Agendabundel
Tekst van het document
Artikel 4.3 Weigering ondersteuning Het college kan weigeren een burgerinitiatief te ondersteunen indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat: a. het initiatief doelstellingen beoogt die in strijd zijn met de wet of het algemeen belang; b. het een onderwerp betreft dat niet behoort tot de bevoegdheid van de gemeente of de uitvoering van besluiten van hogere bestuursorganen waaromtrent de gemeente geen beleidsvrijheid heeft; c. er sprake is van onvoldoende draagvlak voor het initiatief bij omwonenden, belanghebbenden of de betrokken inwoners; d. het initiatief naar het oordeel van burgemeester en wethouders op financiële, juridische of praktische gronden niet haalbaar is; e. het een onderwerp betreft waartegen een bezwaar- of beroepsprocedure in de zin van hoofdstuk 7 van de Algemene wet bestuursrecht openstaat of onderwerpen waarover de burgerlijke rechter is gevraagd een oordeel uit te spreken; f. het een onderwerp betreft dat overwegend het privébelang van de indiener dient. Artikel 4.4 Bekendmaking 1. Het besluit van het college om wel of niet ondersteuning te bieden aan een burgerinitiatief, wordt tezamen met het initiatief aan de raad verzonden. 2. Het gemeentelijk aanspreekpunt informeert de initiatiefnemers van het burgerinitiatief over het besluit van het college om wel of niet ondersteuning te verlenen. Artikel 4.5 Behandeling in de raad 1.
Het besluit van het college ten aanzien van honorering, gedeeltelijke honorering of afwijzing van burgerinitiatieven wordt binnen 60 dagen na toezending aan de raad in een openbare raadsvergadering besproken.
Pagina
6 van 8
2. Indien de raad de toegezonden burgerinitiatieven inhoudelijk wil behandelen, zal de voorzitter van de raad de initiatiefnemers schriftelijk uitnodigen voor de vergadering waarvoor het burgerinitiatiefvoorstel is geagendeerd. De initiatiefnemers krijgen tijdens deze vergadering de gelegenheid om het initiatief mondeling toe te lichten en eventuele vragen uit de raad te beantwoorden. De voorzitter van de raad kan een of meer initiatiefnemers of de vertegenwoordiger toestemming geven om deel te nemen aan de beraadslaging in de raad over het initiatief. 3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de behandeling van het initiatief in een raadscommissie. 4. De raad stelt de initiatiefnemers binnen twee weken na de datum van de raadsvergadering waarin besluitvorming over het burgerinitiatief heeft plaatsgevonden schriftelijk in kennis van zijn besluit. Indien de raad geheel of gedeeltelijk afwijkt van het burgerinitiatief geeft hij de redenen daarvoor. 5. Zo spoedig mogelijk nadat de raad over het burgerinitiatiefvoorstel een besluit heeft genomen, wordt dit besluit bekendgemaakt door kennisgeving van het besluit of de zakelijke inhoud ervan in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws, of huis-aan-huisblad, of op een andere geschikte wijze. 6.
Indien de raad geheel of gedeeltelijk overeenkomstig het burgerinitiatief besluit, overlegt het college binnen twee weken na de raadsvergadering waarin de besluitvorming over het burgerinitiatief heeft plaatsgevonden met de initiatiefnemers over de verdere uitvoering van het besluit. 7. De raad bespreekt jaarlijks een overzicht van ingediende burgerinitiatieven en de wijze waarop de gemeente heeft gereageerd op deze initiatieven.
HOOFDSTUK 5 UITDAAGRECHT Artikel 5.1 Toepassen uitdaagrecht 1. Het college biedt inwoners en maatschappelijke initiatieven de mogelijkheid tot intekening op de uitvoering van taken van het college op grond van de wet, als vastgelegd in artikel 150 van de Gemeentewet. 2. Het college wijst de inwoners en maatschappelijke initiatieven actief op de mogelijkheid om het overnemen aan te vragen van de uitvoering van (delen van) de in het vorige lid genoemde taken. 3. Elke aanvraag wordt getoetst aan de volgende voorwaarden: a. er is voldoende maatschappelijk draagvlak voor de aanvraag; b. inwoners en maatschappelijke initiatieven kunnen alleen taken van het college op grond van de wet overnemen als zij zich organiseren in een rechtspersoon en een plan overleggen; c. het plan dient tenminste door drie ingezetenen te zijn ingediend; d. in het plan, als bedoeld onder a., staat beschreven welke resultaten beoogd worden en, op welke wijze de continuïteit is gegarandeerd; e. het plan geeft aan hoe wordt voldaan aan de volgende kwaliteitseisen: - het initiatief heeft een maatschappelijke meerwaarde; - de kosten voor uitvoering zijn bij voorkeur lager, maar in ieder geval niet hoger dan de huidige kosten;
Pagina
7 van 8
- de betrokken initiatiefnemers maken aannemelijk dat zij de prestatie kunnen leveren; - de indieners zijn eraan gehouden het initiatief gedurende een afgesproken periode uit te voeren. 4. Het college weigert een aanvraag indien onvoldoende aannemelijk wordt gemaakt dat het initiatief voldoet aan de in het vorige lid genoemde voorwaarden of indien de aanvraag zich richt op: a. een beleidsterrein dat de gemeente heeft uitgezonderd van het uitdaagrecht; b. een onderwerp dat overwegend het privébelang van de aanvrager dient. 5. Een vast contactpersoon van de gemeente begeleidt de initiatiefnemers tijdens het hele proces. 6. De gemaakte afspraken, onder anderen over het resultaat, het budget en de looptijd, worden vastgelegd in een contract. 7. Het college maakt binnen 14 dagen na zijn besluit op het binnengekomen initiatief, dit besluit bekend en informeert de gemeenteraad hierover.
HOOFDSTUK 7. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN Artikel 7.1 Inwerkingtreding en vervallen oude regeling Deze verordening treedt in werking op 1 mei 2021. Op die datum vervalt de Participatieen inspraakverordening gemeente Amstelveen 2013. Artikel 7.2 Overgangsregeling Op procedures die voortvloeien uit besluiten genomen voor de inwerkingtreding van deze verordening, blijven de bepalingen van Participatie- en inspraakverordening gemeente Amstelveen 2013 van toepassing. Artikel 7.3 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als Participatie- en inspraakverordening Amstelveen 2021.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 21 april 2021 de griffier,
Debby de Heus de voorzitter,
Tjapko Poppens
Pagina
Bijlage 1 Participatiewaaier
8 van 8
1 Nota van toelichting bij de Participatie- en inspraakverordening Amstelveen 2021
Nota van toelichting bij de Participatie- en inspraakverordening Amstelveen 2021 Zaaknummer: Z21-019063 Datum: 21 april 2021
Artikelsgewijs Artikel 1.1 Onderwerp Onder uitvoering van gemeentelijk beleid, wordt mede begrepen besluiten die het bevoegde bestuursorgaan op grond van het beleid neemt. Artikel 1.2 Definities burgerinitiatief: Het burgerinitiatief moet niet verward worden met het bewonersinitiatief. Een bewonersinitiatief is een voorstel of idee van een groep bewoners van een wijk om bijvoorbeeld de sociale samenhang in de buurt te versterken of om een stukje openbaar groen te verfraaien of te onderhouden. Vaak wordt daarvoor een budget beschikbaar gesteld waarmee de bewoners zelf hun idee kunnen uitvoeren. Voor bewonersinitiatieven geldt niet de routing die in artikel 4.1 artikel wordt beschreven. Bij het burgerinitiatief gaat het om het lokale (Amstelveense) belang, zoals ook aangegeven staat in de definitie in artikel 1.2 onder b. Het burgerinitiatief is dus breder van opzet eerder om de mogelijkheid om een idee te agenderen bij het lokale bestuur (college of gemeenteraad). Het is (meestal) breder van opzet dan een bewonersinitiatief en moet in het gemeentelijk beleid passen en/of een positieve bijdrage leveren aan de Amstelveense samenleving. Artikel 1.3 Doelstelling en reikwijdte Onder “besluit” genoemd in dit artikel : een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 2.1 Participatieproces Dit artikel is erop gericht om vooraf duidelijke kaders te stellen omtrent het doel van de participatie, in hoeverre het proces beïnvloed kan worden, wat het mag kosten, etcetera. Uiteraard moet dit alles op gepaste wijze bekend worden gemaakt. Het kán voorkomen dat de kaders later (toch) aangepast moeten worden. Hierin voorziet het vierde lid. Indien dit aan de orde is, moet het college de deelnemers aan de participatie dat zo snel mogelijk laten weten. Artikel 2.2. Besluitvorming In dit artikel is nader gespecificeerd wat de beïnvloedingsruimte van de deelnemers aan het participatieproces kan zijn. Het bestuursorgaan moet vooraf een duidelijke keuze maken uit a, b of c. Artikel 2.3 Evaluatie Elk participatieproces wordt ook als mogelijk leermoment gezien. Het is daarom van belang elk proces te evalueren en de gemeenteraad jaarlijks de participatieprocessen bespreekt. Artikel 3.1 Inspraakgerechtigden Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Pagina
2 van 2
Artikel 3.2 Inspraakprocedure Het uitgangspunt is dat de inspraak plaatsvindt conform de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure die in Afdeling 3:4 van de Awb is beschreven. Dit houdt in onder meer in dat het ontwerpbesluit en de bijbehorende stukken gedurende zes weken ter inzage worden gelegd. Daarvan wordt kennisgeving gedaan in een of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze. In de kennisgeving moet in ieder geval staan waar en wanneer de stukken ter inzage liggen en wie op welke wijze zijn zienswijze naar voren kan brengen. Het is denkbaar dat het wenselijk is van de procedure als omschreven in artikel 3:4 Awb af te wijken. Daarom biedt het twee lid de mogelijkheid te besluiten een ander inspraakproces te volgen. Artikel 3.3 Verantwoording Na afloop van de inspraak legt het college verantwoording af in die zin dat het moet aangeven wat er met de inspraakreacties is gebeurd. Iedereen die heeft deelgenomen aan de inspraak krijgt een afschrift van de betreffende stukken en wordt geïnformeerd over het vervolgproces en het uiteindelijke besluit. Artikel 4.1 Indiening burgerinitiatief Onder verwijzing naar de toelichting op artikel 1.2 wordt nogmaals benadrukt dat het burgerinitiatief niet verward moet worden met het bewonersinitiatief.
Artikel 4.2 Verlening ondersteuning In het eerste lid is aangegeven in welke vormen het college kan besluiten een burgerinitiatief te ondersteunen. Het tweede lid is opgenomen omdat het van belang is dat een burgerinitiatief op voldoende draagvlak kan rekenen. Artikel 4.3 Weigering ondersteuning Het is logisch dat burgerinitiatieven die onvoldoende draagvlak hebben, in strijd zijn met het algemeen belang of om financiële, praktische of juridische redenen niet haalbaar zijn, niet worden ondersteund. Wanneer het vooral gaat om het privébelang van de indiener, zal er al gauw een gebrek aan een voldoende breed draagvlak zijn. Voor de zekerheid is onder f echter opgenomen dat het college in dat geval ondersteuning kan weigeren. Artikel 4.4 Bekendmaking en artikel 4.5 Behandeling in de raad Een besluit om een burgerinitiatief al dan niet te ondersteunen wordt altijd naar de raad gezonden. Vervolgens bespreekt de raad het initiatief en het besluit van het college ten aanzien van dat initiatief. Initiatiefnemers worden krijgen de gelegenheid hun idee aan de raad te presenteren en zij kunnen – als zij daarvoor toestemming krijgen van de voorzitter van de raad – zelfs deelnemen aan de beraadslaging. Net als voor participatie geldt voor burgerinitiatieven dat deze jaarlijks door de gemeenteraad worden besproken.
Artikel 5.1 Toepassen uitdaagrecht Bij het uitdaagrecht dagen inwoners of maatschappelijke organisaties de gemeente uit; zij zeggen bepaalde gemeentelijke taken beter en goedkoper te kunnen uitvoeren. In het derde lid zijn voorwaarden geformuleerd waarin de aanvragen worden getoetst; dat is bedoeld om te voorkomen dat een plan onvoldoende draagvlak heeft, tot stijging van kosten leidt of dat (later) blijkt dat de initiatiefnemers de toegezegde prestatie niet kunnen leveren. Dit is conform het eerder door het college vastgestelde ‘Uitvoeringskader Right to Challenge’. Artikelen 6.1 tot en met 6.3 De overgangs-en slotbepalingen behoeven geen nadere toelichting.
1 Participatie en Inspraakverordening 2013 gemeente Amstelveen
Participatie- en inspraakverordening gemeente Amstelveen 2013
HOOFDSTUK 1 ALGEMEEN Artikel 1 Begripsomschrijvingen De verordening verstaat onder: a. beleidsvoornemen : het voornemen van het bestuursorgaan tot het vaststellen of wijzigen van beleid; b. inspraak : het bieden van de formele mogelijkheid aan ingezetenen en belanghebbenden om hun mening over beleidsvoornemens kenbaar te maken; c. inspraakprocedure : de wijze waarop de inspraak gestalte wordt gegeven; d. participatie : het in een zo vroeg mogelijk stadium betrekken van doelgroepen (burgers, instellingen, bedrijven, en dergelijke) bij beleidsvoorbereiding, -vaststelling, -uitvoering of -evaluatie; e. randvoorwaarden : aan de participatie ten grondslag liggende feiten, waarop het bestuursorgaan geen invloed heeft dan wel door het bestuursorgaan aan participatie gestelde kaders. Artikel 2 Onderwerp van participatie of inspraak 1. Elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden of participatie of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van beleid van de gemeente. 2. Inspraak wordt altijd verleend indien de wet daartoe verplicht. 3. Onverlet het bepaalde in het tweede lid beslist het bestuursorgaan over het verlenen van participatie of inspraak in die gevallen waartoe de wet niet verplicht. 4. Geen participatie of inspraak wordt verleend: a. ten aanzien van ondergeschikte herzieningen van een eerder vastgesteld beleidsvoornemen; b.
indien inspraak bij of krachtens wettelijk voorschrift is uitgesloten;
[] 101/F105/ICT
Pagina
2 van 10
c. indien sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft; d. inzake de begroting, de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet; e. indien de uitvoering van een beleidsvoornemen dermate spoedeisend is dat inspraak niet kan worden afgewacht; f. indien het belang van inspraak niet opweegt tegen het belang van de verantwoordelijkheid van de gemeente voor kwetsbare groepen in de samenleving. Artikel 3 Participatie- of inspraakgerechtigden Participatie en/of inspraak wordt verleend aan ingezetenen van de gemeente Amstelveen en belanghebbenden. HOOFDSTUK 2 PARTICIPATIEPROCEDURE Artikel 4 Participatieprocedure 1. Het bestuursorgaan stelt voor elk onderwerp waarop participatie wordt verleend een procedure vast. Het bestuursorgaan maakt een gemotiveerde keuze uit de participatiecategorieën: informatie, consultatie of coproductie. 2. De participatieprocedure bevat ten minste: a. een omschrijving van het onderwerp van participatie, zoals bedoeld in artikel 2; b. een aanduiding van de kring van belanghebbenden, zoals bedoeld in artikel 3; c. het onderwerp waarop de participatie zich richt; d. de vermelding van de ambtelijke en bestuurlijke portefeuillehouder van de participatie. 3. In aanvulling op het tweede lid bevat deze procedure voor zover mogelijk: a.
de randvoorwaarden, zoals bedoeld in artikel 1, aanhef en onder e.; b. de wijze van vormgeving van het participatieproces;
Pagina
3 van 10
c. een tijdpad met termijnstelling; d. een communicatieparagraaf; e. een financiële paragraaf. 4. De in het tweede en derde lid genoemde onderdelen worden opgenomen in communicatieparagraaf als onderdeel van het plan van aanpak van het desbetreffende project. 5. Het bestuursorgaan kan de procedure wijzigen in die gevallen waarin de vaststelling van het beleidsvoornemen zulks vereist. Het bestuursorgaan geeft hiervan overeenkomstig het gestelde in artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht schriftelijk kennis. Artikel 5 Voorbereiding participatie 1. Het bestuursorgaan informeert voorafgaand aan de participatie belanghebbenden hierover op correcte wijze. Volstaan kan worden met vermelding van de zakelijke inhoud. 2. Het bestuursorgaan draagt er zorg voor dat de kring van belanghebbenden voldoende tijd en informatie krijgt voor een goede voorbereiding. Artikel 6 Verslaglegging participatie 1. Het bestuursorgaan draagt zorg voor verslaglegging van de in het kader van participatie gehouden bijeenkomsten. 2. Deze verslagen worden aan alle deelnemers bij de in het eerste lid bedoelde bijeenkomsten toegezonden. 3. Een weergave van het resultaat van participatie maakt deel uit van het voorstel dat ter besluitvorming aan het bestuursorgaan wordt aangeboden. 4. Na besluitvorming door het bestuursorgaan wordt het voorstel en besluit op gebruikelijke wijze openbaar gemaakt. 5.
De burgemeester maakt melding van het eindverslag in zijn burgerjaarverslag. HOOFDSTUK 3 INSPRAAKPROCEDURE Artikel 7 Inspraakprocedure
Pagina
4 van 10
1. Op inspraak is de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. 2. Voor de inspraak met betrekking tot ruimtelijke plannen (zoals bestemmingsplannen, beheersverordeningen en gemeentelijke structuurvisies) wordt een termijn van vier weken aangehouden. Deze termijn kan door het bestuursorgaan met twee weken verlengd worden. 3. Het bestuursorgaan kan voor overige beleidsvoornemens een andere inspraakprocedure vaststellen. Artikel 8 Verslaglegging inspraak 1. Ter afronding van de inspraak stelt het bestuursorgaan een eindverslag of een antwoordbrief op. 2. Het eindverslag of antwoordbrief bevat in elk geval: a. een overzicht van de gevolgde inspraakprocedure; b. een weergave van de zienswijzen die tijdens de inspraak mondeling of schriftelijk naar voren zijn gebracht; c. een reactie op deze zienswijzen, waarbij met redenen omkleed wordt aangegeven op welke punten al dan niet tot aanpassing van het beleidsvoornemen wordt overgegaan. 3. Het bestuursorgaan maakt het eindverslag op de gebruikelijke wijze openbaar of verstuurt de antwoordbrief. 4. De burgemeester maakt melding van de projecten waarover inspraak is verleend in zijn burgerjaarverslag. HOOFDSTUK 4 OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN Artikel 9 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die waarop zij is bekend gemaakt.
Artikel 10 Intrekking oude verordening De Participatie- en inspraakverordening gemeente Amstelveen 2006 wordt ingetrokken. Artikel 11 Citeertitel
Pagina
5 van 10
Deze verordening wordt aangehaald als “Participatie- en inspraakverordening gemeente Amstelveen 2013”. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 13 maart 2013. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING PARTICIPATIE- EN INSPRAAKVERORDENING GEMEENTE AMSTELVEEN 2013 HOOFDSTUK 1 ALGEMEEN Artikel 1 Begripsomschrijvingen a. Inspraak en participatie: Er zijn veel omschrijvingen mogelijk voor de wijze waarop belanghebbenden betrokken kunnen worden bij de totstandkoming van beleid: informatie, communicatie, inspraak, interactieve beleidsvorming etc.. Omwille van eenduidigheid is gekozen voor de termen inspraak en participatie. Bij de in dit artikel opgenomen formulering van het begrip inspraak is aangesloten bij de tekst van artikel 150 van de Gemeentewet. Inspraak is een onderdeel van de voorbereiding en uitvoering van het beleid van de gemeente en heeft een tweeledig doel. Enerzijds wordt aan belanghebbenden de mogelijkheid geboden om hun mening over beleidsvoornemens kenbaar te maken. Anderzijds biedt inspraak aan bestuursorganen een belangrijk hulpmiddel in het kader van de voor de beleidsvoorbereiding noodzakelijke belangenafweging. Inspraak is overeenkomstig artikel 150 van de Gemeentewet “eenzijdig” gedefinieerd, dat wil zeggen dat geen gedachtewisseling met het bestuursorgaan is inbegrepen. b.
Participatie: De formulering van het begrip participatie sluit aan bij de Nota participatie gemeente Amstelveen. Met de nota heeft de raad het participatiebeleid vastgesteld, dat beoogt een aanvulling te geven op de inspraak. De participant krijgt in een eerder stadium dan bij inspraak de gelegenheid invloed uit te oefenen op de beleidsontwikkeling van de gemeente. c. Inspraakprocedure: De verantwoordelijkheid voor het maken van een regeling over inspraak ligt ingevolge artikel 150 van de Gemeentewet bij de raad. In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is afdeling 3.4 (zoals deze zal luiden na het in werking treden van de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (Staatsblad 2002, 54) van toepassing verklaard op de inspraak bij provincies en gemeenten. In artikel 7, eerste lid van deze verordening is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing verklaard op de inspraak. Artikel 7, tweede, derde en vierde lid van deze verordening geeft het bestuursorgaan ruimte om een andere procedure te volgen. Het bestuursorgaan is immers verantwoordelijk voor uitvoering, de nadere regeling en organisatie van de inspraak. d. Beleidsvoornemen: Het begrip beleidsvoornemen is gedefinieerd als het voornemen van het bestuursorgaan tot het vaststellen of wijzigen van beleid.
Het zal duidelijk zijn dat het hierbij niet gaat om de vaststelling van concrete besluiten of maatregelen, maar om de vorming van het beleid waarop deze kunnen worden gebaseerd. Het begrip bestuursorgaan is gedefinieerd in
Pagina
6 van 10
artikel 1:1, eerste lid van de Awb. Het omvat in elk geval raad, dagelijks bestuur en stadsdeelvoorzitter. e. Randvoorwaarden: Dit begrip is bedoeld om de ruimte voor inspraak of participatie af te bakenen, om bijvoorbeeld te voorkomen dat deze zich richt op onderdelen waarover het bestuursorgaan geen beslissingsbevoegdheid heeft of waarover het bestuursorgaan reeds heeft besloten. De Nota Participatie geeft door middel van een schematische analyse van de randvoorwaarden binnen het te ontwikkelen beleid en de organisatie richting aan de mate van openheid en interactie in het beleidsproces. Artikel 2 Onderwerp van participatie of inspraak In het eerste lid is bepaald dat elk bestuursorgaan ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden besluit of participatie of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van beleid van de gemeente. Het begrip bestuursorgaan omvat de raad, het college en de burgemeester. Elk bestuursorgaan kan zijn eigen beleidsvoornemens aan participatie of inspraak onderwerpen. In de Memorie van Toelichting (Tweede Kamer 1999-2000, 27023, nummer 3, bladzijde 20) is vermeld dat het ter volledige beoordeling van de raad blijft ten aanzien van welke beleidsvoornemens inspraak wordt verleend.
Omdat het in bepaalde gevallen doelmatiger zal kunnen zijn als inspraak geschiedt door middel van bijvoorbeeld spreekrecht bij raadsvergaderingen, blijft door de formulering van het eerste lid de mogelijkheid bestaan dat voor bepaalde beleidsvoornemens een andere wijze van inspraak wordt geregeld. Het besluit om al dan niet inspraak te verlenen, is een besluit in de zin van de Awb. Hiertegen kan dus bezwaar worden gemaakt. In het tweede lid is bepaald dat inspraak altijd wordt verleend indien een wettelijk voorschrift daartoe verplicht. Wettelijke verplichtingen tot het bieden van inspraak bestaan thans bij: a. de voorbereiding van het beleid inzake stadsvernieuwing (artikel 8 van de Wet op de stadsen dorpsvernieuwing); b. de voorbereiding van een ontwikkelingsprogramma stedelijke vernieuwing (artikel 7 van de Wet stedelijke vernieuwing); c. de voorbereiding van het gemeentelijk milieubeleidsplan (artikel 4.17, derde lid van de Wet milieubeheer (WM)); d. de voorbereiding van een besluit tot vaststelling van een afvalstoffenverordening die afwijkt van artikel 10.21 van de WM (artikel 10.26, tweede lid van de WM); e. het integraal gemeentelijk gehandicaptenbeleid (artikel 1a van de Wet Voorzieningen Gehandicapten); f. de plannen en beleidsverslagen gericht op de realisatie en de vormgeving van cliëntenparticipatie bij de uitvoering van de Wet Werk en Bijstand, de Wet
Pagina
7 van 10
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (artikel 42) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (artikel 42); g. de voorbereiding van besluiten tot uitsluiting van welstandstoetsing als bedoeld in artikel 12, tweede lid, onder a. en b. van de Woningwet (artikel 12, vierde lid). Het derde lid geeft het bestuursorgaan een aanvullende bevoegdheid. Voor een aantal onderwerpen heeft de rijksoverheid inspraak wettelijk voorgeschreven. In de overige gevallen beslist het bestuursorgaan over het al dan niet toepassen van inspraak of participatie, al dan niet voorafgegaan door een verzoek daartoe door belanghebbenden. In ieder geval kan deze bevoegdheid gelden voor artikel 19, tweede lid van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). In het vierde lid is opgenomen wanneer geen inspraak wordt verleend. Artikel 3 Participatie- of inspraakgerechtigden De omschrijving van inspraakgerechtigden vloeit rechtstreeks voort uit de tekst van artikel 150 van de Gemeentewet. In de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb zijn de woorden “in de gemeente een belang hebbende natuurlijke en rechtspersonen” vervangen door “belanghebbenden”. Het begrip “belanghebbende” is in artikel 1:2 van de Awb gedefinieerd en deze definitie heeft ook gelding voor wetgeving buiten de Awb.
Dit artikel legt de verantwoordelijkheid voor de keuze van bij participatie of inspraak te betrekken belanghebbenden neer bij het bestuursorgaan: raad, het college of de burgemeester, afhankelijk van de bevoegdheid over het betreffende onderwerp. Vanwege het open karakter van dit artikel vraagt dit in concrete gevallen om een bewuste afweging, rekening houdend met onder andere aard, schaal en reikwijdte van het onderwerp. De Nota Participatie geeft een aanzet daartoe. HOOFDSTUK 2 PARTICIPATIEPROCEDURE Artikel 4 Participatieprocedure Ondanks het open en flexibele karakter van participatie dient omwille van de duidelijkheid hiervoor ook een procedure te worden opgesteld. Deze dient in ieder geval object, belanghebbenden en bestuurlijke vraag aan te geven en voor zover in de fase van gedachtevorming al mogelijk is de overige elementen, zoals bedoeld in het derde lid. Naarmate er aan meer randvoorwaarden voor participatie is voldaan ontstaat er meer ruimte voor participatie van buitenaf. In de Nota Participatie zijn drie niveaus voor participatie omschreven op basis waarvan het mogelijk is een (of meer) standaardprocedure(s) te ontwikkelen die wanneer nodig kan (kunnen) worden ingezet: 1. Informatie.
Meeweten In deze vorm bepaalt de gemeente zelf de inhoud van het beleid op basis van onderzoek en eventueel beperkte consultatie van professionele organisaties en het maatschappelijk middenveld. De voorlichting aan de burgers over de achtergronden van en motieven voor de keuzes is gericht op het overtuigen van de doelgroepen en op het verwerven van
Pagina
8 van 10
draagvlak. Het bestuursorgaan kan voor dit model kiezen als er te weinig tijd of beleidsruimte is, of als een discussie met de bevolking over de inhoud nauwelijks een toegevoegde waarde heeft. 2. Consultatie. Meedenken Het college bepaalt zelf grotendeels de inhoud van concept-plannen, waarna deze breed worden getoetst en bediscussieerd. Ingezetenen en belanghebbenden kunnen commentaar geven. Op basis daarvan kunnen de plannen worden aangepast, of Meedoen. De gemeente kan, binnen zeer ruime kaders, ingezetenen en belanghebbenden via een open vraagstelling uitnodigen om een probleem gezamenlijk aan te pakken. De gemeente probeert daarbij zo veel mogelijk ideeën en eventuele oplossingen los te krijgen. Ingezetenen en belanghebbenden kunnen vanaf het begin meedoen in het proces. Uitgangspunt is wel dat de gemeente zich zoveel mogelijk verbindt aan de resultaten van de participatie. 3. Coproductie. Meebeslissen. Op basis van (de analyse en de gegevens over) het beleidsprobleem wordt met ingezetenen en belanghebbenden samengewerkt. Deze samenwerking gebeurt soms op basis van gelijkwaardigheid en soms krijgen de deelnemers binnen vooraf gestelde kaders zelfs beslissingsbevoegdheid. In dit model is de gemeente niet per definitie de initiator. Het is mogelijk dat de probleemanalyse door de burgers zelf wordt gemaakt.
Het uiteindelijke beleidsresultaat is in dit model een gezamenlijke productie. Aan het eind van het participatieproces kan formele inspraak worden georganiseerd volgens de regeling van deze verordening. Het participatieniveau dat wordt ingezet is maatgevend voor de keuze van een communicatiestrategie en in te zetten communicatiemiddelen en -activiteiten. De keuze wordt voorts beïnvloed door de aard van het onderwerp, de kenmerken van de doelgroep, het aantal deelnemers, de structuur van de samenwerking en de politieke gevoeligheid van het onderwerp. Uit het vierde lid volgt dat ook in geval van participatie het bestuursorgaan de procedure, indien noodzakelijk, kan wijzigen. Belanghebbenden worden hierover geïnformeerd. Artikel 5 Voorbereiding participatie In dit artikel zijn enkele richtlijnen ten aanzien van de voorbereiding opgenomen. In tegenstelling tot inspraak is voor participatie geen minimale voorbereidingstijd van vier weken opgenomen, teneinde de flexibiliteit van participatie niet te beperken. Afhankelijk van het onderwerp dient in concrete gevallen en bij voorkeur in overleg met belanghebbenden bepaald te worden wat voldoende voorbereidingstijd is. Artikel 6 Verslaglegging van participatie De verslaglegging van de resultaten van het participatieproces is uitermate belangrijk. Van de te houden bijeenkomsten zal altijd een verslag gemaakt moeten worden. Daarnaast kan
Pagina
9 van 10
het eindverslag algemeen worden gepubliceerd in de krant en op de gemeentelijke website. Het is aan te bevelen om tijdens het proces al duidelijkheid omtrent de communicatie te verschaffen. In het uiteindelijke voorstel aan de raad zal de inbreng van het participatieproces een duidelijke plek moeten krijgen. HOOFDSTUK 3 INSPRAAKPROCEDURE Artikel 7 Inspraakprocedure Ter uniformering en deregulering is in het eerste lid afdeling 3.4 van de Awb van toepassing verklaard op de inspraak. In artikel 3:11 tot en met 3:17 van de Awb is de inspraakprocedure te vinden. Na terinzagelegging en bekendmaking van het beleidsvoornemen kunnen belanghebbenden gedurende zes weken (tot de inwerkingtreding van de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb: vier weken) schriftelijk of mondeling hun zienswijze naar voren brengen. In de meeste gevallen zal deze procedure passend zijn voor de inspraak. Zo niet, dan kan op grond van het derde lid de inspraakprocedure worden aangepast. In het tweede lid van dit artikel wordt afgeweken van de termijn in de in afdeling 3.4 van de Awb vastgelegde termijn van zes weken. De inspraaktermijn voor ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen, is vier weken. Deze termijn kan met twee weken verlengd worden.
Op grond van het derde lid kan het bestuursorgaan bij overige beleidsvoornemens, zoals bijvoorbeeld beleidsnotities, middels een inspraakformulier, een afwijkende inspraakprocedure vaststellen. Artikel 8 Verslaglegging inspraak In dit geval is niet gekozen voor verwijzing naar afdeling 3.4 van de Awb, waarin slechts wordt bepaald dat een verslag wordt gemaakt van hetgeen tijdens de inspraakprocedure mondeling naar voren is gebracht. Onder het in het tweede lid, onderdeel a., genoemde verslag van de gevolgde inspraakprocedure wordt verstaan: Hoe is de procedure feitelijk verlopen? Is afdeling 3.4 van de Awb onverkort toegepast? Wanneer is het beleidsvoornemen ter inzage gelegd enz.? Onderdeel b. betekent dat de eindrapportage een volledig overzicht dient te bevatten van zowel de mondelinge als de schriftelijke inspraakreacties. De schriftelijke inspraakreacties kunnen aan het verslag worden gehecht. In het verslag kan worden volstaan met een korte zakelijke weergave van de naar voren gebrachte opvattingen en vermelding van de personen die hun opvatting naar voren hebben gebracht. Voor de bestemmingsplannen wordt in de regel een inloopavond gehouden. De inspraakreacties die tijdens de inloopavond en de inspraaktermijn zowel mondeling als schriftelijk zijn ingediend, worden schriftelijk beantwoord en opgenomen in het ontwerpbestemmingsplan. Onder c.
wordt als het sluitstuk van inspraak voorgeschreven dat het bestuursorgaan aangeeft wat met de zienswijzen wordt gedaan. In het derde lid is bepaald dat het bestuursorgaan het eindverslag op de gebruikelijke wijze openbaar maakt of een brief stuurt aan de personen die zienswijzen hebben ingediend. De bekendmaking van de resultaten van de inspraak is uitermate belangrijk. Het ligt voor de hand om degenen die hebben ingesproken een exemplaar van het eindverslag te sturen. Als het aantal insprekers omvangrijk is, kan worden gekozen voor het volstaan met een
Pagina
10 van 10
algemene bekendmaking. Het is aan te bevelen om tijdens de inspraakavond al duidelijkheid omtrent de communicatie te verschaffen. In het vierde lid wordt de burgemeester verplicht om het eindverslag te vermelden in zijn burgerjaarverslag overeenkomstig artikel 170, tweede lid, aanhef en onder b. van de Gemeentewet. Het is niet de bedoeling om elk verslag op te nemen. Opgenomen worden de aard, omvang en aantal procedures en zijn bevindingen. HOOFDSTUK 4 OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN Artikel 9 Inwerkingtreding Geen nadere toelichting. Artikel 10 Intrekking oude verordening Met deze bepaling wordt de bestaande participatie- en inspraakverordening ingetrokken. De datum waarop de oude verordening vervalt, is de datum waarop de nieuwe verordening in werking treedt (zie artikel 9). Artikel 11 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als Participatie- en inspraakverordening gemeente Amstelveen 2013.
3.1 Rondvraag 1 Rondvraag SP. Babbeltrucs
Voorzitter, Tijdens de gemeenteraad op 24 maart stelde ik mondelinge vragen over babbeltrucs, n.a.v. diverse voorvallen in het weekend van 20/21 maart. Afgelopen vrijdag 2 april verscheen o.a. bij Amstelveenz en RTVA een bericht van de politie over gedupeerden juist van het type babbeltruc waar ik de vragen over stelde. Vervolgens ben ik tijdens het paasweekeinde ook nog gebeld door inwoners uit de wijk groenelaan waar al in het weekend van 6/7 maart oplichters met dezelfde babbeltruc bezig waren. Ook zij waren zelf geen slachtoffer, maar hebben wel aangifte gedaan. Ik heb daarom de volgende vragen aan de burgemeester: 1) Als oplichters daadwerkelijk al actief waren (en bekend bij de politie) in het weekend van 6/7 maart waarom dan zo laat pas de informatie actie? 2) Uit informatie van de bewoners die wij spraken blijkt niet een heel pro actieve houding van de politie. Meldingen waarbij de mogelijkheid op een heterdaad bestond (ze zijn nu in de wijk, ze komen over een half uur) zijn niet opgepakt. Het lijkt er dus op dat aangifte en meldingen niet tot actie leiden. Wat is de reactie van de burgemeester daarop? Krijgt het probleem voldoende prioriteit? Is er een capaciteitsprobleem? 3) Ook als het om de opsporing gaat hebben bewoners vragen. Pakketen zijn niet meegenomen voor forensisch onderzoek. Onduidelijk is of camerabeelden mogelijkerwijs zijn opgevraagd.
Kan de burgemeester aangeven hoe behalve in woord ook in daad de aanpak van babbeltrucs de aandacht krijgt die het verdiend, met name als er oplichters echt actief zijn?
3.3 Bespreken Voorstel Metropoolregio Amsterdam (MRA) van grote klasse 1 Dossier 524 voorblad.pdf
Raadscommissie voor Algemeen bestuur en middelen Dossiernummer
524
Vertrouwelijk
Nee
Vergaderdatum
6 april 2021
Agendapunt
3.3
Omschrijving
Bespreken Voorstel Metropoolregio Amsterdam (MRA) van grote klasse
Geagendeerd
Vergaderdatum
Raadscommissie voor Algemeen
6 april 2021
bestuur en middelen Toelichting De commissie wordt gevraagd te reageren op het voorstel “MRA Metropool van grote klasse” .
1 Notitie bespreekstuk governance MRA
Bespreeknotitie Aan
Commissie ABM
Van
College van B&W
Betreft
Ter bespreking governance MRA een metropool van grote Klasse
Datum
23 maart 2021
Geachte commissieleden, In 2019 is er door een onafhankelijke commissie een evaluatie uitgevoerd naar de samenwerking in de MRA. In het rapport “Meer richting meer resultaat” werd geconcludeerd dat de bestuurlijke samenwerking in de regio tekortschiet; ”… de samenwerking is versplinterd, fragmentarisch, het mankeert aan eigenaarschap, leiderschap en daadkracht waardoor de metropolitane ontwikkeling onvoldoende wordt gestuurd en begeleid”. De uitkomsten van de evaluatie zijn door een daarvoor in het leven geroepen transitiecommissie MRA onder voorzitterschap van de burgemeester van Amsterdam Femke Halsema, uitgewerkt in een concept voorstel om te komen tot een nieuwe sterke Metropoolregio Amsterdam met een sterke democratische controle. Colleges, raden en staten worden in de gelegenheid gesteld op meerdere momenten input te geven op het voorstel. Op 1 april is het concept voorstel van de transitiecommissie toegelicht in een beeldvormende bijeenkomst. Het concept voorstel van de MRA ligt nu voor consultatie in de commissie ABM. Het college heeft op het concept voorstel als volgt gereageerd: 1. In te stemmen met de richtinggevende principes voor een versterkte samenwerking zoals geformuleerd in het voorstel MRA Metropool van grote klasse (inhoud voorop, draagvlak onmisbaar, beperking onderwerpen, in en externe functie MRA en de basis van de samenwerking ligt in de deelregio’s).
2. In te stemmen met de voorgestelde governance; bestuur (i.p.v. Agendacommissie), bestuurlijke platforms, Algemene Vergadering (i.p.v. Regiegroep). De komende maanden raden uitdrukkelijk uit te nodigen aanvullende voorstellen te doen ten behoeve van versterking van de democratische legitimiteit. 3. Als input op het concept voorstel MRA Metropool van grote klasse de transitiecommissie mee te geven ten behoeve van het definitieve voorstel voor nieuwe samenwerkingsafspraken in de MRA: De focus van samenwerking te richten op wonen, werken en mobiliteit en geen thema’s toe te voegen zoals sociale thema’s, maar deze mee te nemen in de huidige platforms. De Verstedelijkingstrategie en het uitgangspunt van een polycentrische benadering nadrukkelijker te benoemen. De platforms zelf een voorzitter uit hun midden te laten kiezen. Alle zeven deelregio’s vertegenwoordigd te laten zijn in het bestuur. Het voorstel voor een versterkte directie en een versterkt MRA bureau inhoudelijk en financieel nader uit te werken. Deze punten sluiten aan op de aanbevelingen die eerder via het Amstelland Meerlanden overleg aan de MRA Regiegroep zijn meegegeven. Als de raad via de commissie ABM aanvullend op dit advies wensen of bedenkingen mee wil geven dan horen wij dat graag.
De Transitiecommissie verwerkt vervolgens alle input van colleges, raden en staten in een definitief voorstel dat uiterlijk 21 mei in een extra MR Regiegroep wordt behandeld en vrijgegeven wordt ter behandeling en goedkeuring vóór het zomerreces in colleges, raden en staten.
1 College-advies inclusief besluit B&W Voorstel MRA een metropool van grote klasse
College-advies
Onderwerp
Voorstel MRA Metropool van grote klasse
1. In te stemmen met de richtinggevende principes voor een versterkte samenwerking zoals geformuleerd in het voorstel MRA Metropool van grote klasse (inhoud voorop, draagvlak onmisbaar, beperking onderwerpen, in en externe functie MRA en de basis van de samenwerking ligt in de deelregio’s). 2. In te stemmen met de voorgestelde governance; bestuur (i.p.v. Agendacommissie), bestuurlijke platforms, Algemene Vergadering (i.p.v. Regiegroep). De komende maanden raden uitdrukkelijk uit te nodigen aanvullende voorstellen te doen ten behoeve van versterking van de democratische legitimiteit. 3. Als input op het concept voorstel MRA Metropool van grote klasse de transitiecommissie mee te geven ten behoeve van het definitieve voorstel voor nieuwe samenwerkingsafspraken in de MRA: De focus van samenwerking te richten op wonen, werken en mobiliteit en geen thema’s toe te voegen zoals sociale thema’s, maar deze mee te nemen in de huidige platforms. De Verstedelijkingstrategie en het uitgangspunt van een polycentrische benadering nadrukkelijker te benoemen. De platforms zelf een voorzitter uit hun midden te laten kiezen. Alle zeven deelregio’s vertegenwoordigd te laten zijn in het bestuur. Het voorstel voor een versterkte directie en een versterkt MRA bureau inhoudelijk en financieel nader uit te werken.
Gevraagd besluit
1) Voorstel MRA Metropool van grote klasse 2) Aanbiedingsbrief bij Voorstel MRA Metropool van grote klasse
Titels van de bijlagen
Behandeling door/info aan raadscommissie nodig
Openbaarheid
Behandeld in B&W-vergadering d.d. Besluit B&W
Ja, voor bespreking naar Raadscommissie ABM De raadscommissie ABM wordt uitgenodigd op- en aanmerkingen te geven op het voorstel MRA Metropool van grote klasse.
Ja
23 maart 2021 Akkoord
30 maart 2021 Z2021-049575 Portefeuillehouder burgemeester Poppens
Jeugd & Samenleving Angelien W.T.M. Brus Telefoonnummer 540 42 15 E-mail a.w.t.m.brus@amstelveen.nl
Datum
Afdeling
Nummer
Behandelend ambtenaar
Besproken in staf met portefeuillehouder op 18 maart 2021
[] F031/ICT
Pagina
2 van 3
WAT WILLEN WE BEREIKEN EN WAT GAAN WE DAARVOOR DOEN Wat willen we bereiken (effectindicatoren)
Een slagvaardige, resultaatgericht metropoolregio Amsterdam (MRA) met de focus op wonen, werken en mobiliteit en ten behoeve van de democratische legitimiteit met voldoende lokale en deelregionale betrokkenheid en draagvlak. Hiervoor is het noodzakelijk de samenwerkingsafspraken (convenant) uit 2016 in de MRA aan te passen. Wat gaan we daarvoor doen (prestatie-indicatoren)
Input geven op het concept voorstel van de MRA “een metropool van grote klasse” ten behoeve van een nieuwe samenwerking in de netwerkorganisatie MRA. Het definitieve voorstel zal door de transitiecommissie van de MRA worden uitgewerkt in nieuwe samenwerkingsafspraken. Deze nieuwe samenwerkingsafspraken worden uiterlijk 21 mei 2021 ter behandeling en ter goedkeuring voorgelegd aan colleges, raden en staten.
ACHTERGROND EN OVERWEGINGEN Programma (speerpunt)
Programma 6 Bevolking, bestuur en veiligheid Aanleiding
In 2019 is er door een onafhankelijke commissie een evaluatie uitgevoerd naar de samenwerking in de MRA. In het rapport “Meer richting meer resultaat” werd geconcludeerd dat de bestuurlijke samenwerking in de regio tekortschiet; ”… de samenwerking is versplinterd, fragmentarisch, het mankeert aan eigenaarschap, leiderschap en daadkracht waardoor de metropolitane ontwikkeling onvoldoende wordt gestuurd en begeleid”. De uitkomsten van de evaluatie zijn door een daarvoor in het leven geroepen transitiecommissie MRA onder voorzitterschap van de burgemeester van Amsterdam Femke Halsema, uitgewerkt in een concept voorstel om te komen tot een nieuwe sterke Metropoolregio Amsterdam met een sterke democratische controle. Colleges, raden en staten worden in de gelegenheid gesteld op meerdere momenten input te geven op het voorstel. Argumenten
Richtinggevende principes De in het voorstel geformuleerde genoemde richtinggevende komen voldoende tegemoet aan de uitkomsten van de evaluatie om te komen tot een sterkere MRA; zorgen voor draagvlak bij raden en staten, focus aanbrengen in de onderwerpen, het belang van de deelregio en triple helix. Governance De voorgestelde bestuurs- en directiestructuur geeft houvast om slagvaardiger en resultaatgerichter te kunnen opereren als MRA. De vertegenwoordiging van één raadslid in de raadstafel doet nog onvoldoende recht aan de versterking van de democratische legitimiteit. Aangezien de MRA een bestuurlijk netwerk is blijft de aanhaking van raden een voortdurend punt van aandacht. De komende maanden moeten raden uitdrukkelijk worden uitgenodigd aanvullende voorstellen te doen. Op lokaal niveau zal de betrokkenheid van de raad versterkt kunnen worden door vaker terug te koppelen in de commissies over inhoudelijke onderwerpen. De raad kan zelf meer inhoud geven aan betrokkenheid door de vertegenwoordigers in het raadsplatform sterker te positioneren.
Pagina
3 van 3
Input op het voorstel De focus van samenwerking te richten op wonen, werken en mobiliteit en geen thema’s toe te voegen zoals sociale thema’s, maar deze meenemen in de huidige platforms. Geen vierde platform. De Verstedelijkingstrategie en het uitgangspunt van een polycentrische benadering nadrukkelijker benoemen. De platforms kiezen zelf een voorzitter uit hun midden in plaat van het voorzitterschap te laten vervullen door de twee provincies. Alle zeven deelregio’s dienen vertegenwoordigd te zijn in het bestuur. In het voorstel is dit niet het geval. Onduidelijk in het voorstel is hoe de kosten die een versterkte directie en MRA met zich meebrengen opgevangen kunnen worden. Daarom wordt verzocht het voorstel voor een versterkte directie en een versterkt MRA bureau inhoudelijk en financieel nader uit te werken. Deze punten sluiten aan op de aanbevelingen die eerder via het Amstelland Meerlanden overleg aan de Regiegroep zijn meegegeven. Kanttekeningen
Niet van toepassing Financiën
Niet van toepassing Communicatie
Niet van toepassing Procedure
Op 1 april 2021 wordt het voorstel MRA een metropool van grote klasse voor de raad in een beeldvormende bijeenkomst toegelicht door een vertegenwoordiger uit de transitiecommisie. Op 6 april 2021 ligt het voorstel voor oordeelvorming in de commissie ABM. De commissie kan besluiten wensen en opvattingen aangaande het voorstel mee te geven aan de transitiecommissie (tot uiterlijk 5 mei). Medio mei: de transitiecommissie verwerkt de input van colleges, raden en staten tot een definitief voorstel voor de samenwerkingsafspraken. Uiterlijk 21 mei is er een extra MRA Regiegroep. In deze extra Regiegroep wordt het voorstel behandeld en vrijgegeven ter behandeling en ter goedkeuring door colleges, raden en staten. Tot eind juni kunnen colleges, raden en staten de concept samenwerkingsafspraken behandelen ter goedkeuring. In Amstelveen vindt behandeling plaats in de raad in afstemming met de griffie. Eind juni is er extra Regiegroep MRA worden de samenwerkingsafspraken formeel bekrachtigd. Na de zomer vindt de eerste bijeenkomst van de nieuwe raadtafel plaats en wordt op feestelijke wijze aandacht besteed aan het door alle deelnemers ondertekenen van de nieuwe afspraken.
1 Aanbiedingsbrief brief aan colleges raden Staten bij Voorstel MRA Metropool van grote klasse
Retouradres: Strawinskylaan 1779, 1077 XX Amsterdam
Datum
9 maart 2021
Behandeld door
Remco Rienties, 06 – 20002447, r.rienties@metropoolregioamsterdam.nl
Onderwerp
Voorstel voor de versteviging van de MRA samenwerking
Geachte raads- en Statenleden en bestuurders in de Metropoolregio Amsterdam, Met groot genoegen sturen wij u het voorstel voor de versterking van onze samenwerking in de Metropoolregio Amsterdam. Een voorstel waarmee wij hopen onze regionale samenwerking meer vanuit gedeelde inhoudelijke ambities en gezamenlijke kracht te kunnen besturen. Een metropoolregio van grote klasse. Dit voorstel is het resultaat van intensieve voorbereiding door de transitiecommissie en overleg tussen de transitiecommissie en de regiegroep. Aanleiding voor het voorstel is de evaluatie uit 2019, de scenariobijeenkomsten die met Ben Verwaayen zijn doorlopen, en een reeks informele gesprekken met bijvoorbeeld vertegenwoordigers van de platforms en partners uit de Amsterdam Economic Board. Na verwerking van alle input hebben de leden van de Regiegroep na een extra bijeenkomst en een schriftelijke ronde de gelegenheid genomen om het voorstel van de transitiecommissie verder aan te scherpen. Eerder hebben wij u over dit proces om te komen tot een voorstel in de brief van 12 januari jl. geïnfomeerd. De transitiecommissie heeft haar best gedaan zorgvuldige formuleringen te kiezen en daarmee recht te doen aan de opvattingen en belangen van de verschillende gesprekspartners.
Uiteindelijk hebben wij keuzes gemaakt waarvan wij veronderstellen dat die zo veel mogelijk aan de wensen van alle MRA-deelnemers tegemoet komen. Voor ons staan draagvlak en transparantie, maar ook daadkracht en resultaatgerichtheid voorop.
Strawinskylaan 1779 (WTC, I-toren)
info@metropoolregioamsterdam.nl
1077 XX Amsterdam
www.metropoolregioamsterdam.nl
Het is een voorstel om te komen tot een nieuwe sterke Metropoolregio Amsterdam met een sterke democratische controle. Dit voorstel is niet het eind van een traject, maar de start. Het vraagt nog om nadere uitwerking; hier gaan we als transitiecommissie de komende maanden enthousiast mee verder. De komende periode wordt dit voorstel uitgewerkt in Samenwerkinsgafspraken. Voordat we als transitiecommissie deze Samenwerkingsafspraken opstellen vinden we het van groot belang om van alle deelnemers, juist ook van raads- en Statenleden, te horen wat men van het voorstel vindt. We verzoeken de college dan ook om over het voorstel met de raads- of Statenleden het gesprek te voeren in de komende consultatieperiode. We nemen u graag verder mee in het proces van consultatie, Samenwerkingsafspraken en vaststelling, zoals we dat gezamenlijk de komende maanden gaan doorlopen. Dit proces ziet er tot na de zomer als volgt uit: Tot 5 mei 2021 - Consultatie Het voorstel van de transitiecommissie ligt vanaf heden ter bespreking bij alle colleges, raden en Staten.
U wordt verzocht zich uit te spreken over het voorstel. De reacties kunnen tot 5 mei 2021 worden ingediend. Tevens wordt u vriendelijk verzocht met uw planninng voor de komende maanden rekening te houden met een moment van definitieve goedkeuring van de nog op te stellen Samenwerkingsafspraken. In de komende week benadert de MRA directie uw bestuursadviseurs met de vraag of er behoefte is aan ondersteuning in het door u te doorlopen traject.
Tijdens deze periode is het mogelijk om gebruik te maken van: Deelregionale (digitale) bijeenkomsten over het voorstel voor raads- en Statenleden met de voorzitter van de MRA en andere leden van de transitiecommissie. U wordt hierover op korte termijn nader geïnfomeerd. Leden van de transitiecommissie, die op verzoek van colleges, raden of Staten het voorstel kunnen toelichten. Een op de MRA-website te vinden Q&A over het voorstel en het proces. Uiterlijk medio mei 2021 - Transistiecommissie De commissie bespreekt alle inbreng van colleges, raden en Staten, en verwerkt deze tot het definitieve voorstel voor de Samenwerkingsafspraken.
Strawinskylaan 1779 (WTC, I-toren)
info@metropoolregioamsterdam.nl
1077 XX Amsterdam
www.metropoolregioamsterdam.nl
Uiterlijk 21 mei 2021 – Extra regiegroep De regiegroep behandelt het voorstel voor de Samenwerkingsafspraken en stelt deze in concept vast. Direct daarna geeft de Regiegroep het voorstel voor de Samenwerkingsafspraken vrij ter behandeling en ter goedkeuring door de colleges, raden en Staten. Tot eind juni - Periode goedkeuring van Samenwerkingsafspraken door colleges, raden en Staten We vragen de colleges, raden en Staten vóór eind juni een bespreking en (zo mogelijk) vaststelling van de Samenwerkingsafspraken in te plannen. Eind juni - Extra Regiegroep De Regiegroep neemt alle reacties op het verzoek van goedkeuring door colleges, raden en Staten in ontvangst en meldt daarna de formele bekrachtiging van de Samenwerkingsafspraken aan alle deelnemers. Na de zomer De eerste bijeenkomst van de nieuwe MRA raadtafel wordt in september gepland. Dan wordt de nieuwe MRA raadtafel verder geconcretiseerd. Voorbereidingen voor deze eerste bijeenkomst worden direct na medio juni gestart en ondersteund door de MRA directie. Op een feestelijke (en inhoudelijk interessante) wijze wordt aandacht besteed aan het door alle deelnemers ondertekenen van de nieuwe afspraken. De exacte vorm hiervan hangt af van wat er dan, gegeven Corona, mogelijk is. Aan de basis van een goede samenwerking ligt vertrouwen en elkaar kennen.
We beseffen dat elkaar ontmoeten en elkaar spreken hiervoor ontzettend belangrijk is. Juist in de huidige tijd is dit lastig. Door de maatregelen die tot op de dag van vandaag nodig zijn om het coronavirus te bestrijden, treffen we elkaar inmiddels al bijna een jaar vrijwel uitsluitend digitaal. Dat bemoeilijkt ons aller werk, maar maakt het niet onmogelijk. Uiteraard hopen we dat in de loop van het jaar steeds meer mogelijk wordt, en dat we elkaar ook fysiek weer gaan ontmoeten. We sluiten als transitiecommissie graag aan bij bijeenkomsten die u (al dan niet deelregionaal) organiseert om het voorstel te bespreken, zodat we waar nodig kunnen toelichten welke keuzes we hebben gemaakt en waarom we die hebben gemaakt. Digitaal zolang dat moet, fysiek zodra het weer veilig kan.
Strawinskylaan 1779 (WTC, I-toren)
info@metropoolregioamsterdam.nl
1077 XX Amsterdam
www.metropoolregioamsterdam.nl
Tot slot treft u bij als bijlage het persbericht dat gelijktijdig met deze mail naar de media is verzonden. Met vriendelijke groet, De leden van de transitiecommissie, Arthur van Dijk Femke Halsema (voorzitter) Thijs Kroese Gerard Kuipers Leen Verbeek Franc Weerwind Emiel Reiding (secretaris)
Bijlagen: Voorstel Persbericht
Strawinskylaan 1779 (WTC, I-toren)
info@metropoolregioamsterdam.nl
1077 XX Amsterdam
www.metropoolregioamsterdam.nl
1 Voorstel MRA metropool van grote klasse
I De noodzaak van de Metropoolregio Amsterdam
5
10
15
20
25
30
35
Groot Amsterdam is een gebied tussen twee kusten. Je vindt er badplaatsen, parken, veenweidegebieden, recreatieterreinen, zeehavens, historische steden en in het hart ligt een luchthaven. Dat alles wordt omzoomd door suburbane woonmilieus en bedrijventerreinen. Dichte infrastructuur maakt de verbinding tussen al deze plekken mogelijk. Hoewel deze metropoolregio relatief beperkt van omvang is, is het gebied gevarieerd door verschillende landschappen, door de zichtbare geschiedenis, de verschillende woonmilieus, en het contrast tussen dorpse rust en stedelijke drukte. Dat geeft het karakter. De strategische ligging in West-Europa, op een internetknooppunt, aan de Noordzee en goed ontsloten, doet de rest. Dit citaat is afkomstig uit het boek ‘Groot Amsterdam. Metropool in ontwikkeling’ van Theo Baart en schetst de onvermijdelijke en historische verandering van het gebied dat wij samen bewonen en besturen. Dat is in de eerste plaats een economische en maatschappelijke ontwikkeling. Bedrijven als Schiphol en Tata Steel, net als de havens, spannen onzichtbare draden door de gehele regio in werkgelegenheid en economische groei. Met de toename van de internationale handel, de vestiging van internationale bedrijven en de snelle groei van het toerisme, is de regio een pleisterplaats geworden voor expats en internationale bezoekers.
De metropool dijt uit en verstedelijkt, van de IJmond tot en met Lelystad, van Zaanstreek-Waterland tot Amstelland-Meerlanden. Amstelveen wordt meer grootstedelijk en Zaanstad kruipt dichter bij Amsterdam. Plaatsen als Almere, Purmerend, Hoofddorp en Uithoorn verstedelijken verder, niet in de laatste plaats omdat ze plek bieden aan de middengroepen voor wie het wonen in Amsterdam onbetaalbaar wordt. Tegelijk neemt ook de dagelijkse pendel van woon- en werkverkeer toe waardoor wegen en openbaar vervoer intensiever worden gebruikt. Met de groei van het inwonertal, het economische en sociale verkeer, is er grote druk ontstaan op de historische oude kernen, op het landschap en de recreatiegebieden. De wording van een werkelijke metropool is daarmee de afgelopen jaren ook onvermijdelijk een groot bestuurlijk vraagstuk geworden. Voor de keuze voor een nieuw ziekenhuis, een nieuwe hogeschool, de vestigingsplek van een nieuw internationaal bedrijf, de nieuwe huizen en bedrijventerreinen, de aanleg van nieuwe wegen en openbaar vervoersverbindingen, moet
40
aanhoudend overleg plaatsvinden tussen gemeenten (en provincies) en wordt vergaderd in wisselende samenwerkingsverbanden: in de Vervoerregio, in portefeuille-overleggen van bestuurders en tijdens thematische platformbijeenkomsten. In de Amsterdam Economic Board hebben de grote bedrijven en kennisinstellingen zich verzameld om de regio van advies te dienen. Bestuurlijk verenigt de regio zich in de MRA, een soms actief, soms minder actief samenwerkingsverband en overlegorgaan.
45
50
55
60
65
70
In een door de regiegroep van de MRA gevraagde onafhankelijke evaluatie uit 2019 wordt onder de veelzeggende titel Meer richting en resultaat geoordeeld dat de bestuurlijke samenwerking in de regio tekortschiet. Deze is versplinterd en fragmentarisch, het mankeert aan eigenaarschap, leiderschap en daadkracht, waardoor de metropolitane ontwikkeling onvoldoende wordt gestuurd en begeleid. De noodzaak van eendrachtige en sterke regionale sturing is groot, en sinds het uitbreken van de coronapandemie in 2020 enkel groter geworden: 1. In de wereldwijde en Europese economische (en bestuurlijke) ontwikkeling spelen regio’s een steeds belangrijkere rol. In de slag om de vestiging van bedrijven, de toekenning van Europese gelden en in de nationale besluitvorming over bijvoorbeeld grote woningbouwprojecten, nieuwe openbaarvervoersverbindingen, energie- en klimaatmaatregelen en investeringen in natuur en landschap wordt sterker gekeken naar de betekenis ervan voor de regio, dan naar de bijdrage ervan voor de verschillende gemeenten en provincies die er deel van uitmaken; 2.
Met het gegroeide inwonertal, de hausse aan toeristen en het toenemend aantal vervoersbewegingen staat de leefbaarheid van de regio onder druk: (Inter)nationale vraagstukken ten aanzien van energietransitie, klimaatverandering, verduurzaming van de mobiliteit en voortgaande verstedelijking dienen pregnant beantwoord te worden in de metropoolregio. De dubbele opgave om de kwaliteit van leven van de inwoners te bewaren en te versterken en tegelijkertijd de druk op onze natuurlijke omgeving en ons landschap te verminderen, is per definitie een bovenlokale, regionale aangelegenheid.
75
80
85
3. 90
95
100
105
110
Onze regio heeft daarbij in toenemende mate te maken met een ‘waterbedeffect’ waarbij het polycentrisch evenwicht onder druk komt te staan. Ondanks de bouw van duizenden woningen neemt bijvoorbeeld het aandeel betaalbare woningen in de hele metropool af. In de MRA neemt de segregatie tussen de rijke en arme delen en tussen de kansrijke en kansarme inwoners toe. Mensen met een laag en middeninkomen vertrekken uit Amsterdam omdat zij geen betaalbare woning kunnen vinden. Zij verhuizen naar bijvoorbeeld Hoofddorp, Almere of Purmerend. Ook in andere stedelijke kernen zoals bijvoorbeeld Zaanstad, verdiept de ongelijkheid zich. Juist de evenwichtige opbouw die de regio van oudsher heeft bepaalt in sterke mate het welzijn van haar inwoners en de (internationale) aantrekkingskracht voor bedrijven en bezoekers. De coronapandemie trekt diepe sporen in de metropoolregio. De afgelopen jaren kende de regio de snelste economische en werkgelegenheidsgroei, met de komst van corona is dit omgedraaid in de grootste krimp. Het grote aandeel van economische sectoren zoals toerisme, cultuur, horeca, uitzendbureaus, groothandel en detailhandel in de groei van de afgelopen jaren, blijkt tijdens een pandemie de achilleshiel.
Er is een realistische verwachting dat de regionale economie zich na corona snel herstelt, tegelijkertijd is er noodzaak tot herijking om onze economische veerkracht aanzienlijk te vergroten.
Met de economische, duurzaamheids- en maatschappelijke opgaven waarvoor de metropoolregio staat doemt er ook onmiddellijk een groot bestuurlijk dilemma op. Ons bestuursstelsel kent geen regionaal bestuur naast de (nationale, provinciale en lokale) democratisch gelegitimeerde bestuurslagen, noch bestaat er in de metropoolregio op dit moment de wens om die in het leven te roepen. De aanbeveling in de evaluatie van 2019 (waar een groot aantal lokale en provinciale bestuurders voor zijn geïnterviewd) om de MRA meer doorzettingsmacht en -kracht te geven verhoudt zich slecht tot de eis van democratische verantwoording en transparantie. Anders gezegd, er is behoefte aan sterke regionale sturing maar er is tegelijkertijd weerzin tegen een regionaal orgaan dat zich macht en positie toe-eigent zonder dat het geworteld is in de lokale en provinciale democratie. De wording van een
115
polycentrische metropool vraagt met andere woorden om een evenwichtige ontwikkeling en spreiding van verantwoordelijkheid, om gezamenlijke moed en solidariteit, en onderling bestuurlijk vertrouwen. Samenwerking is vrijwillig maar kan niet vrijblijvend zijn als de metropool voor de eigen inwoners, in Nederland en in internationale vergelijkingen succesvol wil zijn.