CConstaterende datamstelveen
Koppel je AI →
Document · PDF

6. Chw bestemmingsplan Bedrijventerrein Amstelveen Zuid (BTAZ)

Raadscommissie voor Ruimte, wonen en natuur 28 oktober 2021, gemeente amstelveenBij agendapunt: Bestemmingsplan, exploitatieplan en beeldkwaliteitsplan voor Bedrijventerrein Amstelveen Zuid (BTAZ)37.253 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Hieronder een schematische weergave van de geluidnormering per bedrijf op grond van milieuzonering nieuwe stijl. De geluidruimte van een bedrijf is afhankelijk van de zone voor geluid waarin het bedrijf is gelegen

Wegverkeerslawaai Het toetsingskader voor wegverkeerslawaai is de Wet geluidhinder, voor zover het gaat om de effecten door nieuwe wegen en de reconstructie (fysieke wijziging) van bestaande wegen. De toename van wegverkeerslawaai door de planontwikkeling op de bestaande en niet fysiek te wijzigen wegen wordt in het bestemmingsplan afgewogen in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Om die reden word het wegverkeerslawaai cumulatief in beeld gebracht en getoetst (en niet per weg) en wordt geen rekening gehouden met de aftrek ex art 110 g Wet geluidhinder van maximaal 5 dB. De toetsing vindt plaats ten opzichte van de referentiesituatie; de huidige situatie plus alle autonome ontwikkelingen. Om de uitvoerbaarheid van het plan te toetsen moet daarnaast worden beschouwd of de geluidbelasting door de reconstructie van bestaande wegen niet hoger is dan 5 dB boven de huidige waarde en niet hoger dan 68 dB. Luchtverkeerslawaai Bij de ingebruikname van de vijfde baan van Schiphol (Polderbaan) op 20 februari 2003 is het Luchthavenindelingbesluit (Lib) in werking getreden. Hiermee zijn nieuwe beperkingen gesteld aan het ruimtegebruik rond de luchthaven. Naast het luchthavengebied is een beperkingengebied aangegeven. In het beperkingengebied zijn een aantal deelgebieden onderscheiden, waarvoor verschillende regels gelden. Het gaat om o.a.

een geluidssloopzone en een beperkingen geluidszone. Deze bepalingen moeten in de bestemmingsplannen worden verwerkt. 7.6.2 Relevantie plangebied RoyalHaskoningDHV heeft onderzoek verricht naar de geluidseffecten van de uitvoering van het bestemmingsplan. Voor dit bestemmingsplan volgt hieronder een korte weergave van de conclusie maar wordt voor de volledigheid verwezen naar Bijlage 7. Wegverkeerslawaai Ten gevolge van de reconstructie van de Zijdelweg worden op 3 woningen de huidige grenswaarden overschreden.

Bij de Zijdelweg 9 bedraagt de geluidbelasting na een toename van 2 dB maximaal 68 dB. Een hogere waarde van 68 dB is voor deze woning mogelijk omdat dan de maximale ontheffingswaarde van 68 dB niet wordt overschreden. Met geluidreducerend wegdek kan het reconstructieeffect op deze gevel worden weggenomen. Bij de Zijdelweg 11 bedraagt de maximale geluidbelasting ten gevolge van de Zijdelweg 63 dB. Geluidreducerend wegdek kan waarschijnlijk een deel van het reconstructie-effect opheffen. Indien dit onvoldoende blijkt te zijn kan door de provincie in het kader van de reconstructie een hogere waarde van maximaal 63 dB worden overwogen ten gevolge van de Zijdelweg. Bij de Zijdelweg 13 bedraagt de maximale geluidbelasting ten gevolge van de Zijdelweg 60 dB. Geluidreducerend wegdek kan waarschijnlijk een deel van het reconstructie-effect opheffen. Indien dit onvoldoende blijkt te zijn kan door de provincie in het kader van de reconstructie een hogere waarde van maximaal 61 dB worden overwogen ten gevolge van de Zijdelweg. Bij het vaststellen van hogere waarden moet onderzocht worden of aan de woningen nog gevelmaatregelen getroffen moeten worden.

Bij de woningen Zijdelweg 9 en 13 treden naast toenames van geluid op de hoogst belaste gevels ook relevante toenames op andere gevels op, die voor een belangrijk deel worden veroorzaakt door reflecties in de geplande bebouwing op het nieuwe bedrijventerrein. Dit is niet direct een reconstructieeffect maar een planeffect. Overwogen kan worden om in het kader van een goede ruimtelijke ordening te bezien of aan die gevels maatregelen getroffen moeten worden om te voldoen aan een binnenwaarde van maximaal 38 dB (richtwaarde voor bestaande saneringswoningen). Bij de Meerlandenweg is geluidreducerend wegdek niet effectief vanwege de invloed van de kruising. - Bij de Meerlandenweg 52 bedraagt de maximale geluidbelasting vanwege de Meerlandenweg 59 dB. - Bij de Meerlandenweg 53 bedraagt de maximale geluidbelasting vanwege de Meerlandenweg 54 dB. - Bij de Meerlandenweg 55A bedraagt de maximale geluidbelasting vanwege de Meerlandenweg 53 dB Het bevoegd gezag kan overwegen om hogere waarden vast te stellen, waarbij onderzocht moet worden of aan de woningen nog gevelmaatregelen getroffen moeten worden. De geluidbelasting ten gevolge van de nieuwe wegen op de onderzochte woningen bedraagt op de Meerlandenweg 52 maximaal 51 dB en op de Zijdelweg 13 maximaal 55 dB. Voor de Meerlandenweg 52 kan een hogere waarde van 51 dB vanwege de nieuwe wegen worden overwogen.

Voor deze woning is ook een hogere waarde benodigd van 59 dB vanwege de Meerlandenweg zelf. De cumulatieve geluidbelasting is in dat geval 60 dB. Het geluid vanwege de Meerlandenweg is derhalve veruit maatgevend en de toename ten gevolge van de nieuwe wegen blijft beperkt tot 1 dB. Voor de woning Zijdelweg 13 kan een hogere waarde van 55 dB vanwege de nieuwe wegen worden overwogen. Voor deze woning is ook een hogere waarde benodigd van 60 dB vanwege de Zijdelweg. Op de zuidgevel is de geluidbelasting vanwege de Zijdelweg maximaal 56 dB. Gecumuleerd met het geluid van de nieuwe wegen is de

geluidbelasting op de zuidgevel maximaal 59 dB, dat is lager dan de hogere waarde op de oostgevel vanwege de Zijdelweg alleen. De resultaten zijn samengevat in onderstaande tabel. Het betreft in alle gevallen waarden in dB Lden inclusief aftrek artikel 110 Wgh. Waarden van maximaal 48 dB Lden zijn weergegeven met ‘-‘. Cumulatieve waarden zijn alleen weergegeven bij adressen met 2 waarden boven de 48 dB Lden, waarbij de waarde op de hoogst belaste gevel is weergegeven.

In bovengenoemd geluidrapport is het mogelijke reconstructie-effect en de impact van nieuwe wegaanleg onderzocht en getoetst. Doel van het geluidonderzoek is om ten behoeve van de vaststelling van het bestemmingsplan te bepalen of de geluideffecten passen binnen de kaders van de Wet geluidhinder (uitvoerbaarheidstoets). Het onderzoek is niet bedoeld voor het vaststellen van hogere grenswaarden. De wegontwerpen zijn nog niet afgerond en voor de Zijdelweg is de gemeente geen bevoegd gezag (dat is de provincie Noord Holland). Dit is de reden dat het eerder in ontwerp vastgestelde hogere waarde besluit niet definitief wordt vastgesteld. In het geluidrapport is de geluidbelasting onderzocht vanwege extra te verwachten verkeer door de reconstructie en aanleg van wegen op de bestaande (bedrijfs)woningen in de omgeving. Het betreft de volgende wegen: • Zijdelweg, aanpassing rotonden (reconstructie) • Meerlandenweg (reconstructie) • Wegen op het bedrijven terrein (nieuwe aanleg) Volgens de Wet geluidhinder dient de wijziging aan de wegvakken te worden getoetst aan de regelgeving en de grenswaarden van deze wet.

Op een later moment zullen voor de reconstructie en aanleg van de gemeentelijke wegen, op basis van nader geluidonderzoek, separate besluiten in de zin van de Wet geluidhinder worden genomen (of na inwerkingtreding van de omgevingswet een omgevingsvergunning in de zin van Afdeling 22.4 van de zogenaamde Bruidsschat, onderdeel van het invoeringsbesluit Omgevingswet). Zonder zo’n besluit mag de reconstructie/aanleg niet worden uitgevoerd.

Voor de reconstructie van de provinciale weg zal de provincie de benodigde besluiten nemen. Industielawaai Voor industrielawaai is op gevelpunten getoetst. Op iedere woning liggen meerdere rekenpunten. Voor deze rekenpunten is per woning de maximale geluidbelasting bepaald. Tevens zijn contouren (50 en 55 dB(A)) berekend op 10 meter hoogte.

De maximale berekende geluidbelasting bedraagt 56 dB(A) etmaalwaarde op de Zijdelweg 9 en 11 op het toekomstige bedrijventerrein. In onderstaande figuur zijn de 50 en 55 dB(A) contour weergegeven.

Op basis van de kentalberekeningen worden de toetswaarden voor de effectscore aanvaardbaar (0) bij de woningen Zijdelweg 9 en 11 met 1 dB overschreden, uitgaande van de huidige status ‘agrarisch bedrijfswonen’. Door het voornemen verandert de status van deze woningen tot woningen op een bedrijventerrein. Voor woningen op een bedrijventerrein is de berekende geluidbelasting van 56 dB(A) aanvaardbaar. Cumulatieve geluidbelasting Voor de woningen met een geluidbelasting vanwege industrielawaai van meer dan 50 dB(A) is tevens het cumulatieve effect met wegverkeerslawaai bepaald. Bij twee woningen neemt door cumulatie de geluidbelasting ten opzichte van alleen wegverkeerslawaai met 1 dB toe. Dit effect is niet significant, wegverkeer is de maatgevende geluidbron. Conclusie Bovenstaande betekent dat als gevolg van wegverkeerslawaai bij de benodigde wegreconstructies een ontwerp besluit hogere grenswaarden geluid ter visie zal worden gelegd voor de gevallen waarin gemeente bevoegd gezag is. Verder is het uitgangspunt dat geluidreducerend asfalt zal worden toegepast op de Zijdelweg en op nieuwe wegen. Hiervoor dient met betrekking tot de Zijdelweg overleg te worden gevoerd met de provincie Noord-Holland als wegbeheerder. De provincie is ook bevoegd gezag voor de hogere grenswaarden bij de wegreconstructie van de Zijdelweg.

7.7 Luchtkwaliteit 7.7.1 Beleid en regelgeving

Sinds 15 november 2007 zijn de hoofdlijnen voor regelgeving van de luchtkwaliteitseisen vastgelegd in de Wet milieubeheer (Wm). Artikel 5.16 Wm geeft weer onder welke voorwaarden de bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (zoals wijzigingen van een bestemmingsplan) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in principe geen belemmering: <0000> er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; <0000> een project leidt per saldo niet tot verslechtering van de luchtkwaliteit; <0000> een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; <0000> een project past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of binnen een regionaal programma van maatregelen. Vanaf 1 augustus 2009 is het NSL in werking getreden. In het NSL zijn alle maatregelen opgenomen die de luchtkwaliteit moeten verbeteren en tevens zijn ruimtelijke ontwikkelingen opgenomen die de luchtkwaliteit verslechteren. Overheden zijn gehouden de in het NSL opgenomen maatregelen uit te voeren en kunnen het NSL gebruiken als onderbouwing bij plannen voor de NSL-projecten. Met het NSL laat de Nederlandse overheid zien hoe zij aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit gaat voldoen.

Grenswaarden Voor de beoordeling van de situatie in de omgeving van het plan zijn met name de volgende grenswaarden uit de Wet milieubeheer relevant: <0000> de jaargemiddelde concentraties voor stikstofdioxide (NO2) moeten vanaf 2015 voldoen aan de grenswaarde van 40 µg/m3 ; <0000> voor fijn stof (PM10) geldt vanaf 2011 een grenswaarde van 40 µg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie; <0000> de 24-uurgemiddelde waarde voor PM10 mag niet vaker dan 35 keer per jaar overschreden worden (39 keer als rekening wordt gehouden met de zogenoemde zeezoutaftrek); <0000> voor PM2,5, deeltjes nog kleiner dan PM10, zijn ook grenswaarden vastgesteld. Deze zijn niet strenger dan de huidige norm voor daggemiddelde concentraties van PM10. Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) Met het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' - zoals een school of kinderopvang - in de nabijheid van provinciale wegen (binnen 50 meter) en rijkswegen (binnen 300 meter) beperkt. Dat geldt voor nieuwe situaties en bestaande situaties die worden uitgebreid, waarbij sprake is van een (dreigende) overschrijding van de grenswaarden voor NO2 of PM10. Binnen dit bestemmingsplan bevinden zich geen gevoelige bestemmingen.

Besluit en Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) In het Besluit niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is vastgelegd wanneer een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een project is NIBM als het niet meer dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde voor NO2 en PM10 bijdraagt; concreet betekent dit een bijdrage van maximaal 1,2 µg/m3 . Met name NO2 en PM10 zorgen in Nederland nog voor overschrijdingen van grenswaarden, vandaar dat deze grens is gekozen. In de Regeling NIBM is een aantal categorieën met maximale groottes aangewezen die NIBM zijn, waaronder woningbouw, kantoren en bepaalde inrichtingen. Als een project binnen de grenzen van deze Regeling valt, is verdere toetsing aan de grenswaarden niet nodig.

7.7.2 Relevantie plangebied Het luchtkwaliteitsonderzoek is verricht door RoyalHaskoningDHV. Dit rapport is toegevoegd als Bijlage 8. Hieronder de conclusies: Het ontwikkelen van bedrijventerrein BTAZ leidt tot meer verkeer. Deze toenames hebben een effect op de concentraties NO2, PM10 en PM2,5 in de lucht. Voor alle drie de stoffen geldt dat de concentraties in de lucht buiten het plangebied niet in betekenende mate toenemen, en de Europese grenswaarden alsmede de WHO advieswaarden niet overschrijden.

7.8 Externe veiligheid 7.8.1 Beleid en regelgeving Bij externe veiligheid gaat het om de risico's die derden lopen als gevolg van bepaalde activiteiten. In Amstelveen gaat het met name om de risico's van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg en door buisleidingen. Besluit externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen in de omgeving van het bedrijf. Het gaat daarbij onder meer om bedrijven die vallen onder het BRZO (Besluit Risico's Zware Ongevallen), LPG-tankstations en opslagplaatsen met gevaarlijke stoffen. Belangrijke begrippen in het kader van externe veiligheid zijn het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is in het Bevi gedefinieerd als het "risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is".

Het groepsrisico is gedefinieerd als de "cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is". Verder zijn kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten van belang. Kwetsbare objecten zijn bijvoorbeeld scholen, kantoorgebouwen met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1.500 m² en woningen met een dichtheid van meer dan twee woningen per hectare. Beperkt kwetsbare objecten zijn onder meer sporthallen, zwembaden en woningen met een dichtheid van maximaal twee woningen per hectare. Het Bevi bevat eisen voor het plaatsgebonden risico en regels voor het groepsrisico. Voor het plaatsgebonden risico geldt onder meer een grenswaarde van 10-6 per jaar voor kwetsbare objecten in nieuwe situaties. Voor het groepsrisico geldt dat de gemeenteraad verantwoording moet afleggen over de wijze waarop het groepsrisico is meegewogen in de besluitvorming. Besluit externe veiligheid transportroutes Op 1 april 2015 is de Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen inwerking getreden. Deze wet vervangt de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen.

Het doel van Basisnet is om gevaarlijke stoffen te kunnen vervoeren tussen de belangrijkste industriële plaatsen in Nederland en in het buitenland en de risico's voor omwonenden langs de routes binnen de wettelijke grenzen te houden. Het systeem Basisnet heeft

betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over grote vaarwegen, spoorwegen en autowegen. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Het Besluit externe veiligheid buisleidingen regelt de taken en verantwoordelijkheden van leidingexploitanten en gemeenten. De belangrijkste eisen aan bestemmingsplannen zijn: ruimtelijke reservering voor plaatsgebonden risico, verantwoording van het groepsrisico en een ruimtelijke reservering voor zogenoemde belemmeringenstroken met een aanlegvergunningenstelsel. 7.8.2 Relevantie plangebied Ten behoeve van het bestemmingsplan BTAZ is een m.e.r.-beoordelingsbesluit is genomen. Door RoyalHaskoningDHV is onderzoek uitgevoerd naar de externe veiligheid als gevolg van de ontwikkeling van het bestemmingsplan. Hieronder volgen de belangrijkste conclusies. Het volledige onderzoek wordt toegevoegd als Bijlage 9 aan deze plantoelichting. "Uit de toetsing van de risicobronnen blijkt dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de ontwikkeling van het planvoornemen. Uit de toetsing van het groepsrisico volgt dat er verantwoording groepsrisico noodzakelijk is. Het bestemmingsplan dient rekening te houden met de aanwezigheid van risicobronnen en de kans dat zich een ongeval kan voordoen waarbij dodelijke slachtoffers vallen.

Om de risico’s tot een minimum te beperken dient het bevoegd gezag formeel om advies te vragen bij de veiligheidsregio. In het kader van de verantwoording groepsrisico is de veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland om een preadvies gevraagd ter voorbereiding op het formele advies. Onderstaande maatregelen komen voort uit het advies van van 11 juni 2020 wat is opgesteld in het kader van de Nota Reikwijdte en Detailniveau. Plangebied: <0000> Toereikende opstelplaatsen en bluswatervoorzieningen realiseren; <0000> Gebouwen in het plangebied tweezijdig bereikbaar maken voor de hulpdiensten; <0000> Een goede ontsluiting vanuit het plangebied realiseren waarbij zo veel mogelijk van de risicobronnen af gevlucht kan worden; <0000> Bij het (constructief) ontwerp van de gebouwen in het plangebied en de te maken keuzes voor bijvoorbeeld materiaaltoepassing en/of uitvoering van de gevels rekening houden met de effecten van ongevallen met gevaarlijke stoffen; <0000> Ontvluchtingsmogelijkheden (vluchtroutes en nooduitgangen) vanuit de gebouwen in het plangebied realiseren die zo veel mogelijk van de risicobronnen af gericht zijn; <0000> Waarborgen dat personen in het plangebied snel (kunnen) worden gewaarschuwd bij een (dreigend) ongeval met gevaarlijke stoffen; <0000> Voorlichting en risicocommunicatie voor personen in het plangebied met betrekking tot het handelingsperspectief bij incidenten.

Buisleidingen: <0000> Voorzieningen treffen om de ondergrondse buisleidingen te beschermen; <0000> Strikte regulering met betrekking tot de organisatie van (graaf)werkzaamheden nabij de ondergrondse buisleidingen; Lpg-tankstation: <0000> Venstertijden voor laden en lossen Lpg ter plaatse van het Lpg-tankstation; Toetsing risicobronnen

Voor het planvoornemen zijn de relevante risicobronnen getoetst aan de normen voor externe veiligheid. N201: <0000> Geen plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar. Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor het plangebied; <0000> Het groepsrisico van de N201 neemt toe en ligt onder de 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Buisleiding W-540-01: <0000> Geen plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar. Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor het plangebied; <0000> Het groepsrisico blijft gelijk ten opzichte van de huidige situatie en ligt op 0,01 maal de oriëntatiewaarde. Buisleiding W-529-01: <0000> Geen plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar. Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor het plangebied; <0000> Het groepsrisico neemt met meer dan 10% toe, maar blijft ruim onder de 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Lpg-tankstation: <0000> Plaatsgebonden risicocontouren 10-6 per jaar voor vulpunt, afleverzuil en reservoir. Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor het plangebied; <0000> Het groepsrisico neemt niet toe ten opzichte van de huidige situatie. Verantwoording groepsrisico Conform het Bevt (N201), het Bevb (buisleidingen) en het Bevi (lpg-tankstation) moet het groepsrisico worden verantwoord. Voor de Buisleiding W-529-01 en het LPG tankstation is een uitgebreide verantwoording noodzakelijk.

Er dient invulling te worden gegeven aan voorzieningen in het kader van rampenbestrijding en zelfredzaamheid. Daarnaast moeten maatregelen worden beschouwd voor de beperking van het groepsrisico (bron- en ruimtelijke maatregelen) en eventuele alternatieve ruimtelijke invulling. De volgende aandachtspunten gelden: <0000> <0000>

Buisleiding W-529-01: In de planvorming dient rekening gehouden te worden met de invulling van de bevolkingsvlakken in de nabijheid van de buisleiding. De buisleiding kan een fakkelbrand veroorzaken. Lpg-tankstation: Binnen het plangebied dient rekening te worden gehouden met het scenario BLEVE, fakkelbrand en wolkbrandexplosie.

Voor de buisleiding W-540-01 en N201/N521 geldt een beperkte verantwoording: De invloed van deze risicobronnen is beperkt, er dient invulling gegeven te worden gegeven aan voorzieningen in het kader van rampenbestrijding en zelfredzaamheid. Preadvies verantwoording groepsrisico In het kader van de verantwoording groepsrisico is een preadvies gevraagd aan de Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland. In dit advies gaat de veiligheidsregio in op de mogelijkheden voor rampenbestrijding en zelfredzaamheid. In haar advies noemt de Veiligheidsregio maatregelen die ingaan op het plangebied maar ook op de risicobronnen zelf. Te denken valt aan opstelplaatsen en vluchtmogelijkheden. Daarnaast zijn risicocommunicatie en voorlichting belangrijk voor het handelingsperspectief van de aanwezige personen. Voor het lpg-tankstation kunnen venstertijden ingesteld worden en voor graafwerkzaamheden dient een strikte regulering te worden ingesteld in de nabijheid van de aanwezige buisleidingen.

Aanvraag advies door gemeente De Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland heeft bij het vooroverleg nogmaals verwezen naar het pre-advies.

7.9 Natuur 7.9.1 Beleid en regelgeving Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Doel van deze wet is de bescherming van soorten en leefgebieden. De wet is een implementatie van Europeesrechtelijke en internationale verplichtingen (Habitatrichtlijn, Vogelrichtlijn, Verdrag van Bern en Verdrag van Bonn). De wet kent een beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, voor soorten van de Habitatrichtlijn en voor andere soorten. Het komt er onder andere op neer dat soorten niet opzettelijk gedood, gevangen of verstoord mogen worden. Ook het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen en rustplaatsen is verboden. Gedeputeerde Staten kunnen in sommige gevallen ontheffing verlenen van de verbodsbepalingen. Vrijwel alle vogels zijn beschermd ingevolge de Vogelrichtlijn. Habitatrichtlijnsoorten zijn bijvoorbeeld alle vleermuissoorten. Onder andere soorten vallen onder andere de ringslang en de grote modderkruiper. Naast de soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming is ook de gebiedsbescherming van belang. Conform de Wet natuurbescherming (Wnb) dienen activiteiten getoetst te worden om na te gaan of binnen nabijgelegen Natura 2000-gebieden significant negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie kunnen optreden.

In de beslisboom1 van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zijn de stappen om vergunningsplicht vast te stellen beschreven (zie figuur hieronder).

7.9.2 Relevantie plangebied 7.9.2.1 Soortenbescherming RoyalHaskoningDHV heeft op 18 september 2020 een Quickscan opgeleverd met betrekking tot de soortenbescherming van de Wet natuurbescherming. Dit onderzoek is in zijn volledigheid opgenomen als Bijlage 5. Hieronder volgen de belangrijkste conclusies met betrekking tot dit bestemmingsplan: <0000> Voor de soortgroepen vaatplanten, vissen, reptielen en ongewervelden is op basis van het uitgevoerde literatuuronderzoek, verkennende onderzoek en aanvullende veldonderzoeken een voldoende beeld gekregen met betrekking tot het voorkomen. <0000> Er zijn op basis van de uitkomsten van het onderzoek geen beschermde vaatplanten, vissen, reptielen en ongewervelde diersoorten in of rondom het plangebied te verwachten, vanwege het ontbreken van geschikte biotoop en schuilgelegenheid in het plangebied.

<0000>

Ten aanzien van de deze soortgroepen zijn in het kader van de Wnb overtredingen van verbodsbepalingen op voorhand uit te sluiten. Een nader onderzoek is voor deze soortgroepen niet aan de orde. Wel dient voor algemeen voorkomende soorten invulling gegeven te worden aan de zorgplicht (Artikel 1.11 van de Wnb).

De volgende vervolgstappen zijn aan de orde of te adviseren: <0000> Voor kleine marterachtigen (wezel, hermelijn en bunzing; Artikel 3.10) geldt dat er een waarneming van wezel bekend is, de overige soorten zijn niet uitgesloten. <0000>

<0000>

<0000>

<0000>

De in het plangebied voor deze soort geschikte biotopen, dienen nader onderzocht te worden met inzet van wildcamera’s, bij voorkeur zogenoemde ‘struikrovers’. <0000> De inzet en onderzoeksinspanning dient vergelijkbaar te zijn met de voorwaarden uit de ‘Handreiking kleine marterachtigen’ van Provincie Noord-Brabant. Voor algemeen voorkomende soorten als haas, egel, veldmuis (Artikel 3.10), geldt in provincie Noord-Holland een algemene vrijstelling bij ruimtelijke ingrepen. <0000> Dit houdt dat voor de optredende overtreding geen ontheffing aangevraagd hoeft te worden. <0000> Wel moeten algemene maatregelen genomen worden om de effecten zo veel als mogelijk te voorkomen of te beperken. Voor vleermuizen (Artikel 3.5) geldt dat zij mogelijk kunnen voorkomen in de te slopen woningen (gewone dwergvleermuis, laatvlieger) en/of te kappen bomen (ruige dwergvleermuis). <0000> Een nadere potentiebepaling ten aanzien van de geschiktheid van deze woningen en bomen is de eerste vervolgstap. <0000> Indien vaste rust- en/of verblijfplaatsen niet uit gesloten kunnen worden, dient een nader onderzoek conform het vigerende Vleermuizenprotocol uitgevoerd te worden. <0000> Er worden door het voornemen geen voor vleermuizen geschikte lijnvormige elementen aangetast. Verder vormt het plangebied geen essentieel foerageergebied. Nader onderzoek is alleen nodig m.b.t.

vaste rust- en/of verblijfplaatsen. Voor rugstreeppad (Artikel 3.5) geldt dat het plangebied is de huidige situatie mogelijk geschikt is, en dat de soort ook mogelijk tijdens de uitvoering van de werkzaamheden in het plangebied kan worden aangetroffen. Dit vanwege de naar verwachting zeer geschikte biotoop voor de soort tijdens de bouwfase van het project. <0000> Nader onderzoek naar het voorkomen van de soort is noodzakelijk. Dit wordt gedaan volgens het onderzoeksprotocol uit het Kennisdocument Rugstreeppad (BIJ12, 2017). <0000> Het is daarnaast uitdrukkelijk aan te bevelen om bij de uitvoering van de werkzaamheden adequate maatregelen te nemen ter voorkoming van vestiging van rugstreeppad in het plangebied, zelfs wanneer uit onderzoek blijkt dat de soort in de huidige situatie niet voorkomt in het plangebied. <0000> Deze maatregelen dienen uitgewerkt te worden in een ecologisch werkprotocol, en mogelijk ook ecologische begeleidt te worden. Omdat de maatregelen ter voorkoming van de overtreding ten aanzien van de verbodsbepalingen genomen worden, is in principe geen sprake van

<0000>

<0000>

<0000>

overtreding, en is het aanvragen van een ontheffing niet noodzakelijk. Wel is het aan te bevelen om het ecologisch werkprotocol voor te leggen aan het bevoegd gezag. Voor vogels met jaarrond beschermde nestplaatsen (Artikel 3.1) geldt dat het voorkomen niet geheel is uitgesloten voor de opgaande (te verwijderen) structuren (zoals in bomen broedende roofvogels, als buizerd en ransuil) en de te slopen woonhuizen (zoals in gebouwen broedende soorten, als huismus en gierzwaluw) in het plangebied. <0000> Een nadere potentiebepaling ten aanzien van de geschiktheid van de te slopen gebouwen en de te kappen bomen en opgaande structuren is de eerste vervolgstap. <0000> Dit onderzoek dient bij voorkeur in de winterperiode plaats te vinden, zodat horsten vanaf de grond makkelijker zichtbaar zijn. <0000> Indien blijkt dat er zich hosten In te kappen bomen bevinden moet aanvullend onderzoek uitwijzen om welke vogel het gaat en of het nest in gebruik is. Pas daarna kan bepaald worden of er negatieve effecten optreden en/of een ontheffing van de Wnb aangevraagd moet worden. Voor algemene broedvogels (Artikel 3.1) geldt dat nesten zijn beschermd in de periode dat de vogels daar gebruik van maken. Hierdoor is geen vaste ‘broedperiode’ aan te geven. Vogels kunnen in en rondom het plangebied tot broeden komen.

<0000> Het is aan te bevelen in de planning voor de uitvoering van de werkzaamheden rekening te houden met broedende vogels. <0000> Daarnaast is het aan te bevelen om het plangebied voorafgaande de werkzaamheden ongeschikt te maken als broedgebied voor vogels. <0000> Er kan geen ontheffing aangevraagd worden voor het verstoren van broedende vogels en/of in gebruik zijnde nestplaatsen. Bij het, tijdens de uitvoering, onverhoopt aantreffen van in gebruik zijnde nesten, wordt door de ter zake kundige beoordeeld of de werkzaamheden kunnen aanvangen of dat zij uitgesteld moeten worden. <0000> Laatbroeders zoals houtduif kunnen echter afhankelijk van de temperaturen al in februari tot half oktober nog broeden. Het is daarom te adviseren het terrein één tot twee weken voorafgaande de start van de werkzaamheden te laten controleren door een ter zake kundige ecoloog. Voor alle soorten, beschermd en niet-beschermd, geldt de algemene zorgplicht. Onderstaand zijn een aantal maat regelen beschreven om invulling te geven aan de algemene zorgplicht: <0000> De werkzaamheden worden bij voorkeur alleen overdag, tussen zonsopgang en zonsondergang uitgevoerd. Veel algemene en beschermde diersoorten zijn vooral actief gedurende de vroege ochtend, late avond en nacht. <0000> Bij het aantreffen van planten en dieren moet worden voorkomen dat deze worden gedood, verwond of onnodig worden aangetast.

Aanwezige dieren in het plangebied krijgen de gelegenheid om te vluchten, waarbij zij niet gehinderd mogen worden. <0000> De aannemer maakt enkel gebruik van de ruimte die noodzakelijk is voor het uitvoeren van de werkzaamheden en ontziet daarbij overige plaatsen met begroeiing en/of beplanting zoveel mogelijk. <0000> Wanneer de werkzaamheden gedurende langere tijd stilliggen, dient het terrein vóór herstart van de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een erkend ecoloog. Dit geldt in het bijzonder tijdens de periode dat

<0000>

<0000>

vogels kunnen broeden, doorgaans van maart tot en met augustus (afhankelijk van weersomstandigheden). De werkwijze dient in een ecologisch werkprotocol vastgelegd te worden, waarvan een logboek integraal onderdeel uitmaakt. Bij de uitvoering van de werkzaamheden is het aan te bevelen om een erkend ecoloog te betrekken, om toe te zien op zorgvuldig handelen ten aanzien van eventueel aanwezige diersoorten. Voor de beschermde soorten die in het plangebied te verwachten zijn, zijn de vervolgstappen in het onderstaande overzicht samengevat (Tabel 6.1).

Tabel 6-1. Overzicht van de te nemen vervolgstappen en advies, opgenomen is ook of het aanvragen van een ontheffing te verwachten is en/of maatregelen tijdens de uitvoering van het project ter voorkoming van overtreding. Soortgroep

Welke soort of soorten?

Nader onderzoek noodzakelijk?

Aanvragen ontheffing te verwachten?

Overig advies

Grondgebonden zoogdiersoorten

Wezel, hermelijn en/of bunzing

Ja

Ja, indien zij aanwezig zijn gaat een deel van het leefgebied verloren

De onderzoeksinspanning dient vergelijkbaar te zijn met de voorwaarden uit de ‘Handreiking kleine marterachtigen’ van Provincie Noord-Brabant

Algemeen voorkomende soorten als haas, egel, veldmuis

Nee

Nee, er geldt een vrijstelling voor het aanvragen van een ontheffing bij overtreding van verbodsbepalingen voor ruimtelijke ontwikkelingen

Invulling geven aan de zorgplicht, door het nemen van algemene maatregelen om effecten te voorkomen of te beperken; uitwerken in ecologisch werkprotocol

Vleermuizen

Gewone en ruige dwergvleermuis, laatvlieger, mogelijk ook andere soorten

Ja

Ja, indien functies van vleermuizen worden vastgesteld in de te slopen gebouwen of te kappen bomen, is het aanvragen van een ontheffing noodzakelijk

Indien blijkt dat vleermuis potenties aanwezig zijn en nader onderzocht moeten worden, is het te adviseren om na te gaan op welke wijze verblijfplaatsen gemitigeerd kunnen worden

Vogels

Buizerd, ransuil

Ja

Ja, indien door de kap van de bomen nesten worden aangetast is een ontheffing noodzakelijk

Let op: mogelijk is niet sprake van een wettelijk geldig belang voor het project, en dient onderzocht te worden of aanwezige soorten verplaatst kunnen worden

Huismus, gierzwaluw

Ja

Ja, indien door de sloop van de woningen nesten worden aangetast is een ontheffing noodzakelijk

Let op: mogelijk is niet sprake van een wettelijk geldig belang voor het project, en dient onderzocht te worden of aanwezige soorten verplaatst kunnen worden

Rugstreeppad

Ja

Ja, indien de soort aanwezig is in of direct rondom het plangebied

Houd bij de uitvoering van het project rekening met het voorkomen van deze soort, zij is in staat om bouwterreinen te koloniseren

Algemene amfibieën

Nee

Nee, er geldt een vrijstelling voor het aanvragen van een ontheffing bij overtreding van verbodsbepalingen voor ruimtelijke ontwikkelingen

Invulling geven aan de zorgplicht, door het nemen van algemene maatregelen om effecten te voorkomen of te beperken; uitwerken in ecologisch

Amfibieën

werkprotocol

7.9.2.2 Gebiedsbescherming Voor de stikstofdepositie op beschermde Natura2000 gebieden (dichtstbijzijnde is Botshol) heeft RoyalHaskoning haar conclusies gerapporteerd. Het onderzoek is in zijn geheel bijgevoegd als Bijlage 10. Uitgangspunt voor de berekening van de stikstofdepositie is dat alleen bedrijven in het noordwestelijke plangebied een zekere emissie mogen uitstoten. Met betrekking tot bestemmingsverkeer is rekening gehouden met het omliggende wegennetwerk en de aangeleverde uitgangspuntennotitie van GoudappelCoffeng d.d. 14 oktober 2020 en het verkeersmodel BTAZ aangeleverd in maart 2021. Voor de aanlegfase is gebruik gemaakt van kengetallen voor de aanleg van bedrijventerreinen waarbij rekening is gehouden met de toegestane bouwhoogtes en een bebouwingspercentage van 70%. Voor werktuigen wordt uitgegaan van bouwjaar 2015 (STAGE IV). Verder wordt gebruik gemaakt van interne saldering waarbij het huidige gebruik is meegenomen. RoyalhaskoningDHV concludeert het volgende uit de berekeningen: Uit de resultaten blijkt dat de bijdrage van zowel het gebruik als de aanleg bij alle vier de berekende scenario’s niet hoger is (>0,00 mol/ha/jaar) dan de bijdrage van het gebruik in de autonome situatie. De stikstofdepositie vormt daarmee geen belemmering voor dit project.

7.10 Duurzaam bouwen en energie 7.10.1 Beleid en regelgeving Op nationaal niveau Nederland werkt aan een energiesysteem waarbij nauwelijks nog CO2 vrij komt. In 2050 moet de energievoorziening bijna helemaal duurzaam en CO2-neutraal zijn. Een overgang naar een duurzame energievoorziening is belangrijk om klimaatverandering tegen te gaan. Ook zijn er in Nederland steeds minder fossiele brandstoffen, vooral aardgas, beschikbaar. En Nederland wil niet volledig afhankelijk zijn van energie uit andere landen. In 2030 is 70% van alle elektriciteit en minimaal 27% van alle energie (elektriciteit, gas en warmte) duurzaam opgewekt. Dat hebben de lidstaten van de Europese Unie met elkaar afgesproken. De overstap naar duurzame energie gebeurt stapsgewijs. De doelstelling van het kabinet is om in 2050 een volledig circulaire economie te realiseren. Voor 2030 heeft het kabinet een tussendoelstelling geformuleerd: de halvering van het gebruik van de hoeveelheid primaire abiotische grondstoffen. In een circulaire economie staat het aanzienlijk efficiënter gebruiken van grondstoffen centraal, feitelijk hebben we het over een economie zonder afval. Circulair bouwen betekent het ontwikkelen, gebruiken en hergebruiken van gebouwen, gebieden en infrastructuur, zonder natuurlijke hulpbronnen onnodig uit te putten, de leefomgeving te vervuilen en ecosystemen aan te tasten.

Bouwen op een wijze die economisch verantwoord is en bijdraagt aan het welzijn van mens en dier. Hier en daar, nu en later. Hiervoor is het nodig gebruik te maken van zoveel mogelijk hernieuwbare grondstoffen.

We passen onze omgeving zo aan dat die geschikt is voor de gevolgen van het veranderende klimaat en berekend is op hitte, droogte, hevige regenval en overstromingen. Dat noemen we klimaatadaptatie. In 2050 moet Nederland klimaatbewust ingericht zijn. Klimaatbestendig en waterrobuust inrichten moet in Nederland een vanzelfsprekend onderdeel bij ruimtelijke (her)ontwikkelingen worden. Op gemeentelijk niveau Amstelveen is een groene stad. Groen is belangrijk voor de leefbaarheid, voor de gezondheid, voor sociale cohesie en essentieel om de gevolgen van klimaatverandering op te vangen. Bij nieuwbouwprojecten wil de stad niet inboeten op groen. Om deze nieuwe plekken groen te ontwikkelen wordt een groennorm ontwikkeld. Natuurinclusief ontwikkelen draagt naast groen en klimaatadaptatie belangrijk bij aan de biodiversiteit van de stad. Amstelveen wil een gezonde biodiversiteit in de bebouwde omgeving behouden en stimuleren. PLECK 2.0 Plan voor Energietransitie, Circulaire Economie en Klimaatadaptatie. Wordt jaarlijks ge-update. Dit plan geeft de koers aan die de gemeente vaart op het gebied van duurzaamheid en er worden doelstellingen geformuleerd. Transitie Visie Warmte: Amstelveen wil in 2040 een fossiel onafhankelijke gemeente zijn.

Dit betekent dat in dat jaar alle energie die in Amstelveen gebruikt wordt, van hernieuwbare energiebronnen afkomstig is (van binnen of buiten de gemeentegrenzen). Om deze doelstelling te halen is de Transitie Visie Warmte vastgesteld, met daarin het tijdspad waarop buurten overgaan op duurzame verwarming. Voor de buurten die kansrijk zijn om vóór 2030 verduurzaamt te worden, geeft de TVW inzicht in de meest waarschijnlijke toekomstige manier van verwarmen. De Energie Transitie zal gefaseerd worden uitgevoerd. We gaan bij nieuwbouw uit van installatie-arme gebouwen. Bouwfysica is het startpunt bij het uitwerken van de gebouwen. De constructie werkt mee bij het behalen van een hoog comfort. Doorde installatiecomponent te beperken voorkomen we hoge kosten in het gebruik en onderhoud. Bij het bepalen van het energiesysteem heeft de gemeente voorkeur voor een systeem met de laagste CO2-uitstoot en het hoogste percentage duurzame energieopwekking, die tevens de hoogste bijdrage levert aan het comfort en de meeste toekomstwaarde oplevert. Dit betekent in ieder geval dat we uitgaan van lage temperatuurverwarming in de gebouwen. Visie op Zonne energie In de ‘Visie op zonne-energie’ staat beschreven hoe en waar er in Amstelveen duurzame zonne-energie kan worden opgewekt.

In deze visie is opgenomen dat we de bedrijfsdaken van de te realiseren gebouwen in BTAZ zo optimaal mogelijk willen laten voorzien van zonne-energie. Per 2021 start hiertoe onder andere een project Zon op dak en parkeerplaatsen. Actieplan Klimaatadaptatie 2021-2026 Bevat richtlijnen voor het beperken van wateroverlast, hittestress, droogte en overstroming voor nieuwbouw, in bestaande openbare ruimte en op privaat terrein. 7.10.2 Relevantie plangebied De duurzaamheidsambities van de gemeente Amstelveen voor de ontwikkeling van bedrijventerrein Amstelveen Zuid zijn hoog. De gemeente zet daarbij in op de thema's Energietransitie en duurzame energie-opwek, klimaatadaptatie en voorkomen van hittestress, verbeteren circulariteit en biodiversiteit. In dit bestemmingsplan is het duurzaam bouwen als voorwaarde opgenomen in de bestemming Bedrijventerrein

(waarin een verwijzing naar de beleidsregels wordt gemaakt, zie ook 6.4.6). Doelstelling is het energiegebruik via volledig hernieuwbare bronnen (zon, wind, bodem, reststromen) in te vullen. Daar wordt bij de ontwikkeling onder meer op de volgende manieren invulling te geven: <0000> Geen aardgasaansluitingen voor de warmtevraag van gebouwen; <0000> Voor warmte (en koude) wordt onderzoek gedaan naar bodemenergie en aquathermie als potentiële bronnen, waarbij dit middels een warmtenet collectief kan worden ontsloten. Uit het bodemonderzoek dat is uitgevoerd blijkt dat geothermie in de diepe ondergrond kansrijk is, maar dit moet nog wel nader worden onderzocht; <0000> Voor zon-PV op daken geldt dat dit in een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte kan worden vastgesteld dat alle daken geschikt dienen te zijn voor maximale opwekking; <0000> Binnen het beeldkwaliteitsplan is het mogelijk om PV-systemen aan gevels te installeren; <0000> Uitgangspunt is installatie-arme gebouwontwerpen (bijv. overstekken, zonwering); <0000> Dubbel ruimtegebruik door middel van zonnepanelen boven parkeerplaatsen wordt mogelijk gemaakt; <0000> Er wordt onderzocht wat kleinschalige windturbines kunnen betekenen op BTAZ. Het gebruik van aardgas is slechts in een beperkt deel van BTAZ toegestaan en dient aantoonbaar tot een lagere CO2-uitstoot te leiden dan een beschikbaar aardgasvrij alternatief.

In overige deel van BTAZ zal het bestaand aardgasnet voor zover aanwezig uit gefaseerd worden en worden geen nieuwe aansluitingen toegestaan en geen nieuwe aardgasleidingen aangelegd.

REGELS

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 INLEIDENDE REGELS Artikel 1 Begrippen Artikel 2 Wijze van meten Hoofdstuk 2 BESTEMMINGSREGELS Artikel 4 Bedrijf Artikel 5 Bedrijventerrein Artikel 6 Groen Artikel 7 Horeca Artikel 8 Verkeer Artikel 9 Water Artikel 10 Leiding - Gas Artikel 11 Waarde - Archeologie 4 Artikel 12 Waarde - Archeologie 5 Hoofdstuk 3 ALGEMENE REGELS Artikel 13 anti-dubbeltelregel Artikel 14 algemene bouwregels Artikel 15 algemene afwijkingsregels Artikel 16 Luchtvaartverkeerzone - LIB artikel 2.2.1 Artikel 17 Luchtvaartverkeerzone - LIB artikel 2.2.2 Artikel 18 Luchthavenverkeerzone - LIB artikel 2.2.2a Artikel 19 Luchtvaartverkeerszone - LIB artikel 2.2.3 Artikel 20 Veiligheidszone - LPG Artikel 21 Overige regels Hoofdstuk 4 OVERGANGS- EN SLOTREGELS Artikel 22 overgangsrecht Artikel 23 slotregel

vastgesteld regels Chw bestemmingsplan Bedrijventerrein Amstelveen Zuid (BTAZ) pagina

2 3 15 16 22 28 35 36 38 39 40 42 45 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60

Hoofdstuk 1 INLEIDENDE REGELS

vastgesteld regels Chw bestemmingsplan Bedrijventerrein Amstelveen Zuid (BTAZ) pagina

Artikel 1

Begrippen

In dit plan wordt verstaan onder: 1.1 plan: het bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Bedrijventerrein Amstelveen Zuid (BTAZ)" van de gemeente Amstelveen; 1.2 bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0362.21B-VG01 met de bijbehorende regels (en eventuele bijlagen); 1.3 aan-huis-verbonden bedrijf: het door (één van) de hoofdbewoners bedrijfsmatig verlenen van diensten, niet zijnde een beroep aan huis, dan wel het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, niet vallend onder vergunningsplicht van de Wet milieubeheer en geheel of overwegend door middel van handwerk, dat door de beperkte omvang ervan in de woning en de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken kan worden uitgeoefend met overwegend behoud van de woonfunctie en dat een ruimtelijke uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is; 1.4 aan-huis-verbonden beroep: het uitoefenen van een vrij beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op het terrein van de administratieve, juridische, medische, therapeutische, kunstzinnige, ontwerp-technische dienstverlening of hiermee gelijk te stellen dienstverlening door (één van) de hoofdbewoners, dat door de beperkte omvang ervan in diens woning en de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken kan worden uitgeoefend met overwegend behoud van de woonfunctie en dat een ruimtelijke uitstraling heeft die met de

woonfunctie in overeenstemming is. 1.5 aan- en uitbouw: een gebouw aan een hoofdgebouw waarmee het in verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.6 aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.7 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.8 aanpijling: een blijkens de daarop voorkomende verklaring als zodanig opgenomen aanduiding, die aangeeft welke bestemming/aanduiding van toepassing is op de aangepijlde gronden; 1.9 archeologisch onderzoek: een rapport als bedoeld in de Erfgoedwet; 1.10 archeologische waarde: de aan een gebied toegekende waarde in verband met de kennis en studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen uit vroegere tijden; 1.11 bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 1.12 bebouwingspercentage: vastgesteld regels Chw bestemmingsplan Bedrijventerrein Amstelveen Zuid (BTAZ) pagina

het deel van het bouwvlak uitgedrukt in procenten dat bebouwd mag worden; 1.13 bedrijf: een onderneming gericht op het produceren, bewerken, herstellen, installeren of inzamelen van goederen, alsmede verhuur, opslag en distributie van goederen; 1.14 bedrijfsgebouw: een gebouw, dat dient voor de uitoefening van een bedrijf; 1.15 bedrijfswoning: een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is. De bedrijfswoning is slechts toelaatbaar indien, de woning gelet op de aard, inrichting, de omvang en de continuïteit van het bedrijf ter plaatse noodzakelijk is in verband met een doelmatige bedrijfsvoering; 1.16 bedrijventerrein Legmeer Het gebied zoals opgenomen in de Regeling uitvoering Crisis- en herstelwet artikel 3.1 lid 1 sub bb en bijlage 65 van die Regeling. 1.17 belemmerde strook: geprojecteerde zone ter weerszijde van de leiding ter waarborging van een veilig en bedrijfszeker gastransport en ter beperking van gevaar voor personen en goederen in de directe omgeving van de leiding(en). Op deze gronden is het oprichten van bebouwing en het uitvoeren van een aantal werkzaamheden niet zondermeer toegestaan.

De belemmerde strook dient in principe obstakelvrij te blijven; 1.18 bevi-inrichting bedrijven zoals bedoeld in artikel 2, lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen; 1.19 beroeps- c.q. bedrijfsvloeroppervlakte: de totale vloeroppervlakte van de ruimte die wordt gebruikt voor een aan-huis-verbonden beroep c.q. een (dienstverlenend) bedrijf of een dienstverlenende instelling, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke; 1.20 bestaand bouwwerk: een bouwwerk, zoals aanwezig op het tijdstip van de ter inzage legging van het ontwerp van het plan en gebouwd conform een vergunning, dan wel bebouwing zoals die mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning; 1.21 Bestaand gebruik het gebruik, zoals aanwezig op het tijdstip van de ter inzage legging van het ontwerp van het plan en in gebruik is genomen conform de geldende gebruiksregels of een omgevingsvergunning; 1.22 bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak; 1.23 bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.24 bijbehorend bouwwerk: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;

vastgesteld regels Chw bestemmingsplan Bedrijventerrein Amstelveen Zuid (BTAZ) pagina

1.25 bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats; 1.26 bouwgrens: de grens van een bouwvlak; 1.27 bouwlaag: een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren (of horizontale balklagen) is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder; 1.28 bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.29 bouwperceelgrens: een grens van een bouwperceel; 1.30 bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 1.31 bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren; 1.32 bruto vloeroppervlakte b.v.o: de som van de binnen de gevels gelegen vloeroppervlakten van alle bouwlagen alsmede onderbouw en zolder, inclusief kolommen, trappenhuizen, gangen, liften, toiletten e.d., met uitzondering van (kruip)kelders met een

hoogte van minder dan 1.50 meter en technische ruimten op daken; 1.33 buitenopslag het opslaan, of opgeslagen houden van voorwerpen, stoffen of producten en andere materialen op de onbebouwde gronden van de (agrarische) bedrijfspercelen, daaronder mede begrepen de uitstalling ten verkoop, verhuur en dergelijke; 1.34 containerbergingen: bergingen voor de kliko's/rolemmer; 1.35 cultuurhistorische waarde: de aan een bouwwerk of een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik, dat de mens in de loop van de geschiedenis heeft achtergelaten danwel gemaakt van dat bouwwerk of dat gebied; 1.36 dak: iedere bovenbeëindiging, vlak of hellend, van een gebouw; 1.37 dakkapel: een toevoeging van ondergeschikte omvang binnen een hellend dakvlak, waarbij het karakter van het dak in stand blijft; 1.38 dakkaper:

vastgesteld regels Chw bestemmingsplan Bedrijventerrein Amstelveen Zuid (BTAZ) pagina

een dakkapel met een schuin dakvlak in dezelfde hoek als het dak, waarbij de nok wordt verhoogd; 1.39 dakopbouw: een toevoeging aan de bouwmassa van een (hoofd)gebouw vanaf het bestaande dakvlak, waarbij gehele of gedeeltelijke verhoging van het oorspronkelijk dakvlak plaatsvindt; 1.40 dakterras: een vanuit een gebouw betreedbaar plat dakvlak voorzien van een vloerafscheiding (hekwerk, balustrade); 1.41 datacenter een bedrijf dat zich in hoofdzaak richt op het digitaal opslaan en verwerken van informatie op computers (servers); 1.42 detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.43 detailhandel grootschalig: grootschalige detailhandel (>1.500 m2 vvo (1800 m2 bvo)) zonder branchebeperking, waarbij food/dagelijkse artikelen zijn uitgesloten; 1.44 detailhandel ondergeschikt: staat ten dienste van de hoofdbestemming met een oppervlak van 10% van het bruto vloeroppervlak tot een maximum van 100 m2.

Ondergeschikte detailhandel bij cateringbedrijven en groothandels op bedrijventerreinen in branches die relevant zijn voor de hoofdwinkel structuur (dagelijkse goederen zoals kleding en textielzaken, huishoudelijke artikelen en consumentenelektronica) is niet toegestaan. Verkoop van ter plaatse gemaakte producten wordt niet beschouwd ten dienste van de hoofdbestemming van het gebouw te zijn; 1.45 detailhandel perifeer: winkelformules die vanwege de omvang en de aard van het assortiment een groot oppervlak nodig hebben, zoals bouwmarkten, tuincentra en wooninrichtingszaken. Het verkopen (gemotoriseerde) voertuigen zoals scooters, scootmobielen en fietsen wordt hier ook onder begrepen; 1.46 dienstverlenend bedrijf: bedrijf waarvan de werkzaamheden bestaan uit het verlenen van economische en maatschappelijke diensten aan derden, waaronder zijn begrepen kapperszaken, schoonheidsinstituten, fotostudio's en naar aard daarmee gelijk te stellen bedrijven en inrichtingen, evenwel met uitzondering van garagebedrijven en seksinrichtingen; 1.47 dienstwoning: woning, in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon die door de werkgever aan de werknemer ter bewoning in gebruik is gegeven.

Die bewoning moet gerelateerd zijn aan het hoofdgebruik van het perceel; 1.48 distributie- en transportbedrijven bedrijven die uitsluitend zijn gericht op transport, verpakking, sorteren en opslag van goederen;

vastgesteld regels Chw bestemmingsplan Bedrijventerrein Amstelveen Zuid (BTAZ) pagina

1.49 dove gevel: een gevel zonder te openen delen; 1.50 druiplijn: de lijn die van onderen het dak begrenst; 1.51 ecologische waarde: de aan een gebied toegekende waarden die verband houden met de samenhang van dieren en planten en hun leefomgeving en/of tussen dieren en planten onderling; 1.52 eerste bouwlaag: de bouwlaag op de begane grond; 1.53 erf: al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden; 1.54 erfafscheiding: bouwwerk op of in de directe nabijheid van een erfgrens bedoeld om een erf, tuin of terrein af te scheiden; 1.55 erker: een aan de voor- of zijgevel van een woning of een ander gebouw geplaatste uitbouw in één bouwlaag, waarvan de buitenzijde is begrensd door kozijnen, welke onlosmakelijk verbonden is met en deel uitmaakt van de hoofdmassa van die woning of dat gebouw.

De uitbouw dient uit functioneel oogpunt ondergeschikt en uit architectonisch oogpunt een aanvulling op de hoofdvorm te zijn; 1.56 gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.57 geluidgevoelige objecten: gebouwen welke dienen ter bewoning of ten behoeve van andere geluidgevoelige gebouwen en andere geluidgevoelige functies zoals bedoeld in de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder; 1.58 geluidreducerende maatregelen: fysieke en niet-fysieke maatregelen gericht op het reduceren van de geluidsbelasting vanwege industrie-, bedrijfs- of wegverkeerslawaai op geluidsgevoelige objecten, of maatregelen die daar niet specifiek op gericht zijn doch wel tevens een geluidsreducerende uitwerking hebben, zoals bijvoorbeeld verkeersmaatregelen, het aanbrengen van geluidsarm asfalt, geluidswallen of -schermen of de aanleg van nieuwe wegen elders die tot gevolg hebben dat de verkeers- en de geluidsbelasting afneemt; 1.59 geluidwerende voorzieningen: voorzieningen bedoeld voor het beperken van de geluidhinder; 1.60 geluidzoneringsplichtige inrichting: een inrichting, bij welke ingevolge de Wet geluidhinder rondom het terrein van vestiging in een bestemmingsplan een zone (50 dB (A) contour Zonebesluit) moet worden vastgesteld; 1.61 geurgevoelig object:

vastgesteld regels Chw bestemmingsplan Bedrijventerrein Amstelveen Zuid (BTAZ) pagina

gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt; 1.62 glastuinbouw: agrarische bedrijvigheid die in hoofdzaak in kassen plaatsvindt en in een zodanige omvang dat op een duurzame wijze bloemen en/of planten kunnen worden gekweekt, bewerkt dan wel verwerkt; 1.63 glastuinbouwbedrijf: een bedrijf gericht op het telen of kweken, trekken, vermeerderen, opkweken, veredelen of acclimatiseren van bloemen, planten, groenten en/of fruit, waarbij deze bedrijvigheid hoofdzakelijk wordt uitgevoerd in kassen; 1.64 goot: opvangbak voor hemelwater; 1.65 hogere grenswaarde: een maximale waarde voor de geluidbelasting, die hoger is dan de voorkeursgrenswaarde en die in een concreet geval kan worden vastgesteld op grond van de Wet geluidhinder; 1.66 hoofdgebouw: gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is; 1.67 hoofdverblijf: de plaats waar een persoon gedurende een jaar het merendeel van de nachten doorbrengt en waar het sociale leven van deze persoon zich afspeelt; 1.68 hoogtescheidingslijn: een aangegeven lijn welke de grens vormt van

een gedeelte van een bebouwingsvlak waar een bepaalde hoogte is toegestaan; 1.69 horeca 1, daghoreca: horecabedrijven zoals lunchrooms, koffie-/theehuizen, ijssalons; 1.70 horeca 2, (fastfood)restaurants, cafetaria, snackbars en shoarmazaken: inrichtingen ten behoeve van het bedrijfsmatig verstrekken van al dan niet ter plaatse bereide etenswaren, alsmede het verstrekken van alcoholhoudende en alcoholvrije dranken. Het accent ligt op de verkoop van al dan niet ter plaatse bereide etenswaren; 1.71 horeca 3, cafés, eetcafe's, bars: inrichtingen ten behoeve van het bedrijfsmatig verstrekken van overwegend alcoholhoudende dranken, al dan niet in combinatie met het verstrekken van kleine etenswaren; het accent ligt op de verkoop van dranken dan wel op het verstrekken van kleine etenswaren; 1.72 horeca 4, dancings, discotheken, nachtclubs: een bedrijf, dat is gericht op het bedrijfsmatig bieden van gelegenheid tot dansen al dan niet in combinatie met het verstrekken van alcohol en niet alcohol-houdende dranken, zoals een dancing of discotheek; 1.73 horeca 5, hotel:

vastgesteld regels Chw bestemmingsplan Bedrijventerrein Amstelveen Zuid (BTAZ) pagina

een bedrijf, dat is gericht op het verschaffen van logies en het daarmee verband houdende ter plaatse nuttigen van voedsel en dranken en al dan niet ruimte biedt voor vergaderingen en cursussen; 1.74 huishouden: een alleenstaande dan wel twee personen met of zonder kinderen, die een gemeenschappelijke huishouding voeren of wensen te voeren; 1.75 internetwinkel detailhandel via internet, met dien verstande dat het te koop aanbieden, de uitstalling ten verkoop en het verkopen uitsluitend geschieden via internet en niet fysiek ter plaatse, en het leveren van goederen overwegend plaatsvindt via post-, pakket- of soortgelijke bezorgdiensten; 1.76 IPPC-activiteiten activiteiten die onder de IPPC-richtlijn (Integrated Pollution Prevention and Control) of richtlijn 1996-61-EC vallen; 1.77 kantoor: het bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen; 1.78 karakteristiek: panden, objecten en gronden met waarden die bescherming genieten in het kader van de Erfgoedwet; 1.79 kas: een gebouw, waarvan de wanden en het dak geheel of grotendeels bestaan uit glas of ander lichtdoorlatend materiaal, dienend tot het kweken van onder meer vruchten, bloemen of planten; 1.80 kleinschalige bedrijfsmatige activiteit: het bedrijfsmatig overwegend handmatig vervaardigen, bewerken, herstellen en/of installeren

van goederen, alsmede diverse vormen van opslag, van een zodanige aard en omvang, dat daarop de Wet milieubeheer niet van toepassing is; 1.81 kruin: hoogste punt van het wegbaangedeelte dat is ingenomen door rijbanen, veiligheidsstroken en bermen; 1.82 kunstobject: voortbrengsel van de beeldende kunsten in de vorm van een bouwwerk, geen gebouw zijnde; 1.83 kunstwerk: civieltechnisch werk voor de infrastructuur van wegen, water, spoorbanen,waterkeringen en/of leidingen niet bedoeld voor permanent menselijk verblijf; 1.84 kwetsbaar object: een object waarvoor ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen een grenswaarde voor het risico c.q. een risicoafstand tot een risicovolle inrichting is bepaald, die in acht genomen moet worden; 1.85 kwetsbaar object, beperkt:

vastgesteld regels Chw bestemmingsplan Bedrijventerrein Amstelveen Zuid (BTAZ) pagina

een object waarvoor ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen een richtwaarde voor het risico c.q. een risicoafstand is bepaald, waarmee rekening moet worden gehouden; 1.86 landschappelijke waarde: de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het waarneembare deel van het aardoppervlak, die wordt bepaald door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van de levende en niet levende natuur; 1.87 langzaam-verkeerszone: een begrensd gebied ter bundeling van fiets-, ruiter- en/of voetpaden; 1.88 maatschappelijke dienstverlening: het verlenen van diensten in de medische, sociale, educatieve, culturele, religieuze en administratieve sfeer en andere vormen van dienstverlening, die een min of meer openbaar karakter hebben; 1.89 maatschappelijke voorzieningen: educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele en levensbeschouwelijke voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van sport en sportieve recreatie en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen; 1.90 maaiveld: de bovenkant van het oorspronkelijk terrein waar een bouwwerk zal worden opgericht; 1.91 nutsvoorzieningen: voorzieningen ten behoeve van onder meer transport van aardgas, alarmeringssignalen, elektriciteit, telecommunicatie en water en collectie warmte- of koudevoorzieningen; 1.92 ondergronds bouwen: het bebouwen en

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=amstelveen&id=4626eb94-2c2a-407d-a71a-8cbc46c2d537