6. Chw bestemmingsplan Bedrijventerrein Amstelveen Zuid (BTAZ)
Tekst van het document
TOELICHTING Inhoudsopgave HOOFDSTUK 1 INLEIDING 1.1 Aanleiding en doelstelling 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Geldende bestemmingsplannen 1.4 Leeswijzer HOOFDSTUK 2 VISIE PLANGEBIED 2.1 Uitgangspunten 2.2 Functionele en ruimtelijke uitwerking HOOFDSTUK 3 PLANOPZET 3.1 Algemeen 3.2 De bestemmingen HOOFDSTUK 4 UITVOERBAARHEID 4.1 Ladder voor duurzame verstedelijking 4.2 Economische uitvoerbaarheid 4.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 4.4 Handhaving HOOFDSTUK 5 BESCHRIJVING HUIDIGE SITUATIE PLANGEBIED 5.1 Ruimtelijke karakteristiek 5.2 Functioneel gebruik HOOFDSTUK 6 BELEIDSKADER 6.1 Inleiding 6.2 Rijksbeleid 6.3 Provinciaal en regionaal beleid 6.4 Gemeentelijk beleid HOOFDSTUK 7 OMGEVINGSKWALITEIT 7.1 m.e.r - beoordeling 7.2 Bodem 7.3 Water 7.4 Archeologie 7.5 Verkeer en parkeren 7.6 Geluid 7.7 Luchtkwaliteit 7.8 Externe veiligheid 7.9 Natuur 7.10 Duurzaam bouwen en energie
2 2 2 2 3 4 4 4 7 7 11 14 14 16 16 17 19 19 22 23 23 23 25 28 31 31 31 33 37 40 43 48 49 52 57
HOOFDSTUK 1 INLEIDING 1.1 Aanleiding en doelstelling De gemeente Amstelveen wil door vaststelling van dit bestemmingsplan een bedrijventerrein van circa 60 hectare mogelijk maken dat gericht is op het vestigen van lokale en regionale bedrijven. Specifiek wordt verhuizing van enkele bedrijven gestimuleerd vanaf bedrijventerrein Legmeer. Op deze wijze kan het bedrijventerrein Legmeer transformeren naar een woon- werkmilieu waardoor een grote woningbouwopgave kan worden vervuld. In de vigerende bestemmingsplannen voor projectgebied Bedrijventerrein Amstelveen Zuid is grotendeels sprake van een agrarische bestemming.
1.2 Ligging en begrenzing plangebied
1.3 Geldende bestemmingsplannen Dit bestemmingsplan vervangt geheel of gedeeltelijk de volgende bestemmingsplannen: 1. 2. 3. 4.
Legmeerpolder Zuid (vastgesteld 12-11-2014) Zijdelweg 21-23 (vastgesteld 10-11-2011) Paraplubestemmingsplan Herziening begripsbepaling peil (vastgesteld 1-10-2014) Paraplubestemmingsplan Schipholparkeren en parkeernormen (vastgesteld 22-3-2017) 5. Paraplubestemmingsplan Archeologie en Cultuurhistorie (vastgesteld 28-3-2018) 6. Paraplubestemmingsplan wonen Daarnaast vervangt dit bestemmingsplan in ieder geval de volgende omgevingsvergunningen die in afwijking van het bestemmingsplan zijn afgegeven: - Meerlandenweg 63 (vastgesteld 10-11-2014) - Mc Donalds (vastgesteld 7-7-2015)
- Zijdelweg 5 (vastgesteld 21 -2- 2018) - Zijdelweg 19 (vastgesteld 29 - 7 - 2021) - Meerlandenweg 59 (vastgesteld 28 - 9 - 2021) Deze geldende plannen komen met het in werking treden van dit bestemmingsplan (gedeeltelijk) te vervallen.
1.4 Leeswijzer In hoofdstuk twee worden de uitgangspunten van het ruimtegebruik gegeven. Hoofdstuk drie bevat de juridische vertaling van de visie van het bestemmingsplan. In hoofdstuk vier komt de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan aan bod. Om een indruk te krijgen wat met het bestemmingsplan wordt beoogd en hoe het juridisch vertaald wordt, is het lezen van deze hoofdstukken voldoende. Hoofdstuk vijf tot en met zeven geven de achtergronden, toelichting en motivatie op de gemaakte keuzen weer die uiteindelijk hebben geleid tot de planopzet. In hoofdstuk vijf wordt een beschrijving van het plangebied gegeven. Hoofdstuk zes gaat verder in op de beleidskaders. In het laatste hoofdstuk komen de omgevingsaspecten aan bod.
HOOFDSTUK 2 VISIE PLANGEBIED 2.1 Uitgangspunten Het bestemmingsplan Chw bestemmingsplan Bedrijventerrein Amstelveen Zuid (BTAZ) past binnen de Structuurvisie 2025+/uitvoeringsparagraaf (2011) en de Structuurvisie Amstelveen Zuid (2010). In hoofdstuk zes wordt nader ingegaan op de relatie tussen het bestemmingsplan en de structuurvisies. Tevens wordt het overige relevante beleid hier behandeld.
2.2 Functionele en ruimtelijke uitwerking 2.2.1 Functies Buck Consultants International stelt in het rapport ‘Bouwsteen Strategie Werklocaties Amstelveen’ (2019): ‘Het huidige kwalitatieve aanbod van kantorenlocaties en bedrijventerreinen in Amstelveen sluit soms onvoldoende aan bij de vraag.’ Bij het bouwen van nieuwe toekomstbestendige vestigingsmilieus moet volgens de consultants worden gewerkt vanuit zes richtinggevende ontwikkelprincipes. De volgende vier principes zijn daarbij met name van toepassing op de plannen voor het BTAZ: <0000> Benut de schaarse ruimte op bedrijventerreinen niet voor grootschalige vestigers van elders (bijv. datacenters en grote logistieke centra), maar richt je op lokale bedrijven uit Amstelveen en buurgemeenten. <0000> Biedt voldoende ruimte op werklocaties voor de autonome groeikracht van de lokale ondernemers. De bedrijventerreinen moeten ruimte bieden aan bedrijven die niet ingepast kunnen worden in de woonomgeving in Amstelveen. (…) <0000> Stimuleer multifunctionaliteit. Maak zorgvuldige afwegingen op bedrijventerreinen (gevarieerde verkaveling en verschillende typen bedrijven/branches en aandacht voor beeldkwaliteit). <0000> Stimuleer initiatieven op het gebied van energiebesparing en circulaire economie.
Denk aan duurzame energieopwekking, duurzame mobiliteit, ruimtelijke kwaliteit, waterberging en (milieu)ruimte voor enkele circulaire bedrijven. Dat leidt tot nieuwe bebouwing met andere materialen en andere inrichting van gebouwen en terreinen (flexibel, meer ruimte voor opwekking, opslag en distributie van energie en materiaalstromen) en klimaatneutraal. Schuifruimte voor bedrijven uit Legmeer Voor bedrijventerrein Legmeer wordt momenteel gewerkt aan transformatie naar een woon/werk gebied. Het tekort aan bedrijventerreinen in de omgeving beperkt de mogelijkheden voor deze transformatie van Legmeer. Daarom is het scheppen van ruimte op BTAZ een noodzakelijke voorwaarde om de gewenste ontwikkeling op Legmeer op gang te brengen. Onvoldoende schuifruimte voor lokale bedrijven met uitbreidings- of verplaatsingsvraagstukken zet een rem op de gewenste economische dynamiek voor geheel Amstelveen. Verhuizing gemeentewerf-afvalbrengstation van Legmeer naar BTAZ De gemeentewerf en afvalbrengstation op bedrijventerrein Legmeer zullen moeten verhuizen naar BTAZ om plaats te maken voor de (eerdergenoemde) nieuwe ontwikkeling tot gemengde woonwijk. Weliswaar zal Legmeer ruimte blijven bieden aan bedrijvigheid, maar er is vanwege mogelijke milieu-effecten en relatief benodigd extensief ruimtebeslag geen ruimte om deze functies binnen Legmeer te behouden.
Gezien de verscheidenheid aan verkeersbewegingen en deels publieksgerichte functie die een werf en een afvalbrengstation met zich meebrengt, is de situering van de werf en het afvalbrengstation binnen BTAZ alleen mogelijk in het noordoostelijke deel van het plangebied. De ingang van het afvalbrengstation dient op BTAZ zelf gesitueerd te worden (dus niet aan de zijde van de Zijdelweg), op ruime afstand van de rotonde van
de centrale toegangsweg van BTAZ. Op die manier wordt zo veel mogelijk voorkomen dat mogelijke filevorming in piekmomenten terugslaat op de Zijdelweg, de rotonde van de aansluiting met de N201 of de rotonde van de centrale toegangsweg tot BTAZ. De noordoostelijke kavels in het noordoostelijk deel van BTAZ zijn daarmee de meest geschikte locatie binnen BTAZ voor het vestigen van een werf in combinatie met een afvalbrengstation. De aangewezen locatie voorziet in de ruimtebehoefte van circa 30.000 m2 (3,0Ha). Deze locatie zal worden doorsneden door een nieuw aan te leggen openbare weg, hetgeen geen afbreuk doet aan de inpasbaarheid van de werf en het afvalbrengstation op die locatie. De locatie sluit het dichtst aan op de bebouwde kom van Amstelveen. Daarnaast krijgt BTAZ een regionale functie BTAZ krijgt tevens een opvangfunctie voor regionale bedrijven die door de verstedelijkingsdruk (transformaties) op zoek moeten naar een nieuwe locatie en voor bedrijven die in de regio een locatie komen zoeken. Er zijn momenteel in de directe omgeving (de gemeenten in deelregio Amstelland / Meerlanden) geen andere locaties beschikbaar in het segment gemengd regionaal. BTAZ is de enige locatie die in de vraag naar gemengd regionaal kan voorzien.
2.2.2 Vorm Voor de totstandkoming van het stedenbouwkundig plan voor het bedrijventerrein BTAZ is in de eerste plaats gekeken hoe de bestaande ruimtelijke structuurdragers versterkt kunnen worden met groen en water. De primaire ruimtelijke structuurdragers zijn de Provinciale weg N201 en de nieuwe Uithoornlijn die het plan als het ware in 4 stukken verdeelt. De onderlinge samenhang van de 4 verschillende plangebieden is van belang om tot 1 identiteit te komen waarbij aandacht is besteed aan de ruimtelijke uitstraling en beeldkwaliteit. Drie van de vier deelgebieden aan de Provinciale weg zijn efficiënt ingericht met zo min mogelijke verharding. Twee deelgebieden ten zuiden van de Provinciale weg en het deelgebied ten noorden van de Provinciale weg aan de westkant van de Uithoornlijn worden ingezet voor grotere kavels die willen profiteren van een zichtlocatie richting de Provinciale weg. Van deze kavels wordt verwacht dat de bedrijven zich met de voorgevel richting de openbare weg zich oriënteren. Het vierde deelgebied dat ten noorden van de Provinciale weg ligt ten oosten van de Uithoornlijn met zijn hoofdentree aan de Zijdelweg. De Uithoornlijnhalte bevindt zich in dit deelgebied waardoor het extra aantrekkelijk is voor bedrijven die willen vestigen vanwege de bereikbaarheid van het openbaar vervoer.
Dit deelgebied is geschikt voor een mix met grote en kleine bedrijven, waarbij de grotere kavels tot 2,5 hectare geschikt zijn aan de Provinciale weg die van de zichtlocatie profiteren. De bouwpercelen zijn bepaald door de voormalige polderverkaveling waar rekening is gehouden met de bestaande watergangen en zichtlijnen vanaf de Zijdelweg naar het open landschap van Bovenkerkerpolder. De interne ontsluitingsstructuur is rationeel van opzet en wordt begeleid met aan beide kanten groene bermen met ruimte voor bomen en planten. In de verkavelingsstructuur is uitgegaan van een verkavelingsopzet met frontvormige bebouwing. Dat betekent dat een voorgevel of zijgevel naar de openbare weg gesitueerd is. In het beeldkwaliteitsplan worden aanvullende eisen gesteld aan de bebouwing en de inrichting van het terrein. Het parkeren en het laden en lossen van vrachtauto’s dient te allen tijde plaats te vinden op eigen terrein.
Hieronder een weergave van het concept stedenbouwkundig plan. Deze is ook opgenomen als Bijlage 12.
HOOFDSTUK 3 PLANOPZET 3.1 Algemeen Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. Alleen de regels en de verbeelding zijn juridisch bindend. De plantoelichting bevat de onderbouwing, achtergronden, onderzoeken en motieven van het plan. De toelichting is enerzijds voor de besluitvorming van belang, maar kan daarnaast van belang zijn bij het interpreteren van de regels of de verbeelding. Het beleid en de planuitgangspunten, zoals verwoord in de vorige hoofdstukken, hebben in de regels en op de verbeelding van dit bestemmingsplan hun juridische vertaling gekregen in de vorm van bestemmingen. De juridische planopzet en de inhoud van de toegekende bestemmingen worden in dit hoofdstuk toegelicht. Dit bestemmingsplan is opgezet conform de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Voortvloeiende uit de Wro is het plan mede gebaseerd op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Op de verbeelding zijn bestemmingen toegekend aan de diverse aanwezige functies. Bij het opstellen van de verbeelding is gebruik gemaakt van de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT).
3.1.1 Crisis en herstelwet Dit bestemmingsplan is opgesteld met gebruik van de Crisis- en herstelwet (Chw), meer specifiek met gebruik van artikel 7c Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (BuChw) dat de mogelijkheid biedt voor een zogenaamd bestemmingsplan met verbrede reikwijdte. Middels een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte kan de gemeente als experiment onder de werking van de Chw vooruitlopen en anticiperen op de komst van de Omgevingswet. In de 6e tranche van de ministeriële regeling bij het BuChw is artikel 7c van toepassing verklaard op Bedrijventerrein Amstelveen Zuid. Hierdoor kan een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte worden opgesteld. Artikel 7c BuChw biedt – kort samengevat - de volgende instrumenten: a. Een langere planperiode van maximaal twintig jaar. b. De verbreding van de reikwijdte van het plan, waarmee in het plan ook regels ten behoeve van de veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit in het plan kunnen worden opgenomen. c. Aan definitieve bestemmingen kunnen voorlopige bestemmingen met een looptijd van maximaal tien jaar vooraf gaan. d. In het bestemmingsplan kunnen bepalingen uit gemeentelijke verordeningen worden opgenomen, waarbij dan ook bepalingen kunnen worden opgenomen die afwijken van de betreffende verordening. e. In het bestemmingsplan kan voor bepaalde activiteiten een meldingsplicht worden opgenomen. f.
In het bestemmingsplan kunnen open normen worden opgenomen, waarvan de uitleg plaatsvindt aan de hand van vast te stellen beleidsregels. g. Voor de eventuele planschade geldt een voorzienbaarheidstermijn van 3 jaar. h. Bij de vormgeving van het plan mag worden afgeweken van de RO-standaarden. i. Het kostenverhaal mag worden gefaseerd, hetgeen betekent dat het exploitatieplan kan worden uitgesteld tot het moment van vergunningverlening. j. Met betrekking tot gebiedsgerichte geur- en geluidswaarden kunnen maatwerkregels worden gesteld. In dit bestemmingsplan wordt met name gebruik gemaakt van de benoemde punten onder a, b, f en j.
3.1.2 Milieuzonering nieuwe stijl Bij dit bestemmingsplan wordt gebruik gemaakt van de nieuwe wijze van milieuzonering. Hieronder volgt een uitleg van deze methodiek, komende uit de VNG-publicatie "Milieuzonering nieuwe stijl" uit 2019. VNG-publicatie Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet sprake zijn van een zorgvuldige belangenafweging. Voor een bedrijventerrein is milieuzonering hierbij één van de te beschouwen aspecten, naast aspecten als stedenbouwkundige opzet, verkeer, bodem, luchtkwaliteit, archeologie, water, bebouwingshoogte, bouwvlakken etc. Met het instrument milieuzonering wordt een ruimtelijk kader vastgelegd voor de toelating van bedrijven ten opzichte van woningen en andere gevoelige bestemmingen, met enerzijds als doel het borgen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en anderzijds het borgen van ruimte voor bedrijven om hun bedrijf uit te oefenen. Met milieuzonering nieuwe stijl wordt specifiek dit onderdeel van de goede ruimtelijke ordening anders ingevuld. In plaats van een milieuzonering aan de hand van zones met oplopende milieucategorieën en een Staat van bedrijfsactiviteiten, krijgt de milieuzonering nieuwe stijl vorm door zones die bij grotere afstand tot de woonomgeving voorzien in een oplopende gebruiksruimte voor geluid en geur per bedrijf, zonder een Staat van bedrijfsactiviteiten.
Externe veiligheid en gevaar Het aspect externe veiligheid wordt in bestemmingsplannen al gericht gereguleerd via planregels die een relatie hebben met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en met het Vuurwerkbesluit. Deze planregels gaan over de toelaatbaarheid van Bevi-inrichtingen, de toelaatbaarheid van vuurwerkbedrijven en over de toelaatbaarheid van (beperkt) kwetsbare objecten binnen/buiten veiligheidsafstanden, plaatsgebonden risicocontouren en invloedgebieden. Om deze redenen is het niet nodig het thema externe veiligheid op te nemen in milieuzonering nieuwe stijl. Er zijn wel enkele activiteiten die onder het Activiteitenbesluit vallen, waar veiligheidsafstanden van belang kunnen zijn in de ruimtelijke ordening. Het gaat om activiteiten zoals gasontvangst- en verdeelstations en elektriciteitsdistributie. Over dit specifieke veiligheidsaspect zijn in deze publicatie wél regels gesteld. Daarnaast zijn er activiteiten die potentieel gevaarlijk zijn voor hun omgeving, maar die niet onder het Bevi vallen, zoals schietbanen en kerncentrales. Deze activiteiten komen niet voor op standaard bedrijventerreinen of in gemengd gebied. Deze activiteiten worden op maat bestemd, waarbij het gevaarsaspect op maat zal worden ingepast. Hetzelfde geldt tenslotte voor windturbines, die wel op veel standaard bedrijventerreinen voorkomen.
Ook windturbines worden altijd op maat bestemd, vanwege onder mee het gevaarsaspect, maar ook vanwege geluid en slagschaduw. Stofhinder Stofhinder is een milieuthema waarvoor in de VNG-uitgave bedrijven en milieuzonering richtafstanden zijn opgenomen. Om de volgende redenen is het evenwel niet nodig het thema stofhinder op te nemen in milieuzonering nieuwe stijl. In het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling staan verschillende regels om stofhinder te voorkomen al direct buiten de inrichting, dus los van de ligging ten opzichte van de woonomgeving. Die regels hebben betrekking op zowel puntbronemissies (zoals een puinbreker) als emissies door de op- en overslag van goederen in de buitenlucht. Voor die laatste geldt bijvoorbeeld dat wordt voorkomen dat stofverspreiding optreedt die op een afstand van meer dan 2 meter van de bron met het blote oog waarneembaar is; verontreiniging van de omgeving wordt zoveel mogelijk
beperkt (artikel 3.32 lid 1 onder a Activiteitenbesluit). Daarnaast zijn andere milieuthema’s zoals geluid, geur en gevaar maatgevend voor de milieubelasting en de aan te houden afstanden tussen bedrijven en woningen. Gebruiksruimte Het reguleren van de gebruiksruimte voor geluid en geur per bedrijf staat centraal in de nieuwe systematiek voor milieuzonering. Ook in het Besluit kwaliteit leefomgeving onder de Omgevingswet is gebruiksruimte een belangrijk begrip, zie paragraaf 3.3 “Sturen op de verdeling van gebruiksruimte onder de Omgevingswet” van de Nota van Toelichting bij het Bkl. De gebruiksruimte van een bedrijf is de milieuruimte die een bedrijf op grond van het bestemmingsplan mag benutten voor het uitoefenen van zijn bedrijfsvoering. Verschillende zones met oplopende gebruiksruimte Met het oog op een goede ruimtelijke ordening/veilige en gezonde fysieke leefomgeving, is het uitgangspunt voor bedrijventerreinen: functiescheiding en het aanhouden van voldoende afstand tot gevoelige gebouwen en locaties. Hoe groter deze afstand, hoe meer gebruiksruimte de bedrijven op een bedrijventerrein krijgen in het bestemmingsplan. De nieuwe systematiek limiteert de gebruiksruimte voor geluid en geur per bedrijf. Dus ieder bedrijf krijgt zijn eigen gebruiksruimte. Hierbij is de hoeveelheid gebruiksruimte afhankelijk van de zone van het bedrijventerrein waarin het bedrijf ligt.
Per zone wordt een standaard gebruiksruimte per bedrijf toegekend. Geluid De systematiek zoals genoemd in de nieuwe VNG-handreiking voor Milieuzonering onderscheidt voor geluid een viertal zones met oplopende geluidruimte. De daarbij gehanteerde afstanden tot een rustige woonwijk en gemengd gebied sluiten aan bij de nu nog veel gebruikte systematiek uit de VNG-publicatie bedrijven en milieuzonering, voor respectievelijk de milieucategorieën 2, 3.1, 3.2 en 4.1. Door deze aansluiting is het relatief eenvoudig om de bestaande systematiek met oplopende maximale milieucategorieën te vervangen door de nieuwe systematiek met zones met oplopende geluidruimte. Bedrijventerreinen waar ook milieucategorie 4.2 en hoger zijn toegelaten zijn in de meeste gevallen geluid gezoneerde industrieterreinen met een eigen (wettelijke) geluidregeling die maatgevend is. Om die reden is niet voorzien in specifieke geluidruimte die correspondeert met milieucategorie 4.2 en hoger uit de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering. De normen zijn afgeleid van de gebiedsgerichte normen uit de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening en bijlage 5 van de VNG-publicatie bedrijven en milieuzonering: • 45 dB(A) etmaalwaarde voor een rustige woonwijk • 50 dB(A) etmaalwaarde voor een woonwijk in de stad/gemengd gebied.
Deze normen zijn op de in onderstaande tabel aangeven wijze omgezet naar de normen per zone op een vaste afstand van 30 of 50 meter vanaf de terreingrens. In de tabel is ook aangegeven op welke afstand deze zones van het bedrijventerrein zich minimaal bevinden ten opzichte van de rustige woonwijk en het gemengd gebied in de omgeving van het bedrijventerrein.
In zone 1 geldt een norm van 45 dB(A) op een afstand van 30 meter van de terreingrens. Zone 1 ligt op tenminste 10 meter afstand van gemengd gebied. Tussen die 10 meter en 30 meter kunnen woningen in gemengd woongebied zijn gelegen. Voor die woningen geldt op grond van het Activiteitenbesluit een geluidnorm van 50 dB(A). Het bedrijf moet aan beide normen voldoen. Voor zone 2 geldt een vergelijkbare situatie. Het werken met een vaste afstand van 50 meter vanaf de terreingrens is al bekend in het milieuspoor, zie artikel 2.17 lid 2 Activiteitenbesluit: “Indien de inrichting is gelegen op een gezoneerd industrieterrein gelden de waarden van het lang-tijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) uit tabel 2.17a ook op een afstand van 50 meter vanaf de grens van de inrichting.” De normen gelden voor de zogenaamde representatieve bedrijfssituatie (RBS), inclusief regelmatige afwijkingen daarvan (ABS), als bedoeld in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening. De normen gelden niet voor incidentele bedrijfssituaties (IBS) als bedoeld in de genoemde handreiking.
Uitgangspunt voor de toetsing van de geluidruimte in de zones is een situatie waarin geen bebouwing aanwezig is in het gebied tussen de terreingrens van het bedrijf en de afstand van 30 of 50 meter vanaf die grens. Er wordt dus gerekend in een zogenaamde ‘polder’situatie. Geur De normen voor geur zijn gebaseerd op wat volgens veel in Nederland gehanteerd geurbeleid aanvaardbaar is. Bijvoorbeeld het beleid van de provincies Noord- en Zuid-Holland. De strengste waarden van 0,5 ouE/m3 of H=-0,5 gelden veelal als streefof ambitiewaarde voor nieuwe situaties. De waarden gelden op een afstand van 30 meter van de terreingrens van het bedrijf. Het is, zeker in gemengd gebied, niet uitgesloten dat binnen die afstand al gevoelige objecten zijn gelegen. In dat geval geldt op grond van het milieuspoor de bepaling uit artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit dat geurhinder in beginsel moet worden voorkomen. Op een afstand van 50 meter van woongebieden (zowel rustig als gemengd) kan standaard van een beperkt grotere afstand vanaf de terreingrens worden uitgegaan. Ook voor deze zone 2 is uitgegaan van de waarden die in veel gevallen als streef- of ambitiewaarde worden aangehouden. Pas in zone 3 op een afstand vanaf 100 meter van woongebieden (zowel rustig als gemengd) kan standaard uitgegaan worden van een ruimere normstelling, die geldt op een afstand van 50 meter van de terreingrens.
Een geurbelasting van H=-1 als 98 percentiel geldt in veel gevallen als maximale waarde voor nieuwe situaties. Deze geurbelasting is echter pas toegestaan ruim buiten de woonomgeving (immers op 50 meter van de terreingrens in zones die zijn gelegen op tenminste 100 meter van de woonomgeving). Standaard geurruimte versus specifieke geurruimte Bij de meeste bedrijven is geluid het maatgevende thema, slechts een enkel bedrijf is geurrelevant. Het gros van de bedrijven zal ruimschoots voldoende hebben aan bovenstaande standaard gebruiksruimten. Voor het enkele bedrijf dat daaraan niet voldoende heeft zal een omgevingsvergunning voor een bestemmingsplanactiviteit nodig zijn. Hierbij kan op maat worden afgewogen welke geurruimte kan worden toe gekend, al dan niet onder toepassing van gemeentelijk geurbeleid.
3.2 De bestemmingen Hoofdstuk 1 Inleidende regels Begrippen (artikel 1) Hierin worden de begrippen gedefinieerd die in de planregels worden gebruikt. Wijze van meten (artikel 2) Hierin wordt aangegeven hoe de diverse maten worden gemeten en de inhoud en oppervlakte van bouwwerken worden berekend om zo een eenduidige toepassing van de bebouwingregeling te bewerkstelligen. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Agrarisch - Agrarisch Bedrijf (artikel 3) Binnen de bestemming Agrarisch - Agrarisch bedrijf wordt de bestemmingvoor het bestaande argrarische bedrijf in stand gehouden met bijbehorende agrarische
bedrijfswoning. Het agrarische bedrijf ter plaatse heeft nog agrarische percelen aan de overzijde van de Zijdelweg. Binnen de bestemming wordt gebruik gemaakt van de nieuwe zoneringswijze voor geur en geluid. Als het bedrijf overgaat tot beeindiging is onder voorwaarden een mogelijkheid geboden om met een wijzigingsbevoegdheid de agrarische bedrijfswoning om te zetten naar 'plattelandswoning'. Bedrijf (artikel 4) In de bestemming Bedrijf worden de bedrijven bestemd die niet tot de ontwikkeling van BTAZ behoren, maar via zelfstandige procedures of via conserverende bestemming al in het plangebied aanwezig zijn. Daar waar aangeduid is binnen deze bestemming ook een bedrijfswoning toegestaan. Binnen deze bestemming wordt gebruik gemaakt van de nieuwe zoneringswijze voor geur en geluid. Bedrijventerrein (artikel 5) Vanuit bedrijventerrein Legmeer is het noodzakelijk om de gemeentewerf en afvalbrengstation te verhuizen om aldaar woningbouw mogelijk te maken. Ter plaatse van de aanduiding 'gemeentewerf-afvalbrengstation' binnen deze bestemming is een locatie gevonden voor de nieuwe vestiging hiervan. Binnen de aanduiding 'specifieke vorm van Bedrijventerrein - 1 mogen omgevingsvergunningen alleen worden afgegeven als wordt aangetoond dat de Zijdelweg dit verkeer aankan. Hiervoor is een monitoringssysteem opgezet waaruit jaarlijks verslag wordt gedaan van de wegcapaciteit.
De bestemming Bedrijventerrein bevat verder 3 andere 'specifieke vormen van bedrijventerrein'. Dit onderscheid heeft te maken met de gewenste ruimtelijke structuur zoals ook nader verklaard in het beeldkwaliteitsplan bij die 'zones'. Bij de zuidelijke deelgebieden onder de N201 is bovendien aangegeven dat een vergunning pas mag worden verleend als de bestemming Groen ten zuiden van deze bestemming is gerealiseerd. Binnen de bestemming Bedrijventerrein zijn uitsluitend emissieloze bedrijven toegestaan, met uitzondering van het gebied met de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein - emissie toegestaan'. Binnen de bestemming zijn bedrijfswoningen niet toegestaan en wordt gebruik gemaakt van de nieuwe zoneringswijze voor geur en geluid. De bestemming is ruimer in opzet dan de bestemming Bedrijf, omdat de interne verkaveling met ontsluitingen nog nader geregeld kan worden. Er is eveneens een aantal ondersteunende functies toegestaan binnen de bestemming. In de regels zijn verder verwijzingen opgenomen naar beleidsregels. Toetsing aan de beleidsregels is noodzakelijk om mee te kunnen werken aan de omgevingsvergunning. Groen (artikel 6) Binnen de bestemming Groen wordt groen mogelijk gemaakt. Ter plaatse van de aanduiding 'geluidwal' dient de bestaande geluidwal in stand te worden gehouden.
Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van Groen' (bij de grens met Uithoorn) mogen geen parkeerplaatsen of in- en uitritten worden gerealiseerd. Horeca (artikel 7) Binnen de bestemming Horeca is de vestiging van McDonalds opgenomen die in het verleden is gerealiseerd in afwijking van het voorheen geldende bestemmingsplan. Het gaat om horeca in categorie 2 (oa. fastfoodrestaurants, snackbars, cafetaria, shoarmazaken). Verkeer (artikel 8) Binnen de bestemming Verkeer wordt de ontsluiting van BTAZ geregeld. Naast verkeerfuncties zijn ook 'water' en 'groen' toegestaan en is er ter plaatse van de aanduiding 'P&R' ruimte voor een park and ride ten behoeve van de voorziene halte van de Uithoornlijn.
Water (artikel 9) Binnen de bestemming Water is water mogelijk met bijbehorende bruggen. Langs de Uithoornlijn wordt extra water gerealiseerd in aansluiting op het geplande water van het bestemmingsplan Uithoornlijn. Leiding-Gas, Waarde-Archeologie (artikel 10, 11 en 12) Als dubbelbestemming zijn opgenomen Leiding- gas, Waarde archeologie- 4 en Waarde archeologie-5. De primaire bestemming mag de belangen welke worden behartigd binnen de dubbelbestemming niet onevenredig schaden. Hiervoor is in de planregels een regeling opgenomen. Hoofdstuk 3 Algemene regels Anti-dubbeltelregel (artikel 13) Deze bepaling dient om te voorkomen dat bijvoorbeeld een grondoppervlak dat in een bepaald geval al eens als berekeningsgrondslag voor de toelaatbare oppervlakte aan bebouwing heeft gediend, later nog eens als berekeningsgrondslag voor een ander bouwwerk wordt gebruikt, maar dat dan tot gevolg heeft dat in het eerste geval een situatie ontstaat die afwijkt van het plan. Algemene bouwregels (artikel 14) In dit artikel (toegelaten overschrijdingen) wordt aangegeven in welke gevallen de in dit plan aangegeven bestemmingsgrenzen, bouwgrenzen en/of hoogtematen overschreden mogen worden. Dit betreffen bijvoorbeeld liftkokers, schoorstenen en balkons.
Algemene afwijkingsregels (artikel 15) In dit artikel wordt bepaald in het kader van welke algemene afwijkingen in het plangebied gebruik gemaakt kan worden. Luchtvaartverkeerszone-LIB (artikel 16 tm 19) Hier wordt aangegeven waar de gronden binnen de gebiedsaanduidingen en vrijwaringszones (Luchtvaartverkeerzones LIB) voor bedoeld zijn. Veiligheidszone LPG (artikel 20) Bij het pompstation aan de N201 is ook een LPG installatie opgenomen. Hiervoor dient een veiligheidszone in acht te worden genomen. Bovenop alle andere regelingen en bestemmingen betekent dit dat er geen kwetsbare objecten mogen worden geplaatst of gebruikt. Overige regels (artikel 21) Een bepaling waarin wordt aangegeven dat de wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen gelden zoals deze op het moment van vaststelling van het plan luiden. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Overgangsrecht (artikel 22) Samengevat wordt hierin gewaarborgd dat bouwwerken en gebruiksvormen die bij de totstandkoming van het plan reeds bestaan, maar nu in strijd raken met het plan, mogen blijven bestaan. Daarbij wordt het hierin mogelijk gemaakt om op te treden tegen eerder ontstaan illegaal gebruik. Slotregel (artikel 23) Voor de duidelijkheid, o.a. bij benoeming en verwijzing, is hierin een eenduidige naam voor het gehele plan inclusief de toelichting aangegeven.
HOOFDSTUK 4 UITVOERBAARHEID 4.1 Ladder voor duurzame verstedelijking In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van de behoefte aan die ontwikkeling en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien (dit noemt men de 'ladder voor duurzame verstedelijking'). Bureau Stedelijke Planning heeft in september 2019 in opdracht van de gemeente Amstelveen onderzoek gedaan naar de vraag naar bedrijventerrein ten behoeve van de ladder naar duurzame verstedelijking (Bijlage 1). Plangebied Bedrijventerrein Amstelveen-Zuid (BTAZ) is gelegen aan de zuidkant van de gemeente Amstelveen. Het plangebied ligt tegen de gemeentegrens aan van Uithoorn en wordt doorkruist door de provinciale weg N201. De westkant van het gebied grenst aan het bijna uitgegeven bedrijventerrein De Loeten. De locatie is in het vigerende bestemmingsplan opgenomen als agrarisch. Het plangebied heeft een bruto omvang van 60 hectare. Hiervan is maximaal 45 hectare netto uitgeefbaar. De ontwikkeling van het bedrijventerrein zal gefaseerd plaatsvinden. BTAZ richt zich met name op lokale en regionale gemengde bedrijvigheid.
Datacenters en grootschalige logistiek zijn niet gewenst en daarom niet toegestaan. Andere terreinen in omliggende gemeenten hebben nog geschikt aanbod voor deze segmenten. Het merendeel van de bedrijven in Amstelveen verhuist binnen de eigen gemeente of naar buurgemeenten. Daarnaast richt BTAZ zich op lokale en regionale bedrijven. Als primair onderzoeksgebied voor de behoefteraming is daarom de regio Amstelland-Meerlanden gehanteerd. Omdat met name de laatste jaren sprake is van een overloop van bedrijven uit Amsterdam naar omliggende gemeenten, waaronder Amstelveen, hanteren wij Amsterdam als secundair onderzoeksgebied. Kwantitatieve behoefte De kwantitatieve behoefte aan bedrijventerreinen in de AM regio is in beeld gebracht voor de bestemmingsplanperiode van 10 jaar: <0000> Op basis van een prognose van de werkgelegenheid en de vervangingsvraag bedraagt de vraag naar additionele bedrijventerreinen ca. 125 ha. <0000> Indien we de historische uitgifte projecteren naar de toekomst resulteert dit in een vraag naar bedrijventerreinen van ca. 90 ha. <0000> Vanuit Amsterdam wordt een additionele overloop vraag naar de AM regio geraamd van ca. 22 tot 36 ha. <0000> De totale vraag in de AM regio bedraagt hiermee ca. 110 tot 160 ha. <0000> De plancapaciteit aan bedrijventerreinen bedraagt circa 185 ha.
In de periode tot 2029 is daarmee sprake van een overschot van ca. 25 tot 75 ha. Dit is echter exclusief de ruimtebehoefte van datacenters waarmee er naar verwachting
nauwelijks sprake zal zijn van een overschot. De vervangingsvraag is daarnaast een minimale raming. Bovendien is het merendeel van het aanbod gesitueerd in Haarlemmermeer, namelijk meer dan 80%. Dit betreft met name aanbod in een ander segment (luchthaven gebonden, grootschalige logistiek, (inter)nationaal georiënteerde bedrijvigheid). Op lokale schaal zijn er tekorten in de regio. Dit wordt onderschreven met een marktconsultatie in de AM-regio (Bureau Buiten, 2018). Kwalitatieve behoefte Circa 35% van de vraag naar bedrijventerreinen richt zich op gemengde bedrijventerreinen. Ze zijn bestemd voor reguliere bedrijvigheid in milieuhindercategorie 1, 2, 3 en eventueel 4. <0000> Met een uitbreidingsvraag van ca. 110 tot 135 ha bedraagt de vraag naar gemengde terreinen daarmee 40 tot 45 ha. <0000> Door transformatie van bestaande gemengde bedrijventerreinen is sprake van een additionele vervangingsvraag van minimaal ca. 25 ha. <0000> De totale vraag naar gemengde terreinen bedraagt hiermee 40 tot 70 ha. <0000> De harde plancapaciteit aan gemengde bedrijventerreinen is ca. 7 ha.
Dit betekent dat er tot 2029 in de AM regio sprake is van een tekort aan bedrijventerreinen in het gemengde segment van ca. 33 tot 63 ha. Hierbij is het hoge scenario aannemelijk aangezien de uitgifte in de afgelopen vijf jaar fors hoger lag dan de raming aan de onderkant van de bandbreedte. De voorliggende ontwikkeling van BTAZ voorziet in de realisatie van ca. 45 ha uitgeefbaar areaal aan bedrijventerrein binnen het gemengde segment. Dit past binnen het geconstateerde tekort aan gemengde bedrijventerreinen. In de regio is bovendien het aanbod voornamelijk gericht op lokaal gemengd. Hiermee voorziet BTAZ in de behoefte aan gemengd regionale bedrijventerreinen waarvan, behalve op de Loeten, geen aanbod meer beschikbaar is. BTAZ voorziet in de benodigde schuifruimte voor de transformatie van Legmeer tot een woonwerkgebied. Het enige alternatief binnen de gemeentegrenzen van Amstelveen voor deze bedrijven is BTAZ. De locatie van BTAZ sluit bovendien goed aan op de vestigingscriteria van bedrijven door de centrale ligging in stedelijk gebied en de goede ontsluiting. Ook sluit de ontwikkeling aan op het Provinciaal, regionaal en lokaal beleid. Binnen Plabeka is de ontwikkeling van BTAZ opgenomen als plan en is de zacht-hard procedure doorlopen.
Het plan is door Metropool Regio Amsterdam eind 2018 aangemerkt als 'hard plan' voor de ontwikkeling van 60 hectare bruto bedrijventerrein. De ontwikkeling van BTAZ zal niet tot nauwelijks effect hebben op het functioneren van de bestaande bedrijventerreinen en is daarmee planologisch acceptabel. Inpassing in bestaand stedelijk gebied Binnen het onderzoeksgebied zijn geen grootschalige braakliggende kavels of leegstaande panden waar de behoefte aan bedrijventerreinen kan worden ingepast. Er zijn twee verouderde glastuinbouwgebieden in Rijsenhout en Uithoorn die worden herontwikkeld naar een gemengd bedrijventerrein. In principe kan ca. 4 ha van de behoefte aan gemengde terreinen worden ingepast in het bestaand stedelijk gebied in Uithoorn. Dit is onvoldoende om in de behoefte aan gemengde bedrijventerreinen van ca. 33 tot 66 ha te voorzien. Bovendien zijn er geen
mogelijkheden in Amstelveen om te voorzien in de lokale behoefte. Door de beoogde transitie van Legmeer van bedrijventerrein naar gemengd woon-werkgebied, ontstaat bovendien een extra stimulans en noodzaak om Amstelveense bedrijven te kunnen opvangen op een nieuwe nabijgelegen locatie. Het huidige aanbod aan bedrijventerrein kan niet voorzien in de additionele behoefte aan bedrijventerreinen. Uit bovenstaande analyse blijkt dat ca. 30 tot 60 ha niet ingepast kan worden in bestaand stedelijk gebied. Dit betekent dat de ontwikkeling van BTAZ past binnen de richtlijnen van de Ladder.
4.2 Economische uitvoerbaarheid 4.2.1 Financieel-economische haalbaarheid Onderzoek is ingesteld naar de uitvoerbaarheid van het voorliggende bestemmingsplan. De gemeentelijke grondexploitatie BTAZ, welke de financieel-economische uitvoerbaarheid van het voorliggende bestemmingsplan onderbouwt en aantoont, zal separaat door de gemeenteraad worden vastgesteld. De gemeentelijke grondexploitatie heeft een minimaal sluitend resultaat van kosten en opbrengsten behorend bij de realisatie van het bestemmingsplan en de voorziene rol van de gemeente Amstelveen in deze realisatie. 4.2.2 Verhaal van kosten Om gemaakte kosten te verhalen dient de gemeenteraad ingevolge artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan vast te stellen voor de gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. (zie artikel 6.2.1. Bro) Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van een nieuw bedrijventerrein onder andere op huidig particulier grondeigendom en betreft derhalve een ontwikkeling waarvoor in principe een exploitatieplan dient te worden opgesteld.
In afwijking hiervan behoeft de gemeenteraad bij een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, geen exploitatieplan vast te stellen, indien: - het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd is; -het bepalen van een tijdvak of fasering niet noodzakelijk is, en het stellen van eisen, regels, of een uitwerking niet noodzakelijk is. De gemeente stelt ten behoeve van voorliggende bestemmingsplan een exploitatieplan op waarin onder andere de wijze van toerekening van de te verhalen kosten aan de door particulieren en gemeente uit te geven gronden is opgenomen. Het exploitatieplan is parallel aan het voorliggende bestemmingsplan in procedure gebracht en vastgesteld. In het vastgestelde exploitatieplan zijn de voorziene opbrengsten hoger dan de voorziene kosten, waardoor geen zogenoemde macro-aftopping (zie artikel 6.16 Wro) wordt voorzien.
4.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 4.3.1 Inspraak Doordat in eerder instantie een Startnotitie in procedure is geweest voor BTAZ en hierover inspraak is verricht, is inspraak bij het voorontwerp bestemmingsplan niet noodzakelijk. Daarnaast is ook de Notitie Reikwijdte en Detailniveau ten behoeve van een planm.e.r.-procedure in inspraak gebracht. Deze planm.e.r. procedure is vervolgens ingetrokken. De opmerkingen die hierop zijn binnengekomen zijn meegenomen in de uiteindelijke m.e.r.-beoordeling.
4.3.2 Bro-partners In het kader van het wettelijk vooroverleg op grond van het Besluit op de ruimtelijke ordening is het voorontwerp toegezonden aan de provinciale en rijksdiensten en andere instanties op 9 april 2021. De toezending is gedaan met het verzoek om binnen 2 weken te reageren (met de meeste partijen was al eerder afgestemd of hiermee in het kader van de planning rekening kon worden gehouden). De volgende partijen hebben hierop gereageerd: <0000> Provincie Noord-Holland <0000> Gemeente Uithoorn <0000> Waternet/Waterschap Amstel Gooi en Vechtstreek <0000> Rijkswaterstaat <0000> Liander <0000> Stedin <0000> Gasunie <0000> PWN <0000> Brandweer Amsterdam-Amstelland In Bijlage 11 volgt een samenvatting van de reacties en het commentaar daarop namens het college van burgemeester en wethouders. De opmerkingen hebben geleid tot een aanpassing aan de plantoelichting met betrekking tot de waterparagraaf. 4.3.3 Zienswijzen Het ontwerp bestemmingsplan is op 18 juni 2021 voor 6 weken ter visie gelegd. Binnen de termijn zijn 10 ontvankelijke zienswijzen binnengekomen. De zienswijzen hebben deels geleid tot wijzigingen in het voorliggende bestemmingsplan. In een Nota van beantwoording van de zienswijzen is aangegeven óf en zo ja hoe de opmerking heeft geleid tot wijzigingen. Deze is bijgevoegd als Bijlage 13.
Daarnaast is een Nota van wijzigingen bijgevoegd waarin is aangegeven welke wijzigingen als gevolg van zienswijzen zijn aangebracht en welke ambtshalve zijn aangebracht.
4.4 Handhaving Handhaving op het gebied van ruimtelijke ordening spitst zich toe op het gebruik van de gronden en opstallen, de maatvoering van bouwwerken en het uitvoeren van werken en werkzaamheden waarvoor een omgevingsvergunning nodig is. Handhaving kan kortweg worden omschreven als: elke handeling die er op is gericht de naleving van rechtsregels te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Handhaving is geen doel op zich maar draagt bij aan de realisatie van de ruimtelijke doelstellingen die met het bestemmingsplan worden beoogd en de bescherming van de verschillende belangen die worden gewaarborgd. Het niet naleven van een bestemmingsplan komt neer op het ondergraven van één van de meest waardevolle en invloedrijkste instrumenten van de gemeentelijke overheid. Daarnaast is het een inbreuk op en aantasting van de belangrijkste waarborgen die de burger en bedrijven op gemeentelijk niveau hebben. De maatschappij mag immers verwachten en eisen van de gemeentelijke overheid dat zij de regelgeving die zij in het bestemmingsplan heeft opgenomen ook zal handhaven. Het niet naleven en handhaven van het bestemmingsplan tast de geloofwaardigheid van de gemeente in het algemeen aan. Om deze redenen is het noodzakelijk bestemmingsplannen te handhaven en te blijven handhaven.
De gemeente is verplicht om uitvoerings- (vergunningverlening) en handhavingsbeleid vast te stellen in een of meer documenten, waarin gemotiveerd wordt aangegeven welke doelen wij onszelf stellen bij de uitvoering en handhaving en welke activiteiten we daarvoor zullen uitvoeren. Deze verplichting is nu al opgenomen in het Besluit omgevingsrecht en komt ook in de Omgevingswet terug. De gemeente heeft aan deze verplichting invulling gegeven in het actuele VTH beleidsplan, waarin zowel het uitvoerings- als het handhavingsbeleid is opgenomen. Deze nota beschrijft de visie, doelstellingen, prioriteiten, uitgangspunten en strategieën op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving. Het is gebaseerd op een analyse van de problemen die zich kunnen voordoen met betrekking tot de naleving van de geldende wetgeving, waaronder dit bestemmingsplan. Een andere belangrijk uitgangspunt zijn de toepasselijke algemeen verbindende voorschriften, de beleidskaders en een analyse van inzichten, technieken en werkwijzen die gebruikt kunnen worden voor de uitvoering. Het gehele uitvoerings- en handhavingsbeleid geeft ten minste inzicht in: <0000> De prioriteiten bij de uitvoering van voorgenomen activiteiten. <0000> De methodiek die de gemeente gebruikt om te bepalen of gestelde doelen worden bereikt.
<0000> De objectieve criteria voor het beoordelen van aanvragen voor en beslissingen over een omgevingsvergunning en het afhandelen van meldingen. <0000> De werkwijze bij vergunningverlening en het afhandelen van meldingen. <0000> De afspraken die door de gemeente met de Omgevingsdienst en met de organen die belast zijn met de strafrechtelijke handhaving zijn gemaakt. <0000> De wijze waarop het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de betrokken wetten bepaalde wordt uitgeoefend om de gestelde doelen te bereiken. <0000> De wijze waarop bestuurlijke sancties en de termijnen die bij het geven en uitvoeren daarvan worden gehanteerd en de strafrechtelijke handhaving onderling worden afgestemd, waarbij tevens aandacht wordt besteed aan de aard van de geconstateerde overtredingen. <0000> De wijze waarop de gemeente handelt na overtredingen die zijn begaan door of in naam van de eigen gemeente of van andere organen behorende tot de overheid. In de jaarlijkse uitvoeringsprogramma’s worden deze prioriteiten vertaald in daadwerkelijke activiteiten. Jaarlijks evalueren we de uitgevoerde inspanningen en toetsen we de bijdrage aan de beleidsdoelstellingen.
Doen we nog de juiste dingen op de juiste wijze of signaleren we ontwikkelingen die een aanpassing van het (ruimtelijke) beleid vragen? Het uitvoeringsprogramma, jaarverslag en de evaluatie worden toegestuurd aan de gemeenteraad.
HOOFDSTUK 5 BESCHRIJVING HUIDIGE SITUATIE PLANGEBIED Dit is een beschrijving van de huidige situatie van het plangebied. Alle ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt met dit bestemmingsplan zijn al behandeld in hoofdstuk 2
5.1 Ruimtelijke karakteristiek 5.1.1 Het plangebied in groter verband Het toekomstige bedrijventerrein BTAZ kan bogen op een centrale ligging en dankzij de N201 ook op een zeer goede bereikbaarheid: midden in de Noorderlegmeerpolder, aan de rand van de Bovenkerkerpolder en toch dichtbij Amsterdam, Utrecht, Haarlem. Luchthaven Schiphol ligt op iets minder dan 20 minuten. Ideaal voor bedrijven met een internationaal karakter en geschikt voor zowel grote als kleine bedrijven. De entree via de N201 is het visitekaartje voor Amstelveen, en bedrijven kunnen zich hier profileren op zichtlocaties.
5.1.2 Beschrijving plangebied Het plangebied Bedrijventerrein Amstelveen-Zuid ligt in de Noorderlegmeerpolder. De westzijde van het gebied, ter hoogte van bedrijventerrein de Loeten wordt voornamelijk gekenmerkt door agrarische bedrijven en karakteristieke lintbebouwing langs de dijken. Het plangebied reikt tot aan de Zijdelweg, die uitkijkt richting Bovenkerkerpolder, een gebied met een open polderkarakter. Ten zuiden van het plangebied ligt het dorp Uithoorn, met aangrenzend een gronddepot en de woonwijk Legmeer.
Het plangebied wordt daarnaast nog eens in vieren gedeeld door verkeersinfrastructuur. De Provinciale weg N201 buigt zich door het plangebied in de oost-west richting en in de noord-zuid richting wordt de Uithoornlijn dwars door het plangebied over de N201 aangelegd.
5.1.3 Cultuurhistorie/archeologie
In de Middeleeuwen bestond de Legmeerpolder uit een moerasgebied. Het veenmoeras was in de voorgaande eeuwen ontstaan als gevolg van een daling van de toenmalige zeespiegel. Rond de dertiende eeuw nam de bevolking in Holland toe, mede door verbeterde landbouwtechnieken. Er ontstond een grotere vraag naar landbouwgrond. Door het omdijken van veengebieden kon de waterstand worden beheerst, kwam de veengroei tot stilstand en kon veeteelt worden bedreven. De Bovenkerkerpolder is hiervan een voorbeeld. De groei van steden deed ook de behoefte aan brandstof toenemen. Door de ontgraving van de veenmoerassen kon in die behoefte worden voorzien. Het veen werd met behulp van boten gebaggerd tot aan de onderliggende kleibodem en op legakkers (smalle percelen) te drogen gelegd. Door het baggeren ontstond een steeds groter aaneengesloten plassengebied. De toenmalige situatie is o.a. vergelijkbaar met de zuidwest zijde van de Poel. Vanaf de 17e eeuw zijn droogmakerijen aangelegd; met molens drooggemalen meren en plassen. Aanleiding was de behoefte aan landbouwgrond en de toegenomen
bedreiging door overstromingen. De droogmakerijen liggen gemiddeld dieper dan de oude veenpolders, omdat in de oude polders het veen niet is ontgraven. Bij Koninklijk Besluit van 21 april 1873 verkreeg ir J.M.W. Wiegel concessie tot indijking en droogmaking van het noordelijke deel van de Legmeerplassen. Als eerste werd het in 1836 verspoelde pad tussen de Kwakel en Kudelstaart hersteld, waarmee de Legmeerplassen in een noordelijk en een zuidelijk deel werden gesplitst. Dit pad was in 1866 doorgebroken en daarna zover weggeslagen dat het nog slechts aan kleine eilandjes te herkennen was. Bij de droogmaking werd het weer hersteld om dienst te doen als zuidelijke waterkering van deze droogmakerij. Later werd het verbreed en op het eind van de 19de eeuw door de genie overgenomen. Hoewel door deze dam in twee gedeelten gescheiden, vormden de Legmeerplassen met de Buitendijkse Buitenveldertse-, de Thamerbuiten-, de Uithoornse- en de Kalslagerpolders oorspronkelijk één waterschap. De Zuider Legmeerpolder ligt geheel in Aalsmeer en Uithoorn. In 1876 werd het stoomgemaal bij de Roode Paal (aan de Amstel) gesticht, waarmee de Noorder Legmeerplas tussen 1876 en 1879 is drooggemaakt.
Hiervoor is voornamelijk gebruik gemaakt van bestaande dijken en taluds, die deels zijn versterkt: de Legmeerdijk, de Noorddammerweg, de ringdijk van de Thamerbinnenpolder en de Vuurlinie (beide laatstgenoemde liggen in de gemeente Uithoorn). Na de drooglegging werd het land voor gebruik geschikt gemaakt. Hiervoor werd een landbouwkundige en dus logische, rationele verkaveling ontworpen. Het slotenpatroon is gebaseerd op de efficiënte afvoer van het water. De polder (feitelijk de droogmakerij) werd voorzien van een centrale wegenas. Een ander verschil met de oude polders betreft het bodemgebruik. Doordat de bodem van de droogmakerijen uit klei bestaat was de bodem geschikt voor akkerbouw. Hiervoor werd de grondwaterstand extra verlaagd. De Legmeerpolder kent dan ook vrijwel geen veeteelt. In de eerste helft van de vorige eeuw is de bodem vervolgens geschikt gemaakt voor tuinbouw. In de Legmeerpolder is vanaf 1960 een aantal grote ruimtelijke ingrepen gedaan, zoals de aanleg van bedrijventerreinen en later de woonwijk Westwijk. De karakteristiek van deze polder is aangetast door het verdwijnen van een groot aantal poldersloten. Hierdoor is een beeld ontstaan met percelen van wisselende breedte, maar met een overhand van brede percelen. Hierdoor is het historisch landschap aangetast. De oprukkende bebouwing van Amstelveen Westwijk en de kassen verstikken het ruimtelijk karakter.
Waar de kassen nog in de percelen liggen, trekt de nieuwbouw zich mondjesmaat nauwelijks wat aan van het polderlandschap. Het karakter van het vroegere akkerbouwgebied in de Noorder Legmeerpolder is in de laatste tientallen jaren ook sterk gewijzigd doordat de kassencomplexen een meer industriële uitstraling hebben gekregen. Alleen het gedeelte van de Noorder Legmeerpolder ten oosten van de voormalige spoorbaan is een akkerbouwgebied met een open karakter gebleven. De nog zichtbare tegenstelling tussen enerzijds het open karakter van het gebied ten oosten van de spoorbaan Uithoorn-Amstelveen en anderzijds het gesloten karakter van het kassengebied is in belangrijke mate te danken aan het werk van de zogenaamde Kassencommissie. In de jaren vijftig dreigde in en rond Aalsmeer een ongecoördineerde ontwikkeling van kassencomplexen met alle gevolgen van dien voor het landschap. In mei 1959 werd het Structuurplan Tuinbouwgebied uitgebracht. Hierin werden gebieden aangewezen waar onbeperkt kassenbouw mogelijk was en gebieden waar kassenbouw zou moeten worden geweerd in verband met toekomstige woningbouw, of wegenaanleg of uit zuiver landschappelijke overwegingen. Het karakter van het landelijke gebied van de Noorder Legmeerpolder wordt ook bedreigd door een groot aantal kleinschalige bedrijfjes langs de Bovenkerkerweg en Zijdelweg.
Veel van de historisch waardevolle elementen zijn hier verdwenen of
aangetast. Een belangrijk nog aanwezig element is de spoorlijn, die voor de ontwikkeling van het achterland een belangrijke betekenis heeft gehad. Archeologische vindplaatsen- en verwachtingenkaart gemeente Amstelveen Archeologische vondsten zijn te verwachten in de niet-uitgeveende gedeelten van de gemeente (Bovenlanden), de historische dijklinten, de gebieden langs de Amstel en in de Bovenkerkerpolder. Dat wil niet zeggen, dat in het plangebied van de Legmeerpolder geen enkele archeologische vondst zal worden gedaan. Dat is echter in het plangebied minder waarschijnlijk.
5.2 Functioneel gebruik Het plangebied heeft nu voor het grootste deel een agrarische bestemming. Grotendeels betreft dat akkerbouw en langs de Meerlandenweg een deel glastuinbouw dat deels nog wordt gebruikt voor bloemenkweek. Op meerdere locaties in het plangebied zijn agrarische bedrijfswoningen aanwezig. Waar de Zijdelweg aansluit op de N201 is reeds een aantal bedrijven gevestigd. Ten noorden van de N201 bevinden zich een tankstation en een vestiging van een fastfood-keten. Ten zuiden van de N201 bevinden zich een autobedrijf, een bedrijfshal in aanbouw, een vestiging van een vloerenbedrijf en een transportbedrijf. Aan de noordzijde van het plangebied, ter hoogte van Zijdelweg 3 en 5 zijn twee bedrijfshallen voor opslag.
HOOFDSTUK 6 BELEIDSKADER 6.1 Inleiding Dit hoofdstuk geeft een overzicht van de belangrijkste ruimtelijke beleidskaders. Achtereenvolgens komt het relevante rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijk beleid aan bod. Het beleid en de wetgeving op milieugebied wordt behandeld in hoofdstuk 7.
6.2 Rijksbeleid Hieronder volgt het beleid van het rijk, waar indien relevant voor het plangebied met dit Rijksbeleid rekening wordt gehouden in dit bestemmingsplan. 6.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en Amvb Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van kracht geworden. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid wordt meer aan provincies en gemeenten overgelaten. Hieronder valt bijvoorbeeld het landschapsbeleid. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk wegennet en waterveiligheid. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR 3 Rijksdoelen geformuleerd: <0000> de concurrentiekracht vergroten door de ruimtelijk-economische structuur van Nederland te versterken. Dit betekent bijvoorbeeld een aantrekkelijk (internationaal) vestigingsklimaat; <0000> de bereikbaarheid verbeteren; <0000> zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van Rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor die belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken ('je gaat er over of niet'). Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.
Tevens werkt het Rijk aan eenvoudigere regelgeving. Daarbij verwacht het Rijk dat medeoverheden zich eveneens inzetten voor meer eenvoud en verdere integratie op het gebied van ruimtelijke regelgeving. Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk. Rol provincies en gemeenten bij ruimte en mobiliteit De provincies en gemeenten krijgen in het nieuwe ruimtelijke en mobiliteitsbeleid meer bevoegdheden. Bijvoorbeeld op het gebied van landschappen, verstedelijking en het behoud van groene ruimte. Provincies en gemeenten zijn volgens het kabinet beter op de hoogte van de situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties. Daardoor kunnen zij beter afwegen wat er in een gebied moet gebeuren. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei, aansluitend op de woonwensen van mensen. Bij beheer en ontwikkeling van natuur krijgen boeren en particulieren in het landelijk gebied een grotere rol. Bij gebiedsontwikkeling wordt de daadwerkelijke vraag van bewoners, bedrijven en organisaties leidend. Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen, wordt een ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd.
Dat betekent: eerst kijken of er vraag is naar een bepaalde nieuwe ontwikkeling, vervolgens kijken of het bestaande stedelijk gebied of bestaande bebouwing kan worden hergebruikt en, mocht nieuwbouw echt nodig zijn, zorgen voor
een optimale (multimodale) bereikbaarheid. Het Rijk vindt de stedelijke regio's van mainports, brainport, greenports en valleys van nationale betekenis. Gebiedsontwikkelingen van nationaal belang zoals de Zuidas en Structuurvisie Mainport Schiphol Amsterdam Haarlemmermeer worden doorgezet. Om nieuwe projecten van de grond te krijgen, zoekt het Rijk in samenwerking met marktpartijen en andere overheden naar nieuwe vormen van financiering. Bereikbaarheid verbeteren Om de bereikbaarheid te verbeteren, zet het Rijk in op investeren, innoveren en instandhouden. Het Rijk geeft vanuit het verlengde Infrastructuurfonds na 2020 prioriteit aan het oplossen van bereikbaarheidsknelpunten voor de main-, brain- en greenports. Bij het verbeteren van de bereikbaarheid wordt sterk gelet op het samenspel tussen alle modaliteiten in samenhang met ruimtelijke ontwikkeling. Op de weg wordt doorgaand verkeer en bestemmingsverkeer zo veel mogelijk gescheiden, In de Randstad wordt voor snelwegen de standaard 2x4 rijstroken Op het spoor kunnen reizigers vanaf 2020 spoorboekloos reizen (op de drukste trajecten 6 intercity's en 6 sprinters per uur). Verder wordt veel geld uitgetrokken voor wegenonderhoud.
Daarnaast wordt er innovatief omgegaan met benutting van infrastructuur, zoals ruimere openstelling spitsstroken, introductie intelligente transportsystemen en afspraken met werkgevers over terugdringen woon- werkverkeer. Juridische doorwerking De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) definieert de beleidsverantwoordelijkheid van het rijk inzake de ruimtelijke ordening en mobiliteit. Deze verantwoordelijkheid zal betrekking hebben op basisnormen op het gebied van milieu, leefomgeving, (water)veiligheid en het beschermen van unieke ruimtelijke waarden; (inter)nationale hoofdnetten en ruimtelijke voorwaarden voor versterking van de economische structuur. De structuurvisie moet de Nota Mobiliteit, de Nota Ruimte, de Mobiliteitsaanpak en Randstad 2040 vervangen. De nationale belangen uit de structuurvisie worden in de Amvb Ruimte juridisch geborgd. Deze Amvb komt in de plaats van de eerdere ontwerp-Amvb Ruimte die in 2009 aan de Tweede kamer is aangeboden. De Amvb Ruimte wordt in juridische termen aangeduid als: Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). De Amvb is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de 'oude' Amvb en deels uit nieuwe onderwerpen. De Amvb is een van de uitvoeringsinstrumenten die kunnen worden ingezet om het Rijksbeleid in het beleid van lagere overheden te laten implementeren.
De Amvb Ruimte bevat de juridische kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de rijksbufferzones, nationale landschappen, de ecologische hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, de mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Hiermee kan bijvoorbeeld precies aangegeven worden in welke zones bestemmingsplannen geen bestemmingen mogen bevatten die verdere verstedelijking toestaan. Dit moet leiden tot snellere besluitvorming en minder bestuurlijke drukte. 6.2.2 Luchthavenindelingbesluit Schiphol (2002) In het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (Lib) dat hoort bij de Schipholwet uit 2003 zijn ruimtelijke maatregelen in verband met de luchthaven Schiphol opgenomen. Op gronden zoals bedoeld in artikel 2.2.1, 2.2.2, 2.2.2a en 2.2.3 van het Luchthavenindelingbesluit gelden in bepaalde gebieden rondom Schiphol aanvullende bepalingen met betrekking tot bebouwing en gebruik van bebouwing, bouwhoogten en functies met een vogelaantrekkende werking.
Op 1 januari 2018 is een nieuwe versie van het LIB van kracht is geworden. Gemeenten hebben daarin meer ruimte gekregen voor een afweging tussen enerzijds het beperkt houden van de hinder door luchtvaartgeluid en anderzijds woningbouw. De 20Ke-contour is nu ook in het LIB opgenomen als LIB 5-gebied. De regelwijziging ziet op een eigen bevoegdheid voor het lokaal bestuur om binnen bestaand stedelijk gebied woningen toe te voegen. In het gebied binnen zone 4 blijft wel de grens van 25 woningen per bouwplan gehandhaafd. In het bestaand stedelijk gebied binnen de 20 Ke-contour gelden geen kwantitatieve beperkingen aan woningbouw. Conclusie Het plangebied valt binnen de invloedzones van luchthaven Schiphol. Ter plaatse gelden beperkingen ten aanzien van hoogte (toetshoogte maximaal 41 meter boven NAP). Hier mogen geen nieuwe geluidgevoelige bestemmingen worden gerealiseerd zonder een verklaring van geen bezwaar van de minister van Infrastructuur en Milieu op basis van het bepaalde in artikel 8.9 van de Wet luchtvaart. Verder zijn geen vogelaantrekkende functies toegestaan, zoals: industrie in de voedingssector met extramurale opslag of overslag, viskwekerijen met extramurale bassins, opslag of verwerking van afvalstoffen met extramurale opslag of verwerking, natuurreservaten of vogelreservaten, moerasgebieden of oppervlaktewater groter dan 3 hectare.