Bijlage 1 Rapport_Actualisering_Archeologiebeleid
Tekst van het document
De verfijning richtte zich met name op begrenzingen van de kreeksystemen in de onbebouwde delen van de droogmakerijen. Hiervoor is gebruik gemaakt van verschillende bronnen: • het Actueel Hoogtebestand Nederland 2 (AHN2); • DINOloket (www.dinoloket.nl); • uitgevoerde archeologische onderzoeken (zie literatuurlijst); • resultaten van de veldtoets in het kader van deze actualisatie. De archeo-landschappelijke eenhedenkaart van de gemeente Amstelveen (kaartbijlage 1) is gebaseerd op enerzijds de aardkundige kenmerken van het (paleo)landschap en anderzijds de historisch-geografische ontwikkeling. Deze kenmerken zijn als zones begrensd aan de hand van geologische, geomorfologische en bodemkundige gegevens. Aan de basis blijft hierbij het bestaande kaartbeeld van Soonius en Bekius (2008) grotendeels in stand. Ten behoeve van de actualisering is deze kaartlaag op basis van verschillende bronnen aangepast. Een belangrijke bron voor de actualisatie van de landschappelijke kaartlaag is het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN2). Het gebruikte digitale hoogtemodel uit het AHN betreft het 50 x 50 cm digitaal hoogtemodel (DHM). Het DHM voor het AHN2 is ingewonnen met gemiddeld acht meetpunten per 1 m² (www.ahn.nl). Ten opzichte van de vorige versie van het AHN, gebruikt tijdens het opstellen van de kaart in 2008, is dit een enorme verbetering.
Aan de hand van dit met behulp van laser-altimetrie verkregen digitale hoogtebestand is een uiterst gedetailleerde
RAAP-rapport 3013 / eindversie, 10 maart 2016
[22]
Actualisatie archeologiebeleid gemeente Amstelveen. Toelichting op de actualisatie van de gemeentelijke archeologische verwachtings(waarden)kaart en beleidsadvieskaart
kaart te vervaardigen van het huidige reliëf in de gemeente (figuur 4). Hierdoor ontstaat een goed beeld van de kleinschalige landschapsvormen (geomorfologie) van de getij-inversieruggen in de droogmakerijen. De herbegrenzing van deze ruggen op basis van het AHN2 is vanaf het computerscherm gedigitaliseerd bij een schaal van 1:5.000. Tevens is het AHN-beeld gebruikt om zones die zijn opgehoogd of juist afgegraven af te bakenen indien aanwezig. Ook de nieuw bebouwde delen van de gemeente kunnen mede hiermee aangegeven worden. In lithogenetische zin heeft eveneens een aanscherping plaatsgevonden. Met het AHN2 is weliswaar de morfologie van de inversieruggen in de droogmakerijen aangescherpt, informatie over de samenstelling, diepteligging en fasering van de fenomenen is echter niet uit het hoogtemodel te halen. Inzicht hierin is van groot belang omdat mede op basis daarvan de archeologische verwachtingswaarde van de afzettingen kan worden bepaald. Nieuwe informatie hierover komt voornamelijk uit de rapportages van archeologische onderzoeken die zijn uitgevoerd (vanaf 2008) binnen, maar ook buiten de gemeentegrenzen in vergelijkbare landschappen (zoals in de gemeente De Ronde Venen). Landschappelijke informatie, vooral met betrekking tot de kreeksystemen, die hierbij is verzameld, is geïnventariseerd en indien bruikbaar meegenomen in de actualisering.
Aanvullend hierop is middels een veldtoets met boringen op een aantal strategische locaties getracht meer inzicht te krijgen in de samenstelling en fasering van een aantal grotere kreeksystemen, om daarmee de archeologische verwachtingswaarde aan te scherpen. Archeologische inventarisatie en cultuurhistorische elementen Ook ten aanzien van de archeologische gegevens geldt dat de bestaande kaartlaag als basis heeft gediend. Deze laag is aangevuld met gegevens die sinds het verschijnen van die kaart verzameld zijn. Het nieuwe kaartbeeld vormt hiermee een actuele stand van zaken van het bekende bodemarchief binnen de gemeentegrenzen, maar blijft uiteraard een momentopname! De verzamelde archeologische gegevens zijn afkomstig uit het ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS 1) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed te Amersfoort (tabel 2), archeologische opgravingen, proefsleuven en/of booronderzoek (voor zover nog niet in ARCHIS opgenomen). De cultuurhistorische elementen, zoals kades en posten, zijn in principe één op één overgenomen van de bestaande kaart. In dit verband heeft geen nieuwe inventarisatie plaatsgevonden. Wel is gezien het belang van de buitenplaatsen binnen de gemeente en de doelstelling van deze actualisatie hernieuwde aandacht gegeven aan het beleid ten aanzien van de buitenplaatsen.
In het kader van dit deel van de inventarisatie zijn de volgende bronnen geraadpleegd: • de bestaande archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente Amstelveen (Soonius & Bekius, 2008); • het ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS; peildatum 19 februari 2015); • de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); • Atlas Leefomgeving en de Informatiekaart Landschap en Cultuur van de provincie Noord-
1
En de voorgangers van ARCHIS: het Centraal Archeologisch Archief (CAA) en het Centraal Monumenten Archief (CMA).
RAAP-rapport 3013 / eindversie, 10 maart 2016
[23]
Actualisatie archeologiebeleid gemeente Amstelveen. Toelichting op de actualisatie van de gemeentelijke archeologische verwachtings(waarden)kaart en beleidsadvieskaart
• Holland (https://www.atlasleefomgeving.nl/; http://maps. noordholland. • nl/extern/gisviewers/ilc/; herziening van de CHW); • de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente De Ronde Venen (Kloosterman, Molenaar & Rietkerk, 2011; Kloosterman, 2011); • relevante selectie van rapportages van archeologisch onderzoek (verschenen sinds 2008/2009) in het kader van de AMZ-cyclus (zie ook bijlage 3); • de recente topografische kaart 1:25.000. Onderzoeksgegevens
2015
AMK-terreinen
11
Waarnemingen
52
Vondstmeldingen Onderzoeksmeldingen
56
Tabel 2. Onderzoeksgegevens uit ARCHIS beschikbaar voor de gemeente Amstelveen.
Verstoringen In de tijd die is verstreken tussen het opstellen van de verwachtingskaart in 2008 hebben de ruimtelijke ontwikkelingen in de gemeente Amstelveen niet stilgestaan. In het bebouwde oppervlak zijn enkele verschillen waarneembaar. Een voorbeeld hiervan is de nieuwbouw van Amstelveen Westwijk ZO. Deze ontwikkelingen zijn opgenomen in de kaartbeelden indien van invloed op de archeologische verwachting. Vindplaatsencatalogus De basis van de inventarisatie van bekende archeologische vindplaatsen wordt gevormd door het vindplaatsenbestand in ARCHIS. Onderscheid moet gemaakt worden tussen zogenaamde AMKterreinen en ARCHIS-waarnemingen. Binnen de gemeente Amstelveen staan 51 ARCHISwaarnemingen en geen vondstmeldingen geregistreerd (peildatum 19-02-2015; tabel 2). Het betreft locaties waar archeologische vondsten en/of waarnemingen zijn gedaan. Deze vindplaatsen hebben geen wettelijke status. De verwerking van de uit ARCHIS afkomstige data verdient een korte toelichting: De opzet van de ARCHIS-database laat zich niet direct vertalen in verspreidingskaartjes met vindplaatsen per periode. Het basiselement in ARCHIS (en zijn ‘papieren’ voorgangers het Centraal Archeologisch Archief [CAA] en het Centraal Monumenten Archief [CMA]) is de waarneming.
Een waarneming omvat alle documentatie van één of meerdere grondsporen of vondsten, die gevonden zijn op een bepaalde locatie, op een bepaald tijdstip en door een bepaald persoon (De Wit & Sloos, 2008). Dit heeft tot gevolg dat wanneer bijvoorbeeld vondsten van één bepaalde vindplaats in verschillende jaren, of door verschillende waarnemers, aangeleverd worden, de vindplaats automatisch meerdere waarnemingsnummers heeft. Deze zijn voor het opstellen van de vindplaatscatalogus waar mogelijk samengevoegd. Ook de aard en de kwaliteit van de ARCHIS-waarnemingen is zeer divers. Waarnemingen kunnen bestaan uit uitgebreide en nauw-
RAAP-rapport 3013 / eindversie, 10 maart 2016
[24]
Actualisatie archeologiebeleid gemeente Amstelveen. Toelichting op de actualisatie van de gemeentelijke archeologische verwachtings(waarden)kaart en beleidsadvieskaart
keurige beschrijvingen van de vindplaats met alle relevante gegevens. Enkele waarnemingen zijn echter dermate 'arm' aan informatie dat deze feitelijk onbruikbaar zijn in het kader van dit onderzoek. Soms zijn de coördinaten van een vindplaats slechts op gissingen gebaseerd (nauwkeurigheid van maximaal 1 km) en kunnen ze niet op een kaart worden weergegeven. Deze waarnemingen (in ARCHIS aangeduid met 'nauwkeurigheid 0') zijn niet opgenomen in de vindplaatscatalogus en op de kaartbijlagen. Daarnaast wordt per waarneming een gecodeerde opsomming van het vondstmateriaal gegeven. De aard van de vindplaats is in veel gevallen onduidelijk. In het kader van onderhavig onderzoek zijn alleen nederzettingen (terreinen met nederzettingsvondsten), grafstructuren, kampementen en infrastructuur daadwerkelijk van belang; die plaatsen zijn blijkbaar op een bepaald punt in het verleden aantrekkelijk geweest in relatie tot bewoning. De vondst van een losse munt is in deze zin geen informatiedrager, maar is wel in ARCHIS geregistreerd. Een neolithische bijl bijvoorbeeld heeft wel een indicatieve waarde (deze kan een aanwijzing zijn voor een graf). Dergelijke vondstmeldingen zijn als vindplaats in de catalogus gehandhaafd. Alle vondstgegevens zijn hierop gecontroleerd.
Een volgend punt van bewerking vormde de uitsplitsing van vindplaatsen die uit meerdere perioden dateren (met vaak slechts 1 waarnemingsnummer). Een locatie kan meerdere malen in de tijd bewoond zijn geweest. De aantrekkelijkheid van de locatie is daarmee groter. Om deze reden ‘telt’ de vindplaats net zo vaak mee als zij bewoond is geweest, uitgaand van de archeologische hoofdperioden. Bij de AMZ-adviezen telt een ‘meerdere-perioden-vindplaats’ slechts eenmaal mee. De vindplaatsen worden dan alleen in hun ruimtelijke dimensie en niet in hun chronologische dimensie meegeteld. Een vindplaats kan slechts één keer vernietigd worden. Op de verschillende kaartbijlagen zijn deze vindplaatsen voorzien van 1 vindplaatsnummer.
3.2 Resultaten actualisatie 3.2.1 Archeologische vindplaatsen AMK-terreinen Met betrekking tot de terreinen op de Archeologische MonumentenKaart (AMK) zijn er ten opzichte van de situatie in 2008 geen wijzigingen opgetreden. In totaal zijn binnen de gemeentegrenzen van Amstelveen 11 AMK-terreinen bekend (tabellen 3 en 4). Aanvullend hierop ligt het AMK-terrein met resten van de historische kern van Amsterdam (monumentnummer 14611) ter hoogte van de Amstelveenseweg formeel voor een klein deel binnen de gemeentegrenzen van Amstelveen. Dit terrein sluit zowel ruimtelijk als inhoudelijk aan op AMK-terrein 14612 met resten van de historische kern van het gehucht Amstelveense Weg. Om deze reden zijn beide AMKterreinen in de catalogus opgenomen. In bijlage 2 zijn alle AMK-terreinen vermeld. De terreinen omvatten vastgestelde archeologische waarden uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd. Aan de AMK-terreinen is, door toetsing aan een aantal door de RCE gehanteerde criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, contextwaarde), een status toegekend. Dergelijke AMK-terreinen zijn onderverdeeld in vier categorieën: - terreinen van zeer hoge archeologische waarde (rijksbeschermd);
RAAP-rapport 3013 / eindversie, 10 maart 2016
[25]
Actualisatie archeologiebeleid gemeente Amstelveen. Toelichting op de actualisatie van de gemeentelijke archeologische verwachtings(waarden)kaart en beleidsadvieskaart
- terreinen van zeer hoge archeologische waarde (niet beschermd); - terreinen van hoge archeologische waarde; - terreinen van archeologische waarde. Archeologische
Complextype
Totaal
perioden Stad/
Huisterp
Kasteel
Molen
-
1
-
2
-
3
Nieuwe tijd
4
-
1
-
3
8
Totaal
4
1
1
2
3
11
Late MiddeleeuwenNieuwe tijd
dorpskern
Versterking
Tabel 3. Archeologische monumenten (AMK-terreinen) in de gemeente Amstelveen, onderverdeeld naar periode en complextype.
In de gemeente Amstelveen komen alleen terreinen van archeologische waarde en van hoge archeologische waarde voor (tabel 4). Van de terreinen van hoge archeologische waarde (tabel 4) zijn 2 terreinen als historische dorps- of stadskern aangemerkt. Voor een overzicht van de AMK-terreinen binnen de gemeente Amstelveen wordt verwezen naar de catalogus (bijlage 2). De ligging van de terreinen is aangegeven op de kaartbijlagen.
Waarde
Aantal
terrein van archeologische waarde
8
terrein van hoge archeologische waarde (historische kern)
3
Totaal
11
Tabel 4. Archeologische monumenten (AMK-terreinen) in de gemeente Amstelveen, onderverdeeld naar status.
ARCHIS-vindplaatsen Binnen de gemeentegrenzen van Amstelveen staan in ARCHIS 52 waarnemingen geregistreerd (peildatum 19 februari 2015), waarvan slechts vijf nieuw zijn ten opzichte van de situatie in 2008. Vrijwel alle waarnemingen bevinden zich in de onverveende gebieden binnen de historische bewoningslinten en de kernen. Het merendeel van de vindplaatsen is dan ook te dateren in de periode Middeleeuwen tot Nieuwe tijd. Er blijken tot op heden nog altijd geen vondsten uit het Neolithicum bekend te zijn in de gemeente Amstelveen. Deze kunnen voorkomen op de kreekruggen, waarvan de afzettingen aan het maaiveld liggen in de droogmakerijen. Na filtering van de ARCHIS-waarnemingen is het bestand teruggebracht tot 15 vindplaatsen, geclassificeerd naar complextype en periode. Binnen een vindplaats kunnen meerdere complextypen aanwezig zijn.
RAAP-rapport 3013 / eindversie, 10 maart 2016
[26]
Actualisatie archeologiebeleid gemeente Amstelveen. Toelichting op de actualisatie van de gemeentelijke archeologische verwachtings(waarden)kaart en beleidsadvieskaart
De 15 vindplaatsen omvatten in totaal 35 afzonderlijke complextypen, welke zijn weergegeven in tabel 5. Uiteindelijk is een catalogus van vindplaatsen vervaardigd, waarin de verschillende vindplaatsen een RAAP-nummering hebben gekregen (bijlage 1). De op de kaart en in de tekst gebruikte nummers verwijzen naar deze catalogus.
Complextype
Middeleeuwen
Middeleeuwen Nieuwe tijd
Nieuwe tijd
Totaal
nederzetting (onbepaald)
-
2
2
4
(huis)terp
1
2
4
7
begraafplaats
-
-
1
1
versterkt huis
-
1
-
1
losse vondst(en)
1
-
-
1
percelering/verkaveling
-
-
1
1
agrarisch landgebruik
1
1
-
2
molen
-
-
18
18
totaal
3
6
26
35
Tabel 5. Archeologische vindplaatsen in de gemeente Amstelveen na filtering, onderverdeeld naar periode en complextype.
Bij de filtering is onder andere gekeken naar de aard van de waarneming en de locatie (zie methodiek paragraaf 3.1). De volgende punten zijn hierbij van belang: • Enkele losse vondsten van aardewerk uit de Late Middeleeuwen of Nieuwe tijd binnen een bewoningslint zijn bijvoorbeeld niet als aparte vindplaats aangemerkt (o.a. de ARCHISwaarnemingsnummers 15191, 15199, 18576, 18579). Een uitzondering hierop wordt gevormd wanneer er sprake is van een grote concentratie in combinatie met overige indicatoren, die wijzen op de locatie van bijvoorbeeld een huisterp. • Indien meerdere waarnemingen van vondsten met eenzelfde complextype en datering (bijv. laatmiddeleeuwse huisterp) zeer dicht bij elkaar liggen (minder dan ca. 15 m), zijn deze samengevoegd tot één vindplaats (zoals de ARCHIS-waarnemingsnummers 18575 en 15194). • De waarnemingen die betrekking hebben op de resultaten van een opgraving (o.a. ARCHISwaarnemingsnummer 442989; Corver, 2013) worden wel aangegeven op kaartbijlage 1, maar hieraan wordt geen beleidsadvies gekoppeld op kaartbijlage 2. • Waarnemingen die voortkomen uit een onderzoeksmelding, maar geen betrekking hebben op een vindplaats, zijn niet opgenomen in de catalogus (zoals ARCHIS-waarnemingsnummer 60235).
Dit geldt ook voor waarnemingen van losse vondsten die dateren vanaf de Middeleeuwen in de verveende gebieden, te weten de ARCHIS-waarnemingsnummers: 101992, 102122, 102145, 102217, 102242, 102306, 102326, 102355, 102360, 102370, 102373, 102378, 102386, 102397, 102399, 102404, 102407, 102409, 102415, 102419, 102423, 102432, 102434, 102447, 102460, 102468, 102474 en 102479. Deze (voornamelijk) in het kader van de ruilverkaveling in 1987 (Datema, 1987) verzamelde losse fragmenten aardwerk vormen geen indicatie voor een vindplaats, maar hebben enkel betrekking op het gebruik van het gebied voor veenwinning.
RAAP-rapport 3013 / eindversie, 10 maart 2016
[27]
Actualisatie archeologiebeleid gemeente Amstelveen. Toelichting op de actualisatie van de gemeentelijke archeologische verwachtings(waarden)kaart en beleidsadvieskaart
In een aantal instanties hebben AMK-terreinen en ARCHIS-waarnemingen betrekking op dezelfde vindplaats. In dit geval worden ze niet samengevoegd, maar wel in de catalogi op basis van de nummering aan elkaar gekoppeld. Op de beleidsadvieskaart zal in dat geval het beleid ten aanzien van de AMK-terreinen leidend zijn. • Soonius, Molenaar en Rietkerk (2008) maakten al melding van de opvallende vondsten uit de Romeinse tijd. Het betreft twee fragmenten van een Dolium (voorraadvat). Deze scherven zijn gevonden tijdens de oppervlaktekartering die is uitgevoerd in het kader van de ruilverkaveling Amstelland en beschouwd als vondsten die met grond van elders zijn meegekomen (Datema, 1987). Om die reden zijn deze vondsten (ARCHIS-waarnemingsnummers 102227 en 102410) met de actualisatie niet meer opgenomen in de vindplaatscatalogus. • ARCHIS-waarnemingsnummer 442989 betreft de resultaten van een archeologische begeleiding en opgraving op diverse locaties in de historische kern van Amstelveen (onderzoeksmeldingsnummer 46811). Hierbij zijn resten van de laatmiddeleeuwse dorpsterp, funderingsresten uit de Nieuwe tijd en delen van een kerkhof uit de 18e/19e eeuw aangetroffen. Deze vindplaats is ingevoerd als catalogusnummer 15, maar maakt in feite onderdeel uit van het AMK-terrein van de historische kern van Amstelveen.
• De molenplaatsen (bestaand en verdwenen) worden ook beschouwd als archeologische vindplaatsen. In de ondergrond van deze locaties kunnen bijvoorbeeld nog resten van voorgangers aanwezig zijn. In één geval is de locatie van een molen opgenomen als terrein van archeologische waarde op de AMK (Monumentnummer 1932; tabel 3). In tabel 5 worden ook de molenplaatsen genoemd als vindplaatsen. 3.2.2 Historisch-geografische elementen Buitenplaatsen Tijdens de actualisatie is gebleken dat de locaties van de buitenplaatsen (verdwenen en nog bestaand) integraal overgenomen kunnen worden van het bestaande kaartbeeld. Landgoed Tulpenburg is sinds 2008 onderwerp geweest van diverse archeologische onderzoeken. In 2011 is een bureauonderzoek opgesteld (Holl, 2011), waarna in het kader van een herinrichting van delen van het landgoed een proefsleuvenonderzoek heeft plaatsgevonden. Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn sporen van de voormalige bewoning en bebouwing aangetroffen uit de 16e tot en met 19e eeuw (Williams-Kodde, 2012). De sporen bestaan met name uit (water)kelders, een gracht, bestrating, houten palen, uitbraaksporen, kuilen en greppels. Overige elementen De overige historisch-geografische of historisch-bouwkundige elementen en objecten staan niet in de vindplaatscatalogus vermeld, maar worden wel op het kaartbeeld weergegeven.
Het gaat hierbij om de locatie van de kerk in het centrum van Amstelveen, een kalkoven aan de Amstel, zes locaties van (verdwenen) posten van de Stelling van Amsterdam en historische lijnelementen. Deze categorie overige vindplaatsen is integraal overgenomen uit de bestaande kaart en wordt weergegeven op kaartbijlage 1. Indien hieraan een beleidsadvies is gekoppeld, zijn deze tevens terug te vinden op kaartbijlage 2.
RAAP-rapport 3013 / eindversie, 10 maart 2016
[28]
Actualisatie archeologiebeleid gemeente Amstelveen. Toelichting op de actualisatie van de gemeentelijke archeologische verwachtings(waarden)kaart en beleidsadvieskaart
3.2.3 Archeologisch onderzoek Stand van zaken onderzoeksgegevens Aan de kaart zijn tevens de grenzen van de bij ARCHIS aangemelde onderzoeken toegevoegd (in totaal 56; kaartbijlage 1). De onderzoeksresultaten zijn indien geschikt verwerkt in de rapportage. Voor een overzicht van de onderzoeksmeldingen wordt verwezen naar bijlage 3. Deze onderzoeken zijn gecategoriseerd naar type onderzoek (tabel 6). Verder is in de catalogus weergegeven wat het selectieadvies was van het desbetreffende onderzoek (bijlage 3). Deze gegevens konden echter niet altijd worden achterhaald (9 van 56 niet), mede aangezien het niet verplicht is om de exacte onderzoeksresultaten in ARCHIS te vermelden. Het basiselement bij de onderzoeken is het onderzoeksmeldingsnummer (CIS-code). Vanaf ongeveer 2004/2005 dienden alle archeologische onderzoeken (in het kader van de AMZ) bij ARCHIS aangemeld te worden en werden voorzien van een onderzoeksmeldingsnummer. Niet alle archeologische onderzoeken die dateren van vóór 2004 zijn met terugwerkende kracht voorzien van een CIS-code. Terwijl veel amateurwaarnemingen logischerwijs helemaal geen meldingsnummer hebben. In 2015 is een update van de landelijke database ARCHIS uitgevoerd. In ARCHIS 3 worden alle gegevens, ook met terugwerkende kracht, geregistreerd onder een zaaknummer, waarbij de koppeling met de reeds bestaande CIS-codes blijft bestaan.
Type onderzoek
Aantal
bureauonderzoek
20
booronderzoek
25
veldkartering
1
proefputten/-sleuven
6
opgraving
3
onbekend
1
Totaal
56
Tabel 6. AMZ-onderzoeken in de gemeente Amstelveen, uitgesplitst naar het type onderzoek (bron: ARCHIS).
Met betrekking tot de reeds onderzochte locaties, ook daar waar het archeologisch onderzoek is afgerond, dienen bij toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen de betreffende onderzoeksrapportages geraadpleegd te worden om te bepalen of een terrein afdoende archeologisch is onderzocht. Onderzoeksgegevens dekzandoppervlak Vanwege deze grote diepteligging wordt het dekzandoppervlak vrijwel nooit betrokken bij archeologisch (veld)onderzoek. Daar staat tegenover dat dit niveau vaak ook niet wordt verstoord bij ruimtelijke ontwikkelingen, met uitzondering van bijvoorbeeld het aanbrengen van heipalen (wat regelmatig voorkomt!) of in geval van grootschalige ingrepen in het kader van infrastructurele werkzaamheden. Slechts tijdens één veldonderzoek in de gemeente Amstelveen is het dekzand
RAAP-rapport 3013 / eindversie, 10 maart 2016
[29]
Actualisatie archeologiebeleid gemeente Amstelveen. Toelichting op de actualisatie van de gemeentelijke archeologische verwachtings(waarden)kaart en beleidsadvieskaart
daadwerkelijk aangeboord. In het plangebied Poldergemaal Noorderlegmeer is het dekzandoppervlak bij booronderzoek aangetroffen op een diepte van 10,3 m -NAP (ca. 5 m -Mv) onder een afdekkende laag Basisveen (De Groot, 2009). In de top van het dekzand is echter geen bodemvorming waargenomen, waardoor dit niveau hier een lage archeologische verwachting werd toebedeeld en er geen vervolgonderzoek werd geadviseerd. In het kader van toekomstige werkzaamheden aan de Rijksweg A9 is op basis van een bureauonderzoek vastgesteld dat het dekzandoppervlak hierbij ter hoogte van Amstelveen zal worden geroerd (Sprangers & Schute, 2015). Aanbevolen is om tijdens de werkzaamheden dit oppervlak middels een archeologische begeleiding te onderzoeken. Ten tijde van de actualisatie was dit onderzoek nog niet uitgevoerd. De resultaten hiervan zullen te zijner tijd een belangrijke bijdrage leveren aan inzicht in de archeologische potentie van dit nagenoeg onzichtbare landschap. Onderzoeksgegevens getij-inversieruggen in droogmakerijen Een deel van de sinds 2008 uitgevoerde archeologische onderzoeken heeft nadere informatie opgeleverd ten aanzien van de opbouw en archeologische verwachting van de kreeksystemen. Opvallend is dat vrijwel alle booronderzoeken gericht op de kreeksystemen resulteerden in het advies om geen vervolgonderzoek uit te laten voeren naar dit niveau.
Er is op basis van de onderzoeksresultaten weliswaar sprake van getij-inversieruggen, maar voornamelijk binnen een wadden- en kwelderlandschap, waarbij slechts lokaal de hogere delen van de kwelders eventueel bewoonbaar zullen zijn geweest totdat het landschap afgedekt raakte met het veenpakket. Veelal zijn de booronderzoeken uitgevoerd in het kader van ingrepen met een relatief kleine omvang. Met het booronderzoek is dus steeds fragmentarisch een klein deel van het getijdenlandschap in kaart gebracht, waardoor een overkoepelend inzicht in de ontwikkeling van dit landschap ontbreekt. Uit het AHN-beeld van de aan het maaiveld gelegen getijdenafzettingen lijkt er binnen de gemeentegrenzen mogelijk sprake te zijn van een aantal geulsystemen met vertakkingen: met name in het centrale deel en in het zuidoosten van het verveende gebied (figuur 4). De relevante onderzoeksresultaten worden behandeld volgens die ruimtelijke onderverdeling: Zuidoosten Tijdens recente onderzoeken ter plaatse van de inversieruggen in het zuidoosten van de gemeente blijkt dat de afzettingen voornamelijk worden geïnterpreteerd als wad- en laag gelegen kwelderafzettingen (Kroes & Sprangers, 2009; Van der Zee, 2012; resp. ARCHISonderzoeksmeldingsnummers 35472 en 52630). Er wordt nauwelijks melding gemaakt van rijping van de (top van de) afzettingen.
Dit is van belang aangezien bij afzettingen die langdurig aan het oppervlak liggen rijping van de bodem plaatsvindt. De aanwezigheid van een gerijpt niveau zegt iets over de mogelijke bewoonbaarheid in de periode dat de afzettingen aan het oppervlak lagen. Tijdens booronderzoek in het kader van natuurcompensatie in de Bovenkerkerpolder zijn meerdere fasen van een kreeksysteem aangetroffen, die elkaar deels lijken te doorsnijden (De Groot, 2010b; ARCHIS-onderzoeksmeldingsnummer 42357). De oudste van de twee was voorafgaand aan dat onderzoek slecht herkenbaar op het AHN en ook in de boringen. Pas na afronding van het veldonderzoek bleek uit nadere analyse van het AHN dat de oudste fase van de kreek verder
RAAP-rapport 3013 / eindversie, 10 maart 2016
[30]
Actualisatie archeologiebeleid gemeente Amstelveen. Toelichting op de actualisatie van de gemeentelijke archeologische verwachtings(waarden)kaart en beleidsadvieskaart
doorliep dan op de bestaande beleidsadvieskaart staat aangegeven. Ook bleek dat de oorspronkelijke hoogteverschillen (door inversie) zijn beïnvloed door het in recente perioden egaliseren van het maaiveld. Daardoor zijn de lagere delen opgevuld met de afgeschoven hogere delen en is het hoogteverschil over een veel groter deel uitgesmeerd dan de zone waar de kreekrug zich daadwerkelijk bevindt. De jongste fase van de kreek lijkt niet geschikt te zijn geweest voor bewoning en is ook aangetast door agrarische bewerking van de bodem. De oudere kreek wordt door De Groot (2012b) wel degelijk als een kansrijk niveau beschouwd. De kreekafzettingen zijn (matig) gerijpt, niet afgetopt en het betreft een vrij brede kreek. Tijdens dit booronderzoek zijn geen vondstlagen aangetroffen, zoals van andere vindplaatsen in een dergelijk landschap wel bekend zijn, maar de afzettingen zijn nog niet volledig onderzocht. Op basis van het AHN2 is deze kreek wel duidelijk zichtbaar, alhoewel de diepteligging uit dit beeld niet te herleiden is. Centraal Booronderzoeken ter plaatse van dit deel van de inversieruggen lijken uit te wijzen dat hier met name sprake is van een subgetijdenmilieu dat langzaam is overgegaan naar een intergetijdenmilieu (De Groot, 2010a; De Kramer, 2010; Horn & Laaring, 2011; Koekkelkoren & Moerman, 2012; Nales, 2014; resp.
ARCHIS-onderzoeksmeldingsnummers 33744, 39779, 46079, 51453, 62643). In een dergelijk landschap staat het deels drooggevallen gebied nog onder invloed van het getij, waarbij het dagelijks onder water komt te staan. Er is weinig tot geen rijping van de top van de afzettingen waargenomen. Tijdens het booronderzoek aan de Zijdelweg zijn bijvoorbeeld afzettingen aangetroffen van de twee kreken die hier werden verwacht (De Groot, 2010a). Deze kreken hebben zich ingesneden in het reeds aanwezige wadden-/kwelderlandschap. De top van beide kreken was niet gerijpt, wat aangeeft dat het landschap waarschijnlijk vrij snel met Hollandveen overgroeid zal zijn geraakt. Daarmee lijken de beide kreken niet geschikt te zijn geweest voor menselijke bewoning. Echter van een volledig ongerijpt, subgetijdenlandschap aan het maaiveld is ook geen sprake. Ook voor dit deel van de inversieruggen kan dus gesteld worden dat plaatselijk wel degelijk bewoonbare delen van het landschap aanwezig kunnen zijn, mogelijk op meerdere niveaus. Tevens wordt duidelijk dat met een verkennend booronderzoek niet genoeg grip op dit complexe en dynamische landschap kan worden verkregen, zeker wanneer dit beperkt blijft tot kleine, afzonderlijk onderzochte plangebieden.
3.3 Veldtoets 3.3.1 Doel en methoden In het kader van de actualisatie van de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente Amstelveen is een veldtoets uitgevoerd gericht op een deel van de kreeksystemen in de droogmakerijen binnen de gemeente. Op de huidige beleidsadvieskaart vallen de (intacte) kreekruggen binnen categorie AWV1 waarvoor de vrijstellingsgrenzen van 30 cm -Mv en 500 m
2
gelden. Doel van de veltoets is om op basis van de resultaten de archeologische verwachtingswaarde voor deze landschappelijke eenheden aan te scherpen. Op basis hiervan kunnen eventueel de hieraan gekoppelde vrijstellingsgrenzen worden aangepast.
RAAP-rapport 3013 / eindversie, 10 maart 2016
[31]
Actualisatie archeologiebeleid gemeente Amstelveen. Toelichting op de actualisatie van de gemeentelijke archeologische verwachtings(waarden)kaart en beleidsadvieskaart
Voor de uitvoering van de veldtoets zijn percelen in de Bovenkerkerpolder en de Noorder Legmeerpolder in het zuiden van de gemeente geselecteerd, daar waar in het landelijk gebied de kreeksystemen vanaf het oppervlak aanwezig zijn en makkelijk bereikbaar voor booronderzoek (figuur 5). Met name in het zuidwesten van de gemeente heeft reeds een aantal onderzoeken naar de hier aanwezige kreekruggen plaatsgevonden (beschreven in paragraaf 3.2.3). De resultaten van de veldtoets vormen een aanvulling op de reeds bekende gegevens. In beide deelgebieden zijn 22 boringen gezet: de boringen 1 t/m 22 in deelgebied Noorder Legmeerpolder (figuur 6) en in het deelgebied Bovenkerkerpolder de boringen 23 t/m 44 (figuur 7). De boringen zijn zoveel mogelijk haaks op de op het AHN zichtbare kreken geplaatst met een onderlinge boorafstand van ongeveer 40 meter. In het deelgebied Noorder Legmeerpolder zijn tevens de boringen 13 t/m 23 gezet om de op het AHN zichtbare lineaire depressie aldaar te onderzoeken. In deze aanvullende raai hebben de boringen een onderlinge afstand van circa 5 meter, waarbij binnen de raai enkele boringen verdicht zijn tot 2,5 meter om het mogelijke geultje te begrenzen. Er is geboord tot maximaal 5,0 m -Mv met een Edelmanboor met een diameter van 7 cm en een gutsboor met een diameter van 3 cm.
De boringen zijn lithologisch beschreven conform NEN 5104 (Nederlands Normalisatie-instituut, 1989). Alle boringen zijn ingemeten met behulp van een RTK-GPS (x-, y- en z-waarden). Het opgeboorde materiaal is in het veld door middel van verbrokkeling en versnijding gecontroleerd op de aanwezigheid van archeologische indicatoren (zoals houtskool, vuursteen, aardewerk, metaal, bot, verbrande leem en fosfaatvlekken). 3.3.2 Resultaten veldtoets Noorder Legmeerpolder In de Noorder Legmeerpolder laten de boringen 1 t/m 12 een bodemopbouw zien van subgetijdenafzettingen die zijn afgedekt met zandige kreekafzettingen. Aan de basis van het profiel is een pakket grijze, uiterst siltig klei aangetroffen. De top van dit pakket ligt op ongeveer 3,5 m -Mv (ca. 8,3 m -NAP). De kleilaag heeft een slappe consistentie, is volledig kalkrijk en bevat enkele plantenresten en mariene schelpen, waaronder hele (juveniele) exemplaren van de zoutwaterkokkel (vaak in levenspositie). Er is afgezien van enkele humuslagen nagenoeg geen sprake van gelaagdheid in het kleipakket. Deze laag wordt geïnterpreteerd als wadafzettingen/lagunaire afzettingen die zijn gevormd onder gemiddeld laagwater (subgetijdenmilieu). Deze afzettingen vielen dus nooit of hoogstens bij eb droog (sub- en intergetijdeafzettingen) en daardoor was een dergelijk milieu niet geschikt voor menselijke bewoning.
In de boringen 12 en 4 is onder deze wadafzettingen een dun laagje zeer kleiig (riet)veen aangetroffen. Mogelijk gaat het hier om een ingeschakeld veenlaagje in de wadafzettingen. De top van het Basisveen ligt waarschijnlijk op een dieper niveau en zal compacter zijn als gevolg van het gewicht van de afdekkende sedimenten. De wadafzettingen gaan naar boven toe geleidelijk over in een lichtgrijs, sterk siltig zandpakket. Het zand heeft een zeer fijne korrelgrootte en bevat schelpfragmenten, onder meer van wadslakjes (Hydrobia ulvae). Het zandpakket vertoont een variabele gelaagdheid (kleilagen) en de dikte van het pakket neemt toe in westelijke richting. Van een duidelijk ingesneden kreekgeul lijkt geen sprake te zijn. Mogelijk gaat het hier om intergetijdenafzettingen. Met name aan in de oostelijke
RAAP-rapport 3013 / eindversie, 10 maart 2016
[32]
Actualisatie archeologiebeleid gemeente Amstelveen. Toelichting op de actualisatie van de gemeentelijke archeologische verwachtings(waarden)kaart en beleidsadvieskaart
boringen is hierboven een licht humeuze, uiterst siltige tot zandig kleilaag aangetroffen met zandlagen. Deze klei bevat geen schelpfragmenten meer en vertoont enige mate van rijping, alhoewel de afzettingen voornamelijk kalkrijk zijn. Deze kleilaag wordt geïnterpreteerd als de top van de getijdenafzettingen, mogelijk de oeverafzettingen of hogere delen binnen het kwelderlandschap. Zoals ook uit het AHN-beeld blijkt zijn de afzettingen aan het maaiveld enigszins “uitgesmeerd” door de agrarische bewerking van deze percelen. Uit de boringen kan worden afgeleid dat de min of meer lineaire verhoging die zichtbaar is aan het maaiveld vooral is veroorzaakt door het afschuiven van de zandige bovenlaag (in oostelijke richting?). Dit is in het profiel zichtbaar in de zandige laag die is aangetroffen in de boringen 6, 7 en 8, direct onder de bouwvoor en op de met zand gelaagde (oever)afzettingen. Er kan echter niet worden uitgesloten dat dit lokaal aanwezige zandpakket onderdeel is van de kreekoever. De oorspronkelijke begrenzing van de inversierug is dan ook niet zonder meer uit het AHN-beeld af te leiden. Ook in de boringen blijkt deze lastig in kaart te brengen. In dit deelgebied zijn verder de boringen 13 t/m 23 gezet ter hoogte van de op het AHN-beeld zichtbare lineaire depressie (alhoewel het werkelijke hoogteverschil slechts enkele decimeters bedraagt!).
Uit de boringen 13, 14 en 21 (midden in de depressie) blijkt dat hier onder de bouwvoor een bruingrijs, zandige kleilaag met roestvlekken aanwezig is met een maximale dikte van 60 cm. De kleilaag doet in de boringen ‘rommelig’ aan, er zijn vlekken en enkele kleibrokjes waargenomen. Onder deze laag gaat het profiel abrupt over in het lichtgrijze, matig siltige, gelaagde zandpakket van de kreekafzettingen. Op basis van deze boringen lijkt de depressie meer op een opgevulde greppel (door mensen aangelegd), dan op de opvulling van een natuurlijke waterloop. Hierbij komt dat de depressie sterk lineair is en parallel loopt aan de verkaveling waarnaar deze in het noorden ook afbuigt en mee samenvalt. Bovenkerkerpolder Ook in dit deelgebied zijn aan de basis van het landschap de afzettingen van het subgetijdengebied aangetroffen, bestaande uit een uiterst siltige kleilaag met een slappe consistentie, volledig kalkrijk, met enkele plantenresten en mariene schelpen (in levenspositie). De top van dit pakket ligt rond 2,5 tot 3 m -Mv (ca. 7,5 m -NAP). De wadafzettingen worden afgedekt door een pakket uiterst siltig, gelaagd zand (zeer fijne korrelgrootte), waarin schelpfragmenten zijn waargenomen. Dit zandpakket gaat naar boven toe over in uiterst siltige tot zandige klei. Het kleipakket is enigszins gelaagd (zandlagen), met name aan de basis, en is overwegend kalkrijk.
De top vertoont enige mate van rijping, in de boringen 32, 28, 36 en 43 is deze ontkalkt, en de klei heeft daar een stevige consistentie. In de boringen 35, 41 en 24 zijn zoals verwacht werd op basis van het AHN, restgeulafzettingen aangeboord, bestaande uit zeer humeuze klei met silt/humuslaagjes en sterk kleiig rietveen. Deze takken van het op het AHN zichtbare kreeksysteem (met een breedte van 50 tot 100 m) lijken in potentie bewoonbaar, zij het vermoedelijk zeer lokaal.
RAAP-rapport 3013 / eindversie, 10 maart 2016
[33]
Actualisatie archeologiebeleid gemeente Amstelveen. Toelichting op de actualisatie van de gemeentelijke archeologische verwachtings(waarden)kaart en beleidsadvieskaart
4 Toelichting op de archeologische verwachtings(waarden)kaart 4.1 Verwachtingsmodel Het principe en de mogelijkheden en beperkingen van een archeologische verwachtingskaart zijn reeds beschreven in Soonuis & Bekius (2008). De ruimtelijke verspreiding van archeologische vindplaatsen, met name nederzettingsterreinen, is niet willekeurig, maar sterk gerelateerd aan de opbouw van het landschap. Aan de hand van een analyse van de bewoningsmogelijkheden van het landschap door de tijd heen, kan een verwachtingsmodel worden geformuleerd. Dit verwachtingsmodel vormt de basis van de archeologische verwachtingskaart: een kaart waarop de verwachte relatieve dichtheid van archeologische resten vlakdekkend is weergegeven. De verwachtingszones zijn direct vertaald naar beleidsadviezen (hoofdstuk 5). De basis voor de archeologische verwachtingskaart (kaartbijlage 1) wordt gevormd door de landschappelijke opbouw. Deze ondergrond is vervaardigd door een combinatie van geologische kaarten en bodemkaarten, AHN-gegevens, digitale boorgegevens, archeologische onderzoeken en historisch geografische gegevens. Grofweg kunnen van beneden naar boven drie ‘archeologische landschappen’ in de ondergrond van de gemeente Amstelveen onderscheiden worden: 1. het laat-glaciale dekzandlandschap, dat (globaal) bewoonbaar was gedurende het Laat Paleolithicum en Mesolithicum.
Dit landschap is in de gehele gemeente afgedekt en ligt op grote diepte; 2. het getijdenlandschap, dat (plaatselijk) gedurende het (Laat) Neolithicum goede bewoningsmogelijkheden heeft geboden. Dit landschap ligt in de drooggemaakte verveende delen van de gemeente Amstelveen aan het oppervlak (de Schinkelpolder, de Kleine Noordpolder, de Rietwijkeroordpolder, de Buitendijkse Buitenvelderse polder, de Middelpolder onder Amstelveen, de Bovenkerkerpolder en de Legmeerpolder); 3. de veengebieden: het onverveende deel van Buitendijkse Buitenvelderse Polder, het onverveende bovenland langs de Amstel, de oeverlanden bij de Poel en de Ouderkerkerlaan of het Groote Loopveld. Hier kunnen resten van bewoning en gebruik vanaf de Late Middeleeuwen aanwezig zijn, met name binnen de ontginningsassen en kernen. In theorie kan onderscheid gemaakt worden tussen twee typen archeologische verwachtingenkaarten (Deeben & Wiemer, 1999): • een verwachtingenkaart waarbij het gehanteerde verwachtingsmodel in hoofdzaak is gebaseerd op kwantitatieve vindplaatsgegevens: dit wordt een zogenaamde inductieve benadering genoemd; • een verwachtingenkaart waarbij het gehanteerde verwachtingsmodel sterk leunt op een hypothetische benadering: de zogenaamde deductieve benadering.
RAAP-rapport 3013 / eindversie, 10 maart 2016
[34]
Actualisatie archeologiebeleid gemeente Amstelveen. Toelichting op de actualisatie van de gemeentelijke archeologische verwachtings(waarden)kaart en beleidsadvieskaart
In de praktijk treedt bij veel archeologische verwachtingsmodellen vermenging op van aannamen die zowel een inductieve als deductieve onderbouwing hebben. Gesproken wordt dan van een hybride-model. De verwachtingskaart van de gemeente Amstelveen is hoofdzakelijk opgezet volgens de deductieve benadering, maar kan gezien worden als een hybride-model waarbij beide benaderingen zijn gebruikt. Archeologische verwachtingszones en bekende archeologische waarden Aan de verschillende archeo-landschappelijke eenheden is een archeologische verwachting toegekend: hoog, middelhoog, laag, of onbekend. De verschillende verwachtingszones hebben verschillende implicaties: • in zones met een hoge archeologische verwachting wordt de hoogste dichtheid aan archeologische vindplaatsen (m.n. nederzettingsterreinen) verwacht; • in zones met een middelhoge archeologische verwachting worden archeologische vindplaatsen verwacht, maar in een lagere dichtheid dan in de zones met een hoge archeologische verwachting; • in zones met een lage archeologische verwachting wordt de kans op het voorkomen van archeologische vindplaatsen respectievelijk klein of zeer klein geacht.
Wel dient opgemerkt te worden dat de aanwezigheid van archeologische resten niet kan worden uitgesloten; • in zones met een onbekende archeologische verwachting zijn te weinig gegevens voorhanden om tot een betrouwbare archeologische verwachting te komen. Bekende archeologische waarden (zoals AMK-terreinen, historische kernen, buitenplaatsen ‘losse’ vindplaatsen e.d.) vormen een andere categorie dan archeologische verwachtingszones: archeologische resten zijn immers daadwerkelijk aangetoond. Hier is dus sprake van bekende archeologische waarden.
4.2 Vroege Prehistorie: het pleistocene dekzandlandschap Bij het opstellen van de verwachtingskaart uit 2008 is geen verwachtingsmodel voor het pleistocene landschap opgesteld. In de actualisatie wordt dit archeo-landschappelijk niveau nadrukkelijk meegenomen in het verwachtingsmodel, alhoewel er nog weinig gegevens over voorhanden zijn. Het pleistocene landschap in de gemeente Amstelveen, dat wordt gevormd door het dekzandlandschap, bevindt zich namelijk op relatief grote diepte (8 à 14 m -NAP). De pleistocene ondergrond vormde een bewoonbaar landschap totdat het uiteindelijk, als gevolg van de stijgende zeespiegel, vernatte en afgedekt raakte met veen en/of fluviatiele afzettingen. Bewoning van het laat-pleistocene landschap was mogelijk gedurende het Laat Paleolithicum en het Mesolithicum (jagers-verzamelaars). De archeologische verwachting voor het dekzandlandschap is in feite onbekend. De verwachting wordt in hoge mate bepaald door de terreinkenmerken (morfologie) en intactheid van het dekzandlandschap, dat in theorie bestaat uit dekzandvlakten, -welvingen en -ruggen, ingesneden rivierdalen en opgewaaide duinen. Dergelijke gegevens zijn van de gemeente Amstelveen echter niet voorhanden.
RAAP-rapport 3013 / eindversie, 10 maart 2016
[35]
Actualisatie archeologiebeleid gemeente Amstelveen. Toelichting op de actualisatie van de gemeentelijke archeologische verwachtings(waarden)kaart en beleidsadvieskaart
Indien het dekzandoppervlak intact is, kunnen hierop archeologische resten (zoals bewoningsresten) uit de bovengenoemde periode aanwezig zijn. Voor landschappelijke zones met een sterke (ecologische) gradiënt - zoals dekzandruggen - geldt een hoge archeologische verwachting voor grotere nederzettingsterreinen (langdurig gebruikte of hergebruikte nederzettingsterreinen; palimpsesten) met een dichte strooiing van vuursteenmateriaal. Voor overige zones (vlakkere delen, of kleine kopjes binnen het dekzandlandschap) geldt een middelhoge archeologische verwachting voor kleinere, eenfasige nederzettingslocaties. Wel kunnen plaatselijk kleine (jacht)kampementjes of specifieke vindplaatstypen voorkomen (graven, rituele deposities, e.d.). In het algemeen geldt dat vindplaatsen van jagers-verzamelaars lastig zijn op te sporen. Behalve de relatief grote diepteligging waarop deze zich in West-Nederland bevinden, wordt de opsporingsmogelijkheid nog bemoeilijkt door de zeer geringe omvang en lage vondstdichtheden van dergelijke vindplaatsen (zie o.a. Tol e.a., 2004). Doorgaans gaat het om relatief kleine kampementjes met een ijle strooiing van vuurstenen artefacten, soms met fragmenten bot en houtskool. Tegenover de beperkingen/moeilijkheden die de relatief grote diepteligging met zich meebrengt, staat dat dit niveau zelden door bodemingrepen bedreigd wordt.
Een archeologisch onderzoek waarbij getracht wordt om steentijdvindplaatsen op te sporen (te karteren) is dan ook uitermate intensief, bewerkelijk en kostbaar. Bij het bepalen van de noodzaak en omvang van een dergelijk onderzoek zou per ruimtelijke ontwikkeling bekeken moeten worden in welke mate het dekzandoppervlak wordt beroerd en welke type vervolgonderzoek zowel wenselijk als mogelijk is, mede uit oogpunt van redelijkheid en billijkheid. Een mogelijkheid voor een minder intensieve vorm van onderzoek zou zijn de werkzaamheden die dit oppervlak raken tijdens de uitvoering archeologisch te begeleiden (zoals aanbevolen in Sprangers & Schute [2015]). Dit heeft echter wel gevolgen voor de effectiviteit en informatiewaarde van het onderzoek. Verwachting Laat Paleolithicum - Mesolithicum Voor het gehele gemeentelijk grondgebied geldt ten aanzien van het pleistocene oppervlak in feite een onbekende verwachting voor de aanwezigheid van archeologische resten uit de periode Laat Paleolithicum en het Mesolithicum (jagers-verzamelaars).
4.3 Midden en Laat Neolithicum: getij-inversieruggen Bij het opstellen van de verwachtingskaart uit 2008 is een verwachtingsmodel voor het Midden en Laat-Neolithicum opgesteld. In principe is dit model bij de actualisatie overgenomen, waarbij aanpassingen zijn gemaakt op basis van de resultaten van recent onderzoek binnen de gemeentegrenzen en daar direct buiten. Er kan ten aanzien van het verwachtingsmodel in de gemeente Amstelveen onderscheid gemaakt worden tussen twee landschappelijke situaties: • de droogmakerijen (bebouwd en onbebouwd); • het veengebied.
RAAP-rapport 3013 / eindversie, 10 maart 2016
[36]
Actualisatie archeologiebeleid gemeente Amstelveen. Toelichting op de actualisatie van de gemeentelijke archeologische verwachtings(waarden)kaart en beleidsadvieskaart
Droogmakerijen Alleen in de droogmakerijen ligt het neolithische landschap van kreken en geulen aan het maaiveld. Ten aanzien van kreken, en dan met name de zandige oeverwallen, geldt in principe een hoge archeologische verwachting voor de aanwezigheid van resten uit het Neolithicum. Deze kreek-/geulsystemen zijn door differentiële klink als inversieruggen in het landschap komen te liggen en zijn in de verveende en drooggemaakte delen binnen de gemeente aan het maaiveld zichtbaar. In het overige deel van de gemeente wordt het afgedekt door veen en/of bebouwing. Door deze afdekking is het moeilijk om voor deze gebieden een goed archeologisch verwachtingsmodel op te stellen, men weet immers niet of en waar verschillende kreken en geulen aanwezig zijn. Vanuit archeologisch oogpunt zou men echter kunnen stellen dat de afgedekte kreken en geulen veel interessanter zijn voor onderzoek omdat de kans klein is dat deze door bodembewerking zijn aangetast; dit betekent dat eventueel aanwezige vindplaatsen goed bewaard kunnen zijn gebleven. Op basis van de reeds uitgevoerde onderzoeken naar de inversieruggen is er echter mogelijk sprake van een kritieke grens waarbij neolithische bewoning nog mogelijk/aannemelijk was. Deze grens wordt hoofdzakelijk bepaald door de omvang en geologische opbouw van de oeverwallen.
Voor het opstellen van het verwachtingsmodel van het Midden en Laat Neolithicum in de droogmakerijen zijn ten behoeve van de actualisatie dan ook drie aspecten (opnieuw) bekeken: • ligging kreek- en geulsystemen; • bewoonbaarheid kreek- en geulsystemen; • intactheid kreek- en geulsystemen. Ligging Op het AHN2 is de ligging van met name grote kreek- en geulsystemen nog goed zichtbaar. Het begrenzen van dergelijke systemen op basis van het AHN is echter zeer lastig, omdat veel van het reliëf is uitgesmeerd of verdwenen waardoor het (geologische) verband tussen verschillende kreek- en geulsystemen niet meer duidelijk is. Ook levert het AHN geen informatie over de lithologische opbouw van de kreek- en geulsystemen. Op basis van het AHN2 en de recente onderzoeksresultaten is de begrenzing van deze als inversieruggen zichtbare systemen herzien ten opzichte van de kaart uit 2008. Het verwachtingsmodel voor het Midden en Laat-Neolithicum is dus hoofdzakelijk van toepassing op de droogmakerijen. De inversieruggen hierbinnen hebben een lage tot middelhoge verwachting voor de aanwezigheid van resten uit deze periode. Deze verwachting is ten opzichte van de kaart uit 2008 naar beneden bijgesteld op basis van de recente onderzoeksresultaten.
Onder het onverveende bovenland zijn in principe dezelfde kreeksystemen aanwezig, maar vanwege het ontbreken van nadere informatie heeft dit niveau in deze zones een onbekende verwachting. Bewoonbaarheid Met betrekking tot de bewoonbaarheid zijn tijdens recente onderzoeken en de veldtoetsen ter plaatse van verschillende inversieruggen geen sterke aanwijzingen voor goed ontwikkelde oeverwallen aangetroffen. Binnen de gemeente Amstelveen is er sprake van een complex en dynamisch landschap, waarbij op verschillende niveaus in de ondergrond fasen van kreeksystemen
RAAP-rapport 3013 / eindversie, 10 maart 2016
[37]
Actualisatie archeologiebeleid gemeente Amstelveen. Toelichting op de actualisatie van de gemeentelijke archeologische verwachtings(waarden)kaart en beleidsadvieskaart
aanwezig zijn. Met name de wat dieper gelegen, oudere fasen hebben lokaal potentieel bewoonbare niveaus. Deze oudere fasen komen echter niet duidelijk naar voren in het AHN-beeld en zijn dan ook moeilijk te begrenzen. De inversieruggen in de droogmakerijen zijn het uitingen van de hogere delen binnen het laaggelegen kwelderlandschap, waarbij lokaal sprake is van kreken hierbinnen. Het lijkt te gaan om een overgangsgebied naar hoger gelegen kwelders. Voordat het hele landschap uiteindelijk verdween onder een dik veenpakket zullen delen hierbinnen mogelijk enige tijd bewoonbaar, of tenminste begaanbaar zijn geweest voor mensen. Op basis van het ontbreken van bekende archeologische vindplaatsen uit de gemeente is niet te bepalen welke kreken en geulen wel bewoond zijn geweest en welke niet en welke criteria hierbij gehanteerd moeten worden. Gezien het vermoedelijk ontbreken van grotere zones met zandig oeverafzettingen zal het hierbij niet gaan om (grotere) nederzettingsterreinen, maar veeleer om kleine, tijdelijke kampementen (bijvoorbeeld ten behoeve van seizoensmatige jacht- en visvangst door middel van korte expedities) of anderszins special activity sites. Echter wat belangrijke factoren waren bij de locatiekeuze van de toenmalige bewoners is niet bekend.
Incidentele bewoning of speciale seizoensgebonden activiteiten kunnen feitelijk overal hebben plaatsgevonden en zijn op basis van het geringe aantal gegevens niet te voorspellen. Intactheid De ligging van de kreekruggen aan het maaiveld maakt ze in ieder geval zeer kwetsbaar voor bodembewerking. Kreken of geulen die op luchtfoto’s of op het AHN nog intact uitzien, kunnen reeds sterk zijn aangetast door bodemverstorende werkzaamheden zoals ploegen, afgraven en egaliseren. Dit is met archeologisch onderzoek ook aangetoond. Intacte bewoningssporen zijn wellicht alleen nog te verwachten op de (iets dieper gelegen) flanken, op niet geploegde percelen of op door latere sedimentatie afgedekte systemen. Het bepalen van de intactheid van de kreek- en geulsystemen is, op basis van de beschikbare data slechts beperkt mogelijk. Informatie over de intactheid van een kreek- of geulrug is van groot belang voor het goed kunnen bepalen van de archeologische verwachting. Verwachting Midden en Laat Neolithicum Van alle zichtbare inversieruggen binnen de droogmakerijen is de verwachting bijgesteld van een hoge naar een middelhoge archeologische verwachting. Hierbij kan geen onderscheid gemaakt worden tussen verschillende fasen en diepteligging binnen de systemen.
In deze gebieden is de te verwachten dichtheid aan archeologische vindplaatsen middelhoog, aangezien er op basis van de (vermoedelijke) lithogenetische kenmerken van de afzettingen geen grote zones met (zandige) oeverwallen aanwezig zijn. Er worden dan ook voornamelijk vindplaatsen met een kleine omvang en waarschijnlijk dunnen vondststrooiing verwacht. De gebieden tussen de inversieruggen krijgen een lage archeologische verwachting voor vindplaatsen uit het Neolithicum. Een lage verwachting wil niet zeggen dat er geen vindplaatsen aanwezig zijn, maar wel dat de verwachte dichtheid laag is. Voor eventuele getij-inversieruggen die zich binnen de gemeente onder het veen bevinden, geldt een onbekende archeologische verwachting voor vindplaatsen uit het Midden en Laat Neolithicum. Deze kreekruggen en de daarin aanwezige archeologische resten zijn in potentie niet of
RAAP-rapport 3013 / eindversie, 10 maart 2016
[38]
Actualisatie archeologiebeleid gemeente Amstelveen. Toelichting op de actualisatie van de gemeentelijke archeologische verwachtings(waarden)kaart en beleidsadvieskaart
nauwelijks verstoord en kunnen dus intacte vindplaatsen met een hoge informatiewaarde bevatten. Het is echter niet bekend waar deze kreekruggen zich bevinden. Ze kunnen overal binnen het gebied met een onbekende archeologische verwachting aanwezig zijn in de ondergrond.
4.4 Bronstijd tot en met de Vroege Middeleeuwen Tot op heden zijn in de gemeente Amstelveen geen sporen van bewoning uit de Bronstijd tot en met de Vroege Middeleeuwen aangetroffen. Het is dus zeer moeilijk om voor deze perioden een verwachtingsmodel op te stellen. Bij het opstellen van de kaart in 2008 is dit dan ook niet gebeurd. Waarschijnlijk was het gebied door de aanwezigheid van grote pakketten veen niet meer aantrekkelijk voor bewoning. Het kan gaan om kleine huisplaatsen met een akker gelegen op de oeverwallen van kleine veenstroompjes, maar ook bewoning op het veen kan niet worden uitgesloten. Mogelijk waren de randen van de grote veenpakketten door de ontwatering wel goed begaan- en bewoonbaar. Door het verdwijnen van het veen in de droogmakerijen zullen eventuele sporen van deze bewoning echter grotendeels zijn verdwenen. De enige locatie binnen de gemeente waar bewoning uit de Bronstijd tot en met de Vroege Middeleeuwen verwacht kan worden zijn de ‘oeverwallen’ van de Amstel. Aangezien de Amstel is ontstaan als een veenontwateringsstroom zal er van goed ontwikkelde oeverwallen geen sprake zijn. Verwachting Bronstijd - Vroege Middeleeuwen Voor de oeverwallen van de Amstel geldt een middelhoge archeologische verwachting voor vindplaatsen vanaf de Bronstijd tot en met de Vroege Middeleeuwen.
Hoewel de oeverwallen van de Amstel vermoedelijk te marginaal zijn geweest voor bewoning, kan dit niet geheel worden uitgesloten. De te verwachten dichtheid aan archeologische vindplaatsen is dus laag tot middelhoog binnen een bufferzone van circa 50 m vanaf de waterloop.
4.5 Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd: onverveende gebieden Pas in de Late Middeleeuwen (na 1050 na Chr.) vindt met de grootschalige ontginning van het veen ook meer intensieve bewoning plaats. Aanvankelijk zal vanuit de ontginningsbases zijn begonnen met het ontginnen van de veenkussens. Vermoedelijk hebben de oeverwallen van de Amstel in eerste instantie gediend als ontginningsbases. Langs de primaire kades zal ook bewoning hebben plaatsgevonden. Voor de droogmakerijen geldt dat de niet-verveende bewoningslinten de voornaamste locaties zijn waar bewoning uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd heeft plaatsgevonden. Nederzettingssporen zijn niet of nauwelijks te verwachten buiten de grenzen van de op kaartbijlage 1 aangegeven bewoningsassen. Mochten deze aanwezig zijn geweest, dan zijn deze waarschijnlijk verdwenen als gevolg van de verveningen. Wel kunnen allerlei diepere grondsporen zoals greppels en (afval)kuilen aanwezig zijn die samenhangen met de ontginning van het veen. Binnen de gemeente is een aantal kades aanwezig. De ontstaansgeschiedenis van deze lijnelementen hangt nauw samen met het ontstaan van het landschap van de gemeente. Deze kades kunnen op zichzelf van archeologische waarde zijn, omdat ze resten kunnen bevatten van de
RAAP-rapport 3013 / eindversie, 10 maart 2016
[39]
Actualisatie archeologiebeleid gemeente Amstelveen. Toelichting op de actualisatie van de gemeentelijke archeologische verwachtings(waarden)kaart en beleidsadvieskaart
oorspronkelijke kade, zoals die werd opgeworpen in de Late Middeleeuwen of Nieuwe tijd. Ook kan de opbouw van een kade inzicht geven in de opeenvolgende ophogingen en verstevigingen van de betreffende waterkering. Bovendien zijn deze kades vanuit archeologisch oogpunt interessant omdat ze een ouder landschap afdekken dat op veel andere plaatsen is verdwenen. Verwachting Late Middeleeuwen - Nieuwe tijd De historische kern van Amstelveen en de oeverwal van de Amstel hebben een hoge archeologische verwachting voor bewoning uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Daarnaast zijn zones aangegeven langs primaire kades waar historische bebouwing heeft plaatsgevonden. Door de continuïteit van bewoning in bijvoorbeeld de historische kern van Amstelveen tot aan de Nieuwe tijd zijn veel sporen van bewoning uit de Late Middeleeuwen door latere bewoning en bebouwing waarschijnlijk (gedeeltelijk) verstoord. De onverveende bovenlanden langs de Amstel en bij de Kleine Poel krijgen een middelhoge archeologische verwachting. Mogelijk heeft in deze zones bewoning uit zowel de Late Middeleeuwen als Nieuwe tijd plaatsgevonden. De rest van de gemeente krijgt een lage archeologische verwachting. Een lage verwachting wil niet zeggen dat er geen vindplaatsen aanwezig zijn maar wel dat de verwachte dichtheid laag is.
4.6 Bekende archeologische waarden 4.6.1 Terreinen met een archeologische status (AMK-terreinen) In totaal zijn binnen de gemeentegrenzen van Amstelveen elf AMK-terreinen bekend, waarvan acht van archeologische waarde en drie van hoge archeologische waarde (zie § 3.2 en tabellen 3 en 4). In bijlage 2 zijn alle AMK-terreinen vermeld. De terreinen omvatten vastgestelde archeologische waarden uit de Late Middeleeuwen t/m de Nieuwe tijd. Terreinen van (hoge) archeologische waarde Dit zijn terreinen van oudheidkundige betekenis die op grond van de door de RCE gehanteerde criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, contextwaarde) zijn aangewezen als behoudenswaardig. Deze terreinen scoren lager op de criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, contextwaarde) dan de terreinen van zeer hoge archeologische waarde. Op grond van vervolgonderzoek kan een dergelijk terrein alsnog bij de hogere categorie ingedeeld worden. 4.6.2 Archeologische vindplaatsen in de gemeente Amstelveen Door clustering van de verzamelde archeologische gegevens zijn binnen de gemeentegrenzen 15 vindplaatsen onderscheiden, die 35 complextypen omvatten (zie § 3.2, tabel 5 en bijlage 1). Onder vindplaatsen wordt hier verstaan: plaatsen waar archeologische vondsten zijn geregistreerd, waarnemingen zijn verricht en/of waar op grond van historische bronnen bewoning in de Late Middeleeuwen of eerder mag worden verondersteld.
De vindplaatsen zijn (nog) niet gewaardeerd en begrensd, tenzij deze gerelateerd zijn aan een AMK-terrein of historische kern. In enkele gevallen hebben de vindplaatsen betrekking op losse vondsten zonder een duidelijke
RAAP-rapport 3013 / eindversie, 10 maart 2016
[40]
Actualisatie archeologiebeleid gemeente Amstelveen. Toelichting op de actualisatie van de gemeentelijke archeologische verwachtings(waarden)kaart en beleidsadvieskaart
archeologische context. Aan de vindplaatsen die buiten de historische kern of de bewoningslinten vallen is een buffer van 25 m toegekend, waarbinnen resten die behoren tot de vindplaats te verwachten zijn. 4.6.3 Historische locaties met archeologische betekenis Binnen de gemeente Amstelveen is een groot aantal locaties geïnventariseerd waarvan op basis van historische bronnen kan worden gesteld dat hier archeologische resten van een bepaald complextype kunnen worden aangetroffen. Het gaat om nederzettingslocaties van vóór 1832 en enige andere locaties met menselijke activiteit in het verleden vóór 1900. Op de beleidsadvieskaart zijn cultuurhistorische elementen en zones aangeduid met een potentiële archeologische verwachting. Het gaat om de volgende categorieën: • De ontginningsassen kennen een hoge archeologische verwachting vanaf periode van ontstaan. Voor de zone langs de assen is een buffer van 50 meter gehanteerd waarbinnen vermoedelijk de boerderijen en schuren zich op de erven bevonden. Deze zone heeft een hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen gerelateerd aan de ontginning vanaf de Late Middeleeuwen. In de ondergrond kunnen resten van huisplaatsen met bijgebouwen en erven worden verwacht en/of verkavelingssloten, waterputten en dergelijke.