CConstaterende datamstelveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Plantoelichting vast te stellen bestemmingsplan Uilenstede - Kronenburg

Gemeenteraad (vergaderingen t/m maart 2022) 7 juli 2021, gemeente amstelveenBij agendapunt: Bestemmingsplan en Beeldkwaliteitplan Uilenstede - Kronenburg45.769 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 6 van 6

Hiermee kan de aanwezigheid van de beschermde rugstreeppad worden uitgesloten. Vleermuizen Binnen het projectgebied zijn de gewone dwergvleermuis, de ruige dwergvleermuis, de rosse vleermuis en de laatvlieger waargenomen. Zomer­ en kraamverblijfplaatsen In het projectgebied zijn vier zomerverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis waargenomen. Drie zomerverblijfplaatsen zijn aangetroffen in het gebouw aan de Laan Kronenburg 7. Deze zomerverblijfplaatsen bevatten allen één individu. De vierde zomerverblijfplaats bevindt zicht in het gebouw aan de Laan van Kronenburg 2 en betreft een verblijfplaats met drie individuen. Binnen het projectgebied zijn foeragerende individuen van de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en de ruige dwergvleermuis waargenomen. Paarverblijfplaatsen en zwermplaatsen Gedurende de inventarisaties zijn twee baltsterritoria van de gewone dwergvleermuis aangetroffen, waarvan één baltsterritorium binnen het projectgebied aanwezig is. Het baltsterritorium bevindt zich aan de westgevel van het gebouw aan Laan van Kronenburg 7. De exacte locatie van de paarverblijfplaats kon in verband met het nachtelijke tijdstip van inventariseren en het ontbreken van invliegende vleermuizen niet worden vastgesteld. Het baltsterritorium in het projectgebied vertegenwoordigd een paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis.

Het tweede baltsterritorium bevindt zich buiten het projectgebied aan de zuidgevel van Uilenstede 510­512. Gedurende de langere tijd is hier een baltsend individu van de gewone dwergvleermuis waargenomen, die duidelijk binding vertoonde met de bebouwing aan de Uilenstede 510­512. Dit is een duidelijke indicatie dat er een paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis in dit gebouw buiten het

Ontwerp toelichting Kronenburg­Uilenstede

pagina 96

projectgebied aanwezig is. In de zuidgevel van Uilenstede 510­512 is ook een paarverblijfplaats van de ruige dwergvleermuis vastgesteld. Tijdens de inventarisaties zijn in het projectgebied meerdere baltsende individuen van de gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis waargenomen. Deze individuen vertoonde echter geen binding met de bebouwing in het projectgebied. Tijdens de inventarisaties zijn foeragerende individuen van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis waargenomen. Winterverblijfplaatsen Tijdens de inventarisaties is geen zwermgedrag van vleermuizen waargenomen dat kan duiden op de mogelijke aanwezigheid van een (massa)winterverblijfplaats. Vliegroutes en fourageergebieden Het projectgebied betreft een foerageergebied van de gewone dwergvleermuis, de dichtheden zijn relatief laag en een groot deel van het foerageergebied blijft in de toekomstige situatie gehandhaafd. De vliegroute van de gewone dwergvleermuis is niet essentieel, omdat het om een beperkt aantal individuen gaat en de watergang en bomenrij langs de weg Uilenstede en enkele andere locaties als alternatieve vliegroutes kunnen worden benut. Met de geplande werkzaamheden blijven de watergangen in het projectgebied intact en er worden nieuwe waterpartijen gecreëerd. In het projectgebied worden een groot aantal nieuwe gebouwen gerealiseerd.

Om de gebouwen heen blijven groenstructuren aanwezig. Met de werkzaamheden zal het foerageergebied van vleermuizen veranderen, maar de functie van het projectgebied als foerageergebied van vleermuizen zal met de werkzaamheden behouden blijven. In de nieuwe situatie zijn voldoende watergangen en groenstructuren aanwezig om als foerageergebied van vleermuizen te kunnen blijven fungeren. De vliegroute blijft bij de werkzaamheden intact. Het is niet noodzakelijk om een ontheffing te vragen voor het aantasten van foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen. Kleine marterachtigen Met behulp van een cameraval is eenmalig een passerende bunzing waargenomen. Op basis van deze waarneming kan worden geconcludeerd dat het plangebied deel uit maakt van het leefgebied van de bunzing. In de directe omgeving van de cameraval is geschikt habitat aanwezig voor verblijfplaatsen in de vorm van aanwezige stapels hout en dicht struweel. In het projectgebied zijn tevens voldoende prooidieren aanwezig. Het projectgebied en de directe omgeving bieden geschikt habitat als foerageergebied in de vorm van verruigde groenstructuren en aansluiting op parken, watergangen en groenvoorzieningen. De bunzing heeft een groot territorium met hierin verschillende vaste rust­ en verblijfplaatsen. Op basis van de waarneming is een verblijfplaats van de bunzing in het projectgebied te verwachten.

Daarnaast zijn op de camerabeelden meerdere algemene en provinciaal vrijgestelde zoogdieren waargenomen, namelijk: de bosmuis, huisspitsmuis, egel en de haas. Ook zijn er meerdere algemene vogels waargenomen zoals de koolmees, tjiftjaf en de zanglijster. Daarnaast zijn op de parkeerplaatsen en tussen de groenstructuren aan Laan van Kronenburg 2, 4 en 12 zijn meerdere individuen van het konijn waargenomen. Aanbevelingen Omdat de vier zomerverblijfplaatsen en een paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis en het leefgebied, inclusief verblijfplaatsen, van de bunzing niet behouden kunnen blijven is het noodzakelijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming aan te vragen. Aan een ontheffing kunnen voorwaarden verbonden zijn, zoals het treffen van mitigerende maatregelen.

Ontwerp toelichting Kronenburg­Uilenstede

pagina 97

De werkzaamheden kunnen in het actieve seizoen van vleermuizen mogelijk foeragerende individuen van vleermuizen verstoren. Het is daarom aan te bevelen nachtelijke verlichting tot een minimum te beperken, om verstoring van aanwezige individuen van vleermuizen te voorkomen. Het is in het algemeen wenselijk om de werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels uit te voeren (globaal 15 maart – 15 juli), om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. Deze periode is niet leidend. Indien broedgevallen ten tijde van de werkzaamheden aanwezig zijn mogen deze niet worden verstoord of vernietigd. Mogelijke mitigerende maatregelen Ten aanzien van het functioneel leefgebied inclusief verblijfplaats(en) van de bunzing en de zomerverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis dienen bij ontwikkeling van het transformatiegebied mitigerende maatregelen genomen te worden. Zie tevens notitie ECO Logisch bijlage 21. Ten aanzien van de bunzing kunnen de volgende mitigerende maatregelen genomen worden: <0000> Behouden en / of realiseren van verblijfplaatsen; <0000> Behouden en / of realiseren van geschikt foerageergebied; <0000> Behouden en / of realiseren van geleidende landschapselementen; <0000> Indien noodzakelijk realiseren van faunapassages, wanneer het leefgebied wordt versnipperd; <0000> Werken buiten de kwetsbare periode (voortplanting) van de bunzing.

De invulling van deze mitigerende maatregelen is maatwerk en dient in overleg met een deskundige op het gebied van kleine marters te worden gerealiseerd. Er zijn vier zomerverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis aangetroffen. Conform het Kennisdocument Gewone dwergvleermuis dienen per verblijfplaats, vier alternatieve verblijfplaatsen aangeboden te worden. Wanneer gesloopt wordt, alvorens er gebouwd gaat worden, zullen tijdelijke alternatieven moeten worden gerealiseerd. In de nieuwe situatie moeten per aangetroffen zomerverblijfplaats, vier permanente verblijfplaatsen gerealiseerd worden. De maatregelen die ten minste genomen dienen te worden, zijn: <0000> Het realiseren van 16 zomerverblijfplaatsen voor de gewone dwergvleermuis in de nieuwe situatie. Deze worden bij voorkeur geïntegreerd in bebouwing; <0000> Wanneer bebouwing met verblijfplaatsen wordt gesloopt, voordat nieuwbouw plaatsvindt, dienen binnen 100 (max.

200) meter afstand van de huidige verblijfplaatsen per zomerverblijf vier tijdelijke alternatieve verblijfplaatsen gerealiseerd te worden; <0000> Alternatieve verblijfplaatsen dienen ten minste een gewenningsperiode van 3 maanden te hebben in de periode april – oktober; <0000> Voorafgaand aan het verwijderen van bebouwing, wordt deze ongeschikt gemaakt voor vleermuizen; <0000> Voorafgaand aan de sloop controleert een deskundige op het gebied van vleermuizen of de genomen maatregelen afdoende zijn en het gebouw niet wordt gebruikt door vleermuizen. Deze mitigerende maatregelen dienen in overleg met een deskundige op het gebied van vleermuizen te worden uitgewerkt. Deze dient invulling te geven aan de locaties van de verblijfplaatsen en de planning van de werkzaamheden. Gebiedsbescherming

Ontwerp toelichting Kronenburg­Uilenstede

pagina 98

Natura 2000-gebieden Op 9 april 2021 heeft Rho adviseurs namens de gemeente Amstelveen een onderzoek opgeleverd naar de stikstofdepositie als gevolg van de ontwikkeling van onderhavig bestemmingsplan op nabijgelegen Natura2000 gebieden. Dit onderzoek is in zijn totaliteit toegevoegd als Bijlage 22. Hieruit kan het volgende worden geconcludeerd: Gebruiksfase Uit de analyse blijkt dat het bestemmingsplan tijdens de gebruiksfase niet leidt tot een toename van stikstofdepositie. Daarbij is er vanuit gegaan dat alle nieuwe functies binnen het plangebied geen gasaansluiting krijgen. Voor de woningen is dit een wettelijke verplichting, voor de overige functies niet. Dat de overige functies ook gasloos gebouwd worden, zal daarom geborgd worden in het bestemmingsplan. Realisatiefase In de Stikstofwet die naar verwachting in juli 2021 in werking treedt is een vrijstelling opgenomen van de beoordelingsplicht bij het verlenen van vergunningen voor tijdelijke sloop­ en bouwactiviteiten. Desondanks is in de notitie van Rho toch een analyse opgenomen voor de realisatiefase om de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan aan te tonen.

Daaruit blijkt dat, wanneer kritisch wordt gekeken naar de emissies van het in te zetten materieel, het zonder meer mogelijk is om het volledige programma binnen de looptijd van het bestemmingsplan (10 jaar) te realiseren zonder dat sprake is van een toename van stikstofdepositie binnen Natura2000 gebieden. Bij de verdere uitwerking van de plannen zal op basis van de specifieke kenmerken het materieel en de beoogde fasering in het kader van de benodigde vergunningaanvragen meer gedetailleerd moeten worden aangetoond dat geen sprake is van een toename van stikstofdepositie binnen de maatgevende Natura2000­gebieden. Tenzij gebruik kan worden gemaakt van de vrijstelling zoals opgenomen in de Stikstofwet die naar verwachting in juli 2021 in werking treedt. In dat geval is onder voorwaarden een tijdelijke toename toegestaan. In de afgesloten anterieure overeenkomsten zijn bepalingen opgenomen onder welke voorwaarden (mbt oa materieel) meegewerkt kan worden aan de reaisatiefase. Natuurnetwerk Nederland en Natuurverbindingen Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en valt niet onder gebieden die zijn aangewezen als belangrijk weidevogelgebied. Direct negatieve effecten kunnen worden uitgesloten.

Effecten als gevolg van externe werking (middels visuele verstoring en verstoring door productie van geluid, trilling en licht) worden niet verwacht, omdat de werkzaamheden door tussenliggende bebouwing zijn afgeschermd en op enige afstand van beschermde natuurgebieden worden uitgevoerd. Conclusie Gelet het bovenstaande en de uitgevoerde onderzoeken kan in algemene zin redelijkerwijs gesteld worden dat op basis van de mogelijke effecten van de ontwikkelingen in Kronenburg­Uilenstede niet door de Wet natuurbescherming zal worden verhinderd. Binnen het plangebied komen wel beschermde soorten voor, waarvoor een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is. Een eventuele ontheffing kan alleen worden verleend indien een gunstige staat van instandhouding van een soort gegarandeerd blijft, al dan niet met behulp van maatregelen. Ten aanzien van de ontwikkelingen die in het plangebied zullen plaatsvinden zijn in het onderzoek diverse (mitigerende) maatregelen benoemd die een gunstige staat van instandhouding van de soort kunnen garanderen. Aannemelijk is dat met het toepassen van de voorgestelde (mitigerende) maatregelen een belangrijk negatief gevolg van het plan voor de natuur is te voorkomen.

Ontwerp toelichting Kronenburg­Uilenstede

pagina 99

In de regels van het bestemmingsplan en in de anterieure overeenkomsten zijn daarnaast bepalingen opgenomen om de stikstofdepositie op Natura2000 gebieden niet te laten toenemen.

7.10 Duurzaam bouwen en energie In 2016 heeft de gemeente Amstelveen bepaald dat duurzaamheid vooropstaat bij alle keuzes die ze maakt. Er zijn drie streefpunten: 1. Amstelveen is een fossielonafhankelijke stad in 2040; 2. Amstelveen is een circulaire stad (circulaire economie) in 2040; 3. Iedereen in Amstelveen kan meedoen (inclusieve stad); de stad is voorbereid op klimaatverandering. Binnen de fysieke stedelijke context is de laatste pijler vervangen door de stad is voorbereid op klimaatverandering en klimaatadaptief. De inclusieve stad wordt binnen het sociale domein opgepakt. Energie Duurzaam wonen en werken in Kronenburg­Uilenstede, dat is het streven. Gebouwen en woningen worden energiezuinig ontworpen en ingericht. Het uitgangspunt wordt wonen en werken zonder fossiele brandstoffen te gebruiken. Daarnaast moeten bestaande gebouwen van het aardgas kunnen afstappen en op 1 januari 2023 minimaal label C hebben en in 2030 label A. Energieplan Voor Kronenburg/Uilenstede wordt een energieplan opgesteld, om ruimten voor verwarming en koeling van de bestaande en nieuwe gebouwen effectief te kunnen gebruiken. Nieuwe ontwikkelingen en een verduurzaming van het gebied staan voorop. Gedacht kan worden aan warmtenetten (Eneco en DUWO) in combinatie met warmte­koudeopslag en/of thermische energie uit oppervlaktewater.

BENG (bijna energieneutraal gebouw) Gemeente Amstelveen heeft aangegeven aardgasvrij en energieneutraal te willen bouwen. De toetssteen voor duurzaam bouwen is het Bouwbesluit 2012, met de BENG als minimum wettelijk kader per 1 januari 2020. Voor gebouwen van vijf lagen en meer is de BENG echter moeilijk te realiseren. Het gebied Uilenstede wordt momenteel in warmte voorzien door een gasgestookte WKK (DUWO), het warmtenet van Eneco bevat restwarmte van een eveneens gasgestookte Elektriciteitscentrale uit Diemen. In de gemeentelijke warmtevisie wordt onder andere ingegaan op het verduurzamen van deze warmtenetten zodat de afhankelijkheid van fossielbrandstoffen af zal nemen, dit valt buiten de scope van deze gebiedsvisie maar heeft wel invloed op met name de aansluiting van nieuwe gebouwen op de warmtenetten. GPR (Gemeentelijke Praktijk Richtlijn) De gemeente Amstelveen stimuleert duurzaam en energiezuinig bouwen en hanteert momenteel daarbij de GPR als richtsnoer. GPR Gebouw is een digitaal instrument dat de duurzaamheid van gebouwen in cijfers uitdrukt, en dat voor vijf thema´s (modules). Amstelveen streeft naar nieuwbouw met een gemiddelde GPR score van 7,5. Het hanteert een ambitie voor een zo hoog mogelijke score op de module energie, met minimaal een GPR score 7,5.

De gemeente stelt haar licentie voor GPR Gebouw beschikbaar aan ontwikkelaars, die daarmee het voorlopig ontwerp kunnen toetsen en zo nodig verbeteringen kunnen

Ontwerp toelichting Kronenburg­Uilenstede

pagina 100

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=amstelveen&id=295de0bf-e985-4f03-92db-64e8f48bf54c