CConstaterende datAmersfoort
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting TAM-omgevingsplan Plotterweg 38

Raadsvergadering 22 april 2026, gemeente AmersfoortBij agendapunt: Vaststelling TAM-omgevingsplan Plotterweg 3818.173 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Met deze werkwijze wordt voor de transformatie van De Hoef-West voldaan aan de mer-plicht voor alle plannen en projecten die uitvoering geven aan het spelregelkader, zolang: • De te nemen besluiten passen bij de ambities voor De Hoef-West, zoals dat beschreven is in paragraaf 4.1 van het MER; • De te nemen besluiten niet leiden tot significant andere negatieve milieugevolgen dan in het MER beschreven; en • In de toelichting op de besluiten een toetsing plaats vindt aan het spelregelkader. Het nogmaals doorlopen van de formele m.e.r.-(beoordelings)procedure is niet noodzakelijk zolang aan deze eisen wordt voldaan.

datum referentie

2 maart 2026 241109_AdB_RAP_0001_v5.0

Toetsing spelregelkader Aangezien voorliggend plan qua aard en omvang aansluit bij het programma en de opzet van het ontwikkelkader en het spelregelkader voor De Hoef West, wordt in voorliggende situatie niet opnieuw een MER of vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. De beoordeling van milieueffecten van de gehele planontwikkeling heeft immers al integraal plaatsgevonden. Wel wordt het plan natuurlijk ten aanzien van de huidige wet- en regelgeving beoordeeld. Hiertoe is onder andere een actueel stikstofonderzoek uitgevoerd. De actuele toetsing aan wet- en regelgeving wordt in navolgende paragrafen beschreven. De toetsing aan het spelregelkader is uitgewerkt in een separate rapportage Bijlage 2. Conform de spelregels voor hoogbouw is tevens een Hoogbouw Effect Rapportage opgesteld, dit rapport is als bijlage 11 bijgevoegd. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het plan voldoet aan de wet- en regelgeving over milieueffectrapportage. 4.2 Ladder voor duurzame verstedelijking Algemeen De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan of voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist.

Toetsing Ten behoeve van de ladder voor duurzame verstedelijk is een analyse van de kwantitatieve en kwalitatieve nieuwe stedelijke ontwikkeling uitgewerkt welke is opgenomen in bijlage 3. De belangrijkste resultaten worden hier samengevat: • Voorliggende ontwikkeling dient beschouwd te worden als een nieuwe stedelijke ontwikkeling die gelegen is binnen bestaand stedelijk gebied. • Uit de analyse van de kwantitatieve behoefte blijkt dat in de regio en gemeente Amersfoort een duidelijke vraag naar woningen aanwezig is. Uit de plancapaciteit blijkt dat er een bijpassende plancapaciteit is, maar dat deze plancapaciteit maar voor een relatief klein deel uit harde plancapaciteit bestaat. De harde plancapaciteit in de gemeente en in de regio is dus nog niet toereikend om de vraag op te vangen. De druk op de woningmarkt blijft bovendien onverminderd hoog. Met de gebiedstransformatie van de Hoef West is reeds rekening gehouden in de plancapaciteit. Geconcludeerd wordt dat voorliggende ontwikkeling past binnen de kwantitatieve woningbouwbehoefte van het verzorgingsgebied. • Uit de analyse van de kwalitatieve behoefte blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling aansluit op de prognose van de huishoudensontwikkeling in de gemeente Amersfoort.

Gelet op de grootte, het woningtype, het karakter en de ligging van de woningen is de verwachting dat de doelgroep voornamelijk bestaat uit kleine (1, 2 à 3 personen) huishoudensgroepen, bijvoorbeeld in de vorm van starters, senioren, jonge gezinnen en huishoudens zonder kinderen. Als gevolg van de aanwezigheid van liften in de beoogde woongebouwen zijn verschillende woningen levensloopbestendig te noemen. Het gebouw biedt een mogelijkheid om wonen en werken te combineren en past hierdoor bij het karakter van een stadswijk zoals de Hoef West. De doelgroep bestaat uit personen die geïnteresseerd zijn in nieuwe woon- en werkvorming en stadse reuring. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling past in de kwalitatieve behoefte van het verzorgingsgebied. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het plan voldoet aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Er is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De ontwikkeling voorziet in een behoefte binnen bestaand stedelijk gebied.

datum referentie

2 maart 2026 241109_AdB_RAP_0001_v5.0

4.3 Bodem Algemeen Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.

Bij wijzigingen van activiteiten dient aangetoond te worden dat de bodem geschikt (te maken) is voor het beoogde gebruik. Toetsing Ten behoeve van het aspect bodem is een vooronderzoek uitgevoerd welke is opgenomen in Bijlage 4. De conclusie wordt hier samengevat: • Uit het vooronderzoek komt naar voren dat geen informatie bekend is met betrekking tot de aanwezigheid van dempingen, ophogingen, bijmengingen met puin, bodembedreigende activiteiten, installaties en/of calamiteiten. Verder is geen informatie bekend met betrekking tot de aanwezigheid/ het gebruik van asbest. Op basis daarvan wordt geconcludeerd dat de locatie onverdacht is met betrekking tot de aanwezigheid van asbest. • Tot op heden is één onderzoek uitgevoerd naar de milieuhygiënische bodemkwaliteit op de onderzoekslocatie. Uit het onderzoek blijkt dat plaatselijk bijmengingen met puin zijn waargenomen. Uit de analyses blijkt dat zowel de bovengrond, ondergrond als de plaatselijk puinhoudende grond geen verhoogde gehalten bevatten. • Het grondwater bevat plaatselijk sterk verhoogde concentraties met arseen en licht tot matig verhoogde concentraties met lood. De verhoogde concentraties betreffen van nature verhoogde concentraties.

Op basis van de bodemkwaliteitskaart blijkt dat in het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie en directe omgeving daarvan verhoogde concentraties met koper, nikkel, zink en chroom kunnen voorkomen. • Onderdeel van het milieuhygiënisch vooronderzoek is de uitvoering van een terreinverkenning. Pas na het uitvoeren van een terreinverkenning is het vooronderzoek formeel afgerond. De terreinverkenning is bedoeld om te controleren of de gedocumenteerde informatie overeenkomt met de daadwerkelijke situatie ter plaatse en deze aan te vullen met relevante waarnemingen. Een terreinverkenning mag ook voorafgaand aan het veldwerk worden uitgevoerd. In dat geval moeten de resultaten van de terreinverkenning worden gerapporteerd als onderdeel van het vooronderzoek. In het kader van onderhavig milieuhygiënisch vooronderzoek is vooralsnog geen terreinverkenning uitgevoerd. Desondanks is een goed inzicht verkregen in de milieuhygiënisch kwaliteit van de bodem op de onderzoekslocatie. • Aan de hand van het uitgevoerde vooronderzoek wordt geconcludeerd dat er geen actueel beeld is van de milieuhygiënische bodemkwaliteit op de onderzoekslocatie. Er zijn geen recente onderzoeken van de

datum referentie

2 maart 2026 241109_AdB_RAP_0001_v5.0

onderzoekslocatie bekend, het beschikbare onderzoek is gedateerd. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling moet voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning bouwen de bodemkwaliteit worden vastgelegd. Hiervoor moet een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd worden. In een vervolgfase dient dit te worden uitgevoerd. De onderzoeksinspanning behorende bij de onderzoekstrategie voor een ‘onverdachte’ locatie wordt voldoende geacht voor het in kaart brengen van de bodemkwaliteit ter plekke van de onderzoekslocatie. Conclusie Geconcludeerd wordt dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voorzover het de bodemkwaliteit betreft. 4.4 Archeologie en cultuurhistorie Algemeen De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl).

Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Toetsing Archeologie Volgens het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein e.o. en snelwegen’ geldt ter hoogte van het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 3 ’. Het wijzigingsplan ‘Partiele herziening Veegplan B – Archeologie’ (vastgesteld september 2024), is echter actueler dan de archeologische waarden uit het bestemmingsplan ‘Bedrijventerreinen e.o. en snelwegen’ en geldt voor het hele grondgebied van Amersfoort. Volgens het wijzigingsplan geldt ter hoogte van een deel van het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie –3 ’. De voor ‘Waarde - Archeologie – 3’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor bescherming van aanwezige of naar verwachting aanwezige archeologische waarden. Er is geen archeologisch rapport nodig als: A. er sprake is van vervanging, vernieuwing of verandering van de bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van bestaande fundering; B.

er een bouwwerk wordt opgericht waarbij de hiermee samenhangende bodemingrepen niet dieper zijn dan 30 cm; C. er een bouwwerk wordt opgericht waarbij de hiermee samenhangende bodemingrepen wel dieper zijn dan 30 cm, maar niet meer bedragen dan 500 m2. D. er op voorhand door het Centrum voor Archeologie van de gemeente Amersfoort is vastgesteld dat het belang van de archeologie niet onevenredig wordt geschaad. Ten behoeve van de ontwikkeling is er in juli 2024 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd, bijgevoegd als Bijlage 13. Uit dit onderzoek blijkt dat op basis van het onderzoek voor de periode Mesolithicum-IJzertijd een lage verwachting is en voor de periode Vroege Middeleeuwen-Nieuwe Tijd een hoge verwachting vastgesteld. Archeologische vindplaatsen kunnen voorkomen op een diepte vanaf 50 tot 80 cm -Mv (2,6-2,8 m +NAP). In het kader van het doorlopen van een planologische procedure om de realisatie van een nieuw woongebouw met parkeervoorziening in het plangebied mogelijk te maken, wordt geadviseerd om in het plangebied een

datum referentie

2 maart 2026 241109_AdB_RAP_0001_v5.0

proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Dit onderzoek zal uitgevoerd moeten worden op de locatie waar bodemingrepen zullen plaatsvinden die dieper reiken dan circa 30 cm -Mv (circa 3,0 m +NAP). Aangezien het plangebied momenteel nog actief in gebruik is als parkeerplaats kan dit onderzoek nog niet worden uitgevoerd. In een nadere fase van het beoogde initiatief dient derhalve dit onderzoek te worden uitgevoerd en aangetoond te worden dat er geen archeologische resten zijn. Cultuurhistorie Wat betreft cultuurhistorie zijn er binnen en in de directe omgeving van het plangebied geen waarden aanwezig. De aanwezige bebouwing is niet monumentaal en er is ook geen sprake van waardevolle structureren of beschermde stads- en dorpsgezichten. Conclusie Geconcludeerd wordt dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voorzover het archeologie en cultuurhistorie betreft. 4.5 Ontplofbare oorlogsresten Algemeen De Omgevingswet en uitvoeringsregelgeving stellen geen specifieke regels voor ten aanzien van Niet Gesprongen Explosieven (NGE). Vanuit de Omgevingswet dragen gemeenten de zorgplicht voor de fysieke leefomgeving, waarmee het voor gemeenten noodzakelijk is om aandacht aan NGE te besteden. Een aantal gemeenten hebben een risicokaart opgesteld voor de mogelijke aanwezigheid van explosieven.

Daarnaast is het vanuit de arbeidsomstandigheden-regelgeving noodzakelijk om hier aandacht aan te besteden. De Arbeidsomstandighedenwet stelt dat gezorgd moet worden voor een veilige werkplek. De mogelijkheid bestaat dat tijdens oorlogshandelingen gedurende de Tweede Wereldoorlog conventionele explosieven (hierna CE) in of in de directe omgeving van het projectgebied zijn achtergebleven. Indien daar aanleiding toe is kan dit reden vormen om een vooronderzoek uit te voeren conform de WSCS-OCE. Toetsing Uit de risicokaart niet gesprongen explosieven van Gemeente Amersfoort blijkt dat de locatie niet verdacht is voor de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. Conclusie Geconcludeerd wordt dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voorzover het ontplofbare oorlogsresten betreft. 4.6 Bedrijven en milieuzonering Algemeen Bij de beoordeling of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties kan onder andere gedacht worden aan de balans tussen milieubelastende activiteiten en daarvoor gevoelige functies. Voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten dient te worden voorkomen ten behoeve van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. De juridische basis voor activiteiten en milieuzonering is sinds 1 januari 2024 vastgelegd in de Omgevingswet.

Deze wet richt zich op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) om hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten te voorkomen. Dit wordt bereikt door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten, zoals bedrijven, en gevoelige functies, zoals woningen. De Omgevingswet introduceert ook het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en de zogenaamde bruidsschat, die beoordelingsregels voor bedrijven bevatten. In het Bal worden bedrijven gezien als verzamelingen van

datum referentie

2 maart 2026 241109_AdB_RAP_0001_v5.0

milieubelastende activiteiten, milieuvergunningsplichten.

met

algemene

regels

voor

toelaatbare

milieuhinder

en

specifieke

Toetsing De toetsing inzake het aspect milieuzonering dient in te gaan op de beoordeling van een goed woon- en leefklimaat én op het voorkomen van het inperken van de bedrijfsvoering van bestaande bedrijven. Ten aanzien van het borgen van een goed woon- en leefklimaat geldt dat in het geldende omgevingsplan normen voor geur en geluid zijn opgenomen. Hiermee is voor de toekomstige situatie een goed woon- en leefklimaat geborgd. Ten aanzien van het inperken van de bedrijfsvoering van bestaande bedrijven geldt dat er in de directe omgeving van het plangebied geen bedrijven gesitueerd zijn die grote milieugevolgen hebben. In de directe omgeving zijn overwegend kantoorfuncties aanwezig en ter plaatse van het perceel Plotterweg 30 is een kinderdagverblijf aanwezig. Ten aanzien van het kinderdagverblijf kan gesteld worden dat gelet op de afstand (>50 meter) van de toekomstige woningen tot het kinderdagverblijf (inclusief buitenruimte) kan een inperking van de bedrijfsvoering uitgesloten worden. Ten aanzien van de omliggende kantoorfuncties geldt dat er geen grote geluidsbronnen (bijvoorbeeld grote technische installaties op het dak, of laad- en loslocatie) in de nabijheid van het toekomstige woongebouw aanwezig zijn. Gelet hierop kan inperking van de bedrijfsvoering uitgesloten worden.

Conclusie Geconcludeerd wordt dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voorzover het activiteiten en milieuzonering betreft. 4.7 Geluid Algemeen Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl).

Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Toetsing De nieuwbouwlocatie bevindt zich binnen het aandachtsgebied van twee geluidbronsoorten: gemeentewegen en hoofdspoorwegen. Om de beoogde geluidkwaliteit te realiseren of behouden, zijn in de Omgevingswet regels opgenomen. Daartoe zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) voorwaarden opgenomen met betrekking tot het geluid op de gevels van geluidgevoelige gebouwen als gevolg van wegen en spoorwegen. Om te beoordelen of aan deze voorwaarden kan worden voldaan is een akoestisch onderzoek uitgevoerd welke is opgenomen in Bijlage 5. De conclusie wordt hier samengevat:

datum referentie

2 maart 2026 241109_AdB_RAP_0001_v5.0

•

• • •

• • •

Uit de resultaten blijkt dat het geluid door gemeentewegen ten hoogste 62 Lden is op 96 appartementen. Dit is hoger dan de standaardwaarde van 53 Lden, maar overschrijdt de grenswaarde van 70 Lden niet. Gebleken is dat de Rondweg Oost/Outputweg en Plotterweg maatgevend zijn voor de overschrijdingen van de standaardwaarde. Uit de resultaten blijkt dat het geluid door Rijksweg ten hoogste 57 Lden is op 78 appartementen. Dit is hoger dan de standaardwaarde van 50 Lden, maar overschrijdt de grenswaarde van 60 Lden niet. Het geluid door spoorwegen bedraagt ten hoogste 57 Lden bij 5 appartementen. Dit is hoger dan de standaardwaarde van 55 Lden, maar overschrijdt de grenswaarde van 65 Lden niet. Gebleken is dat het treffen van andere geluidreducerende bron- en overdrachtsmaatregelen om het geluid door de gemeentewegen, rijkswegen en spoorwegen te beperken, stuit op overwegende bezwaren van verkeerskundige, stedenbouwkundige en financiële aard. Ook voldoet het aanleggen van een geluidreducerend asfalt op gemeentewegen niet aan de checklist uit de Beslisboom. Het gecumuleerd geluid bedraagt ten hoogste 63 Lcum. Het gezamenlijk geluid bedraagt ten hoogste 63 Lden. De benodigde geluidwering van de gevels dient ten hoogste 30 dB (63 Lden – 33 dB) te bedragen. Om een geluidluwe geveldeel te realiseren, kan een afsluitbare loggia of balkon worden gerealiseerd.

Hiermee kan worden voldaan aan de voorwaarden uit het (onder de Wet geluidhinder) vastgestelde geluidbeleid van de gemeente Amersfoort.

Conclusie Geconcludeerd wordt dat voor het merendeel van de appartementen voldaan wordt aan de standaardwaarden voor geluid. Bij een aantal appartementen is sprake van geringe overschrijdingen van de standaardwaarde. Maatregelen bij de bron of in het overdrachtsgebied stuiten op bezwaar van stedenbouwkundig of financieel oogpunt. Maatregelen moeten daarom worden getroffen bij de ontvanger, bijvoorbeeld in de vorm van een afsluitbaar balkon of loggia. De situatie voldoet aan het gemeentelijk geluidbeleid. Geconcludeerd wordt dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voorzover het de geluid betreft. 4.8 Externe veiligheid Algemeen Het aspect omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over

datum referentie

2 maart 2026 241109_AdB_RAP_0001_v5.0

het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Toetsing Voor het bepalen van de aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van het plangebied is het Register Externe Veiligheid (REV) geraadpleegd. In het REV zijn mogelijke risicosituaties opgenomen die kunnen leiden tot rampen en ongevallen en zijn per risicobron de risicoafstanden en aandachtsgebieden opgenomen. In de directe nabijheid van het plangebied zijn een aantal risicovolle inrichting, transportroutes of gasleidingen aanwezig, namelijk: 1.

Twee transportroutes van gevaarlijke stoffen over het spoor ten westen en noorden van het plangebied; 2. Een transportroute van gevaarlijke stoffen over de weg ten noorden en oosten van het plangebied (rijksweg A1 en A28).

Figuur 9: Plangebied ten opzichte van risicobronnen

datum referentie

2 maart 2026 241109_AdB_RAP_0001_v5.0

Zoals in figuur 9 te zien is ligt het plangebied buiten de aandachtszones voor brand en explosie van de nabijgelegen transportroutes voor transport van gevaarlijke stoffen. Ook de rijkswegen (A1 en A28) bevinden zich op ruim voldoende afstand (>900m) van het plangebied om een risico te vormen met betrekking tot brand- en explosiegevaar voor het initiatief. Het plangebied bevindt zich wel binnen het gifwolkaandachtsgebied van het spoor ten zuiden van het plangebied. De afstand voor het gifwolkaandachtsgebied is 300 meter. Als maatregel daarvoor is afsluitbare mechanische ventilatie toepasbaar, wat een standaard eis is volgens het Besluit bouwwerken leefomgeving. De afsluiting van de ventilatie dient op een makkelijk bereikbare locatie (zoals een meterkast) te zitten. Het plangebied ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour, deze vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Vanwege de ligging in het aandachtsgebied is aandacht besteed aan de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid bij een ramp: Bestrijdbaarheid: Vanuit de brandweerkazerne Amersfoort Noord is de locatie binnen 4 minuten te bereiken, vanuit de brandweerkazerne Amersfoort-centrum binnen 10 minuten. Geconcludeerd wordt dat het plangebied en diens directe omgeving goed bereikbaar is voor de brandweer. Bij een calamiteit zal de brandweer vooral inzetten op het beperken of voorkomen van effecten.

Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. Wel is het van belang dat zich in het plangebied voldoende bluswatervoorzieningen bevinden. Het is te veronderstellen dat gezien het gegeven dat de locatie in de bestaande situatie reeds bebouwing kent, voldoende voorzieningen hiervoor aanwezig zijn. Zelfredzaamheid: De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. Bij een calamiteit is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij een gifwolk is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. Tevens wordt geadviseerd vluchtwegen van de bron af te situering om de zelfredzaamheid te vergroten. Conclusie Geconcludeerd wordt dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voorzover het externe veiligheid betreft. 4.9 Luchtkwaliteit Algemeen De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in het Bkl.

Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). In artikel 5.50 en 5.51 van het Bkl zijn de situaties opgenomen waar de beoordeling van de kwaliteit van de buitenlucht van toepassing is: • Artikel 5.50 betreft de aanleg van een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van ten minste 100 meter, de wijziging van een wegtunnelbuis waarbij de lengte met tenminste 100 meter toeneemt, of de aanleg van een autoweg of autosnelweg. • Artikel 5.51 betreft specifieke aandachtsgebieden.

datum referentie

2 maart 2026 241109_AdB_RAP_0001_v5.0

Wanneer een ontwikkeling niet in betekend mate (NIBM-criterium) bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit dan is een nadere beoordeling aan artikel 5.50 en 5.51 Bkl niet noodzakelijk. In het Bkl zijn standaardgevallen opgenomen die altijd voldoen aan het NIBM-criterium. Toetsing De gemeente Amersfoort is niet aangewezen als aandachtsgebied luchtkwaliteit, waardoor toetsing aan de luchtkwaliteit-normen niet benodigd is. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK), sinds 1 januari 2023 het nieuwe instrument voor de ondersteuning van monitoring van de luchtkwaliteit. Het dichtstbijzijnde maatgevende meetpunt ligt op circa 100 meter ten oosten van het plangebied aan de Outputweg. Hieruit volgt dat ter plaatse de jaargemiddelde concentraties NO2 12,4 µg/m³, PM10 15,7 µg/m³ en PM2,5 8,6 µg/m³ betreffen. De concentraties blijven hiermee ruim onder de gestelde grenswaarden, zoals opgenomen in artikel 2.4 en 2.5 Bkl (NO2: 40 µg/m³, PM10: 40 µg/m³ en PM2,5: 25 µg/m³). Daarmee kan worden gesteld dat met betrekking tot luchtkwaliteit binnen het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Woningbouwontwikkelingen zijn NIBM (niet in betekende mate) als het gaat om maximaal 1.500 woningen bij 1 ontsluitingsweg en maximaal 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen. Gezien de realisatie van het aantal woningen blijft het initiatief ruim onder deze grenswaarden en kan daarom getypeerd worden als NIBM. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het initiatief. 4.10 Natuurwaarden Algemeen Een van de thema's die op grond van de Omgevingswet onderdeel uitmaakt van de fysieke leefomgeving is de natuur. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. Op grond van de Omgevingswet moeten bestuursorganen bij het uitoefenen van hun taken zorg dragen voor de bescherming van natuurwaarden. Als uitwerking van Europese richtlijnen richt deze waarborg voor de kwaliteit en integriteit van natuurwaarden zich op de bescherming van (kwetsbare) soorten en gebieden, onder andere door het beperken van de uitstoot en neerslag van stikstof in de natuur. De soortenbescherming richt zich in het nationale beleid op de soorten die in de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Nationaal beschermde soorten zijn aangewezen. De gebiedsbescherming richt zich op de Natura 2000gebieden, de gebieden aangewezen als Natuur Netwerk Nederland en houtopstanden.

Tot slot richt de natuurbescherming zich in het kader van de Omgevingswet op het thema faunabeheer. Toetsing Ten behoeve van het aspect natuurwaarden is een verkennend natuuronderzoek uitgevoerd welke is opgenomen in Bijlage 6. De conclusie wordt hier samengevat: In oktober 2024 is er ten behoeve van de ontwikkeling een Quickscan flora en fauna uitgevoerd. In deze quickscan zijn de geschiktheid van de habitat voor beschermde plant- en diersoorten en de verwachte effecten op deze soorten beoordeeld op basis van een gebiedsanalyse (ruimtelijk ecologisch), beschikbare soortgegevens en een eenmalige veldverkenning. Dit resulteerde in de volgende conclusies en aanbevelingen: • Natuurnetwerk Nederland: Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Door de geplande werkzaamheden zal geen NNN-gebied verloren gaan. Gezien de lokale aard van ingreep, de huidige situatie en tussenliggende elementen zijn effecten op het dichtstbijzijnde NNN-gebied niet te verwachten.

datum referentie

2 maart 2026 241109_AdB_RAP_0001_v5.0

•

•

•

Natura2000 activiteit: Het plangebied ligt niet binnen Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied, ‘Arkemheen’, ligt op circa 5,8 kilometer van het plangebied. Door de voorgenomen ingrepen gaat geen Natura 2000-gebied verloren. Effecten op het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied door externe invloeden van de werkzaamheden, zoals geluid, licht, menselijke aanwezigheid en trilling, zijn gezien de beperkte ingreep, de afstand en de tussenliggende elementen op voorhand uitgesloten. Een AERIUSberekening is noodzakelijk om de effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofemissie in kaart te brengen. Deze AERIUS-berekening is uitgewerkt in de volgende paragraaf en daaruit blijkt dat er geen sprake is van stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden. Houtopstanden: Het plangebied ligt niet binnen de bebouwingscontour houtkap. Het onderdeel houtopstanden is dan ook niet van toepassing. Indien in het plangebied bomen worden gekapt en/of geveld dient te worden voldaan aan de bepalingen uit het vigerende gemeentelijke beleid. Flora- en fauna- activiteit: In het kader van de Omgevingswet moet worden getoetst of er door de ingreep sprake is van negatieve effecten op (potentiële) vaste rust- en verblijfsplaatsen of belangrijke onderdelen van leefgebied van (beschermde) plant- en diersoorten.

Uit het onderzoek blijkt het volgende: Vleermuizen: De bebouwing is potentieel geschikt als zomer-, kraam- en paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, ruige dwergvleermuis en tweekleurige vleermuis. Het volume van de bebouwing is voldoende om geschikt te zijn als massawinterverblijfplaats voor gewone dwergvleermuis. Voor verblijfplaatsen van vleermuizen is nader onderzoek benodigd. Overige soorten: Op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezige habitats en de biotoopeisen van individuele diersoorten is de aanwezigheid van overige beschermde soorten op de locatie uitgesloten.

Conclusie Geconcludeerd wordt dat er ten aanzien van natuurwaarden, met uitzondering van vleermuizen, geen belemmeringen zijn te verwachten. De aanwezigheid van vleermuizen dient nader onderzocht te worden. Dit onderzoek wordt in een nadere fase uitgevoerd en wordt bij het verlenen van de omgevingsvergunning getoetst. 4.11 Stikstof Algemeen Met de invoering van de Omgevingswet is de Wet natuurbescherming opgegaan in de Omgevingswet. Het beschermingsniveau van Natura 2000-gebieden is onder de Omgevingswet niet gewijzigd. Het is zonder omgevingsvergunning niet toegestaan om een activiteit uit te voeren die significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Toetsing Ten behoeve van het aspect stikstof is een AERIUS-berekening uitgevoerd welke is opgenomen in Bijlage 7. Uit de berekening blijkt dat de totale stikstofemissie tijdens de realisatiefase en de gebruiksfase niet leidt tot stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden (niet hoger dan 0,00 mol/ha/jaar). De emissie van stikstof leidt dus niet tot significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Daarmee kan geconcludeerd worden dat de stikstofemissie geen belemmering oplevert voor de planontwikkeling. Conclusie Geconcludeerd wordt dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voorzover het stikstof betreft.

4.12 Water Algemeen In de Omgevingswet staat integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’ centraal. De wet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen,

datum referentie

2 maart 2026 241109_AdB_RAP_0001_v5.0

waaronder de Kaderrichtlijn water. In de Omgevingswet is ook het Nationaal Waterprogramma opgenomen, zodat het Rijksplan voor het waterbeleid van Nederland geïntegreerd is in de nieuwe wetgeving. Dit programma is opgesteld als vervolg op 22 december 2015 vastgestelde Nationaal Waterplan 2016-2021. Het Nationaal Waterplan gaf de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. In het Nationaal Water Programma 2022-2027 wordt het Nationaal Waterplan en het Beheer- en ontwikkelplan integraal opgepakt, zodat het Rijk zich voor kon bereiden op de komst van de Omgevingswet. Om ervoor te zorgen dat de waterbelangen een goede plek krijgen en evenwichtig worden afgewogen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt de watertoets uitgevoerd. Ook onder de Omgevingswet is dit proces vastgelegd maar dan onder de noemer 'weging van het waterbelang'. Toetsing Ten behoeve van de weging van het waterbelang is een rapport opgesteld waarin het waterbeleid is uitgewerkt, de kenmerken van het gebied zijn omschreven en de waterbelangen voor het plangebied zijn bepaald. Deze rapportage is opgenomen in Bijlage 8.

De belangrijkste conclusies worden hier samengevat: • Vanuit het Convenant Toekomstbestendig bouwen wordt duidelijk dat de hoeveelheid neerslag wat het perceel dient te kunnen bergen gelijk is aan de maatgevende T=100 bui met een neerslagduur van 12 uur. Dit is op basis van het convenant een hoeveelheid van 121 mm over het gehele perceel. Hieruit wordt duidelijk dat de waterbergingsopgave 308 m 3 betreft. • Er is beoogd om een groen dak te realiseren op het gebouw. Er zijn veel verschillende typen en soorten groene daken, resulterend in variërende waterbergingscapaciteiten en kosten. Geadviseerd wordt om in de vervolgfase na te gaan of de dakconstructie sterk genoeg is om een groen dak te ondersteunen. Daarnaast wordt geadviseerd om het ontwerp van de wadi verder uit te werken en vervolgens de bergingscapaciteit te berekenen. Tezamen kan worden vastgesteld of wordt voldaan aan de waterbergingsopgave. • Het is aan te raden om met langdurige metingen nader vast te stellen of grondwaterstanden structureel minder dan 0,70 m onder maaiveld kunnen liggen. Ondanks dat naar verwachting de ontwateringsdiepte meer dan 0,7m betreft, is dit van belang omdat er ter plaatse van het plangebied geen grondwaterstandsgegevens bekend zijn en in het toekomstig ontwerp is beoogd om een ondergrondse (fietsen)kelder te realiseren.

• Op enkele locaties in het plangebied kan een waterdiepte van 5 tot 10 cm ontstaan. Tevens bevindt het plangebied zich in ‘overstroombaar’ gebied. Het is noodzakelijk om in een vervolgfase de vitale functies (energievoorziening, communicatie, noodvoorzieningen, archieven) verhoogd (in het gebouw) aan te brengen. Wateroverlast betreft hiermee al een aandachtspunt in onderhavig initiatief. • Er is sprake van een gescheiden rioolstelsel. Voor wat betreft riolering is het raadzaam om in contact te gaan met de gemeente voor wat betreft de aansluiting van het gebouw op het rioolstelsel. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het initiatief indien bovenstaande punten in een vervolgfase van het project worden meegenomen. 4.13 Verkeer en parkeren Algemeen De verkeersgeneratie van functies, het afwikkelen van het verkeer door de gemeente en het voorzien in voldoende parkeergelegenheid bij functies zijn van belang bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. Verkeersen parkeeroverlast moet voorkomen worden. Bij nieuwe ontwikkelingen dienen deze onderwerpen op hun gevolgen voor de leefomgeving beoordeelt te worden.

datum referentie

2 maart 2026 241109_AdB_RAP_0001_v5.0

Toetsing Parkeren Ter plaatse van de Plotterweg 38 dient er te voorzien in de parkeerbehoefte van twee ontwikkelingen, te weten: • Het programma voor de Plotterweg 38: 136 appartementen verdeeld over middenhuur laag, middenhuur hoog en vrije sector; • Het programma voor de Plotterweg 30: 75 sociale huur appartementen. Ten behoeve van het woonprogramma van beide percelen, het reeds aanwezige werkprogramma dienen in totaal 272 parkeerplaatsen gerealiseerd te worden. Hierbij is rekening gehouden met de inzet van deelmobiliteit en dubbelgebruik. In bijlage 11 is de volledige parkeerbalans weergegeven. Rekening houdend met het vervallen van 30 parkeerplaatsen op maaiveld aan de Plotterweg 30 komt de parkeerbehoefte voor deze twee ontwikkelingen neer op 302 parkeerplaatsen die gerealiseerd dienen te worden aan de Plotterweg 38. Het beoogde ontwerp omvat een parkeergarage met 285 parkeerplaatsen. Daarnaast blijven er op maaiveld nog 51 parkeerplaatsen beschikbaar. In totaal betreft hiermee het aanbod 336 parkeerplaatsen en voorziet daarmee ruim in de parkeerbehoefte van 302 parkeerplaatsen. Ten aanzien van de parkeerplaatsen op maaiveld geldt dat dit een tijdelijke situatie betreft gebaseerd op bestaande (huur)overeenkomsten. In de toekomst zullen deze parkeerplaatsen vervallen en worden deze gronden ook groen ingericht.

Verkeer De gemeente Amersfoort heeft in het kader van het milieueffectrapport voor De Hoef uitgebreid onderzoek laten uitvoeren naar het aspect verkeer. Dit verkeersonderzoek is uitgevoerd door Royal HaskoningDHV op 1 juli 2019. Dit onderzoek bevat een integrale beschouwing van de verschillende beoogde ontwikkelingen en de effecten daarvan op verkeersveiligheid en verkeersafwikkeling. In dit verkeersonderzoek zijn verschillende alternatieven uitgewerkt voor een goede en veilige verkeersafwikkeling. De voorkeursvariant betreft de situatie waarin het autoverkeer zoveel mogelijk over de inprikkers van De Hoef West worden verdeeld. In figuur 10 is de verkeersstructuur bij deze voorkeursvariant weergegeven. Ter plaatse van het plangebied wordt er verder ingezet op voldoende fietsparkeervoorzieningen om de nabijgelegen NS station (Schothorst) te faciliteren en autogebruik te ontmoedigen. Ook wordt er ingezet op het versterken van de openbare ruimte rondom de toekomstige bebouwing om een verbinding te creëren tussen de Netwerklaan en de Plotterweg. Uit bovenstaande wordt duidelijk dat er reeds veel onderzoek is gedaan naar verkeersveiligheid en verkeersafwikkeling ter plaatse van het plangebied en De Hoef West.

Bij opvolging van de bovengenoemde uitgangspunten in een nadere vervolgfase kan geconcludeerd worden dat het aspect verkeer geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling.

datum referentie

2 maart 2026 241109_AdB_RAP_0001_v5.0

Figuur 10: Verkeersstructuur bij voorkeursvariant 1 met P+R t.h.v. de Disketteweg.

Conclusie Geconcludeerd wordt dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voorzover het verkeer en parkeren betreft. 4.14 Trillinghinder Algemeen Trillingen kunnen nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ze kunnen effect hebben op het welzijn of schade aan gebouwen veroorzaken. De Omgevingswet beschermt (delen van) gebouwen. Artikel 5.80 van het Bkl wijst gebouwen of gedeeltes van gebouwen met de gebruiksfunctie 'wonen' aan als trillinggevoelige gebouwen. Hieronder vallen alle gebouwen met een woonfunctie, zoals woningen en verzorgingshuizen. Woonschepen en woonwagens vallen niet onder de woonfunctie. In het kader van een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' dient beoordeeld te worden of het aspect trillingen bij trillingsgevoelige gebouwen een rol speelt. Toetsing De gemeente Amersfoort heeft in het kader van het milieueffectrapport voor De Hoef uitgebreid onderzoek laten uitvoeren naar het aspect trillingen in het gebied. Het gebied ligt namelijk langs spoorwegen welke trillinghinder kunnen veroorzaken. De resultaten van het onderzoek zijn uitgewerkt in het rapport ‘De Hoef Amersfoort, Trillingsonderzoek t.b.v. MER, WeBoost, 3 november 2020’.

Op basis van het trillingsonderzoek blijkt dat het plangebied volledig in de lichtgroene zone ligt waarin grotere woningen en kantoren zonder nader onderzoek mogelijk zijn. Geconcludeerd wordt dat trillinghinder in het plangebied niet te verwachten is. Conclusie Geconcludeerd wordt dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voorzover het trillingen betreft.

datum referentie

2 maart 2026 241109_AdB_RAP_0001_v5.0

4.15 Hoogbouweffecten 4.15.1 Windhinder Algemeen Windhinder is een aspect van de fysieke leefomgeving. De Rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving geen instructieregels opgesteld. Daarom heeft de gemeente de vrijheid om deze zelf in te vullen. Daarbij kan de gemeente gebruikmaken van alle mogelijkheden van het instrument omgevingsplan. Conform het gemeentelijk beleid moet er een windonderzoek worden uitgevoerd voor gebouwen hoger dan 30 meter. Voor gebouwen tot 30 meter moet door een specialist worden beoordeeld of windonderzoek nodig is. De doelstelling van het onderzoek is om het windklimaat inzichtelijk te maken. Hierbij wordt windhinder en windgevaar op voetgangersniveau bepaald aan de hand van de richtlijnen in ‘NEN8100:2006’. Dit met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Toetsing De ontwikkeling bestaat uit een woontoren van 10 woonlagen en een vernieuwing van het huidige kantoorpand met. Het inpassen van de nieuwbouw zal leiden tot een wijziging van het lokale windklimaat. Dit kan zorgen voor een situatie die als onprettig of gevaarlijk wordt ervaren. Daarnaast vragen de functies van de gebouwen en het verwachte gebruik van de openbare buitenruimte om een acceptabel comfortniveau ten aanzien van wind. Het is dan ook noodzakelijk het windklimaat inzichtelijk te maken, zodat mogelijke knelpunten kunnen worden aangepakt.

Ten behoeve van de ontwikkeling is door Actiflow een windonderzoek uitgevoerd. De volledige rapportage is bijgevoegd in Bijlage 9. De mate van windhinder en windgevaar is in kaart gebracht voor (i) de situatie met vegetatie, (ii) de situatie zonder vegetatie en (iii) een gemiddelde dat gezien kan worden als een weerspiegeling van het gehele jaar. Hieronder worden de belangrijkste resultaten en conclusies van het onderzoek kort behandeld: • Het heersende windklimaat in het projectgebied wordt geclassificeerd als windhinderklasse A (geschikt voor alle activiteiten). • Door het windluwe klimaat rondom het projectgebouw wordt ook bij de entrees geen hinder verwacht. • Er is geen risico of beperkt risico op windgevaar gevonden in het plangebied Conclusie Geconcludeerd wordt dat de invloed van de nieuwbouw op het windklimaat beperkt is en dat er na realisatie een acceptabel windklimaat zal heersen. Conform het windhinderonderzoek voldoet het aspect ‘windhinder’ met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.15.2 Bezonning Algemeen Het aspect bezonning is een aspect van de fysieke leefomgeving. Hierdoor vormt het onderdeel van de taak van de gemeente voor het evenwichtig toedelen van functies aan locaties (artikel 2.4 en 4.2 Omgevingswet) in het omgevingsplan. De rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving geen instructieregels opgesteld.

Daarom heeft de gemeente de vrijheid om deze zelf in te vullen. Daarbij kan de gemeente gebruikmaken van alle mogelijkheden van het instrument omgevingsplan. De gemeente Amersfoort biedt geen lokaal beleid waaraan getoetst kan worden. Desondanks vormt de beoordeling van bezonning een belangrijk afwegingsaspect voor de ruimtelijke kwaliteit. Bij gebrek aan zowel nationaal als lokaal beleid is het gebruikelijk een onderzoek naar bezonning uit te voeren volgens de TNO-norm, zoals beschreven in het TNO-rapport 'Daglichttoetreding en bezonning in de

datum referentie

2 maart 2026 241109_AdB_RAP_0001_v5.0

woonomgeving'. Opgemerkt dient te worden dat het toepassingsbereik van deze norm beperkt is tot woningen, specifiek het midden van de vensterbank bij een raam van de woonkamer. Toetsing Ten behoeve van de ontwikkeling is door Actiflow een bezonningsonderzoek uitgevoerd. De volledige rapportage is bijgevoegd in Bijlage 10. Het onderzoek heeft als doel de schaduwwerking en directe zonuren rondom het plangebied inzichtelijk te maken. Hierbij is een vergelijking gemaakt tussen de huidige en toekomstige situatie. Het onderzoek brengt de beschaduwing in de openbare ruimte en de directe bezonning op gevels rondom het plangebied in kaart, waarbij 19 februari is gehanteerd als referentiedag volgens de "lichte" TNO-norm. Uit de analyse blijkt onder andere dat de beschaduwing voornamelijk impact heeft op het gebied direct ten oosten en ten westen van de nieuwbouw. De gebouwen in deze gebieden hebben voornamelijk andere functies dan wonen. Alleen een kantoor dat recentelijk is getransformeerd naar woningen, aangegeven met een rode cirkel in onderstaande figuur , wordt beïnvloed door het nieuwbouwproject.

Figuur 11: Schaduwanalyse 19 februari toekomstige situatie

In de omgeving van de Plotterweg te Amersfoort zijn momenteel geen woonfuncties aanwezig. Wel zijn er plannen voor woningbouw rondom het plangebied. Omdat deze plannen nog niet definitief zijn en de indeling nog kan veranderen, is in het bezonningsonderzoek niet naar het midden van de vensterbank gekeken als referentiepunt, maar is de gevel als geheel beschouwd. Uit de resultaten blijkt dat de impact van de ontwikkeling op de omliggende bebouwing beperkt blijft tot één wooncomplex. Binnen dit complex neemt het aantal directe zonuren op sommige locaties met meer dan drie uur af. De nieuwbouw zorgt er voor dat enkele meetpunten nu onder de gestelde norm van twee uur directe bezonning per dag vallen. Wanneer gekeken wordt naar de specifieke plattegronden van het wooncomplex aan de Plotterweg 30, dan kan geconcludeerd worden dat het hierbij gaat om een woonruimte op de begane grond en twee appartementen (één op de eerste en de andere op de tweede verdieping). Deze woningen voldoen daarmee niet langer aan de 'lichte' TNO-norm (= minimaal 2 bezonningsuren per dag). Ondanks dit effect, is de impact van de voorgenomen ontwikkeling relatief beperkt, gezien de beoogde dichtheid in Hoefkwartier en het

datum referentie

2 maart 2026 241109_AdB_RAP_0001_v5.0

lage aantal appartementen dat hierdoor getroffen wordt. De TNO-norm betreft een richtlijn, ofwel advies, en is geen harde eis. Derhalve kan gesteld worden dat er wel sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, ondanks dat enkele woningen niet langer voldoen aan de ‘lichte’ TNO-norm. Conclusie Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat de invloed van de ontwikkeling op de gevels van de omliggende gebouwen zeer klein is en dat er sprake is van een acceptabele situatie in relatie tot bezonning. 4.16 Gezondheid Algemeen De Omgevingswet bevat instrumenten die overheden kansen bieden om de leefomgeving op een gezonde manier te beïnvloeden. Door de integrale benadering van de leefomgeving via de instrumenten van de Omgevingswet, kan gezondheid eerder een plek krijgen in de ruimtelijke afweging. Daarmee kan gezondheid een meer sturende rol krijgen. De Omgevingswet bevat de volgende artikelen die ingaan op het thema gezondheid: • In artikel 1.3 van de Omgevingswet staan de maatschappelijke doelen van de wet. Een van die doelen is een gezonde fysieke leefomgeving. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden.

• In artikel 3.3 van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag in de omgevingsvisie rekening moet houden met het voorzorgsbeginsel en andere milieubeginselen. • In artikel 2.1 lid 4 van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toedeling van functies (in het omgevingsplan) in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid. • Over gezondheid in de omgevingsvergunning gaan de artikelen 5.32 en 5.42 lid 4 van de Omgevingswet en de artikelen 8.101 en 8.102 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze artikelen zien op het lozen op een oppervlaktewaterlichaam of zuiveringstechnisch werk en milieubelastende activiteiten. Toetsing De provincie Utrecht streeft in haar omgevingsbeleid naar een gezonde en veilige leefomgeving. Denk aan woonmilieus (dichtheid en type bebouwing), de aanwezigheid van voorzieningen (winkels, openbaar vervoer, scholen, ziekenhuizen, etc.), de mate van functiemenging voor aantrekkelijke woon-, werk- en leefmilieus en de kwaliteit van groen en water in de leefomgeving. Maar zeker zo belangrijk is de sociale omgeving en de veiligheid van de leefomgeving. Om prettig te kunnen wonen, moeten mensen zich thuis kunnen voelen. En mensen moeten zich veilig voelen, zowel sociaal als in het verkeer. Ook een gezonde leefomgeving is belangrijk.

Het gaat dan zowel om zaken die te maken hebben met het milieu, als om de mate waarin de openbare ruimte de bewoners uitnodigt om gezonde keuzes te maken in wonen, werken, recreatie en vervoer. Gezondheidsbeschermende maatregelen Uit de beoordeling van de milieuthema’s blijkt dat ten aanzien van de aspecten geluid, bodemkwaliteit, externe veiligheid, luchtkwaliteit en trillingen geen negatieve gezondheidseffecten zijn te verwachten. Gezondheidsbevordende maatregelen Het plangebied en de ruimte daaromheen worden als onderdeel van de gebiedstransformatie veel toegankelijker gemaakt voor voetgangers en fietsers. De openbare ruimte wordt ingericht volgens het principe ‘groen tenzij’. Verhardingen worden alleen gemaakt daar waar echt nodig. In de straten, pleinen en in het Hoefpark komt veel groen. Een voorbeeld hiervan is het Hoefpark, zie onderstaande figuur voor een impressie. Het Hoefpark ligt centraal in de wijk en is een plek waar ruimte is voor spelen, sporten en ontmoeten, maar waar ook veel groen, water en ecologie aanwezig is.

datum referentie

2 maart 2026 241109_AdB_RAP_0001_v5.0

Figuur 12: Vogelvluchtperspectief van het Hoefpark

Gezondheidsbeleving Een goede en groene invulling van de buitenruimte, mede mogelijk gemaakt middels het Hoefpark, zal een impuls betekenen voor biodiversiteit, klimaat en gezondheid. Vanuit de woningen is er direct zicht op groen wat voor een gezonde beleving van de ruimte zorgt. De gemeente Amersfoort heeft daarnaast in haar Omgevingsvisie verschillende gezondheidsambities benoemd. Amersfoort streeft naar een CO2-neutrale, circulaire en klimaatadaptieve leefomgeving met versterkte groene en blauwe structuren. De stad stimuleert bewegen door veilige wandel- en fietsroutes en openbare fitnessplekken, zoals in het Hoefpark. Nieuwe gebouwen integreren groene daken, gevels en binnentuinen om stedelijke biodiversiteit en luchtkwaliteit te verbeteren. Maatregelen zoals regenwateropvang en vergroening van openbare ruimte verminderen wateroverlast en hittestress. Amersfoort bevordert inclusiviteit met een divers woningaanbod en ontmoetingsplekken voor sociale netwerken. De omgevingsvisie heeft de volgende ambities gesteld: • Een prettige, gezonde en inclusieve omgeving te bereiken en behouden: hier wordt invulling aan gegeven door per milieuaspect te kijken of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Aspecten zoals bodem, water, lucht, geluid, geur, licht en omgevingsveiligheid zijn in voorgaand hoofdstuk getoetst.

Uit deze toetsing blijkt dat er voor al deze aspecten van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. • Het verminderen van geluidshinder van weg- en spoorweglawaai: door de ontwikkeling van het hoefkwartier zal geluidshinder in de omgeving afnemen. Door geluidluwe gevels zal slaapverstoring van de nieuwe gebruikers van de hoef tot een minimum beperkt worden. • Snelheidsverlaging: door de ontwikkeling van het Hoefkwartier worden de wegen opnieuw ingericht. De wegen zullen voetgangersvriendelijk ingericht worden waardoor de snelheid op de wegen zal afnemen. Dit draagt bij aan de mate van geluidshinder. • Geurhinder verminderen en beperken: aan de hand van de kaarten van de provincie Utrecht is de achtergrondgeurbelasting bepaald van zowel industrie en veehouderijen. Het plangebied ligt buiten de contouren van de industrie en veehouderijen. Het initiatief betreft geen geur-emitterende instelling.

datum referentie

2 maart 2026 241109_AdB_RAP_0001_v5.0

• •

Luchtkwaliteit verbeteren: dit aspect is beschreven in paragraaf 6.10. Het initiatief heeft geen negatieve invloed op de luchtkwaliteit. Risico’s rond opslag en transport van gevaarlijke stoffen zoveel mogelijk terugdringen: dit aspect is beschreven in paragraaf 4.8. Het initiatief is niet gelegen in een aandachtsgebied van een risicovolle instelling. Het plangebied is welk gelegen binnen een gifwolkaandachtsgebied vanwege het spoor. Als maatregel daarvoor is mechanisch afsluitbare ventilatie toepasbaar, wat een standaard eis is volgens het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Conclusie Geconcludeerd wordt dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voorzover het gezondheid betreft.

datum referentie

2 maart 2026 241109_AdB_RAP_0001_v5.0

5

Uitvoerbaarheid

5.1 Economische uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Als op voorhand duidelijk is dat de toegedachte functie om financiële redenen op langere termijn niet zal worden gerealiseerd, behoort de functie niet mogelijk te worden gemaakt. In plaats van een uitvoerbaarheidstoets zal het omgevingsplan een onuitvoerbaarheidstoets bevatten. Het omgevingsplan mag namelijk geen regels bevatten die op voorhand onuitvoerbaar zijn. Uit deze ruimtelijke motivering blijkt dat het plan niet onuitvoerbaar is. Kostenverhaal Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Het gaat over overheidskosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen. Bijvoorbeeld kosten voor het wijzigen van het omgevingsplan en het aanleggen van openbare voorzieningen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het exploitatieplan komen te vervallen. Het Publiekrechtelijk kostenverhaal is daarmee geïntegreerd in het omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De gemeente en een initiatiefnemer hebben een overeenkomst gesloten over het kostenverhaal en nadeelcompensatie voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: een zogenoemde 'anterieure overeenkomst'. De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Participatie Voor de gebiedstransformatie van het Hoefkwartier is op verschillende manieren participatie ingezet. Zo wordt er een aantal keer per jaar het HoefCafé georganiseerd en worden er bewonersavonden georganiseerd. Overige belanghebbenden (buurpercelen kantoor/bedrijfsgebouwen) zijn geïnformeerd over de planvorming. Ook komen betrokken partijen in het Hoefkwartier regelmatig samen in de Hoefkwartiermakerstafel. Deze bestaat uit vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties, corporaties, ontwikkelaars, onderwijsinstellingen en de gemeente. Zij komen regelmatig samen met als doel het samenbrengen van alle belangen uit het gebied. Ze werken gezamenlijk aan de ontwikkeling van het gebied, ontplooien initiatieven voor de placemaking en helpen evenementen in het gebied tot stand te komen. Met de gemeente en de betrokkenen uit Hoefkwartier werken ze samen aan de invulling van de plannen voor de openbare ruimte en met ontwikkelaars en eigenaren werken ze aan het tijdelijk gebruik van eventueel leegstaande kavels en gebouwen. Afgelopen 10 april 2025 heeft er een informatiebijeenkomst plaatsgevonden. Het doel van deze avond was om bewoners en belanghebbenden te informeren over de huidige plannen, ontwikkelingen en de toekomstige visie voor het gebied.

Gedurende het interactieve gedeelte zijn de volgende onderwerpen besproken: • Woningaanbod en betaalbaarheid; • Verkeersimpact en mobiliteit; • Duurzaamheid en groenvoorzieningen; • Bezonning en privacy. Tevens is gedurende deze informatiebijeenkomst vermeld dat ook in de toekomst participatiemomenten zullen worden georganiseerd. Belangstellenden werden uitgenodigd om mee te denken via een op te zetten website van de projectontwikkelaar en komende informatiebijeenkomsten. De betrokkenheid van bewoners en stakeholders zal een belangrijke rol blijven spelen in de verdere ontwikkeling van de Plotterweg 38. Een verslag van de informatiebijeenkomst is als bijlage 14 bijgevoegd.

datum referentie

2 maart 2026 241109_AdB_RAP_0001_v5.0

Procedure De procedure tot vaststelling van dit TAM-Omgevingsplan volgt de uitgebreide procedure van de Algemene wet bestuursrecht (Awb, afdeling 3.4). Dat betekent dat de volgende stappen worden doorlopen: • In het kader van het wettelijk vooroverleg worden andere bestuursorganen gevraagd om hun reactie te geven op het plan. Deze reacties worden verwerkt in het ontwerp TAM-omgevingsplan. • Het ontwerp TAM-omgevingsplan heeft van 12 december 2025 tot en met 22 januari 2026 ter inzage gelegen. Eenieder heeft in die periode hun zienswijze kenbaar kunnen maken. Gedurende deze periode zijn er 2 zienswijzen ontvangen welke niet hebben geleid tot aanpassingen van het TAM-omgevingsplan. Deze zienswijzen zijn samengevat en beantwoord in de zienswijzennota die als bijlage 16 bij deze motivering is bijgevoegd. • Het TAM-omgevingsplan wordt vastgesteld door de gemeenteraad indien sprake is van meerderheid van stemmen.

datum referentie

2 maart 2026 241109_AdB_RAP_0001_v5.0

6

Juridische planbeschrijving

Dit TAM-omgevingsplan wordt als een nieuwe paragraaf opgenomen in hoofdstuk 22K van het omgevingsplan van de gemeente Amersfoort. Het TAM-omgevingsplan wordt bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening, op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. Het TAM-omgevingsplan wordt in een later stadium opgenomen in het definitieve omgevingsplan van de gemeente Amersfoort. Het 'TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22K Plotterweg 38' bestaat uit de volgende onderdelen: De ruimtelijke motivering In de ruimtelijke motivering is de ontwikkeling beschreven en verantwoord in het licht van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zowel op basis van het beleid als op basis van milieuhygiënische aspecten, aangevuld met een toelichting op de juridische opzet. De regels De regels worden zoals gezegd opgenomen als afzonderlijke paragraaf binnen hoofdstuk 22K van het omgevingsplan van de gemeente Amersfoort. De regels bevatten onder andere thematische regels, activiteitgerichte regels, gebruiksactiviteiten en bouw- en gebruiksregels, die zijn gekoppeld aan werkingsgebieden op de digitale verbeelding.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16811411/1