CConstaterende datamstelveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendabundel

Raadscommissie voor Ruimte, wonen en natuur 16 september 2021, gemeente amstelveen36.742 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

type punt en opbouw

voorwaarden voor opbouw punten en inzet punten

Wachtpunten: opbouw één punt per jaar, bij deel van een jaar naar rato berekend. Er geldt geen maximum aantal punten.

Woningzoekende heeft een geldige inschrijving bij een aanbodinstrument.

Zoekpunten: opbouw één punt per kalendermaand met een maximum van dertig punten. Een woningzoekende kan punten opbouwen en verliezen.

Woningzoekende reageert in een kalendermaand tenminste vier keer op een conform artikel 2.7.1 passende woonruimte.

Situatiepunten: opbouw één punt per verstreken maand vanaf de datum toekenning verklaring, met een maximum van twaalf punten. Situatiepunten zijn maximaal drie jaar geldig, tenzij verlenging is toegekend. Situatiepunten voor jongeren: opbouw één punt per verstreken maand vanaf de datum toekenning verklaring, met een maximum van twaalf punten. Situatiepunten zijn maximaal drie jaar geldig, tenzij verlenging is toegekend.

Woningzoekende heeft een geldige verklaring ‘opbouw situatiepunten’. Situatiepunten kunnen worden ingezet bij 50% van de jaarlijks aangeboden woonruimten. Woningzoekende heeft een geldige verklaring ‘opbouw situatiepunten voor jongeren’. Situatiepunten voor jongeren kunnen worden ingezet bij 50% van de jaarlijks aangeboden woonruimten.

Artikel 2.4.8 Opbouw en afname van zoekpunten 1. Zoekpunten worden opgebouwd met één punt per kalendermaand indien een woningzoekende in de betreffende kalendermaand ten minste vier keer op een conform artikel 2.7.1 passende woonruimte heeft gereageerd, tot een maximum van dertig zoekpunten 2. Op opgebouwde zoekpunten komen zoekpunten in mindering als volgt: a. Voor iedere maand waarin een woningzoekende niet reageert op passende woonruimte volgt één punt aftrek; b. Bij weigering van- of niet reageren op een uitnodiging voor bezichtiging van een woonruimte waarop een woningzoekende heeft gereageerd volgt één punt aftrek; c. Bij afmelding van een afgesproken bezichtiging vóór het tijdstip van de bezichtiging, volgt één punt aftrek; d. Bij weigering van of niet reageren op een aangeboden woning door een woningzoekende volgt één punt aftrek; e. Bij niet op komen dagen bij een bezichtiging na aanvaarding van een uitnodiging door een woningzoekende trekken burgemeester en wethouders alle zoekpunten in; f. Bij de tweede weigering van een aangeboden woning door een woningzoekende trekken burgemeester en wethouders alle zoekpunten in. 3. In afwijking van het tweede lid wordt een zoekpuntensaldo niet lager dan nihil.

Pagina

9 van 38

Artikel 2.4.9. Nadere regels en hardheid. 1. Burgemeester en wethouders stellen nadere regels over de toepassing van artikel 2.4.8. 2. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd in gevallen waarin toepassing van artikel 2.4.8 naar hun oordeel tot een bijzondere hardheid leidt ten gunste van de aanvrager af te wijken.

Paragraaf 2.5 Opbouw situatiepunten Artikel 2.5.1 Aanvraag om een verklaring opbouw situatiepunten 1. Een verklaring opbouw situatiepunten wordt aangevraagd bij burgemeester en wethouders. 2. Burgemeester en wethouders beslissen binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. Zij kunnen deze termijn eenmaal verlengen met ten hoogste vier weken en maken hun besluit daartoe bekend binnen de in de vorige zin genoemde termijn. 3. De aanvraag wordt schriftelijk ingediend bij het college met behulp van een door burgemeester en wethouders vastgesteld aanvraagformulier. Artikel 2.5.2 Toelatingscriteria opbouw situatiepunten 1. Een woningzoekende kan in aanmerking komen voor een verklaring opbouw situatiepunten indien hij verkeert in een van de volgende situaties: a. hij woont met zijn huishouden sinds ten minste een jaar voorafgaand aan de datum van aanvraag, in bij een persoon die rechthebbende is op de woning en die geen deel uitmaakt van het huishouden van woningzoekende; of, b. hij verkeert in een situatie van echtscheiding of relatiebreuk en kan niet in de voormalig gezamenlijke woning blijven wonen en kan niet over zelfstandige woonruimte beschikken, 2. De woningzoekende die verkeert in een situatie als bedoeld in het eerste lid onder a. dient te voldoen aan de volgende voorwaarden: a.

de woningzoekende is in de twee jaar, voorafgaand aan de aanvraag onafgebroken woonachtig geweest in de woningmarktregio; en, b. de woningzoekende vormt een huishouden met ten minste één minderjarig kind; en, c. de woningzoekende staat ten minste één jaar, voorafgaand aan de datum van aanvraag, ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres van de persoon bij wie hij inwoont. 3. De woningzoekende die verkeert in een situatie als bedoeld in het eerste lid onder b. dient te voldoen aan de volgende voorwaarden: a. de woningzoekende is in de twee jaar, voorafgaand aan de aanvraag onafgebroken woonachtig geweest in de woningmarktregio; en, b. de woningzoekende heeft in de drie jaren voorafgaand aan de datum van de aanvraag, ten minste twee jaar aaneensluitend ingeschreven gestaan in de gemeentelijke basisadministratie op het adres van de gezamenlijke woning; en, c. de woningzoekende heeft (mede)gezag over en de zorg voor ten minste 1 dag per week voor ten minste één minderjarig kind. Artikel 2.5.3 Opbouw en intrekking van situatiepunten 1. Situatiepunten worden opgebouwd met één punt per verstreken maand vanaf de eerste van de kalendermaand volgend op de datum toekenning verklaring opbouw situatiepunten, met een maximum van twaalf situatiepunten 2. Burgemeester en wethouders trekken opgebouwde situatiepunten in de volgende gevallen in: a.

bij niet op komen dagen bij een bezichtiging na aanvaarding van een uitnodiging door een woningzoekende; b. bij de tweede weigering van een aangeboden woning.

Pagina

10 van 38

Artikel 2.5.4 Geldigheidsduur en verlenging situatiepunten 1. De verklaring opbouw situatiepunten heeft een geldigheidsduur van drie jaar vanaf de datum waarop deze is afgegeven. 2. Burgemeester en wethouders kunnen besluiten tot verlenging van de verklaring situatiepunten opbouw voor een tweede termijn van drie jaar indien de aanvrager nog steeds aan de criteria voldoet op grond waarvan de verklaring opbouw situatiepunten is verleend. 3. Een aanvraag tot verlenging wordt ingediend voordat de geldigheidstermijn van de verklaring is verstreken maar niet eerder dan twee jaar en zes maanden nadat de verklaring is verleend. Artikel 2.5.5 Algemene weigeringsgronden verklaring opbouw situatiepunten 1. Burgemeester en wethouders weigeren de verklaring opbouw situatiepunten indien naar hun oordeel de aanvrager niet voldoet aan de in artikel 2.5.2 genoemde eisen. 2. Burgemeester en wethouders stellen nadere regels over de toepassing van deze paragraaf. 3. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd in gevallen waarin toepassing van deze paragraaf naar hun oordeel tot een bijzondere hardheid leidt ten gunste van de aanvrager af te wijken van de bepalingen in deze paragraaf.

Paragraaf 2.6 Opbouw situatiepunten voor jongeren Artikel 2.6.1 Van overeenkomstige toepassingverklaring Op een aanvraag om een verklaring situatiepunten-opbouw voor jongeren zijn de artikelen 2.5.1, 2.5.3 en 2.5.4 van overeenkomstige toepassing. Artikel 2.6.2 Toelatingscriteria opbouw situatiepunten voor jongeren Om in aanmerking te komen voor een verklaring situatiepunten-opbouw voor jongeren dient de woningzoekende te voldoen aan de volgende voorwaarden: 1. De woningzoekende verkeert in een van de volgende situaties: a. hij is opgenomen in een pleeggezin of gezinshuis; of, b. hij beschikt over een WMO indicatie voor ambulante ondersteuning, met een looptijd van ten minste 2 jaar, waarvan er één is verstreken voor de datum van aanvraag; en: 2. De woningzoekende is op de datum van aanvraag meerderjarig maar heeft nog niet de leeftijd van vijfendertig jaar bereikt; en 3. De woningzoekende staat ten minste twee jaar, voorafgaand aan de datum van aanvraag, ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres van de ouder, pleegouder of het gezinshuis; en 4. De woningzoekende is in de twee jaar, voorafgaand aan de aanvraag onafgebroken woonachtig geweest in de woningmarktregio; en 5. Een verklaring opbouw situatiepunten voor jongeren wordt niet verstrekt naast een verklaring opbouw situatiepunten als bedoeld in artikel 2.5.2.

Artikel 2.6.3 Opbouw en intrekking van situatiepunten voor jongeren 1. Situatiepunten voor jongeren kunnen worden opgebouwd tot de datum dat de woningzoekende de leeftijd van vijfendertig jaar bereikt. 2. Burgemeester en wethouders trekken de verklaring situatiepunten en de opgebouwde situatiepunten voor jongeren in als de woningzoekende niet langer voldoet aan de criteria als bedoeld in artikel 2.6.2. Artikel 2.6.4 Algemene weigeringsgronden verklaring opbouw situatiepunten voor jongeren 1. Burgemeester en wethouders weigeren de verklaring opbouw situatiepunten indien naar hun oordeel de aanvrager niet voldoet aan de in artikel 2.6.2 genoemde eisen. 2. Burgemeester en wethouders stellen nadere regels over de toepassing van deze paragraaf.

Pagina

3.

11 van 38

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd in gevallen waarin toepassing van deze paragraaf naar hun oordeel tot een bijzondere hardheid leidt ten gunste van de aanvrager af te wijken van de bepalingen in deze paragraaf.

Paragraaf 2.7 Passendheidscriteria, bindingscriteria en volgorde bij toewijzing van woonruimte. Artikel 2.7.1 Passendheidscriteria: voorrang gelet op de aard, grootte en prijs van woonruimte 1. Als categorieën woonruimte als bedoeld in artikel 11 van de wet worden aangewezen de categorieën woonruimte beschreven in kolom 1 van de in het tweede lid opgenomen tabel. 2. Bij het verlenen van een huisvestingsvergunning voor woonruimte die behoort tot een in kolom 1 genoemde categorie woonruimte wordt voorrang gegeven aan de categorieën woningzoekenden genoemd in kolom 2 achter de desbetreffende categorie woonruimte.

Kolom 1: Categorie woonruimte (labels)

Kolom 2: Categorie woningzoekenden (voorrangsgroepen)

Woonruimte in het bijzonder geschikt voor de huisvesting van senioren (55 plus)

woningzoekenden met een leeftijd van ten minste 55 jaar, dan wel huishoudens waarvan ten minste één lid deze leeftijd heeft bereikt woningzoekenden met een leeftijd van ten minste 65 jaar, dan wel huishoudens waarvan ten minste één lid deze leeftijd heeft bereikt huishoudens bestaande uit ten minste een persoon met een leeftijd van tenminste 18 jaar en ten hoogste 22 jaar, die geen student is huishoudens bestaande uit ten minste een persoon met een leeftijd van tenminste 23 jaar en ten hoogste 27 jaar, die geen student is huishoudens in het bezit van een indicatie waaruit blijkt dat de specifieke eigenschappen van de woonruimte tegemoetkomen aan medische (fysiek en/of psychisch) beperkingen van één of meerdere leden van het huishouden Huishoudens met een laag inkomen

Woonruimte in het bijzonder geschikt voor de huisvesting van senioren (65 plus) Woonruimte in het bijzonder geschikt voor de huisvesting van jongeren (23 min) Woonruimte in het bijzonder geschikt voor de huisvesting van jongeren (28 min) Woonruimte in het bijzonder geschikt voor de huisvesting van personen met medische beperkingen / aangepaste woningen

Woonruimte gelet op de huurprijs in het bijzonder geschikt voor de huisvesting van huishoudens met een laag inkomen Woonruimte gelet op de huurprijs in het bijzonder geschikt voor de huis- vesting van huishoudens met een hoger inkomen Woonruimte in een gemengd wooncomplex

Woonruimte met drie of meer kamers en ten minste een woonoppervlakte van 65 m² Woonruimte met vier of meer kamers en tenminste een woonoppervlakte van 70 m²

Huishoudens met een hoger inkomen

huishoudens bestaande uit een door burgemeester en wethouders aangewezen doelgroep of huishoudens waarvan één of meerdere leden, naar het oordeel van burgemeester en wethouders, aantoonbaar bereid zijn ondersteuning te bieden aan de in het complex wonende doelgroep Huishoudens met één of twee minderjarige kinderen Huishoudens met drie of meer minderjarige kinderen

Pagina

3.

4.

5. 6.

12 van 38

Huishoudens met een laag inkomen zijn huishoudens met een inkomen tot een nader, bij het te huur aanbieden van woonruimte, door burgemeester en wethouders te bepalen hoogte. Huishoudens met een hoog inkomen zijn huishoudens met een inkomen boven een nader, bij het te huur aanbieden van woonruimte, door burgemeester en wethouders te bepalen hoogte. Als categorie woonruimte als bedoeld in artikel 11 van de wet wordt voorts aangewezen: woonruimte in het bijzonder geschikt voor de huisvesting van grote huishoudens. Een minderjarig kind behoort voor de toepassing van dit artikel tot het huishouden van woningzoekende als het als ingezetene op het woonadres van woningzoekende staat ingeschreven in de basisregistratie personen of, in geval van co-ouderschap, aantoonbaar ten minste drie hele dagen per week bij woningzoekende woont.

Artikel 2.7.2 Bindingscriteria: voorrang bij regionale of lokale binding 1. Bij de verlening van huisvestingsvergunningen komen alle zelfstandige huurwoningen met een rekenhuur tot de liberalisatiegrens in eigendom van corporaties in aanmerking voor voorrang voor woningzoekenden met lokale binding voor ten hoogste de in lid 2 gestelde limiet. 2. De verlening van huisvestingsvergunningen met toepassing van voorrang op grond van regionale en lokale binding wordt toegepast binnen de limieten als bepaald in artikel 14, tweede lid, van de Huisvestingswet 2014 en artikel 6s van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet. 3. Onder woningzoekenden met lokale binding wordt voor de toepassing van dit artikel verstaan een woningzoekende die de afgelopen zes jaar onafgebroken ingezetene van de gemeente Amstelveen is geweest, dan wel gedurende de afgelopen tien jaar ten minste zes jaar aaneengesloten ingezetene van de gemeente Amstelveen is geweest. Artikel 2.7.3 Algemene volgordebepaling 1. Indien een woonruimte te huur wordt aangeboden via een aanbodinstrument wordt de volgorde waarin de woningzoekenden die op het aanbod gereageerd hebben en in aanmerking komen voor een huisvestingsvergunning bepaald overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.7.3 en 2.7.4. 2. Voor een huisvestingsvergunning komen achtereenvolgens de volgende groepen woningzoekenden in aanmerking: a.

de woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke passendheidscriteria als bedoeld in artikel 2.7.1 en de bindingscriteria als bedoeld in artikel 2.7.2; b. de woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke passendheidscriteria als bedoeld in artikel 2.7.1; c. de woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke bindingscriteria, zo lang het maximum percentage als bedoeld in artikel 2.7.2 niet is bereikt; d. de overige woningzoekenden. 3. Voor een huisvestingsvergunning voor het in gebruik nemen van een woonruimte in een gemengd wooncomplex komt de woningzoekende in aanmerking die valt onder de door burgemeester en wethouders aangewezen doelgroep of de woningzoekende die aantoonbaar bereid is ondersteuning te bieden aan de in het complex wonende aangewezen doelgroep. 4. Binnen de categorieën als genoemd in het tweede lid komt de woningzoekende met het hoogste aantal woonpunten als eerste in aanmerking voor een huisvestingsvergunning. Artikel 2.7.4 Bijzondere volgorde voor houders van een SV-urgentieverklaring 1. Van de woningzoekenden die zijn ingedeeld in één van de in artikel 2.7.1 bedoelde groepen, komen als eerste in aanmerking voor een huisvestingsvergunning de houders van een SV-urgentieverklaring als bedoeld in artikel 2.9.8 tweede lid indien de woonruimte voldoet aan het in de urgentieverklaring opgenomen zoekprofiel.

Pagina

2.

3.

13 van 38

Indien op grond van het eerste lid meerdere houders van een SV-urgentieverklaring als eerste in aanmerking zouden komen voor een huisvestingsvergunning, komt als eerste in aanmerking het huishouden waarvan de SV-urgentieverklaring als eerste is verleend of waarvoor voorziening in de behoefte aan woonruimte naar het oordeel van burgemeester en wethouders het meest dringend noodzakelijk is. In afwijking van artikel 2.7.3 gaan de houders van een SV-urgentieverklaring voor op woningzoekenden die voldoen aan de bindingscriteria als bedoeld in artikel 2.7.2.

Artikel 2.7.5 Bijzondere volgorde in geval van loting 1. In afwijking van artikel 2.7.3 kan de volgorde waarin woningzoekenden die op het aanbod hebben gereageerd worden bepaald door loting. 2. Bij loting wordt door de corporatie op elektronische of andere geschikte wijze bepaald in welke volgorde de aan de loting deelnemende woningzoekenden voor de huisvestingsvergunning in aanmerking komen. Daarbij heeft elk deelnemende woningzoekende een gelijke kans op elke plek in de totale rangorde. 3. Per kalenderjaar wordt in de gehele regio op ten hoogste 15% en per gemeente op ten hoogste 20% van door corporaties te huur aangeboden woonruimten het rangordecriterium loting toegepast. Artikel 2.7.6 Directe bemiddeling 1. Houders van een urgentieverklaring als bedoeld in paragraaf 2.9, met uitzondering van houders van een SV-urgentieverklaring als bedoeld in artikel 2.9.8 tweede lid worden direct bemiddeld. 2. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen over de procedure bij directe bemiddeling. Artikel 2.7.7 Bijzondere gevallen Op verzoek van corporaties kan bij de huisvesting van huishoudens in bijzondere situaties die voldoen aan de volgende voorwaarden, direct bemiddeld worden: a. het betreft de huisvesting van huishoudens wier specifieke situatie vraagt om een oplossing op maat, welke niet kan worden geboden met toepassing van het bepaalde in deze verordening; b.

het aantal huisvestingen op grond van lid één van dit artikel bedraagt per kalenderjaar ten hoogste vijf procent van de met toepassing van het bepaalde in deze verordening te verhuren woonruimte; c. de verhuringen op grond van dit artikel worden geregistreerd en jaarlijks gerapporteerd aan Burgemeester en Wethouders.

Paragraaf 2.8 Experimenten woonruimteverdeling Artikel 2.8.1 Algemeen 1. Bij een experiment worden de effecten onderzocht van een wijze van in gebruik geven van woonruimte, welke niet in of op grond van deze verordening is geregeld maar wel in een op grond van de wet vast te stellen verordening geregeld zou kunnen worden. 2. De wijze van in gebruik geven van woonruimte als bedoeld in het eerste lid staat ten dienste van een rechtvaardige, doelmatige, evenwichtige en transparante verdeling van woonruimte. Artikel 2.8.2 Experimenten met woonruimten van corporaties 1. Corporaties en één of meer regiogemeenten kunnen een experiment organiseren. Zij stellen daartoe de opzet van het experiment vast, welke tenminste het volgende bevat: a. een beschrijving van het doel en de inhoud van het experiment; en, b. het toepassingsbereik van het experiment; en, c. de tijdsduur van het experiment; en,

Pagina

14 van 38

d.

2.

3.

de wijze van begeleiding van het experiment gedurende de duur van het experiment; en, e. de wijze en punten waarop het experiment geëvalueerd wordt. Een experiment heeft een maximale duur van twee jaar en betreft per jaar maximaal tien procent van de in dat jaar toe te wijzen woonruimten van de corporaties die bij het experiment betrokken zijn. Een experiment vangt pas aan nadat goedkeuring is verkregen van burgemeester en wethouders van betreffende regiogemeenten. Bij de beslissing tot goed dan wel afkeuring van de experiment worden de belangen van een evenwichtige, rechtvaardige, doelmatige en transparante verdeling van woonruimte in acht genomen.

Artikel 2.8.3 Experiment met overige aangewezen woonruimten 1. Andere verhuurders dan corporaties kunnen in samenwerking met één of meer regiogemeenten een experiment organiseren. Het bepaalde in artikel 2.8.2, eerste lid, is hierop van overeenkomstige toepassing. 2. Een experiment heeft een maximale duur van twee jaar en vangt pas aan nadat burgemeester en wethouders de experimentenopzet hebben goedgekeurd. Bij hun beslissing omtrent goedkeuring nemen zij de belangen van een evenwichtige, rechtvaardige, doelmatige en transparante verdeling van woonruimte in acht.

Paragraaf 2.9 Urgentie Artikel 2.9.1 Bevoegdheid tot beslissen op een aanvraag om een urgentieverklaring Op een aanvraag om een urgentieverklaring beslissen burgemeester en wethouders bij wie de aanvraag ingevolge artikel 2.9.2, eerste lid, wordt ingediend. Artikel 2.9.2 Aanvraag om een urgentieverklaring 1. Een urgentieverklaring wordt aangevraagd: a. bij burgemeester en wethouders van de regiogemeente waar de aanvrager blijkens diens inschrijving in de basisregistratie zijn woonadres heeft; of, b. bij burgemeester en wethouders van de regiogemeente waar de aanvrager wil gaan wonen, als de aanvrager niet in de woningmarktregio woont. 2. Burgemeester en wethouders beslissen binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. Zij kunnen deze termijn eenmaal verlengen met ten hoogste vier weken en maken hun besluit daartoe bekend binnen de in de vorige zin genoemde termijn. 3. De aanvraag gaat in ieder geval vergezeld van de volgende gegevens en bescheiden: a. stukken waaruit blijkt dat de aanvrager als woningzoekende is ingeschreven in een aanbodinstrument; b. informatie over de aard en de oorsprong van het huisvestingsprobleem dat aan de aanvraag ten grondslag ligt; en c. informatie over het inkomen en het vermogen van het huishouden van aanvrager. 4.

Het bepaalde in het vorige lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing op een aanvraag die een verzoek om indeling in een urgentiecategorie als bedoeld in artikel 2.9.6 inhoudt. Artikel 2.9.3 Inhoud van de urgentieverklaring 1. De urgentieverklaring bevat een zoekprofiel voor woonruimte. 2. Het zoekprofiel bevat het qua ligging, grootte, en aard meest sobere woningtype of de meest sobere woningtypen, naar het oordeel van burgemeester en wethouders noodzakelijk voor het oplossen van het huisvestingsprobleem. 3. Het zoekprofiel bevat voorts het zoekgebied waarvoor de urgentieverklaring geldig is. 4. De urgentieverklaring bevat verder de volgende informatie: a. de naam, het adres en de woonplaats van aanvrager; b. de geboortedatum van aanvrager; c. het dossiernummer van de aanvraag; d. de termijn gedurende welke de urgentieverklaring geldig is.

Pagina

15 van 38

Artikel 2.9.4 Het zoekgebied 1. Het zoekgebied omvat de gemeente van burgemeester en wethouders die de urgentieverklaring hebben verleend. 2. Het bepaalde in de volgende leden is uitsluitend van toepassing op een urgentieverklaring waarmee de woningzoekende is ingedeeld in een in artikel 2.9.8 genoemde urgentiecategorie. 3. Indien de houder van de urgentieverklaring wil verhuizen naar een andere regiogemeente dan die waar de urgentieverklaring is afgegeven, kunnen burgemeester en wethouders van de ontvangende regiogemeente: a. het zoekgebied wijzigen zodat het hun gemeente omvat. Met de wijziging van het zoekgebied komt een eerder in het zoekprofiel opgenomen zoekgebied te vervallen; en, b. de in het zoekprofiel opgenomen woningtypen wijzigen in het voor de ontvangende gemeente, gelet op de toepasselijke urgentiecategorie, met inachtneming van het bepaalde in artikel 2.9.3, tweede lid, gangbare woningtype of woningtypen. 4. Burgemeester en wethouders kunnen de in het derde lid bedoelde wijziging van het zoekgebied weigeren indien naar hun oordeel de onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan goedkope woonruimte of nadere afspraken tussen de regiogemeenten daartoe nopen. 5. Burgemeester en wethouders beslissen binnen een termijn van vier weken op een verzoek om wijziging van het zoekgebied, bedoeld in het derde lid.

Artikel 2.9.5 Algemene weigeringsgronden urgentieverklaring 1. Burgemeester en wethouders weigeren de urgentieverklaring indien naar hun oordeel sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden: a. het huishouden van de aanvrager voldoet niet aan de in artikel 2.2.1 genoemde eisen; b. er is geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem; c. de aanvrager kon het huisvestingsprobleem redelijkerwijs voorkomen of kan het huisvestingsprobleem redelijkerwijs op een andere wijze oplossen; d. het huisvestingsprobleem kon worden voorkomen of kan worden opgelost door gebruik te maken van een voorliggende voorziening; e. het aan de aanvraag ten grondslag liggende huisvestingsprobleem is ontstaan als gevolg van een verwijtbaar doen of nalaten van aanvrager of een lid van zijn huishouden; f. het aan de aanvraag ten grondslag liggende huisvestingsprobleem kan niet of in onvoldoende mate opgelost worden met verhuizing naar zelfstandige woonruimte of andere zelfstandige woonruimte; g. de aanvraag is ingediend binnen twee jaar nadat een eerder aan aanvrager of een lid van zijn huishouden verleende urgentieverklaring is vervallen of ingetrokken met toepassing van artikel 2.9.9 of 2.9.10; h. de aanvrager is niet in staat om in zijn bestaan of in de kosten van bewoning van zelfstandige woonruimte te voorzien; i.

de aanvrager en alle leden van zijn huishouden, die in de periode direct voorafgaand aan het indienen van de aanvraag blijkens diens inschrijving in de basisadministratie niet tenminste twee jaar onafgebroken in de gemeente waar de urgentieverklaring wordt aangevraagd woonachtig was, tenzij één of meerdere leden van het huishouden van aanvrager schoolgaande kinderen zijn en de aanvrager en zijn huishouden vanwege een relatiebreuk tussen aanvrager en diens partner is verhuisd naar een inwoonadres buiten Amstelveen en binnen een half jaar na vertrek uit Amstelveen een urgentieverklaring heeft aangevraagd; 2. Indien de aanvraag betrekking heeft op indeling in een urgentiecategorie bedoeld in artikel 2.9.8, eerste lid, kunnen burgemeester en wethouders vervolgens het aangevraagde weigeren indien de aanvrager gedurende de in het vorige lid, onder i, bedoelde termijn niet heeft gewoond in een zelfstandige en krachtens een besluit op grond van de Wet ruimtelijke ordening voor permanente bewoning bestemde woonruimte.

Pagina

3. 4.

16 van 38

Burgemeester en wethouders weigeren de urgentieverklaring, indien de aanvrager niet valt onder één van de in artikel 2.9.6 tot en met 2.9.8 opgenomen urgentiecategorieën. Op vergunninghouders als bedoeld in artikel 28 van de wet zijn de bindingscriteria als bedoeld in artikel 2.9.5 onder i niet van toepassing.

Artikel 2.9.6 Wettelijke urgentiecategorieën Een urgentieverklaring kan worden verleend indien zich geen van de in artikel 2.9.5, eerste lid, aanhef en onder a tot en met h genoemde omstandigheden voordoet en de aanvrager tot ten minste één van de volgende urgentiecategorieën behoort: a. woningzoekenden die verblijven in een voorziening voor tijdelijke opvang van personen, die in verband met problemen van relationele aard of geweld hun woonruimte hebben verlaten en waarvan de uitstroom uit die voorziening aanstaande is, indien de behoefte aan in de desbetreffende regiogemeente gelegen woonruimte als gevolg van die uitstroom naar het oordeel van burgemeester en wethouders dringend noodzakelijk is; b. woningzoekenden waarvan de voorziening in de behoefte aan woonruimte als gevolg van het verlenen of ontvangen van mantelzorg naar het oordeel van burgemeester en wethouders voor aanvrager dringend noodzakelijk is. Artikel 2.9.7 Urgentiecategorie uitstroom 1. Een urgentieverklaring kan worden verleend aan een woningzoekende die moet omzien naar woonruimte aansluitend op verblijf in een instelling voor maatschappelijke opvang, een psychiatrische instelling of een erkende hulp- of dienstverleningsinstelling, indien: a.

de aanvrager tenminste twee van de drie jaren direct voorafgaand aan het verblijf in de instelling blijkens de inschrijving in de basisadministratie woonachtig was in de woningmarktregio; en, b. geen van de in artikel 2.9.5, eerste lid, aanhef en onder a, c, d, f of h genoemde omstandigheden zich voordoet; en, c. de aanvrager, naar het oordeel van burgemeester en wethouders voldoende zelfredzaam is. 2. Indien een urgentieverklaring als bedoeld in het eerste lid wordt aangevraagd door een woningzoekende die verblijft in een in de woningmarktregio gelegen instelling als bedoeld in het eerste lid, zijn de volgende leden van toepassing. 3. In afwijking van het bepaalde in artikel 2.9.1. en artikel 2.9.2, eerste lid, wordt op een aanvraag om een urgentieverklaring waarmee een woningzoekende wordt ingedeeld in een urgentiecategorie als bedoeld in het vorige lid, besloten door burgemeester en wethouders van de regiogemeente waar de locatie van de opvanginstelling waar de woningzoekende verblijft resideert. 4.

In afwijking van het bepaalde in artikel 2.9.4, eerste lid, omvat het in de urgentieverklaring op te nemen zoekgebied de regiogemeente waarin aanvrager tenminste twee van de drie jaren direct voorafgaand aan het verblijf in de instelling blijkens de inschrijving in de basisadministratie woonachtig was, tenzij burgemeester en wethouders gelet op de problematiek van aanvrager een andere regiogemeente in het zoekgebied opnemen. 5. Het college van burgemeester en wethouders van de regiogemeente die tot het in de urgentieverklaring opgenomen zoekgebied behoort, stelt het in de urgentieverklaring op te nemen woningtype vast, overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.9.3, tweede lid. Artikel 2.9.8 Overige urgentiecategorieën 1. Een urgentieverklaring kan worden verleend indien zich geen van de in artikel 2.9.5, eerste en tweede lid, genoemde omstandigheden voordoet en de aanvrager tot tenminste één van de volgende urgentiecategorieën behoort: a. woningzoekenden die in een acute noodsituatie verkeren;

Pagina

17 van 38

b.

2.

3.

woningzoekenden, met inbegrip van de situatie waarin dit slechts geldt voor één lid van het huishouden van een woningzoekende, die op grond van medische of sociale omstandigheden in een levensontwrichtende woonsituatie verkeren die naar het oordeel van burgemeester en wethouders alleen opgelost kan worden door verhuizing naar andere zelfstandige woonruimte, voor zover zij niet behoren tot de in artikel 2.9.7 bedoelde urgentiecategorie; c. woningzoekenden waarvan de huidige woonruimte behoort tot een door burgemeester en wethouders op grond van het tweede lid aangewezen complex; d. woningzoekenden waarvan de binnen de gemeente gelegen zelfstandige woonruimte als gevolg van een calamiteit naar het oordeel van burgemeester en wethouders duurzaam ongeschikt is voor bewoning. e. vergunninghouders die op grond van artikel 28 van de wet voor een periode van vijf jaar zijn gehuisvest met een huurovereenkomst als bedoeld in artikel 7:271, eerste lid tweede volzin van het Burgerlijk Wetboek en waarvan deze huurovereenkomst eindigt, waarna de vergunninghouder niet op eigen kracht een andere woonruimte kan vinden. Burgemeester en wethouders kunnen complexen aanwijzen waarvan de bewoners in verband met sloop of ingrijpende renovatie of herstructurering van het gebied waarin de complexen zijn gelegen, redelijkerwijs binnen twee jaar niet meer in hun huidige woonruimte kunnen blijven wonen.

Burgemeester en wethouders stellen daarbij een datum vast met ingang waarvan de bewoners van de aangewezen complexen een SVurgentieverklaring kunnen aanvragen. Op de urgentiecategorieën bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a en c, is het bepaalde in artikel 2.9.3, tweede lid, niet van toepassing.

Artikel 2.9.8a Sociaal medische urgentie 1. Een urgentieverklaring kan worden verleend indien zich geen van de in artikel 2.9.5, eerste en tweede lid, genoemde omstandigheden voordoet en de aanvrager, het huishouden van aanvrager of een lid van dat huishouden zich naar het oordeel van burgemeester en wethouders op grond van medische of sociale omstandigheden in een levens ontwrichtende woonsituatie bevindt, welke alleen beëindigd kan worden door verhuizing naar andere zelfstandige woonruimte. 2. Van een levens ontwrichtende woonsituatie als bedoeld in het eerste lid is sprake: a. indien een of meerdere leden van het huishouden van aanvrager ernstige medische beperkingen heeft; b. bij dakloosheid of dreigende dakloosheid van een huishouden waarvan minderjarige kinderen deel uitmaken; c. indien een of meerdere leden van het huishouden van aanvrager met geweld bedreigd wordt of het slachtoffer is van geweld; of, d. indien het huishouden naar het oordeel van burgemeester en wethouders onevenredig hoge woonlasten heeft. Artikel 2.9.9 Geldigheid van de urgentieverklaring 1. Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing op de SV-urgentieverklaring en de urgentieverklaringen waarmee een woningzoekende is ingedeeld in een urgentiecategorie als bedoeld in artikel 2.9.6, of artikel 2.9.7, eerste lid. 2. De urgentieverklaring vervalt: a.

nadat de houder ervan passende woonruimte heeft gevonden; b. nadat de houder ervan niet meer behoort tot de urgentiecategorie welke aanleiding was voor verlening van de urgentieverklaring; of, c. na verloop van een termijn van 26 weken na verlening van de urgentieverklaring. 3. Burgemeester en wethouders van de gemeente die tot het in de urgentieverklaring vermelde zoekgebied behoort kunnen besluiten dat de urgentieverklaring een langere termijn dan die bedoeld in het tweede lid geldig blijft indien:

Pagina

18 van 38

a.

4.

de omstandigheden bedoeld in artikel 2.9.5, eerste lid, zich niet voordoen en de houder van de urgentieverklaring nog steeds in de urgentiecategorie valt welke aanleiding was voor verlening van de urgentieverklaring. Met inbegrip van de in het vorige lid bedoelde verlenging vervalt een urgentieverklaring na het verstrijken van een periode van 52 weken na het moment waarop zij verleend is.

Artikel 2.9.10 Wijzigen en intrekken van de urgentieverklaring 1. Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing op de SV-urgentieverklaring. 2. Burgemeester en wethouders trekken de urgentieverklaring in indien: a. bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en, indien juiste of volledige gegevens verstrekt zouden zijn geweest, de urgentieverklaring zou zijn geweigerd; b. de houder van de urgentieverklaring niet meer behoort tot de urgentiecategorie welke aanleiding was voor verlening van de urgentieverklaring of zich één of meer toepasselijke, in artikel 2.9.5, eerste lid, opgenomen en op de desbetreffende urgentiecategorie toepasselijke weigeringsgronden voordoen; c. de houder van de urgentieverklaring daartoe verzoekt of, d. de houder van de urgentieverklaring passende woonruimte heeft geweigerd of zich anderszins onvoldoende heeft ingespannen om zijn huisvestingsprobleem op te lossen. 3. Burgemeester en wethouders kunnen de urgentieverklaring wijzigen indien: a. bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en, indien juiste of volledige gegevens verstrekt zouden zijn geweest, de urgentieverklaring niet zou zijn geweigerd maar anders op de aanvraag zou zijn besloten; of b. de houder van de urgentieverklaring behoort tot een andere urgentiecategorie dan die welke aanleiding was voor verlening van de urgentieverklaring. 4.

Ter voorbereiding van een besluit tot intrekking of wijziging van de urgentieverklaring kunnen burgemeester en wethouders zich laten adviseren door een ter zake deskundig persoon. 5. Indien burgemeester en wethouders een voorwaarde aan de urgentieverklaring hebben verbonden, treedt de urgentieverklaring pas in werking als aan de voorwaarde is voldaan. Artikel 2.9.11 Bijzondere omstandigheden Burgemeester en wethouders zijn, indien toepassing van deze verordening zou leiden tot weigering van een urgentieverklaring, bevoegd om in bijzondere omstandigheden toch een urgentieverklaring toe te kennen indien: a. weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie; en, b. sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn. Artikel 2.9.12 Overgangsrecht urgentieverklaringen Urgentieverklaringen die zijn verleend op grond van de Huisvestingsverordening Amstelveen 2018 worden gelijkgesteld met de op grond van artikel 2.9.1 van deze verordening te verlenen urgentieverklaringen. Afdeling II Verdeling van standplaatsen

Paragraaf 2.10 Standplaatsen voor woonwagens Artikel 2.10.1 Werkingsgebied In de gemeente Amstelveen worden alle standplaatsen aangewezen als woonruimte als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de wet.

Pagina

19 van 38

Artikel 2.10.2 Reikwijdte vergunningplicht Het is verboden zonder een huisvestingsvergunning een aangewezen standplaats in gebruik te nemen of te geven. Artikel 2.10.3 Standplaatszoekenden en inschrijving register 1. Burgemeester en wethouders houden een register bij van standplaatszoekenden. Het register vermeldt de standplaatszoekenden in volgorde van inschrijvingsdatum. 2. Om in het eerste lid genoemde register te kunnen worden ingeschreven moet de standplaatszoekende aantonen dat hij voldoet aan de criteria genoemd in artikel 2.2.1. 3. Bij inschrijving is een inschrijfgeld van € 55,--2 verschuldigd. Als datum van inschrijving geldt de datum van ontvangst van het inschrijfgeld. 4. De inschrijving in het register is geldig voor één jaar. De inschrijving wordt automatisch verlengd tenzij de inschrijving is beëindigd. De verlengingskosten zijn jaarlijks € 10,-. 5. Burgemeester en wethouders zijn gerechtigd de in het derde en vierde lid van dit artikel genoemde bedragen voor inschrijving en verlenging te wijzigen. 6. Burgemeester en wethouders verstrekken aan de standplaatszoekende een bewijs van inschrijving, waarop in ieder geval de volgende gegevens zijn vermeld: a. inschrijvingsnummer; b. datum van inschrijving; c. naam en adres van aanvrager. 7. De inschrijfduur is gelijk aan de periode dat men als standplaatszoekende ingeschreven staat. 8.

Burgemeester en wethouders halen een inschrijving door in het register indien: a. de standplaatszoekende niet meer aan de vereisten voor inschrijving voldoet; b. de standplaatszoekende daarom verzoekt; c. de standplaatszoekende is overleden; d. de standplaatszoekende niet binnen de betaaltermijn de inschrijf- of verlengingskosten betaalt; e. de standplaatszoekende een standplaats van de gemeente krijgt toegewezen, deze accepteert en huurder wordt; f. de standplaatszoekende als medehuurder wordt aangemerkt bij het huren van een standplaats van de gemeente; g. de standplaatszoekende gegevens heeft verstrekt bij de inschrijving waarvan deze wist of redelijkerwijs kan vermoeden dat zij onjuist of onvolledig waren; of h. de standplaatszoekende bij een verandering in zijn/haar adres niet binnen vier weken deze wijziging van zijn inschrijving heeft doorgegeven door inzending van een door burgemeester en wethouders te verstrekken wijzigingsformulier. Artikel 2.10.4 In te dienen bescheiden standplaatszoekenden 1. Bij inschrijving in het register worden de volgende bescheiden overgelegd: a. een uittreksel uit de basisregistratie personen van de woonplaats van inschrijver; b. een geldig identiteitsbewijs; c. een geldig verblijfsdocument indien inschrijver niet de Nederlandse nationaliteit bezit; d. bewijzen van inkomsten waaruit het huidige inkomen van het huishouden blijkt; 2.

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere gegevens te vragen die nodig zijn om de inschrijving te beoordelen. Artikel 2.10.5 Aanbieden van standplaatsen 1. Burgemeester en wethouders bieden hun voor verhuur beschikbare standplaatsen eenduidig en transparant te huur aan. 2. Bij het aanbieden van een standplaats wordt vermeld aan welke eisen de standplaatszoekende moet voldoen om in aanmerking te komen voor de aangeboden standplaats. 2 Prijspeil 2018

Pagina

20 van 38

Artikel 2.10.6 Criteria voor vergunningverlening 1. Burgemeester en wethouders verlenen de huisvestingsvergunning voor het betrekken van een standplaats, indien: a. het huishouden voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 2.2.1; en b. het huishouden volgens de volgordebepaling bedoeld in artikel 2.10.8 als eerste voor de standplaats in aanmerking komt; en c. het aannemelijk is dat het huishouden de standplaats in gebruik zal nemen; en d. de gemeente, gelet op haar taak als exploitant van de woonwagenlocaties of haar belang als verhuurder, daaronder mede begrepen haar verantwoordelijkheid voor de bescherming van de belangen van de overige bewoners en voor de waarborging van het woongenot, redelijkerwijs het sluiten van een huurovereenkomst met aanvrager niet weigert. 2. Artikel 2.2.3, 2.2.4 en 2.2.5, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing. 3. Er kan één huisvestingsvergunning per huishouden worden verstrekt. Artikel 2.10.7 Intrekken vergunning Burgemeester en wethouders kunnen een huisvestingsvergunning intrekken, indien: a. de vergunninghouder schriftelijk te kennen heeft gegeven van de vergunning geen gebruik meer te willen maken; b. de vergunninghouder de in de vergunning vermelde standplaats niet binnen de genoemde termijn in gebruik heeft genomen; of c.

de vergunning is verleend op grond van door de vergunninghouder verstrekte gegevens waarvan deze wist of redelijkerwijs kan vermoeden dat zij onjuist of onvolledig waren. Artikel 2.10.8 Toewijzing standplaatsen 1. Burgemeester en wethouders stellen nadere regels over de wijze van verdeling en de volgordebepaling van woningzoekenden bij de toewijzing van een standplaatsen voor woonwagens. 2. Artikel 4.4.2 is van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 3 Wijziging van de woonruimtevoorraad Afdeling I Onttrekken en omzetten woonruimte

Paragraaf 3.1 Werkingsgebied Artikel 3.1.1 Woonruimte Als woonruimte behorend tot een gebouw als bedoeld in artikel 21 van de wet wordt aangewezen: alle zelfstandige woonruimte in de gemeente Amstelveen; Artikel 3.1.2 Reikwijdte vergunningplicht 1. De in artikel 3.1.1 aangewezen woonruimten mogen niet zonder vergunning als bedoeld in artikel 21 van de wet, a. anders dan ten behoeve van bewoning of het gedeeltelijk gebruik als kantoor of praktijkruimte door de eigenaar aan de bestemming tot bewoning worden onttrokken; b. worden omgezet in één of meerdere onzelfstandige woonruimten. 2. Voor het onttrekken van woonruimte aan de bestemming tot bewoning ten behoeve van het gebruik als tweede woning, geldt een ontheffing van het verbod als bedoeld in artikel 21 van de wet, mits en zolang: a. de woonruimte uitsluitend door de eigenaar als verblijf wordt gebruikt, naast zijn hoofdverblijf; en b. de eigenaar zijn hoofdverblijf buiten de woningmarktregio houdt; en

Pagina

3.

4.

5.

6.

21 van 38

c. het gaat om ten hoogste één woonruimte per eigenaar. Voor het omzetten van woonruimte in één of meer onzelfstandige woonruimten geldt een ontheffing van het verbod als bedoeld in artikel 21 van de wet, mits en zolang: a. de woonruimte wordt omgezet in niet meer dan vier onzelfstandige woonruimten; en b. een gemeenschappelijke woonruimte in de woning aanwezig is met een gebruiksoppervlak van ten minste 15m2; en c. elke onzelfstandige woonruimte een gebruiksoppervlak heeft die niet kleiner is dan 12m2; en d. de woonruimte geen huurwoning is met een huurprijs onder de liberalisatiegrens die eigendom is van een corporatie als bedoeld in artikel 1.1 j. Voor het omzetten van woonruimte in één of meer onzelfstandige woonruimten geldt een ontheffing van het verbod als bedoeld in artikel 21 van de wet, mits en zolang sprake is van studentenwoningen als bedoeld in artikel 1. nn. De uitzonderingen op de vergunningplicht, zoals genoemd in de vorige leden, zijn niet van toepassing op de situatie waarbij door de eigenaar of een derde is gehandeld met de kennelijke strekking afbreuk te doen aan de werking van de regels die bij of krachtens de wet zijn gesteld.

Voor zover het niet is toegestaan om zonder vergunning van burgemeester en wethouders een woonruimte te onttrekken, samen te voegen, om te zetten of te verbouwen tot twee of meer woningen, is het tevens verboden om deze woonruimte onttrokken, samengevoegd of omgezet te houden of in die verbouwde staat te laten.

Paragraaf 3.2 Procedure aanvraag vergunning voor woningonttrekking of -omzetting Artikel 3.2.1 Aanvraag vergunning 1. De aanvraag wordt ingediend door de eigenaar op een daartoe door burgemeester en wethouders vastgesteld formulier en gaat ten minste vergezeld van de in de artikelen 3.2.2 en 3.2.3 vermelde gegevens en bescheiden. 2. De aanvraag en de daarbij behorende bescheiden moeten in het door burgemeester en wethouders vastgestelde aantal worden ingediend. 3. De aanvraag mag meer dan één gebouw betreffen indien zij betrekking heeft op met elkaar samenhangende en aangrenzende gebouwen en een gezamenlijke beoordeling van de aanvraag zich hier niet tegen verzet. Artikel 3.2.2 Op te nemen gegevens Bij de aanvraag worden de volgende gegevens verstrekt: a. naam en adres van de eigenaar; b. de straat, het huisnummer en de kadastrale ligging van het gebouw waarop de aanvraag betrekking heeft; c. de aard en het huidige gebruik van de woonruimte(n) waarop de aanvraag betrekking heeft; d. de namen en de adressen van de bewoners van de woonruimte(n) waarop de aanvraag betrekking heeft; e. in geval van samenvoeging: de naam van de huidige en toekomstige bewoner, de omvang van diens huishouden; f. de motivering van het verzoek. Artikel 3.2.3 In te dienen bescheiden Bij de aanvraag worden de volgende bescheiden overgelegd: a.

één of meer tekeningen van de plattegrond op schaal van iedere verdieping van het gebouw, alsmede van de verdieping of verdiepingen waarop de aanvraag betrekking heeft, met een aanduiding van de beoogde bestemming;

Pagina

b.

c.

22 van 38

een situatietekening, gebaseerd op door of namens burgemeester en wethouders aangegeven kaartmateriaal waaruit blijkt de situering van het gebouw ten opzichte van de in de nabijheid gelegen bouwwerken; Burgemeester en wethouders kunnen het overleggen van andere bescheiden verlangen, die zij voor de beoordeling van de aanvraag nodig achten.

Artikel 3.2.4 Beslistermijn 1. Burgemeester en wethouders beslissen op de aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 3.1.2 binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Burgemeester en wethouders kunnen deze termijn eenmaal met ten hoogste zes weken verlengen. Artikel 3.2.5 Beschikkingsvereisten De vergunning bevat tenminste de volgende gegevens: a. de woonruimte(n) waarop de beschikking betrekking heeft, aangeduid met de straat, het huisnummer of de kadastrale ligging, waarbij voor het overige kan worden verwezen naar de bijgevoegde bescheiden als bedoeld in artikel 3.2.3 en b. de van toepassing zijnde voorwaarden en voorschriften als bedoeld in artikel 3.3.2; en c. de mededeling dat binnen één jaar nadat de vergunning onherroepelijk is geworden van de vergunning moet worden gebruikgemaakt dan wel de termijn genoemd in de vergunning in geval van een tijdelijke vergunning.

Paragraaf 3.3 Vergunningverlening Artikel 3.3.1 Weigeringsgronden 1. Een vergunning als bedoeld in artikel 21 van de wet kan worden geweigerd in het geval: a. naar het oordeel van burgemeester en wethouders het belang van behoud of samenstelling van de woonruimtevoorraad groter is dan het met de onttrekking, samenvoeging, omzetting of woningvorming gediende belang; b. naar het oordeel van burgemeester en wethouders de onttrekking, samenvoeging, omzetting of woningvorming een negatief effect heeft op de leefbaarheid; c. het onder a genoemde belang van behoud en samenstelling dan wel het in b genoemde negatieve effect op de leefbaarheid niet voldoende kan worden gediend door het stellen van voorwaarden dan wel voorschriften aan de vergunning; d. niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. 2. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen met betrekking tot het eerste lid van dit artikel. Artikel 3.3.2 Voorwaarden en voorschriften Burgemeester en wethouders kunnen aan de vergunning als bedoeld in artikel 21 van de wet voor onttrekken, samenvoegen, omzetten of woningvorming één of meer voorwaarden en voorschriften verbinden over onder andere: a. het toevoegen van een of meer naar het oordeel van burgemeester en wethouders gelijkwaardige woonruimte aan de woonruimtevoorraad; b.

een naar het oordeel van burgemeester en wethouders passende financiële compensatie verschuldigd is; c. de na onttrekking ontstane nieuwe woonruimte alleen voor bewoning mag worden gebruikt; d. een samengevoegde woonruimte gedurende een bepaalde periode wordt toegewezen aan een huishouden met een inkomen tot € 44.655,--3

3 Prijspeil 2021

Pagina

23 van 38

e.

een krap wonend huishouden in een zelfstandige huurwoning onder de liberalisatiegrens na samenvoeging passender woont; f. bij omzetting een gemeenschappelijke verblijfsruimte aanwezig is; g. burgemeester en wethouders kunnen normen voor geluidsisolatie vaststellen waaraan woningen na omzetting moeten voldoen; h. bij omzetting in vijf of meer onzelfstandige woonruimten beheer plaatsvindt door een instelling die zich krachtens haar statuten richt op de verhuur en het beheer van onzelfstandige woonruimte en die als zodanig staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel; i. van het totaal aantal woningen dat wordt ontsloten door een trappenhuis, een galerij of dat deel uitmaakt van een bouwblok eengezinswoningen, zijn maximaal 25% van de woonruimten omgezet tot onzelfstandige woonruimte met vijf of meer kamers; j. van het totaal aantal woningen dat wordt ontsloten door meerdere trappenhuizen zijn maximaal 25% van de woonruimten per verdieping omgezet tot onzelfstandige woonruimte met vijf of meer kamers; k. door omzetting in vijf of meer onzelfstandige woonruimten wordt per wijk het percentage zelfstandige woningen met 5 of meer kamers waar de om te zetten woonruimte zich bevindt, niet lager dan het stedelijk percentage zelfstandige woningen met 5 of meer kamers; l.

bij woningvorming tot een zelfstandige woonruimte deze woonruimte een gebruiksoppervlak heeft niet kleiner dan 18 m²; m. bij omzetting of woningvorming tot een onzelfstandige woonruimte deze woonruimte een gebruiksoppervlak heeft niet kleiner dan 12 m²; n. de om te zetten woonruimte geschikt is voor door burgemeester en wethouders aan te wijzen bijzondere doelgroepen; o. geen onaanvaardbare inbreuk op een geordend woon en leefmilieu in de omgeving van de woonruimte optreedt; p. de geldigheidsduur van de vergunning. Artikel 3.3.3 Intrekken vergunning Burgemeester en wethouders kunnen een vergunning intrekken: a. indien niet binnen één jaar nadat de beschikking onherroepelijk is geworden, is overgegaan tot onttrekking, samenvoeging, omzetting of woningvorming; b. indien de vergunning is verleend op grond van door de vergunninghouder verstrekte gegevens waarvan deze wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat zij onjuist of onvolledig waren; c. indien niet wordt voldaan aan de bij de vergunning gestelde voorwaarden en voorschriften; d. in het geval en onder de voorwaarden bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. Artikel 3.3.4 Tijdelijke vergunning 1. Burgemeester en wethouders kunnen een tijdelijke vergunning als bedoeld verlenen als het belang van de aanvrager slechts voor een bepaalde tijd aanwezig is. 2.

Een tijdelijke vergunning kan worden verleend voor ten hoogste vijf jaar. 3. Burgemeester en wethouders kunnen bij een tijdelijke vergunning toepassing geven aan artikel 3.3.2 en 3.3.3.

Pagina

24 van 38

Afdeling II Splitsing

Paragraaf 3.4 Werkingsgebied Artikel 3.4.1 Werkingsgebied Als gebouwen als bedoeld in artikel 22 van de wet worden alle gebouwen in Amstelveen aangewezen met een bestemming ‘Wonen’. Artikel 3.4.2 Reikwijdte vergunningplicht 1. Het is verboden een recht op een gebouw dat behoort tot de in artikel 3.4.1.aangewezen categorie, zonder vergunning van burgemeester en wethouders te splitsen in appartementsrechten als bedoeld in artikel 106, eerste en vierde lid, boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, indien een of meer appartementsrechten de bevoegdheid omvatten tot het gebruik van een of meer gedeelten van het gebouw als woonruimte. 2. Onder woonruimte genoemd in het eerste lid wordt verstaan alle woonruimte als bedoeld in artikel 3.1.1. 3. Op het verlenen van deelnemings- of lidmaatschapsrechten of het aangaan van een verbintenis daartoe door een rechtspersoon is het eerste lid van overeenkomstige toepassing. 4. Uitgezonderd van het eerste lid zijn: a. gebouwen die naar het oordeel van burgemeester en wethouders door ingrijpende vernieuwbouw afdoende voldoen aan de nieuwbouweisen; b. gebouwen die eigendom zijn van een coöperatieve flatexploitatievereniging en waarvan de eigendom wordt gesplitst in een zelfde aantal appartementsrechten als het aantal lidmaatschapsrechten van de flatexploitatievereniging; c.

gebouwen waarin meerdere woonruimten aanwezig zijn, die alle samen in één appartementsrecht worden ondergebracht.

Paragraaf 3.5 Procedure aanvraag splitsingsvergunning Artikel 3.5.1 Aanvraag vergunning 1. Een splitsingsvergunning moet schriftelijk worden aangevraagd door de eigenaar op een door burgemeester en wethouders vastgesteld formulier. 2. De aanvraag mag meer dan één gebouw betreffen als het samenhangende en aangrenzende gebouwen betreft en een gezamenlijke beoordeling van de aanvraag zich hier niet tegen verzet. Artikel 3.5.2 Op te nemen gegevens Bij de aanvraag worden de volgende gegevens verstrekt: a. naam en (correspondentie)adres van de eigenaar; b. de straat, het huisnummer en de kadastrale ligging van het gebouw waarop de aanvraag betrekking heeft en het jaar van totstandkoming; c. de aard en het huidige gebruik van de woonruimte(n) waarop de aanvraag betrekking heeft; d. de namen en de adressen van de bewoners van de woonruimte(n) waarop de aanvraag betrekking heeft. Artikel 3.5.3 In te dienen bescheiden 1. Bij de aanvraag worden tenminste de volgende bescheiden overgelegd: a. één of meer tekeningen waaruit blijkt: i. de plattegrond van iedere verdieping van het gebouw; ii. de lengte- en dwarsdoorsneden; iii. alle gevelaanzichten; iv. details die verband houden met de geluidwering en de brandveiligheid.

Pagina

25 van 38

b.

2. 3.

een situatietekening, gebaseerd op door of namens burgemeester en wethouders aangegeven kaartmateriaal, waaruit blijkt de situering van het gebouw ten opzichte van de in de nabijheid gelegen bouwwerken; c. een splitsingsplan dat voldoet aan de vereisten als neergelegd in artikel 109 van boek 5 van het Burgerlijk Wetboek en het krachtens dat artikel vastgestelde besluit betreffende splitsing in appartementsrechten, waarin de indeling en de met de splitsing beoogde eigendomswijzigingen zijn aangegeven op ten minste de schaal 1:100; d. een bouwkundig rapport niet ouder dan 6 maanden waaruit afdoende blijkt dat de toestand van het gebouw zich uit een oogpunt van indeling of staat van onderhoud niet tegen splitsing verzet, dan wel hoe het gebouw hiertoe zal worden aangepast; e. een funderingsrapport niet ouder dan 6 maanden waaruit blijkt dat het aannemelijk is dat de fundering binnen 25 jaar geen onderhoud behoeft; f. voor zover van toepassing, een omgevingsvergunning voor het vernieuwen of herstellen van de fundering deze werkzaamheden; g. een keuringsrapport gas en elektra niet ouder dan 6 maanden van een erkend keuringsbedrijf waaruit blijkt dat de gas- en elektra-installatie voldoet aan de eisen gesteld in het Bouwbesluit; h.

een asbestinventarisatierapport type A opgesteld door een erkend asbestinventarisatiebureau, waaruit blijkt of en waar asbest aanwezig is in het gebouw; i. een verklaring van de bouwkundig inspecteur van de gemeente dat er geen belemmeringen zijn in verband met de toestand van het gebouw als bedoeld in artikel 3.6.1, derde lid. In afwijking van het eerste lid kan het keuringsrapport bedoeld onder g worden ingediend kort voor de eindinspectie door de bouwkundig inspecteur van de gemeente. Burgemeester en wethouders kunnen het overleggen van andere bescheiden verlangen, die zij voor de beoordeling van de aanvraag nodig achten.

Artikel 3.5.4 Beslistermijn 1. Burgemeester en wethouders beslissen binnen acht weken na de dag waarop de aanvraag is ingediend. 2. Burgemeester en wethouders kunnen de beslistermijn eenmalig met zes weken verlengen. Artikel 3.5.5 Beschikkingsvereisten 1. De splitsingsvergunning bevat in ieder geval de volgende gegevens: a. de woonruimte(n) waarop de beschikking betrekking heeft, aangeduid met de straat, het huisnummer en/of de kadastrale ligging, waarbij in ieder geval wordt verwezen naar het splitsingsplan als bedoeld in artikel 109 boek 5 van het Burgerlijk Wetboek. b. de termijn waarbinnen van de splitsingsvergunning gebruik moet worden gemaakt. 2. De splitsingsvergunning heeft een geldigheidsduur van één jaar nadat de vergunning onherroepelijk is geworden, tenzij een langere geldigheidsduur is vermeld.

Paragraaf 3.6 Vergunningverlening Artikel 3.6.1 Weigeringsgronden In verband met woonruimtevoorraad 1.

Burgemeester en wethouders kunnen de splitsingsvergunning weigeren indien: a. het gebouw of het gedeelte van het gebouw waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft, één of meer woonruimten bevat die worden verhuurd of die laatstelijk verhuurd zijn geweest;

Pagina

b.

c. d. e.

26 van 38

het gebouw of gedeelte van een gebouw, voor zover dit geheel of gedeeltelijk verhuurd is geweest voor bewoning, in strijd met de voorschriften van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.5 dan wel een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26 of 3.28 van de Wet ruimtelijke ordening of met enig wettelijk voorschrift, geheel of gedeeltelijk voor een ander doel dan voor bewoning in gebruik is genomen; de maximale huurprijs voor één of meer van die woonruimten de liberalisatiegrens niet te boven gaat; niet gewaarborgd is dat die woonruimte(n) na de voorgenomen splitsing bestemd blijft of blijven voor verhuur ter bewoning; het belang dat de aanvrager heeft bij splitsing niet opweegt tegen het belang van behoud en samenstelling van de woonruimtevoorraad, voor zover die voor verhuur is bestemd.

In verband met belemmering van de stadsvernieuwing 2.

Burgemeester en wethouders kunnen de splitsingsvergunning eveneens weigeren indien: a. voor het gebied waarin het gebouw waarop de aanvraag betrekking heeft is gelegen, een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.5 van de Wet ruimtelijke ordening van kracht is, dan wel een ontwerp voor een zodanig plan of zodanige verordening of voor een herziening daarvan in procedure is; b. het ontwerp voor dat plan of voor die verordening, dan wel voor de herziening daarvan ter inzage is gelegd voordat de aanvraag van de splitsingsvergunning is ingediend, c. de voorgenomen splitsing naar het oordeel van burgemeester; en wethouders nadelig gevolgen kan hebben voor de met het plan of die verordening nagestreefde of na te streven doeleinden; en d. het belang dat de aanvrager bij splitsing heeft, niet opweegt tegen het belang van het voorkomen van belemmering van de modernisering of vervanging.

In verband met de toestand van het gebouw 3.

4.

5. 6.

Burgemeester en wethouders kunnen de splitsingsvergunning ten slotte weigeren indien; a. de toestand van het gebouw waarop de aanvraag betrekking heeft, zich uit een oogpunt van indeling of de staat van onderhoud geheel of ten dele verzet, en b. de desbetreffende gebreken niet door het treffen van voorzieningen of het aanbrengen van verbeteringen kunnen worden opgeheven, dan wel onvoldoende verzekerd is, dat die gebreken zullen worden opgeheven. Van gebreken als bedoeld in het derde lid is in ieder geval sprake indien a. een handhavingsbesluit ingevolge artikel 1b, tweede lid van de Woningwet is genomen of b. is aangeschreven ingevolge de artikelen 13 of 13a van de Woningwet. Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen waaraan een gebouw uit bouwkundig oogpunt minimaal dient te voldoen. Burgemeester en wethouders kunnen de splitsingsvergunning weigeren in het geval en onder de voorwaarden bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

Artikel 3.6.2 Voorwaarden en verplichtingen 1. Burgemeester en wethouders kunnen indien een aanvraag voor een splitsingsvergunning wordt gedaan in samenhang met een bouwplan in het kader van een complexgewijze aanpak of waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, de vergunning verlenen onder de opschortende voorwaarde dat het betreffende bouwplan is uitgevoerd. 2. Burgemeester en wethouders kunnen een zekerheidstelling eisen, waardoor de uitvoering van het door hen goedgekeurde maar nog niet uitgevoerde bouwplan, dan wel het opheffen van de bouwkundige gebreken aan het gebouw verzekerd wordt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=amstelveen&id=e2f3e872-23bc-4e67-9e69-30e057223e18