan veranderingen in wettelijke eisen en regels, technische innovaties, of nieuwe processen en producten. 7.6.2 Relevantie plangebied Middelpolder De waterdoelstellingen en ruimtelijke opgaven voor het plangebied zijn door AGV vastgelegd in het watergebiedsplan Middelpolder (2008). Kronenburg­Uilenstede maakt onderdeel uit van het stedelijk gebied van de Middelpolder. Het winterpeil van het plangebied ligt op ­5.27 m NAP en het zomerpeil op ­5.17 m NAP. De grondwaterstanden in de Middelpolder fluctueren, o.a. seizoensafhankelijk. In de zomer variëren de grondwaterstanden tussen ­1,75 en ­0,40 meter ten opzichte van maaiveld. De gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) = 1,75 m onder maaiveld. In de winter varieert de grondwaterstand tussen ­1,40 en ­0,10 meter ten opzichte van maaiveld. De GHG (gem. hoogste gws.) = 0,10 m onder maaiveld. Waterkering Aan de noordzijde van het plangebied ligt een waterkering (Kalfjeslaan) met daarbij horende (binnen­ en buiten)beschermingszones.

Ontwerp toelichting Kronenburg­Uilenstede

pagina 82

Afbeelding waterkering

Het gaat hier een secundaire waterkering. Voor deze waterkering is een dubbelbestemming 'Waterstaat ­ Waterkering' opgenomen. Binnen deze zone heeft het waterschap AGV beperkingen opgelegd. Het te transformeren gebied van Kronenburg ligt buiten de waterkering en zal hier dus geen invloed op hebben. Waterkwantiteit/ compensatie Op het plangebied is de Keur van Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV) van toepassing. Bij de beoogde ontwikkeling dient rekening gehouden te worden met het beleid van het AGV. Een van de beleidsregels betreft het aanleggen van verhard oppervlak. Deze beleidsregels vormen het afwegingskader voor vergunningverlening: in dit geval voor Watervergunningen op het gebied van aanleggen van verhard oppervlak waardoor hemelwater niet in de bodem kan infiltreren. Deze beleidsregels gelden voor situaties met aanleg van verhard oppervlak van meer dan 1000 vierkante meter. In de keur is bepaald, dat bij nieuwe bebouwing en aanleg van nieuwe verharding naast de bestaande wateroppervlakte extra open water zal worden toegevoegd ter grootte van 10% van die verharding. Dat houdt in dat bij iedere nieuwbouwontwikkeling voldoende oppervlaktewater gerealiseerd moet worden. Deze uitbreiding kan niet alleen in de openbare ruimte gezocht worden, maar zal bij voorkeur (in ieder geval gedeeltelijk) op eigen terrein opgelost moeten worden.

Alle hoofdwatergangen binnen het plangebied hebben de bestemming 'Water' gekregen. Dempen is hier binnen de bestemming niet toegestaan. Voor het dempen van water zonder bestemming 'Water' gelden de regels van de Keur. Er zal dan op gecompenseerd moeten worden. Transformatiegebied In de transformatiezone van het plangebied zal sprake zijn van sloop­nieuwbouw, nieuwbouw en de transformatie van bestaande gebouwen. Er is een overzicht gemaakt van de bestaande situatie en de nieuwe situatie waarin de eventueel benodigde watercompensatie is berekend. In de huidige situatie is voor de nu braakliggende kavels waar reeds bebouwing heeft gestaan, uitgegaan van de verharding van deze gebouwen en parkeerterreinen. Dit betreft in het bestemmingsplan Amstelveen Noord­Oost tevens te bebouwen kavels. In de bestaande situatie is er sprake van 82.505 m² aan verharding, 50.395 m² aan groen en 18.025 m2 aan water. In de nieuwe situatie zijn de gronden voor 74.619 m² verhard (een afname van 7.886 m²) en is de hoeveelheid groen 57.687 m² (een toename van 7.292 m²). In de nieuwe situatie is er sprake van ­18.619 m² aan water (een toename van 594 m²). De hoeveelheid water neemt dus toe. Watercompensatie buiten het plan is dus niet noodzakelijk. Zie Bijlage 16 voor een overzicht van de berekening.

Grondwater De ontwikkeling van Kronenburg mag geen negatieve effecten hebben op de kwaliteit van het grondwater en het grondwaterstandsgedrag:

Ontwerp toelichting Kronenburg­Uilenstede

pagina 83

<0000> <0000>

fundamenten van gebouwen, woningen en wooncomplexen moeten waterdicht gebouwd zijn, zodat grondwaterproblemen in woningen niet meer zullen voorkomen Alleen hemelwater mag in de grond infiltreren.

Oppervlaktewater en waterkwaliteit <0000> De ontwikkeling draagt bij aan de uitbreiding van het openwatersysteem. <0000> Als gevolg van grondroeren kan door nalevering van voedingsstoffen het oppervlaktewater eutrofiëren. Dit is een tijdelijk effect van de transformatie en zelfherstellend. <0000> Er moet voldoende stroming zijn gewaarborgd in alle open waterlopen. Klimaatadaptatie Klimaatadaptieve maatregelen in Kronenburg moeten bijdragen aan de lokale hydrologische optimalisatie van het woon­werkgebied. Ze zijn er op gericht dat: <0000> Hemelwater zoveel mogelijk infiltreert in de grond, waardoor zowel wateroverlast als droogte worden tegengegaan (maximaal bufferen) en overbelasting van riolering wordt tegengegaan. Het effect op het verminderen van wateroverlast zal het sterkst zijn. Het toepassen van geschikte vormen van waterpasserende verhardingen hebben prioriteit. <0000> Extra bomen bijdragen aan vermindering van toenemende hittestress. Daarvoor kunnen ook geschikte vormen van groene gevels worden ingezet. <0000> In Kronenburg wordt de openbare riolering geheel gescheiden uitgevoerd. Alle bebouwing levert gescheiden het afvalwater en het hemelwater aan. Riolering en hemelwaterafvoer Het rioleringsstelsel van het stedelijk gebied van Amstelveen bestaat grotendeels uit een gemengd gerioleerd stelstel.

Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt een gescheiden stelsel van vuilwaterafvoer en hemelwaterafvoer aangelegd, indien die nog niet aanwezig is. Dit is het geval op Kronenburg. Uilenstede heeft grotendeels wel een gescheiden stelsel. De lay­out en capaciteit van een nieuw, gescheiden, stelsel moet aansluiten op het te realiseren programma. Een capaciteitsberekening van de riolering is daarbij van belang. Voor elektra moet mogelijk ruimte vrij gehouden worden voor een trafostation.

7.7 Archeologie 7.7.1 Beleid en regelgeving Wet op de archeologische monumentenzorg De Erfgoedwet vormt samen met de Omgevingswet het wettelijke fundament voor de archeologie in Nederland. Onderdelen van de voormalige Monumentenwet over archeologie worden overgeheveld naar de Omgevingswet. Voorbeelden daarvan zijn de verplichting om rekening te houden met archeologie bij het opstellen van bestemmingsplannen (straks omgevingsplannen) en de vergunningverlening voor het verstoren van archeologische rijksmonumenten. Dit houdt in dat de gemeente bij de voorbereiding van een nieuw bestemmingsplan moet onderzoeken of de grond een archeologische waarde of verwachting bezit. In het bestemmingsplan kunnen archeologische voorschriften worden opgenomen wanneer de gemeente de grond bestemd heeft als archeologisch waardevol of onderzoeksgebied De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta) uit 1992. Dit gaat uit van de bescherming van het archeologische erfgoed als bron van het Europese gemeenschappelijke geheugen en als middel voor geschiedkundige en wetenschappelijke studie. Om dat

Ontwerp toelichting Kronenburg­Uilenstede

pagina 84

doel te bereiken moet de wetgever het archeologisch erfgoed betrekken bij de ruimtelijke ordening. Tevens dient de financiering van het archeologisch onderzoek en het behoud in de bodem te worden geregeld. Kern van de wet is dat gemeenten verantwoordelijk worden voor de archeologische monumentenzorg binnen de gemeentegrenzen. De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt”, dat ervan uitgaat dat de aanvrager van een omgevingsvergunning en een omgevingsvergunning voor aanlegactiviteiten zelf de kosten moet dragen voor het voldoen aan de archeologische voorschriften, worden meer archeologische resten in situ behouden. Het principe dat de veroorzaker betaalt geldt uitsluitend wanneer de wet uitdrukkelijk bepaalt dat er een archeologisch voorschrift aan de vergunning kan worden verbonden. De volgende archeologische voorschriften worden in de wet genoemd: <0000> Het treffen van maatregelen waardoor de archeologische resten in situ behouden blijven; <0000> De verplichting tot het doen van opgravingen; <0000> Het werk laten begeleiden door een deskundige. Het rijk is het bevoegd gezag bij toevalsvondsten, waarvan sprake is wanneer er bij werkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen (paragraaf 5.4 Erfgoedwet).

Vondsten met archeologische waarde dienen te worden aangegeven bij het provinciaal depot voor archeologie van de provincie Noord­Holland. Leidraad Landschap en Cultuurhistorie Noord­Holland biedt een rijke variatie aan landschappen, kernen en cultuurhistorische monumenten. Er zijn wadden, duinen, polders, heidevelden, veenweiden en droogmakerijen. De provincie onderscheidt zich door zijn openheid, de grote afwisseling en de contrasten in het landschap. Elk deel heeft zijn eigen ontstaansgeschiedenis, die vaak nog goed afleesbaar is in het landschap. Het huidige landschap van Noord­Holland is een erfenis met een grote aantrekkingskracht op mensen die in de provincie wonen, werken en recreëren. De hoge kwaliteit ervan draagt bij aan het economische vestigingsklimaat in de provincie. Met de Leidraad wil de provincie partijen zoals gemeenten, initiatiefnemers, beheerders en ontwerpers stimuleren en inspireren om tot kwalitatieve en duurzame ruimtelijke ontwerpen te komen. De Leidraad is daarbij ook bedoeld om inzichtelijk te maken welke landschappelijke en cultuurhistorische waarden van belang zijn. In de Leidraad wordt onderscheid gemaakt tussen 20 landschappelijke eenheden (ensembles) en tien provinciale structuren. Het plangebied Kronenburg­Uilenstede valt hier niet binnen.

Archeologiebeleid gemeente Amstelveen Erfgoednota Amstelveen De Erfgoednota beschrijft het erfgoed van Amstelveen en de beoogde omgang ermee in drie delen. Het eerste deel beschrijft de ambitie en de visie van de gemeente op de omgang met haar culturele erfgoed. Het tweede deel beschrijft Amstelveen in al haar (ruimtelijke) facetten; van de historische groei en de wijkopbouw tot het aanwezige waardevolle culturele erfgoed. In het derde deel wordt het instrumentarium beschreven: welke middelen zijn er om de visie en ambitie waar te maken. Met de Erfgoednota wordt ingegaan op de actualiteiten: het opnemen van cultuurhistorie in bestemmingsplannen, het actualiseren van het archeologiebeleid, de

Ontwerp toelichting Kronenburg­Uilenstede

pagina 85

omschakeling van objectgericht­ naar gebiedsgericht denken en het credo 'behoud door ontwikkeling'. De monumentenlijst van de gemeente bestaat momenteel uit: 37 Rijksmonumenten 1 Provinciaal monument 128 Gemeentelijke monumenten 1 Rijksbeschermd stads­ of dorpsgezicht 11 Gemeentelijke beschermde stads­of dorpsgezichten Hiermee zijn de meest waardevolle gebouwen, objecten en parken afdoende beschermd. Monumenten zijn bij wet beschermd: zonder omgevingsvergunning mag er niets wijzigen aan het uiterlijk aanzien. Andere zaken met cultuurhistorische waarden, maar zonder monumentale bescherming hebben beleidsmatig een stuk minder bescherming. Sloop van bijvoorbeeld karakteristieke panden is niet tegen te gaan, en vergunningsvrij kan er op van alles worden op­, aan­ en bijgebouwd. Een monumentale bescherming mag enerzijds geen keurslijf zijn waarbinnen de tijd stil staat, en een karakteristiek pand of cultuurhistorisch waardevol gebied moet anderzijds beeldbepalend zijn en blijven en inspiratie bieden bij nieuwe ontwikkelingen. De prioriteit in de Erfgoednota ligt niet meer in het inventariseren en aanwijzen van monumenten. De Erfgoedverordening maakt dat altijd nog mogelijk, maar veel meer zal er ingestoken worden op het behoud van structuren en ensembles. De omgang met het lokale cultureel erfgoed in meer algemene zin, zal in deze nota onder de loep worden gelegd.

Er wordt niet lager gefocust op een strikt en statisch behoud van objecten, maar vooral op de ontwikkeling van gebieden, structuren, ensembles en gebouwen, waarbij cultuurhistorie en erfgoed wordt ingezet als inspiratiebron en verrijking. Actualisatie archeologiebeleid gemeente Amstelveen In opdracht van de gemeente Amstelveen heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in 2015 een actualisatie van de bestaande gemeentelijk archeologische verwachtings­ en beleidsadvieskaart gemaakt. Om tot een dergelijk bruikbaar instrument te komen is een vertaalslag gemaakt naar een beleidsadvieskaart. De bekende vindplaatsen en de verschillende verwachtingsgebieden zijn op deze kaart voorzien van voorschriften. Ook de gebieden waar reeds enige vorm van archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden zijn hierop ter informatie weergegeven. Bij het opstellen van het beleid wordt onderscheid gemaakt tussen zones met vastgestelde en met te verwachten archeologische waarden. Onder de eerste categorie wordt verstaan terreinen van archeologische waarde (AMK­terreinen), historische kernen en vindplaatsen zonder status. Gebieden waarvoor op basis van bekende archeologische vindplaatsen, geomorfologie en landschap een archeologische verwachting is geformuleerd worden gekenmerkt als archeologische verwachtingsgebieden.

Op de archeologische verwachtings(waarden)kaart wordt de archeologische verwachting met de termen hoog, middelhoog, laag en geen/onbekend weergegeven. De verschillende vindplaatsen worden indien mogelijk naar categorie onderscheiden en ook staan de historische kernen en AML­terreinen met de daarvoor geldende status vermeld. In de voorschriften wordt aangegeven welke randvoorwaarden er gelden vanuit de bekende archeologische waarden en archeologische verwachtingsgebieden ten aanzien van de ruimtelijke ordening. Hier wordt dus aangegeven welke ondergrens voor onderzoek geldt. 7.7.2 Relevantie plangebied Cultuurhistorie De wijk Kronenburg Uilenstede ligt tegen de gemeentegrens van Amsterdam aan, en grenst aan de zuidkant aan de woonwijk Kostverloren. De wijk Kronenburg was voordat deze bebouwd werd (vanaf de jaren '60) onderdeel van de Middelpolder. Herkenbare

Ontwerp toelichting Kronenburg­Uilenstede

pagina 86

onderdelen van deze polder en droogmakerij zijn ringdijken, ringvaarten en een verkaveling gevormd door afwateringssloten. Amstelveen was tot de jaren zestig vooral een woongemeente. Eind jaren vijftig drong het besef door dat er behoefte was aan een evenwichtige verdeling van werkgebieden in de regio. Amstelveen moest in dat kader plaats bieden aan bijzondere voorzieningen, zoals ziekenhuizen, universiteitsgebouwen en grote kantoorgebouwen. Kronenburg werd vanwege de gunstige ligging ten opzichte van de toekomstige Rijksweg A3 aangewezen als ideale locatie. In de jaren zestig gingen de eerste studenten aan de Vrije Universiteit wonen op Uilenstede, een ‘campus’ met voorzieningen en woningen voor studenten. Het zuiden van Kronenburg groeide in de jaren zestig, zeventig en tachtig uit tot één van de meest prestigieuze werkgebieden in Amstelveen. Een cultuurhistorisch element ten noorden van het plangebied betreft de Kalfjeslaan uit de late Middeleeuwen. De Kalfjeslaan is een oude zijkade tussen twee voormalige veenontginningen: de Binnendijkse Buitenveldse Polder en de Middelpolder. Door de vervening van deze polders heeft de Kalfjeslaan een functie als ringdijk gekregen. Het transformatiegebied ligt ten zuiden van de kalfjeslaan. Tussen de Kalfjeslaan en het transformatiegebied zijn reeds gebouwen aanwezig (campus Uilenstede en kantoorgebouwen).

De nieuwbouw in het transformatiegebied heeft geen invloed op de cultuurhistorische waarde van de Kalfjeslaan. Archeologie Voor het gebied Uilenstede­Kronenburg geldt de archeologische verwachtingswaarde 5. Het gebied is afgegraven voor de turfwinning, ingepolderd, drooggemalen en op locatie van de woongebieden opgespoten met zand. De archeologische verwachtingswaarde is er daarom laag. Dit houdt in dat bij bodemingrepen groter dan 10.000 m² en dieper dan 30 centimeter er archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden.

Voor het plangebied is door RAAP een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in de vorm van een bureauonderzoek (zie Bijlage 24).

Ontwerp toelichting Kronenburg­Uilenstede

pagina 87

Uit dit onderzoek kan het volgende geconcludeerd worden. De archeologische verwachting voor het plangebied is meerledig. Er geldt een hoge archeologische verwachting (Laat Paleolithicum en Mesolithicum) voor het pleistoceen dekzand, dat zich vermoedelijk vanaf 6,0 à 7,5 m –Mv bevindt. De archeologische verwachting voor de hierop afgezette getijdeafzettingen en het gevormde veen is laag. Hoewel aanzienlijke pakketten veen vanaf de 11de­12de eeuw tot in de 19de eeuw (en mogelijk later) zijn afgegraven, kunnen archeologische resten en vondsten uit oudere perioden (die niet door de afgravingen zijn verstoord) zich echter direct onder het maaiveld bevinden. Op basis van historische en topografische kaarten kan worden geconcludeerd dat het plangebied gedurende grote delen van de 19de en 20ste eeuw onbebouwd is geweest. De bebouwing die sinds de jaren ‘70 in het gebied is opgetrokken zal echter tot enige verstoring van de bodem hebben geleid. De exacte mate van verstoring en de mogelijkheid dat archeologisch relevante lagen en vondsten zich in het plangebied bevinden kan op basis van bureauonderzoek niet worden getoetst. Hoewel de exacte diepte van de voorgenomen bodemingrepen onbekend is, blijkt op basis van de resultaten van het bureauonderzoek dat archeologische resten mogelijk bedreigd worden door de werkzaamheden.

Archeologische resten kunnen zich direct onder het maaiveld bevinden en de archeologische verwachting voor het pleistoceen dekzand (dat naar alle waarschijnlijkheid zal worden geraakt met heipalen) is hoog. Gezien deze archeologische verwachting wordt in het kader van de bestaande planvorming aanbevolen de volgende vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg te nemen. Om de verstoringsgraad onder het maaiveld vast te stellen en de archeologische verwachting te toetsen wordt een vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van een inventariserend veldonderzoek door middel van een verkennend booronderzoek. In dit bestemmingsplan zijn regels opgenomen die de archeologische waarden moeten beschermen. Voor verschillende gebieden zijn drempels opgenomen (oppervlakte, diepte ingreep) die aangeven wanneer archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet naar de regels gekeken worden van dit plan. Mochten er tijdens de geplande werkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen dan geldt conform artikel 53 van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg een meldingsplicht bij het bevoegd gezag, de gemeente Amstelveen.

7.8 Luchtkwaliteit 7.8.1 Beleid en regelgeving Sinds 15 november 2007 zijn de hoofdlijnen voor regelgeving van de luchtkwaliteitseisen vastgelegd in de Wet milieubeheer (Wm). Artikel 5.16 Wm geeft weer onder welke voorwaarden de bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (zoals wijzigingen van een bestemmingsplan) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in principe geen belemmering: <0000> er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; <0000> een project leidt per saldo niet tot verslechtering van de luchtkwaliteit; <0000> een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; <0000> een project past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of binnen een regionaal programma van maatregelen.

Ontwerp toelichting Kronenburg­Uilenstede

pagina 88

Vanaf 1 augustus 2009 is het NSL in werking getreden. In het NSL zijn alle maatregelen opgenomen die de luchtkwaliteit moeten verbeteren en tevens zijn ruimtelijke ontwikkelingen opgenomen die de luchtkwaliteit verslechteren. Overheden zijn gehouden de in het NSL opgenomen maatregelen uit te voeren en kunnen het NSL gebruiken als onderbouwing bij plannen voor de NSL­projecten. Met het NSL laat de Nederlandse overheid zien hoe zij aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit gaat voldoen. Grenswaarden Voor de beoordeling van de situatie in de omgeving van het plan zijn met name de volgende grenswaarden uit de Wet milieubeheer relevant: <0000> de jaargemiddelde concentraties voor stikstofdioxide (NO2) moeten vanaf 2015 voldoen aan de grenswaarde van 40 µg/m3; <0000> voor fijn stof (PM10) geldt vanaf 2011 een grenswaarde van 40 µg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie; <0000> de 24­uurgemiddelde waarde voor PM10 mag niet vaker dan 35 keer per jaar overschreden worden (39 keer als rekening wordt gehouden met de zogenoemde zeezoutaftrek); <0000> voor PM2,5, deeltjes nog kleiner dan PM10, zijn ook grenswaarden vastgesteld. Deze zijn niet strenger dan de huidige norm voor daggemiddelde concentraties van PM10.

Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) Met het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' ­ zoals een school of kinderopvang ­ in de nabijheid van provinciale wegen (binnen 50 meter) en rijkswegen (binnen 300 meter) beperkt. Dat geldt voor nieuwe situaties en bestaande situaties die worden uitgebreid, waarbij sprake is van een (dreigende) overschrijding van de grenswaarden voor NO2 of PM10. Binnen dit bestemmingsplan bevinden zich geen gevoelige bestemmingen. Besluit en Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) In het Besluit niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is vastgelegd wanneer een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een project is NIBM als het niet meer dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde voor NO2 en PM10 bijdraagt; concreet betekent dit een bijdrage van maximaal 1,2 µg/m3 . Met name NO2 en PM10 zorgen in Nederland nog voor overschrijdingen van grenswaarden, vandaar dat deze grens is gekozen. In de Regeling NIBM is een aantal categorieën met maximale groottes aangewezen die NIBM zijn, waaronder woningbouw, kantoren en bepaalde inrichtingen. Als een project binnen de grenzen van deze Regeling valt, is verdere toetsing aan de grenswaarden niet nodig.

7.8.2 Relevantie plangebied Ten behoeve van de ontwikkelingen in het plangebied heeft Royal Haskoning DHV in oktober 2020 een quick scan luchtkwaliteit uitgevoerd (zie Bijlage 17). Planbijdrage De ontwikkeling van het gebied zorgt voor een toename van het wegverkeer. Deze verkeerstoename is berekend met het verkeersmodel NHZ2.4 (aangeleverd door de gemeente Amstelveen d.d. september 2020). Dit betreft de autonome situatie 2030 en de toekomstige situatie 2030 inclusief plan. Om een beeld te krijgen van de verkeersaantrekkende werking als gevolg van het plan zijn de gegevens van toekomstige situatie 2030 inclusief planbijdrage vergeleken met de situatie 2030, autonoom.

Ontwerp toelichting Kronenburg­Uilenstede

pagina 89

De bijdrage van deze verkeerstoename aan de jaargemiddelde NO2­ en PM10­concentraties is bepaald met de, door I&W en InfoMil ontwikkelde, NIBM rekentool (versie augustus 2020). Deze rekentool berekent de verkeersbijdrage in een worst case situatie. Voor de berekening is uitgegaan van een volledige realisatie in 2022, het eerste jaar na vaststelling van het bestemmingsplan. De maximale verkeerstoename volgt uit de aangeleverde verkeerscijfers. Deze toename bedraagt 8.730 voertuigen op de Laan van Kronenburg. Het bijbehorende aandeel vrachtverkeer bedraagt 3,4%.

In figuur 2 zijn de resultaten van de NIBM­rekentool getoond. De maximale (worst case) toename is 7,3 μg/m3 voor NO2. Deze bijdrage leidt, opgeteld bij de concentraties in Tabel 1, niet tot het bereiken van de grenswaarde; er is nog een marge over. Voor PM10 wordt een toename van 1,6 μg/m3 berekend waarbij er ook een ruime marge is tot de grenswaarde. Conclusie Uit de NSL­Monitoringstool blijkt dat de jaargemiddelde concentraties rond het plangebied ruim onder de grenswaarden uit de Wm liggen en dat de concentraties, onder invloed van dalende achtergrondconcentraties en emissiefactoren, in de toekomst verder zullen dalen. De ontwikkeling in het plangebied draagt, in relatie tot de bestaande situatie en op basis van de worst case uitgangspunten, in betekenende mate bij aan de lokale luchtkwaliteit. Er is echter nog grote ruimte tussen de heersende concentraties en de grenswaarden uit de Wm. Zelfs met de worst case berekende toenames van de concentraties, zal de ontwikkeling van het Kronenburg­Uilenstede terrein tot gemengd woon­werk gebied niet leiden tot een benadering of overschrijding van de grenswaarden uit de Wm. Hierdoor is aannemelijk gemaakt dat het plan op grond van art 5.16, lid 1 sub a voldoet aan de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer.

Vliegverkeer Voor wat betreft de impact van het vliegverkeer op de luchtkwaliteit in het te ontwikkelen gebied wordt verwezen naar paragraaf 3.4

7.9 Natuur 7.9.1 Beleid en regelgeving Wet natuurbescherming De op 1 januari 2017 in werking getreden Wet natuurbescherming (Wnb) dient ter vervanging van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora­ en faunawet en de Boswet en heeft als doel te komen tot één integrale en vereenvoudigde regeling van de natuurbescherming. Hierbij is de Europese regelgeving als uitgangspunt genomen. Wanneer geen specifieke natuurbescherming in de Europese regelgeving is voorzien

Ontwerp toelichting Kronenburg­Uilenstede

pagina 90

worden op rijksniveau regels vastgelegd, zodat een consistent, samenhangend en transparant stelsel van regels op het gebied van natuur ontstaat. Gebiedsbescherming Net als onder de hiervoor geldende wetgeving (Natuurbeschermingswet 1998) zijn in de Wnb gebieden aangewezen die onderdeel uitmaken van de Europese ecologische hoofdstructuur (Natura 2000­gebieden). Indien een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt in of in de nabijheid van een Natura 2000­gebied (externe werking) moet worden onderzocht of de ontwikkeling de kwaliteit van het gebied kan verslechteren of verstoren. Indien het bestemmingsplan, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, de kwaliteit van een Natura 2000­gebied verslechtert of een significant verstorend effect heeft (dit wordt de verslechterings­ en verstoringstoets genoemd) dient een vergunning op grond van de Wnb te worden aangevraagd. Het bevoegd gezag voor deze vergunning is Gedeputeerde Staten van de provincie waarin het Natura 2000­gebied is gelegen. Indien het plan mogelijk significante negatieve gevolgen heeft voor deze gebieden dient bovendien een passende beoordeling te worden gemaakt. Significant negatieve gevolgen treden op als de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000­gebied worden aangetast. Is dit het geval, dan kan alleen een vergunning worden verkregen indien wordt voldaan aan de zogenaamde ADC­criteria.

Dat wil zeggen dat voor het plan geen alternatieven zijn, sprake is van een dwingende reden van groot openbaar belang en is voorzien in compenserende maatregelen. Soortenbescherming De Wnb beschermt net als de hiervoor geldende wet­ en regelgeving (o.a. Flora­ en faunawet) vele in het wild en van nature in Nederland voorkomende dieren. De wet kent verschillende beschermingsregimes voor diverse soorten. De Wnb bevat verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde diersoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings­ of vaste rust­ en verblijfsplaatsen. Voor van nature in Nederland in het wild voorkomende vogels geldt dat het verboden is om nesten, rustplaatsen of eieren te vernielen. Ook is het verboden om vogels te verstoren, tenzij de verstoring geen wezenlijke invloed heeft op de staat van instandhouding van de soort. Voor algemene soorten, geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen of beheer en onderhoud en op grond van de Verordening vrijstellingen soorten Noord­Holland vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wnb. Voor overige soorten is geen ontheffing nodig indien de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I) of de provincie een gedragscode heeft goedgekeurd voor het uitvoeren van de werkzaamheden. De gemeente Amsterdam heeft een gedragscode opgesteld die de minister van (destijds) LNV heeft goedgekeurd.

Hoewel de gedragscode zijn basis vindt in de Flora­ en faunawet, die inmiddels is vervallen, is de werking van de gedragscode door de staatssecretaris van Economische Zaken ambtshalve verlengd. Bij naleving van deze gedragscode geldt dan ook een vrijstelling voor de uitvoering van werkzaamheden in het kader van bestendig beheer en onderhoud en ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Ontheffingen mogen slechts worden verleend wanneer geen andere bevredigende oplossing bestaat, geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan en de ontheffing nodig is met het oog op in de Wnb bepaalde belangen.

Ontwerp toelichting Kronenburg­Uilenstede

pagina 91

Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wnb aan de uitvoering van het bestemmingsplan in de weg staat. Dit zal zich voordoen wanneer de uitvoering van het bestemmingsplan tot ingrepen noodzaakt waarvoor geen vrijstelling geldt of geen ontheffing op grond van de Wnb kan worden verleend. Natuurbeheerplan 2019 Provincie Noord-Holland Het Natuurbeheerplan beschrijft waar in Noord­Holland natuur is en kan komen, welk soort natuur en beheer daar gewenst is en voor welke locaties, agrarische collectieven, grondeigenaren en natuurbeherende organisaties subsidie voor natuurbeheer kunnen aanvragen. Het Natuurbeheerplan bevat de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en de Natuurverbindingen. De natuurdoelen strekken verder dan enkel de gronden die zijn aangewezen als NNN. Het is dus niet zo dat een Natuurbeheerplan de daadwerkelijke natuurwaarden vastlegt. Een Natuurbeheerplan heeft geen planologische werking zoals de PRV. De natuur­ en beheerdoelen buiten het NNN worden behaald door middel van bijvoorbeeld agrarisch natuurbeheer. Dit is gericht op de verbetering van leefgebieden. Er wordt onderscheid gemaakt in vijf typen leefgebieden. Het plangebied Kronenburg­Uilenstede valt binnen het leefgebied categorie water (agrarisch waterbeheer).

Het agrarisch waterbeheer is gericht op het bereiken van een goede toestand van al het water conform de Kaderrichtlijn Water (KRW) en het realiseren van een robuust, duurzaam en klimaatbestendig watersysteem. Hoewel de opgaven per waterschap verschillen, zijn de volgende doelen in alle gevallen relevant: <0000> het beschikbaar stellen van agrarische gronden voor waterberging bij veel neerslag en het vasthouden van water bij droogte, om waterproblemen elders in het watersysteem te voorkomen; <0000> het op een zodanige wijze inrichten en/of beheren van waterlopen en oevers ­afgestemd op de gebiedsfuncties­ dat een toekomstbestendig, duurzaam watersysteem ontstaat; <0000> het op een zodanige wijze beheren van het grond­ en/of oppervlaktewaterpeil, dat een optimale situatie ontstaat voor waterkwantiteit en waterkwaliteit.

Het gaat hierbij om drie hoofddoelstellingen: 1) het vergroten van het bergend vermogen in de bodem of in het oppervlaktewatersysteem; 2) het realiseren van een optimaal peilbeheer; 3) het verbeteren van de waterkwaliteit; <0000> groene zuivering: het beperken van de belasting van grond­ en oppervlaktewater met verontreinigende stoffen vanuit de agrarische sector, zowel door het nemen van maatregelen aan de bron als end of pipe­maatregelen; <0000> duurzaam bodembeheer: het beperken en voorkomen van af­ en uitspoeling van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen naar het grond­ en oppervlaktewater. De begrenzing van dit leefgebied is ruim vastgesteld en is een zoekgebied. 7.9.2 Relevantie plangebied Voor de ontwikkelingen in het plangebied is door adviesbureau ATKB een quick scan Wet natuurbescherming uitgezet (zie Bijlage 18). Hiertoe zijn een literatuur­ en veldonderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek zijn de volgende resultaten naar voren gekomen. Soortenbescherming Flora Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende beschermde soorten voor (kunnen) komen: grote bosaardbei, kartuizer anjer, knolspirea, naaldenkervel, wilde ridderspoor, blaasvaren, groot spiegelklokje en kluwenklokje.

Ontwerp toelichting Kronenburg­Uilenstede

pagina 92

Uit het veldonderzoek blijkt dat binnen het plangebied geschikte groeilocaties aanwezig zijn voor de kartuizer anjer. De kartuizer anjer is verspreid aanwezig door heel Amstelveen en kan daarom niet geheel worden uitgesloten. De andere soorten worden niet verwacht aangezien het plangebied buiten de natuurlijke verspreiding van deze soorten valt. Broedvogels met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 t/m 4) Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende broedvogels met jaarrond beschermde nesten voorkomen: buizerd, gierzwaluw, huismus, ransuil, sperwer, havik, bosuil, ooievaar. Derhalve is bij het veldbezoek zowel op de geschiktheid als broedlocatie als de geschiktheid als rust­ en foerageergebied gelet. Tijdens het veldbezoek is een paartje buizerd aangetroffen in en bij het nest. Dit nest bevindt zich in de groenzone ten westen van het braakliggende perceel tussen Uilenstede 453 en 475. Verder zijn ekster en kraaiennesten aangetroffen die ook in gebruik waren. De bebouwing binnen het plangebied bevat geen openingen of dakpannen en is ongeschikt voor gebouw bewonende soorten. Verder zijn er geen braakballen gevonden waarmee rustlocaties voor bijvoorbeeld ransuil zijn uitgesloten. Sperwers kunnen worden uitgesloten omdat mogelijk geschikte nesten voor deze soort bezet waren door eksters of zwarte kraai.

Werkzaamheden in het transformatiegebied zullen binnen 75 meter plaatsvinden van de nest van het buizerd paartje. Voor deze werkzaamheden zal een ontheffingsaanvraag op de Wet natuurbeheer ingediend worden. Nader onderzoek is niet nodig omdat de aanwezigheid van meerdere broedparen kan worden uitgesloten (geen geschikte nesten waargenomen en de dieren zijn territoriaal). Ten aanzien van de aanwezigheid van een buizerdpaartje is een activiteitenplan opgesteld ten behoeve van een ontheffingsaanvraag Wet natuurbescherming (zie Bijlage 19). De voorgenomen werkzaamheden hebben naar verwachting tot gevolg dat de boom met het nest gekapt moet worden. Mogelijk kan de boom blijven staan, echter is het nest dan op een afstand van minder dan 5 meter van de gevel van het gebouw aanwezig. Dit leidt met zekerheid tot verlies van functionaliteit van het nest. Gevolgen kunnen zijn: beschadigen en/of vernielen van het nest en het opzettelijk verstoren van de buizerd.

De maatregelen om negatieve effecten te beperken vallen uiteen in twee delen: Mitigratie: <0000> maatregelen om directe schade aan individuen van de buizerd te voorkomen (beperken verstoring) Compensatie: <0000> maatregelen om indirecte schade aan de buizerd te voorkomen door alternatieve verblijfplaatsen te creëren Maatregelen om directe schade te voorkomen De werkzaamheden dienen te worden opgestart in de minst kwetsbare periode (buiten het broedseizoen). Kap van bomen kan plaatsvinden in de periode september t/m januari. Maatregelen om indirecte schade te voorkomen Het buizerdnest verliest zijn functionaliteit. Om dit te compenseren worden in de directe omgeving alternatieve nesten te worden aangeboden. Dit kan middels

Ontwerp toelichting Kronenburg­Uilenstede

pagina 93

broedmanden. Voorgesteld wordt om 6 kunstnesten te plaatsen op verschillende locaties zodat er diverse keuze mogelijkheden zijn voor de buizerd. Binnen Kronenburg zelf en in de omgeving (sportpark Loopveld) zijn diverse groenvoorzieningen met bomen aanwezig waar alternatieve locaties gevonden kunnen worden. Extra maatregelen die voorgesteld worden betreffen: <0000> Aanbrengen van takkenrillen/houtwallen (100 m1) op nader te bepalen locatie(s), maar binnen 200­300 m van de huidige locatie; <0000> Creëren van ruigte zones met hoog gras op nader te bepalen locatie(s), maar binnen 200­300m van de huidige locatie; <0000> Plaatsen van 4 weidepalen in het foerageergebied van de buizerd binnen 200­300 m van de huidige locatie; <0000> Aanbrengen 4 insectenhotels op of langs het terrein van de nieuwbouw, met een oriëntatie op het zuiden; <0000> Aanplant van vaste nectarrijke planten, zoals lavendel, kattenkruid, salvia. Hiervan profiteren diverse wilde bijen (100 m2). Staat van instandhouding Het planvoornemen heeft betrekking op slechts 1 broedpaar van de ruim 10.000 in Nederland. De landelijke staat van instandhouding is gunstig met toenemende aantallen. Het planvoornemen heeft dan ook geen enkel effect op de landelijke staat van instandhouding.

Broedvogels met niet jaarrond beschermde nesten (categorie 5) Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied diverse broedvogels met niet­jaarrond beschermde nesten voor (kunnen) komen. Daarbij gaat het om soorten zoals blauwe reiger, boomkruiper en ekster. Tijdens het veldbezoek zijn diverse vogels aangetroffen, zoals blauwe reiger, grote bonte specht, zwarte kraai en ekster. Het plangebied is voor de (mogelijk) aanwezige categorie 5­vogels niet van ecologisch hoog belang, omdat het hooguit om enkele broedparen gaat. Bovendien zijn in de omgeving voldoende alternatieve nestlocaties te vinden in tuinen en bos in omgeving. De te verwachten soorten zijn daarnaast algemeen in Nederland. Nesten van deze soorten zijn beschermd tijdens het broedseizoen. Geadviseerd wordt bij de aanwezigheid van nesten noodzakelijke kapwerkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Wanneer kapwerkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd moet voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcontrole uitgevoerd te worden. Algemene broedvogels Tijdens het veldbezoek zijn diverse algemene broedvogels aangetroffen waaronder fazant, heggenmus en merel. Uit het veldonderzoek blijkt dat het plangebied geschikte broedplaatsen biedt voor diverse algemene boom­ en struweelbroeders.

Ook voor deze soorten geldt dat geadviseerd wordt bij benodigde kapwerkzaamheden dit buiten het broedseizoen te doen en binnen het broedseizoen een broedvogelcontrole uit te voeren. Vleermuizen Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende vleermuizen voor (kunnen) komen: gewone en ruige dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, tweekleurige vleermuis en watervleermuis. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen gevonden van vleermuizen. Het plangebied bevat geschikte bebouwing en holten in bomen. De bebouwing in het plangebied biedt

Ontwerp toelichting Kronenburg­Uilenstede

pagina 94

potentiële verblijfplaatsen voor kleine gebouw bewonende vleermuizen, zoals gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis, voor de grotere laatvlieger en mogelijk voor een mannetjes verblijf van de meervleermuis. De holten in bomen zijn geschikt voor boom bewonende vleermuizen, zoals de rosse vleermuis en watervleermuis. Verblijfplaatsen van de tweekleurige vleermuis zijn uitgesloten aangezien verblijfplaatsen van deze soort in Nederland zeer zeldzaam zijn en de soort verblijfplaatsen (openingen en zolders) in hoge gebouwen prefereert. De te slopen bebouwing in het plangebied is niet hoger dan vier verdiepingen. De watergangen binnen het plangebied in combinatie met alle structuren in de omgeving maken het plangebied geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van lijnvormige elementen die van wezenlijk belang kunnen zijn als vliegroute voor vleermuizen. De groenzone ten noorden van (maar buiten) het plangebied is de meest nabije geschikte vliegroute. Om vast te stellen of verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn in boomholten en gebouwen moet nader onderzoek uitgevoerd worden. Grondgebonden zoogdieren Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende beschermde grondgebonden zoogdieren voor (kunnen) komen: eekhoorn, bunzing, hermelijn en wezel.

Tijdens het veldbezoek zijn geen (sporen van) beschermde grondgebonden zoogdieren aangetroffen. Het plangebied is ongeschikt voor de eekhoorn. Verder is het plangebied afgezonderd van bekende populaties van de eekhoorn. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een verbinding tussen populaties van de eekhoorn. Het plangebied is wel geschikt voor bunzing, hermelijn en wezel. Het plangebied ligt langs halfopen landschap (sportvelden) en in/langs een verbinding tussen het buitengebied en het Amsterdamse bos. Binnen het plangebied is met name de groenzone tussen de percelen Laan van Kronenburg 14 en Laan van Kronenburg 6 (voormalige woonzorg gebouwen Amstelring Laan van Kronenburg 12) geschikt als leefgebied voor kleine marters. Deze groenzone bevat kleinschalige structuren (struweel, stapels hout, hagen) die de soorten beschutting en foerageergebied bieden. Onderzoek naar de aanwezigheid van kleine marterachtigen moet verder uitgevoerd worden. Andere beschermde grondgebonden zoogdieren zijn uitgesloten binnen het plangebied, omdat de locatie geen onderdeel uitmaakt van het verspreidingsgebied van deze soorten. Amfibieën Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied beschermde rugstreeppad voor kan komen. Uit het veldonderzoek blijkt dat de plassen op het braakliggende terrein geschikt voortplantingsbiotoop bieden voor de rugstreeppad.

De groenzone die daarnaast ligt is potentieel geschikt als landbiotoop. Vanwege de beschoeide watergangen en omliggende infrastructuur is het plangebied lastig te bereiken voor de soort, maar niet geheel onmogelijk. Nader onderzoek naar de aanwezigheid van de rugstreeppad moet uitgevoerd worden. Overige soorten beschermde amfibieën zijn uitgesloten voor de locatie, omdat het plangebied geen onderdeel uitmaakt van het verspreidingsgebied van deze soorten. Reptielen

Ontwerp toelichting Kronenburg­Uilenstede

pagina 95

Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied de beschermde ringslang voor kan komen. Bekende waarnemingen zijn voornamelijk bekend van het Amsterdamse Bos. Tijdens het veldonderzoek zijn geen (potentiële) broeihopen aangetroffen. Verder zijn watergangen beschoeid waardoor het plangebied erg ongeschikt is als foerageergebied voor de ringslang. Vissen, vlinders en overige ongewervelden Beschermde soorten van deze soortgroepen komen niet in de omgeving van het plangebied (kunnen) voorkomen. Binnen het plangebied ontbreekt het aan geschikt biotoop voor deze soortgroepen. Aanvullend onderzoek kartuizer anjer, kleine marterachtigen, rugstreeppad en vleermuizen Naar aanleiding van de quick scan heeft adviesbureau ECO Logisch aanvullend onderzoek uitgevoerd naar de kartuizer anjer, kleine marterachtigen, rugstreeppadden en vleermuizen (zie Bijlage 20). Kartuizer anjer In het plangebied is de kartuizer anjer niet aangetroffen. De aanwezigheid van beschermde flora kan hiermee worden uitgesloten. Rugstreeppad In het projectgebied zijn tijdens de koorzang ronde voor de rugstreeppad op 1 mei 2019 een roepende meerkikker en bastaardkikker en een gewone pad waargenomen. Zowel tijdens de ronde op 1 mei als op 16 mei 2019 zijn er geen rugstreeppadden geconstateerd. Tijdens de controle op larven op 15 juli 2019 is alleen een juveniel groene kikker spec. waargenomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=amstelveen&id=295de0bf-e985-4f03-92db-64e8f48bf54c