CConstaterende datAmersfoort
Koppel je AI →
Document · PDF

VU research. Ervaringen met burgertoppen

Commissie Bestuur 3 juni 2026, gemeente AmersfoortBij agendapunt: Raadsacademie Participatie (beeldvorming)37.169 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

resultaten vertaald naar een 100-puntsschaal en is alleen het antwoord weergegeven van de respondenten die tussen de 70 en 100 hebben geantwoord. Het aantal respondenten dat deze vragen heeft beantwoord, is 124 voor Amersfoort, 40 voor Uden, 14 voor Kruiskamp, 112 voor Groningen en 18 voor Amsterdam. Door het lage aantal respondenten voor Amsterdam moeten we de cijfers voor Amsterdam met voorzichtigheid interpreteren.



4 De realisatie van democratische waarden

Tabel 4.3 Betrokkenheid en verantwoordelijkheid sinds de G1000/Burgertop in procenten* Amersfoort

Uden

Amsterdam

Groningen

Betrokkenheid bij de buurt

26,4

10

22,2

10,9

Betrokkenheid bij woonplaats

43,9

40

27,8

44,1

Initiatief voor verbeteren buurt

19,6

20

29,4

17,1

* Deze vraag is beantwoord door 57 respondenten in Amersfoort, 40 in Uden, 112 in Groningen en 18 in Amsterdam.

Voor alle burgertoppen geldt dat een minderheid zich sinds de G1000 meer betrokken voelt bij de woonplaats. Als het gaat om een verandering in de betrokkenheid bij de buurt, gaat het om een nog kleinere minderheid. Een plausibele reden hiervoor is dat veel deelnemers zich al betrokken voelden bij hun omgeving. Dat blijkt ook uit het feit dat veel mensen neutraal hebben geantwoord op de uitspraken; dat wil zeggen, ze voelen zich noch meer, noch minder betrokken. Dat veel mensen al betrokken waren bij buurtactiviteiten, ondersteunt deze redenering eveneens.3 Tijdens de G1000’en in Uden, Kruiskamp en Groningen zijn ook tien tot twintig korte interviews ter plekke met deelnemers gehouden. Uit deze interviews komt eveneens naar voren dat veel mensen zich al verbonden voelden met hun stad of wijk. De geïnterviewden in Groningen zeggen wel meer aan het denken te zijn gezet hoe je concreet iets kunt betekenen voor de stad. Door de krachten te bundelen krijg je meer voor elkaar, zeggen sommigen. Meerdere deelnemers zeggen zelf actief te willen worden en zich in te willen zetten; anderen zeggen al veel te doen en zich nu niet geroepen te voelen. In Uden voelen de meeste respondenten een zekere verantwoordelijkheid voor de toekomst van Uden en zijn zij bereid zich daarvoor in te zetten; sommigen zeggen dat ze altijd al actief waren.

Op de vraag hoe hun inzet precies vorm gaat krijgen, zijn de antwoorden heel verschillend. Sommigen hebben al afspraken gemaakt om plannen uit te denken of gaan zelf aan de slag met een concreet plan. Anderen hebben nog geen idee of laten het afhangen van het vervolg van de G1000. In Kruiskamp vinden we een vergelijkbaar beeld. Sommigen voelen zich sinds de G1000 meer verbonden met de wijk, doordat ze nu meer mensen kennen die ook wat willen, anderen hadden altijd al een grote betrokkenheid bij de wijk. Alle respondenten, op één na, zeggen dat ze zich willen inzetten voor de wijk; sommigen hebben al heel concrete plannen. De vraag is vervolgens in hoeverre mensen zich ook enkele maanden na de G1000 nog steeds betrokken en verantwoordelijk voelen voor hun gemeenschap. Daarom is een deel van de respondenten in Uden en Kruiskamp na 3,5 maand opnieuw bevraagd. Van

3. Voor Amersfoort en Groningen is dat 42 procent van de respondenten, voor Uden 45 procent en voor Amsterdam 75 procent.



G1000. Ervaringen met burgertoppen

de mensen die zeiden zich in te willen zetten om een initiatief na de G1000 verder te helpen ontwikkelen, was nu nog maar een klein deel actief. De meesten zeggen dat hun gevoel van betrokkenheid wat is weggeëbd en dat ze nu niet (meer) betrokken zijn bij een initiatief of veel minder doen dan ze van plan waren. De redenen die respondenten hiervoor geven, zijn te verdelen in twee soorten: • teleurstelling over de inhoud van de plannen, de samenstelling van de groep, de inzet van groepsleden of de ondersteuning vanuit de gemeente; • het dagelijks leven dringt zich op. De respondenten zeggen dat ze geen of te weinig tijd hebben, omdat ze elders studeren of werken, druk zijn met een baan of kind, of omdat bijeenkomsten overlappen met andere activiteiten. Het blijkt moeilijk om de energie van de bijeenkomst zelf op langere termijn vast te houden. Vervolgactiviteiten worden door de organisaties van de G1000’en slechts beperkt gefaciliteerd, al verschilt dit per gemeente. 4.2.5

Transparantie

Protocol tijdens de dag Het programma van de G1000’en in Amersfoort, Groningen en Kruiskamp stond tevoren vast. Per ronde kregen de deelnemers steeds duidelijke instructies. Dat geldt ook voor het volledig uitgeschreven protocol van de G1000 in Uden (Handout dagprogramma G1000 Uden). En wie aan de burgertop in Amsterdam deelnam, kon vooraf op de website het programma in grote lijnen met het bijbehorende tijdschema vinden. De opzet werd bovendien aan het begin van de dag nog door de organisatie toegelicht. Desondanks ontstond er soms verwarring, zoals in Uden, waar aan meerdere tafels de tafelvoorzitters niet precies wisten hoe ze om moesten gaan met het plakken van de stickers waarmee de deelnemers hun voorkeur voor bepaalde voorstellen kenbaar maakten. In Amsterdam gebeurde dit, doordat de verschillende inleiders onder wie de organisatoren en de wethouder elk hun eigen opvatting gaven over wat de bedoeling van de dag zou zijn. In Groningen riepen de instructies van de facilitator tijdens het ochtendgedeelte bij een aantal mensen vragen op (observaties ter plekke). In Amsterdam verliep bovendien het formuleren van de uiteindelijke lijst van bijna 60 ideeën rommelig. Resultaten Over vervolgactiviteiten worden deelnemers op de hoogte gehouden via de website van de organisatie, websites van de themagroepen of nieuwsbrieven.

In Amersfoort heeft bijvoorbeeld de themagroep Buurtweter een maandelijks uit te reiken prijs in het leven geroepen (de Buurtwetertegel) die onder andere aan een Repaircafé is uitgereikt (www.Vathorst.nu) en hebben de themagroepen Duurzaam Inbreiden en Keigroen samen doen! de website www.zetamersfoortopdekaart.nl ingericht, waarop

4 De realisatie van democratische waarden



Amersfoorters plekken kunnen aangeven waar zij iets aan de ruimtelijke kwaliteit willen doen. In Uden worden deelnemers en bewoners via nieuwsbrieven op de hoogte gehouden van activiteiten en het laatste nieuws van de G1000. Tevens is een boekje uitgebracht met daarin een verslag van de G1000 Uden (G1000 Uden 2014). In Kruiskamp staat informatie over de eerste editie van Proef Kruiskamp, het belangrijkste resultaat van deze wijk G1000, op de website van de G1000 van Amersfoort (website G1000 Amersfoort). In Groningen heeft de organisatie vier terugkombijeenkomsten gefaciliteerd, waarvan de laatste was op 19 november 2015. En in Amsterdam is voor de meeste ideeën een contactpersoon aangesteld en een samenvatting van de resultaten staat ook op de website van de organisatie (website Burgertop Amsterdam). 4.2.6

Legitimiteit

Oordeel over de dag Op het YouTube-filmpje dat is gemaakt tijdens de G1000 in Amersfoort kwalificeren deelnemers de G1000 als een mooie en inspirerende dag. Deelnemers tonen zich enthousiast. Die indruk wordt bevestigd in de antwoorden op de vraag in de survey naar wat het meest is bijgebleven van de G1000. Deelnemers noemen verschillende positieve aspecten van de bijeenkomst in Amersfoort. Veel opmerkingen gaan over de sfeer die wordt gekarakteriseerd als bruisend, open, positief, inspirerend en uniek. Ook de organisatie wordt in veel opmerkingen geroemd. Daarnaast wijzen deelnemers op de vele onverwachte ontmoetingen tijdens de G1000. Vergelijkbare antwoorden zijn te horen in Uden, Kruiskamp, Groningen en Amsterdam. Ook hier worden de goede organisatie, het enthousiasme, nieuwe ontmoetingen en de sfeer van saamhorigheid geroemd. Ongeveer 80 procent van degenen die de vragen in de survey hebben beantwoord, zou een familielid of vriend(in) ook aanbevelen deel te nemen aan de G1000. Ze geven hiervoor vooral als redenen dat je kunt meepraten en meedenken over de toekomst van je stad en het maakt dat je je meer betrokken voelt bij je omgeving. Maar er zijn ook kritische geluiden. In Amersfoort wordt door sommigen gezegd dat het resultaat niet vernieuwend en weinig concreet is.

Andere opmerkingen gaan over de achtergrond van de deelnemers; geconstateerd wordt dat er bijna geen etnische minderheden zijn. Tot slot zijn er opmerkingen over de lengte van de dag (sommigen vinden het erg lang om de aandacht vast te houden) en over de akoestiek die door meerdere mensen als vermoeiend wordt ervaren; het is soms moeilijk om elkaar te verstaan door het constante geroezemoes. In Uden worden als negatieve punten genoemd: de ondoorzichtige stemprocedure, de te hoge tijdsdruk, de donkere zaal en, tot slot, het feit dat er weinig jongeren waren. In Kruiskamp ervaart men als negatief dat er te veel gepraat werd en dat de groep erg eenzijdig was samengesteld en niet representatief is voor de buurt. Enkele deelnemers zijn teleurgesteld over het proces: ze vinden dat er te veel mensen in de loop van het proces zijn afgehaakt en wijten dat aan het aantal bijeenkomsten. In Amsterdam vinden sommigen dat het te veel een



G1000. Ervaringen met burgertoppen

bijeenkomst van gelijkgestemde, hoogopgeleide mensen was en dat het vervolg van de bijeenkomst onduidelijk is. En in Groningen vinden sommigen de uitkomsten van de G1000 weinig toegevoegde waarde hebben en onduidelijk. Oordeel over de selectie van de voorstellen Opvallend is verder dat overal slechts een minderheid positief is over de manier waarop de voorstellen zijn geselecteerd. In Amersfoort geeft 39 procent hierover een positief oordeel, in Uden is dat 40 procent, in Kruiskamp 43 procent, in Groningen is dat 39,8 procent en in Amsterdam slechts 22,2 procent.

.

V E R S T E R K I N G V A N D E G   / B U R G E R T O P

De G1000 of burgertop kan een goed instrument zijn om de democratie te versterken. Het brengt een grote groep burgers (hoewel het er nergens 1000 zijn) bijeen die vrijuit praten over hun ideeën voor de stad of wijk en ook de bereidheid tonen naar elkaar te luisteren. Het genereert bovendien een groot enthousiasme onder de deelnemers voor de sfeer van de dag, de nieuwe ontmoetingen en de gesprekken over lokale onderwerpen. Maar onze bevindingen laten ook zien dat de democratische waarden maar in beperkte mate worden verwezenlijkt. Als de G1000 of burgertop een rol wil vervullen in het versterken van de democratie, dan is er een aantal aandachtspunten. We bespreken er vier: 1. Maak duidelijker: voor wie is het resultaat van de G1000 of burgertop? Als een G1000 als middel wordt gezien om de koers van de politiek bij te sturen, dan wel (nieuwe) thema’s te agenderen die door college- en raadsleden over het hoofd worden gezien, dan kan de conclusie niet anders zijn dan dat dit in geen van de onderzochte gemeenten is gelukt. De gekozen thema’s blijken bovendien regelmatig al in bestaand beleid te zijn ondervangen. Dit roept de vraag op of het wel de bedoeling van de G1000 is om invloed op beleid uit te oefenen. Hier wordt zowel door de initiatiefnemers als de vertegenwoordigers van politiek en ambtenarij verschillend over gedacht.

Wanneer het doel vooral is om aan de hand van de gekozen thema’s bewoners zelf aan de slag te laten gaan, dan is het niet zo’n groot probleem dat er geen directe invloed op de (beleids)agenda van college en gemeenteraad is te zien. Sommigen zouden minder geneigd zijn naar een G1000 te komen als ze zouden weten dat ze daarna vooral zelf aan de slag moeten, voor anderen kan dat de deelname aan een G1000 juist aantrekkelijk maken. Maar dit zou dan wel vooraf duidelijk moeten zijn voor de deelnemers. Nu worden deelnemers hierover in het ongewisse gelaten. 2. Koppel de G1000 aan een specifiek thema Overal hebben de deelnemers zelf de agenda bepaald. In Amersfoort, Uden, Kruiskamp en Groningen gebeurde dat ter plekke, in Amsterdam droegen de deelnemers

4 De realisatie van democratische waarden



thema’s aan op het moment dat ze zich op de website aanmeldden. Het gevolg hiervan is een enorme diversiteit aan thema’s die in veel gevallen tamelijk algemeen blijven. Het eigenlijke werk, de uitwerking van de ideeën, zal voor een belangrijk deel na de G1000 moeten gebeuren. Een afbakening van het onderwerp van de burgertop zoals dat bijvoorbeeld is gebeurd in Maastricht (gezondheid), Utrecht (energie) en Den Haag (duurzaamheid) kan meer richting geven aan de gesprekken en daarmee ook aan het resultaat. 3. Geef informatie vooraf Er is bij geen van de burgertoppen vooraf informatie verstrekt over bijvoorbeeld belangrijke lokale beleidsthema’s, bestaand beleid of bestaande lokale netwerken. Dat is bewust gedaan, zodat de deelnemers zo open en onbevooroordeeld mogelijk deel konden nemen aan de gesprekken. Wel hebben in Kruiskamp mensen van buiten die ervaring hebben met bewonersinitiatieven hun inbreng aan de tafels geleverd. Kenmerkend voor veel deliberatieve vormen in binnen- en buitenland is juist dat deelnemers op basis van informatie die hun vooraf wordt gegeven met elkaar en met experts het gesprek aangaan en tot een weloverwogen oordeel komen (Fishkin, z.j.; Fishkin & Laslett, 2002). Bij de G1000 in België zijn de thema’s voorafgaand via een online procedure vastgesteld en hebben experts over elk van de gekozen thema’s een inleiding gehouden.

Deze vormden de basis voor discussie aan de tafels. 4. Meer transparantie bij de selectie van voorstellen De selectie van de voorstellen is bij elke G1000 of burgertop anders verlopen. Daarom is het opmerkelijk dat bij alle burgertoppen veel kritiek is op deze selectie. Het lijkt alsof er in de overgang van de meer vrijblijvende en verkennende gesprekken in de ochtend en het begin van de middag, een soort breuk ontstaat als er gestemd en geselecteerd moet gaan worden. Deelnemers vinden de procedure waarmee de hoog scorende thema’s worden bepaald lastig te volgen. Een grotere transparantie over de selectie van de voorstellen is van groot belang. Immers, aan het eind van de dag zou het gevoel moeten ontstaan dat dit de agenda van de stad is, dat dit de thema’s zijn die ertoe doen. Wanneer het laatste deel van het proces om daar te komen zo matig wordt gewaardeerd, kan dat ook schadelijk zijn voor het draagvlak voor de voorstellen die de eindronde halen.

LITERATUUR Barber, B. (1984). Strong Democracy: Participatory Politics for a New Age. Berkeley: University of California Press. Dryzek, J. & C. List (2003). Social choice theory and deliberative democracy: a reconciliation. British Journal of Political Studies, 33, 1-28.



G1000. Ervaringen met burgertoppen

Elster, J. (red.) (1998). Deliberative Democracy. Cambridge: Cambridge University Press. Fishkin, J. (z.j.). The Center for Deliberative Democracy. Beschikbaar via http://cdd.stanford.edu. Fishkin, J.S. & P. Laslett (ed.) (2002). Philosophy, politics & society. Special issue: Debating deliberative democracy. Political Philosophy, 10(2). G1000 Uden (2014). Vitaal inwonersinitiatief, 4 oktober 2014, Van denken en dromen, naar durven en doen. Gastil, J. & P. Levine (ed.) (2005). The Deliberative Democracy Handbook. San Francisco: Josey Bass. Gutmann, A. & D. Thompson (2004). Why deliberative democracy? Princeton: Princeton University Press. Hendriks, C.M., J.S. Dryzek & C. Hunold (2007). Turning up the heat: partisanship in deliberative innovation. Political Studies, 55(2), 362-383. Michels, A. (2011a). Innovations in democratic governance – How does citizen participation contribute to a better democracy? International Review of Administrative Sciences, 77(2), 275-293. Michels, A. (2011b). De democratische waarde van burgerparticipatie. Bestuurskunde, 20(2), 75-84. Michels, A. & L. de Graaf (2010). Examining Citizen Participation: Local Participatory Policy Making and Democracy. Local Government Studies, 36(4), 477-491. Pateman, C. (1970). Participation and Democratic Theory. Cambridge: Cambridge University Press. Smith, G. (2009). Democratic Innovations.

Designing Institutions for Citizen Participation. Cambridge: Cambridge University Press.

OVERIGE BRONNEN Handout dagprogramma G1000 Uden. Vathorst.nu. Beschikbaar via www.vathorst.nu. Website G1000 Amersfoort. www.g1000amersfoort.nl. Website Burgertop Amsterdam. http://burgertop-amsterdam.nl. Website G1000 Uden 2014. https://g1000uden.nl.

LOTING EN DIVERSITEIT. TE HOGE VERWACHTINGEN

Harmen Binnema en Ank Michels

INLEIDING Politieke partijen zien hun ledental teruglopen, steeds minder kiezers maken de gang naar de stembus en het politiek cynisme neemt toe. Zie daar enkele elementen van wat Van Reybrouck (2013) het ‘democratisch vermoeidheidssyndroom’ noemt, waaraan volgens hem vrijwel alle westerse samenlevingen lijden. Een van de oorzaken hiervan is de in zijn ogen historische vergissing om verkiezingen centraal te stellen in de democratie en Van Reybrouck pleit dan ook voor eerherstel van een aloud mechanisme: de loting. In tegenstelling tot wat de titel van zijn boek (Tegen Verkiezingen) doet vermoeden, wil hij verkiezingen niet geheel door loting vervangen, maar de beide mechanismen om tot politieke vertegenwoordiging te komen met elkaar combineren. Dit is kenmerkend voor veel pleitbezorgers van loting, van wie de meesten het als een aanvulling op het systeem van verkiezingen zien. Van Reybrouck was een van de initiators van de G1000 in België, een burgertop waarop gelote burgers met elkaar over de toekomst van het land en het politieke systeem praten en voorstellen doen. Dit idee vond navolging in Nederland, waar inmiddels in een aantal gemeenten G1000’en zijn gehouden en een Platform G1000 is opgericht, dat lokale initiatieven met raad en daad terzijde staat.

In de geest van Van Reybrouck voert dit Platform als motto: ‘Op weg naar een andere democratie.’ Er zijn zeven uitgangspunten voor een G1000 geformuleerd, waar loting er één van is. Dit wordt onderbouwd met het argument dat loting iedereen een gelijke kans geeft om mee te doen. Dit hoofdstuk staat uitgebreid stil bij het fenomeen loting. Ten eerste proberen we te duiden waarom loting zo belangrijk wordt gevonden en welke voordelen de voorstanders van loting verwachten. Ten tweede kijken we wat van deze verwachtingen in de praktijk van de G1000’en in Amersfoort, Kruiskamp en Groningen is gerealiseerd, onder andere in vergelijking met de G1000 Uden en de Burgertop Amsterdam, waar niet met loting werd gewerkt. We richten ons daarbij in het bijzonder op de veronderstelde grotere diversiteit van de deelnemers. Tot slot formuleren we enkele aanbevelingen om de selectie van deelnemers voor een burgertop te verbeteren en gaan we in op nut en noodzaak van loting hierbij.



.

G1000. Ervaringen met burgertoppen

LOTING ALS ANTWOORD OP TEKORTKOMINGEN VAN VERTEGENWOORDIGENDE DEMOCRATIE

Zowel de pleidooien voor loting als voor het organiseren van G1000’en of andere burgertoppen bevatten vaak kritiek op het huidige systeem van vertegenwoordigende democratie, gebaseerd op verkiezingen. Het gaat daarbij om het eenmalige karakter – eens in de vier jaar naar de stembus, terwijl de (lokale) samenleving intussen in hoog tempo verandert – en de geringe mate waarin volksvertegenwoordigers hun oor bij hun kiezers te luisteren leggen. Veel burgers hebben het idee dat ze weinig invloed hebben en dat politici geen interesse hebben in wat zij denken: er is brede steun onder de Nederlandse bevolking voor vergroting van de inspraak en de invoering van de mogelijkheid van een referendum (SCP, 2015: 73-74). Op het vertegenwoordigende element is bovendien nogal wat af te dingen. Er wordt voor politieke en bestuurlijke functies gerekruteerd uit een zeer kleine vijver, aangezien nog geen 3 procent van de kiesgerechtigde Nederlanders lid is van een politieke partij. De Nederlandse volksvertegenwoordiging, op zowel lokaal als nationaal niveau, wijkt op verschillende punten sterk af van de bevolking als geheel. Zo spreken Bovens en Wille (2011) over een ‘diplomademocratie’, vanwege de oververtegenwoordiging van hoger opgeleiden in de Tweede Kamer. Ook op andere achtergrondkenmerken is van behoorlijke scheefheid sprake.

Van de 150 Kamerleden zijn er 57 vrouw (38 procent), terwijl net iets meer dan de helft van de Nederlandse bevolking vrouw is, en de gemiddelde leeftijd van Kamerleden is 45 jaar (www.parlement.com). Op lokaal niveau zijn de verhoudingen nog schever: 28 procent van de gemeenteraadsleden is vrouw en de gemiddelde leeftijd is 52 jaar (VNG, 2015). Over het opleidingsniveau van raadsleden zijn geen complete cijfers bekend, maar het beeld is dat ook daar sprake is van een diplomademocratie. De G1000 past in een lange traditie van burgerparticipatie, waarin wordt gepoogd een aantal van de genoemde nadelen van de vertegenwoordigende democratie tegen te gaan of te compenseren. Zoals in hoofdstuk 4 beschreven, wordt van burgerparticipatie onder meer verwacht dat het individuele burgers een stem geeft in het beleidsproces: burgers uit diverse sociale groepen kunnen participeren en er is geen uitsluiting van bepaalde groepen (Michels, 2012: 287). Bovendien zou burgerparticipatie burgers zeggenschap en invloed geven in het besluitvormingsproces en de legitimiteit van beslissingen vergroten, omdat door deel te nemen bij burgers de steun voor zowel het proces als de uitkomsten toeneemt.

Bij deze positieve verwachtingen omtrent burgerparticipatie moet allereerst de kanttekening worden gemaakt dat bij de klassiekere vormen, zoals interactief bestuur, autochtone mannen van middelbare leeftijd domineren. Onderzoek naar burgerinitiatieven, waaronder buurtgerichte buurtinitiatieven in Enschede en het gebruik van wijkbudgetten in Amsterdam, laat daarentegen zien dat hieraan meer vrouwen

5 Loting en diversiteit. Te hoge verwachtingen



en middelbaar opgeleiden deelnemen (Bakker, Denters & Klok, 2011; Verhoeven & Tonkens, 2011). Ten tweede neemt weliswaar de legitimiteit van de besluitvorming toe als gevolg van participatie, maar de invloed en zeggenschap van burgers zijn gering. Het komt weinig voor dat besluiten in een hele andere richting gaan dan bij aanvang bedacht en burgers worden vooral ingezet om informatie aan beleidsmakers te bieden (Michels & De Graaf, 2010). Vergeleken met andere vormen van burgerparticipatie beoogt de G1000 innovatief te zijn door meer bottom-up te werken (het initiatief ligt bij burgers zelf) en los te staan van het bestaande systeem van politieke besluitvorming en de huidige beleidsagenda. Dit kan enerzijds bevorderend werken, omdat burgers het gevoel hebben zelf eigenaar van het proces te zijn en niet onderdeel van een door de overheid bedacht en uitgevoerd proces. Anderzijds maakt het het uitoefenen van invloed en zeggenschap op de politieke besluitvorming lastiger. Een tweede belangrijk verschil zit in de wijze waarop burgers gaan participeren. In plaats van het zelf aanmelden, zoals bij wijkbijeenkomsten, inspraakavonden of hoorzittingen, worden de deelnemers via loting geselecteerd. De verwachting is dat hiermee een grotere diversiteit en legitimiteit kan worden bereikt, zowel vergeleken met de vertegenwoordigende democratie als met andere typen burgerparticipatie.

.

LOTING ALS DEMOCRATISCH INSTRUMENT

Een belangrijk deel van zijn boek besteedt Van Reybrouck (2013: 57-72) aan het beargumenteren dat wat we tegenwoordig democratie noemen, eigenlijk aristocratie is. De nieuwe elite van de achttiende eeuw – hoge burgerij in plaats van adel en vorst – greep de macht en werd hierin gelegitimeerd door verkiezingen, waar pas anderhalve eeuw later de gehele bevolking aan mocht deelnemen. Maar ook met algemeen kiesrecht bleef het onderscheid tussen bestuurders en bestuurden, tussen politici en kiezers intact. Van Reybrouck stelt met de nodige pathos: ‘Democratie door verkiezingen bleef daardoor iets houden van een zelfgekozen feodalisme, een vorm van intern kolonialisme waarmee men instemde’ (2013: 73). Wel voor het volk, maar niet door het volk. Terwijl in Athene het idee juist was dat iedere burger tot meedenken en meeregeren in staat is en daar past het idee van ‘vertegenwoordiging’ niet in, of moeizaam. Van Reybrouck is zeker niet de enige die als reactie hierop het instrument loting afstoft. Diverse auteurs gingen hem voor en zij delen de kritiek op het stelsel van vertegenwoordigende democratie en de centrale rol van verkiezingen (voor een overzicht van deze argumenten, zie Malkopoulou, 2015). Zo introduceert Amar (1984) een systeem van ‘lottery voting’ als kritiek op het kiesstelsel van de VS.

Het bestaande stelsel beperkt de keuze feitelijk tot twee partijen (met een groot aantal verloren stemmen), werkt in het voordeel van de zittende volksvertegenwoordigers en is sterk



G1000. Ervaringen met burgertoppen

nadelig voor minderheidsgroepen. Hij stelt een combinatie van stemmen en loten voor, door in een kiesdistrict uit alle uitgebrachte stemmen willekeurig één biljet te selecteren. Wie in dat district de meeste stemmen heeft gehaald, maakt statistisch meer kans gekozen te worden. De optelsom van al deze verkiezingen door het lot zou een diverse, representatievere volksvertegenwoordiging zijn. Een radicalere variant wordt gepropageerd door Bouricius (2013), die een volledig alternatief voor de electorale democratie heeft ontwikkeld, op Atheense leest geschoeid. Zijn eerste argument is dat met loting iedereen een gelijke kans heeft om zijn of haar politieke rechten uit te oefenen – tegenover de zeer ongelijke kans om via verkiezingen een politieke functie te verwerven. Ten tweede heeft iedereen de mogelijkheid het woord te voeren en zo nieuwe informatie en argumenten toe te voegen – niet het stemmen is doorslaggevend, maar de vraag of alle voor een besluit relevante informatie beschikbaar is. In zijn voorstel komen zes verschillende organen voor, elk gebaseerd op een eigen vorm van loting en elk met hun eigen taak: 1) agenda bepalen, 2) wetsvoorstellen maken, 3) wetgeving beoordelen, 4) stemmen over wetgeving, 5) regels en procedures vaststellen, 6) regels en procedures bewaken (Bouricius, 2013: 10-16).

Een deel van deze taken kan overigens worden geïntegreerd in bestaande organen binnen de nationale of lokale politiek. Hiermee wordt in de opvatting van Bouricius corruptie en machtsconcentratie tegengegaan, meer representativiteit gerealiseerd en participatie mogelijk voor veel meer inwoners. Veel van de literatuur over loting gaat niet zozeer over het vervangen van het bestaande systeem van verkiezingen, maar over manieren waarop loting een aanvulling daarop kan zijn en de nadelen van electorale democratie kan compenseren. Vaak gaat het over combinaties van een gekozen volksvertegenwoordiging en een gelote volksvertegenwoordiging (diverse voorbeelden zijn te vinden in Van Reybrouck, 2013). In een overzichtsrapport presenteren Delannoi, Dowle en Stone (2013) acht mogelijke bijdragen van loting aan het politieke proces, waarvan we er in het kader van dit hoofdstuk vijf uitlichten: 1. Vergroten van de descriptieve representatie: door loting komen kenmerken die in de hele populatie aanwezig zijn ook terug in de geselecteerde groep. Daarbij moet de groep wel groot genoeg zijn (enkele honderden) en de loting moet plaatsvinden uit de hele populatie. Dit laatste betekent geen voorselectie op basis van bijvoorbeeld motivatie, ervaringen, voorkennis – deze kenmerken komen immers ook niet in de hele populatie voor. 2.

Voorkomen van corruptie of dominantie: loting houdt degenen tegen die zich om de verkeerde redenen met politiek willen bemoeien, voorkomt dat deelbelangen te veel invloed krijgen en voorkomt dat buitenstaanders door corruptie of bedreiging het selectieproces sturen. 3. Verminderen van het conflict tussen elites: door loting is er geen sprake van partijconflict dat het systeem kan lamleggen, of aan het andere uiterste: kartelvorming

5 Loting en diversiteit. Te hoge verwachtingen



van de elites, die ten koste gaat van het algemeen belang en de toegang tot besluitvorming voor anderen afsluit. 4. Bevorderen van participatie: loting biedt werkelijke mogelijkheden voor participatie en zorgt dat die ook plaatsvindt. Het geeft tegenwicht aan de apathie van veel kiezers, niet zozeer door meer participatie, maar wel door diversere participatie en grotere inclusiviteit (ook groepen die vanwege inkomen of etniciteit anders niet meedoen). 5. Zorgen voor rotatie: door loting komen politieke functies regelmatig vrij en wordt voorkomen dat dezelfde personen lange tijd een positie bezet houden: regeren en geregeerd worden wisselen elkaar af. We zien hierin drie lijnen terugkomen die ook bij de G1000 een rol spelen. Ten eerste het idee dat in de politieke arena tegenstellingen worden aangezet (en verkiezingen dit conflict verder aanwakkeren), terwijl burgers het over veel onderwerpen behoorlijk eens zijn. Dit proces wordt versterkt door het behartigen van dominante deelbelangen. Ten tweede het idee dat veel meer (verschillende) burgers aan het politieke proces mee zouden moeten doen: het vergroten van de participatie en het nemen van besluiten met een diverser gezelschap.

In lijn met het laatste ligt de derde mogelijke bijdrage van loting binnen een G1000: de representativiteit is groter, iedereen is in staat om mee te doen en deelname is niet beperkt tot een beperkte politieke klasse (tegen meritocratie én aristocratie). Wat opvalt aan sommige optimistische beschouwingen over loting is dat zij lijken te denken dat veel burgers tot deelname zijn geneigd en dat daarmee de voordelen zich haast als vanzelf zullen aandienen. Daar staat een aantal wat sceptischere auteurs tegenover, die met name aandacht geven aan de randvoorwaarden om loting te laten werken. Twee citaten om dit te illustreren: ‘The (testable) assumption I make here, is that most citizens would readily participate for a set period of time, with appropriate compensation, in a process in which they believed their input really mattered.’ (Bouricius, 2013: 7) ‘One of the difficulties with this question is that it is normally formulated in the context of today’s non-participatory society where any compromise to an individual’s free time and personal liberty is regarded as a burden. We would envisage that any society that implemented a comprehensive programme of sortition for public offices would also address the question of how citizens could be suitably motivated and rewarded.’ (Delannoi, Dowlen & Stone, 2013: 29)

Ook de soms wat utopische Bouricius erkent de noodzaak om de politieke deelname te beperken tot een bepaalde tijdsperiode en tegenover de inspanning een gepaste vergoeding te zetten. Delannoi c.s. erkennen dat het opgeven van vrije tijd en persoonlijke vrijheid ten behoeve van participatie als een opgave wordt gezien. Er moet dus een antwoord komen op de vraag hoe burgers gemotiveerd kunnen worden en wat



G1000. Ervaringen met burgertoppen

de opbrengst van hun deelname gaat zijn. Van Reybrouck noemt in zijn beschouwing van de literatuur over loting eveneens de aspecten tijd (die ook weer niet te kort moet zijn) en vergoeding (die best fors mag zijn) en voegt daaraan toe dat ‘de ongelijk verdeelde competenties van burgers moeten worden ondervangen door vorming en door steun van experts, zoals nu ook al gebeurt in parlementen’ (2013: 93). Hoe verhouden deze voordelen van loting en de bijbehorende randvoorwaarden zich tot de burgertoppen die centraal staan in dit hoofdstuk? Het valt op dat die in meerdere opzichten hiervan afwijken, nog afgezien van het feit dat alleen in Amersfoort en Groningen is geloot. Ten eerste staan zij in hoge mate los van de politieke besluitvorming en bestaande politieke processen – sterker nog, het is de vraag of zij zich hiermee willen verbinden of invloed willen uitoefenen (zie ook hoofdstuk 2 en 3 in deze bundel). Ten tweede ging het in Amersfoort, Uden, Amsterdam en Groningen om één bijeenkomst in plaats van een proces verspreid over een langere periode, met bijbehorend commitment. Alleen de WijkG1000 in Kruiskamp bestond uit een serie bijeenkomsten. Ten derde is een beroep gedaan op de bereidheid om vrijwillig deel te nemen en stond hier geen vergoeding tegenover, uit zowel praktische als principiële overwegingen.

Tot slot is ervoor gekozen tijdens de dag geen ondersteuning te bieden door informatie van deskundigen, of in zeer beperkte mate. Wat wel in het ontwerp van de G1000 zit, is de nadruk op dialoog. Er wordt, in lijn met de uitgangspunten van een deliberatieve democratie, gesproken op basis van gelijkwaardigheid en de kracht van argumenten, op zoek naar overeenstemming (common ground, zie ook hoofdstuk 6). Waar meer directe vormen van participatie, zoals burgerinitiatieven en referenda, de mogelijke oplossingen beperken, tot een simpel voor of tegen reduceren en weinig ruimte geven voor gesprek en reflectie (Gastil & Richards, 2013), is dit wel mogelijk in een G1000. Loting en deliberatie liggen, in elk geval in theorie, zo in elkaars verlengde. De redenering is dat deelnemers die willekeurig zijn geselecteerd, zich niet door belangen vooraf hoeven te laten leiden en meer open kunnen staan voor de opvattingen van anderen.

.

DE PRAKTIJK VAN DE BURGERTOPPEN

Een van de zeven democratische waarden die we in het onderzoek hebben betrokken, is insluiting. De vraag die hierbij hoort, is hoe divers de deelnemers aan de burgertoppen zijn en dat is concreet vertaald in twee aspecten: het proces van selectie van deelnemers en de diversiteit van de deelnemers. 5.3.1

Selectie

Op welke manieren zijn deelnemers voor de G1000’en (inclusief de WijkG1000 in Kruiskamp) en de burgertop geworven? We beschrijven de procedure die is gebruikt, te beginnen met de drie voorbeelden van selectie via loting.

5 Loting en diversiteit. Te hoge verwachtingen



• In Amersfoort is een combinatie van loting en gerichte werving toegepast. Onder alle inwoners van Amersfoort is geloot uit de Gemeentelijke Basisadministratie. 6000 mensen zijn geloot en uitgenodigd via een brief van de burgemeester. De eerste ronde leverde 260 aanmeldingen op. Na een reminder kwam er nog eens een vergelijkbaar aantal. De andere groepen, namelijk de werkgevers, politici, ambtenaren, en de kunstenaars zijn gericht geworven; degenen die wilden deelnemen, konden zichzelf aanmelden. Bij meer dan 600 aanmeldingen van burgers zou er een tweede loting volgen; deze is er niet geweest. Uiteindelijk hebben circa 450 gelote burgers aan (een deel) van het programma deelgenomen. • In de wijk Kruiskamp in de gemeente Amersfoort zijn 2000 mensen geselecteerd op basis van loting. De uitnodiging is verspreid door de lokale organisatie. Loting leverde tussen de 20 en 30 aanmeldingen op. Daarna is overgegaan tot flyeren, nogmaals nieuwe brieven sturen, contacten via sleutelfiguren en op straat mensen aanspreken. De WijkG1000 Kruiskamp was verspreid over vijf bijeenkomsten. Bij de eerste bijeenkomst waren er ongeveer 110 deelnemers, bij de laatste 14. • In Groningen is zoals in Amersfoort geloot onder alle inwoners van de stad, de ‘Stadjers’. Onder inwoners van boven de 18 jaar zijn 10.000 mensen geloot en met een brief van de burgemeester uitgenodigd.

Dat leverde in eerste instantie een aanmelding op van ongeveer 400 burgers. Een maand voor de G1000 is er nog een herinneringsbrief gestuurd naar de gelote inwoners van de stad, waarna het aantal aanmeldingen boven de 600 uitkwam. Daarnaast is gericht geworven onder ‘frisdenkers’, mensen van wie wordt verwacht dat ze buiten de vastomlijnde kaders kunnen denken. Uiteindelijk zijn er in totaal zo’n 450 mensen geweest (de tafelhosts niet meegerekend), onder wie een aantal raadsleden van de coalitiepartijen. Bij deze voorbeelden van een G1000 met loting valt een aantal zaken op. Ten eerste is het, ondanks grote aantallen uitnodigingsbrieven, nergens gelukt om in de buurt van de 1000 deelnemers te komen. Zowel Amersfoort als Groningen zette bovendien een reminder in, om tot extra aanmeldingen te komen. Alsnog zien we dat op de dag zelf tientallen mensen die zich hadden aangemeld, niet zijn komen opdagen. Zo’n 90 tot 95 procent van de inwoners die zijn ingeloot, besluit niet deel te nemen. Ten tweede is loting aangevuld met andere manieren van werving en selectie: naast de gelote deelnemers zijn politici, werkgevers, kunstenaars en vrijdenkers specifiek uitgenodigd. In Kruiskamp is, nadat loting een beperkt aantal aanmeldingen opleverde, de uitnodiging breder verspreid, zodat wie wilde meedoen, dat kon doen.

Hoe was dit bij de G1000 in Uden en de Amsterdamse Burgertop, waar niet werd geloot, maar deelnemers zichzelf konden aanmelden? In Uden was de organisatie dit aanvankelijk wel van plan, in Amsterdam zag men bewust af van loting. • In Uden is gewerkt met een open uitnodiging. Alle inwoners kregen een brief die was gericht ‘aan de bewoners’ en iedereen kon zich vrij aanmelden. Het regieteam besloot hiertoe over te gaan, nadat was gebleken dat de plaatselijke verordening Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens en het Privacyreglement



G1000. Ervaringen met burgertoppen

Basisregistratie Personen van de gemeente Uden een trekking uit het GBA/BRPbestand niet toeliet. Bovendien is geworven via de lokale media, posters en een website en zijn verenigingen en maatschappelijke instellingen bezocht. Bij 1000 aanmeldingen zou worden geloot. Uiteindelijk waren er ongeveer 250 gewone burgers aanwezig en daarnaast 20 lokale politici. • Voor de selectie van de deelnemers aan de Burgertop in Amsterdam is geen gebruikgemaakt van loting. Iedereen van 16 jaar en ouder en woonachtig in Amsterdam mocht meedoen aan de Burgertop. Wel zijn er zogeheten ambassadeurs ingezet. Deze ambassadeurs, die een groot aantal organisaties vertegenwoordigden, hebben gericht via hun netwerk mensen benaderd. Het is niet duidelijk hoeveel deelnemers via deze ambassadeurs naar de Burgertop zijn gekomen. Daarnaast is er geworven via de lokale media (AT5, Parool) en is de organisatie de straat opgegaan om mensen rechtstreeks te benaderen. Uiteindelijk waren er om en nabij de 250 mensen op de dag zelf, onder wie ongeveer 15 (voormalige) gemeenteraadsleden en leden van bestuurscommissies (de opvolgers van de stadsdeelraden). In Uden is een groter aantal uitnodigingen verstuurd dan in Amersfoort en Groningen, maar ook hier kwam het aantal deelnemers lang niet aan de 1000.

In Amsterdam is lastiger vast te stellen hoeveel mensen precies zijn benaderd, maar qua aantal deelnemers is het zeer vergelijkbaar met Uden, wat gezien het forse verschil in inwoneraantal opmerkelijk is te noemen. Uden en Amsterdam hebben minder deelnemers weten te trekken dan de G1000’en met loting, maar de verschillen zijn ook weer niet zo groot, dat van een bevorderend effect van loting kan worden gesproken. 5.3.2

Diversiteit

De typische deelnemer aan alle onderzochte burgertoppen is geboren en getogen in Nederland, ouder dan 50 jaar en heeft een hbo- of academische opleiding. Dat wil niet zeggen dat mensen met andere achtergrondkenmerken niet aanwezig zijn, maar ze zijn sterk ondervertegenwoordigd. De typische deelnemer is verder iemand die stemt, maar opvallend genoeg niet noodzakelijkerwijs ook iemand die al actief is bij wijkavonden, burgerpanels of bewonerscommissies. Wel zijn het vaak mensen die al betrokken zijn bij buurtactiviteiten. De typische deelnemer is, tot slot, niet cynisch als het gaat om het functioneren van de gemeenteraad en het gemeentebestuur.1 Dit is op hoofdlijnen het beeld van de deelnemers dat naar voren komt in de surveys die zijn gehouden kort na de burgertoppen. In tabel 5.1 gaan we meer in detail in op de vijf burgertoppen en de opleiding, leeftijd en etnische achtergronden van de deelnemers. 1. De gemiddelde score op een vijfpuntsschaal voor politiek cynisme, waarbij 1 staat voor politiek cynisch, is steeds boven de 3.0 (met als hoogste 3.30 in Amersfoort). Amsterdam vormt hierop een uitzondering met een score van 2.90.



5 Loting en diversiteit. Te hoge verwachtingen

Tabel 5.1

Achtergrondkenmerken deelnemers in percentages*

Opleiding

Leeftijd

Etnische achtergrond

Amersfoort

Uden

Kruiskamp

Amsterdam

Laag

8

15

6

11

9

Midden

15

28

9

14

14

Hoog

77

57

85

75

77

16-29

5

2

9

12

14

30-49

35

20

64

10

31

50 en ouder

60

78

27

78

55

Nederlands

n.b.

90

97

79

84

2 8

0 3

7 14

8 8

Westers Niet-westers

Groningen

* De tabel is samengesteld op basis van de surveys en de gevonden patronen zijn geverifieerd op basis van observaties ter plekke en interviews met de initiatiefnemers en organisatoren. Precieze cijfers zijn niet te geven, omdat wij geen inzicht mogen hebben in de persoonsgegevens van deelnemers. Politici, ambtenaren en gespreksleiders zijn buiten de analyse gehouden.

De gegevens uit tabel 5.1 lopen we per burgertop langs, met opnieuw een onderscheid tussen loting en zelfselectie. • In Amersfoort is er een zekere diversiteit, doordat ook werkgevers en kunstenaars zijn uitgenodigd. Kijken we naar de achtergrondkenmerken van de deelnemers, dan valt vooral op dat de deelnemers van 50 jaar en ouder sterk vertegenwoordigd zijn, evenals de hogeropgeleiden. De deelname van mensen met een niet-westerse achtergrond is beperkt. • In Kruiskamp is de groep hogeropgeleiden sterk vertegenwoordigd, meer nog dan bij de andere G1000’en. Wat leeftijd betreft, is vooral de middengroep tussen 30 en 50 jaar aanwezig. Opnieuw zijn mensen met andere achtergronden dan de Nederlandse zwak vertegenwoordigd, terwijl Kruiskamp een wijk is met zeer veel verschillende nationaliteiten; meer dan 38 procent behoort tot de groep met een nietwesterse achtergrond (Amersfoort in cijfers 2015). Tijdens de laatste bijeenkomst van de G1000 Kruiskamp waren er nog veertien deelnemers van wie niemand jonger dan 35 jaar en één met een niet-westerse achtergrond (zie ook hoofdstuk 6). • In Groningen valt vooral op dat alle leeftijdscategorieën goed vertegenwoordigd zijn. In vergelijking met de meeste burgertoppen zijn er ook wat meer jongeren.

Verder is het patroon hetzelfde als bij de overige burgertoppen: het opleidingsniveau van de deelnemers is hoog en de achtergrond van de deelnemers is overwegend Nederlands. Het beeld van deze drie G1000’en met loting komt sterk overeen met wat we tot nu toe hebben gezien bij de meer klassieke vormen van burgerparticipatie, al is het aandeel van de vrouwelijke deelnemers hoger dan bij de klassieke vormen en zijn de aantallen deelnemers fors hoger dan bijvoorbeeld bij interactief bestuur. Hoewel er wat lokale verschillen zijn – zo is er in Kruiskamp aanvankelijk een grote groep dertigers en veertigers en in Groningen doen wat meer jongeren mee – is de diversiteit van de



G1000. Ervaringen met burgertoppen

deelnemers gering. Dit in tegenstelling tot de verwachtingen van de voorstanders van loting en de hoop van vele lokale organisatoren. Ter vergelijking kijken we vervolgens naar de G1000 in Uden en de Burgertop in Amsterdam, waar geen loting werd toegepast. • In Uden valt vooral op dat er veel ouderen zijn en weinig jongeren. Mensen met een niet-westerse achtergrond waren maar heel beperkt aanwezig. Vergeleken met andere gemeenten zijn er minder hogeropgeleiden, maar dit heeft ook met de bevolkingssamenstelling te maken. De beperkte aanwezigheid van jongeren en mensen met een niet-westerse achtergrond kan voor een deel te maken hebben met de keuze van de betreffende dag: het was zaterdag (veel andere activiteiten voor jongeren) en het was de dag van het offerfeest. Bij de keuze van de datum was de organisatie zich van dit laatste niet bewust. • In Amsterdam zijn eveneens de hogeropgeleiden sterk vertegenwoordigd. De surveygegevens laten ook zien dat er veel ouderen aanwezig waren, hoewel observaties ter plekke dat beeld enigszins nuanceren. En opnieuw is de groep met een niet-westerse achtergrond beperkt; al is die groter dan bij de andere burgertoppen, vergeleken met de Amsterdamse bevolking gaat het om een duidelijke onder-vertegenwoordiging. Qua diversiteit ziet het er in Uden en Amsterdam grotendeels hetzelfde uit als bij de G1000’en met loting.

In een vergelijking met de gegevens van het CBS over de betreffende gemeenten (www.statline.cbs.nl) zien we dat bij alle onderzochte toppen er meer ouderen en meer hoogopgeleiden aanwezig waren dan op basis van de verdeling in de gemeente zou worden verwacht. Er was bovendien in Amsterdam en Kruiskamp een kleiner aandeel niet-westerse allochtonen dan in de gemeente respectievelijk de wijk. Of nu gekozen wordt voor loting of voor een open uitnodiging, voor de diversiteit van de groep deelnemers maakt het weinig uit. Hét voorbeeld is de G1000 in België. Maar ook daar leidde loting, ondanks veel media-aandacht, uiteindelijk tot zo’n 500 bevestigde deelnemers die overwegend tot de blanke middenklasse behoren en tussen de 45 en 50 jaar oud zijn. De organisatie van de G1000 België heeft er uiteindelijk op het laatste moment voor gekozen via netwerken en organisaties gericht groepen te benaderen, waaronder jongeren en migranten.

.

DISCUSSIE EN AANBEVELINGEN

David van Reybrouck is met Tegen Verkiezingen een belangrijke inspiratiebron geweest voor de komst en verspreiding van de G1000 in Nederland. Hoewel hij in het dankwoord aangeeft zonder de G1000 nooit aan dit boek te zijn begonnen, komt de term G1000 in het boek vrijwel niet voor en al zeker geen blauwdruk voor een G1000 vergelijkbaar met Bouricius’ model voor ‘multi-body sortition’. Van Reybrouck ziet loting als een manier van rekrutering die naast voordelen ook enkele nadelen kent:

5 Loting en diversiteit. Te hoge verwachtingen



‘Elk deliberatief project moet beslissen hoe het burgerpanel eruit zal zien. Als burgers zichzelf mogen aanmelden, weet je zeker dat ze gemotiveerd en betrokken zullen zijn. Nadeel van zo’n zelfselectie is wel dat je voornamelijk mondige, hoogopgeleide, blanke mannen van boven de dertig krijgt, de zogenaamde “professionele burgers”. Niet ideaal. Als de rekrutering per loting gebeurt, krijg je meer diversiteit, meer legitimiteit, maar ook meer onkosten: het samenstellen van een goede, representatieve steekproef is duur en de niet-vrijwillige deelnemers die je dan krijgt zullen minder voorkennis hebben en kunnen sneller ten prooi vallen aan desinteresse. Zelfselectie verhoogt de efficiëntie, loting de legitimiteit. Soms wordt er geopteerd voor een tussenvorm: eerst loting gevolgd door zelfselectie, of eerst zelfselectie gevolgd door loting.’ (Van Reybrouck, 2013: 82)

Ons onderzoek naar de G1000’en in Amersfoort, Kruiskamp en Groningen laat zien dat van die hoge verwachtingen van loting weinig terecht is gekomen. Ze hebben het in dat opzicht niet beter gedaan dan de G1000 in Uden of de Burgertop in Amsterdam (zelfselectie) en ook nauwelijks beter dan de klassieke vormen van burgerparticipatie. Het grote probleem is dat veel inwoners weliswaar zijn ingeloot, maar uiteindelijk besluiten niet mee te doen. De ‘niet-vrijwillige deelnemers’ die Van Reybrouck noemt, bestaan niet; iedereen die deelneemt, doet dat vrijwillig. Vele duizenden uitnodigingsbrieven leveren enkele honderden deelnemers op. Degenen die wel komen, lijken veel op de participatie-elite: ze zijn hoog opgeleid, autochtoon, wat ouder, actief betrokken bij hun buurt en hebben vertrouwen in de politiek (vrijwel iedereen gaat stemmen bij verkiezingen). Met andere woorden: veel jongeren, allochtonen en burgers die politiek cynisch zijn, laten een G1000 links liggen. Loting wordt op die manier alsnog zelfselectie, met gebrek aan diversiteit en legitimiteit en ook nog eens met de nodige kosten. In dit hoofdstuk hebben we betoogd dat loting geen wondermiddel is tegen democratische vermoeidheid. Dat wil niet zeggen dat we het idee van loting meteen overboord zetten, maar er dient beter te worden nagedacht over het proces van loting zelf en meer te worden gedaan in aanvulling op loting.

We schetsen hierna drie opties. Geen G1000 maar een G150 De ervaring leert dat geen enkele G1000 tot nu toe daadwerkelijk 1000 deelnemers heeft weten te bereiken. Meer dan 9 op de 10 mensen die worden ingeloot, besluiten om uiteenlopende redenen niet te komen. Wie per se op 1000 deelnemers wil komen, zal kortom tussen de 15.000 en 20.000 uitnodigingen moeten versturen. En dan is alleen nog maar aan het gewenste aantal voldaan: er is geen zekerheid dat daarmee ook voor diversiteit is gezorgd. Een variant kan dus zijn om het getal 1000 los te laten en binnen de groep die is ingeloot en zich heeft aangemeld een nadere selectie van bijvoorbeeld 150 deelnemers te maken, op basis van een aantal achtergrondkenmerken (leeftijd, opleiding, etnische achtergrond).



G1000. Ervaringen met burgertoppen

De moeite van het deelnemen Er wordt een behoorlijke inspanning en tijdsinvestering van de deelnemers gevraagd. Niet iedereen kan zomaar een hele zaterdag vrij maken voor een G1000. Er lijkt een brede consensus te zijn dat tegenover deelname een passende vergoeding hoort te staan. Tot nu is er door alle lokale organisaties van de burgertoppen voor gekozen dit niet te doen en te rekenen op de bereidheid van deelnemers tijd vrij te maken. Bij de recent gehouden stadsgesprekken in Utrecht over duurzame energie en het Burgerforum Kiesstelsel uit 2006 kregen de deelnemers wel een vergoeding. Ook hier was enige bias qua leeftijd en opleiding, maar het gezelschap was diverser dan bij de G1000’en. Bovendien was er niet de grote uitval van deelnemers die we in Kruiskamp hebben gezien. Meer dan loten alleen Wanneer representativiteit en diversiteit belangrijk worden gevonden, moet in aanvulling op het loten gericht worden geworven onder bepaalde groepen, zoals jongeren en allochtonen. Dit kan onder meer via mond-tot-mondreclame, social media, buurthuizen en religieuze instellingen. Bestaande contacten met organisaties en sleutelfiguren kunnen daarbij behulpzaam zijn. Los van het loten zijn er nog andere drempels die deelname aan een G1000 in de weg kunnen zitten.

De nadruk ligt op taal en gesprek, terwijl sommige mensen zich misschien meer thuis voelen bij andere, minder talige communicatievormen. Ook kan worden gekeken naar mogelijkheden om G1000’en op locatie dichtbij de potentiële deelnemers te houden (scholen, buurthuizen, sportclubs) in plaats van te verwachten dat mensen de reis naar een centrale locatie ondernemen.

LITERATUUR Amar, A.R. (1984). Choosing Representatives by Lottery Voting. Yale Law Journal, 93 (7), 1283-1308. Bakker, J., B. Denters & P.-J. Klok (2011). Welke burger telt mee(r) in de doe-democratie? Beleid en Maatschappij, 38(4), 402-418. Bouricius, T. (2013). Democracy Through Multi-Body Sortition: Athenian Lessons for the Modern Day. Journal of Public Deliberation, 9(4), Article 11. Bovens, M. & A. Wille (2011). Diplomademocratie. Over de spanning tussen meritocratie en democratie. Amsterdam: Bert Bakker. Delannoi, G., O. Dowle & P. Stone (2013). The Lottery as a Democratic Institution. Paris: Policy Institute, Studies in Public Policy 28. Gastil, J. & R. Richards (2013). Making Direct Democracy Deliberative through Random Assemblies. Politics & Society, 41(2), 253-281. Malkoupolou, A. (2015). The Paradox of Democratic Selection: Is Sortition Better than Voting? In: K. Palonen & J.M. Rosales (ed.) Parliamentarism and Democracy Theory: Historical and Contemporary Perspectives (pp. 229-253). Leverkusen: Barbara Budrich.

5 Loting en diversiteit. Te hoge verwachtingen



Michels, A. (2012). Citizen participation in local policy making: design and democracy. International Journal of Public Administration, 35(4), 285-292. Michels, A. & L. de Graaf (2010). Examining Citizen Participation: Local Participatory Policy Making and Democracy. Local Government Studies, 36(4), 477-491. Sociaal en Cultureel Planbureau (2015). De sociale staat van Nederland 2015. Den Haag: SCP-publicatie 2015-34. Van Reybrouck, D. (2013). Tegen verkiezingen. Amsterdam: De Bezige Bij. Vereniging Nederlandse Gemeenten (2015). Persoonlijke gegevens raadsleden 2015. Geraadpleegd via https://vng.nl/files/vng/2015-persoonlijke-gegevens-raadsleden.pdf. Verhoeven, I. & E. Tonkens (2011). Bewonersinitiatieven: partnerschap tussen burgers en overheid. Beleid en Maatschappij, 38(4), 419-437. Website Burgertop Amsterdam: www.burgertop-amsterdam.nl. Website G1000 Amersfoort: www.g1000amersfoort.nl. Website G1000 Uden: www.g1000uden.nl. Website G1000 Groningen: www.g1000groningen.nl. Website Platform G1000: www.g1000.nu.

DE ROL VAN DIALOOG: G1000 KRUISKAMP IN MICROPERSPECTIEF Marloes Vlind en Peer Smets

INLEIDING Aan de basis van de participatieve democratie staat actief burgerschap, een term die past in het idee van de participatiesamenleving of doe-democratie, waarbij van burgers een grotere participatie en zelfredzaamheid wordt verwacht en gevraagd. Door middel van actief burgerschap worden burgers in staat gesteld actief te participeren in het publieke domein (Tonkens, 2009; Tonkens et al., 2015; Taylor, 2007; Fung & Wright, 2001). Centraal staan hier vraagstukken van insluiting van burgers die achterblijven. Naast onder andere een zorgcoöperatie, burgerjury, burgerpanel en burgerraad, is een burgerforum een van de vormen van burgerparticipatie waarmee wordt geëxperimenteerd (Cohen, 2015; Tonkens et al., 2015). Eén soort burgerforum dat op steeds meer plaatsen in Nederland wordt gebruikt om burgers een platform te geven binnen het huidige democratische bestel is de G1000. Bij een G1000 wordt een deliberatief proces tussen burgers op een fysieke plek gefaciliteerd, waarbij inzichten gedeeld en gewaardeerd worden zonder te streven naar consensus of een meerderheid van stemmen. In dit proces, waarbij de creatie van een gezamenlijke basis gestimuleerd wordt, staat de dialoog centraal.

Waar het in de politieke arena gevoerde debat gaat om de verschillen tussen de betrokkenen en het overtuigen met (ideologische) argumenten, wordt in de dialoog juist de verbinding gezocht (Fishkin & Luskin, 2005). Juist omdat tijdens het gesprek argumenten niet weerlegd hoeven te worden – deelnemers hoeven het niet met elkaar eens te worden – biedt de dialoog ruimte om werkelijk naar elkaar te luisteren (vgl. Van der Geer, 2011). Hierdoor tekent de gespreksdynamiek van de dialoog zich door dat wat herkend en gedeeld wordt in plaats van door dat wat polariseert. Waar een debat zal resulteren in een winnaar en een verliezer, kan bij de dialoog juist gedeeld eigenaarschap van een thema en eventueel gezamenlijke actiebereidheid een uitkomst zijn (zie tabel 6.1). In dit hoofdstuk kijken we naar de theoretische discussies rondom de G1000, waarbij aandacht wordt besteed aan deliberatieve technieken en onderliggende mechanismen. Wij doen dit aan de hand van de G1000 in de Amersfoortse wijk Kruiskamp. Deze WijkG1000 is voortgekomen uit de stedelijke G1000 van Amersfoort die in

 Tabel 6.1

G1000. Ervaringen met burgertoppen

Dialoog versus debat

Dialoog

Debat

Nadruk op het gezamenlijke

Nadruk op verschillen

Werkt verbindend

Werkt polariserend

Luisteren naar elkaar

Vaak slecht luisteren

Eigen ervaring

Onpersoonlijk

Common ground (wij)

Eigen standpunt (ik)

Mogelijke uitkomst: eigenaarschap → actie

Mogelijke uitkomst: winnen/verliezen

2014 plaatsvond. De G1000 Kruiskamp bestond uit zes bijeenkomsten die van november 2014 tot en met januari 2015 gehouden zijn. Door met een microlens te kijken naar het proces van die bijeenkomsten krijgen we zicht op de processen die het verloop zowel positief als negatief beïnvloeden. Hierbij wordt onder meer gebruikgemaakt van inzichten met betrekking tot groepsdynamica, mindsets die de aard van de communicatie beïnvloeden, de creatie van een gezamenlijke basis (common ground) en het activeringsproces waarbij dromen en ideeën omgezet worden in actiebereidheid. Ook wordt hierbij gekeken naar wat verschillende rollen aan tafel (burgers of (semi)overheid) met dit proces doen. Middels participerende observaties tijdens de G1000-bijeenkomsten in Kruiskamp is gekeken naar de dynamiek en interactie tussen de deelnemers aan de dialoogtafels. Tijdens de observaties hebben we onder meer gelet op: • Hoe is de dynamiek van het gesprek? • Wat wordt er gedeeld tijdens het gesprek (kennis, ideologieën, eigen ervaringen, emoties)? • Hoe is de betrokkenheid van de deelnemers? Naast de observaties hebben we voor, tijdens en na de bijeenkomsten informele gesprekken met deelnemers gevoerd. De analyse van het op deze manier verzamelde onderzoeksmateriaal vormt de basis van dit hoofdstuk, dat als volgt is opgebouwd.

Eerst zal aandacht besteed worden aan de microdynamiek van een G1000 in theoretisch perspectief. Vervolgens worden de G1000-bijeenkomsten in Kruiskamp beschreven, geanalyseerd en besproken. Hierbij wordt aandacht besteed aan de dynamiek van het groepsproces en wat hierin bevorderend en belemmerend werkt voor de dialoog. Het betoog wordt afgesloten met een conclusie.

.

T H E O R E T I S C H M I C R O P E R S P E C T I E F O P D E G  

Mechanismen die tijdens een G1000 plaatsvinden, vertonen overeenkomsten met de processen die in een wereldcafé-setting ontstaan (Brown et al., 2002). Tijdens een

6 De rol van dialoog: G1000 Kruiskamp in microperspectief



wereldcafé worden in kleine groepen aan tafels in verschillende gespreksrondes door middel van een dialoog ervaringen en kennis uitgewisseld. Hier komen individuen met eigen uitgesproken ideeën binnen en staan na een tijd niet meer zo op hun eigen strepen. De focus ligt hier steeds meer op hetgeen gedeeld wordt, oftewel de gezamenlijke basis. Deze gezamenlijke basis biedt ruimte voor een, in sociaalpsychologische termen, gedeeld gevoel van eigenaarschap. Dergelijk eigenaarschap verwijst naar het gevoel ergens eigenaar van te zijn, zonder dat het om een object hoeft te gaan dat iemands fysieke eigendom is. Gedeeld eigenaarschap is verbonden aan een ‘wij-houding’, die gelinkt kan worden met een stem te hebben in de beslissingen die dat object aangaan en een gevoel van verantwoordelijkheid onder de betrokkenen (Pierce et al., 2011). Psychologisch eigenaarschap wordt bereikt wanneer er aan twee niveaus wordt voldaan: (1) het symbolische niveau dat over waarden, gedachten en de context gaat en (2) het niveau van de ‘werkelijkheid’, dat over het object zelf gaat en waar bepaalde rechten aan verbonden zijn (Etzioni, 1991). In eerste instantie is het bestaan van een gezamenlijke basis van belang, waarna er door middel van deliberatie naar een consensus toegewerkt wordt (o.a. Fishkin & Luskin, 2005; Fung & Wright, 2001; Levine et al., 2005).

Hierbij kan ook gebruikgemaakt worden van inzichten uit de groepsdynamica, waarbij de groep als holistisch systeem wordt gezien waarvan het geheel meer is dan de som der delen (Remmerswaal, 2008; De Jongh, 2013). Daartegenover kan men het gezamenlijke verliezen als er sprake is van een compromis; een mengsel van ideeën waar de afzonderlijke deelnemers zich niet meer in herkennen. Er is geen volledig zicht op wat er nu precies in de omslag van het ‘ik’ naar het gezamenlijke ‘wij’ gebeurt. Wel is te zeggen dat het delen van verhalen mensen met elkaar kan verbinden. Zo’n groepsontwikkeling is op te delen in verschillende opeenvolgende fasen, waarin ‘losse’ individuen zich (mogelijk) ontwikkelen tot een autonome groep die een gezamenlijk doel nastreeft. Remmerswaal (2008: 105) gaat uit van vijf fasen: 1. Voorfase, waarbij de methoden, werkvormen, groepsgrootte en andere werkcondities worden bepaald, voordat de groep daadwerkelijk gevormd wordt. 2. Oriëntatiefase, waarbij de deelnemers met elkaar en met de werkcondities hebben kennisgemaakt en er onderling vertrouwen wordt gecreëerd. 3. Machtsfase, wanneer er doelen en een taakstructuur zijn gevonden en de aandacht wordt verlegd naar de onderlinge (machts)posities. 4. Affectiefase, waarbij vanuit een toegenomen vertrouwen de onderlinge verhoudingen centraal komen te staan. 5.

Autonomiefase; waarbij de groep zelfstandig functioneert vanuit de zelf ontwikkelde taak- en machtsstructuur. Afhankelijk van het groepsdoel kunnen groepen in verschillende fasen opereren. Niet iedere stagnatie in een bepaalde fase om een groepsdoel nader vorm te geven hoeft



G1000. Ervaringen met burgertoppen

een probleem te zijn. Daarnaast kunnen condities en werkvormen stagnatie bevorderen als zij niet optimaal aansluiten op de deelnemers en het gestelde doel. De plek waar verschillende partijen elkaar kunnen vinden, is een veilige ruimte waar door middel van een dialoog elkaars perspectieven en verantwoordelijkheden met betrekking tot gezamenlijke actie verkend worden. Hierbij is het van belang dat iedere participant zich bewust wordt van elkaars wederzijdse afhankelijkheid en wat zijn/haar actie voor de ander betekent (Janssens & Steyaert, 2001: 185). Dit is niet alleen aan de orde in de interactie tussen burgers onderling, maar ook wanneer – waar Van Reybrouck (2011) voor pleit – het ‘hele systeem’ met elkaar aan tafel zit, inclusief vertegenwoordigers van de (lokale) overheid. Scott (1998) maakt een onderscheid tussen ‘metis’ en ‘techne’. Waar de leefwereld van de burger vooral wordt gekenmerkt door ondernemerschap, kennisontwikkeling op basis van lokale ervaring en het nemen van risico’s (metis), is de systeemwereld van de overheid meer gestoeld op de kennis van professionals en een SMART-aanpak, waarbij procedures, blauwdrukken en risicomijdend gedrag de boventoon voeren (techne). Habermas (2012: 696) wijst, wanneer hij het heeft over de ‘kolonisatie van de leefwereld’, op de dominantie van techne.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://research.vu.nl/ws/portalfiles/portal/21809331/Boogaard_et_al_2016_G1000_ervaringen_met_burgertoppen_webpd.pdf