CConstaterende datamstelveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Rapport_Actualisering_Archeologiebeleid

Raadsvergadering 24 april 2024, gemeente amstelveenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Paraplubestemmingsplan Archeologie en Cultuurhistorie Amstelveen 202423.423 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

RAAP-RAPPORT 3013

Actualisatie archeologiebeleid gemeente Amstelveen Toelichting op de actualisatie van de gemeentelijke archeologische verwachtings(waarden)kaart en de beleidsadvieskaart

Versie 7.0

Colofon Opdrachtgever: Gemeente Amstelveen Titel: Actualisatie archeologiebeleid gemeente Amstelveen. Toelichting op de actualisatie van de gemeentelijke archeologische verwachtings(waarden)kaart en beleidsadvieskaart Status: eindversie Datum: 10 maart 2016 Auteur: drs. K. Wink Projectcode: AMVE2 Bestandsnaam: RA3013_AMVE2 Projectleider: drs. K. Wink Projectmedewerkers: ir. G.H. de Boer, N.L.A. Conradi MA & drs. J.A. Schenk Autorisatie: drs. R.S. Kok Bevoegd gezag: gemeente Amstelveen Adviseur namens bevoegd gezag: Cultuurcompagnie, drs. E. van Rooijen ISSN: 0925-6229 RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. Leeuwenveldseweg 5b

telefoon: 0294-491 500

1382 LV Weesp

telefax: 0294-491 519

Postbus 5069

E-mail: raap@raap.nl

1380 GB Weesp

© RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V., 2016 RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van de adviezen.

Versie 7.0

Actualisatie archeologiebeleid gemeente Amstelveen. Toelichting op de actualisatie van de gemeentelijke archeologische verwachtings(waarden)kaart en beleidsadvieskaart

Inhoudsopgave 1

2

3

4

Inleiding ............................................................................................................................. 5 1.1

Kader en doelstelling ............................................................................................................... 5

1.2

Onderzoeksgebied ................................................................................................................... 5

1.3

Opzet en fasering .................................................................................................................... 5

1.4

Leeswijzer ............................................................................................................................... 6

Landschappelijke ontwikkeling en bewoningsgeschiedenis .................................................. 9 2.1

Inleiding .................................................................................................................................. 9

2.2

Prehistorie .............................................................................................................................. 9

2.3

Middeleeuwen ....................................................................................................................... 11

2.4

Nieuwe tijd ............................................................................................................................ 16

2.5

Tot slot ................................................................................................................................. 21

Actualisatie ...................................................................................................................... 22 3.1

Methoden .............................................................................................................................. 22

3.2

Resultaten actualisatie ........................................................................................................... 25

3.3

Veldtoets............................................................................................................................... 31

Toelichting op de archeologische verwachtings(waarden)kaart .......................................... 34 4.1

Verwachtingsmodel................................................................................................................ 34

4.2

Vroege Prehistorie: het pleistocene dekzandlandschap ........................................................... 35

4.3

Midden en Laat Neolithicum: getij-inversieruggen .................................................................... 36

4.4

Bronstijd tot en met de Vroege Middeleeuwen ......................................................................... 39

4.5

Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd: onverveende gebieden ...................................................... 39

4.6 Bekende archeologische waarden ............................................................................................. 40

5 De archeologische beleidsadvieskaart ................................................................................. 42 5.1

Inleiding ................................................................................................................................ 42

5.2

Algemeen beleidskader .......................................................................................................... 43

5.3

Medebestemming archeologische waarden ............................................................................. 45

5.4

Medebestemming te verwachten archeologische waarden ....................................................... 46

5.5

Vervolgonderzoek .................................................................................................................. 49

Literatuur .............................................................................................................................. 51 Gebruikte afkortingen ............................................................................................................ 55

RAAP-rapport 3013 / eindversie, 10 maart 2016

[3]

Actualisatie archeologiebeleid gemeente Amstelveen. Toelichting op de actualisatie van de gemeentelijke archeologische verwachtings(waarden)kaart en beleidsadvieskaart

Verklarende woordenlijst........................................................................................................ 56 Overzicht van figuren, tabellen en (kaart-)bijlagen .................................................................. 58 Bijlage 1. Catalogus van archeologische vindplaatsen ............................................................ 59 Bijlage 2. Catalogus van archeologische monumenten ........................................................... 60 Bijlage 3. Catalogus van archeologische onderzoeken ........................................................... 61

RAAP-rapport 3013 / eindversie, 10 maart 2016

[4]

Actualisatie archeologiebeleid gemeente Amstelveen. Toelichting op de actualisatie van de gemeentelijke archeologische verwachtings(waarden)kaart en beleidsadvieskaart

1 Inleiding 1.1 Kader en doelstelling In opdracht van de gemeente Amstelveen heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in 2015 een actualisatie van de bestaande gemeentelijk archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart gemaakt. Tot op heden is door de gemeente gebruik gemaakt van de in 2008 door RAAP Archeologisch Adviesbureau opgestelde archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart. Alhoewel uit de praktijk blijkt dat deze kaart goed functioneert, is op een aantal punten inmiddels behoefte aan aanvulling op en aanpassing van de kaart. Er is met name behoefte aan een kritische evaluatie van de archeologische verwachtingswaarde met betrekking tot de kreeksystemen in de droogmakerij en de hieraan gekoppelde vrijstellingsgrenzen. Voor de historische buitenplaatsen geldt dat deze niet zijn opgenomen in de vigerende bestemmingsplannen. Vanuit de gemeente bestaat de behoefte aan borging van deze waarden in het proces van ruimtelijke ordening middels een aanpassing van het archeologiebeleid. Tevens zijn in de tussentijd (2008-2014) archeologische onderzoeken uitgevoerd, die wellicht tot nieuwe inzichten hebben geleid. Het onderhavig onderzoek had enerzijds tot doel de onderliggende gegevens van de reeds bestaande kaart uit 2008 (Soonius & Bekius, 2008) te actualiseren en anderzijds de huidige beleidscategorieën te analysen en eventueel te herzien.

1.2 Onderzoeksgebied 2

De gemeente Amstelveen beslaat ruim 44 km en wordt geflankeerd door de gemeenten Amsterdam, Ouder-Amstel, De Ronde Venen, Uithoorn, Aalsmeer en Haarlemmermeer (figuur 1). De actualisering heeft betrekking op het gehele grondgebied van de gemeente, met uitzondering van de onderwaterbodems. De gemeente valt binnen de kaartbladen 25D, 25G, 31B en 31E van de topografische kaart van Nederland (schaal 1:25.000).

1.3 Opzet en fasering Het bestaande rapport van Soonius en Bekius uit 2008 vormt het uitgangspunt van de actualisatie. De hierin opgenomen algemene beschrijving van de landschappelijke ontwikkeling en de bewoningsgeschiedenis van het gemeentelijk grondgebied is in onderhavige toelichting overgenomen en waar nodig aangevuld en aangepast. Ten behoeve van de actualisering van de archeologische verwachtings- en beleidskaart zijn de volgende werkzaamheden uitgevoerd: 1. inventariseren en controleren van (nieuwe) vindplaatsgegevens en de Archeologische MonumentenKaart (AMK) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) te Amersfoort (peildatum 19-02-2015) teneinde een actuele vindplaatscatalogus op te stellen (bijlagen 1 en 2);

RAAP-rapport 3013 / eindversie, 10 maart 2016

[5]

Actualisatie archeologiebeleid gemeente Amstelveen. Toelichting op de actualisatie van de gemeentelijke archeologische verwachtings(waarden)kaart en beleidsadvieskaart

2. toevoegen van informatielaag met in het kader van de Archeologische MonumentenZorg (AMZ) onderzochte gebieden (peildatum 19-02-2015; bijlage 3); 3. een veldtoets gericht op de kreeksystemen in de droogmakerijen; 4. een herbegrenzing van de bestaande morfogenetische (landschappelijke) eenheden in de droogmakerij om zo te komen tot een geactualiseerde archeologische verwachtingskaart; 5. opstellen beleidsadvies ten aanzien van niet begrensde archeologische vindplaatsen en de buitenplaatsen binnen de gemeente; 6. verwerken van de in stap 1 t/m 5 verkregen gegevens in een herziene beleidsadvieskaart. Tijdens de actualisatie is een zo compleet mogelijke database van alle bekende geologische en archeologische gegevens uit de gemeente Amstelveen samengesteld. Hierbij zijn relevante bronnen geïnventariseerd en geraadpleegd (o.a. ARCHIS-database, nieuwe onderzoeken, archeologische en cultuurhistorische literatuur, geo(morfo)logische en bodemkundige bronnen). Deze database is vervolgens gebruikt om de bestaande archeologische verwachtings(waarden)kaart te actualiseren (kaartbijlage 1). Deze archeologisch-landschappelijke verwachtings(waarden)kaart is vervolgens vertaald naar een kaart waarop de beleidsadviezen staan geformuleerd en weergegeven (kaartbijlage 2).

1.4 Leeswijzer In essentie is de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Amstelveen niets anders dan de visuele weergave van de intensiteit van het (eventueel) benodigde archeologische onderzoek, in het geval er ergens gebouwd gaat worden of de grond anderszins verstoord wordt. Deze intensiteit en vorm van onderzoek wordt aangegeven in de zogenaamde AMZ-adviezen. De beleidsadvieskaart vormt dan ook de kern: wat te doen bij bodemingrepen? In deze rapportage wordt een toelichting op en verantwoording van de bij de actualisatie van de beleidsadviezen gemaakte keuzen gegeven. De kaartbijlage 1 verschaft inhoudelijke achtergronden en laat de ‘bouwstenen’ van de beleidsadvieskaart (kaartbijlage 2) zien. Deze kaartbijlage is met name voor archeologisch-inhoudelijke gebruikers van de beleidsadvieskaart van belang. Hoofdstuk 2 omvat de algemene landschappelijke ontwikkeling en bewoningsgeschiedenis van het gemeentelijk grondgebied, waarbij de bestaande kaart met toelichting als basis heeft gediend. In hoofdstuk 3 wordt de actualisering van de verwachtingskaart beschreven: welke nieuwe gegevens heeft de inventarisatie opgeleverd en tot welke veranderingen ten opzichte van de vorige kaart heeft onderhavige studie geleid? Ook de methoden en resultaten van de veldtoets worden in hoofdstuk 3 beschreven.

De landschapsgenese en bewoningsgeschiedenis vormen de basis voor de landschappelijkarcheologische context van vindplaatsen en verwachtingszones. In hoofdstuk 4 worden de landschappelijk-archeologische verwachtingseenheden vertaald naar verwachtingszones met een hoge, middelhoge of lage verwachte dichtheid aan archeologische resten. De beslissingsregels die hieraan ten grondslag liggen, worden hierin nader toegelicht. Door aan de voorkomende ver-

RAAP-rapport 3013 / eindversie, 10 maart 2016

[6]

Actualisatie archeologiebeleid gemeente Amstelveen. Toelichting op de actualisatie van de gemeentelijke archeologische verwachtings(waarden)kaart en beleidsadvieskaart

wachtingszones een advies te koppelen inzake het te voeren AMZ-beleid, is ten slotte de archeologische beleidsadvieskaart tot stand gekomen. Dit wordt behandeld in hoofdstuk 5. De bijlagen 1 tot en met 3 betreffen catalogi van respectievelijk de bekende archeologische vindplaatsen, archeologische monumenten en de gebieden die in het kader van de AMZ zijn onderzocht. De dateringen van de in dit rapport genoemde archeologische perioden zijn vermeld in tabel 1. Achter in dit rapport is een lijst met gebruikte afkortingen opgenomen en worden enkele vaktermen beschreven. Kwaliteit Het onderzoek is uitgevoerd volgens de normen van de archeologische beroepsgroep (zie artikel 24 van het Besluit archeologische monumentenzorg). De Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 3.3), beheerd door de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB; www.sikb.nl), geldt in de praktijk als richtsnoer. RAAP beschikt over een opgravingsvergunning, verleend door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

RAAP-rapport 3013 / eindversie, 10 maart 2016

[7]

Actualisatie archeologiebeleid gemeente Amstelveen. Toelichting op de actualisatie van de gemeentelijke archeologische verwachtings(waarden)kaart en beleidsadvieskaart

Geologische perioden Tijdvak

Chronozone

Archeologische perioden Datering

Datering

Tijdperk

Recente tijd

- 1945

C

Nieuwe tijd

Laat Subatlanticum

- 1850

B

- 1650

A

- 1500

Laat B - 1150 na Chr.

Laat A C: Karolingische tijd B: Merovingisch tijd A: Volksverhuizingstijd

Vroeg Subatlanticum

Laat

Romeinse tijd

Holoceen

D: Ottoonse tijd

Vroeg

Middeleeuwen

Midden Vroeg

-0

Laat

IJzertijd

- 450 voor Chr.

Midden Vroeg Laat

Bronstijd

Subboreaal

Midden Vroeg Laat

Neolithicum

- 3700

(N ieuwe Steentijd)

Vroeg

Atlanticum - 7300

Boreaal

Allerød Vroege Dryas

Laat

Vroegste Dryas

Midden

Denekamp

(M idden S teentijd)

- 9700

- 1050 - 900 - 725 - 525 - 450 - 270 - 70 na Chr. - 15 voor Chr. - 250 - 500 - 800 - 1100 - 1800 - 2000 - 2850 - 4200 - 4900/5300

Laat

- 6450

Midden

- 8640

Vroeg

- 9700

- 11.050 - 11.500

Laat

- 12.000

- 12.500

Jong B

- 12.500 - 13.500

- 30.500

Prehistorie

Laat Glaciaal

Late Dryas

Bølling

- 16.000

Jong A - 35.000

Hengelo - 60.000

Vroeg

Weichselien Pleniglaciaal

Mesolithicum

- 8700

Preboreaal

Moershoofd

Paleolithicum - 71.000

Vroeg Glaciaal

Pleistoceen

Midden

- 1250

(O ude Steentijd)

Odderade Midden Brørup - 114.000

Eemien Saalien II Oostermeer Saalien I Belvedère/Holsteinien Glaciaal x Holsteinien

- 126.000 - 236.000 - 241.000

- 250.000

- 322.000 - 336.000

Oud

- 384.000 - 416.000

Elsterien 463.000

tabel1_standaard_GeoBioArcheo_RAAP_2014

Tabel 1. Geologische en archeologische tijdschaal.

RAAP-rapport 3013 / eindversie, 10 maart 2016

[8]

Actualisatie archeologiebeleid gemeente Amstelveen. Toelichting op de actualisatie van de gemeentelijke archeologische verwachtings(waarden)kaart en beleidsadvieskaart

2 Landschappelijke ontwikkeling en bewoningsgeschiedenis Delen integraal overgenomen uit Soonius & Bekius (2008)

2.1 Inleiding Wat vanuit de lucht direct opvalt aan het landschap in de gemeente Amstelveen is de strakke, recht toe recht aan verkaveling (figuur 1). Deze is het resultaat van de eeuwenlange ontginning van het veen in langgerekte, smalle kavels en de rationele indeling van de droogmakerijen. Wanneer men echter wat langer kijkt, ziet men op sommige percelen, tussen al die rechte lijnen soms ook enkele smalle, kronkelige lijnen lopen. Deze kronkelige lijnen zijn getij-inversieruggen en zijn een overblijfsel van het landschap zoals dat er zo’n 4500 jaar voor Chr. uitzag. Uit archeologische vondsten in de gemeente De Ronde Venen weten we dat dit landschap toen ook door mensen werd bewoond (Kloosterman, Molenaar & Rietkerk, 2011). De bewoningsgeschiedenis van de gemeente Amstelveen kan dus al zo’n 6500 jaar zijn begonnen. Op basis van de landschappelijke opbouw en historisch-geografische ontwikkeling van de gemeente Amstelveen worden de in Soonius, Molenaar en Rietkerk (2008) gehanteerde gebiedsonderscheidingen aangehouden: 1. de bebouwde kom van Amstelveen en het Amsterdamse Bos, waar geen gedetailleerde bodemkundige en/of geomorfologische informatie voorhanden is. De bebouwde kom is, op basis van historische kaarten wel verder onder te verdelen onverveend en verveend gebied; 2.

de veengebieden: het onverveende deel van Buitendijkse Buitenvelderse Polder, het onverveende bovenland langs de Amstel, de oeverlanden bij de Poel en de Ouderkerkerlaan of het Groote Loopveld. 3. de droogmakerijen ofwel de uitgeveende gebieden: de Schinkelpolder, de Kleine Noordpolder, de Rietwijkeroordpolder, de Buitendijkse Buitenvelderse polder, de Middelpolder onder Amstelveen, de Bovenkerkerpolder en de Legmeerpolder.

2.2 Prehistorie De landschappelijke basis waarin (waarop) de holocene ontwikkelingen hebben plaatsgevonden, wordt gevormd door pleistoceen dekzand (Laagpakket van Wierden, Formatie van Boxtel). De top van deze door de wind afgezette zanden ligt binnen de gemeentegrenzen van Amstelveen op een diepte van 8,0 tot 14,0 m -NAP (figuur 2; Riezebos & Du Saar, 1969; DINOloket). De hoogteligging van en het reliëf binnen dit dekzandoppervlak zijn echter slechts globaal bekend. Het dekzandlandschap was bewoonbaar gedurende het Laat Paleolithicum en Mesolithicum, totdat het rond 5.000 jaar geleden, als gevolg van de stijgende zeespiegel, vernatte en geleidelijk overgroeid raakte met veen (Basisveen Laag van de Formatie van Nieuwkoop). De archeolo-

RAAP-rapport 3013 / eindversie, 10 maart 2016

[9]

Actualisatie archeologiebeleid gemeente Amstelveen. Toelichting op de actualisatie van de gemeentelijke archeologische verwachtings(waarden)kaart en beleidsadvieskaart

gische verwachting voor de aanwezigheid van vindplaatsen uit deze perioden is in principe hoog, eventuele resten bevinden zich in de top van het dekzand, afhankelijk van de exacte morfologie en intactheid van het afgedekte dekzandlandschap. Voor landschappelijke zones met een sterke (ecologische) gradiënt - zoals dekzandruggen - geldt een hoge archeologische verwachting voor grotere nederzettingsterreinen (langdurig gebruikte of hergebruikte nederzettingsterreinen; palimpsesten) met een dichte strooiing van vuursteenmateriaal. Voor overige zones (vlakkere delen, of kleine kopjes binnen het dekzandlandschap) geldt een middelhoge archeologische verwachting voor kleinere, eenfasige nederzettingslocaties. Wel kunnen plaatselijk kleine (jacht)kampementjes of specifieke vindplaatstypen voorkomen (graven, rituele deposities, e.d.). Rond 4500 jaar voor Chr. lag de gemeente Amstelveen in een landschap dat misschien het beste te vergelijken is met de Biesbosch in Noord-Brabant. De zee is diep doorgedrongen in NoordHolland en heeft een systeem van brede en smalle geulen en kreken achtergelaten (figuur 3). Deze geulen en kreken stonden via grotere systemen in direct contact met de Noordzee en er zullen dan ook getijdenbewegingen (eb en vloed) merkbaar zijn geweest.

In deze periode gaat de westwaartse uitbouw van de kust relatief snel en zullen de oeverwallen langs de kreken en geulen geschikt zijn geweest voor bewoning. Uit archeologisch onderzoek weten we dat deze oeverwallen werden bezocht door mensen. Gedurende het Neolithicum (de Nieuwe Steentijd) kan er weer bewoning hebben plaatsgevonden binnen de huidige gemeentegrenzen, alhoewel hier tot op heden nog geen aanwijzingen voor zijn aangetroffen. Het Neolithicum staat voor de periode in onze geschiedenis waarin de mens overgaat van het jagen en verzamelen van voedsel naar het verbouwen van voedsel en het houden van vee. Een van de vele nieuwe producten die de landbouwende samenlevingen introduceerden was aardewerk. Het moge duidelijk zijn dat deze overgang niet van de ene op de andere dag plaatsvond. Terwijl men in Zuid-Limburg al volop aan het boeren was, leefden elders in Nederland nog hele volksstammen van de jacht, de visvangst en het verzamelen van bessen, noten, knollen etc. Door het uitwisselen van kennis en informatie via allerlei netwerken begonnen naar verloop van tijd echter ook steeds meer aspecten van de akkerbouw en veeteelt deel uit te maken van de jagersverzamelaars economie, eerst voorzichtig en wellicht argwanend, geleidelijk toch meer en meer.

In Swifterbant (Noordoostpolder) zijn vindplaatsen aangetroffen uit het Vroeg en Midden Neolithicum die in een vergelijkbaar landschap hebben gelegen als dat van De Ronde Venen. De mensen die hier leefden worden gerekend tot de Swifterbantcultuur en laten een leefwijze zien die goed aangeeft hoe het jagen en verzamelen werd gecombineerd met de akkerbouw en veeteelt. Op de oeverwallen was sprake van zomerbewoning door complete huishoudens. Kenmerkend is ook de eigen aardewerkstijl. Het is zeer aannemelijk dat de bewoning in de gemeente Amstelveen vergelijkbaar is met de bewoning in Swifterbant. Kenden deze groepen elkaar wellicht of waren ze op de een of andere manier met elkaar verbonden? Ruilden ze voedsel en werktuigen en wisselden ze informatie uit over nieuwe gebieden? Een goed antwoord op deze vragen is er nog niet. De archeologische informatie die uit de gemeente De Ronde Venen bekend is, is nog te gering. Ook vragen als hoe lang de bewoning heeft geduurd en wanneer deze is opgehouden zijn nog moeilijk te beantwoorden. Kijkend naar de situatie in Swifterbant vond vermoedelijk rond 4000 jaar voor Chr. een ver-

RAAP-rapport 3013 / eindversie, 10 maart 2016

[10]

Actualisatie archeologiebeleid gemeente Amstelveen. Toelichting op de actualisatie van de gemeentelijke archeologische verwachtings(waarden)kaart en beleidsadvieskaart

slechtering van de woonsituatie plaats. Uit recente archeologische onderzoeken komt steeds meer het beeld naar voren dat zich binnen de gemeentegrenzen geen overduidelijk bewoonbare oeverwallen van kreken hebben bevonden (zie hoofdstuk 3). Het veen dat voorheen alleen in de lage, natte gebieden groeide, begon langzaam terrein te winnen en dekte delen van het landschap af waardoor deze niet langer bewoonbaar waren. De bewoners vertrokken naar hogere, drogere gronden en lieten alles wat ze niet konden dragen of in hun kano’s konden vervoeren, achter.

2.3 Middeleeuwen Ontginningen in het Utrechts-Hollands veengebied Bijna 5000 jaar is verstreken sinds de neolithische bewoners uit de directe omgeving van Amstelveen zijn vertrokken. Het veen is in de tussentijd uitgegroeid tot veenkussens van enkele meters dik en vormt een voor mensen bijna onbegaanbare wildernis. Tussen de veenkussens loopt een systeem van grote en kleine veenriviertjes die het water afvoeren naar de grotere rivieren zoals de Amstel. Menselijke bewoning in het veengebied lijkt onmogelijk maar men zou op de oeverwallen van de grotere veenriviertjes gewoond kunnen hebben. Goede aanwijzingen hiervoor ontbreken echter vooralsnog. In de Vroege Middeleeuwen (450-1050 AD) werd het veengebied, waarin later de gemeente Amstelveen is ontstaan, niet of nauwelijks door mensen bewoond. De bodem was hier te drassig voor intensieve landbouw en nederzettingen met akkers waren geconcentreerd op de hogere en drogere geest- en zandgronden van Kennemerland en Utrecht. Het veengebied zal hoogstens in gebruik zijn geweest voor extensief landgebruik, zoals jacht, visserij en het verzamelen van hout en riet. In de 11e eeuw kwam verandering in deze situatie. Bevolkingsgroei en de daarmee samenhangende behoefte aan meer landbouwareaal, luidde de grootschalige ontginning van de Hollandse en Utrechtse veengebieden in.

Aangenomen wordt dat vanuit de ‘overbevolkte’ geest- en zandgronden van Kennemerland en Utrecht kolonisten de veengebieden zijn binnengetrokken die later Amstelland en Rijnland zouden gaan heten. Amstelland waterde af via de Amstel en is op initiatief vanuit Utrecht ontgonnen. Het gebied van Rijnland is in de loop der tijd gaan afwateren via het Haarlemmermeer en het IJ en is ontgonnen vanuit het Hollandse Kennemerland. De waterscheiding tussen deze twee gebieden liep door de huidige gemeente Amstelveen en markeerde tevens de grens tussen de Hollandse en de Utrechtse veenontginningen. Om de veengronden agrarisch bruikbaar te maken moesten ze eerst worden ontwaterd. Daartoe werden vanaf natuurlijke of vooraf gegraven waterlopen haaks op de natuurlijke helling van de veenkussens parallel aan elkaar gelegen, afwateringssloten gegraven, in de richting van de waterscheiding, de latere Landscheiding. Hierdoor ontstonden op de afwateringsrichting georiënteerde strokenverkavelingen. Rondom de ontginningen werden voor-, zij- en achterkades opgeworpen. Zo werden zij beschermd tegen overstromingen vanuit de veenrivieren en wateroverlast vanuit het nog niet ontgonnen veen. De bewoning werd gesitueerd in naast elkaar gelegen boerderijen op de afzonderlijke percelen.

Hierdoor ontstonden lineaire nederzettingen die haaks op de verkavelingsrichting waren georiënteerd (De Cock, 1965; Pons & Van Oosten, 1974; Beste-

RAAP-rapport 3013 / eindversie, 10 maart 2016

[11]

Actualisatie archeologiebeleid gemeente Amstelveen. Toelichting op de actualisatie van de gemeentelijke archeologische verwachtings(waarden)kaart en beleidsadvieskaart

man, 1994 & 1997; Kort, 1997; Barends e.a., 2000; Carasso-Kok, 2004: 25-34; Haartsen & Brand, 2005; De Bont, 2008). Amstelland In Amstelland wijst de vermelding in 1105 van ene Wolfger als serviens episcopi (dienaar van de bisschop) en scultetus de Amestello (schout te Amstel) op een van bovenaf georganiseerde ontginningscampagne op gezag van de Utrechtse bisschop. Wolfger resideerde waarschijnlijk in de nederzetting Amstel -later Ouderkerk genoemd- op de plek waar de Holendrecht en de Bullewijk uitmondden in de Amstel (Carasso-Kok, 2004). Over de precieze chronologie en aanpak van de ontginningen in Amstelland bestaat vooralsnog de nodige onduidelijkheid, maar voor het huidige Amstelveense grondgebied kan in hoofdlijnen het onderstaande beeld worden geschetst. Waarschijnlijk zijn in de 12e eeuw de eerste kolonisten begonnen met het graven van parallel aan elkaar liggende afwateringssloten vanaf de westelijke Amsteloever het veen in. De Amstel stroomde op dat moment waarschijnlijk in noordelijke richting naar het IJ en naar het Almere dat zich later tot de Zuiderzee zou ontwikkelen. Met de uitgegraven grond uit de afwateringssloten heeft men langs de Amstel tussen deze sloten waarschijnlijk terpjes opgeworpen waarop boerderijen werden gebouwd.

Ongeveer 2,5 tot 3,5 kilometer westelijk van de Amstel werd een achterkade opgeworpen om het ontgonnen gebied te beschermen tegen wateroverlast vanuit het nog niet ontgonnen veen. Deze achterkade -vroeger de ‘Veendijk’ genoemd- is nog steeds herkenbaar in het tracé van de huidige Amstelveenseweg/Amsterdamseweg, Dorpstraat, Handweg en Bovenkerkerkerweg. Om wateroverlast in zijwaartse richting te voorkomen werd ook een zijkade aangelegd: de Hollandse Dijk langs de huidige zuidelijke Amstelveense gemeentegrens (Thamerpolder) is van oorsprong een waterkering tussen de twee ontginningen. Misschien hebben ook de huidige Ouderkerkerlaan en Kalfjeslaan (vroeger respectievelijk ‘het Grote Loopveld’ en ‘het Kleine Loopveld’ geheten) oorspronkelijk een soortgelijke waterkerende functie gehad. De benaming ‘loopveld’ maakt een oorspronkelijke functie als verbindingsroute tussen de Amsteldijk en de Veendijk echter meer aannemelijk. Vervolgens is de Veendijk gaan fungeren als ontginningsbasis voor verder in westelijke richting opstrekkende ontginningen. Langs deze kade zijn toen de buurtschappen Roemersdorp, Middeldorp en Smedeman gesticht. De achtergrens van de secundaire ontginningen werd gevormd door de waterscheiding in het veengebied, die op dat moment de grens vormde tussen het Utrechtse en het Hollandse machtsgebied.

Binnen de huidige gemeente Amstelveen lag deze waterscheiding ter plaatse van de tegenwoordige Kleine Poel, De Poel, de Bleekerskade en het noordelijk verlengde daarvan. De ontginningen in de huidige Legmeerpolder waterden af in zuidelijke richting via de Legmeer en het Zijdelmeer. Deze wateren vormden destijds samen een natuurlijke waterloop die bij het tegenwoordige Uithoorn in de Amstel uitmondde. De Legmeerdijk zal in eerste instantie hebben gefungeerd als achterkade van de ontginningen in de huidige Legmeerpolder. Misschien is al direct bij de ontginning bewoning aan deze dijk gesitueerd, maar meer waarschijnlijk is dit pas in een later stadium gebeurd (De Cock, 1965; Pons & Van Oosten, 1974; Uitgeverij Canaletto, 1980; Vervloet & Mulder, 1983; Verkerk, 1987; Wolters-Noordhoff Atlaspro-

RAAP-rapport 3013 / eindversie, 10 maart 2016

[12]

Actualisatie archeologiebeleid gemeente Amstelveen. Toelichting op de actualisatie van de gemeentelijke archeologische verwachtings(waarden)kaart en beleidsadvieskaart

dukties, 1992; Van de Ven, 1993; Carasso-Kok, 2004: 25-34; Palmboom, 1995; Kort, 1997; Haartsen & Brand, 2005; Van Reenen & Ibelings, 2007; De Baar, 2007). In 1278 werd, waarschijnlijk op last van de Utrechtse bisschop, het gehele gebied ten westen van de Amstel tot aan de waterscheiding en grens met het Hollandse machtsgebied afgescheiden van het gerecht Amstel en onder een eigen bestuur geplaatst. Ter onderscheiding van het oudere Amstel aan de oostelijke zijde van de rivier kreeg dit nieuwe rechtsgebied -een ambachtsheerlijkheid die kan worden beschouwd als voorloper van de huidige gemeente Amstelveen- de naam Nieuwer-Amstel. Het Amstel aan de oostelijke zijde kreeg de naam OuderAmstel. Kort daarna is heel Amstelland, inclusief Amsterdam, onder het gezag van de Hollandse graaf gekomen. Begin 14e eeuw werd Amsterdam, dat stadsrechten kreeg van de Hollandse graaf, onafhankelijk van Nieuwer-Amstel. De stad kreeg toen een eigen bestuur en rechtstelsel (Verkerk, 1987; Carasso-Kok, 2004: 25-34, 45; Van Munster & Van Schaik, 2006). Kennemerland/Rijnland Het veengebied ten westen van de waterscheiding die de westelijke grens van het Amstelland vormde, is ontgonnen vanuit het Hollandse Kennemerland. De Hollandse ontginningen waarvan delen op het huidige Amstelveense grondgebied hebben gelegen zijn Aalsmeer, Rietwijk en Sloten.

Van Aalsmeer is bekend dat het in de eerste helft van de 12e eeuw door de weduwe van graaf Floris II is geschonken aan het klooster te Rijnsburg. Op dat moment heeft dus op zijn minst al een deel van deze ontginning bestaan. Het deel van de Aalsmeerder ontginning in de huidige gemeente Amstelveen lag in het zuidelijk deel van het Amsterdamse Bos: tussen de Kleine Poel, De Poel, de huidige Burgemeester Colijnweg en de westelijke gemeentegrens. Het betrof het meest noordelijke deel van de Aalsmeerder ontginningen, in het oosten begrensd door de waterscheiding met Amstelland en aan de noordzijde door een zijkade op de plaats van de huidige Burgemeester Colijnweg, vroeger Schipholkade genoemd. De afwatering vond plaats in westelijke richting naar het Oude Meer, waarschijnlijk een water van natuurlijke oorsprong dat later in het Haarlemmermeer is opgegaan. In de vorm van de huidige Kleine Noorddijk bestaat nog steeds een restant van de oude achterkade (voorheen de Noorddijk genoemd) van deze ontginning. Misschien al meteen bij de ontginning, maar waarschijnlijk pas in een later stadium is langs deze dijk bewoning gesitueerd. Noordelijk van Aalsmeer lag de ontginning Rietwijkeroord die bij Rietwijk hoorde. Het oudst bekende gedocumenteerde bezit in Rietwijk was in handen van de Abdij van Egmond en is vermeld in de 14e eeuw.

Het gedeelte van Rietwijkeroord in de huidige gemeente Amstelveen zal echter gelijktijdig met de ontginning van het noordelijk deel van Aalsmeer hebben plaatsgevonden, want de bovengenoemde achterkade van Aalsmeer (Kleine Noorddijk) liep er in door. Ook in de Rietwijkeroord heeft bewoning plaatsgevonden langs deze dijk, eveneens waarschijnlijk pas in een secundair bewoningsstadium. Rietwijkeroord waterde evenals de ontginningen van Aalsmeer af op het Oude Meer. Van de kerk van Sloten is een vermelding uit 1040 bekend, dus de ontginningen waren hier in de 11e eeuw zeker al in gang gezet. Het grondgebied van Sloten lag vrijwel geheel ten noorden van de huidige gemeente Amstelveen, maar ongeveer ter hoogte van de huidige Bosbaan heeft wel

RAAP-rapport 3013 / eindversie, 10 maart 2016

[13]

Actualisatie archeologiebeleid gemeente Amstelveen. Toelichting op de actualisatie van de gemeentelijke archeologische verwachtings(waarden)kaart en beleidsadvieskaart

de zuidgrens van de Sloter- ontginningen gelegen (dit is op oude kaarten nog te zien aan de oriëntatie van de strokenverkaveling, het huidige Nieuwe Meer is pas na de ontginning ontstaan). Anders dan de ontginningen van Rietwijk en Aalsmeer waterden de ontginningen van Sloten af in noordelijke richting, naar het IJ. Ter hoogte van de Bosbaan moet dus eveneens een waterscheiding hebben gelegen die haaks heeft aangesloten op de waterscheiding die de grens met Amstelland vormde (kaartbijlage 1). Op de omstreeks 1700 door Gerrit Drogenham getekende kaart van Amsterdam en omgeving staat ter plaatse van deze waterscheiding nog een ‘Scheydsloot’ ingetekend. Bewoning door inwoners van Sloten heeft op deze locatie waarschijnlijk niet plaatsgevonden: de nederzetting van Sloten lag noordelijker in de ontginning, op het grondgebied van de huidige gemeente Amsterdam (De Cock, 1965; Pons & Van Oosten, 1974; Uitgeverij Canaletto, 1980; Wolters-Noordhoff Atlasprodukties, 1992; Van de Ven, 1993; Kort, 1997). Maaivelddaling De ontginning van het veengebied had grote gevolgen voor de landschapsontwikkeling. De ontwatering leidde tot oxidatie en inklinking van het veen en had een maaivelddaling tot gevolg. Al in de 12e eeuw zal hierdoor de natuurlijke afwatering van de ontginningen op basis van het oorspronkelijke hoogteverschil problematisch zijn geworden.

Een tweede effect van de maaivelddaling was dat de laag gelegen gebieden kwetsbaar werden voor overstromingen vanuit de zich vormende Zuiderzee en het IJ. Overstromingen tastten het veen verder aan en plaatselijk ontstonden meren, zoals het Nieuwe Meer en het Haarlemmermeer bij Amstelveen. Men heeft getracht deze problemen te ondervangen door de aanleg van nieuwe waterlopen, dijken, dammen en sluizen. Daarnaast heeft men waarschijnlijk de nederzettingen naar de hogere en drogere terreindelen in het gebied verplaatst: voor zover de nederzettingen niet al direct bij de (secundaire) ontginningen aan de Veendijk, de Legmeerdijk en de Kleine Noorddijk zijn gesitueerd, heeft men ze daar onder invloed van de maaivelddaling in een later stadium naar toe verplaatst (Van de Ven, 1993; Besteman, 1994 & 1997; Haartsen & Brand, 2005). Ontwikkelingen in de waterhuishouding De maaivelddaling en de waterstaatkundige problemen die daardoor werden veroorzaakt, leidden tot ingrepen in de waterhuishouding. Om de ontginningen ten westen van de Amstel te kunnen vrijwaren van wateroverlast zijn een kade langs de westelijke Amsteloever en de Boerenwetering aangelegd. Bij de aanleg van deze kade zullen aanwezige terpjes langs de Amstel met elkaar zijn verbonden. Bij de Amstelmonding sloot de kade aan op een zeedijk langs de zuidelijke oever van het IJ.

Aangenomen wordt dat kades langs het IJ en de Amstel rond 1200 bestonden. Voor de afwatering van de Amstellandse ontginningen werd gemiddeld zo’n 1500 m ten westen van de Amstel haaks op de verkavelingsrichting de Boerenwetering gegraven. Via deze wetering, die de oudere afwateringssloten dwars doorsneed, werd het overtollige water uit de ontginningen noordwaarts gevoerd naar een laag gelegen uitwateringspunt in de benedenloop van de Amstel. Dit uitwateringspunt bevond zich ter plaatse van het huidige Spui in het stadscentrum van Amsterdam.

RAAP-rapport 3013 / eindversie, 10 maart 2016

[14]

Actualisatie archeologiebeleid gemeente Amstelveen. Toelichting op de actualisatie van de gemeentelijke archeologische verwachtings(waarden)kaart en beleidsadvieskaart

Ter verbetering van de afwatering van de Amstellandse ontginningen tussen de Veendijk en de waterscheiding met Rijnland moet ook hier al snel een waterloop in noordelijke richting zijn gegraven naar de nieuwe loop van de Amstel. Het voormalige Karnemelkse Gat in het huidige Amsterdamse Bos en de Schinkel in de tegenwoordige gemeente Amsterdam komen hiervoor in aanmerking. Via een waterloop langs het tracé van de huidige Overtoom en Leidschestraat destijds Heilige Weg genaamd- zal ook deze waterloop bij het Spui hebben afgewaterd op de Amstel. Voorts is in het gebied tussen de Veendijk en de Noorddijk op de voormalige waterscheiding tussen Rijnland en Amstelland de Landscheidingsvaart gegraven (langs de ‘Landscheyding’). Hierdoor ontstond een waterverbinding tussen het Nieuwe Meer en de Legmeer. Een volgende stap in de bestrijding van de wateroverlast was de afdamming van de mondingen van riviertjes in het IJ en de Zuiderzee. Hiermee werd de werking van de getijden op deze binnenwateren verhinderd en konden deze als boezem worden gebruikt. Bij lage waterstanden kon het overtollige boezemwater dan op het buitenwater worden geloosd. In 1253 werd de monding van het Spaarne in het IJ afgedamd en van sluizen voorzien, waardoor de boezem van Rijnland ontstond.

In het gebied van Amstelland werden rond 1275 de dam in de Amstel en de Ipensloterdam aangelegd en van sluizen voorzien (Pons & Van Oosten, 1974; Uitgeverij Canaletto, 1980; Wolters-Noordhoff Atlasprodukties, 1992; Van de Ven, 1993; Carasso-Kok, 2004; Haartsen & Brand, 2005). Voor het onderhoud van de dijken, dammen en sluizen en het beheer van de boezems werden waterschappen opgericht. De zorg voor de zuidelijke IJdijk ten westen van de Amstelmonding, de dam en de sluizen in het Spaarne en de bijbehorende boezem werd in 1253 ondergebracht bij het hoogheemraadschap Rijnland. Voor het onderhoud van de dammen in de Amstel en de Ipensloot en het beheer van de Amstelboezem werd het waterschap van Asichdom en Ipensloot opgericht, waarin Nieuwer-Amstel mede belanghebbend was. De zorg voor de zeedijk ten oosten van de Amstelmonding tot aan de Diemerzeedijk beruste aanvankelijk bij het heemraadschap Aesdommergerecht, waarin Nieuwer-Amstel ook belanghebbend was. Bij de uitbreidingen van Amsterdam kwam dit deel van de dijk echter steeds meer binnen de stad te liggen en nam de stad de verantwoordelijkheid hiervoor over (Van de Ven, 1993; Haartsen & Brand, 2005). Turfwinning In de veenontginningen van Nieuwer-Amstel, Aalsmeer en Rietwijkeroord werd ook turf gewonnen.

Vooral het veen in de nabijheid van de waterscheiding tussen Amstelland en Rijnland (veenmosveen) was van een goede kwaliteit om te verbranden. Wellicht is het dan ook geen toeval dat de oudst bekende vermeldingen over turfwinning betrekking hebben op het westelijk deel van het huidige gemeentelijke grondgebied. Uit 1342 is een grafelijke rekening bekend waarin een turfbede is opgenomen die door de bewoners in het kwartier van de Legmeer moest worden opgebracht. Op grond van deze belasting wordt aangenomen dat de bewoners niet alleen turf wonnen voor eigen gebruik (huisbrand), maar ook voor de verkoop. In de Middeleeuwen werd nog niet op grote schaal turf gewonnen beneden het grondwaterpeil. Voor het huidige Amstelveense grondgebied bleven de landschappelijke gevolgen van de turfwinning waarschijnlijk nog beperkt. Wel wordt aangenomen dat de turfwinning in deze periode

RAAP-rapport 3013 / eindversie, 10 maart 2016

[15]

Actualisatie archeologiebeleid gemeente Amstelveen. Toelichting op de actualisatie van de gemeentelijke archeologische verwachtings(waarden)kaart en beleidsadvieskaart

een factor van belang is geweest bij de ontwikkeling van het Haarlemmermeer en het Nieuwe Meer (Van Schaik (red.), 1996: 19; Van Dam, 1996).

2.4 Nieuwe tijd Ontwikkeling van de nederzettingen In Nieuwer-Amstel groeide de buurtschap Middeldorp aan de Veendijk uit tot de belangrijkste dorpskern binnen de heerlijkheid. Hier stond de kerk en vond de rechtspraak plaats nadat Nieuwer-Amstel in de 13e eeuw als rechtsgebied was afgescheiden van het oudere Amstel. In de loop der tijd zijn de nederzettingen aan de Veendijk (Roemersdorp, Middeldorp en Smedeman) aan elkaar gegroeid en gezamenlijk bekend komen te staan als Amstelveen. Als benaming voor Middeldorp verschijnt de naam Amstelveen in de loop van de 15e en 16e eeuw in schriftelijke bronnen. Hoewel sterk op Amsterdam georiënteerd, bleef Amstelveen tot in de 20e eeuw toch vooral een landelijke nederzetting waarvan de bevolking zich hoofdzakelijk bezighield met veehouderij, turfwinning en visserij. Langs de rivier de Amstel kwamen de Buurt over Ouderkerk, Waardhuizen, Schanshoek, Zwarte Kat en de Nes en de Zwaluwenbuurt tot ontwikkeling. De Buurt over Ouderkerk lag weliswaar op het grondgebied van Nieuwer-Amstel, maar hoorde functioneel eigenlijk bij Ouderkerk aan de Amstel dat op de oostelijke Amsteloever is gesticht. Vanwege de aanwezige brugverbinding over de Amstel passeerden hier veel reizigers en dit buurtje had vooral een functie als pleisterplaats.

Waardhuizen, Schanshoek, Zwarte Kat en de Nes en de Zwaluwenbuurt zijn in de 16e eeuw ontstaan als buurtschappen van veenwerkers langs de Amstel (Verkerk, 1987; Munster & Van Schaik, 2006; Haartsen & Brand, 2005). Na de Franse tijd werden de ambachtsheerlijkheden afgeschaft en werden gemeenten ingesteld. Het huidige Amstelveense grondgebied viel in eerste instantie onder het bestuur van drie gemeenten, te weten Nieuwer-Amstel, Aalsmeer en Rietwijkeroord. In 1854 is de gemeente Rietwijkeroord -die samenviel met de gelijknamige polder-opgegaan in de gemeente Nieuwer-Amstel. Het noordelijke deel van de Schinkelpolder behoorde vanouds bij Aalsmeer en is pas in 2002 bij de huidige gemeente Amstelveen gevoegd. In 1896 en 1921 heeft Amsterdam het noordelijk deel van Nieuwer-Amstel geannexeerd, waardoor de grens tussen deze gemeenten langs de Kalfjeslaan kwam te liggen. In de loop van de 19e eeuw is uit de lineaire nederzetting langs de Legmeerdijk het dorp Bovenkerk tot ontwikkeling gekomen. Het dorp dankt zijn naam aan een voormalig kerkje dat vroeger langs de Bovenkerkerweg heeft gestaan, bij de kruising met de tegenwoordige Nesserlaan. Behalve deze ‘Bovenkerk’ bestond halverwege de Legmeerdijk ook een ‘Benedenkerk’. Rond 1800 zijn beide kerkjes vervangen door 1 nieuw kerkgebouw bij de driesprong van de huidige Handweg, Bovenkerkerweg en Noorddammerlaan.

Omstreeks 1885 is dit kerkgebouw vervangen door de huidige kerk bij de Poel. In de 20e eeuw heeft het dorp Bovenkerk zich in zuidelijke richting in de Legmeerpolder uitgebreid. Na de annexaties door Amsterdam in 1896 en 1921 richtte Nieuwer-Amstel zich in het interbellum op de ontwikkeling tot forensgemeente van de hoofdstad. Hierdoor kwam een fors verstedelijkingsproces op gang. Nog voordat de Tweede Wereldoorlog uitbrak kwamen langs de Amster-

RAAP-rapport 3013 / eindversie, 10 maart 2016

[16]

Actualisatie archeologiebeleid gemeente Amstelveen. Toelichting op de actualisatie van de gemeentelijke archeologische verwachtings(waarden)kaart en beleidsadvieskaart

damseweg de nieuwe woonwijken Patrimonium en Randwijck tot stand. Patrimonium werd aangelegd op resterend bovenland van de Buitendijkse Buitenvelderse Polder en de Middelpolder. Randwijck kwam deels op resterend bovenland en deels in het verveende gebied van de Middelpolder te liggen. Verder werden in de verveende Middelpolder reeds delen van de wijken Elsrijk en Keizer Karelpark gerealiseerd en werd begonnen met de eerste bouwprojecten in de Bovenkerkerpolder. Daarnaast besloot Amsterdam in deze periode tot de aanleg van het Amsterdamse Bos in (delen van) de uitgeveende Rietwijkeroordpolder, de Buitendijkse Buitenvelderse Polder, de Kleine Noordpolder en de Schinkelpolder. In de jaren ‘30 van de vorige eeuw werd begonnen met de aanleg van het bos en hierbij heeft veel grondverzet plaatsgevonden. Na de Tweede Wereldoorlog werd Nieuwer-Amstel een overloopgemeente van Amsterdam en officieel een woongemeente van Schiphol. In de jaren ’50 van de vorige eeuw werden in de Middelpolder de uitbreidingswijken Elsrijk en Keizer Karelpark verder voltooid en werd het Stadshart aangelegd. In 1964 kwam de oude benaming van de gemeente Nieuwer-Amstel te vervallen en werd de gehele gemeente genoemd naar het inmiddels tot voorstad uitgegroeide Amstelveen.

In deze jaren werd in stormachtig tempo verder gebouwd en zijn de centrale delen van de Middelpolder en de Bovenkerkerpolder bebouwd met de wijken Kronenburg/Uilenstede, Kostverloren, Bankras en Groenelaan. Vanaf de jaren ’70 van de vorige eeuw kregen de zuidelijke wijken van het huidige Amstelveen vorm. Het eerst werden hier de wijken Waardhuizen en Middenhoven in de Bovenkerkerpolder en het industrieterrein Legmeer in de Noorder Legmeerpolder gerealiseerd. De meest recente nieuwbouwwijk is de Westwijk in de Noorder Legmeerpolder (Munster & Van Schaik, 2006; Gemeente Amstelveen, 2006). Buitenplaatsen langs de Amstel In de 16e en de 17e eeuw ontstond in Amsterdam een welvarende bevolkingsgroep van kooplieden en hoge ambtenaren die zich naast hun woning in de stad ook een luxe woning op het platteland konden veroorloven, een zogenaamde buitenplaats. Gezien de binding met de stad van de meeste van deze huizenbezitters, was een goede bereikbaarheid van de buitenplaats vanuit Amsterdam belangrijk. Omdat de boot in deze periode het meest comfortabele vervoermiddel was is het niet verwonderlijk dat de Amsteloevers favoriete locaties werden voor de vestiging van buitenplaatsen. De meeste buitenplaatsen in Nieuwer-Amstel werden niet nieuw aangelegd, maar waren bestaande boerderijen die werden aangekocht en verbouwd.

Meestal verbleef de nieuwe eigenaar alleen in de zomermaanden op het platteland en werd slechts een deel van de boerderij mooi ingericht voor de nieuwe eigenaar. Daarnaast werd een beperkt aantal grotere, prestigieuze buitenplaatsen aangelegd, die werden voorzien van fraaie tuinen en bijgebouwen, zoals dienstwoningen, koetshuizen, theekoepels, ijskelders en oranjerieën. Tot de oudste buitenplaatsen die op de westelijke Amsteloever werden aangelegd behoorden de huizen Kostverloren, Morgenstond en Tulpenburg (zie kaartbijlage 1). Kostverloren werd gesticht in de 16e eeuw en kwam voort uit een versterkte hoeve. Later is deze buitenplaats ook bekend komen te staan als Ruijschenstein. Morgenstond was een herenboerderij in bezit van het Sint Pietersgasthuis, dat deze boerderij verpachtte. Van Tulpenburg is het bestaan in 1606 bekend.

RAAP-rapport 3013 / eindversie, 10 maart 2016

[17]

Actualisatie archeologiebeleid gemeente Amstelveen. Toelichting op de actualisatie van de gemeentelijke archeologische verwachtings(waarden)kaart en beleidsadvieskaart

In de loop van de 17e en de 18e eeuw nam het aantal buitenplaatsen verder toe en zijn op de westelijke oever van de Amstel onder meer de buitenplaatsen Oostermeer en Wester-Amstel gesticht. Ook aan de Veendijk werden enkele buitenplaatsen gesticht, waaronder op het huidige Amstelveense grondgebied de buitenplaats Elsrijk (bij De Braak). Na de val van de Republiek eind 18e eeuw zijn de meeste buitenplaatsen afgebroken. Momenteel bestaan op Amstelveens grondgebied alleen nog Wester-Amstel, waarvan de opkamer nog een beetje aan een boerderij doet denken, en het statige Oostermeer (Haartsen & Brand, 2005; Uitgeverij Canaletto, 1978; Groesbeek, 1966). Waterbeheersing Rond 1500 was de waterstaatkundige situatie in de omgeving van Amstelveen problematisch geworden. De gemiddelde waterstanden op het buitenwater (het IJ en de Zuiderzee) liepen ten opzichte van het voortdurend dalende maaiveld steeds hoger op, waardoor het water uit de Amstelboezem steeds moeilijker kon worden geloosd. De wateroverlast leidde in 1520 tot de instelling van het heemraadschap van Nieuwer-Amstel. Om de wateroverlast tegen te gaan mocht dit heemraadschap binnen Nieuwer-Amstel verordeningen (keuren) uitvaardigen en controleren of deze ook werden nageleefd. Hierbij bleef het niet.

Om Amstelland als geheel te beschermen tegen wateroverlast van buitenaf werd in 1525 in breder verband het hoogheemraadschap Amstelland ingesteld. Daarnaast werd zowel in Amstelland als Rijnland de molenbemaling ingevoerd en werden in de eerste helft van de 17e eeuw in de omgeving rond Amstelveen polders gevormd door gebieden te omsluiten met kades. In het gebied van Nieuwer-Amstel dat binnen de huidige gemeente Amstelveen lag, werden rond 1630 de Bovenkerkerpolder, de Middelpolder en de Buitendijkse Buitenvelderse Polder gesticht en onder molenbemaling gebracht. De Legmeerplas bleef vooralsnog onbedijkt en het waterpeil zal hier gemeenschappelijk met het peil van de Amstelboezem zijn gebleven. In het Rijnlandse gebiedsdeel van het tegenwoordige Amstelveen werd in 1631 de Kleine Polder gesticht, die in de 18e eeuw is omgedoopt tot Zwarte Polder en nadien tot Schinkelpolder. Ten noorden hiervan werd omstreeks 1645 de Rietwijkeroordpolder opgericht. Voor de bemaling van de Middelpolder en de Bovenkerkerpolder werden molens bij de Amsteldijk geplaatst die uitsloegen op de Amstel. De Buitendijkse Buitenvelderse Polder en de Rietwijkeroordpolder werden voorzien van een doorlopende kade langs het Nieuwe Meer, de Koenenkade genoemd, waaraan voor beide polders een molen (de Koenenmolen en de Noordermolen) werd geplaatst die uitsloeg op het Nieuwe Meer.

Aansluitend op de Koenenkade werd langs de oever van het Haarlemmermeer een kade aangelegd die de Rietwijkeroordpolder aan de westzijde beschermde en die aansloot op de kades van de Schinkelpolder. Ter hoogte van de kruising van de huidige Bosrandweg met de kade langs het Haarlemmermeer werd de molen van de Schinkelpolder geplaatst, die uitsloeg op het Haarlemmermeer. In loop van de 19e en 20e eeuw is de molenbemaling vervangen door bemaling door gemalen (Van den Hoek-Ostende, 1977 & 1978; Haartsen & Brand, 2005).

RAAP-rapport 3013 / eindversie, 10 maart 2016

[18]

Actualisatie archeologiebeleid gemeente Amstelveen. Toelichting op de actualisatie van de gemeentelijke archeologische verwachtings(waarden)kaart en beleidsadvieskaart

Turfwinning en droogmakerijen De turfwinning in de omgeving van Amstelveen nam in de Nieuwe tijd een hoge vlucht. Enerzijds nam door economische groei en ontwikkeling de vraag naar turf sterk toe, anderzijds werd door het gebruik van de baggerbeugel bij de turfwinning vanaf de eerste helft van de 16e eeuw ook aanzienlijk meer turf gewonnen. Met de baggerbeugel kon tot meters diep onder de waterspiegel veen worden gewonnen en hierdoor ontstonden diepe waterplassen die niet meer dichtgroeiden met riet en veen. De steeds maar groter wordende plassen en meren vormden in toenemende mate een bedreiging voor de omgeving. Om het landverlies te beperken kreeg Amsterdam al in 1505 van landsheer Philips de Schone het recht om alle turfgraverij binnen een mijl (ca. 5,5 km) afstand van de stad te verbieden. Voor Nieuwer-Amstel betekende dit in de praktijk dat ten noorden van de Ouderkerkerlaan geen turf meer gestoken mocht worden. Ook voor een landstrook langs de Amsteldijk van zo’n 150 tot 450 m breedte werd in de 17e eeuw een verbod uitgevaardigd om turf te steken, uit angst voor afkalving van de Amsteldijk. Deze landstrook is nooit verveend en daardoor relatief hoog in het landschap komen te liggen. Dergelijke onverveende gebieden worden vanwege hun hoogteligging ‘bovenlanden’ genoemd (kaartbijlage 1).

Voor de instandhouding van de bovenlanden langs de Amsteldijk zal het turfwinningsverbod uiteindelijk minder doorslaggevend zijn geweest. Op de langere termijn zal belangrijker zijn geweest dat het veen langs de Amstel (bosveen, vaak vermengd met kleiafzettingen) ongeschikt was als brandstof (Barends e.a., 2000; Van Schaik (red.), 1996; Uitgeverij Canaletto, 1980). Vanaf de 18e eeuw is men de door vervening ontstane waterplassen op Amstelveens grondgebied, gaan droogleggen. De eerste polder die hier werd drooggelegd is de Bovenkerkerpolder. Met de droogmaking werd begonnen in 1765. De Veenkade en de Hollandse Dijk gingen deel uitmaken van de ringdijk, die verder langs de Ouderkerkerlaan en de bovenlanden langs de Amstel werd aangelegd. Langs de buitenzijde van de dijk werd ook een ringvaart gegraven die in verbinding stond met de bovenlanden langs de Amstel. Even ten noorden van de Nes en de Zwaluwenbuurt werd in de droogmakerij een molengang aangelegd die uitsloeg op de ringvaart. De ringvaart werd bemalen door de molens van de bovenlanden die uitsloegen op de Amstel. De drooglegging betekende overigens niet meteen het einde van de verveningen in de Bovenkerkerpolder.

Nog tot 1775 werd er op de drooggevallen gronden turf gestoken, waarbij veen dat in de vorm van bulten boven de drooggevallen grond uitstak, werd weggegraven en de bodem van de polder werd geëgaliseerd tot drie Rijnlandse voeten (1 Rijnlandse voet = 31,4 cm) boven de klei. In het laatste kwart van de 18e eeuw en de eerste helft van de 19e eeuw is relatief weinig turf gewonnen op Amstelveens grondgebied. De bescheidenheid werd vooral ingegeven door het landverlies en het risico op verdere uitbreiding van het Haarlemmermeer dat de turfwinning met zich meebracht. In deze periode waren alleen in de Legmeer en wellicht de tegenwoordige Poel nog verveners actief, waarschijnlijk omdat de turf hier van goede kwaliteit was. Ook hier vond men de resterende turf het risico op verder landverlies uiteindelijk niet meer waard en in 1822 werd de vervening in de Buitendijkse Buitenvelderse polder en de Legmeer geheel verboden (Van Schaik (red.), 1996; Uitgeverij Canaletto, 1980; Schoots, 1988).

RAAP-rapport 3013 / eindversie, 10 maart 2016

[19]

Actualisatie archeologiebeleid gemeente Amstelveen. Toelichting op de actualisatie van de gemeentelijke archeologische verwachtings(waarden)kaart en beleidsadvieskaart

Met de drooglegging van het Haarlemmermeer in de 19e eeuw kwam het gevaar van landverlies beter onder controle en kreeg de turfwinning in de omgeving van Amstelveen een nieuwe impuls. In de jaren 40 van de 19e eeuw werden concessies verleend om het zuidelijk deel van de Middelpolder en de Schinkelpolder te vervenen en droog te maken. De drooglegging van de Schinkelpolder werd voltooid in 1852; die van het zuidelijke deel van de Middelpolder in 1879. In 1869 werd concessie verleend voor de vervening van het noordelijk deel van Middelpolder en de drooglegging hiervan werd voltooid in 1888. Op dat moment was de drooglegging van de Noorder Legmeerpolder al een feit (1877). In 1879 werd begonnen met de vervening van de Rietwijkeroordpolder en in 1906 is deze polder drooggelegd en vervolgens verkaveld en in agrarisch gebruik genomen. Het agrarische landgebruik heeft hier overigens niet lang geduurd: in de jaren dertig van de 20e eeuw werd begonnen met de aanleg van het Amsterdamse Bos en zijn de boerderijen in de droogmakerij gesloopt. Tenslotte hebben nog verveningen en droogleggingen plaatsgevonden in de Buitendijkse Buitenvelderse Polder. In deze polder is in het westelijk deel van de Poel bij Amstelveen in 1910 de Kleine Noordpolder drooggelegd. Het noordelijke deel van de Buitendijkse Buitenvelderse Polder is verveend tussen 1905 en 1925.

Het Karnemelkse Gat een uitloper van het Nieuwe Meer- werd in deze veenderij opgenomen. De Buitendijkse Buitenvelderse Polder is na de drooglegging grotendeels opgenomen in het Amsterdamse Bos (Groote, 1995; Van Schaik (red.), 1996; Uitgeverij Canaletto, 1980). Verdedigingswerken rond Amsterdam Vanaf de 16e eeuw ontwikkelde de wapentechniek zich zodanig dat kastelen, stadsmuren en vestinggrachten niet voldoende bescherming meer boden tegen vijandelijk geschut. Om vijandelijke legers op afstand van de steden te houden werden vanaf toen verdedigingswerken aangelegd in het buitengebied. De omgeving van Amstelveen maakte deel uit van het grotere verdedigingsgebied rond Amsterdam. Bekend is dat tijdens de Opstand (1568-1648) in de vorm van schansen verdedigingswerken zijn aangelegd in Aalsmeer, Amstelveen en aan de Amsteldijk. Om aaneengesloten stellingen te creëren werden in oorlogstijd in laag gelegen gebieden tussen de verdedigingswerken militaire inundaties gesteld. Zodoende ontstonden in de loop der tijd verdedigingslinies zoals de Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam. Nadat Amsterdam in 1787 binnen korte tijd door een Pruisisch leger was veroverd, werd begin 19e eeuw aan militair ingenieur Cornelis Krayenhoff opdracht gegeven om de verdedigingswerken rondom de hoofdstad te verbeteren.

Dit gebeurde door rondom de stad een groot aantal aarden verdedigingswerken aan te leggen op zogenaamde accessen: toegangswegen voor de vijand die niet onder water konden worden gezet. In deze aarden werken of batterijen kon geschut worden geplaatst waarmee op vijandelijke troepen kon worden geschoten. Deze batterijen worden de ‘Posten van Krayenhoff’ genoemd en ook op het huidige Amstelveense grondgebied heeft er een aantal gelegen: post nr. 11 en nr. 12 bij de kruising van het ‘Grote Loopveld’ (Ouderkerkerlaan) met de Amsteldijk, post nr. 13 en nr. 14 bij de kruising van het ‘Grote Loopveld’ met de Veendijk (huidige Amsterdamseweg) en post nr. 17 aan de oever van het Haarlemmermeer in de Rietwijkeroordpolder. Plannen voor de aanleg van de posten nr. 15, nr. 23 en nr. 24 op het huidige Amstelveense grondgebied bleven uiteindelijk ontwerp. Als opvolger van het verdedigingsstelsel van Krayenhoff heeft men in de tweede helft van de 19e eeuw de Stelling van

RAAP-rapport 3013 / eindversie, 10 maart 2016

[20]

Actualisatie archeologiebeleid gemeente Amstelveen. Toelichting op de actualisatie van de gemeentelijke archeologische verwachtings(waarden)kaart en beleidsadvieskaart

Amsterdam aangelegd: een kringstelling rond Amsterdam bestaand uit inundaties en daartussen gelegen forten. Vanwege de tussentijds toegenomen reikwijdte van het geschut werden de werken van de Stelling van Amsterdam op grotere afstand van de stad gelegd dan ten tijde van Krayenhoff, ten zuiden van het huidige Amstelveense grondgebied (Haartsen & Brand, 2005; http://www.stelling-amsterdam.nl/).

2.5 Tot slot Met het droogleggen van de voormalige meren is het landschap zoals dat 4500 jaar voor Chr. bestond, in feite weer aan het maaiveld aanwezig. De ligging van de voormalige kreken en geulen zijn soms nog duidelijk als verhogingen zichtbaar aan het maaiveld als getij-inversieruggen. Het is eigenlijk heel bijzonder en uniek om na ruim 6000 jaar weer op dezelfde bodem te lopen als de mogelijk eerste bewoners van het gebied. Het feit dat de archeologische sporen zo dicht aan het maaiveld liggen, maakt ze echter ook zeer kwetsbaar voor bodemingrepen of zelfs voor regulier grondgebruik.

RAAP-rapport 3013 / eindversie, 10 maart 2016

[21]

Actualisatie archeologiebeleid gemeente Amstelveen. Toelichting op de actualisatie van de gemeentelijke archeologische verwachtings(waarden)kaart en beleidsadvieskaart

3 Actualisatie 3.1 Methoden Ten behoeve van de actualisatie van de archeologische verwachtingswaardenkaart heeft een inventarisatie van bekende archeologische waarden en onderzoeken plaatsgevonden. Het doel hiervan was het actualiseren van het bestand van bekende archeologische vindplaatsen in de gemeente Amstelveen en het herzien van de archeologische verwachting van de diverse landschappelijke eenheden. Landschappelijke ligging, aard, ouderdom, verspreiding, gaafheid en conservering van bekende archeologische vindplaatsen kunnen namelijk aanwijzingen verschaffen over de aanwezigheid van gelijksoortige, nog onbekende archeologische resten op andere, vergelijkbare locaties. In het kader van de actualisering is de algemene basisliteratuur ten aanzien van de landschappelijke ontwikkeling en bewoningsgeschiedenis niet opnieuw geraadpleegd (zoals bodemkaarten, historisch kaartmateriaal e.d.). Deze informatie is reeds verwerkt in de kaart uit 2008 en is overgenomen. Wel is op basis van het archeologisch onderzoek het bestaande (kaart)beeld aangevuld en aangescherpt. Hierbij is gebruik gemaakt van zowel onderzoeksrapporten uit de gemeente Amstelveen als uit omringde gemeenten, indien relevant. Landschappelijke inventarisatie Voor de actualisatie van de archeologische verwachtingszones is de bestaande landschappelijke kaartlaag aangepast en verfijnd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=amstelveen&id=92bb44f9-0fc6-47af-a7ef-4ca250506b84