c. Toelichting TAM-plan Kronenburg
Tekst van het document
Waterveiligheid: regionaal samenwerken aan gevolgbeperking overstroming Ambitie: Om de waterveiligheid blijvend te borgen draagt de gemeente actief bij aan de regionale samenwerking. Het waterschap is leidend bij dijkversterkingen en de Veiligheidsregio bij gevolgbeperking van overstromingen. Nieuwbouw: Inpassing van waterkeringen en gevolgbeperking van overstromingen zijn onderdeel van het ontwerpproces van de gebouwen en nieuwe inrichting.
Toelichting TAMomgevingsplan 'Hoofdstuk 22b Kronenburg'
21 van 73
De gemeente heeft er voor gekozen om de uitwerking van klimaatadaptieve eisen met de programmering van reconstructies en herinrichtingen en de Stedelijke Ontwikkeling projecten mee te nemen (‘meekoppelkansen benutten’). Relevantie plangebied In paragraaf 3.2 (Water en klimaatadaptatie) wordt dit onderwerp nader beschouwd. 2.3.5.8 Accommodatiestrategie en toeristenbelasting 2019 De gemeente wil grip hebben op de ontwikkeling van verblijfsaccommodaties in Amstelveen. Amstelveen zet in op selectieve, duurzame groei van accommodaties in de stad. De groei van het aantal aanbieders en aantal kamers zal slechts onder voorwaarden worden toegestaan. Er wordt niet ingezet op maximale groei, wel op selectieve, duurzame groei. Nieuwe initiatieven worden onder voorwaarden toegestaan. Er is een kwantitatief plafond ingesteld van maximaal 500 kamers, in de komende 3 jaar (tot medio 2022, exclusief extended stay). Hierbij is het van belang om te constateren dat het begrip extended stay in de onderhavige beleidsnota hetzelfde is gedefinieerd als short stay in dit TAMomgevingsplan (verblijf vanaf 7 nachten tot maximaal 6 maanden. Belangrijk daarin is dat een nieuw initiatief, of de uitbreiding van een bestaande accommodatie, een toegevoegde waarde heeft voor Amstelveen.
Om dat te kunnen toetsen zijn er de volgende uitgangspunten: <0000> Een verblijfsaccommodatie draagt bij aan de hoge ‘quality of life’ van Amstelveen, met haar grote en diverse aanbod van voorzieningen en prettige leefklimaat (rust en ruimte, maar ook stedelijk). <0000> Een verblijfsaccommodatie draagt bij aan de versterking van het Amstelveense vestigingsklimaat, met haar grote (internationale) zakelijke dienstverlening. Dit gaat om hotels gericht op zakelijke doelgroepen in het hogere segment. <0000> Amstelveen wil het gebruik van het toeristischrecreatief aanbod in de stad door bezoekers van verblijfsaccommodaties stimuleren. De accommodatiestrategie past binnen de visie Toerisme en Recreatie. <0000> Initiatieven dragen bij aan de duurzaamheidambities van de gemeente, zoals toekomst vaste panden, multifunctioneel ruimtegebruik en sterke (ov) bereikbaarheid. <0000> Leefbaarheid: een verblijfsaccommodatie past in het DNA van Amstelveen is goed ingebed in de structuur van de stad. Amstelveen wil dat zowel bewoners, bedrijven als bezoekers de stad als aantrekkelijk ervaren. Bezoekers zijn van waarde voor bewoners en bedrijven en veroorzaken zo min mogelijk overlast. <0000> Amstelveen geeft zelf sturing aan nieuwe verblijfsaccommodatie ontwikkelingen, met de mogelijkheid om advies in te winnen bij het MRA expertteam (dat is voortgekomen uit het MRA accommodatiebeleid).
<0000> Amstelveen wil selectieve, duurzame groei faciliteren rekening houdend met het bestaande aanbod, niet alleen voor nieuwe initiatieven, maar ook samen met de bestaande ondernemers: die moeten ook ruimte krijgen om te innoveren en groeien. De ruimtelijke componenten van hotelontwikkelingen zijn benoemd door verschillende kansrijke deelgebieden aan te wijzen. Ook is daarbij gekeken naar wat een deelgebied ‘aankan’, zoals balans met bestaande functies in het gebied. Relevantie plangebied Binnen UilenstedeKronenburg worden nieuwe short staykamers mogelijk gemaakt met een bestemming Horeca in de categorie 6. Deze kamers, de doelgroep en de locatie sluiten aan op de vastgestelde accommodatiestrategie. 2.3.5.9 Horecavisie, Amstelveen Smakelijk Verbonden Samen met de Amstelveense horeca creëert de gemeente Amstelveen een levendig, aantrekkelijk en leefbaar Amstelveen. Een inclusieve stad met een duurzaam, gedifferentieerd en bruisend aanbod waar ook ruimte is voor nieuwe initiatieven. Horeca draagt bij aan de balans tussen leefbaarheid en levendigheid, zo is nagenoeg elke Toelichting TAMomgevingsplan 'Hoofdstuk 22b Kronenburg'
22 van 73
bewoner ook te gast bij de Amstelveense horeca. De balans is echter precair, inwoners ervaren ook (over)last van horecaondernemingen. Om deze (over)last te beperken is een breed gedragen horecaplan nodig, ook om als stad aantrekkelijk en toegankelijk te zijn voor iedereen, van inwoners tot bezoekers en voor jong en oud. Horeca en evenementen onderschrijven elkaar. Voor deze visie is Amstelveen opgedeeld in gebieden. Voor elk gebied is een ontwikkelstrategie weergegeven, waarbij ook inzicht is op ontwikkelen, consolideren of terugdringen. De visie is door de gemeenteraad vastgesteld op 12 november 2025 en bekendgemaakt op 10 december 2025. Relevantie plangebied Het programma dat is opgenomen in dit plan strekt ter realisering van de in de Horecavisie omschreven ambitie om voor het gebied KronenburgUilenstede te komen tot een gemengd levendig gebied, inclusief horeca. 2.3.5.10 Detailhandelsvisie Amstelveen Deze visie is vastgesteld door burgemeester en wethouders op 20 november 2025 en bekendgemaakt op 9 december 2025. Amstelveen beschikt over een gevarieerde winkelstructuur, met het Stadshart als regionaal centrum, wijkwinkelcentra verspreid over de stad en perifere detailhandel in Bovenkerk. Deze structuur vormt de basis voor een breed en bereikbaar winkelaanbod.
Tegelijkertijd staat de sector onder druk door demografische en economische ontwikkelingen, online winkelen en veranderend consumentengedrag. Deze trends leiden tot schaalvergroting, functievervaging en toenemende leegstand, vooral in het nietdagelijkse segment. Om de detailhandel toekomstbestendig te houden, kiest de gemeente voor vijf speerpunten: 1. Stadshart als toekomstbestendig en veelzijdig stadscentrum. 2. Wijkwinkelcentra als sterke dagelijkse voorzieningen. 3. Compact en efficiënt winkellandschap behouden. 4. Inspelen op demografische en consumententrends. 5. Verduurzaming en innovatie in de detailhandelssector. Relevantie plangebied De gemeente stuurt op clustering van winkels in het Stadshart en wijkcentra, om versnippering en leegstand te voorkomen. Buiten deze hoofdstructuur zijn nieuwe winkelontwikkelingen in principe niet toegestaan, met uitzondering van transformatiegebieden zoals Kronenburg. In Kronenburg wordt een compact voorzieningencluster voorzien, omdat het zich ontwikkeld tot een gemengd stedelijk gebied.
In wijken als Uilenstede en Kronenburg wonen veel alleenstaanden (studenten), met een sterke vraag naar gemakswinkels, kleinere supermarktconcepten en horecainitiatieven die inspelen op snelle consumptie De toekomstige bewoners en gebruikers vragen om een functioneel voorzieningencluster, met nadruk op dagelijks aanbod, horeca, sport en dienstverlening. De winkels worden geconcentreerd rond het centrale campusterrein, als onderdeel van een levendig verblijfsgebied. Het programma dat is opgenomen in dit plan past binnen de uitgangspunten van de Detailhandelsvisie en strekt ter realisering van de in deze visie omschreven opgave voor het gebied KronenburgUilenstede.
2.4 Functionele ontwikkeling en programma 2.4.1 Functionele ontwikkeling
Toelichting TAMomgevingsplan 'Hoofdstuk 22b Kronenburg'
23 van 73
De huidige situatie, zoals beschreven in paragraaf 2.1, vraagt om een herontwikkeling van het gebied in de vorm van versterking van de studentencampus Uilenstede. De hierbij beoogde ambitie is beschreven in paragraaf 2.2. Met dit TAMomgevingsplan wordt de kantorenlocatie Kronenburg getransformeerd om van KronenburgUilenstede een toekomstbestendig, levendig en dynamisch woonwerkgebied te maken. 2.4.2 Programma Deze ambitie heeft geresulteerd in een programma dat bestaat uit 438 studentenwoningen en 3.642 short stay units. Daarnaast is een goede mix aan voorzieningen gepland, waaronder detailhandel, sport, fitness, horeca, medische voorzieningen en dienstverlening. Ook is er ruimte voor nieuwe kantoorontwikkeling. De bouwplannen worden met elkaar verbonden door een openbaar toegankelijk campusterrein met een groen karakter, verbonden door langzaam verkeer routes en diverse prettige verblijfsplekken waar men rust of reuring kan vinden. Studentenhuisvesting is een belangrijk onderdeel van de functiemix en vormt een logische ontwikkeling gezien de nabijheid van de Vrije Universiteit, de goede verbinding met het openbaar vervoer en de reeds aanwezige studentenhuisvesting van Uilenstede. Het trekt ondersteunende maatschappelijke en commerciële voorzieningen aan. Het gebied moet ook buiten kantoortijden levendig en leefbaar blijven en daar spelen studenten een belangrijke rol in.
Voor studentenhuisvesting geldt het campuscontract: wonen zolang je er studeert. Dit voorkomt verandering van de doelgroep. Bovendien past deze tijdelijkheid binnen een door vliegtuiggeluid belast gebied. Om te voorkomen dat het verblijf in de short stay units verwordt tot ‘wonen’, zonder dat daar een vergunning voor is afgegeven, wordt het gebruik op verschillende wijzen geborgd. Op grond van deze borging is, bij overtreding van de afspraken en de regels, handhaving mogelijk. In dat kader is het van belang om de term ‘short stay’ voor het onderhavige gebied duidelijk te definiëren; ‘Verblijf op de campus Uilenstede/Kronenburg in daarvoor bestemde gebouwen voor een periode van tenminste een week en maximaal 6 maanden’. Het toegestane gebruik van short stay wordt vastgelegd in de met de grondeigenaren te sluiten anterieure overeenkomsten. Daarbij kan worden gedacht aan het opleggen van een verplichting aan vergunninghouder om met de gasten een Accomodation agreement te sluiten voor de maximale duur van 6 maanden. Gebleken is dat op andere locaties succesvol met dit soort verblijfscontracten wordt gewerkt. Indien de gast zich inschrijft in de Basisregistratie Personen (BRP), wordt door middel van een bewijs van in en uitschrijving de maximale verblijfsduur gecontroleerd.
Het terugbetalen van de in de Accomodation agreement afgesproken waarborgsom is gekoppeld aan het aanleveren van een bewijs van uitschrijving uit de BRP. Indien de gast zich niet inschrijft in de BRP, moet deze worden ingeschreven in het nachtregister. De toegestane verblijfsduur is dan publiekrechtelijk gegarandeerd, omdat handhaving mogelijk is. De gemeente kan het nachtregister inzien. De intentie van het verblijf beoogt tijdelijkheid. In de Accomodation agreement met alle gasten is een ‘Declaration of temporary stay’ opgenomen. Hiermee verklaart de gast voorafgaand aan het verblijf schriftelijk dat het verblijf in het complex tijdelijk is. Voor de studenten is tevens een campusclausule opgenomen. Naast deze privaatrechtelijke borging, vindt publiekrechtelijke borging plaats via het gemeentelijke omgevingsplan en/of de te verlenen omgevingsvergunningen. Bij geconstateerd strijdig gebruik van de gebouwen, bijvoorbeeld voor het gebruik als reguliere woning, kan door de gemeente handhavend worden opgetreden. De gemeente kent uitvoeringsprogramma’s en handhavingsprogramma’s. Daarbinnen stelt de gemeenteraad de prioritering vast. Op dit moment is nieuw handhavingsbeleid in de
Toelichting TAMomgevingsplan 'Hoofdstuk 22b Kronenburg'
24 van 73
maak, waarbinnen ‘themagericht handhaven’ en/of ‘gebiedsgericht handhaven’ mogelijk wordt gemaakt. Hiervoor wordt incidenteel of structureel budget vrijgemaakt.
Figuur 6: De in het zwart omkaderde clusters vormen het plangebied van dit TAMomgevingsplan
Programma cluster A2 Shortstayunits: 400 stuks Kantoor: 1.017 m2 bvo Horeca en retail: 296 m2 bvo Programma cluster C Shortstayunits: 1.200 stuks Swimgym: 1.230 m2 bvo Klimgym: 1.015 m2 bvo Fitnessgym: 1.000 m2 bvo Horeca en retail: 450 m2 bvo Programma cluster E Shortstayunits: 380 stuks Kantoor: 1.500 m2 bvo Programma cluster F Studentenwoningen: 438 stuks Shortstayunits: 1.062 stuks Overige voorzieningen (studieruimte ondergeschikt) 1.085 m2 bvo Programma cluster G Shortstayunits: 600 stuks Medisch: 500 m2 bvo Programma totaal Studentenwoningen: 438 stuks Shortstayunits: 3642 stuks Kantoor: 2.517 m2 bvo
Toelichting TAMomgevingsplan 'Hoofdstuk 22b Kronenburg'
25 van 73
Horeca en retail: 746 m2 bvo Swimgym: 1.230 m2 bvo Klimgym: 1.015 m2 bvo Fitnessgym: 1.000 m2 bvo Medisch: 500 m2 bvo Overige voorzieningen (studieruimte ondergeschikt) 1.085 m2 bvo
2.5 Ruimtelijke uitstraling en inpassing in omgeving Stedenbouwkundig plan Voor de ontwikkeling van het gebied is tijdens de totstandkoming van het vorige bestemmingsplan een stedenbouwkundig plan opgesteld. Dit plan wordt ook gehanteerd voor dit TAMomgevingsplan en is als bijlage 4 in de toelichting opgenomen. Op enkele ondergeschikte onderdelen is van het stedenbouwkundig plan afgeweken, vanwege voortschrijdend inzicht in de toe te passen bouwmethode: Afwijkingen gebouwen Cluster C1 en C2 Cluster C is ontworpen op basis van de bouwenvelop, zoals vastgesteld op 20 april 2020. In deze bouwenvelop ligt voor de transformatie zone o.a. per kavel vast wat het maximaal aantal studentenwoningen bedraagt, het aantal m2 voorzieningen, de maximale footprint alsmede de maximale bouwhoogtes. Tijdens het ontwerpen van het definitieve bouwtechnische ontwerp van het bouwplan, is geconstateerd dat kleine aanpassingen noodzakelijk zijn om de technische haalbaarheid van het project te kunnen garanderen. De hoofdreden die voor de kleine aanpassing van de bouwmassa van de gebouwen C1 en C2 heeft gezorgd, is de technische haalbaarheid; lees een andere en efficiënter constructieprincipe. Er is omwille van de technische haalbaarheid (met behoud van het oorspronkelijke programma) van het plan gekozen voor een efficiëntere bouwmethode, namelijk tunnelbouw.
Hiervoor is een evenaantal stramienen nodig (1 unit is 3500mm breed, 1 tunnel is 7000mm). In alle plattegronden en massasprongen is er – noodzakelijkerwijs voor gekozen om de bouwmassa naar die evenaantallen stramienen te brengen. Daartoe is er qua bouwmassa – in minimale mate gesaldeerd (uitgewisseld) tussen de gebouwen C1 en C2. Het aantal units en dus de bouwmassa van C1 is verminderd en die verminderde aantal units en bouwmassa zijn teruggebracht in C2, waardoor de bouwmassa van C2 iets is toegenomen. Per saldo is het aantal units (1200) van het bouwplan gelijk gebleven en is de totale bouwmassa en het aantal vierkante meters van het bouwplan zelfs afgenomen. Daarbij komt dat de verkleining van de massa van C1 ten goede komt aan de stedenbouwkundige ruimte, schakering en massa’s in het transformatiegebied. De optimalisatie in aantal verdiepingen blijft te allen tijden binnen de totale maximum bouwhoogte van 48,5 meter. Verder blijft de verschijningsvorm en architectuur in hoofdzaak gelijk, waarbij de noordgevel van gebouw C1 evenwel niet direct aan het water grenst maar aan een smalle groenstrook. Afwijkingen cluster F Bij dit cluster wordt op een aantal plekken afgeweken van de maximum bouwhoogte, waarbij het programma ongewijzigd blijft.
Ook deze afwijking is ingegeven door de voorgestane bouwmethode en bestaat uit een verhoging van de maximum bouwhoogte met 3 meter. De verschillende maximum bouwhoogten vanuit het LIB worden ook hierbij gerespecteerd. Beeldkwaliteitplan
Toelichting TAMomgevingsplan 'Hoofdstuk 22b Kronenburg'
26 van 73
Voor de ontwikkeling van het gebied is tijdens de totstandkoming van het vorige bestemmingsplan eveneens een beeldkwaliteitplan opgesteld. Medio 2021 is dit plan door de gemeenteraad, tegelijkertijd met het vorige bestemmingsplan, vastgesteld als aanvulling op de Welstandsnota Amstelveen. Het beeldkwaliteitplan dient specifiek voor dit project aldus als kader voor welstandstoetsing. Uitgangspunten Algemeen KronenburgUilenstede moet een gebied worden dat geschikt is om te wonen, te werken, te studeren en te ontspannen (functiemix). Dit vraagt naast een passend programma ook om een stedenbouwkundig plan dat past bij het gebied en haar gebruikers. Het gebied wordt stedenbouwkundig en architectonisch een eenheid, openbaar gebied wordt beter toegankelijk en de verschillende kernen (clusters) worden beter met elkaar verbonden. Om deze ambitie te bereiken zijn de volgende uitgangspunten van belang: 1. De structuur van clusters (kernen) die kenmerkend is voor Uilenstede, wordt doorgetrokken in de hele campus. Elk cluster heeft een eigen sfeer en gezicht. 2. Het centrum van elk cluster (het hart) is vooral bestemd als ontmoetingsplek. Een hart kan meer dan één ontmoetingsplek of ‘commons’ hebben. De gebouwen binnen een cluster zijn centrumgericht. Elk centrum krijgt een eigen identiteit. 3. Een autoluwe omgeving waar het langzaam verkeer de hoofdgebruiker is.
Langzaamverkeer hoofdroutes zijn bovenliggend op autoroute: de hoofdroute is een voetgangers en fietsroute; de auto is te gast (net als in het huidige Uilenstede). De ambitie is deze aan te laten sluiten op de beeldkwaliteit van het inrichtingsprofiel en materialisering van de langzaamverkeer hoofdroutes in Uilenstede. Waar de hoofdroute een autoweg kruist wordt de bestrating, daar waar dit mogelijk is, van het langzaam verkeer doorgezet. 4. De grote hoeveelheid water is kenmerkend voor dit gebied: gebouwen die in het water staan, bepalen het gezicht van de nieuwe campus. 5. In het midden van het gebied is nu een groene zone met water en bomen. Dit gebied kan verder worden ontwikkeld tot een park en centrum van de campus: een oase van ruimte, rust en overzicht. 6. Openbare voorzieningen rondom en in gebouwen zorgen voor levendigheid op straat. 7. Gebouwen moeten vrij in het landschap komen te staan: geen hekken eromheen, vrij toegankelijk en als het ware ‘een geheel met het landschap’. 8. De straten worden ‘landschappelijke, groene lanen’. Het parkeren van auto’s wordt geconcentreerd op bepaalde plaatsen, bij voorkeur gebouwd of ondergronds. Openbaar toegankelijke ruimte 1. In de hele campus vloeit het landschap tussen de gebouwen door, zij het in wisselende vorm: van een parkachtige setting in het centrum van de campus tot open grasvelden in Uilenstede. 2.
Elk cluster heeft een hart (centrum). Een cluster bestaat uit centrumgerichte gebouwen met de ingang aan die zijde. 3. De hoofdstructuur voor langzaam verkeer bestaat overal uit hetzelfde materiaal. Dit zorgt voor eenheid en samenhang in het gebied. 4. De waterkant is een herkenbaar element in de openbare ruimte (waterbeleving) 5. Hoofdgebruikers van de campus zijn voetgangers en fietsers; het langzaamverkeersnetwerk (de auto is eventueel te gast) is belangrijker dan de autoroute. Bestaande autoroutes zullen overigens niet verdwijnen. 6. De landschappelijke inrichting loopt door tot aan de rand van de gebouwen (water of groen), ook op particulier terrein. 7. Serviceelementen zoals laden en lossen en afvalinzamelingspunten zijn op de hele campus gelijk en vormen een integraal onderdeel van het landschap. Architectuur 1. Midden hoogbouw past bij de korrel van de bestaande bebouwing. Toelichting TAMomgevingsplan 'Hoofdstuk 22b Kronenburg'
27 van 73
2. Gebouwen zijn ‘alzijdig’ (alle zijden zijn representatief, er is geen ‘achterzijde’). 3. Gebouwen hebben groene en toegankelijke daken, alsmede PV panelen; het daklandschap is de ‘vijfde gevel’. 4. Door hun architectuur hebben gebouwen op de begane grond een duidelijke verbinding met het landschap (en water). 5. Gebouwen hebben hun hoofdentree aan de centrumzijde. 6. De gevels hebben een menselijke maat door een zorgvuldige uitwerking van ritmiek, tactiliteit (hoe voelt een materiaal aan) en materialisatie. 7. De plint (de onderste bouwlaag) van een gebouw heeft een openbaar en toegankelijk karakter. De functies in de plint zijn zichtbaar en uitnodigend en hebben een menselijke maat. 8. Met het oog op de menselijke maat en de open uitstraling van de plinten (waar de meeste voorzieningen komen) is het de wens om de onderste bouwlagen met een minimale hoogte van 4,5 meter te realiseren. Er worden in de plinten van de gebouwen geen blinde gevels toegepast. 9. Met het oog op de beleving van gebied vanuit gebouwen, is het de ambitie alle daken waarop wordt uitgekeken te ontwerpen als een integraal onderdeel van het gebouw. Het hele dakoppervlak kan zo worden gebruikt als terras, tuin of intensief vegetatiedak (al dan niet in combinatie met zonnepanelen). 10.Technische installaties worden integraal opgenomen in de architectuur van het gebouw.
Groen en water Een groene campus is een belangrijk onderdeel van de positionering van KronenburgUilenstede. Het behoud – en renoveren en daarmee versterken van park Kronenburg is een belangrijk aspect om de beleving van het transformatiegebied en geheel KronenburgUilenstede te verbeteren. Het park maakt deel uit van de ecologische structuur van Amstelveen en sluit aan op de stedelijke ecologische verbindingszone. Het groen in het park van Kronenburg is vooral natuurlijk wijkgroen. Bij de herinrichting van het park wordt bepaald of het huidige natuurlijke karakter in zijn geheel dient te worden behouden of dat een cultuurrijker karakter in de nieuwe situatie misschien meer passend is. In de plannen voor het transformatiegebied moet ruimte zijn voor bruikbaar groen (voor sport, recreëren, ontmoeten, etc.). Het groen tussen de gebouwen is openbaar toegankelijk en kan uitnodigen tot sport, recreëren en ontmoeten. Groen speelt zo een rol bij de realisatie van onbebouwde ‘commons’. Bestaande vitale bomen in het plangebied worden zoveel mogelijk behouden. Als dit niet mogelijk is, worden ze bij voorkeur verplant; en anders ter compensatie nieuw aangeplant. Naast groen is ook water belangrijk als structurerend element in de openbare ruimte. Daarnaast is water ook belangrijk voor de waterhuishouding en waterberging.
Om dit gebied ook nog ecologisch aantrekkelijk te maken, kunnen natuurvriendelijke oevers worden aangelegd, ter compensatie van de harde oevers (zoals vlonders rondom gebouwen). Dit leidt tot de volgende aandachtspunten: 1. Aanlegplaatsen langs oevers behouden of creëren; oevers bereikbaar houden voor (water)onderhoud. 2. Open watersystemen moeten aangesloten zijn op het systeem van het waterschap. 3. Bij beschoeiingen moet worden gelet op materialen (FSC keurmerk, geen milieubelastende impregnering). 4. Waar water in het plangebied of elders verdwijnt, moet dit worden gecompenseerd. Ditzelfde geldt voor het toevoegen van extra verharding ten opzichte van wat nu mogelijk is. Hieronder een illustratieve 3D weergave van de beoogde ontwikkeling.
Toelichting TAMomgevingsplan 'Hoofdstuk 22b Kronenburg'
28 van 73
Figuur 7: Illustratieve 3d weergave stedenbouwundig plan met rood omlijnd het onderhavige plangebied
Toelichting TAMomgevingsplan 'Hoofdstuk 22b Kronenburg'
29 van 73
HOOFDSTUK 3 FYSIEKE LEEFOMGEVING 3.1 Bodemkwaliteit Regelgeving en beleid Uit de Omgevingswet volgt dat gemeenten primair verantwoordelijk zijn voor het toezien op (de kwaliteit van) de bodem. Het instrumentarium onder de Omgevingswet is voor wat betreft de bodemkwaliteit gebaseerd op drie pijlers: 1. het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting van de bodem (preventie), onder meer middels de algemene en specifieke zorgplicht; 2. het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies); 3. het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende verontreinigingen (beheer van bodemverontreinigingen). Bij de drie pijlers is regelgeving van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) van toepassing. De eerste pijler wordt ingevuld door het stellen van regels aan activiteiten via het Bal. Een deel van de regels uit het Bal voorziet in bescherming van de bodem en bodemfuncties. Een veel voorkomende activiteit betreft het Toepassen van grond, waarvoor geldt dat de ontvangende bodem niet vuiler mag worden. Ook graven in de bodem is een zogenaamde milieubelastende activiteit (mba). De generieke regels hebben tot gevolg dat vrijwel altijd een vorm van bodemonderzoek moet plaatsvinden.
Lokale regels ter bescherming van de bodem(functies) kunnen worden vastgelegd in het Omgevingsplan, waarbij de bodemgerelateerde regels uit de zogeheten Bruidsschat dienen te zijn opgenomen in het Omgevingsplan. Het Omgevingsplan is ook een instrument voor de tweede pijler. Bij het toestaan van gebruiksfuncties moet rekening worden gehouden met de aanwezige bodemkwaliteit. Om een bouwactiviteit, of wijziging van activiteiten, op een bodemgevoelige locatie toe te staan, dient op grond van het Bkl (artikel 5.89i en 5.89j) aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Indien de bodemkwaliteit niet geschikt is, dan zijn sanerende maatregelen of andere beschermende maatregelen noodzakelijk. Een locatie is bodemgevoelig als hier een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend of toebehorend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals een tuin of terrein. Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan: een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. De derde pijler betreft het beheer van verontreinigingen en verontreinigde locaties.
Dit beheer is over het algemeen reactief, omdat er in de gemeente Amstelveen geen verontreinigingen meer bekend zijn die een acuut gevaar voor de volksgezondheid vormen. Aanwezige verontreinigingen worden op een natuurlijk moment aangepakt bij ruimtelijke ontwikkelingen of werkzaamheden in de bodem. Lokaal bodembeleid en bodemkwaliteitskaart Op 12 maart 2025 heeft de gemeenteraad van Amstelveen het ‘TAMomgevingsplan hoofdstuk 22c – Bodem Amstelveen’ vastgesteld. Dit TAMomgevingsplan Bodem omvat een groot deel van het lokale bodembeleid, waarbij de regelgeving grotendeels voortkomt uit regels vanuit het Rijk. Met het TAMomgevingsplan zijn bodemregels toegevoegd aan het tijdelijke deel omgevingsplan Amstelveen. Ook onderdeel van dit TAM omgevingsplan is de al bestaande bodemkwaliteitskaart.
Toelichting TAMomgevingsplan 'Hoofdstuk 22b Kronenburg'
30 van 73
De bodemkwaliteitskaart is een kaart waarop de diffuse bodemkwaliteit (de achtergrondkwaliteit) binnen een gedefinieerd gebied op het niveau van bodemkwaliteitszones is aangegeven. Binnen de zones is de gemiddelde kwaliteit vergelijkbaar, terwijl tussen de zones een duidelijk verschil in kwaliteit kan bestaan. De bodemkwaliteitskaart vormt de basis voor het vastleggen van de kwaliteitseisen die gelden op de locatie van toepassing. In sommige gevallen kan de bodemkwaliteitskaart ook gebruikt worden als milieuverklaring bodemkwaliteit. Specifiek is dit het geval bij het toestaan van een bodemgevoelig gebouw, wanneer uit voor(dossier)onderzoek blijkt dat er geen aanleiding is om een puntbron te verwachten. Relevantie plangebied Het plangebied ligt op de bodemkwaliteitskaart binnen zone 1. Dit betekent dat de gemiddelde bodemkwaliteit van de bovenste 2 meter bodem in de klasse Landbouw/natuur valt. Als voorafgaand bodemonderzoek voor het toelaten van een bodemgevoelig gebouw (Bal § 5.2.2) kan worden volstaan met een beperkt vooronderzoek, tenzij uit dit beperkt vooronderzoek NEN 5725 blijkt dat er sprake is van een puntbron en een NEN 5740 onderzoek is vereist. Ter plaatse van het plangebied zijn de volgende bodemonderzoeken uitgevoerd: <0000> Cluster A2; voor dit cluster is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Antea.
Het rapport daarvan, met projectnummer 0497261.100, d.d. 20 januari 2025, is als bijlage 5 in deze toelichting opgenomen; <0000> Cluster E; voor deze cluster is verkennend en aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd door Antea. Het rapport daarvan, met projectnummer 0497261.101, d.d. 22 januari 2025, is als bijlage 6 in deze toelichting opgenomen; <0000> Clusters C, D en F; voor deze clusters is actualiserend bodemonderzoek uitgevoerd door Antea. Het rapport daarvan, met projectnummer 0497261.101, d.d. 27 januari 2025, is als bijlage 7 in deze toelichting opgenomen; <0000> Cluster G; voor dit cluster is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Antea. Het rapport daarvan, met projectnummer 0497261.102, d.d. 20 januari 2025, is als bijlage 8 in deze toelichting opgenomen. Uit de onderzoeken blijkt dat de interventiewaarde van de onderzochte stoffen niet wordt overschreden. De bodem is geschikt voor de beoogde bouw. Vanuit bodemhygiënisch oogpunt gezien is met het plan sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
3.2 Water en klimaatadaptatie Beleid en regelgeving Op grond van artikel 5.37 van het Bkl moet in een omgevingsplan rekening worden gehouden met het waterbelang. Door middel van de watertoets (weging van het waterbelang) wordt toegelicht welke gevolgen er zijn voor de waterhuishouding en welke maatregelen eventueel met het oog op het waterbelang dienen te worden getroffen. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht Het plangebied is gelegen binnen de grenzen van het beheergebied van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV). Het Waterschap AGV is de beheerder van de regionale wateren in een gebied van ca. 700 km2, grofweg tussen Amsterdam en Utrecht. Het waterschap is een overheidsorganisatie, die zorgt voor veiligheid achter de dijken en voor voldoende en schoon oppervlaktewater. Waterbeheerprogramma 20222027 AGV Elke zes jaar leggen waterschappen vast welke aanpak en welke maatregelen nodig zijn om de watertaken goed te kunnen uitvoeren. Dit gebeurt in het Waterbeheerprogramma (WBP), dat een instrument is onder de nieuwe Omgevingswet. Het meest recente
Toelichting TAMomgevingsplan 'Hoofdstuk 22b Kronenburg'
31 van 73
waterbeheerprogramma van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV) is vastgesteld voor de periode van 20222027. In het waterbeheerprogramma zijn zeven thema’s geformuleerd, die de doelen voor de komende vijf jaar beschrijven: <0000> Gezuiverd afvalwater. <0000> Gezond water. <0000> Voldoende water. <0000> Waterveiligheid. <0000> Genieten van water. <0000> Wettelijke taken en maatschappelijke opgaven. <0000> Bestuur en maatschappij. Overkoepelend wordt ingezet op een toekomstbestendig watersysteem. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht wil verantwoordelijkheid nemen op het gebied van duurzaamheid, de energietransitie, de herwinning van grondstoffen en de zorg voor natuur en de biodiversiteit. Waterschapsverordening Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2024 In verband met de ingang van de Omgevingswet per 1 januari 2024 is de Keur vervangen door de Waterschapsverordening Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2024. In de Waterschapsverordening zijn de wettelijke regels opgenomen die het waterschap hanteert bij de bescherming van oppervlaktewaterlichamen (beken, sloten en rivieren), waterkeringen, bergingsgebieden, grondwater en bijbehorende kunstwerken (gemalen, stuwen, etc.). Uit de Waterschapsverordening blijkt dat het verboden is om een uitbreiding op het verhard oppervlak van meer dan 1.000 m2 binnen stedelijk gebied of glastuinbouwgebied te doen zonder omgevingsvergunning.
Voor het overige beheergebied van het waterschap wordt een maximale uitbreiding van het stedelijk gebied van 5.000 m2 zonder omgevingsvergunning toegestaan. De compensatienorm (in artikel 2.5) benadrukt dat de toename in hemelwater van het verhard oppervlak moet worden gecompenseerd door oppervlaktewater aan te leggen dat in omvang minimaal 10% van het verhard oppervlak is. Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie Het Rijk heeft in het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) de landelijke aanpak van klimaatadaptatie vastgesteld. Het Deltaprogramma bevat voor het eerst een Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie: een gezamenlijk plan van gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk dat de aanpak van wateroverlast, hittestress, droogte en de gevolgen van overstromingen versnelt en intensiveert. Het doel van dit deltaplan is adaptatie te versnellen en te intensiveren, zodat Nederland in 2050 waterrobuust en klimaatbestendig is ingericht In het plan zijn 7 ambities opgenomen: 1. kwetsbaarheid in steden in beeld brengen middels een stresstest; 2. risicodialoog voeren op verschillende niveaus met gebiedspartners en een strategie opstellen; 3. uitvoerings en investeringsagenda opstellen per regio; 4. het koppelen van uitvoeringsagenda met andere ruimtelijke opgaven (bijv. nieuwbouw en (groot)onderhoud); 5.
stimuleren met financiële middelen en faciliteren middels het delen van kennis, instrumenten en ervaringen; 6. reguleren en borgen in beleid en regelgeving; 7. handelen bij calamiteiten indien er toch overlast en schade is bij extreme weersituaties. Toelichting TAMomgevingsplan 'Hoofdstuk 22b Kronenburg'
32 van 73
De ambities, afspraken en acties kunnen alleen gerealiseerd worden door intensief met elkaar samen te werken. Relevantie plangebied Naast het beleid en de regelgeving die in deze paragraaf is genoemd, is ook rekening gehouden met het in paragraaf 2.3.5.7 beschreven gemeentelijke 'Actieplan Klimaatadaptatie Amstelveen 20212026'. Het plangebied valt onder de regels van Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV). Bij de beoogde ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met het beleid van het waterschap. De regels vormen het afwegingskader voor vergunningverlening: in dit geval voor Watervergunningen op het gebied van aanleggen van verhard oppervlak, waardoor hemelwater niet in de bodem kan infiltreren. Een van de beleidsregels betreft het compenseren van de toename van verhard oppervlak. Omdat in de nieuwe situatie sprake is van een afname van de verharding, is watercompensatie niet noodzakelijk. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is door Tauw een klimaattoets opgesteld (rapport 'Tygron klimaattoets Amstelveen Ontwikkeling KronenburgUilenstede: hitte en wateroverlast', projectnummer 1276172, d.d. 11 mei 2021). Ter verdere uitwerking daarvan is door Antea het 'Klimaatplan Laan van Kronenburg Amstelveen Uitwerking Clusters' opgesteld. Dit plan, projectnummer 0497711.100, d.d. 14 maart 2025, is als bijlage 9 in deze toelichting opgenomen.
Het Klimaatplan inventariseert de waterhuishoudkundige ambities en knelpunten in het plangebied en verkent de uitwerking naar een klimaatadaptieve inrichting, met aandacht voor wateroverlast, hitte en droogtestress. Door het Klimaatplan wordt invulling gegeven aan de water em rioleringsaspecten van de ontwikkeling, met raakvlakken naar klimaatadaptatie. Het Klimaatplan vormt daarmee de basis voor het wegingsproces van het Waterbelang (voorheen de watertoets) en aanvraag van de watervergunning. Door middel van het Inrichtingsplan is geborgd, dat het gebied in staat is om toekomstige ontwikkelingen (meer verharding en extremere buien door klimaatverandering) op te vangen en krijgt het plan extra ruimtelijke kwaliteit. Op 24 september 2025 heeft het waterschap de benodigde omgevingsvergunning voor het dempen en graven van 499 m2 primair water verleend. Daarnaast voorziet de vergunning in een tijdelijke demping van primair oppervlaktewater voor een periode van twee jaar vanwege de uitvoering van de bouwwerkzaamheden. Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAMomgevingsplan, met betrekking tot water en klimaatadaptatie sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
3.3 Natuur Regelgeving Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden, waarmee de Wet natuurbescherming (Wnb) is vervangen. De wetgeving ziet toe op de bescherming van soorten en leefgebieden. De regelgeving is verder uitgewerkt in het Omgevingsbesluit, de Omgevingsregeling en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De wet en regelgeving is een implementatie van Europeesrechtelijke en internationale verplichtingen (Habitatrichtlijn, Vogelrichtlijn, Verdrag van Bern en Verdrag van Bonn). De Omgevingswet beslaat zowel soortenbescherming als gebiedsbescherming. De Ow en het Bkl kennen een beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, voor soorten van de Habitatrichtlijn en voor andere soorten. Het komt er onder andere op neer dat soorten niet opzettelijk gedood, gevangen of verstoord mogen worden. Ook het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen en rustplaatsen is verboden. Vrijwel
Toelichting TAMomgevingsplan 'Hoofdstuk 22b Kronenburg'
33 van 73
alle vogels zijn beschermd ingevolge de Vogelrichtlijn. Habitatrichtlijnsoorten zijn bijvoorbeeld alle vleermuissoorten. Onder de andere soorten vallen bijvoorbeeld de ringslang en grote modderkruiper, maar ook algemene soorten. Als (bij planuitvoering of werkzaamheden) overtreding van een wettelijke verbodsbepaling dreigt, dan is een omgevingsvergunning benodigd. Voor (een groot aantal) algemene soorten is een vrijstelling voor omgevingsvergunning vastgesteld. Met betrekking tot de gebiedsbescherming wordt hoofdzakelijk gekeken naar de Natura 2000gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Gebiedsbescherming In de Omgevingswet zijn gebieden aangewezen die onderdeel uitmaken van de Europese ecologische hoofdstructuur (Natura 2000gebieden). Indien een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt in of in de nabijheid van een Natura 2000gebied (externe werking) moet worden onderzocht of de ontwikkeling de kwaliteit van het gebied kan verslechteren of verstoren. Indien (de uitvoering van) het omgevingsplan, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, de kwaliteit van een Natura 2000gebied verslechtert of een significant verstorend effect heeft, dan dient een omgevingsvergunning op grond van de Omgevingswet te worden aangevraagd.
Het bevoegd gezag voor deze vergunning is Gedeputeerde Staten van de provincie waarin het Natura 2000gebied is gelegen, indien het een Natura 2000activiteit betreft die niet van nationaal belang is. Indien het plan mogelijk significante negatieve gevolgen heeft voor deze gebieden dient bovendien een passende beoordeling te worden gemaakt. Significant negatieve gevolgen treden op als de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000gebied worden aangetast. Is dit het geval, dan is een omgevingsplanwijziging of omgevingsvergunning enkel mogelijk indien wordt voldaan aan de zogenaamde ADCcriteria. Dat wil zeggen dat voor het plan geen alternatieven zijn, sprake is van een dwingende reden van groot openbaar belang en is voorzien in compenserende maatregelen. Soortenbescherming De Omgevingswet beschermt vele in het wild en van nature in Nederland voorkomende dieren. De wet kent verschillende beschermingsregimes voor diverse soorten. De Omgevingswet en het Bkl bevatten verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde diersoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings of vaste rust en verblijfsplaatsen. Voor van nature in Nederland in het wild voorkomende vogels geldt dat het verboden is om nesten, rustplaatsen of eieren te vernielen.
Ook is het verboden om vogels te verstoren, tenzij de verstoring geen wezenlijke invloed heeft op de staat van instandhouding van de soort. Indien een soort dreigt te worden verstoord (en nadat onderzoek is verricht), dan dient voor de planuitvoering of werkzaamheden een omgevingsvergunning flora en/of faunaactiviteit op grond van de Omgevingswet te worden aangevraagd. Het bevoegd gezag voor deze vergunning is Gedeputeerde Staten van de provincie waarin de activiteiten/werkzaamheden plaatsvinden, indien het een flora en faunaactiviteit betreft die niet van nationaal belang is. Voor algemene soorten geldt, bij ruimtelijke ontwikkelingen of beheer en onderhoud, onder andere op grond van de Omgevingsverordening provincie NoordHolland, vrijstelling van de verbodsbepalingen/vergunningsplicht van de Omgevingswet. Relevantie plangebied Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natura2000 gebied. Het dichtstbijzijnde beschermde natuurgebied "Botshol" is gelegen ten zuidoosten van het plangebied. De afstand tot aan dit Natura2000 gebied is circa 7 kilometer. Voor de Toelichting TAMomgevingsplan 'Hoofdstuk 22b Kronenburg'
34 van 73
realisatie en gebruiksfase van dit plan is door Antea onderzoek uitgevoerd naar de mogelijke stikstofdepositie daarvan. Het rapport van dit onderzoek, projectnummer 0497151.100, d.d. 23 september 2025 is als bijlage 10 opgenomen in deze toelichting. Uit de berekeningen blijkt dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jaar. Hieruit wordt geconcludeerd dat geen significant negatieve effecten zijn te verwachten op Botshol ten gevolge van de in dit TAMomgevingsplan voorziene ontwikkeling. Derhalve is inzake stikstofdepositie geen sprake van vergunningplicht in het kader van de Omgevingswet. Het plangebied maakt voorts geen onderdeel uit van en is niet gelegen in de directe nabijheid van het Natuur Netwerk Nederland (NNN) of andere beschermde natuurgebieden. Soortenbescherming Tijdens de totstandkoming van het voorgaande bestemmingsplan is uitvoerig onderzoek gedaan naar de in het plangebied voorkomende flora en fauna. Op 8 september 2021 heeft de Omgevingsdienst NoordHolland Noord, namens Gedeputeerde Staten van NoordHolland, een ontheffing als bedoeld in artikel 3.8 van de (thans vervallen) Wet natuurbescherming verleend. Ontheffingen verleend onder de Wet natuurbescherming behouden hun werking onder vigeur van de Omgevingswet. De ontheffing geldt tot en met 1 september 2031. Deze ontheffing is opgenomen als bijlage 11 in deze toelichting.
Om de werkzaamheden conform de eisen uit de ontheffing uit te voeren is een werkprotocol opgesteld door Adviesbureau Ecologisch. Het ecologisch werkprotocol 'Kronenburg Uilenstede te Amstelveen', projectcode RREC2401, d.d. 3 september 2024 is als bijlage 12 opgenomen in deze toelichting. Met inachtneming van de daarin opgenomen maatregelen zijn significant nadelige gevolgen voor het milieu door de invloed op natuurwaarden en biodiversiteit uitgesloten. Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAMomgevingsplan, met betrekking tot soorten en gebiedsbescherming, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
3.4 Archeologie en cultureel erfgoed Regelgeving De Erfgoedwet vormt (momenteel) het wettelijke fundament voor het materieel cultureel erfgoed en de archeologie in Nederland. Onderdelen van de voormalige Monumentenwet over archeologie vallen nu onder de Erfgoedwet en worden overgeheveld naar de Omgevingswet. Onderdeel van archeologische regelgeving is de verplichting om rekening te houden met archeologie bij het opstellen van een omgevingsplan of bij een (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit. Dit houdt in dat de gemeente bij de voorbereiding van een planwijziging of besluit omgevingsvergunning moet onderzoeken of de grond een archeologische waarde of verwachting bezit. In het omgevingsplan of de omgevingsvergunning kunnen archeologische voorschriften worden opgenomen wanneer de gemeente de grond bestemd heeft als archeologisch waardevol of onderzoeksgebied. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta) uit 1992. Dit gaat uit van de bescherming van het archeologische erfgoed als bron van het Europese gemeenschappelijke geheugen en als middel voor geschiedkundige en wetenschappelijke studie. Om dat doel te bereiken moet de wetgever het archeologisch erfgoed betrekken bij de ruimtelijke ordening.
Tevens dient de financiering van het archeologisch onderzoek en het behoud in de bodem te worden geregeld. De kern van de Erfgoedwet is dat gemeenten verantwoordelijk zijn geworden voor de archeologische monumentenzorg binnen de gemeentegrenzen. De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden.
Toelichting TAMomgevingsplan 'Hoofdstuk 22b Kronenburg'
35 van 73
Dankzij het principe van ‘de verstoorder betaalt’, dat ervan uitgaat dat de aanvrager van een omgevingsvergunning en de uitvoerder van bouwwerkzaamheden of van aanlegactiviteiten zelf de kosten moet dragen voor het voldoen aan de archeologische voorschriften, worden meer archeologische resten in situ behouden. Het principe dat de veroorzaker betaalt geldt uitsluitend wanneer de wet uitdrukkelijk bepaalt dat er een archeologisch voorschrift aan de vergunning kan worden verbonden. De volgende archeologische voorschriften worden in de Erfgoedwet genoemd: <0000> Het treffen van maatregelen waardoor de archeologische resten in situ behouden blijven; <0000> De verplichting tot het doen van opgravingen; <0000> Het werk laten begeleiden door een deskundige. Het Rijk is het bevoegd gezag bij toevalsvondsten, waarvan sprake is wanneer er bij werkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen (paragraaf 5.4 Erfgoedwet). Vondsten met archeologische waarde dienen te worden aangegeven bij het provinciaal depot voor archeologie van de provincie NoordHolland. Archeologiebeleid gemeente Amstelveen De gemeente Amstelveen heeft in 2008 archeologisch beleid vastgesteld. Hiertoe is een archeologische verwachtingskaart opgesteld.
Op deze kaart zijn in verschillende gradaties de verwachte archeologische waarden opgenomen, waaraan criteria met betrekking tot oppervlakte en diepte van bodemverstoring zijn verbonden. In 2016 is het archeologisch beleid, en de daarbij behorende archeologische verwachtingskaart geactualiseerd. De gebieden met de hoogste verwachting zijn vermeld als 'AMKterrein' (Archeologische Monumentenkaart) of als 'historische kern'. Dit zijn de op kaart paars gekleurde gebieden (Amsterdamseweg, oude dorp, bestaande en voormalige buitenplaatsen langs de Amstel en locaties van voormalige molens en posten Linie van Krayenhoff). Hiervoor geldt dat bij bodemverstoringen van meer dan 50 m2 een archeologisch onderzoek dient te worden gestart. In de zones waar 'historische bebouwing' heeft plaatsgevonden (Amsterdamseweg, Handweg, Legmeerdijk, Bovenkerkerweg en de Amsteldijk) geldt verplicht archeologisch onderzoek bij bodemverstoringen groter dan 100 m2. De zone van het onverveend bovenland (gebied ten westen van de Amsteldijk, groot loopveld (tracé ten zuiden van de A9) en het onverveende gebied in het noordwesten van Amstelveen) heeft een middelhoge verwachtingswaarde. Hiervoor geldt dat bij bodemverstoringen van meer dan 1.000 m2 een archeologisch onderzoek dient te worden gestart.
Tot deze categorie van middelhoge archeologische verwachtingswaarde behoren ook de getijinversieruggen, die liggen in de Bovenkerkerpolder en de Noorder Legmeerpolder. Hiervoor geldt dat bij bodemverstoringen van meer dan 5.000 m2 een archeologisch onderzoek dient te worden gestart. Het overgrote deel van Amstelveen bestaat uit verveend, drooggemaakt of met zand opgespoten gebied. Binnen dit gebied geldt een lage archeologische verwachtingswaarde. Hiervoor geldt dat bij bodemverstoringen van meer dan 10.000 m2 een archeologisch onderzoek dient te worden gestart. Relevantie plangebied Cultuurhistorie De wijk Kronenburg Uilenstede ligt tegen de gemeentegrens van Amsterdam aan, en grenst aan de zuidkant aan de woonwijk Kostverloren. De wijk Kronenburg was voordat deze bebouwd werd (vanaf de jaren '60) onderdeel van de Middelpolder. Herkenbare onderdelen van deze polder en droogmakerij zijn ringdijken, ringvaarten en een verkaveling gevormd door afwateringssloten. Amstelveen was tot de jaren zestig vooral een woongemeente. Eind jaren vijftig drong het besef door dat er behoefte was aan een evenwichtige verdeling van werkgebieden in de regio. Amstelveen moest in dat kader plaats bieden aan bijzondere voorzieningen, zoals ziekenhuizen, universiteitsgebouwen en grote kantoorgebouwen. Kronenburg werd Toelichting TAMomgevingsplan 'Hoofdstuk 22b Kronenburg'
36 van 73
vanwege de gunstige ligging ten opzichte van de toekomstige Rijksweg A3 aangewezen als ideale locatie. In de jaren zestig gingen de eerste studenten aan de Vrije Universiteit wonen op Uilenstede, een ‘campus’ met voorzieningen en woningen voor studenten. Het zuiden van Kronenburg groeide in de jaren zestig, zeventig en tachtig uit tot één van de meest prestigieuze werkgebieden in Amstelveen. Een cultuurhistorisch element ten noorden van het plangebied betreft de Kalfjeslaan uit de late Middeleeuwen. De Kalfjeslaan is een oude zijkade tussen twee voormalige veenontginningen: de Binnendijkse Buitenveldse Polder en de Middelpolder. Door de vervening van deze polders heeft de Kalfjeslaan een functie als ringdijk gekregen. Het plangebied ligt ten zuiden van de kalfjeslaan. Tussen de Kalfjeslaan en het plangebied zijn reeds gebouwen aanwezig (campus Uilenstede en kantoorgebouwen). De nieuwbouw in het plangebied heeft geen invloed op de cultuurhistorische waarde van de Kalfjeslaan. Archeologie Voor het plangebied is archeologisch vooronderzoek uitgevoerd door RAAP. Het rapport daarvan, met projectcode AVKU, d.d. 7 februari 2025, is als bijlage 13 in deze toelichting opgenomen. Op grond van de onderzoeksresultaten is het volgende geconcludeerd: 'De top van de pleistocene afzettingen heeft een verwachting voor jagersverzamelaars uit het LaatPaleolithicum en Mesolithicum.
Dit niveau is alleen aangetast door heiwerkzaamheden ter plaatse van de huidige bebouwing. Bij toekomstige ontwikkelingen zal het niveau opnieuw alleen door heiwerkzaamheden worden aangetast. De getijdeafzettingen aan het maaiveld hebben een lage verwachting voor resten van jagersverzamelaars uit het Mesolithicum en het VroegNeolithicum. Gezien de lage verwachting vormen de voorgenomen ontwikkelingen geen bedreiging voor het archeologisch erfgoed. Archeologische resten vanaf het MiddenNeolithicum worden niet verwacht, omdat het stratigrafisch niveau waarin deze resten zich kunnen bevinden, het Hollandveen, is verdwenen.' Voorts wordt gesteld dat de aanwezigheid van een potentieel archeologisch niveau in de top van het dekzand, dat wordt verstoord door heiwerkzaamheden, een reden zou kunnen zijn om het niveau verder te onderzoek. De verstoring is echter beperkt, de te leveren onderzoeksinspanning (mechanische boringen) hoog en de kenniswinst, zonder de bredere context van een gemeentelijke onderzoeksagenda naar dit niveau, gering. Het systematisch onderzoeken van dit niveau op deze diepte (zoals binnen de gemeente Almere gebeurd) is bovendien effectiever in onbebouwd gebied.
RAAP adviseert dan ook om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkelingen Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAMomgevingsplan, met betrekking tot archeologie en cultureel erfgoed, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
3.5 Bedrijven en milieuzonering
De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) gaf al in 2017 aan dat de uitgave 'Bedrijven en milieuzonering 2009' (ook bekend als het 'paarse boekje' en in de jaren voor 2009 het 'groene boekje') niet meer geschikt was voor toepassing onder de Omgevingswet. De Omgevingswet bevat immers meer mogelijkheden om een lokale afweging op maat te maken, per locatie en per activiteit. Daarbij wordt getoetst aan milieuwaarden in het omgevingsplan. Hiervoor publiceerde de VNG in 2019 een regelsystematiek onder de naam 'Milieuzonering nieuwe stijl', voor toepassing onder de Crisis en herstelwet. Deze nieuwe systematiek omvat geen koppeling meer van activiteiten aan milieucategorieën per SBIcode en de daarbij behorende richtafstanden.
Toelichting TAMomgevingsplan 'Hoofdstuk 22b Kronenburg'
37 van 73
De regels voor milieuzonering onder de Omgevingswet zijn veranderd, er is geen sprake van een beleidsneutrale overgang. Het beleid ten aanzien van 'geur' en 'geluid' is onder het regime van de Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 en paragraaf 5.1.4.6 Besluit kwaliteit leefomgeving. Op grond van de 'Staalkaart Bedrijfsmatige activiteiten' kan er aan individuele bedrijven een milieucontour worden toegekend in het omgevingsplan en wordt er alsdan niet meer gewerkt met vaste richtafstanden. In de huidige transitiefase is dit nog niet uitwerkt in het omgevingsplan van de gemeente. De VNG heeft voor milieuzonering onder het regime van de Omgevingswet een brochure opgesteld, te weten het 'Servicedocument Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet' (Milieuzonering Nieuwe Stijl), welke bruikbaar is in de vertaling van het voorheen geldende bestemmingsplanregime. Relevantie plangebied In de directe nabijheid van het plangebied bevinden zich geen bedrijven die invloed hebben op de voorgestane ontwikkeling. Uit het eerdergenoemde Servicedocument volgt dat de meeste bedrijfsactiviteiten die worden voorzien in het plan, zoals horeca, medisch en detailhandel geschikt worden geacht voor functiemenging. In die gevallen wordt de lichtste milieucategorie (1) gehanteerd, met een richtafstand van 10 meter voor geluid.
Alleen voor de sportvoorzieningen kunnen afstanden tot 30 meter zijn vereist. Op de locaties waar deze voorzieningen zijn toegestaan, kan deze afstand tot de dichtstbij gelegen geluidgevoelige functies (woningen) worden aangehouden. Dit betekent dat kan worden voldaan aan de gangbare richtafstanden voor geluid en geur. Significante geluidhinder vanwege de voorziene activiteiten voor geluidgevoelige functies in de omgeving valt dan ook niet te verwachten. Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAMomgevingsplan, met betrekking tot bedrijven en milieuzonering, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
3.6 Geluid Regelgeving De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag voor spoor en wegverkeerslawaai en gezoneerde industrieterreinen in de bepaling van geluidaandachtsgebieden in de Omgevingswet en in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in het omgevingsplan of in een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De toetsing van de geluidbelasting is nodig voor zover het geluidgevoelig gebouw is gelegen in een geluidaandachtsgebied. In geval sprake is van aanleg van een nieuwe weg of wijziging van een weg zal ook de geluidbelasting veroorzaakt door verkeer op die weg op bestaande geluidgevoelige gebouwen in beeld moeten worden gebracht. In het Bkl is tevens bepaald wanneer en hoe het gecumuleerde geluid en gezamenlijke geluid dienen te worden berekend. Geluidaandachtsgebied Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied gelden instructieregels. Een geluidaandachtsgebied is het gebied langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde (artikel 3.20 Besluit kwaliteit leefomgeving).
Bij een gemeenteweg, waterschapsweg en lokale spoorweg is het geluidaandachtsgebied tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip begrensd door een vaste afstand (artikel 17.5 Omgevingsregeling). Deze afstanden zijn weergegeven in de hiernavolgende tabel. Voor provinciale wegen (in NoordHolland) geldt momenteel ook de vaste afstand voor het geluidaandachtsgebied. Voor wegen en
Toelichting TAMomgevingsplan 'Hoofdstuk 22b Kronenburg'
38 van 73
spoorwegen met een geluidproductieplafond geldt (reeds) een specifiek geluidaandachtsgebied behorende bij die weg.
Figuur 8: Geluidaandachtsgebieden wegverkeer, volgens de overgangsregeling
Standaard, grenswaarde en geluidvoorschriften Voor geluidbelastingen op geluidgevoelige gebouwen gelden standaardwaarden en grenswaarden, die verschillen per type geluidbron. In het omgevingsplan of het besluit over de buitenplanse omgevingsplanactiviteit neemt de gemeente de van toepassing zijnde geluidregels op, met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In paragraaf 5.1.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn hiervoor instructieregels opgenomen. Dit betreft de geluidregels die ten minste moeten worden opgenomen in de planregels. De gemeente mag – in aanvulling op deze instructieregels – aanvullende (strengere) geluidnormen opnemen, en daarmee haar eigen beleidsambities in maatwerk geluidregels vormgeven. Bij de beoordeling van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit, toetst de gemeente tevens aan de geluidregels (in beoordelingsregels) van het omgevingsplan, en kan de gemeente daarbij desgewenst geluidvoorschriften opnemen in de omgevingsvergunning. In bepaalde situaties dienen het gezamenlijk geluid en/of geluidvoorschriften in de omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit te worden opgenomen. De instructieregels, met betrekking tot de ligging van geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied, omvatten waarden die zijn opgenomen in artikel 5.78t en 5.78u van het Bkl.
Geluid gelijk of lager dan de standaardwaarde is – behoudens eventuele gemeentelijke beleidsambities – altijd aanvaardbaar. De gemeente kan (volgens artikel 5.78u Bkl) geluid hoger dan de standaardwaarde toestaan als: a. Geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen; b. De overschrijding van de standaardwaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt; en c. Het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde. Bij geluid hoger dan de standaardwaarde dient de gemeente geluidbeperkende maatregelen in aanmerking te nemen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan (artikel 5.78u, lid 3 Bkl). Geluid hoger dan de grenswaarde is slechts in uitzonderlijke gevallen mogelijk. Bij geluid boven de standaardwaarde vindt een bestuurlijke afweging plaats. Geluidniveaus boven de standaardwaarden worden opgenomen in de omgevingsvergunning, en ook het (daaraan gerelateerd) gezamenlijk geluid, waarbij aan het gezamenlijk geluid een voorschrift wordt verbonden in de omgevingsvergunning. Bij het toelaten van geluidwaarden hoger dan de standaardwaarde wordt ook het gemeentelijk geluidbeleid betrokken. Het gemeentelijk geluidbeleid komt verderop aan bod.
Gecumuleerd geluid en gezamenlijk geluid Indien niet aan de standaardwaarde kan worden voldaan, kan worden afgeweken tot de grenswaarde. Hierbij dient altijd het gecumuleerde geluid te worden beoordeeld. Het gecumuleerde geluid is het geluid door geluidbronsoorten en andere activiteiten tegelijk, waarbij rekening wordt gehouden met de verschillen in hinderlijkheid tussen verschillende soorten geluid. Het gecumuleerde geluid (Lcum) wordt niet aan een normenkader getoetst, het geeft enkel inzicht in de geluidkwaliteit bij de gevel van een Toelichting TAMomgevingsplan 'Hoofdstuk 22b Kronenburg'
39 van 73
geluidgevoelig gebouw. Het bevoegd gezag beoordeelt mede aan de hand hiervan of en in welke mate het verantwoord is de afwegingsruimte boven de standaardwaarde te benutten. Als nieuwbouwwoningen binnen de wettelijke zone ten aanzien van geluid van luchthaven Schiphol liggen, dan dient het luchtvaartlawaai formeel gezien te worden beschouwd in gecumuleerd geluid en gezamenlijk geluid. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties kan het effect van luchtvaartlawaai ook als de woningen buiten de zone liggen meegenomen worden in de cumulatieberekening. Als een overschrijding van de standaardwaarde wordt toegestaan dan dient het binnenniveau van het geluidgevoelige gebouw te worden gewaarborgd. Daarom dient het niveau van het gezamenlijk geluid in de voorschriften van de omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (of in de regels van het omgevingsplan) te worden opgenomen. Het toegelaten binnenniveau staat in het Bkl. Het binnenniveau wordt afgesteld op het gezamenlijk geluid berekend aan de gevel. Het gezamenlijk geluid is het geluid van de verschillende geluidbronnen en andere activiteiten tegelijk, op de gevel. Bij het gezamenlijk geluid worden de verscheidene geluidbelastingen ongewogen bij elkaar opgeteld, dus zonder correcties voor verschillen in hinderlijkheid.