Bijlage C - Toelichting TAM- omgevingsplan Appellaan 6
Tekst van het document
Uit het soortenonderzoek volgt dat er geen aantasting is van beschermde flora en fauna. Externe veiligheid: Het plangebied is gelegen buiten het aandachtsgebied van risicovolle inrichtingen, transportroutes van gevaarlijke stoffen en buisleidingen. Verkeer: De totale verkeersgeneratie bij ingebruikname van het plan bedraagt circa 114 motorvoertuigen per dag. De locatie wordt goed ontsloten waardoor geen knelpunten in de verkeersafwikkeling worden verwacht. De omliggende wegen hebben, gelet op de huidige verkeersintensiteiten, voldoende capaciteit om dit extra verkeer te kunnen verwerken. Plaats van het project vastgesteld toelichting TAMomgevingsplan Hoofdstuk 22f Appellaan 6 pagina
Criteria Bestaand grondgebruik Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied
Toets Braakliggend Uit het flora en faunaonderzoek volgt dat geen sprake is van beschermde natuurwaarden in het plangebied.
Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor: gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, bergen bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat en Vogelrichtlijngebieden)
Het plangebied ligt op circa 6 kilometer afstand van Natura 2000gebieden. Indien er sprake is van potentiële externe effecten van het plan, betreft dit uitsluitend stikstofdepositie. Uit de uitgevoerde Aeriusberekening voor de gebruiksfase blijkt dat van externe werking op een Natura 2000 gebied in de vorm van stikstofdepositie boven 0,00 mol/ha/jaar geen sprake is. Wetlands, kust, berg en bosgebieden zijn in de omgeving niet aanwezig. Het plangebied behoort niet tot een waterwinlocatie, waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. Ook behoort het plangebied niet tot een gebied waarbinnen een Rijksmonument ligt. Het plangebied is eveneens niet gelegen in een Bèlvéderegebied of een beschermd stadsdorpsgezicht
Gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden;
Geen
gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid
De bevolkingsdichtheid in het gebied wordt niet als hoog aangemerkt.
landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang.
Het plangebied is niet van historisch, cultureel of archeologisch belang.
In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Onderstaand wordt aangegeven of er sprake is van dergelijke gebieden binnen het invloedsgebied van het project en zo ja, of er sprake is van potentiële effecten op gevoelige gebieden. Gevoelig gebied (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Gevoelig gebied Beschermd natuurmonument Habitat en Vogelrichtlijngebieden
Toets Nee Het plangebied ligt niet in de nabijheid van deze gebieden (>6 kilometer afstand). Op de effecten op dergelijke gebieden is voorgaand reeds ingegaan. Negatieve effecten zijn niet aan de orde.
vastgesteld toelichting TAMomgevingsplan Hoofdstuk 22f Appellaan 6 pagina
Watergebied van internationale betekenis Natuurnetwerk Nederland Landschappelijk waardevol gebied Waterwinlocaties, waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden Beschermd monument
Belvedèregebied
Het plangebied ligt niet in de nabijheid van plangebieden met internationale betekenis. Het plangebied is niet gelegen binnen of in de directe omgeving van het Natuurnetwerk Nederland. Het planvoornemen vindt plaats in stedelijk gebied en ligt niet in de nabijheid van een landschappelijk waardevol gebied. Het plangebied ligt niet in de nabijheid van waterwinlocaties. waterwingebieden, en grondwaterbeschermingsgebieden. Het planvoornemen betreft nieuwbouw. Er zijn geen monumenten aanwezig in het plangebied en omgeving. Het plangebied ligt niet in of in de nabijheid van een Belvederegebied.
Kenmerken van het potentiele effect Kenmerken van het potentiele effect Criteria Toets Bereik van het effect (geografische zone en De potentiële negatieve effecten zijn grootte van de getroffen bevolking) beperkt en uitsluitend lokaal van aard. Daarnaast is een tijdelijk effect gedurende de aanlegfase mogelijk. Gelet op de aard van de omgeving, waarbij gevoelige, waardevolle en woongebieden niet binnen het bereik van de potentiële effecten gelegen zijn, is het bereik van het potentiële effect zeer beperkt te noemen Waarschijnlijkheid van het effect
Van onevenredige negatieve effecten voor de omgeving is geen sprake
Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van In de aanlegfase is er sprake van tijdelijke het effect niet onomkeerbare effecten. Conclusie Omdat er sprake is van een project uit bijlage V van het Omgevingsbesluit (Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen) en er een wijziging van het omgevingsplan nodig is, is er sprake van een projectmerbeoordeling. Uit de uitgevoerde vormvrije m.e.r.beoordeling volgt dat de kenmerken van de activiteiten (herinrichting van het gebied en bouw van een appartementengebouw met 38 sociale huurwoningen de mogelijke gevolgen voor het milieu als gevolg van deze activiteiten geen aanleiding geven voor een milieueffectrapportage.
3.2 Bodem Wettelijk- en Beleidskader Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet krijgt de gemeente een aantal regels over het onderwerp bodem in het tijdelijk deel van het omgevingsplan middels de vastgesteld toelichting TAMomgevingsplan Hoofdstuk 22f Appellaan 6 pagina
bruidsschat. De bruidsschat is een set aan regels die van het Rijk naar onder andere de gemeenten gaan. Deze regels worden automatisch onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Het nieuwe wettelijke instrumentarium voor bodem berust op drie pijlers: 1. het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie) 2. het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging over de kwaliteit van de leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies) 3. het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer historische verontreinigingen) In het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient voorkomen worden dat bodemgevoelige activiteiten op verontreinigd grond plaats vinden. Gelet hierop bevat paragraaf 5.1.4.5.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) instructieregels voor het toelaten van een bouwactiviteit (bouwen van een bodemgevoelig gebouw) op een bodemgevoelige locatie. Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt, voor zover aannemelijk is dat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Een bodemgevoelige locatie is een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit.
Tevens wordt daaronder de aangrenzende aaneengesloten tuin of het aangrenzende aaneengesloten terrein verstaan, net als een onmiddellijk aan een woonschip of woonwagen grenzende tuin of grenzend terrein. Gelet op artikel 5.89j van het Bkl moeten bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit in acht genomen worden. Bij overschrijding van die waarden mag alleen gebouwd worden als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. Deze beoordeling vindt plaats in het kader van de verlening van de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken (zie hiervoor de artikelen 22.29, lid 1 sub c, 22.30 en 22.31 van het omgevingsplan). Desalniettemin dient bij de toelating van een bodemgevoelige gebouw aannemelijk zijn dat de vergunning verleend kan worden en dat het plan financieel uitvoerbaar is. Daarom moet voorafgaand aan de vaststelling van de wijziging van het omgevingsplan onderzoek worden gedaan naar de bodemkwaliteit in het besluitgebied. Bij een geconstateerde (potentiële) verontreiniging moet in verband met de uitvoerbaarheid van de wijziging van het omgevingsplan tevens in kaart worden gebracht welke maatregelen nodig zijn om het beoogde gebruik van de gronden te kunnen realiseren.
Relevantie plangebied Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 1, verkennend bodemonderzoek). Dit verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd ter plaatse van de hoek van de Appellaan en Notenlaan in Amstelveen. Aanleiding voor het onderzoek is de voorgenomen nieuwbouw op locatie. Doel van het onderzoek is het vaststellen van de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. Uit het onderzoek blijkt het volgende. De onderzoekshypothese (verdacht op bodemverontreiniging) wordt aanvaard. In de bovengrond is een sterke verontreiniging met PAK aangetoond. In het grondwater overschrijden de geanalyseerde signalerings parameters de criteria voor beoordeling grondwatersanering niet. De aangetoonde gehalten/concentraties in de bodem geven geen aanleiding tot het instellen van een vervolgonderzoek.
vastgesteld toelichting TAMomgevingsplan Hoofdstuk 22f Appellaan 6 pagina
Uit de analyseresultaten van de grond afkomstig van de andere boringen blijkt dat de bovengrond plaatselijk voldoet aan klasse Industrie. Over het algemeen zijn de boven en ondergrond echter geclassificeerd als klasse Wonen of Landbouw/Natuur. De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem is door middel van dit bodemonderzoek in voldoende mate in beeld gebracht. De analyseresultaten vormen geen belemmering voor de geplande nieuwbouw op locatie. De locatie is op basis van vooronderzoek en waarnemingen tijdens het veldwerk niet asbestverdacht en in eerder indicatief onderzoek is er analytisch ook geen asbest aangetoond. Op basis van de analyseresultaten is conform de CROWpublicatie 400 ‘werken in en met verontreinigde bodem’ geen voorlopige veiligheidsklasse van toepassing. Wel zijn altijd ‘basishygiënische maatregelen’ van toepassing. De resultaten van dit bodemonderzoek vormen geen belemmering voor de voor genomen herontwikkeling op de onderzoekslocatie. Indien verwacht wordt dat meer dan 25 m3 grond wordt ontgraven waar de nieuwbouw wordt gerealiseerd, waarbij sprake is van afvoer, dan geldt een informatieplicht voor ‘graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde’ één week voorafgaand aan de start van de werkzaamheden. Vanuit bodemhygiënisch oogpunt gezien is met het plan sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
3.3 Water Toetsingskader Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Bij de uitvoering van de digitale watertoets komt het naleven van instructieregels aan de orde. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot: <0000> het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; <0000> het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; <0000> het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming en de weging van het waterbelang worden betrokken. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven.
Ten slotte zijn de regels van artikel 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodig aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht Het plangebied is gelegen binnen de grenzen van het beheergebied van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV). Het Waterschap AGV is de beheerder van de regionale wateren in een gebied van ca. 700 km2, grofweg tussen Amsterdam en Utrecht. Het
vastgesteld toelichting TAMomgevingsplan Hoofdstuk 22f Appellaan 6 pagina
waterschap is een overheidsorganisatie, die zorgt voor veiligheid achter de dijken en voor voldoende en schoon oppervlaktewater. Waterbeheerprogramma 2022-2027 AGV Elke zes jaar leggen waterschappen vast welke aanpak en welke maatregelen nodig zijn om de watertaken goed te kunnen uitvoeren. Dit gebeurt in het Waterbeheerprogramma (WBP), dat een instrument is onder de nieuwe Omgevingswet. Het meest recente waterbeheerprogramma van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV) is vastgesteld voor de periode van 20222027. In het waterbeheerprogramma zijn zeven thema’s geformuleerd, die de doelen voor de komende vijf jaar beschrijven: Gezuiverd afvalwater. Gezond water. Voldoende water. Waterveiligheid. Genieten van water. Wettelijke taken en maatschappelijke opgaven. Bestuur en maatschappij. Overkoepelend wordt ingezet op een toekomstbestendig watersysteem. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht wil verantwoordelijkheid nemen op het gebied van duurzaamheid, de energietransitie, de herwinning van grondstoffen en de zorg voor natuur en de biodiversiteit. Waterschapsverordening Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2024 In verband met de ingang van de Omgevingswet per 1 januari 2024 is de Keur vervangen door de Waterschapsverordening Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2024.
In de Waterschapsverordening zijn de wettelijke regels opgenomen die het waterschap hanteert bij de bescherming van oppervlaktewaterlichamen (beken, sloten en rivieren), waterkeringen, bergingsgebieden, grondwater en bijbehorende kunstwerken (gemalen, stuwen, etc.). Uit de Waterschapsverordening blijkt dat het verboden is om een uitbreiding op het verhard oppervlak van meer dan 300 m2 binnen stedelijk gebied of glastuinbouwgebied te doen zonder omgevingsvergunning. Voor het overige beheergebied van het waterschap wordt een maximale uitbreiding van het stedelijk gebied van 5.000 m2 zonder omgevingsvergunning toegestaan. De compensatienorm (in artikel 2.5) benadrukt dat de toename in hemelwater van het verhard oppervlak moet worden gecompenseerd door oppervlaktewater aan te leggen dat in omvang minimaal 10% van het verhard oppervlak is. Relevantie plangebied Netto leidt het bouwplan Appellaan Notenlaan per saldo tot een toename in verharding van ongeveer 295 m2. Dat is minder dan het nieuwe criterium van het waterschap van maximaal 300 m2 netteverharding. Daarboven geldt een vergunningsplicht. In overleg met het waterschap is gebleken dat ook de netto verharding van de omliggende openbare ruimte in de watercompensatie meegerekend dient te worden. Het gaat dan om o.a. parkeerplaatsen en trottoirs in het kader van het woonrijp maken. Deze extra nettoverharding bedraagt ca.
510 m2. Het totaal van ca. 805 m2 dient dus te worden gecompenseerd op basis van de geldende waterbergingsnorm van 10% (= ca. 80 m2). In de verdere planuitwerking wordt deze wateropgave concreet uitgewerkt. Mogelijke maatregelen zijn onder meer de aanleg van wadi’s in de binnentuin, het toepassen van bufferblokken of ondergrondse kratten onder de parkeerplaatsen, of het inrichten van een bestaande oever nabij de Populierenlaan als natuurvriendelijke oever. Deze laatstgenoemde maatregel biedt op zichzelf al ruimschoots voldoende capaciteit om in de benodigde watercompensatie te voorzien. De vereiste vergunning op grond van de vastgesteld toelichting TAMomgevingsplan Hoofdstuk 22f Appellaan 6 pagina
waterschapsverordening zal worden aangevraagd voorafgaand aan de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwplan. Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAMomgevingsplan, met betrekking tot water sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
3.4 Klimaatadaptatie Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie Het Rijk heeft in het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) de landelijke aanpak van klimaatadaptatie vastgesteld. Het Deltaprogramma bevat voor het eerst een Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie: een gezamenlijk plan van gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk dat de aanpak van wateroverlast, hittestress, droogte en de gevolgen van overstromingen versnelt en intensiveert. Het doel van dit deltaplan is adaptatie te versnellen en te intensiveren, zodat Nederland in 2050 waterrobuust en klimaatbestendig is ingericht In het plan zijn 7 ambities opgenomen: 1. kwetsbaarheid in steden in beeld brengen middels een stresstest; 2. risicodialoog voeren op verschillende niveaus met gebiedspartners en een strategie opstellen; 3. uitvoerings en investeringsagenda opstellen per regio; 4. het koppelen van uitvoeringsagenda met andere ruimtelijke opgaven (bijv. nieuwbouw en (groot)onderhoud); 5. stimuleren met financiële middelen en faciliteren middels het delen van kennis, instrumenten en ervaringen; 6. reguleren en borgen in beleid en regelgeving; 7. handelen bij calamiteiten indien er toch overlast en schade is bij extreme weersituaties. De ambities, afspraken en acties kunnen alleen gerealiseerd worden door intensief met elkaar samen te werken.
Actieplan klimaatadaptatie Amstelveen 2021-2026 Klimaatadaptatie is voor de gemeente Amstelveen een belangrijke transitie. Het is essentieel om de leefomgeving aan het veranderende klimaat aan te passen. De hete en droge zomers hebben het belang van klimaatadaptatie extra duidelijk gemaakt. Klimaatverandering versnelt op de vier belangrijkste klimaattrends: <0000> het wordt warmer; <0000> het wordt natter; <0000> het wordt droger; <0000> de zeespiegel stijgt; De gemeente heeft bovenstaande klimaattrends middels klimaatstresstesten in kaart gebracht. Hierdoor is duidelijk waar de knelpuntlocaties zich bevinden. In het plan zijn 4 ambities opgenomen: 1. Wateroverlast: het inrichten van de stad op extreme buien. Bij een bui van 70 mm in één uur (die gemiddeld 1x per 100 jaar voorkomt) stroomt er vanuit de openbare ruimte geen water gebouwen in; daarnaast blijven nutsvoorzieningen en vitale objecten functioneren bij een bui van 90 mm in één uur. Op openbaar en privaat terrein streeft de gemeente ernaar dat regenwater als waardevol product wordt gezien. De gemeente streeft ernaar dat regenwater zoveel mogelijk opgevangen wordt waar het valt, hergebruikt wordt (groen, grondwater, toilet) of vertraagd wordt afgevoerd. vastgesteld toelichting TAMomgevingsplan Hoofdstuk 22f Appellaan 6 pagina
2. Hitte: het beperken van de impact op de gezondheid en de leefomgeving. De hitte impact is in 2050 niet erger dan in 2020; knelpunten van kwetsbare groepen uit de stresstest zijn onderzocht en waar nodig maatregelen getroffen. De negatieve gezondheidsimpact op kwetsbare groepen wordt verkleind; de openbare ruimte, gebouwen, nutsvoorzieningen en vitale functies worden hittebestendiger ingericht. 3. Droogte: het vergroten van de sponswerking van de stad en de bodem. Droogte leidt niet tot onomkeerbare schade aan gebouwen, infrastructuur en natuur. 4. Waterveiligheid: het regionaal samenwerken aan gevolgbeperking en dijkversterking Om de waterveiligheid blijvend te borgen draagt de gemeente actief bij aan de regionale samenwerking. Het waterschap is leidend bij dijkversterkingen en de Veiligheidsregio bij gevolgbeperking van overstromingen. Als basis voor alle maatregelen hanteert de gemeente Amstelveen de volgende algemene principes bij de uitvoering: <0000> we maken ruimte voor een klimaatbestendige inrichting; <0000> we werken samen in een netwerksamenleving met gedeelde verantwoordelijkheid; <0000> onacceptabele knelpunten lost de gemeente samen met partners binnen 10 jaar op; <0000> voor de uitvoering van projecten wordt in principe aangehaakt bij bestaande processen en investeringen; <0000> werken aan het klimaat vindt plaats aan de hand van een continu leerproces.
Voor nieuwbouw leidt voorgaande tot de volgende uitwerking. Ad 1. Wateroverlast voorkomen Voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen geldt een waterbergingseis van 70 mm voor het te ontwikkelen gebied. Deze waterberging moet primair een plaats vinden in oppervlaktewater (minimaal 10% van het plangebied). De openbare ruimte en privaat terrein moeten zo zijn ontworpen en ingericht dat de resterende berging hier plaatsvindt en het water zonder schade kan worden vastgehouden, geborgen en afgevoerd. Dit moet worden aangetoond in het ontwerp Ad. 2 Hitte beperken Bij nieuwbouwontwikkeling streeft de gemeente naar een zodanige inrichting van het gebied dat de gevoelstemperatuur binnen aanvaardbare normen blijft. Koele verblijfsplekken van minimaal 200 m2 zijn aanwezig op maximaal 300 m loopafstand om (de gevolgen van) hitte voor mens en natuur te beperken. Verblijfsplekken worden met minimaal 50% groen en 30% schaduw ingericht (bomen tellen voor beide). Daarbij is het van belang dat er rekening wordt gehouden met de bestaande Flora en Fauna en voor nieuwe beplanting keuzes worden gemaakt voor gebiedseigen Flora en Fauna Ad 3. Droogte <0000> Een gebied bij een nieuwbouwontwikkeling wordt neerslag bergend en afvoer vertragend ingericht. Zodanig dat bij droogte bomen, groen, (dak)tuinen of andere voorzieningen van water worden voorzien.
Daarom wordt het principe van de verdringingsreeks gehanteerd: vasthouden, bergen en afvoeren. <0000> Maatregelen die schade door bodemdaling tegengaan en kostenefficiënt zijn over de levensduur van 30 jaar worden in het ontwerp opgenomen, zoals langdurige voorbelasting om restzetting te beperken. Ad 4 Overstroming Inpassing van waterkeringen en gevolgbeperking van overstromingen zijn onderdeel van het ontwerpproces van de gebouwen en nieuwe inrichting. Voor Herinrichting openbare ruimte leidt voorgaande naar de volgende uitwerking Ad 1: Wateroverlast voorkomen Bij de herinrichting van de openbare ruimte streeft de gemeente ernaar dat een bui van 70 mm in één uur door een gebied/wijk verwerkt kan worden. De gemeente hanteert hierbij de volgorde: water vasthouden op locatie, berging in het gebied en indien nodig
vastgesteld toelichting TAMomgevingsplan Hoofdstuk 22f Appellaan 6 pagina
afvoeren. Voor de riolering geldt een bergingseis van 20 mm; de overige waterberging moet in het gebied worden gecreëerd. Ad 2: Hitte beperken Bij de herinrichting van de openbare ruimte in de bestaande stad toetst de gemeente ontwerpen op schaduw, groen en hitte en zet de gemeente in op koele verblijfsplekken van minimaal 200 m2 op maximaal 300 m afstand om (de gevolgen van) hitte voor mens en natuur te beperken. Ad 3: Droogte Bij de herinrichting van de openbare ruimte in de bestaande stad treft de gemeente maatregelen om de gevolgen van droogte en bodemdaling structureel te beperken. Deze maatregelen moeten over de levensduur van 30 jaar kostenefficiënt zijn. Actieplan Klimaatadaptatie 20212026 Gemeente Amstelveen 45 Hierbij kan gedacht worden aan bergingsvoorzieningen om water vast te houden, maar ook lichtgewicht ophoogmaterialen voor het beperken van bodemdaling. Door het langer vasthouden en vertraagt afvoeren van hemelwater wordt het watersysteem ook minder afhankelijk van het inlaten van water in de polder. Inlaten van water in droge periode levert juist problemen op met de waterkwaliteit en kwantiteit. Ad 4: Overstroming Bij de herinrichting van de openbare ruimte in de bestaande stad houdt de gemeente rekening met dijkversterkingen in de toekomst en gevolgbeperking.
Relevantie plangebied Wateroverlast voorkomen Het plattedak van het gebouw krijgt een verhoogde rand en een afwijkend afschot om een waterbuffer te kunnen creëren. Op het dak wordt een 70 mm rand gemaakt, zodat kan worden voldaan aan de eis van een bui bij 70mm/2u. Er zijn twee dakvlakken waarop deze retentie (70mm) kan plaatsvinden, zie onderstaande afbeelding:
Het blauwe dakvlak; 843m2 => 59m3 retentie (blauw dak) Het gele dakvlak; 163m2 => 11,4m3 retentie (groen dak. Hitte beperken Binnen het ontwerp is gekozen voor een groen dak en een groene tuin, die bijdragen aan verkoeling. Daarnaast is het plan gelegen in een groene wijk. Zo bevindt er een groot groen veld van circa 1.500 m² tegenover de hoofdentree van het plan. Hiermee voldoet dit plan aan de eis om op koele verblijfsplekken van minimaal 200 m2 op maximaal 300 vastgesteld toelichting TAMomgevingsplan Hoofdstuk 22f Appellaan 6 pagina
m afstand om (de gevolgen van) hitte voor mens en natuur te beperken. Daarnaast worden er ook bomen toegevoegd aan de buurt en groen tegen de gevel van de nieuwbouw. Droogte In het plan wordt voor vertraagde afvoer van water gezorgd door retentie toe te passen op een groot deel van het dak. Daarnaast heeft het groene dak een sponswerking. Dit voorkomt droogte, zie ook onderstaande afbeelding. Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAMomgevingsplan, met betrekking tot klimaatadaptatie sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Overstroming Met het vasthouden van water wordt gezorgd voor een vertraagde afvoer. Hiermee is er bij piekbuien minder kans op overstroming. Verder zal het peil van dit gebouw iets hoger liggen dan de omliggende straten, waardoor dit gebouw niet kan overstromen.
3.5 Natuur
Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Doel van deze wet is onder andere de bescherming van soorten en leefgebieden als onderdeel van de fysieke vastgesteld toelichting TAMomgevingsplan Hoofdstuk 22f Appellaan 6 pagina
leefomgeving. De wet is een implementatie van Europeesrechtelijke en internationale verplichtingen (Habitatrichtlijn, Vogelrichtlijn, Verdrag van Bern en Verdrag van Bonn). De Omgevingswet beslaat zowel soortenbescherming als gebiedsbescherming. De wet kent een beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, voor soorten van de Habitatrichtlijn en voor andere soorten. Het komt er onder andere op neer dat soorten niet opzettelijk gedood, gevangen of verstoord mogen worden. Ook het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen en rustplaatsen is verboden. Vrijwel alle vogels zijn beschermd ingevolge de Vogelrichtlijn. Habitatrichtlijnsoorten zijn bijvoorbeeld alle vleermuissoorten. Onder de andere soorten vallen bijvoorbeeld de ringslang en grote modderkruiper. Gedeputeerde Staten kunnen in sommige gevallen ontheffing verlenen van de verbodsbepalingen voor de andere soorten. Met betrekking tot de gebiedsbescherming wordt hoofdzakelijk gekeken naar de Natura 2000gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het wijzigen van het omgevingsplan kan gevolgen hebben voor natuurgebieden waarvoor op grond van nationale of internationale regelgeving of nationaal of gemeentelijk beleid een speciaal beschermingsregime geldt. Dit noemen we gebiedsbescherming. Deze gebieden hoeven overigens niet in het besluitgebied zelf te liggen.
Activiteiten in een besluitgebied kunnen namelijk negatieve gevolgen op een gebied (ver) daarbuiten hebben. Dit heet externe werking. Relevantie plangebied Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natura2000 gebied. Het dichtstbijzijnde beschermde natuurgebied "Botshol" is gelegen ten zuidoosten van het plangebied. De afstand tot aan dit Natura2000 gebied is circa 6 kilometer. Voor de realisatie en gebruiksfase van dit plan is onderzoek uitgevoerd naar de mogelijke stikstofdepositie daarvan. Het rapport van dit onderzoek is als bijlage 2 opgenomen in deze toelichting. Uit de berekeningen blijkt dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jaar. Hieruit wordt geconcludeerd dat geen significant negatieve effecten zijn te verwachten op Botshol ten gevolge van de in dit TAMomgevingsplan voorziene ontwikkeling. Derhalve is inzake stikstofdepositie geen sprake van vergunningplicht in het kader van de Omgevingswet. Het plangebied maakt voorts geen onderdeel uit van en is niet gelegen in de directe nabijheid van het Natuur Netwerk Nederland (NNN) of andere beschermde natuurgebieden. Soortenbescherming Onderzocht is of deze ingreep in het kader van de Omgevingswet een flora en faunaactiviteit betreft, zie bijlage 3, quick scan flora en fauna. Uit dit onderzoek blijkt het volgende. <0000>
De bomen met holtes bieden potentiële verblijfplaatsen voor boombewonende vleermuizen. In het projectgebied kunnen algemene amfibieën, broedvogels en zoogdieren voorkomen. Indien de bomen met holtes worden gekapt, kunnen er verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen worden vernield. Ook kunnen er individuen van boombewonende vleermuizen worden verstoord en/of gedood. Daarnaast kunnen gedurende de werkzaamheden algemene (provinciaal vrijgestelde) amfibieën en zoogdieren worden gedood. Indien de werkzaamheden tijdens het broedseizoen van vogels (globaal maart t/m augustus) plaatsvinden, kunnen broedende vogels worden verstoord of gedood. De betreffende ingreep betreft in het kader van de Omgevingswet naar verwachting een flora en faunaactiviteit. Teneinde vast te stellen wat de effecten van de activiteit in de fysieke leefomgeving op beschermde soorten zijn, wordt vervolgonderzoek aanbevolen. Daaruit blijkt dat eventueel vervolgonderzoek alleen
vastgesteld toelichting TAMomgevingsplan Hoofdstuk 22f Appellaan 6 pagina
aan de orde is voor (1) vleermuizen (bij kappen van bomen met holtes). De betreffende bomen worden echter niet gekapt. Bij werkzaamheden in het broedseizoen en (2) vogels (inspectie op broedvogels bij werkzaamheden in broedseizoen). Voor de derde en laatste groep (Algemene amfibieën en zoogdieren) geldt een provinciale vrijstelling. Daarnaast is de zorgplicht van toepassing. Deze is altijd van toepassing voor alle in het wild levende soorten, ook wanneer er gebruik wordt gemaakt van een gedragscode, vergunning of vrijstelling. Derhalve is het aan te bevelen om voor ten minste de aanwezige beschermde soorten en Rode lijstsoorten mitigerende maatregelen op te nemen in een ecologisch werkprotocol om negatieve gevolgen voor de leefomgeving te voorkomen en te beperken. Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAMomgevingsplan, met betrekking tot het aspect natuur, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
3.6 Archeologie en cultureel erfgoed Wet op de archeologische monumentenzorg De Erfgoedwet vormt samen met de Omgevingswet het wettelijke fundament voor de archeologie in Nederland. Onderdelen van de voormalige Monumentenwet over archeologie worden overgeheveld naar de Omgevingswet. Voorbeelden daarvan zijn de verplichting om rekening te houden met archeologie bij het opstellen van bestemmingsplannen (straks omgevingsplannen) en de vergunningverlening voor het verstoren van archeologische rijksmonumenten. Dit houdt in dat de gemeente bij de voorbereiding van een nieuw bestemmingsplan moet onderzoeken of de grond een archeologische waarde of verwachting bezit. In het bestemmingsplan kunnen archeologische voorschriften worden opgenomen wanneer de gemeente de grond bestemd heeft als archeologisch waardevol of onderzoeksgebied De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta) uit 1992. Dit gaat uit van de bescherming van het archeologische erfgoed als bron van het Europese gemeenschappelijke geheugen en als middel voor geschiedkundige en wetenschappelijke studie. Om dat doel te bereiken moet de wetgever het archeologisch erfgoed betrekken bij de ruimtelijke ordening. Tevens dient de financiering van het archeologisch onderzoek en het behoud in de bodem te worden geregeld.
Kern van de wet is dat gemeenten verantwoordelijk worden voor de archeologische monumentenzorg binnen de gemeentegrenzen. De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt”, dat ervan uitgaat dat de aanvrager van een omgevingsvergunning en een omgevingsvergunning voor aanlegactiviteiten zelf de kosten moet dragen voor het voldoen aan de archeologische voorschriften, worden meer archeologische resten in situ behouden. Het principe dat de veroorzaker betaalt geldt uitsluitend wanneer de wet uitdrukkelijk bepaalt dat er een archeologisch voorschrift aan de vergunning kan worden verbonden. De volgende archeologische voorschriften worden in de wet genoemd: <0000> Het treffen van maatregelen waardoor de archeologische resten in situ behouden blijven; <0000> De verplichting tot het doen van opgravingen; <0000> Het werk laten begeleiden door een deskundige. Het rijk is het bevoegd gezag bij toevalsvondsten, waarvan sprake is wanneer er bij werkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen (paragraaf 5.4 vastgesteld toelichting TAMomgevingsplan Hoofdstuk 22f Appellaan 6 pagina
Erfgoedwet). Vondsten met archeologische waarde dienen te worden aangegeven bij het provinciaal depot voor archeologie van de provincie NoordHolland. Archeologiebeleid gemeente Amstelveen De gemeente Amstelveen heeft in 2008 archeologisch beleid vastgesteld. Hiertoe is een archeologische verwachtingskaart opgesteld. Op deze kaart zijn in verschillende gradaties de verwachte archeologische waarden opgenomen, waaraan criteria met betrekking tot oppervlakte en diepte van bodemverstoring zijn verbonden. In 2016 is het archeologisch beleid, en de daarbij behorende archeologische verwachtingskaart geactualiseerd. De gebieden met de hoogste verwachting zijn vermeld als ‘AMKterrein’ (Archeologische Monumentenkaart) of als ‘historische kern’. Dit zijn de op kaart paars gekleurde gebieden (Amsterdamseweg, oude dorp, bestaande en voormalige buitenplaatsen langs de Amstel en locaties van voormalige molens en posten Linie van Krayenhoff). Hiervoor geldt dat bij bodemverstoringen van meer dan 50 m2 een archeologisch onderzoek dient te worden gestart. In de zones waar ‘historische bebouwing’ heeft plaatsgevonden (Amsterdamseweg, Handweg, Legmeerdijk, Bovenkerkerweg en de Amsteldijk) geldt verplicht archeologisch onderzoek bij bodemverstoringen groter dan 100 m2.
De zone van het onverveend bovenland (gebied ten westen van de Amsteldijk, groot loopveld (tracé ten zuiden van de A9) en het onverveende gebied in het noordwesten van Amstelveen) heeft een middelhoge verwachtingswaarde. Hiervoor geldt dat bij bodemverstoringen van meer dan 1.000 m2 een archeologisch onderzoek dient te worden gestart. Tot deze categorie van middelhoge archeologische verwachtingswaarde behoren ook de getijinversieruggen, die liggen in de Bovenkerkerpolder en de Noorderlegmeerpolder. Hiervoor geldt dat bij bodemverstoringen van meer dan 5.000 m2 een archeologisch onderzoek dient te worden gestart. Het overgrote deel van Amstelveen bestaat uit verveend, drooggemaakt of met zand opgespoten gebied. Binnen dit gebied geldt een lage archeologische verwachtingswaarde. Hiervoor geldt dat bij bodemverstoringen van meer dan 10.000 m2 een archeologisch onderzoek dient te worden gestart. Relevantie plangebied Voor het plangebied geldt op grond van de archeologische beleidskaart een lage verwachtingwaarde. Ter plaatse geldt als onderdeel van het omgevingsplan het paraplubestemmingsplan Archeologie en Cultuurhistorie Amstelveen 2024 met de aanduiding ‘waarde – archeologie 5’ waar geen bouwwerken mogen worden gebouwd met bodemingrepen dieper dan 30 centimeter tenzij de oppervlakte kleiner is dan 10.000m2. De voorgenomen ontwikkeling kent een oppervlakte van ca 1.070 m2.
Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAMomgevingsplan, met betrekking tot archeologie en cultureel erfgoed, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
3.7 Bedrijfsmatige activiteiten
Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. Voor ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van bedrijvigheid dient onder de Omgevingswet gebruik gemaakt te worden van de publicatie ‘Activiteiten en milieuzonering’, zoals gepubliceerd in oktober 2024 door de VNG. De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. In de Omgevingswet zijn het ruimtelijk spoor en het milieuspoor verder geïntegreerd. In de nieuwe systematiek onder de Omgevingswet wordt gebruikgemaakt van milieuwaarden in plaats van vaste afstanden. Niet met een vaste richtafstand voor iedere vastgesteld toelichting TAMomgevingsplan Hoofdstuk 22f Appellaan 6 pagina
activiteit, ongeacht of de activiteit die afstand wel nodig heeft, maar met een concrete waarde per activiteit met daarbij een zo reëel mogelijk ruimtebeslag. Hiermee wordt beoogd discussie over de toewijzing van bedrijven aan milieucategorieën en onnodig grote gebruiksruimte te voorkomen. Relevantie plangebied Met voorliggend plan worden gevoelige functies gerealiseerd, namelijk woningen. In de onmiddellijke nabijheid bevinden zich geen bedrijven of bedrijfsactiviteiten. Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAMomgevingsplan, met betrekking tot bedrijfsmatige activiteiten, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
3.8 Milieubelastende activiteiten
Een milieubelastende activiteit (mba) is een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) wijst de milieubelastende activiteiten aan, waarvoor rijksregels gelden. Dergelijke activiteiten zijn hier niet aan de orde. In de voorliggende paragraaf wordt beoordeeld of er sprake is van mba's die op gemeentelijk niveau kunnen worden geregeld. Relevantie plangebied Artikel 22.3.4 van de Bruidsschat gaat over geluid door een activiteit dat is toegelaten op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. In paragraaf 3.7 is reeds beoordeeld dat er geen significante geluidseffecten hoeven te worden verwacht van bedrijfsfuncties die om het te realiseren woongebied aanwezig zijn. Binnen het te realiseren woongebied worden ook bedrijven aan huis mogelijk gemaakt via een regeling die standaard wordt toegepast binnen de gemeente en waarmee een aanvaardbaar woon en leefklimaat geborgd is. Artikel 22.60 van de Bruidsschat geeft aan wanneer akoestisch onderzoek nodig is. Het uitvoeren van een bedrijf aan huis is dermate ondergeschikt dat er geen sprake is van een verplichting van akoestisch onderzoek. Den verder ook aan de hoge isolatiewaarde van hedendaagse woningen. Er zal daarom kunnen worden voldaan aan de geluidwaarden die zijn opgenomen in de tabellen 22.63, lid 1 en 3 van de Bruidsschat.
Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) geeft in paragraaf 5.1.4.2 ook een regeling voor geluid door activiteiten op een geluidgevoelig gebouw. Artikel 5.59 Bkl geeft aan dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen. Dit betekent dat er beoordeeld moet worden wat de geluidsituatie op geluidgevoelige gebouwen wordt gelet op de gezamenlijke geluidproductie van alle activiteiten en dat het aanvaardbaar geluid geborgd moet worden. Artikel 5.65 geeft net als de Bruidsschat geluidwaarden op geluidgevoelige gebouwen. Deze waarden wijken op enkele punten af, maar ook hier kan de conclusie worden getrokken dat bij een ondergeschikte functie als een bedrijf aan huis geen sprake zal zijn van een overschrijding van de geluidswaarden. Er zal sprake zijn van een aanvaardbaar woon en leefklimaat. Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAMomgevingsplan, met betrekking tot milieubelastende activiteiten, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
3.9 Geluid door activiteiten
Bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw moet het bevoegd gezag het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. Ieder bevoegd gezag heeft de algemene taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' (artikel 4.2, Omgevingswet) bij de belangenafweging over beschermen en benutten. Instructieregels die deze algemene taak invullen staan in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor het beoordelen van geluid zijn deze regels bedoeld voor de
vastgesteld toelichting TAMomgevingsplan Hoofdstuk 22f Appellaan 6 pagina
bescherming van de gezondheid en het milieu. Het bevoegd gezag moet rekening houden met gezondheid (artikel 2.1 lid 4, Omgevingswet). De centrale regels voor beoordeling van geluid door activiteiten, lokale (spoor)wegen en op geluidgevoelige gebouwen staan in de artikelen 5.59, 5.78l en 5.78s van het Bkl. Het vaststellen van het omgevingsplan die deze toelaten, moet aan twee eisen voldoen: <0000> houd rekening met geluid; <0000> voorzie in aanvaardbaar geluid. In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn in afdeling 5.1 (§ 5.1.4.2a.4 Geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden) regels opgenomen voor het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in het geluidsaandachtsgebieden van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Er moet akoestisch onderzoek verricht worden wanneer geluidgevoelige gebouwen geheel of gedeeltelijk binnen een geluidaandachtsgebied komen te liggen. Er wordt daarbij gewerkt met een standaardwaarde en grenswaarde. Voor rijkswegen en provinciale wegen, gemeente en waterschapswegen, hoofd en lokale spoorwegen en industrieterreinen gelden ieder eigen standaard en grenswaarden volgens het Bkl. De standaardwaarden hebben als doel geluidhinder te voorkomen en te beperken tot aanvaardbare geluidniveaus. Maar ook voor het aspect geluid geldt dat wordt gekeken naar een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De aanvaardbaarheid van zowel geluidbelasting als geluidhinder is afhankelijk van de planologische context; in een woonwijk worden andere geluidniveaus aangetroffen en verwacht dan in een bruisend stadscentrum. Er dient een afweging te worden gemaakt waarom bepaalde geluidsniveaus aanvaardbaar zijn. Een overschrijding van de standaardwaarden kan daarmee door het bevoegd gezag acceptabel worden geacht en hoeft geen obstakel te zijn. Wel geldt dat in het Bkl grenswaarden zijn opgenomen waarboven er doorgaans geen aanvaardbaar geluidniveau kan bestaan. Bij een geluidbelasting boven deze grenswaarde is de ontwikkeling niet zonder meer mogelijk. Relevantie plangebied Ten behoeve van de ontwikkeling is akoestisch onderzoek verricht, zie bijlage 4, Onderzoek wegverkeerslawaai De Slof Amstelveen. Uit de geactualiseerde berekeningsresultaten blijkt dat de standaardwaarde nergens wordt overschreden. Het treffen van geluidbeperkende maatregelen is daarbij niet noodzakelijk
3.10 Luchtkwaliteit Besluit kwaliteit leefomgeving De gemeente moet bij het toelaten van activiteiten in het omgevingsplan in een aantal situaties toetsen aan omgevingswaarden voor lucht. De Omgevingswet bepaalt dat bij evenwichtige toedeling van functies aan locaties de gemeente in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid, zo bepaalt artikel 2.1 lid 4 van de Omgevingswet (Ow). Hierbij houdt de gemeente rekening met de lokale specifieke omstandigheden en de gevolgen van de activiteiten voor de gezondheid van haar burgers (art. 2.1 en 2.4 Ow). In paragraaf 5.1.4.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels die de gemeente bij het opstellen van een omgevingsplan moet hanteren om de luchtkwaliteit te beschermen. De gemeente moet voor een aantal activiteiten de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) in acht nemen. Behalve als een activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Dit houdt in dat het toelaten van activiteiten leidt tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 ìg/m3 of minder. De standaardgevallen niet in betekenende mate vastgesteld toelichting TAMomgevingsplan Hoofdstuk 22f Appellaan 6 pagina
De standaardgevallen niet in betekenende mate luchtkwaliteit staan onder artikel 5.54 (Bkl). Voor woonfuncties geldt: Gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met: <0000> één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen; of <0000> twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen; Relevantie plangebied De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van maximaal 38 woningen. Deze ontwikkeling past binnen de lijst met categorieën van gevallen die vallen onder NIBM zoals opgenomen in artikel 5.54 Bkl. De voorgenomen ontwikkeling draagt om deze reden niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAMomgevingsplan, met betrekking tot luchtkwaliteit, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
3.11 Omgevingsveiligheid
Productie, opslag, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen moet veilig worden uitgevoerd. Daarom zijn er regels en vergunningen die daartoe verplichten. Als er toch een ongeval plaatsvindt, moet de omgeving tegen de gevolgen van een brand, explosie of gifwolk beschermd zijn. Hier richt Omgevingsveiligheid zich op door een balans te vinden tussen economische activiteiten met gevaarlijke stoffen en de inrichting van de omgeving. Algemene regels van het Rijk op het gebied van externe veiligheid staan in: <0000> het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) als het gaat om regels voor burgers en bedrijven <0000> Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) als het gaat om regels voor overheden Bij omgevingsveiligheid gaat het om het binnen aanvaardbare grenzen houden van risico's voor de omgeving in relatie tot het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen bij bedrijven met risicovolle milieubelastende activiteiten, het transport van gevaarlijke stoffen via openbare wegen, water en spoorwegen en buisleidingen, het gebruik van luchthavens en het gebruik van windmolens.
Een viertal begrippen is van belang: Plaatsgebonden risico (PR), Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen of activiteiten, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Voorschriftengebieden In het omgevingsplan worden aandachtsgebieden als voorschriftengebieden aangewezen, waardoor (bouwtechnische) maatregelen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) gaan gelden voor nieuwe gebouwen. Groepsrisico Binnen de aandachtsgebieden kunnen zich ongewone voorvallen met gevaarlijke stoffen voordoen, waarbij afhankelijk van de bevolkingsdichtheid in het gebied meer of minder slachtoffers kunnen vallen. Het groepsrisico drukt de kans per jaar uit dat een groep van
vastgesteld toelichting TAMomgevingsplan Hoofdstuk 22f Appellaan 6 pagina
minimaal tien mensen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Deze begrippen vullen elkaar aan en leiden gecombineerd met elkaar tot een voldoende (en afgewogen) beschermingsniveau per functie en locatie. Relevantie plangebied Aan de hand van de gegevens op de Risicokaart van www.atlasleefomgeving.nl is nagegaan welke risicovolle activiteiten en bronnen in de nabijheid van het plangebied aanwezig zijn. De bebouwing binnen het plangebied ligt op meer dan 150 meter van de Sportlaan, een weg waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaats vindt. De ontwikkeling heeft geen invloed op het groepsrisico als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over deze weg. In de nabijheid van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen en buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen aanwezig. Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAMomgevingsplan, met betrekking tot omgevingsveiligheid, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
3.12 Mobiliteit en parkeren
Bij mobiliteit en ruimtelijke planvorming hebben we het over vervoer met de auto, het openbaar vervoer, de fiets, et cetera. Hiervoor zijn voorzieningen nodig, zoals wegen, fietspaden, openbaar vervoerverbindingen en parkeervoorzieningen. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat verschillende rijksinstructieregels voor de instandhouding van de rijksinfrastructuur. Mobiliteit is verder een aspect dat in de omgevingsvisies, de omgevingsverordening en het omgevingsplan meeweegt vanuit een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Relevantie plangebied Parkeren Het project omvat maximaal 38 appartementen met een oppervlakte < 100 m2 in de categorie sociale huur. De daarbij passende norm volgens de Amstelveense Nota Parkeernormen 2021 (gerectificeerde tabel) bedraagt 0,7 parkeerplaats per woning. Daarmee komt de totale parkeereis uit op 27 parkeerplekken. De plekken worden toegevoegd aan de reeds aanwezige parkeerplekken in de openbare ruimte direct rondom het bouwplan, zie tevens …kaartoverzicht. Uit dit kaart blijkt dat: Er aan de Notenlaan 7 + 3 nieuwe parkeerplekken worden toegevoegd (10); Er aan de Appellaan 16 parkeerplekken worden toegevoegd (16); Er aan de Gleditsialaan 1 parkeerplaats wordt toegevoegd (1). Totaal 27 nieuwe parkeerplekken.
Voor de realisatie van deze parkeerplekken hoeft het geldende bestemmingsplan ter plaatse niet te worden aangepast. Ook zijn er geen stedenbouwkundige en/of verkeerskundige bezwaren om de nieuwe parkeerplaatsen op de voorgestane locaties te realiseren. Via een zogeheten voorwaardelijke verplichting in de regels is gewaarborgd dat de voorgestane benodigde parkeerplaatsen worden aangelegd en in stand worden gehouden. Hiermee wordt voldaan aan de eisen uit de Nota Parkeenormen. Uit de meest recente parkeerdrukmetingen (november 2025) blijkt overigens dat er in de bestaande situatie momenteel ook geen sprake is van een tekort aan parkeerplekken. Met de komst van dit bouwplan zal dat naar verwachting ook niet het geval worden, omdat het benodigde aantal van 27 parkeerplaatsen als gevolg van het bouwplan conform de parkeernormen volledig in de directe nabijheid van het bouwplan zal worden gerealiseerd. Ten aanzien van fietsparkeren gelden op basis van de Amstelveense bouwbrief onderstaande normen:
vastgesteld toelichting TAMomgevingsplan Hoofdstuk 22f Appellaan 6 pagina
Gelet daarop gelden de volgende aantallen benodige fietsparkeerplekken: 9 tweekamer appartementen met een oppervlakte van 45 m2: 18 plekken; 23 driekamer appartementen met een oppervlakte van 50 m2: 69 plekken ; 6 vierkamer appartementen met een oppervlakte van 60 m2: 18 plekken. In totaal zijn er 105 plekken benodigd. De fietsenberging bevat 105 plekken, zie onderstaande het overzicht van de indeling fietsenberging.
Verkeer Qua verkeersgeneratie geldt dat het nieuwe bouwplan conform de meest recente kencijfers van het CROW (2024) een verkeersgeneratie van maximaal 2,9 verkeersbewegingen per woning per etmaal kent. Het bouwplan genereert hiermee ongeveer 110 verkeersbewegingen per etmaal. De voormalige functie, sportzaal, had een oppervlakte van 875 m2 en kende volgens dezelfde normen een maximale verkeersgeneratie van 13,5 verkeersbewegingen per 100 m2 bvo. De totale verkeersgeneratie bedroeg daarmee 118 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Daarmee blijft het totale aantal motorvoertuigbewegingen nagenoeg gelijk ten opzichte van de situatie zoals die tot 2020 aanwezig was. De huidige intensiteiten op de wegen rondom het plangebied variëren tussen de 500 en 1500 verkeersbewegingen per etmaal (bron: Verkeersmodel NHZ, versie 3.3, prognose 2030). Op erftoegangswegen worden intensiteiten tot ongeveer 3000 verkeersbewegingen per dag landelijk als acceptabel gezien. De Lindenlaan is een gebiedsontsluitingsweg en kent een iets hogere intensiteit, namelijk rond de 2600 verkeersbewegingen per dag. Ook dit is ruimschoots passend binnen wat landelijk als acceptabel wordt gezien voor dit type weg. N.a.v. de ingekomen zienswijzen worden vastgesteld toelichting TAMomgevingsplan Hoofdstuk 22f Appellaan 6 pagina
zowel de Appellaan en de Notenlaan verbreed naar 5 m. Het verbreden van de Appellaan en Notenlaan hangt ook samen met de aanleg van de nieuwe (haakse) parkeerplaatsen en de draaicirkels die daarvoor nodig zijn. Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAMomgevingsplan, met betrekking tot mobiliteit en parkeren, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties
3.13 Lichthinder In het gemeentelijke omgevingsplan is lichthinder een aspect dat meeweegt vanuit een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Een gemeente kan zelf bepalen of ze regels ter voorkoming van lichthinder wil stellen in het omgevingsplan. Alleen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen gelden rijksregels uit het Besluit activiteiten leefomgeving. Bij het opstellen van het omgevingsplan vindt een afweging plaats of er regels nodig zijn om lichthinder en verstoring van de natuur te voorkomen. Voor lichthinder bij sportvelden bevat de Bruidsschat specifieke regels. Relevantie plangebied Er is bij de voorliggende ontwikkeling geen sprake van de invloed van kunstlicht afkomstig uit tuinbouwkassen. Ook is er geen sprake van de realisatie of invloed van sportvelden. Binnen het plangebied wordt openbare verlichting toegepast. Deze worden zodanig toegepast dat lichthinder op woningen wordt voorkomen. Er hoeven geen (extra) regels in voorliggend TAMomgevingsplan te worden opgenomen.
3.14 Windhinder In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient bij hoogbouwinitiatieven aandacht te worden besteed aan de effecten van de hoogbouw op de omgeving, waaronder windhinder. Vereiste voor een aanvaardbaar windklimaat is dat het gevaarcriterium niet wordt overschreden en dat er voldoende aandacht is voor het windklimaat ter plaatse van entrees en buitenruimten. Relevantie plangebied De beoordeling van windhinder vindt plaats aan de hand van NEN norm 8100. Uit de rechtspraak volgt dat in ieder geval bij bebouwing hoger dan 30 meter windhinder wordt getoetst aan deze norm. De maximum bouwhoogte van het plan bedraagt 10 meter. Er wordt geen windhinder verwacht. Er hoeven geen (extra) regels in voorliggend TAMomgevingsplan te worden opgenomen.
3.15 Geur De gemeente moet in het omgevingsplan rekening houden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Rekening houden met geur werkt 2 kanten op: Bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen; Bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven. De geur van een activiteit moet op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat het bevoegd gezag moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Het bevoegd gezag bepaalt zelf welke mate van geurhinder ze vastgesteld toelichting TAMomgevingsplan Hoofdstuk 22f Appellaan 6 pagina
aanvaardbaar vindt. Voor geur afkomstig van onder andere het bedrijfsmatig houden van landbouwhuisdieren gelden vanuit het omgevingsplan geurregels. Voor landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor gelden conform artikel 22.98 van het omgevingsplan waarden gegeven waaraan voldaan dient te worden bij een geurgevoelig object. Voor landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor kan gebruik gemaakt worden van de richtafstanden uit de VNGpublicatie ‘Activiteiten en milieuzonering’. Een geurgevoelig object is een gebouw dat is bestemd voor en geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Relevantie plangebied De beoogde woningen binnen het plangebied dienen aangemerkt te worden als geurgevoelige objecten. Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van geurveroorzakende bedrijven.
3.16 Gezondheid
De fysieke leefomgeving kan gevolgen hebben voor de gezondheid van mensen, in positieve of negatieve zin. Zo kan een groene en beweegvriendelijke omgeving goed zijn voor de gezondheid. Aan de andere kant kunnen bijvoorbeeld een matige luchtkwaliteit of een lawaaiige omgeving ongezond zijn. In artikel 1.3 van de Omgevingswet staan de maatschappelijke doelen van de wet. Een van die doelen is een gezonde fysieke leefomgeving. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden. In de brede belangenafweging weegt het bevoegd gezag het belang van de gezondheidsbescherming samen met andere belangen af. Het bevoegd gezag moet motiveren hoe het de verschillende belangen heeft gewogen en wat dit betekent in het omgevingsplan. Relevantie plangebied De gemeente Amstelveen heeft nog geen specifiek beleid vastgesteld met betrekking tot gezondheid. Gelet op de conclusies met betrekking tot de in dit hoofdstuk benoemde aspecten omtrent de effecten of de fysieke leefomgeving, kan met betrekking tot gezondheid worden geconcludeerd dat er als gevolg van het project geen sprake is van negatieve effecten.
3.17 Nutsvoorzieningen Algemene rijksregels over kabels en leidingen staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Zo staan er in het Bal bijvoorbeeld regels over het graven in de bodem en regels over het graven in bepaalde specifieke gebieden. En biedt het Bbl bijvoorbeeld duidelijkheid over welke buis en leidingstelsels geen vergunning voor de bouwactiviteit en omgevingsplanactiviteit nodig hebben. Bij het toelaten van buisleidingen en hoogspanningsleidingen gaat het erom dat er een veilige omgeving rondom ondergrondse kabels en leidingen aanwezig is. Deze leidingen moeten opgenomen worden in het omgevingsplan. Voor andere ondergrondse kabels en leidingen kan de gemeente zelf bepalen of deze opgenomen worden in het omgevingsplan. Relevantie plangebied Binnen het plangebied zijn geen kabels en (buis)leidingen aanwezig die moeten worden vastgelegd in het TAMomgevingsplan. Voor de energievoorziening van de woningen zullen kabels en leidingen in de grond worden aangebracht. Dit zijn geen kabels en leidingen die moeten worden vastgelegd in het TAMomgevingsplan. Dit aspect vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het TAMomgevingsplan.
3.18 Trilling vastgesteld toelichting TAMomgevingsplan Hoofdstuk 22f Appellaan 6 pagina
Paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl bevat instructieregels die zien op activiteiten, anders dan het wonen, die op een locatie worden uitgevoerd en die trillingen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. De instructieregels gelden zowel bij het toestaan van de trillingveroorzakende activiteit, als bij het toestaan van trillinggevoelige gebouwen. De in deze paragraaf vastgelegde instructieregels zijn niet van toepassing op trillingen die afkomstig zijn van het gebruik van woningen. Uit artikel 5.79 Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op trillingen door alle denkbare activiteiten. Een uitzondering op deze hoofdregel betreft de (tijdelijke) activiteiten die niet bepalend zijn voor de functie van een locatie. De instructieregels voor trillingen zien uitsluitend op trillingen die door een activiteit worden veroorzaakt ter plaatse van een trillinggevoelig gebouw dat planologisch legaal is (toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit). In het tweede lid is een aantal gevallen aangewezen waarin de instructieregels voor trillingen niet van toepassing zijn.