6. Chw bestemmingsplan Bedrijventerrein Amstelveen Zuid (BTAZ)
Tekst van het document
6.3 Provinciaal en regionaal beleid 6.3.1 Omgevingsvisie NH2050 De "Omgevingsvisie NH2050 - Balans tussen economische groei en leefbaarheid" is op 19 november 2018 door Provinciale Staten van Noord-Holland vastgesteld. De Omgevingsvisie NH2050 betreft een structuurvisie op grond van de Wet ruimtelijke ordening. In de Omgevingsvisie heeft de provincie haar ruimtelijke toekomstvisie vastgelegd en heeft zij tevens aangegeven hoe zij deze visie denkt te zullen realiseren. Het uitgangspunt van de omgevingsvisie is dat Noord-Holland een relatief hoog welvaarts- en welzijnsniveau heeft. Om deze ook voor de toekomst vast te kunnen houden, richten de provincie zich op een goede balans tussen economische groei en leefbaarheid. Zodanig dat bij veranderingen in het gebruik van de fysieke leefomgeving de doelen voor een gezonde en veilige leefomgeving overeind blijven. In de omgevingsvisie worden ambities genoemd op het gebied van de leefomgeving, het gebruik van de leefomgeving en de energietransitie. De ambities ten aanzien van de leefomgeving luiden als volgt. Een klimaatbestendig en waterrobuust Noord-Holland. In het kader van gezondheid en veiligheid, het behouden en waar mogelijk verbeteren van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Het vergroten van de biodiversiteit van Noord-Holland. Voor het gebruik van de leefomgeving gelden de volgende ambities.
Een duurzame economie met innovatie als belangrijke motor, daardoor is er ruimte voor ontwikkeling van circulaire economie, duurzame landbouw, energietransitie en experimenten. Verder wil de provincie vraag en aanbod van woon- en werklocaties beter afstemmen (kwantitatief en kwalitatief). Daarbij moet woningbouw, in overeenstemming met de kwalitatieve behoeftes en trends, vooral in en aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden worden gepland. Duurzaamheid van de totale woningvoorraad is het uitgangspunt. De derde ambitie binnen deze categorie is het effectief, veilig en efficiënt kunnen verplaatsen van inwoners, bedrijven en producten van Noord-Holland, waarbij negatieve gevolgen van de mobiliteit op klimaat, gezondheid, natuur en landschap steeds nadrukkelijk worden meegewogen. Als laatste geldt het behouden en versterken van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en de cultuurhistorie.
Voor energietransitie is de overkoepelende ambitie dat Noord-Holland in 2050 volledig klimaatneutraal is en gebaseerd op hernieuwbare energie. Daarom is er ruimte voor de noodzakelijke energietransitie en daarvoor benodigde infrastructuur. Dit alles rekening houdende met de ambities voor verstedelijking en landschap. 6.3.2 Omgevingsverordening NH2020 In de Omgevingsverordening NH2020 zijn stappen gezet om de Omgevingsvisie NH2050 te vertalen in juridische regels. De sturingsfilosofie luidt als volgt: We gaan uit van het principe 'Lokaal wat kan, regionaal wat moet', gelet op de diversiteit aan regio's, om ruimte te bieden aan maatwerk en om vorm te kunnen geven aan een wendbare samenleving. Hierbij staat de opgave centraal. Dat bepaalt de wijze van sturing en samenwerking. Voor het plangebied zijn de regels relevant ten aanzien van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een ruimtelijk besluit of plan kan uitsluitend voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als deze ontwikkeling in overeenstemming is met de binnen de regio gemaakte schriftelijke afspraken. Onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt een ontwikkeling verstaan als bedoeld in artikel 1.1.1 eerste lid onder i van het Besluit ruimtelijke ordening: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.
De ontwikkeling van BTAZ is aan te merken als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Bro. In de volgende paragraaf is de in juni 2017 door de MRA vastgestelde Uitvoeringsstrategie “Ruimte voor werken in de MRA van morgen 2017-2030; Plabeka 3.0” beschreven. Zoals in een brief van 5 juli 2017 door Gedeputeerde Staten van Noord-Holland is aangegeven voldoet de Uitvoeringsstrategie aan de vereisten van de provincie ten aanzien van regionale afspraken over stedelijke ontwikkelingen van bedrijventerreinen en kantoren, als bedoeld in de PRV (de voorganger van de Omgevingsverordening) . 6.3.3 Regionale economische samenwerking Platform Bedrijventerreinen en Kantoren (Plabeka) Plabeka richt zich binnen de Metropoolregio Amsterdam (MRA) specifiek op de bedrijventerreinen en kantoren. In juni 2017 is de Uitvoeringsstrategie “Ruimte voor werken in de MRA van morgen 2017-2030; Plabeka 3.0” vastgesteld door de MRA. De Uitvoeringsstrategie (US 3.0) van de Metropoolregio Amsterdam richt zich op een gezonde kantoren- en bedrijventerreinmarkt in de gehele Metropoolregio. Daar waar in eerdere Plabeka-afspraken met succes de reductie van het planaanbod centraal stond, is nu gekozen voor meer flexibiliteit zodat in regionaal verband goed ingespeeld kan worden op de economische dynamiek.
Het doel is om voldoende ruimte én kwaliteit van werkmilieus in de MRA te creëren, om zo bij te dragen aan de internationale concurrentiepositie van de MRA. De MRA behoort binnen Nederland tot de economisch goed presterende regio's. Zowel in bevolking als in banen wordt op langere termijn een groei verwacht die op of boven die voor Nederland als geheel ligt. Maar binnen de MRA nemen de verschillen toe. De werkgelegenheid groeit hard in Amsterdam en in iets mindere mate in Amstel-Meerlanden (met name Haarlemmermeer), maar daar staat een krimp tegenover in de regio's Haarlem en Gooi en Vechtstreek. De behoefte aan bedrijventerreinen is lager in vergelijking tot de periode voor de crisis en op de kantorenmarkt is er een flinke leegstand, al neemt die in sommige deelregio's snel af en met name in Amsterdam. Kwalitatief is – mede onder invloed van schaalverkleining in het bedrijfsleven, digitalisering en verduurzaming - een toenemende populariteit
waar te nemen van meer gemengde multifunctionele gebieden: centrumgebieden, gemengde woon-werklocaties, knooppuntlocaties en third places als koffiegelegenheden en dergelijke – in vergelijking tot traditionele, meer monofunctionele en op functiescheiding gerichte formele werklocaties (bedrijventerreinen en formele kantorenlocaties). De toenemende vraag naar multifunctionele gebieden vertaalt zich in de US3.0 onder meer in een flinke transformatie-opgave voor zowel kantoren als bedrijventerreinen, als substantieel en min of meer nieuw element in de US3.0. Ten aanzien van de regio Amstelland-Meerlanden is aangegeven dat deze regio zich binnen de MRA onderscheidt dankzij haar goede bereikbaarheid en internationale aantrekkingskracht op burgers en bedrijven. De Mainport Schiphol en de Greenport Aalsmeer zijn belangrijke economische trekkers en bieden o.a. kansen aan de sectoren Logistiek en Agrofood. Ook in de zakelijke dienstverlening is de regio sterk. De toekomstige uitbreidingsvraag naar 'droge' bedrijventerreinen (niet zijnde zeehaventerreinen) is voor de MRA geraamd op 450 ha in het 'hoge' scenario. Daarnaast is het voornemen om ruim 500 ha bedrijventerrein te gaan transformeren, vooral in Amsterdam en Zaanstad. Als gevolg daarvan wordt een vervangingsvraag van 30% voorzien.
Tegenover die behoefte (uitbreidings- en vervangingsvraag) staat een uitgeefbare voorraad en harde plannen die – zonder verdeling naar segmenten en regio's – ruim voldoende is op MRA-schaal. De verschillen tussen regio's zijn echter aanzienlijk: Amsterdam zal voor de uitplaatsing een beroep moeten doen op de andere deelregio's en ook IJmond heeft onvoldoende ruimte, tenzij er in de bestaande natte of droge terreinen ruimte beschikbaar komt. In relatieve zin kent Almere-Lelystad het grootste overschot; hier wordt de ingezette lijn die is gericht op het beheerst terugbrengen van de planvoorraad gecontinueerd. Andere overschotten zijn in relatieve zin kleiner en kunnen een rol vervullen in de opvang van de te verwachten uitstroom van de te transformeren terreinen in Amsterdam. De transformatieopgave is ambitieus en stelt gemeenten en regio voor grote uitdagingen. Alleen bedrijventerreinen die goed zijn ontsloten, die een hoge ruimtelijke kwaliteit kennen, en die – onder meer qua kavelgrootte en parkmanagement – in weten te spelen op de marktvraag, kunnen een grote ruimtevraag verwachten.
Het Bestuurlijk Overleg Platform Economie van de MRA heeft eind 2018 besloten het gebied BTAZ (als 60 ha bruto nieuw planaanbod) toe te voegen aan de harde planvoorraad van bedrijventerreinen in de MRA en zodanig op te nemen in de Plabeka-afspraken/monitor op basis van de zacht-hard procedure die is doorlopen. Dit besluit is bekrachtigd in een brief d.d. 17 december 2018 aan de gemeente Amstelveen, ondertekend door de bestuurlijk trekker van de Plabeka gedeputeerde Jaap Bond. Amsterdam Economic Board (AEB) De AEB voor de Metropoolregio Amsterdam (MRA) is het belangrijkste regionale adviesorgaan op economisch gebied. De AEB is samengesteld uit representanten van overheid, bedrijfsleven en kenniswereld. Amstelveen is via de Stadsregio vertegenwoordigd in de AEB. In november 2010 is het convenant ondertekend. Deelnemende partijen committeren zich aan het gezamenlijk investeren in de economie van de Amsterdamse regio om ondernemerschap, innovatie en werkgelegenheid te bevorderen. Zeven economische clusters zijn belangrijk en kansrijk: ICT, Creatieve Industrie, Rode Life Sciences, Zakelijke/Financiële Dienstverlening, Logistiek & Handel, Flowers & Food en Toerisme & Congressen. Voor elk van de clusters wordt een eigen strategie opgesteld. Platform regionaal Economische Structuur (PRES) De MRA wil de komende jaren blijven meespelen in de top van Europese regio's.
Als een economisch centrum dat aantrekkelijk is voor (internationale) bedrijven, als een dynamische regio met voldoende werkgelegenheid voor iedereen, als innovatieve en creatieve regio die voorop loopt bij de ontwikkeling van nieuwe producten en diensten.
Om dit te bereiken heeft het PRES de Economische Agenda Metropoolregio Amsterdam 2010-2014 'Global Business Gateway' opgesteld. Voor de zeven economische clusters ligt de nadruk op vijf stimuleringsthema's: 1. kennis en innovatie (inclusief duurzaamheid) als economische motor; 2. actief voorsorteren op de arbeidsmarkt van de toekomst; 3. versterking van promotie, acquisitie en exportbevordering; 4. garanderen van voldoende ruimte en een goede bereikbaarheid; 5. good governance: slagkracht en efficiency in regie en uitvoering.
6.4 Gemeentelijk beleid 6.4.1 Structuurvisie Amstelveen 2025+ De gemeenteraad van Amstelveen heeft op 21 september 2011 de Structuurvisie Amstelveen 2025+ vastgesteld. Het is op de eerste plaats een ruimtelijke visie, maar ondersteunt ook maatschappelijke ontwikkelingen. Het biedt daarmee helderheid aan inwoners, ondernemers, instellingen en andere overheden over de gewenste ontwikkeling van Amstelveen en de prioriteiten die het bestuur hierbij stelt. De wettelijk verplichte structuurvisie vormt de grondslag voor bindende bestemmingsplannen en exploitatieplannen. Een aantal thematische uitgangspunten zijn relevant voor dit plangebied. Werken Aantrekkelijke werkmilieus zijn een belangrijk onderdeel van het Amstelveense economisch beleid: om de economische structuur te versterken, om een evenwichtige en duurzame economische groei te bevorderen en om de diversiteit in de Amstelveense bedrijvigheid of de directe regio te vergroten. Bedrijventerrein Amstelveen Zuid wordt in de structuurvisie genoemd als uitbreidingslocatie op termijn. Duurzame ruimte Dit thema is tweeledig. Enerzijds gaat het over ruimte scheppen voor duurzame oplossingen boven of onder de grond zoals WKO en windenergie. Anderzijds gaat het om het duurzaam ordenen en gebruiken van de ruimte: de juiste functie op de juiste plek.
Voor dit plangebied voorziet de gemeente geen grootschalige windenergieopwekking wel zal kleinschalige windenergie met omgevingsvergunning mogelijk worden gemaakt. Het is de bedoeling om het bedrijventerrein zoveel mogelijk (aard)gasloos te realiseren en middels beleidsregels met behulp van de verbrede reikwijdte uit de Crisis en herstelwet in te spelen op het vastleggen van duurzaamheidsbeleid. Conclusie Het bestemmingsplan is in overeenstemming met de structuurvisie en biedt waar mogelijk aanknopingspunten voor het verder in uitvoering brengen van de verschillende beleidsdoelstellingen, projecten en programma's. 6.4.2 Structuurvisie Amstelveen Zuid, 15 december 2010 Op 15 december 2010 heeft de raad van de gemeente Amstelveen de Structuurvisie ‘Amstelveen Zuid’ vastgesteld. De structuurvisie Amstelveen Zuid is een visie op hoofdlijnen volgens de Wet ruimtelijke ordening. De visie brengt reeds vastgesteld beleid en geplande ontwikkelingen in kaart en met elkaar in verband; het biedt voor Amstelveen Zuid een totaalperspectief. De structuurvisie biedt de planologische onderbouwing voor de mogelijkheid tot het (deels) verhalen van gemeentelijke kosten
omlegging N201 (inclusief ongelijkvloerse kruising) via de ontwikkelgebieden bedrijventerreinen ‘De Loeten’ en ‘Amstelveen Zuid’ en woningbouwlocatie ‘De Scheg’. Daarnaast behoort, met de structuurvisie als basis, gedeeltelijk kostenverhaal voor provinciaal recreatief groenproject Amstelgroen tot de mogelijkheid. 6.4.3 Bouwsteen strategie werklocaties De gemeenteraad van Amstelveen heeft op 12 februari 2020 ingestemd met de volgende beleidsuitgangspunten als kader voor het werklocatie-beleid (bron: ‘Bouwsteen strategie werklocaties Amstelveen’, opgesteld door Buck Consultants International in opdracht van gemeente Amstelveen): 1. Werklocaties worden in een regionaal of metropolitaan verband gepositioneerd en hebben een profilering die aansluit bij lokale en regionale marktbehoeften. 2. Werklocaties bieden kwantitatief en kwalitatief geschikte ruimte voor autonome groeikracht van lokale ondernemers 3. Werklocaties spelen in op de groei van kleinschalige ondernemersvormen door marktgerichte (vastgoed)concepten te stimuleren en te faciliteren 4. Werklocaties worden multifunctioneel ingericht waarbij initiatieven die bijdragen aan de aantrekkelijkheid en levendigheid van de werkomgeving zoveel als mogelijk worden gefaciliteerd. Functies worden gescheiden waar dat nodig is 5.
Werklocaties beschikken over een mobiliteitsprofiel passend bij gewenste typen functies en doelgroepen, waar mogelijk met nieuwe mobiliteitsconcepten 6. Werklocaties worden op een duurzame wijze (her)ontwikkeld door initiatieven te stimuleren voor energiebesparing, -opwekking, circulariteit, duurzame mobiliteit, ruimtelijke (beeld)kwaliteit en klimaatadaptatie. Specifiek voor BTAZ wordt de volgende ontwikkelrichting voorzien: Ontwikkelen van beschikbare ruimte als regionaal-gemengd bedrijventerrein voor de opvang van transformatie Legmeer en de doorgroei van Amstelveense bedrijven. Doel daarbij is dat bedrijven een toegevoegde waarde leveren voor de lokale economie. Dit betekent dat de gemeente geen medewerking verleent aan de korte termijn verkoop van grootschalige kavels voor logistiek vastgoed of datacenters met beperkte toegevoegde waarde voor de lokale economie. De gemeente geeft in samenwerking met grondeigenaren, toekomstige gebruikers en andere belanghebbenden invulling aan bovenstaande beleidsuitgangspunten. 6.4.4 Beleidsregels Datacenters Amstelveen De gemeenteraad van Amstelveen heeft op 2 juni 2021 de Beleidsregels Datacenters Amstelveen vastgesteld. Vanuit de markt neemt de druk toe om datacenters te vestigen in Amstelveen.
De grote vraag naar datacentercapaciteit, die in aanzienlijke mate samenhangt met de relatief goedkope stroom in Nederland, leidt tot een enorm beslag op schaarse ruimte en legt een fors beslag op de beschikbare netcapaciteit en de elektriciteitsvoorziening. De datacentervestigingen hebben bovendien een flinke impact op de leefomgeving, het landschap en verbruiken veel water. De gemeente Amstelveen wil de negatieve effecten van datacenters op de leefomgeving minimaliseren. De gemeente Amstelveen heeft ambities om initiatieven op het gebied van energiebesparing en circulaire economie te stimuleren. Denk aan duurzame energieopwekking, duurzame mobiliteit, ruimtelijke kwaliteit, waterberging en (milieu)ruimte voor enkele circulaire bedrijven. Dat leidt tot nieuwe bebouwing met andere materialen en andere inrichting van gebouwen en terreinen en klimaatneutraal. Daarnaast staat de gemeente Amstelveen voor een aantal bijzondere ruimtelijke opgaven, zoals het ontwikkelen van beschikbare ruimte als regionaal-gemengd bedrijventerrein voor de opvang van transformatie en doorgroei van Amstelveense
bedrijven. Dit betekent dat de gemeente geen medewerking wil verlenen aan de korte termijn verkoop van kavels voor datacenters. In BTAZ zijn datacenters expliciet uitgesloten in de regels van het bestemmingsplan. Hiermee wordt ingespeeld op het doel van deze beleidsregel. 6.4.5 Beleidsregel Beeldkwaliteitsplan Bedrijventerrein Amstelveen Zuid Dit bestemmingsplan is een bestemmingsplan verbrede reikwijdte in het kader van artikel 7c Besluit Uitvoering Crisis en Herstelwet. Dit betekent onder andere dat in de regels gebruik gemaakt kan worden van dynamische verwijzingen naar beleidsregels. Bij het verlenen van omgevingsvergunningen dient aan de beleidsregel getoetst te worden zoals die op dat moment geldt. Eén van deze beleidsregels die specifiek voor dit bestemmingsplan is opgesteld is de beleidsregel Beeldkwaliteitsplan Bedrijventerrein Amstelveen Zuid. Een ontwerp van deze beleidsregel is als ontwerp ter visie gelegd parallel aan dit bestemmingsplan. Mede naar aanleiding van inspraakreacties is het beeldkwaliteitsplan aangepast en meer in overeenstemming gebracht met regels en verbeelding van het bestemmingsplan.
Het heeft er ook toe geleid dat sommige keuzes met betrekking tot omvang van gebouwen en de plek van de gevels nu in verband met de rechtszekerheid zijn vastgelegd in de regels van het bestemmingsplan (in combinatie met de verbeelding), waar deze eerder met name in het beeldkwaliteitsplan waren terug te vinden. In het Beeldkwaliteitsplan worden eisen gesteld aan de typologie van nieuwe bebouwing en aan de inrichting van de buitenruimte. Hierbij wordt met name gelet op de plek, de vorm en de materialisatie van de gevels. Voor de buitenruimte is een aantal profielen opgenomen waaraan moet worden voldaan. 6.4.6 Beleidsregel Leidraad duurzaam bouwen en gebiedsontwikkeling BTAZ Met de Beleidsregel ‘Leidraad Duurzaam Bouwen en Gebiedsontwikkeling BTAZ’ wordt uitvoering gegeven aan een duurzame ontwikkeling van het ontwikkelgebied BTAZ. De Beleidsregel vormt tevens de uitwerking van de open norm en voorwaarden die in de regels van het bestemmingsplan zijn opgenomen. Met de uitwerking in beleidsregels wordt de mogelijkheid geboden om op een aantal thema's gedurende de looptijd van het bestemmingsplan BTAZ nadere sturing te geven aan activiteiten en functies met het oog op het realiseren van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit . 6.4.7 Beleidsregels Gronduitgifte Bedrijventerrein Amstelveen Zuid
HOOFDSTUK 7 OMGEVINGSKWALITEIT 7.1 m.e.r - beoordeling Of sprake is van een verplichte m.e.r.-procedure en welke type procedure toegepast moet worden is afhankelijk van diverse factoren; het type voorgenomen activiteit, de omvang daarvan en of ertoe wordt besloten middels een kaderstellend plan of een concreet besluit. Ook is relevant of een zogeheten passende beoordeling nodig is vanwege mogelijk significant negatieve effecten op beschermde natuurgebieden (Natura 2000). Voor BTAZ geldt dat sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplichtig voornemen op grond van categorie D11.3 van de bijlage van het Besluit m.e.r. (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein), en categorie D11.2 van diezelfde bijlage (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen). Voor m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten moet in beginsel altijd eerst worden beoordeeld of vanwege belangrijke nadelige milieugevolgen een volledige m.e.r.-procedure noodzakelijk is. Hiervoor wordt dan een m.e.r.-beoordelingsprocedure doorlopen. Omdat uit het stikstofdepositieonderzoek is gebleken dat geen 'passende beoordeling' noodzakelijk is, is een m.e.r.-beoordeling opgesteld en een m.e.r. -beoordelingsbesluit genomen (en is het aanvankelijke besluit een MER op te stellen weer ingetrokken).
In dit besluit is vastgelegd dat een m.e.r. niet noodzakelijk is. Deze is te vinden onder Overige bijlagen. De conclusies uit de m.e.r.-beoordeling met betrekking tot onderstaande thema's en paragraven zijn overgenomen. De m.e.r.-beoordeling is opgenomen onder de Overige bijlagen bij deze bestemmingsplantoelichting.
7.2 Bodem 7.2.1 Beleid en regelgeving Wettelijk- en Beleidskader Het bodembeleid heeft tot doel een balans te vinden tussen bodemgebruik en bescherming van bodemfuncties. Met bescherming wordt bedoeld dat een bodemgebruik duurzaam, veilig en gezond is. Bescherming is niet alleen tegen verontreiniging gericht, maar in principe tegen elke aantasting die het gebruik benadeeld. Het beleid voor bodembescherming kent drie sporen. Het eerste spoor bestaat uit het oplossen van de knelpunten die zijn ontstaan door historische verontreinigingen. Hiervoor is een programmatische aanpak opgesteld, die in de Wet bodembescherming is opgenomen. Het doel, om in 2015 geen locaties meer te hebben waar acute gezondheidsrisico optreden, is in Aalsmeer/Amstelveen bereikt. Het 2e spoor richt zich op het voorkomen van nieuwe aantasting door het stellen van regels aan activiteiten in en op de bodem. De Wet Milieubeheer vormt hiervoor de basis. Het 3e en laatste spoor is het ruimtelijke spoor (Wro) dat tot doel heeft te komen tot een ‘goede ruimtelijke ordening. Dit gebeurt door nieuwe gebruiksfunctie (bv. wonen) alleen te bestemmen op gronden met voldoende bodemkwaliteit. Bij bestaand bodemgebruik worden natuurlijk
momenten aangegrepen om de bodemkwaliteit zo nodig te verbeteren. Als ijkpunt kunnen de bodemnormen uit de Regeling bodemkwaliteit worden toegepast. In gebieden met intensief bodemgebruik is het niet altijd mogelijk om de juiste bodemkwaliteit tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten te bereiken. Het Besluit bodemkwaliteit (Bkk) biedt dan de mogelijkheid om op projectniveau af te wijken van de generieke normen, mits op gebiedsniveau de kwaliteit niet verminderd en dit beleid door lokaal bestuur wordt vastgesteld. In Amstelveen is wel gebiedspecifiek beleid opgenomen in de Nota bodembeheer(2013), maar er zijn geen regels opgenomen die het bestemmen van gebruiksfuncties beperken. Daar is ook weinig aanleiding voor, omdat de chemische bodemkwaliteit over het algemeen geen knelpunt vormt voor bestaand en toekomstig bodemgebruik. De 3 sporen komen te zijner tijd samen in de Omgevingswet. De uitgangspunten van de Nota bodembeheer worden dan vertaald in de omgevingsvisie en resp. omgevingsplannen. Provinciale milieuverordening De provincie beschermt aardkundig interessante gebieden, 'aardkundige waarden', die iets vertellen over manier waarop het landschap is ontstaan. Ze vormen ons aardkundig erfgoed.
In de praktijk betekent dit dat alleen grond mag worden toegepast die voldoet aan de bodemchemische normen en die bodemfysisch vergelijkbaar is met de in het toepassingsgebied voorkomende grondsoort. Dit is vastgelegd in de Provinciale milieuverordening. Paragraaf 5.1.3 geeft inzicht in het aanwezige aardkundige erfgoed. Gebieden met aardkundige waarden dienen planologisch te worden beschermd. 7.2.2 Relevantie plangebied Bodemopbouw De oorsprong van het plangebied is beschreven in paragraaf 5.1.3 over cultuurhistorie. In de vorige eeuw is in grote delen van de Noorder Legmeerpolder grondverbetering toegepast. Hierbij is de zandige ondergrond m.b.v. een diepploeg omhoog gebracht en vermengd met de bovenliggende klei. Hierdoor is de bodem geschikt gemaakt voor akkerbouw. De wegen en taluds rondom de polders (m.u.v. de Randweg) zijn voormalige polderkades (= Bovenland) en bevatten een basis van veen. De wegen in het gebied zelf zijn voorzien van een zandbed. Ook het spoorbed van de voormalige spoorlijn bestaat uit aangebracht zand. Het maaiveld van het plangebied kent een kleine variatie maar bevindt zich gemiddeld op –4,5 NAP, de bodemopbouw in de Legmeerpolders bestaat uit lichte klei. Soms komt er nog een laag veen voor van meer dan 40 cm binnen de eerste 80 cm, maar het merendeel van de venige gronden bevat veel klei in de bovenste 80 cm.
Bodemkwaliteit RoyalHaskoningDHV heeft onderzoek verricht en heeft op 18 september 2020 een concept rapport opgeleverd waarin de bodemkwaliteit nader wordt beschouwd. Dit rapport maakt als Bijlage 3 onderdeel uit van deze plantoelichting. Hieronder volgt een weergave van de belangrijkste conclusies. Op basis van de verkregen informatie voor het plangebied BTAZ zijn de volgende conclusies te trekken: <0000> Er bevinden zich binnen het plangebied land- en tuinbouwpercelen. Uit de archieven zijn geen gegevens naar voren gekomen die leiden tot een onverdachte situatie voor bestrijdingsmiddelen. De land- en tuinbouwpercelen worden derhalve aangemerkt als zijnde verdacht voor bestrijdingsmiddelen; <0000> Er bevinden zich binnen het plangebied meerdere gedempte sloten. Uit de digitale archieven zijn geen gegevens naar voren gekomen waaruit blijk dat de
samenstelling en kwaliteit van het dempingsmateriaal bekend is. De gedempte sloten worden derhalve aangemerkt als zijnde verdacht voor bodemverontreiniging; <0000> Er worden binnen het plangebied meerdere activiteiten uitgevoerd die potentieel voor bodemverontreiniging kunnen zorgen. Bij beëindiging van deze activiteiten dient in het kader van de Wet milieubeheer (Wm) de eindsituatie vastgelegd te worden. Hieruit volgt mogelijk een saneringsplicht voor de vergunninghouder; <0000> Ter plaatse van het benzineservicestation (Shell) is sprake van een geregistreerde restverontreiniging met minerale olie in de grond/grondwater en een ongewoon voorval dat heeft plaatsgevonden in 2017. De huidige stand van zaken m.b.t. verplichtingen in het kader van de Wet bodembescherming is niet bekend. Wel bekend is dat er in 2019 nog een monitoringsronde is uitgevoerd; <0000> Er bevinden zich binnen het plangebied meerdere opstallen en erfverhardingen daterend uit een periode waarin veel asbest is vervaardigd en is toegepast in bouwwerken. Deze opstallen en verhardingen worden derhalve aangemerkt als zijnde verdacht voor asbest; <0000> Op basis van de Nota bodembeheer geldt het generieke beleid. Voor de standaard NEN5740-parameters wordt verwacht dat de grond wordt aangemerkt als zijnde klasse Achtergrondwaarde. Ten aanzien van PFAS zijn er binnen het plangebied geen bronnen aanwezig.
Derhalve wordt voor deze stoffengroep verwacht dat verspreiding heeft plaatsgevonden door atmosferische depositie, waardoor sprake is van een diffuus belaste bodem. Geconcludeerd wordt dat in de huidige situatie en in de toekomstige gewenste situatie geen noodzaak bestaat tot bodemsanering.
7.3 Water 7.3.1 Beleid en regelgeving Het doel van waterbeheer in Nederland bestaat van oudsher uit het beschermen tegen overstromingen en het ontwateren van laaggelegen gebieden. Door de klimaatverandering is nieuw beleid gemaakt voor deze taken van veiligheid en peilbeheer. Dit vereist mogelijk ruimte vanwege de versterking en verbreding van dijken en waterkerende werken of voor extra waterberging. Een ander doel betreft het zorgen voor schoon en gezond water. Voor schoon water is een goed functionerend watersysteem vereist met voldoende volume en doorstroming. Een ecologische oeverinrichting is wenselijk, maar legt beslag op de ruimte. Grondwater wordt volop benut voor de productie van drinkwater. De laatste jaren ontwikkelt het grondwater zich tot een bron en/of opslagmedium voor warmte. Dit vormt een bijdrage aan de beperking van het gebruik van fossiele brandstoffen. Efficiëntie van benutting is een van de redenen voor ruimtelijke ordening van de ondergrond. Kaderrichtlijn Water De Europese Kaderrichtlijn Water leidt, samen met de dochterrichtlijn Grondwater tot een verbetering en bescherming van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in de lidstaten. De Kaderrichtlijn voorziet in drie planperiodes. Momenteel is de 2e planperiode, de uitvoering van de 2e generatie stroomgebiedsbeheerplannen door alle lidstaten ter hand genomen.
In 2022 start de 3e en laatste planperiode die in 2027 afloopt. De Europese Kaderrichtlijn heeft gevolgen voor de gemeente op het gebied van riolering, hemelwaterverwerking, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijk beleid. Er worden in 2022 opnieuw voor de 3e en laatste planperiode, ecologische en fysisch-chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang.
Nationaal Waterplan In het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP2) is het rijksbeleid voor de landelijke en regionale wateren vastgelegd. Het Nationaal Waterplan wordt vastgesteld door de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken. In het plan zijn de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het nationale ruimtelijke beleid beschreven. Met dit Nationaal Waterplan voldoet Nederland aan de Europese eisen die voortvloeien uit de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingrisico’s (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KMS). Met dit NWP2 zet het Rijk een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van onze watersystemen, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit, een duurzaam beheer en goede milieutoestand van de Noordzee en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Hierbij streeft het Rijk naar een integrale benadering, door economie (inclusief verdienvermogen), natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie en cultureel erfgoed zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen. Het beleid en de maatregelen in dit Nationaal Waterplan dragen bij aan het vergroten van het waterbewustzijn in Nederland.
Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het Nationaal Waterplan is zelfbindend voor het Rijk. Het Rijk is in Ne-42 bestemmingsplan Herziening Landgoederen en Groene Gebieden verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Rijkswaterstaat (RWS) neemt in het Beheer- en Ontwikkelplan voor de Rijkswateren (Bprw) de condities en maatregelen op voor het operationeel beheer om deze strategische doelen te bereiken. Het NWP is kaderstellend voor het Bprw. Het kabinet vraagt andere overheden het NWP te vertalen in hun beleidsplannen. Bestuursakkoord Water Het bestuursakkoord Water volgt op het Nationaal Bestuursakkoord Water en bevat hernieuwde afspraken over bestuur, financiën en richtinggevende kaders voor onder andere water. De maatregelen uit het Bestuursakkoord Water zijn gericht op: <0000> heldere verantwoordelijkheden, minder bestuurlijke drukte; <0000> beheersbaar programma voor de waterkeringen; <0000> doelmatig beheer van de waterketen, <0000> werkzaamheden slim combineren; <0000> het waterschapsbestuur. De doelstellingen van het ‘oude’ Nationaal Bestuursakkoord blijven van kracht.
Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie Het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) is een landelijk, gezamenlijk plan van gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk. Het versnelt en intensiveert de aanpak van 4 thema’s: wateroverlast, hittestress, droogte en de gevolgen van overstromingen. Het is plan is landelijk gepresenteerd op Prinsjesdag 2017. Het DPRA legt de gemeenten direct op om in 2020 over vastgesteld beleid per gemeente te beschikken over de 4 thema’s. In 2050 dienen alle Nederlandse gemeenten “klimaatrobuust” te zijn, d.w.z. alle maatregelen moeten dan zijn uitgevoerd. Het Deltaplan is het leidende plan voor gemeenten voor het opstellen en uitvoeren van klimaatadaptieve inrichting. De voornemens van dit plan worden in nauwe afstemming met waterschappen en andere overheden en met particuliere partijen en inwoners, door de gemeenten ten uitvoer gebracht. In Amstelveen gebeurt dat met een Plan van Aanpak klimaatadaptatie 2019-2020.
Watervisie 2021 provincie Noord-Holland De Provinciale Watervisie is van kracht sinds 23 december 2015 en geldt tot 2021. Het plan geeft duidelijkheid over de strategische waterdoelen tot 2040 en de acties tot 2021. De volgende doelen worden nagestreefd: <0000> waarborgen van voldoende bescherming van mens, natuur en bedrijvigheid tegen overstromingsrisico’s; <0000> zorgen voor schoon en voldoende drinkwater; <0000> kader stellen voor regionale waterkeringen; <0000> beoordelen versterkingsplannen primaire waterkeringen en bevorderen ruimtelijke kwaliteit; <0000> waterrobuust inrichten bevorderen; <0000> bijdragen aan schoon en voldoende oppervlaktewater; <0000> Zorgen voor schoon en voldoende grondwater. Een belangrijk middel voor het realiseren van deze waterdoelen is het via integrale gebiedsontwikkeling proactief zoeken naar kansrijke combinaties met veiligheid, economie, recreatie, landbouw, milieu, landschap, cultuur en natuur. Het Waterplan heeft voor de ruimtelijke aspecten de status van een structuurvisie op basis van de Wro. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht Het plangebied is gelegen binnen de grenzen van het waterschap van Amstel, Gooi en Vecht. Waterbeheerplan 2016-2021 (WBP) AGV is de beheerder van de regionale wateren in een gebied van 700 km2, grofweg tussen Amsterdam en Utrecht.
Het waterschap is een overheidsorganisatie, die zorgt voor veiligheid achter de dijken en voor voldoende en schoon oppervlaktewater. Elke zes jaar maakt het waterschap een waterbeheerplan, tegelijkertijd met (en afgestemd op) het Nationale Waterplan van het Rijk en de provinciale waterplannen. In dit Waterbeheerplan beschrijft het waterschap wensbeelden per thema voor 2030, en daaruit afgeleid doelen voor de planperiode 2016-2021 en een aanpak op hoofdlijnen. Uitgangspunten WBP <0000> samenbrengen van alle regionale waterbeheertaken in één regionale waterautoriteit; <0000> een klimaatbestendig en waterrobuust gebied; <0000> steden die beter bestand zijn tegen extreme regenbuien, wateroverlast, overstromingen, hitte en droogte; <0000> een omgeving die zich bewust is van waterveiligheid; <0000> water dat overal in het gebied geschikt is voor de vastgestelde gebruiksfunctie; <0000> gebruik van afvalwater als grondstof en bron voor energie en water; <0000> gebruik van vernieuwende oplossingen vanuit samenwerking met kennisinstellingen, andere overheden en marktpartijen; <0000> vermindering van regeldruk en vergroting van kosteneffectiviteit; <0000> afstemming over alle watertaken per stroomgebied; <0000> behoud van de zelfstandige bevoegdheid. Beleidsregels Keur 2019 De Keur van Amstel, Gooi en Vecht is op 1 november 2019 vastgesteld.
De Keur is, net als die van Rijnland, een verordening met wettelijke regels (gebod- en verbodsbepalingen) voor: <0000> Waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden), <0000> Watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken), <0000> Andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen).
De Keur bevat verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of bij de bovengenoemde waterstaatswerken. Er kan een ontheffing worden aangevraagd om een bepaalde activiteit wel te mogen uitvoeren. Als AGV daarin toestemt, dan wordt dat geregeld in een Watervergunning op grond van de Keur. De Keur is daarmee een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen. De Keur is te vinden op de website: www.agv.nl. 7.3.2 Voorstel Waterschap AGV voor BTAZ De wateropgave verdeelt het plangebied in 3 gebieden i.v.m. doorkruisende wegen, tramlijn en capaciteit van duikers. Het gaat om het gebied ten zuiden van de N201, en daarboven om het gebied west en oost van de tramlijn. Dit is om een robuust watersysteem op te zetten voor een terrein waar veel verhard oppervlak en dus versnelde afstroming zal komen. Watergangen omlijnen bij voorkeur elke kavel zodat er minder overlast zal zijn bij heftige neerslag omdat er geen afwenteling van kavel op kavel kan ontstaan. Hierbij staan watergangen altijd met elkaar in contact en zijn er geen doodlopende watergangen. Eventueel kunnen kavels ook gescheiden worden met een soort wadi die aansluit op een watergang. Breedte van de watergangen hangt af van het type water waarvoor gekozen wordt: primair of secundair.
Primair water wordt door Waternet onderhouden en moet daarom aan eisen voldoen die staan beschreven in het Programma van Eisen dat al eerder is gemaild. Secundair water moet worden onderhouden door de perceel eigenaar, daarbij moet er dus wel ruimte zijn om te kunnen onderhouden en moet het water bereikbaar zijn om te schouwen. Er is een groot risico voor opbarsting van watergangen in deze omgeving. Onderzoek naar het risico is noodzakelijk voor het aanleggen of verbreden van watergangen. Voor stuwen en andere kunstwerken in het watersysteem is het van belang het Programma van Eisen aan te houden. Het totale oppervlak aan water is bij voorkeur 10% of meer. Deze oppervlakte geeft een toekomstbestendig watersysteem. Ecologisch Taluds van 1:3 zijn minimaal nodig voor natuurvriendelijke oevers. Watergangen met verschillende dieptes ontwerpen zodat er verschillende biotopen ontstaan voor organismen. Waterkwaliteit Bomen langs watergangen is niet wenselijk i.v.m. bladval in de watergang en de nutriënten die daarbij vrijkomen. Voor de waterkwaliteit bestaat een verplichting deze te verbeteren door de KRW-wetgeving. Er mag door de ontwikkeling geen achteruitgang optreden. Hemelwater wordt waar mogelijk eerst vastgehouden in het gebied voordat het wordt afgevoerd. Het hangt van het type bedrijf af of zij hun hemelwater zonder voorbehandeling mogen lozen op het oppervlaktewater.
Klimaatadaptatie Het is van belang dat het beleid in ontwikkeling bij de gemeente zoveel mogelijk wordt aangehouden. Industrieterreinen staan bekend om grote verharde oppervlakken resulterend in meer hitte en wateroverlast. Om dit te ondervangen zouden groen/blauwe daken een uitkomst kunnen bieden. Meer informatie over dit type dakbedekking is te vinden op www.rainproof.nl. Resultaten van stresstesten op wateroverlast en hitte zijn te vinden op www.agv.klimaatatlas.net of www.mra.klimaatatlas.net.
Overstromingsrisico Dit gebied ligt op een plek waar het aandeel overstromingen resulterend in een diepte van 20-50 cm gezamenlijk 50% of groter is. Het is op kavel terrein handig om hiermee rekening te houden en zo in te richten dat 50 cm water tot zo min mogelijk schade leidt. Deze risico’s zijn afgeleid van de klimaateffect atlas. 7.3.3 Relevantie plangebied Zoals in Bijlage 6 is te zien is binnen het vigerende kader sprake van 1 % oppervlaktewater binnen het te ontwikkelen plangebied en 91 % onverhard gebied. In de nieuwe situatie bij volledige ontwikkeling van BTAZ is dat 10 % oppervlaktewater en in totaal ongeveer 73 % verhard gebied. Hiermee wordt met betrekking tot de hoeveelheid te realiseren water voldaan aan het beleid van Amstel Gooi en Vechtstreek en de uitgangspunten uit de Startnotitie.
Naast de watercompensatie is ook de waterhuishouding nader bestudeerd. Het Waterhuishoudkundig plan is opgesteld door RoyalHaskoningDHV in overleg met waterschap Amstel Gooi en Vecht. Het resultaat hiervan is eveneens opgenomen onder Bijlage 6.
7.4 Archeologie 7.4.1 Beleid en regelgeving Wet op de archeologische monumentenzorg De Erfgoedwet vormt samen met de Omgevingswet het wettelijke fundament voor de archeologie in Nederland. Onderdelen van de voormalige Monumentenwet over archeologie worden overgeheveld naar de Omgevingswet. Voorbeelden daarvan zijn de verplichting om rekening te houden met archeologie bij het opstellen van bestemmingsplannen (straks omgevingsplannen) en de vergunningverlening voor het verstoren van archeologische rijksmonumenten. Dit houdt in dat de gemeente bij de
voorbereiding van een nieuw bestemmingsplan moet onderzoeken of de grond een archeologische waarde of verwachting bezit. In het bestemmingsplan kunnen archeologische voorschriften worden opgenomen wanneer de gemeente de grond bestemd heeft als archeologisch waardevol of onderzoeksgebied. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta) uit 1992. Dit gaat uit van de bescherming van het archeologische erfgoed als bron van het Europese gemeenschappelijke geheugen en als middel voor geschiedkundige en wetenschappelijke studie. Om dat doel te bereiken moet de wetgever het archeologisch erfgoed betrekken bij de ruimtelijke ordening. Tevens dient de financiering van het archeologisch onderzoek en het behoud in de bodem te worden geregeld. Kern van de wet is dat gemeenten verantwoordelijk worden voor de archeologische monumentenzorg binnen de gemeentegrenzen. De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt”, dat ervan uitgaat dat de aanvrager van een omgevingsvergunning en een omgevingsvergunning voor aanlegactiviteiten zelf de kosten moet dragen voor het voldoen aan de archeologische voorschriften, worden meer archeologische resten in situ behouden.
Het principe dat de veroorzaker betaalt geldt uitsluitend wanneer de wet uitdrukkelijk bepaalt dat er een archeologisch voorschrift aan de vergunning kan worden verbonden. De volgende archeologische voorschriften worden in de wet genoemd: <0000> Het treffen van maatregelen waardoor de archeologische resten in situ behouden blijven; <0000> De verplichting tot het doen van opgravingen; <0000> Het werk laten begeleiden door een deskundige. Het rijk is het bevoegd gezag bij toevalsvondsten, waarvan sprake is wanneer er bij werkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen (paragraaf 5.4 Erfgoedwet). Vondsten met archeologische waarde dienen te worden aangegeven bij het provinciaal depot voor archeologie van de provincie Noord-Holland. Archeologiebeleid gemeente Amstelveen De gemeente Amstelveen heeft in 2008 archeologisch beleid vastgesteld. Hiertoe is een archeologische verwachtingskaart opgesteld. Op deze kaart zijn in verschillende gradaties de verwachte archeologische waarden opgenomen, waaraan criteria met betrekking tot oppervlakte en diepte van bodemverstoring zijn verbonden. In 2016 is het archeologisch beleid, en de daarbij behorende archeologische verwachtingskaart geactualiseerd. Dit geactualiseerde beleid zal door een paraplubestemmingsplan gemeentebreed worden verankerd.
De gebieden met de hoogste verwachting zijn vermeld als ‘AMK-terrein’ (Archeologische Monumentenkaart) of als ‘historische kern’. Dit zijn de op kaart paars gekleurde gebieden (Amsterdamseweg, oude dorp, bestaande en voormalige buitenplaatsen langs de Amstel en locaties van voormalige molens en posten Linie van Krayenhoff). Hiervoor geldt dat bij bodemverstoringen van meer dan 50 m² een archeologisch onderzoek dient te worden gestart. In de zones waar ‘historische bebouwing’ heeft plaatsgevonden (Amsterdamseweg, Handweg, Legmeerdijk, Bovenkerkerweg en de Amsteldijk) geldt verplicht archeologisch onderzoek bij bodemverstoringen groter dan 100 m². De zone van het onverveend bovenland (gebied ten westen van de Amsteldijk, groot loopveld (tracé ten zuiden van de A9) en het onverveende gebied in het noord-westen van Amstelveen) heeft een middelhoge verwachtingswaarde. Hiervoor geldt dat bij bodemverstoringen van meer dan 1.000 m² een archeologisch onderzoek dient te worden gestart. Tot deze categorie van middelhoge archeologische verwachtingswaarde
behoren ook de getij-inversie-ruggen, die liggen in de Bovenkerkerpolder en de Noorderlegmeerpolder. Hiervoor geldt dat bij bodemverstoringen van meer dan 5.000 m² een archeologisch onderzoek dient te worden gestart. Het overgrote deel van Amstelveen bestaat uit verveend, drooggemaakt of met zand opgespoten gebied. Binnen dit gebied geldt een lage archeologische verwachtingswaarde. Hiervoor geldt dat bij bodemverstoringen van meer dan 10.000 m² een archeologisch onderzoek dient te worden gestart. 7.4.2 Relevantie plangebied Paragraaf 5.1.3 geeft inzicht in de archeologische verwachtingswaarde van het plangebied. Verder heeft bureau Vestigia een bureauonderzoek uitgevoerd naar mogelijk aanwezige waarden en eventuele vervolgacties die in het gebied noodzakelijk zijn. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 2. Onderstaand volgt een korte weergave van de bevindingen. Het plangebied is momenteel grotendeels in agrarisch gebruik. Het plangebied zal gefaseerd worden ontwikkeld. Afhankelijk van de vraag, behoefte en ontwikkeling van bedrijven zal het plangebied worden ingericht en de kavels worden uitgegeven. Dit maakt het mogelijk om de uitgifte goed te laten aansluiten op de ontwikkelingen in de lokale en regionale markt, en de investeringen in het openbaar gebied aan te laten sluiten bij uitgifte van bedrijfsgronden. Er is nog geen inrichtingsplan of DO beschikbaar.
Zodoende zijn de exacte verstoringsdiepte en het verstoringsoppervlak op dit moment nog niet bekend. De te verwachten verstoringen zullen plaatsvinden in het kader van de aanleg van wegen (doorgaans met een cunet tot 1 m -mv), infrastructuur in de vorm van riolering, kabels en leidingen (doorgaans 1-1,5 m -mv), het uitgraven van watergangen (ca. 1 m -mv), en uiteraard de nieuwbouw van bedrijfspanden (doorgaans 1 m -mv voor een reguliere fundering met heipalen). Op basis van de resultaten van dit bureauonderzoek bestaat binnen het oostelijke deel van het plangebied vanwege de aanwezigheid van een kreekrug in de ondergrond een lage tot middelhoge archeologische verwachting voor het aantreffen van archeologische resten uit het Neolithicum. In principe is deze kreekrug een mogelijke locatie geweest voor menselijke bewoning en activiteit. Ervaring in dit deel van het Hollands Veen- en Kleigebied leert echter dat (intacte) vindplaatsen uit deze periode zeer schaars zijn, maar natuurlijk ook niet geheel kunnen worden uitgesloten. Uit eerder archeologisch onderzoek aan de randen van het onderhavige plangebied is gebleken dat de top van de kreekrug niet meer intact is, en deels is opgenomen in de bouwvoor. Of dit ook binnen het plangebied van toepassing is kan op basis van de beperkte bodemkundige informatie niet worden vastgesteld.
De kans op het aantreffen van een archeologische vindplaats uit andere perioden wordt als laag ingeschat. Advies Gezien de omvang van het plangebied (ca. 69 ha, waarvan ca. 50 ha in een gebied met een verhoogde verwachting bij de kreekrug) in combinatie met de lage tot middelhoge archeologische verwachting en de aangetoonde verstoringen, lijkt het niet zinvol om het hele plangebied meteen in een vlakdekkend grid af te boren. Geadviseerd wordt om, in overleg met het bevoegd gezag, eerst vijf of zes raaien boringen te plaatsen, haaks op de ligging van de kreekrug. Deze boringen dienen om de archeologische potentie van de kreekrug binnen het plangebied in kaart te brengen, alsmede de mate van verstoring. Op basis van deze landschappelijke informatie kan dan worden beoordeeld of verder onderzoek nog zinvol is, of dat het archeologisch vooronderzoek daarmee kan worden afgesloten.
Het is aan het bevoegd gezag, de gemeente Amstelveen, om op basis van dit rapport en het hierin geformuleerde advies een besluit te nemen ten aanzien van eventueel vervolgonderzoek of het beëindigen van het archeologisch onderzoeksproces. Ook wanneer het plangebied op enig moment op basis van de resultaten van archeologisch onderzoek wordt vrijgegeven voor de voorgenomen ontwikkelingen, blijft de meldingsplicht archeologische toevalsvondst of waarneming van kracht (Erfgoedwet, artikel 5.10 Archeologische toevalsvondst). Aangezien het nooit volledig is uit te sluiten dat tijdens eventueel grondverzet een archeologische toevalsvondst wordt gedaan, is het wenselijk de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht om hiervan zo spoedig mogelijk melding te doen bij het bevoegd gezag, de gemeente Amstelveen, en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. In de regels van dit plan zijn de dubbelbestemmingen Waarde Archeologie -4 en Waarde Archeologie -5 overgenomen om de archeologische waarden te waarborgen.
7.5 Verkeer en parkeren 7.5.1 Beleid en regelgeving Mobiliteitsvisie Amstelveen Op 12 februari 2020 heeft de gemeenteraad van Amstelveen de Mobiliteitsvisie vastgesteld. Jarenlang leefde het beeld in Amstelveen dat de gemeente een beheergemeente zou worden: nauwelijks tot geen inwonersgroei en geen nieuwe grootschalige ontwikkelingen. De opgave was vooral om het beheer goed op orde te hebben, daar paste ook beleidsarm werken op het vlak van verkeer en vervoer bij. Inmiddels is Amstelveen de grens van 90.000 inwoners gepasseerd en wij verwachten de komende jaren de grens van 100.000 inwoners te passeren en het is niet ondenkbaar dat de gemeente nog verder doorgroeit. Ook de rest van de Metropoolregio Amsterdam groeit stevig. Dit zorgt voor een grote opgave om Amstelveen in de komende jaren met een duurzaam vervoerssysteem veilig, leefbaar en bereikbaar te houden. Want hoe faciliteren wij deze toenemende verkeersdruk in een gemeente waar het vervoerssysteem steeds vaker en meer tegen haar grenzen aan loopt? Daarnaast komen er allerlei trends en ontwikkelingen op de gemeente af. Dit gaat bijvoorbeeld om technologische ontwikkelingen en beschikbaarheid van data, om de verdergaande trek naar de stad en om klimaatvraagstukken.
Dit alles heeft impact op de toekomstige bereikbaarheid van, naar en in Amstelveen en leidt tot nieuwe vraagstukken en opgaven rond mobiliteit die momenteel nog niet in beleid verankerd zijn. Ook is de landelijke en regionale beleidstrend om niet meer, zoals voorheen, te werken vanuit modaliteit (vervoerswijzen apart) maar meer vanuit mobiliteit (één systeem) in nauwe samenhang met ruimtelijke ontwikkelingen. Dit zijn de redenen om een Mobiliteitsvisie voor Amstelveen op te stellen. Als we niets doen en doorgaan op het huidige beleid, loopt Amstelveen in de toekomst vast. Deze Mobiliteitsvisie geeft richting aan de plannen om de Amstelveners tot 2040 prettig en veilig vervoer te kunnen bieden in een leefbare stad, ondanks de toenemende verkeerdruk. Belangrijke speerpunten om dit te realiseren zijn: <0000> Wij werken aan een mobiliteitssysteem voor iedereen. Bereikbaar per alle modaliteiten maar ook voor alle bevolkingsgroepen, zowel jong en goed ter been als
<0000> <0000> <0000> <0000> <0000> <0000> <0000> <0000>
ouder en mindervalide. Alle Amstelveners moeten zich van, naar en in de stad kunnen bewegen; Bereikbaar voor Amstelveners met OV, auto, fiets en andere vervoersmiddelen in samenhang met elkaar, met ruimtelijke plannen en met regionale ontwikkelingen; Auto- en vrachtverkeer zonder herkomst of bestemming Amstelveen om de stad heen leiden in plaats van er doorheen en betere ontsluiting van Zuidwest Amstelveen op de A9 via de Bosrandweg/Fokkerweg; Proactief verkeersveiligheidsbeleid; Goede verbindingen met NS-stations Schiphol, Zuid en Bijlmer ArenA met comfortabele overstap; Beter fijnmazig OV binnen de stad en zorgen voor een goede bereikbaarheid van belangrijke voorzieningen zoals gezondheidscentra, ouderencomplexen en het ziekenhuis; Mobiliteitshubs waar verschillende vervoerswijzen samenkomen; Betere en snelle (regionale) fietsverbindingen; Verduurzaming van stadslogistiek, faciliteren van elektrificering van vervoer en deelmobiliteit
Nota Parkeernormen 2021 Door parkeren nadrukkelijk te toetsen en de juiste parkeernorm zo vroeg mogelijk in het planproces te bepalen en vraag en aanbod van het aantal parkeerplaatsen goed op elkaar af te stemmen wordt parkeeroverlast voorkomen wat zorgt voor een verbetering van de verkeersveiligheid. Uiteindelijke leidt dit tevens tot een aantrekkelijkere openbare ruimte voor bewoners, bezoekers en ondernemers. Eind 2015 heeft de gemeenteraad de Nota parkeernormen 2016 vastgesteld. Door diverse ontwikkelingen kwamen de normen zoals deze in 2015 zijn vastgesteld steeds meer onder druk te staan en is er in praktijk steeds meer sprake van maatwerk. Hoewel de mogelijkheid tot maatwerk niet uitgesloten moet worden, is het wenselijk om zoveel mogelijk normen beleidsmatig vast te leggen. In december 2020 heeft de gemeenteraad van Amstelveen een nieuw parkeerbeleid vastgesteld voor de gehele gemeente. Dit beleid is per 6 maart 2021 in werking getreden. BTAZ behoort in deze nota tot zone D. In de regels van dit bestemmingsplan wordt verwezen naar de Nota Parkeernormen. Aangezien het bestemmingsplan waarschijnlijk een langere looptijd zal hebben dan de Nota Parkeernormen betreft het een dynamische verwijzing. 7.5.2 Relevantie plangebied Het Bedrijventerrein Amstelveen Zuid (BTAZ) wordt een lokaal en regionaal bedrijventerrein.
De werknemers en bezoekers van BTAZ zullen dus komen vanuit Amstelveen en heel de regio. Het is daarom belangrijk dat BTAZ multimodaal bereikbaar is en dat, conform de Mobiliteitsvisie Amstelveen, duurzame en ruimtebesparende mobiliteit voorrang krijgt en er een Mobiliteitsprogramma van Eisen opgesteld wordt als onderdeel van de totale ontwikkeling. Specifieke aandachtspunten per modaliteit Voor het openbaar vervoer ligt er een kans in het realiseren van een halte van de Amsteltram op BTAZ. Dit maakt BTAZ extra goed bereikbaar per openbaar vervoer. Daarnaast is het ook van belang om aan de randen van BTAZ (west- en oostzijde) haltes van R Net te hebben om vanuit daar het terrein op te kunnen. Meerdere bedrijven die nu op Legmeer zitten en naar BTAZ willen verhuizen hebben aangegeven dat veel werknemers met het OV komen. Het is daarom van belang om bij de start van BTAZ al (tijdelijk) openbaar vervoer beschikbaar te hebben. De (elektrische) fiets is sterk in opkomst en maakt inmiddels volledig onderdeel uit van het totale mobiliteitspakket van Amstelveen. De regionale en lokale fietsbereikbaarheid (van, naar en in BTAZ) moet goed geborgd zijn. Zo wordt er in het plan een nieuwe fietsverbinding met Uithoorn opgenomen en is het van belang om, bijvoorbeeld via
deelfietsen, een goede connectie te hebben met Busstation Zwarteweg in Aalsmeer of Busstation Uithoorn voor de oost-west OV-verbindingen. Zoals al eerder gezegd staat de autobereikbaarheid onder druk. De N201 heeft nog wel voldoende restcapaciteit, maar door alle ontwikkelingen aan de zuidkant van Amstelveen en in Aalsmeer staat de doorstroming op de Legmeerdijk (N231) en de Bovenkerkerweg / Zijdelweg (N521) steeds verder onder druk. BTAZ moet ook per (vracht)auto bereikbaar zijn. Op het vlak van verkeersveiligheid gaat het om een actieve integrale aanpak. In de planvorming al zorgen dat bewegen op BTAZ voor alle verkeersdeelnemers veilig en comfortabel is. Voor de realisatie van BTAZ is onderzoek verricht door GoudappelCoffeng in samenwerking met RoyalHaskoningDHV. Deze bevindingen zijn terug te vinden als Bijlage 4. Hieronder volgen de belangrijkste conclusies: De planvarianten zorgen voor een beperkte toename op verkeersveiligheidsrisico’s, doordat meer kruispunten ontstaan, meer verkeer en in het plangebied het fietsverkeer beperkt gescheiden is van het gemotoriseerd verkeer. De bereikbaarheid voor gemotoriseerd verkeer neemt af zonder nadere maatregelen. De toename van het verkeer zorgt voor extra druk op het omliggende wegennet en de kruispunten die het gebied ontsluiten, waarbij de Zijdelweg het meest kritisch is, zowel de (turbo)rotondes als de wegvakken zelf.
Maatregelen, dat wil zeggen infrastructurele aanpassingen, zullen onvermijdelijk zijn op de kwaliteit van de afwikkeling te waarborgen met de beoogde planvorming. Ten aanzien van de beoogde verkeersstructuur ín het plangebied worden geen knelpunten voorzien. Door de realisatie van de halte van de Uithoornlijn in het plangebied en de toevoeging van een flink P+R-terrein, krijgt de bereikbaarheid per openbaar vervoer wel een positieve impuls en dito waardering in vergelijking met de referentiesituatie. Voor langzaam verkeer (fietsers, voetgangers) treedt met de planvorming en daarbij beoogde voorzieningen een beperkte verbetering op, met name vanwege een nieuwe fietsverbinding over de Uithoornlijn heen, tussen de westzijde van het plangebied c.q. de Meerlandenweg en de oostzijde van het plangebied c.q. de Zijdelweg. Bovenstaande conclusies hebben ertoe geleid dat een deel van het bestemmingsplangebied pas kan worden gerealiseerd als uit een jaarlijkse verkeersmonitor blijkt dat de wegcapaciteit van de Zijdelweg voldoende is om de kwaliteit van de doorstroming te waarborgen. Zodra de Zijdelweg is verruimd vervalt deze voorwaarde. Hierover zullen afspraken met de provincie worden gemaakt.
Binnen de planperiode van dit bestemmingsplan (20 jaar) is het aannemelijk dat de verbreding daadwerkelijk is gerealiseerd en zodoende de ontwikkeling van dit deel van de bestemming Bedrijventerrein mogelijk is. In het exploitatieplan voor BTAZ wordt eveneens voorzien in de realisatie van deze (bovenwijkse) investering, en het proportionele deel van de verbreding van de Zijdelweg is in het exploitatieplan opgenomen. Parkeren op BTAZ Ontwikkelingen op BTAZ moeten voldoen aan de parkeernormen zoals opgenomen in de Nota Parkeernormen Amstelveen. Parkeren dient geheel op eigen terrein plaats te
vinden. In de openbare ruimte is geen parkeergelegenheid voorzien met uitzondering van het voorziene P&R terrein bij de tramhalte.
7.6 Geluid 7.6.1 Beleid en regelgeving In het algemeen maakt een bestemmingsplan de aanwezigheid van geluidproducerende bronnen, zoals industrie en wegverkeer, ruimtelijk mogelijk. Ook worden bestemmingen mogelijk gemaakt die een zekere mate van rust behoeven, zoals woningen en ziekenhuizen. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag voor spoor- en wegverkeerslawaai en gezoneerde industrieterreinen in de Wet geluidhinder en voor vliegverkeerlawaai in de Wet luchtvaart en het bijbehorende Luchthavenindelingbesluit. Daarnaast vindt de beoordeling van geluid zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening, op grond van een goed woon- en leefklimaat. In de Wet geluidhinder zijn voorkeursgrenswaarden vastgesteld. Als daar niet aan voldaan kan worden, is het in bepaalde situaties mogelijk om zogenoemde hogere waarden vast te stellen. De gemeenteraad van Amstelveen heeft de "Deelnota Hogere Waarden" vastgesteld. In deze nota is de procedure uitgewerkt om de hogere waardenprocedure te doorlopen. In het hogere waardenbeleid is een aantal aspecten opgenomen die bij de afweging van een hogere waarde een rol speelt. Deze aspecten zijn: 1. het heersende geluidsniveau; 2. het toetsingskader om af te wijken van het heersende geluidsniveau; 3. cumulatie en compensatie.
Industrielawaai BTAZ wordt een niet-geluidgezoneerd bedrijventerrein en wordt dus niet getoetst aan de Wet geluidhinder op dit onderdeel. Dat betekent dat in de gebruiksfase ieder bedrijf op zichzelf wordt getoetst aan de geluidnormen en niet alle bedrijven gecumuleerd. De verwachte geluidbelasting door het bedrijventerrein als geheel kan wel worden afgewogen in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Daarvoor gelden geen vaste geluidnormen. Op BTAZ worden bedrijven toegelaten op basis van de VNG-uitgave ‘milieuzonering nieuwe stijl’ (2019). Milieuzonering nieuwe stijl anticipeert op de integratie van milieu en ruimte in de Omgevingswet en gaat uit van de beschikbare geluidruimte voor een bedrijf. In die nieuwe systematiek gelden er concrete geluidnormen waaraan een bedrijf moet voldoen op een afstand van 30 of 50 meter van de terreingrens van het bedrijf. Daarnaast gelden bij woningen de normen op grond van het Activiteitenbesluit. Milieuzonering nieuwe stijl biedt meer bescherming tegen cumulatie dan de huidige tot nu toe veel toegepaste systematiek (VNG Bedrijven en milieuzonering uit 2009). In die huidige systematiek staan namelijk géén geluidnormen waaraan wordt getoetst. De enige normen waaraan wordt getoetst zijn die uit het Activiteitenbesluit: 50 dB(A) bij de dichtstbijzijnde woning, ongeacht de afstand, en 55 dB(A) bij een woning op een bedrijventerrein.