Dossier Externe Veiligheid
Tekst van het document
,
,
Toelichting Het gaat hier om een lokale afwijking van de norm voor slagschaduw. Voor de afbakening van het beschermingsbereik wordt geadviseerd aan te sluiten bij de systematiek en begripsbepalingen van artikel 5.89f eerste lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Op deze manier kan worden geborgd dat de bescherming wordt geboden aan de relevante gebouwen en wordt naast een andere no rmering zo min mogelijk afgeweken van gebruikelijke toepassing. Dit zorgt er onder andere voor dat de bescherming gemakkelijker toe te passen is binnen bestaande handhavingsstrategieën. ,
,
De expliciete registratieplicht stelt aan de voork ant heldere afspraken over de informatie die door de exploitant wordt bijgehouden. Dit zorgt ervoor dat er op het moment van controle duidelijk heid is voor alle partijen welke informatie overhandigt moet kunnen worden. Conclusie Door de afbakening van het beschermingsber eik te baseren op artikel 5.89f eerste lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving en een expliciete registratieplicht vast te leggen wordt een effectieve en handhaafbare bescherming van relevante gebouwen geborgd ,
,
,
.
pagina 2 van 7
Geluid Voorschriften Wij adviseren aan te sluiten bij de volgende voorschriften: Geluidnormen 1. De geluidsbelasting veroorzaakt door de windturbines mag niet hoger zijn dan 45 dB L dB L night op de gevel van gevoelige gebouwen tenzij deze zijn gelegen op een gezoneerd industrieterrein.
den en 39
,
2.
Het equivalent geluidniveau L Aeq10min op de gevel van gevoelige gebouwen veroorzaakt door de windturbines mag niet hoger zijn dan 43 dB(A).
3.
Het geluid op een beoordelingspunt mag geen tonaal karakter hebben. De tonaliteit moet worden aangetoond conform de kritische bandbreedtemethode volgens ISO 1996 -2:2017 bijlage J. Indien tonaliteit is aangetoond geldt er een toeslag van 5 dB op het jaarge middelde geluidniveau L den en dienen de windturbines te worden teruggeregeld totdat de tonaliteit is
,
,
weggenomen.
Handhaving 1. Uiterlijk 3 maanden voor de start van de bouw van de windturbines moet aan het bevoegd gezag meegedeeld worden welk type windturbine gerealiseerd wordt. Hierbij dient een akoestisch rapport te worden overgelegd waarin de geluidbelasting op de gevel van geluidsgevoelige objecten wordt weergegeven. In dit rapport moet beschreven welke geluidreducerende modus er wordt gehanteerd om aan de geluidnormen te voldoen. 2.
Uiterlijk 6 maanden na de commerciële ingebruikname van het windpark moet door de exploitant door middel van een bronsterktemeting worden beoordeeld of het bronvermogen overeenkomt met de door de fabrikant verstrekte gegevens. De bronsterktemeting wordt de standaard meetmethode als bedoeld in hoofdstuk 1 van de meet - en rekenmethode geluid windturbines (Bijlage IVi van de Omgevingsregeling. Rapportage hierover aan het bevoegd gezag moet plaatsvinden uiterlijk 2 maanden na uitvoering van de meting.
3.
Jaarlijks moet door de exploitant door middel van berekening van de jaargemiddelde bronsterkte over het voorgaande kalenderjaar worden aangetoond dat aan de geluidnormen is voldaan. Hierin worden de volgende gegevens geregistreerd: de emissieterm L E zijnde het jaargemiddelde geluidvermogen per octaafband dat door de turbine wordt uitgestraald gebaseerd op de effectieve werking gedurende het afgelopen kalenderjaar’; de voor de duur van een handhavingsmeting benodigde gegevens ter bepaling van de windsnelheid op ashoogte. De gegevens worden gedurende vijf jaar bewaard. ,
,
Toelichting Geluidsnorm L den & L night De wettelijke normen voor windprojecten van 1 of 2 windturbines zijn te vinden in het Omgevingsplan gemeente Amersfoort (19 november 2025) en het Omgevingsplan Gemeente Soest (25 april 2025). Hierbij is aangesloten bij de het ‘Ontwerpbesluit windturbines l eefomgeving’ wat een norm voor de geluidsbelasting ter plaatse van geluidgevoelige gebouwen van 45 dB L den en 39 dB L night voorstelt. Deze norm is strenger dan de wettelijke norm zoals die op dit moment in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving staat. Wanneer aan de norm van het Ontwerpbesluit voldaan wordt wordt tevens aan de wettelijke norm voldaan. ,
,
pagina 3 van 7
De indicatoren L den en L night geven de jaargemiddelde geluidbelasting weer ; L den beschouwt het geluid geproduceerd over een etmaalperiode waarbij de avond - en nachtperiodes zwaarder wegen dan de dagperiode. L night beschouwt het geluid wat slechts in de nachtperiode (23:00 – 07:00) wordt geproduceerd. De geluidbelasting wordt berekend uit het jaargemiddelde geluidvermogen van de windturbine verminderd met de gemiddelde geluidoverdracht naar het immissiepunt. Het geluidvermogen is per windturbine vastgesteld ; de fabrikant laat aan de hand van laboratoriumonderzoek een certificaat opstellen voor de windturbine met een opgave van de bronsterkte per octaaf of per tertsband gerelateerd aan de windsnelheid. De geluidniveaus van de windturbines naar de omgeving en de perioden waarin deze optreden zijn in kaart gebracht in een akoestisch rapport van adviesbureau Bosch & van Rijn (d. d. 22 oktober 2025). n. Met de opzet en inhoud van dit rapport kunnen wij instemme jaargemiddelde geluid wordt beoordeeld op basis van de representatieve bedrijfssituatie oftewel Het de geluidsemissie die de windturbines onder normale omstandigheden veroorzaken.
Geluidsnorm L Aeq10min In het convenant van 19 november 2025 is vastgelegd dat er een dialoog heeft plaatsgevonden tussen initiatiefnemer en de Omgevingsadviesraad (OAR) waarin afspraken zijn gemaakt over de bouw de exploitatie en de uiteindelijke verwijdering van twee windtur bines. Hierin is afgesproken is dat de maximale geluidsbelasting aan de gevel van geluidsgevoelige objecten wordt beperkt tot 43 dB(A) L Aeq Deze norm geldt gedurende de volledige exploitatie zowel overdag als ’s nachts (24 uur) en wordt vastgelegd in de vergunningaanvraag. De keuze voor 43 dB(A) is gebaseerd op het verwachte maximaal optredende geluidniveau die door een windturbine op een gevel kan worden veroorzaakt. Afhankelijk van weers - en windomstandigheden kan dit geluidniveau 2 tot 4 dB hoger liggen dan het jaargemidd elde geluidniveau.1 Gelet op het jaargemiddelde geluidniveau in de nachtperiode L van night 39 dB(A) wordt het maximaal optredende geluidniveau hiermee 43 dB(A). Bij het bepalen van het L Aeq10min wordt gebruik gemaakt van de Meet - en rekenmethode geluid windturbines (bijlage IVi van de Omgevingsregeling) waarbij de volgende stappen worden doorlopen: 1. Bepaal de bronsterkte per octaafband en per relevante windsnelheidsklasse van de windturbines conform de Meet - en rekenmethode ; bronsterkte wordt door middel van meting bepaald gedurende een meting van ten minste 2. De minuten.
meting moet plaatsvinden bij het in bedrijf zijn van beide windturbines. Er 10 De wordt een middelingstijd van 10 minuten gehanteerd om de bijdrage van kortsto ndig stoorgeluid te minimaliseren ; 3. Bepaal het immissieniveau (L Aeq ) bij het toetspunt conform de overdrachtsmethode beschreven in paragraaf 2. 5 t/m 2. 13 van de Meet - en rekenmethode en de formules 2. 2 en 2. 3 uit paragraaf 2. 3. 4. Bepaal de hoogste waarde van het immissieniveau bij de meest relevante windsnelheidsklasse. Deze waarde wordt gelijkgesteld aan het L Aeq10min Tonaliteit Normaal functionerende moderne windturbines produceren een geluid dat omschreven kan worden als breedbandige ruis die in sterkte varieert in het ritme van de draaiende bladen. Bij de normering van geluid van windturbines is hierom weinig tot geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat windturbines (laagfrequente) tonen kunnen produceren. De ervaring met enkele bestaande windparken geeft wel aanleiding om voor te schrijven dat een controle moet plaatsvinden op de aanwezigheid van tonen. Het is deze tonaliteit die aandacht trekt en leidt tot hinder en in enkele gevallen tot slaapverstoring. Tonen zijn immers beter waarneembaar dan breedbandige ruis waaruit geluid van windturbines ,
,
,
,
,
,
.
,
,
,
,
,
,
,
1
.
Nederlandse geluidsnormen in internationaal perspectief , E. Koppen , Arcadis , Windnieuws nr. 4 , 2015. pagina 4 van 7
standaard bestaat. Om handhavend te kunnen optreden in geval van tonaliteit is hierom in de omgevingsvergunning een aanvullende handhavingsnorm opgenomen. - en Voor het bepalen van tonaliteit is aangesloten bij de methode zoals die in het Meet rekenvoorschrift geluid industrie wordt gehanteerd (Omgevingsregeling Bijlage IVh). Hierin is aanbevolen om gebruik te maken van de norm ISO 1996 behulp van deze norm -2:2017 bijlage J. Met kan op kwantitatieve wijze de mate van tonaliteit worden vastgesteld op basis van de hoorbaarheid van de toon. Deze mate van tonaliteit wordt uitgedrukt middels de grootheid Kt. Alleen als de grootheid Kt in genoemde norm tenminste 5 dB bedraagt kan sprake zijn van tonaal geluid. Een tertsbandanalyse geeft in de regel onvoldoende informatie. Indien er sprake is van klachten met betrekking tot (laagfrequent) tonaal geluid zullen er geluidmetingen worden verricht. In eerste instantie bij de klager om vast te stellen of er sprake is van een tonaal karakter. Vervolgens moet worden vastgesteld of het geluid door de windturbine wordt geproduceerd. Dit wordt vastgesteld met behulp van een immissiemeting conform Bijlage IVi van de Omgevingsregeling. De geluidmetingen worden verricht op betrekkelijk korte afstand van de turbine.
Langdurige monitoring en nulmetingen In de dialoog tussen de initiatiefnemer en de Omgevingsadviesraad (OAR) is door de OAR de wens uitgesproken om een structureel monitoringsprogramma met representatieve meetlocaties rond de windturbines op te zetten. De OAR wil dat nulmetingen voorafgaand a an de exploitatie worden uitgevoerd en dat de metingen periodiek worden herhaald om veranderingen in de geluidsniveaus te volgen. Hierop werd afgesproken dat er vier vaste meetpunten worden ingericht die dienen voor nulmeting periodieke controle en herhal ingsmetingen. het oordeel van de is deze aanpak in de praktijk lastig uitvoerbaar en is de kans groot dat Naar ODU de geluidmetingen slechts een beperkt betrouwbaar en realistisch beeld opleveren. Dit komt doordat de metingen onder zo veel mogelijk vergelijkbare (meteo -)omstandigheden en omgevingsfactoren moeten plaatsvinden zodat de resultaten op een consistente manier met elkaar vergeleken kunnen worden. Factoren zoals weersomstandigheden omgevi ngsfactoren en wisselende bedrijfsomstandigheden van de turbines en de duur van de meetperiode hebben aanzienlijke invloed op de vóór en ná uitkomsten. Dit roept de vraag op of dergelijke resultaten een betrouwbaar en volledig beeld (kunnen) geven van de g eluidsbelasting in de praktijk.
worden de windturbines geplaatst op het industrieterrein Isselt waar al een verhoogd Tevens omgevingsgeluid is toegestaan door de verschillende bedrijven en industrieën in de directe omgeving (RWZI betoncentrales afvalverwerkers). Dit bemoeilijkt het be trouwbaar isoleren van de specifieke geluiden uit de omgeving en van de windturbines aanzienlijk. Gelet op de moeilijkheid om metingen onder exact gelijke omstandigheden uit te voeren acht de ODU het meten van geluid vóór en na plaatsing van de windturbines bij woningen in deze context beperkt bruikbaar als objectieve maatstaf. Hoewel een nulmeting en een vervolgmeting een indicatieve indruk kunnen geven van veranderingen in geluidsniveaus moeten de resultaten door hun beperkte betrouwbaarheid met grote voorzichtigheid worden geïnterpreteerd en is het de vraag of zij een volledig realistisch beeld vor men. Bovendien vormen zij geen juridisch houdbare basis. ,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
Conclusie Geadviseerd wordt de geluidsnormen voor Lden en Lnight conform het Omgevingsplan en het Ontwerpbesluit windturbines leefomgeving als toetsingskader te hanteren aangevuld met een aanvullende norm voor maximaal toelaatbaar geluid (LAeq10min) en een handhaafbare norm voor tonaliteit. Hiermee wordt zowel aangesloten bij een strengere en toekomstbestendige normering als voorzien in adequate mogelijkheden voor toezicht en handhaving bij specifieke hinder. Het uitvoeren van structurele nulmetingen en langdurige monitoring bij woningen wordt niet aanbevolen omdat deze in de industriële geluidsomgeving beperkt betrouwbaar zijn en geen juridisch robuuste basis ,
,
,
vormen.
pagina 5 van 7
Externe Veiligheid Voorschriften ment wordt voorgesteld om als voorschrift op te nemen dat voordat de bouw In het aangeleverde docu van de windturbines plaats vindt aangetoond wordt dat de trefkansen opgenomen in tabel 1 niet mastverstev iging toe te passen om te kunnen overschreden worden Daarnaast wordt voorgesteld om voldoen aan deze trefkansen. .
1 Maximale toegestane trefkansen installatie Smit & Zoon Bladbreuk Mastbreuk Opslagtanks Smit & 841E-06 181E-05 Zn Mierenzuur 505E-05 175E-05 Hal P 780E-08 199E-05 Hal E 737E-05 226E-05 Silos Hal O 427E-08 183E-05 Reactieruimte 518E-08 188E-05 Poedermengruimte 565E-08 188E-05 Laden/lossen 253E-05 199E-05 Tank T28 309E-08 174E-05 Leidingbrug 110E-05 181E-05
Tabel
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
Wanneer aan de waarden voor de trefkans normwaarden voor het plaatsgebonden risico.
Totale trefkans 265E-05 ,
680E-05 200E-05 963E-05 184E-05 188E-05 188E-05 452E-05 174E-05 290E-05 , , , , , , , , ,
uit tabel 1 wordt
voldaan wordt ook voldaan
aan
de
Toelichting Doordat de installaties van Smit & Zoon kunnen worden getroffen kan het risico voor de omgeving toenemen. Het Handboek Omgevingsveiligheid schrijft voor dat dergelijke domino -effecten in de beoordeling worden betrokken. Er is daarom onderzoek gedaan naar mogelijke domino-effecten van de windturbines op de installaties van Smit & Zoon. Uit de risicoanalyse blijkt dat de maatgevende plaatsgebonden -risicocontour van Smit & Zoon toeneemt als gevolg van de aanwezigheid van de windturbines. De eigenschappen van de windturbines zijn in dit onderzoek conservatief ingeschat. Zonder aanvullende m aatregelen neemt deze risicocontour zodanig toe dat deze over een bouwvlak met een woonbestemming in het omgevingsplan komt te liggen. Hierdoor ontstaat een knelpunt omdat in dat geval niet kan worden voldaan aan de normwaarden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. Uit aanvullend onderzoek blijkt dat dit risico kan worden verlaagd door te ontwerpen op een hogere windklasse bijvoorbeeld door toepassing van een mastversteviging. Als hiermee rekening wordt gehouden neemt het risico weliswaar nog toe maar blijft de risicocontour buiten het bouwvlak in het omgevingsplan. In dat geval is er geen sprake meer van een knelpunt als gevolg van domino -effecten richting de installaties van Smit & Zoon.
Daarnaast is de verwachting dat in 2027 nieuwe rekenregels worden vastgesteld voor de bepaling van de omgevingsrisico’s van windturbines. Toepassing van deze rekenregels leidt naar verwachting eveneens tot lagere trefkansen. Door het opnemen van maximale trefkansen voor de installaties van Smit & Zoon als doelvoorschrift kan op basis van de feitelijke situatie worden geborgd dat wordt voldaan aan de normwaarden voor het plaatsgebonden risico. Deze maximale trefkansen kunnen worden gerealiseerd door toepassing van een verstevigde mast maar ook door andere technische maatregelen of door toepassing van aangepaste rekenregels. Hiermee wordt geborgd dat wordt voldaan aan de normwaarden voor het plaatsgebonden risico. ,
,
,
,
,
,
,
,
pagina 6 van 7
Conclusie Door het treffen van ontwerpmaatregelen en het vastleggen van maximale trefkansen als doelvoorschrift kan worden geborgd dat domino -effecten van de windturbines niet leiden tot overschrijding van de normwaarden voor het plaatsgebonden risico van de install aties van Smit & Zoon.
pagina 7 van 7
Omgevingsdienst
ter \// Utrecht Advies
Externe
Veiligheid
Aan
Gemeente
T.a.v.
(geanonimiseerd)
Onderwerp
vies
DSO-nummer
-
QRA
Wind
op
Isselt
Amersfoort
Veiligheid
Externe
-
QRA
Wind
op Isselt
2026012800782
AdviseurROM
(geanonimiseerd) Gm
Telefoon
(geanonimiseerd)
Datum
10-04-2026
Kenmerk
Z/26/2002578
/ D2026-1048666
Inleiding In het kader
veiligheid ten bate van ‘Wind op Isselt’ is onderzoek gedaan inrichting Smit & Zoon. In dit onderzoek is beschouwd wat het toegevoegde risico is voor de installaties van de inrichting en is inzichtelijk gemaakt wat het effect is op de omgevingsrisico's. De gemeente heeft gevraagd deze risicoanalyse (Domino-effecten door windturbines, QRA Handelsmaatschappij A. Smit en Zoon BV, Antea Group, 17 december 2025) en het bijbehorende rekenbestand te beoordelen. De belangrijkste conclusie van deze beoordeling is opgenomen in dit advies. Aangezien het rekenbestand in vertrouwelijkheid is gedeeld, worden er geen inhoudelijke details over de installaties in dit advies gedeeld. Op de volgende pagina is het advies met onderbouwing opgenomen. naar
het onderzoek externe
van
de domino-effecten
voor
de Seveso
Korte conclusie We adviseren kunnen geven
nemen. een
om
De
te zorgen
dat
er
maatgevende
onrealistisch
beeld
van
een
realistisch
risico's uit de de
inzicht is in de domino
risicoanalyse zijn omgevingsrisico's.
niet
effecten
realistisch
om
het besluit te
gemodelleerd
en
Advies: 1. Te zorgen
voor een
realistisch inzicht in de domino effecten om het besluit te kunnen nemen.
Inhoudelijke beoordeling 1. 1 Het maatgevende scenario komt niet overeen met het beschreven scenario in het rapport. In het rapport zijn de domino-effecten van de windturbine toegevoegd aan het risico van de installaties bij Smit & Zoon. Deze scenario’s zijn op enkele punten conservatief maar grotendeels juist gemodelleerd. ,
Het rapport beschrijft twee scenario’s waarbij gelijktijdig meerdere insluitsystemen zodanig worden getroffen door onderdelen van de windturbine dat de inhoud vrijkomt en reageert tot giftige gassen. Deze vloeistoffen kunnen met elkaar reageren wanneer de vloeistoffen op de vloer of in een tankput samenkomen. Wanneer deze vloeistoffen reageren zal het gevormde gas vrijkomen uit de vloeistofplas uit de grond en zal het gas opstijgen. In het rekenbestand komt dit gas zijwaarts vrij met hoge snelheid. Dit doet geen recht aan de beschrijving van het scenario in het rapport. ,
,
1. 2 Het vrijkomen van giftige gassen in verticale richting leidt tot aanzienlijke andere risico’s en effecten in de omgeving. De uitstroomrichting bepaalt voor een belangrijk deel hoe de wolk zich naar de omgeving verspreid en de wijze waarop deze zich mengt (verdund) met de schone lucht. De grootste effecten worden berekend bij rustig en stabiel weer. Een horizontale uitstroomrichting laat een effectafstand (afstand tot waar slachtoffers kunnen vallen) zien die al snel enkele honderden meters groter is dan wanneer deze verticaal is gericht. Dit leidt ook tot een verschil in de hoogte van het rekenkundige groepsrisico. In de bijlage zijn deze resultaten vergeleken waarbij alleen de uitstroomrichting is veranderd. Het verschil is niet eenvoudig te zien omdat het een logaritmische grafiek is maar er is te zien dat het maximale aantal slachtoffers kleiner wordt. Hierbij wordt opgemerkt dat deze resultaten indicatief zijn. ,
Kanttekeningen 2. 1 Voor de beschreven scenario’s is geen vastgestelde methodiek om de effecten of risico’s te modelleren. Het rekenvoorschrift uit het handboek omgevingsveiligheid beschrijft de wijze waarop het bezwijken van insluitsystemen dient te worden gemodelleerd. De effecten van het gelijktijdig falen van insluitsystemen zoals beschreven in de QRA is niet beschreven in het rekenvoorschrift. Het is aan de opsteller om de modellering te onderbouwen. 2. 2 In de risicoanalyse leidt ieder treffen tot falen Om de domino-effecten in kaart te brengen zijn faalfrequenties aangeleverd waarmee het (toegevoegde) risico kan worden berekend voor Smit & Zoon. Conservatief is ervan uitgegaan dat iedere kans op treffen leidt tot het catastrofaal falen van de installatie. Het is aannemelijk dat voor inpandige tanks niet ieder treffen leidt tot het volledig uitstromen van een tank. Het is echter lastig te bepalen hoeveel bescherming (bijvoorbeeld) een gebouw biedt. Wat is getoetst? Domino-effecten door windturbines QRA Handelsmaatschappij A. Smit december 2025 ,
en
Zoon BV Antea Group 17 ,
,
Waaraan is getoetst? Besluit kwaliteit leefomgeving Handboek omgevingsveiligheid RIVM (Rekenvoorschrift Module I en II) pagina 2 van 4
Bijlage – indicatieve berekening verschil horizontale en verticale uitstroming Met horizontale uitstroming is conform de huidige rekenregels het maximale aantal gelijktijdige slachtoffers ca 700 en wordt de hoogste waarde ten opzichte van de oriëntatiewaarde berekend bij circa 60 slachtoffers. Met de nog vast te stellen rekenregels voor de risico’s van windturbines is het maximale aantal slachtoffers 100 en wordt de hoogste waarde ten opzichte van de oriëntatiewaarde berekend bij circa 65 slachtoffers.
Met verticale uitstroming (aangepast) is conform de huidige rekenregels het maximale aantal gelijktijdige slachtoffers ca 500 en wordt de hoogste waarde ten opzichte van de oriëntatiewaarde berekend bij circa 70 slachtoffers (Huidige rekenregels). Met de nog vast te stellen rekenregels voor de risico’s van windturbines is het maximale aantal slachtoffers 100 en wordt de hoogste waarde ten opzichte van de oriëntatiewaarde berekend bij circa 75 slachtoffers.
pagina 3 van 4
pagina 4 van 4
Cmgevingsdienst noordzeekanaalgebied
Advies Externe
veiligheid
Adviesdatum:
9 april 2026
Mozard zaaknummer
OD2026-001280
Projectfase
oriënterend
Inrichting of Project:
Windturbines, Amersfoort
Adres / Plaats:
Kopie
aan:
Contactpersoon Datum
(geanonimiseerd)
OD:
adviesverzoek:
20
Adviseur:
(geanonimiseerd) |
Tweede lezer:
(geanonimiseerd) | 1.
februari 2026
Domino-effecten door windturbines ORA en
Zoon
Handelmaatschappij
B.V, definitief revisie 4.0, d.d. 17 december
A. Smit
2025;
2.
Advies
3.
Bijlage F: Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. vergunningsaanvraag
Bronnen:
Veiligheidsregio Utrecht, d.d. 16 februari 2026;
d.d. 27-01-2026, Versie 1.7; 4.
_psux files.
Vraag
Beoordeling van de ORA en de beantwoording van de door de Veiligheidsregio gestelde vragen. Inleiding nabij de Seveso-inrichting van Handelmaatschappij A. Smit en Zoon B.V. (hierna: Smit & Zoon) in Amersfoort. Eén van deze turbines (de noordelijke) valt met zijn valbereik over het terrein van de Seveso-inrichting van Smit & Zoon in Amersfoort. Door Bosch & van Rijn is een extern veiligheidsonderzoek van de voorgenomen windturbines uitgevoerd Smit & Zoon Amersfoort is een Seveso-bedrijf dat daarom een kwantitatieve risicoanalyse (ORA) van de eigen activiteiten heeft uitgevoerd. Er is behoefte aan een aanvullende risicoanalyse om de invloed van deze turbines op de bestaande ORA van Smit & Zoon Amersfoort te bepalen. Uit eerder uitgevoerde externe veiligheidsonderzoeken blijkt dat toepassing van een standaardklasse windturbine leidt tot overschrijding van de grenswaarden. Om te voldoen aan de geldende veiligheidsnormen is het noodzakelijk gebleken een zwaardere klasse windturbine toe te passen. Deze keuze reduceert de trefkans en daarmee het risico op domino-effecten bij de Seveso inrichting De
gemeente Amersfoort
is voornemens twee windturbines te realiseren
.
van
Smit & Zoon in Amersfoort.
Ten behoeve van de actualisatie van de vergunning is reeds eerder een QRA ingediend (d. d. 11 april 2025) en door ons beoordeeld (2 mei 2025). Deze is door ons eerder akkoord bevonden. De voorliggende QRA die ter beoordeling voorligt , is een “vervolg” op deze QRA , waarin de plaatsing van de windturbines is meegenomen. Het optreden van externe beschadiging en (interne) domino-effecten is niet opgenomen in de standaard faalfrequenties van een milieubelastende activiteit. Externe beschadiging betreft het optreden van een Loss of Containment ten gevolge van opslagtanks in de nabijheid van windturbines , waarbij afbrekende onderdelen een opslagtank kunnen doorboren. Hoewel een bedrijf geen (directe) invloed heeft op dergelijke externe oorzaken , leiden deze wel tot een hogere faalkans voor de installaties. Daarom moet een Loss of Containment ten gevolge van een oorzaak van buiten worden meegenomen in de risicoberekening van het bedrijf. In de eerder ingediende QRA van Smit en Zoon was externe beschadigingen/oorzaken niet opgenomen , omdat deze niet aanwezig waren. Als gevolg van een mogelijke ontwikkeling van windturbines in de nabijheid zal rekening gehouden moeten worden met externe beschadiging als gevolg van een extern domino effect.
De soort windturbine , het aantal te plaatsen turbines , alsmede de locatiekeuze hebben invloed op een mogelijk hogere faalkans van de opslagtanks bij Smit en Zoon en daarmee op de ligging van de plaatsgebonden risicocontouren. Beoordeling QRA Extra scenario’s In de QRA zijn de extra scenario’s beschreven die als gevolg van de mogelijke plaatsing van de windturbines in beeld komen. Op dit moment zijn er rekenregels voor de QRA van windturbines van kracht. Er zijn nieuwe rekenregels opgesteld die naar verwachting ingaan op 1 januari 2027. In de QRA is op basis van het de trefkansen van de windturbines zoals aangegeven in het “Externe veiligheidsonderzoek t. b. v. vergunningsaanvraag” (bron 3) een berekening gepresenteerd van het plaatsgebonden risico de vergunde situatie met dominoscenario’s windturbine volgens de huidige rekenregels en volgens de nieuwe rekenregels. Daarbij is uitgegaan van het gegeven dat het rapport (Wind op Isselt) de juiste trefkansen weergeeft. Het blijkt dat twee dominoscenario’s bepalend zijn voor de ligging van de PR 10 -6 contour: 1. Opslag van gevaarlijke stoffen volgens PGS 15 (hal P) ; 2. Vorming van SO2 door reactie van natriumbisulfiet (T28) en zwavelzuur (uit reactoren). 1.
Opslag van gevaarlijke stoffen volgens PGS 15 (hal P) ;
De opslag van gevaarlijke stoffen is zonder de aanwezigheid van windturbines het meest risicovolle aspect van het bedrijf voor de omgeving. Door de aanwezigheid van de windturbines wordt de kans van brand in de opslagvoorziening en daarmee het vrijkomen van giftige verbrandingsproducten verhoogd. Hierbij is (worst case) aangenomen dat het treffen van een de loods door de windturbine leidt tot ontsteking van de opgeslagen stoffen. Dat betekent dat dit scenario in de QRA meegenomen moet worden als dominoscenario. De wijze waarop dit is geschied , is verklaarbaar vanuit de rekenmethodiek en in die zin juist beschouwd. Realistisch is het niet ; echter een meer realistische aanname is vanuit de rekenmethodiek niet voorhanden. 2
2.
Vorming van SO2 door reactie van natriumbisulfiet (T28) en zwavelzuur
In dit scenario (beschreven in paragraaf 6. 7) wordt er van uitgegaan dat bij impact op tank 28 ook de reactoren nabij de ruimten R21 en R204 zullen falen , alsmede dat lekbak waarin tank 28 zich bevindt , zal falen. Daarnaast wordt aangenomen dat de kans dat de pH (zuurgraad) van de vrijgekomen SO2 (giftig product) zodanig zuur is , dat het vrijgekomen ontstane SO2 inderdaad giftig is 40 % is. De aanname dat met het falen van de Tank 28 tegelijkertijd ook de reactoren zullen falen , alsmede de lekbak , is worst case beschouwd. Tegelijkertijd is het ook niet per definitie onmogelijk en is het ook niet onredelijk (maar wel zeer conservatief) om deze aannames te doen. In de QRA berekeningen wordt in zijn algemeenheid uitgegaan van worst case aannames. In dat licht bezien , zijn de aannames te verklaren. Waar de aanname van 40% op gebaseerd is , is niet onderbouwd ; wellicht is dit te conservatief. Het lijkt echter onaannemelijk dat dit te laag is. Ook het scenario dat onder invloed van zeer sterk zuur en Natrium bisulfiet 40% er zwaveldioxide (SO2) wordt gevormd , wanneer zowel de tankwagen met Natrium bisulfiet 40% als de T12 met Zwavelzuur 96% gelijktijdig door de windturbine worden getroffen , is onderzocht en mogelijk gevonden. Ook deze aanname is erg conservatief. Als kritiekpunt op de modellering is het zo dat de plasverdamping horizontaal is gemodelleerd.
Dit is volgens ons niet juist. Dit moet verticaal zijn. Voor het overige is zo dat in algemene zin de QRA erg conservatief gemodelleerd is , wij niet betrokken zijn bij enkele aannames , maar als deze aannames worden gekozen , in grote lijnen de risico’s verder juist berekend zijn. In de bijlage is nader ingegaan op de verschillende aspecten. Advies Veiligheidsregio Utrecht , d. d. 16 februari 2026 De gemeente Amersfoort heeft gevraagd te reageren op het advies van de Veiligheidsregio (bron 2) en dan specifiek het gestelde onder “QRA Handelmaatschappij A. Smit en Zoon v4.0 ; d. d. 17-12-2025” , weergegeven in de bijlage op pagina 9. Daarin wordt het volgende gesteld: Er is een aangepaste QRA met de mogelijke externe gevolgen aanwezig gemaakt. Aangezien de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (ODNZKG) voor de Seveso-inrichtingen in de Veiligheidsregio Utrecht de inspecterende Omgevingsdienst is zullen zij hierop een toetsing uitvoeren. Als voorbereiding op de vergunningverlening voor de windturbines is een vooruitblik op de consequenties voor Smit & Zoon aan te bevelen. Bij dit verzoek aan de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied zijn de volgende vragen te stellen: a. Moet ook het scenario van het raken van meerdere of alle tanks in plaats van maar precies één worden meegenomen. b.
Moet als gevolg van de mogelijkheid van het raken van meerdere tanks ook de onderlinge reacties van de stoffen worden meegenomen in onder andere de berekeningen voor de effecten naar de omgeving? c. Is er een verwachting te geven van het effectgebied bij een volledige uitdamping van de originele of gereageerde producten bij een niet effectieve beperking van de uitstoot? d. Zijn de trefkansen vanuit de berekeningen correct meegenomen in de QRA? Onze reactie hierop is het volgende: A Op het buitenterrein zijn negen opslagtanks voor grondstoffen naast elkaar geplaatst. Iedere tank is geplaatst in een eigen tankput en wordt regelmatig vanuit tankwagens bijgevuld. 3
Alle relevante insluitsystemen (tanks) waar gevaarlijke stoffen worden opgeslagen , worden meegenomen in de QRA. Dat geldt voor een tank , maar ook voor meerdere tanks. Die kansen zijn verdisconteerd. B Indien meerdere tanks zouden kunnen falen en er onderlinge reacties van de stoffen kunnen optreden , moet dat worden meegenomen. Eigenlijk vormt wat betreft de uitpandige tanks alleen formaline een risico voor de externe veiligheid. Theoretisch zouden ook zuren en basen wanneer deze met elkaar reageren een risico kunnen vormen. Een en ander is wel afhankelijk van de concentratie en nabijheid van de stoffen. Dit is niet inde QRA vermeld. Echter , de kans dat de tanks van zowel de zuren en de logen falen en bovendien de tankwanden falen , waardoor menging zou kunnen optreden , lijkt niet reëel , maar kan door ontbreken van de gegevens niet helemaal worden uitgesloten. Het zal waarschijnlijk niet tot grotere risicocontouren leiden. Verder zijn voor zover stoffen met elkaar kunnen reageren , is dat meegenomen in de QRA. C In hoofdstuk 6 is nader ingegaan op het invloedsgebied en effectafstanden. Wat betreft de vraag is deze onduidelijk gesteld. Het effectgebied is niet meer echt een term die we gebruiken sinds de komst van de Omgevingswet. De grootte van de effectafstanden en aandachtsgebieden zijn o. a. afhankelijk van de modellering van de formaldehyde (verticaal/horizontaal).
D De trefkansen zijn in de berekeningen correct meegenomen in de QRA.
4
BIJLAGE Uit Rekenvoorschrift omgevingsveiligheid , module I
5
Contactgegeven Inrichting
Smit en Zoon
Ontvankelijkheidstoets Aanvullende info vragen Datum aanvullende info ontvangen Datum aanvullende info beoordeeld Conclusie
X
Akkoord Checklist QRA
Elders zoals VR vergunningaanvra ag of bestemmingsplan ,
,
Ja
Aanwezig Deels Onvoldoend maar e nadere voldoende info vragen om te (zie kunnen voetnoten beoordele ,
Nee nadere info vragen. (zie voetnoten) ,
n 0 0. 1 1 1. 1 1. 2
1. 3
Safeti-NL file Is de PSU file aangeleverd i Algemeen Administratieve gegevens: naam en adres van de inrichting Reden opstellen QRA Gebruik Safeti_NL Gevolgde methodiek Rekenvoorschrift Omgevingsveiligheid. Is gemotiveerd waarom een andere methodiek is gevolgd en is die goedgekeurd door het bevoegd
X X X X X
gezag. 1. 4 2 2. 01 2. 02
Peildatum QRA Procesbeschrijving Doel van inrichting: hoofdactiviteiten en producten Ligging en lay-out van bedrijfsterrein aan de hand van kaart(en) op schaal gedetailleerder dan 1:10. 000 in- en uitgangen weg installaties (proces opslag laad/losinstallatie) kantoren/gebouwen/locaties met aanwezigen noordpijl en schaalindicatie legenda terreingrens De procesbeschrijving van de doorgerekende installaties Doel van het proces
X X X
1)
,
,
,
,
,
2. 1 2. 11
NVT 6
Reactievergelijkingen met daarbij: nevenreakties Ook toepassen bij de subselectie of opstellen van scenario’s warmteffecten reactiesnelheden (gaat de reactie let dan op de nog door bij een LOC bronterm) Procesflow diagram (PFD) Vertrouwelijk belangrijke apparatuur regelkringen inblokafsluiters Grenzen waarbuiten verhoogd gevaar aanwezig is (reactie-excursie e. d. ) druk temperatuur en concentratie. Vertrouwelijk Beschrijving van de relevante fysische en chemische eigenschappen van de aanwezige gevaarlijke stoffen mengsels en reactieproducten: ,
2. 12
2. 13
X
2)
X
2)
X
2)
X
1)
X
3)
X
4)
,
2. 14
,
naam
samenstelling bij mengsels chemische formule
2. 2 2. 2. 1
2. 2. 2 2. 2. 3 2. 2. 4
2. 2. 5 3 3. 1
CAS-nummer GEVI code gevaarsetikettering De doorgerekende installatie en de lay-out Plattegrond met legenda locatie van installatiedelen indeling van opslagruimten tankput dijken Capaciteit/doorzet/aantal batches per jaar Volgens vergunning toegestane hoeveelheden stof Onderverdeling van de installatie in secties en/of insluitsystemen ingeblokt door afstandsbediende afsluiters. Vertrouwelijk Beschrijving van werking van de insluitsystemen (reactietijden) Vertrouwelijk Beschrijving omgeving Omgevingsbebouwing en gebiedsfuncties
NVT
,
7
3. 2 3. 3
bestemmingsplannen al dan niet gedeeltelijk binnen de -6 10-contour Actuele topografische kaart Een beschrijving van de bevolkingsdichtheid rond de inrichting onder opgave van de wijze waarop deze beschrijving tot stand is gekomen. Mogelijke gevaren van buiten de inrichting die op de inrichting effect kunnen hebben (buurbedrijven/activiteiten vliegroutes windmolens) Een aanduiding van alle van belang zijnde mogelijke ontstekingsbronnen onderscheid maken tussen ontstekingsbronnen binnen en buiten de inrichting Gebruikte ruwheidslengte en meteostation De kwantitatieve risicoanalyse (QRA) Subselectiesysteem volgens Rekenvoorschrift Omgevingsveiligheid 2 Overzicht van uitgevoerde subselectie opgenomen in bijlage Vertrouwelijk Lijst van geselecteerde installatiedelen met hun aanwijzingsgetallen als resultaat van subselectie Beschrijving van de uitvoering van de QRA cf Rekenvoorschrift Omgevingsveiligheid een volledige lijst initiële faalscenario’s kansen en vervolgscenario’s Beschrijving van risico’s voor de omgeving Samenvattend overzicht van de QRA Kaart met berekend plaatsgebonden risico met contouren voor 10 -4 10 -5 10 -6 10 -7 en 10 -8 Kaart met berekend plaatsgebonden risico op de schaal van de omliggende bestemmingsplannen met contouren voor 10 -5 en 10 -6 FN-curve met het groepsrisico voor de inrichting: op de horizontale as van de grafiek wordt het aantal dodelijke
slachtoffers uitgezet op de
X
4)
X X
4) 4)
X
5)
,
3. 4
X
,
,
,
3. 5
X
,
,
3. 6 4 4. 1
4. 2
4. 3
4. 4
5 5. 1 5. 11
,
,
NVT NVT
NVT
X X 5) X
X X
,
,
5. 12
X
,
,
5. 13
X
,
8
6 6. 1
6. 2 6. 3 6. 4
6. 5
verticale as de cumulatieve kans tot 10 -9 per jaar. Scenario’s van belang voor de externe veiligheid opsomming installaties die hoofdzakelijk (90%) bijdragen aan berekende risico’s voor externe veiligheid (resp. plaatsgebonden risico en groepsrisico) ranking van deze installaties Vertrouwelijk Scenario’s die hoofdzakelijk (90%) het berekend risico bepalen zijn als zodanig aangegeven Van de bepalende scenario’s is beschreven ii stof scenario-frequentie bronsterkte bronduur schadeafstanden voor weersklasse F1. 5 en D5. Van toepassing zijnde preventieve en repressieve maatregelen die in de QRA specifiek meegenomen zijn staan vermeld. Het toepassen van LOD’s die niet in de Rekenvoorschrift Omgevingsveiligheid zijn voorgeschreven moeten apart worden gemotiveerd en de faalkansen moeten worden onderbouwd) Vertrouwelijk Aandachtspunten inhoudelijke beoordeling Subselectie Is de juiste terreingrens aangehouden Is de 50% regel goed
X
,
X X X
NVT
,
7 7. 1
NVT
toegepast
Worden er insluitsystemen “weggeschreven” op basis van de 50% regel waarbij het 100%-insluitsysteem een basiskans van 10 -7 of minder heeft Is een aparte subselectie voor verlading uitgevoerd of is deze volledig meegenomen
9
Zijn eventuele PGS15 loodsen behandeld (meegenomen of “weggeschreven” Zijn brandscenario’s -6 (bepalend voor de 10) weggevallen t. o. v. de toxische scenario’s Zie verder aandachtspunten onder eindnoot Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. 7. 2 7. 2. 1
Scenario’s Is alle informatie voorhanden Afleiding faalkans met verwijzing naar juiste scenario’s in de rekenmethodiek Juiste modellering druk temperatuur inhoud scenario. Toepassen van user defined sources alleen in uitzonderingssituaties de modellering correct Is uitgevoerd Gebruikte meteo Gebruikte populatiegegevens (Alle populatie / geen eigen werknemers / geen werknemers / geprojecteerde populatie) iii
X X
,
X
,
,
7. 2. 2
,
X
6)
X X
,
iv
7. 2. 3
Definitie ontstekingsbronnen Juiste riskranking punten Gebruikte “user defined sources” Gebruikte lijnbronnen Zijn insluitsystemen juist gemodelleerd Volledigheid (leidingwerk pompen etc. ) Definitie uitstroomrichting Definitie pompdruk en tankhead Definitie tankput (oppervlak +50% voor instantaan falen)
X X
NVT
,
10
7. 2. 4
7. 2. 5
Resultaten Juiste uitvoer PR en GR Juiste uitvoer riskranking Juiste uitvoer effectafstanden PSU file Is de rekenfile gecontroleerd (ja / nee / bij bedrijf)
1 Plattegrondtekening
X X X X
7)
X X
ja
ontbreekt maar de belangrijkste installaties/insluitsystemen zijn aangegeven ; informatie is niet expliciet aangegeven maar niet werkelijk noodzakelijk voor de beoordeling (het zou wel beter zijn als er meer informatie wordt verstrekt over opslagen etc) ; 3 De vergunde hoeveelheid en capaciteit (in de vigerende vergunning) is niet nadrukkelijk vermeld dit wordt als gegeven aanvaard te meer omdat dit overeenkomt met de recent beoordeelde QRA in het kader van de actualisatie ; 4 De omgeving is niet uitgebreid beschreven. Doel van deze QRA is ook meer om de risico’s van de domino-effecten te berekenen dan een zelfstandig leesbare QRA te maken ; 5 De ruwheidslengte en meteostation zijn niet aangegeven maar zijn wel (correct) in de file toegepast ; 6 De plas formaline bij falen “tankwagen” is gemodelleerd met horizontale uitstroming. Dat lijkt niet logisch. Verticale uitstroming lijkt beter hoewel de Rekenmethodiek daar niet echt uitsluitsel over geeft (Gausisch pluimmodel met plasverdamping zowel horizontaal als verticaal). Modellering met verticale uitdamping zou eigenlijk moeten geschieden. Dit levert hele kleine verschillen op in de uitvoer met betrekking tot het groepsrisico. 7 De effectafstanden zijn erg algemeen beschreven ; aandachtsgebieden niet. Ook hier geldt weer dat dit niet zo zeer het doel is van de QRA. ,
2 Deze
,
,
,
,
,
,
i
De SAFETI-NL studie (het psu-bestand) waarmee de risico’s zijn berekend is integraal onderdeel van de documentatie. Dit bestand bevat gedeeltelijk vertrouwelijke informatie. Onderzoek moet uitwijzen of de in dit bestand aanwezige niet-vertrouwelijke informatie op een zinvolle wijze kan worden geëxtraheerd. Voor de tussenliggende periode zijn werkafspraken geformuleerd die inhouden dat bevoegd gezag het psu-bestand bij het bedrijf kan inzien. Daarnaast moet in een apart document de belangrijkste karakteristieken van de QRA beschreven zijn. Dit betreft met name de subselectie en de risicoberekeningen. ,
,
,
ii
Met bepalende scenario’s wordt bedoeld: De scenario’s die opgeteld ten minste 90% van het plaatsgebonden risico van de 10 -6 contour bepalen (m. a. w. de niet uitvoerig beschreven " rest " is opgeteld < 10%) De scenario’s die opgeteld ten minste 90% van het groepsrisico in de intervallen 10 – 100 en 100 – 1000 bepalen ,
iii
Er kunnen verschillende groepsrisico’s berekend zijn: a. Het groepsrisico volgens BEVI moet alle populatie bevatten behalve werknemers op het eigen terrein (en verkeersdeelnemers). b. Het GR op basis van alle populatie behalve werknemers van BEVI bedrijven (en verkeersdeelnemers). c. Het GR op basis van alle populatie behalve alle werknemers op het industrieterrein. 11
In ieder geval dient het GR onder a) berekend te zijn. Indien dit leidt tot overschrijding van de oriënterende waarde kan het GR onder b) berekend worden. Indien de OW ook dan overschreden wordt kan het GR onder c) berekend worden. In procedures dient geregeld te zijn dat de werknemers die niet meegenomen worden in de GR berekening een verhoogde zelfredzaamheid hebben o. a. door kennis van oefening en PBM’s. ,
,
iv
Verder aandachtspunt in de populatie die meegenomen wordt in de GR berekening betreft de geprojecteerde populatie. Ruimte die aanwezig is in het bestemmingsplan maar nog niet is ingevuld moet wel worden “opgevuld” in de berekening. ,
,
Disclaimer: Deze checklist is bedoeld als hulpmiddel bij de beoordeling van een QRA en de bijbehorende psu-file. Er is geprobeerd om volledig te zijn. Vanwege de complexiteit van de materie niet mogelijk om elk element eenvoudig en overzichtelijk in een checklist weer te geven. Het advies is daarom dan ook dat degene die deze checklist gebruikt minimaal voldoet aan de eisen van de maatlat externe veiligheid voor het beoordelen van QRA’s. ,
12
Veiligheidsregio Utrecht
Gemeente
vru.nl
Amersfoort
(geanonimiseerd) Postbus 4000 3800
EA AMERSFOORT
Datum
Kenmerk
Uw
18 februari
2026
Contactpersoon
DSO:
20260128
Onderwerp
Ons
Kenmerk
Advies
VRU2026-00001866
Omgevingsvergunning
Op
(geanonimiseerd) |
002
Afdeling Afdeling Advies Directie Risicobeheersing
Isselt
windturbines Geachte
00782
(geanonimiseerd) EN,
10 februari
2026
heeft
brengen over bedrijventerrein Isselt
Veiligheidsregio Utrecht in de gelegenheid gesteld om een planvoornemen voor de plaatsing van twee windturbines op het in Amersfoort. Graag maken wij van deze mogelijkheid gebruik.
uit te
het
Het adviesverzoek
is een
u
de
advies
eerder adviesverzoek op 21 januari 2026 met enkele verzoek is voorlopige documenten. Op dit op 29 januari 2026 een voorlopig advies gegeven met daarin ook vragen voor aanvullende en definitieve stukken. Deze zijn voor het grootste deel met
vervolg op een
de officiële vergunningaanvraag ontvangen op 10 februari 2026.
Toetsingskader Veiligheidsregio Utrecht heeft de aanvraag getoetst met betrekking De volgende regelgeving en richtlijnen zijn hierbij geraadpleegd: Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) Omgevingsplan De
tot
omgevingsveiligheid.
e e e e
Ontvangen e
windturbines januari 2025
Module IV RIVM rekenmodule
en
beoordeelde documenten
relevant
voor
advies
Vergunningaanvraagdocumenten: o Bijlage B Participatie en communicatie; -
januari
tot en
met
—
o
-
o
Separaat ontvangen: _Domino-effecten door
o
v4.0; d.d.
Adres Archimedeslaan Postbus 3154
Contact
bijgewerkt
-
oo
Post
zonder datum,
2026
Bijlage F Onderzoek externe veiligheid v1.7; d.d. 27-01-2026 Bijlage G Situatietekening; zonder datum BijlageJ Aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling v0.6; d.d. 07-11-2022 260206 Verantwoording groepsrisico; zonder datum
Oo
e
veiligheidsregio:
m
088 878 1000
6
m
windturbines,
QRA
Handelmaatschappij
A.Smit
17-12-2025
3584 BA Utrecht
IBAN NL18BNGH
0285 133 179
f_Veiligheidsregioutrecht
3502 GDUtrecht
BTW
NL 8111.97.955B01
@
veiligheidsregio_Utrecht
info@vru.nl
KvK
51817330
X
@vrutrecht
wm
en Zoon
26
Beschouwing risico’s Van de geplande windturbines heeft turbine nummer 1 PR contouren die reiken tot over de percelen , gebouwen en/of installaties van de nabijgelegen RWZI en de Seveso-inrichting Handelsmaatschappij A. Smit & Zoon B. V. (zie figuur 3 in rapportage Onderzoek externe veiligheid). In deze contouren liggen de volgende risicovolle gebouwen en installaties: • Op het terrein van de RWZI een gashouder van 1500 m 3 biogas. • Op het terrein van Smit & Zoon: o Tankpark vooropslag van diverse soorten gevaarlijke stoffen. Een PGS-15 voorziening voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen. o Diverse productieruimtes in de gebouwen met gevaarlijke stoffen met de daarbij o o
behorende laboratorium en kantoorruimtes. Een geplande en deels al vergunde fabriek ten noorden van het tankpark met daarbij een opslagtank voor 3 m 3 mierenzuur.
Maatgevend scenario Het maatgevend scenario voor de veiligheidsregio is het bezwijken van de turbinemast of één van de rotorbladen , waarbij één of meerdere gebouwen en/of installatieonderdelen van Smit & Zoon worden geraakt. Dit veroorzaakt het falen van de tanks en vanuit normale bedrijfsvoering aanwezige preventieve maatregelen zoals opvangputten. De vrijkomende giftige stoffen kunnen dan vrij uitdampen en als domino-effect een gifwolk veroorzaken met een groot effectgebied. Volgens de modellen kan die afhankelijk van de windrichting al zeer snel tot voorbij het ziekenhuis Meander of tot in de woonwijken Bomenbuurt en Rivierenbuurt ten zuiden van de Amsterdamseweg reiken.
Advies In mijn advies ga ik in op de relevante documenten en de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp. Voor een nadere toelichting van de adviespunten verwijs ik naar de bijlage van dit advies.
1) De veiligheidsregio vindt de plaatsing van de windturbine op de plek tussen de RWZI en de Seveso-inrichting Smit & Zoon (locatienr. 1) door de mogelijke domino-effecten niet wenselijk. De veiligheidsregio vindt de plaatsing bij locatienr. 1 ongewenst gezien: a) De ernst van het nu mogelijk optredende scenario met de beperkte mogelijkheden om op te treden , b) De vergroting van het effectgebied ten opzichte van de huidige situatie , c) De ligging van zeer kwetsbare gebouwen (ziekenhuis Meander) in het effectgebied , d) De gevolgen voor de medische hulpverlening direct na het incident , maar ook daarna. Voor de locatienr. 2 gelden deze bezwaren er voor de omgeving niet. Wel moet worden aangegeven dat bij beide windturbines er geen mogelijkheden zijn voor de brandweer om een brand in de turbine te bestrijden. Ook bij storingen die een risico voor de omgeving kunnen vormen zoals het begeven van de beveiligen op overtoeren van de turbine kan de brandweer enkel overgaan tot het laten afzetten en mogelijk ontruimen van het risicogebied.
Onderwerp Advies Omgevingsvergunning
Uw Kenmerk DSO: 20260128 00782 002
Ons kenmerk VRU2026-00001866
2
2) Daarnaast adviseren wij om het gebouw 1 en mogelijk gebouw 29 zoals aangegeven in figuur 3 op bl. 14 van de rapportage ‘Onderzoek externe veiligheid’ aan te blijven duiden als een kwetsbaar gebouw. Het gebouw 1 en mogelijk gebouw 29 in figuur 3 rapportage Onderzoek externe veiligheid zijn op bl. 14 van die rapportage aangegeven als kwetsbaar gebouw. Bij de aanwezigheid van een kwetsbaar gebouw binnen de 10 -6 contour geldt volgens artikel 5. 7 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving dat de contour als grenswaarde in acht genomen dient te worden. Dit houdt in dat de ontwikkeling dan niet toegestaan is.
3) Als de gemeente in het kader van een bredere belangenafweging besluit om verder te gaan met de uitvoeringplannen van het planvoornemen , adviseer ik u het volgende: a) In de motivering voor het afwijken van de grenswaarde (PR10 -6 contour) voor het/de kwetsbare gebouw(en) en de sterke stijging van het groepsrisico van Smits & Zoon de volgende punten mee te nemen: I. De overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico naar de huidige regelgeving in plaats van te anticiperen op nog niet ingevoerde komende regelgeving. II. Advies van de provincie Utrecht en haar adviseur (Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied) ten aanzien van de Seveso-inrichting Smit & Zoon op te vragen voor de beoordeling van de QRA van Smit en Zoon naar aanleiding van het mogelijke domino-effect door een incident bij de windturbine. b) Bij een definitieve vergunning Ruimtelijk in het omgevingsplan de nieuwe veiligheidscontouren opnemen zodat in de plaatsgebonden risicocontouren van de windturbines: I. Er geen nieuwe beperkt kwetsbare , kwetsbare en/of zeer kwetsbare gebouwen gevestigd kunnen worden , II. Bestaande gebouwen beperkt kunnen worden in toekomstige transformaties of intensiveringen van het gebruik van het gebouw naar een kwetsbaar of zeer kwetsbaar gebouw.
c) De over-dimensionering van de windturbinemasten naar een hogere IEC-klasse dan normaliter op de projectlocaties vereist zijn als eis in de vergunning op te nemen. Deze hogere IEC-klasse wordt nu al gebruikt voor de trefkansenberekeningen op de risicovolle objecten. Volgens de uitgevoerde berekeningen wordt door de verhoging van IEC-klasse een reductiefactor van 16, op de mastbreuk gerealiseerd. d) Zorg te dragen dat bij het raken van de inrichting door het omvallen van de mast of een bladbreuk vanuit Smit & Zoon er op 24/7 basis direct richting de alarmcentrale van de brandweer informatie kan worden verschaft over de ernst van de schade aan het bedrijf en de installaties en over de mogelijk vrijgekomen stoffen. Met deze informatie wordt het mogelijk gemaakt om de bevolking , het ziekenhuis en bedrijven tijdig te kunnen waarschuwen en van handelingsperspectieven te kunnen voorzien. e) De mogelijkheid aanvullende veiligheidsvoorzieningen te nemen , die de kans op het optreden van het maatgevende scenario verkleinen. Hierdoor kunnen in sommige gevallen de externe veiligheidscontouren worden verkleind , waarmee de PR10 -6 contour niet meer over kwetsbare gebouwen loopt. Daarmee wordt echter enkel de kans op een groot incident enigszins verminderd , maar niet uitgesloten. Het effect zal bij daardoor niet verminderen. Bij de mogelijkheden kan gedacht worden aan:
Onderwerp Advies Omgevingsvergunning
Uw Kenmerk DSO: 20260128 00782 002
Ons kenmerk VRU2026-00001866
3
|
Een
andere
masthoogte/rotordiameterconfiguratie
of nog
hogere
IEC klasse van
de mast, IL
Het uitsluiten van
UL
Installeren
van
een
de kans op overtoeren van de turbine, automatisch blussysteem in de windturbine,
IV.
Het voorkomen
van
de risico’s
bij ijsvorming door
het afvallen
van
ijs op wegen of
risicovolle installaties.
f)
De
bevindingen
documenten
in de
bijlage van
te verwerken
leggen. Bij het verdere vervolg
g)
in de
het
van
dit advies
over
de
voor
de
betreffende documenten
planvoornemen
de
veiligheidsregio en
opnieuw
veiligheidsregio
voor
intensief
relevante advies
en
voor
tijdig te
betrekken.
Heeft
u
vragen?
Voor vragen
de directie
of
meer
informatie kunt
Risicobeheersing van
opnemen met de behandelend medewerker de Veiligheidsregio Utrecht: (geanonimiseerd) te bereiken via u contact
WE,
(geanonimiseerd)
Met
vriendelijke groet, uur,
(geanonimise rd) Teammanager Advies
Bijlage(n): Toelichting adviespunten
-
Onderwerp
Uw
Advies Omgevingsvergunning
DSO:
Kenmerk 20260128
Ons kenmerk 00782
002
VRU2026-00001866
van
te
Bijlage Toelichting adviespunten Adviespunt 1 De hulpdiensten hebben bij het aangegeven scenario geen mogelijkheid om , in de tijd van het vrijkomen van de giftige dampen , bij de bron in te grijpen op een manier die de verspreiding ervan stopt of vermindert. De schade aan de installaties en/of de gebouwen is door de aard van het incident bij de windturbine groot. De stoffen uit de stukgeslagen tanks en leidingen zullen over een groot oppervalk uitgevloeid zijn. De restanten van de constructies als tanks , leidingbruggen en gebouwen zullen de bereikbaarheid van de uitdampende plassen bemoeilijken of niet mogelijk maken. Het beperken van uitstroming giftige stoffen of afdekken van de plassen zal dan niet mogelijk zijn. Er moet dan ook rekening mee worden gehouden dat de uitstoot van giftige gassen bij het incident langer zal duren dan in de modellen van de documenten staat aangegeven en daarmee ook de effectafstanden groter worden. De vrijkomende stoffen als formaline , mierenzuur en reactiestoffen door menging van de vrijgekomen stoffen kunnen als irriterend tot zeer giftig worden beschouwd. De mogelijke gevolgen zullen dan ook zeer groot zijn. Het aantal slachtoffers door het inademen van de giftige dampen kan potentieel zeer hoog zijn met vooral veel gewonden met ademhalingsproblemen.
Adviespunt 2 In het PR10 -6 contour ligt een kwetsbaar gebouw van Smit & Zoon (gebouw 1 in figuur 3 rapportage Onderzoek externe veiligheid). Volgens het Register Externe veiligheid 1 wordt bij lichte en zware industriecomplexen het label kwetsbaar toegekend als het gebruiksoppervlak meer dan 5000 m 2 bedraagt. Dan wordt er verondersteld dat er meer dan 50 personen gedurende een groot deel van de dag (6 uur) aanwezig zijn. Het grondoppervlak van het gebouw is ongeveer 6500 m.2 Het totaal van het gebruiksoppervlak zal door de aanwezige verdiepingsvloeren groter zijn. Het gebouw valt vanuit de richtlijnen dan ook zeker onder de categorie kwetsbare gebouwen. Volgens artikel 5.7 , lid 1 van het Bkl geldt de PR10 -6 contour ten aanzien van kwetsbare gebouwen als grenswaarde en is daarmee niet toegestaan. De redenatie voor het verlagen van de classificatie van kwetsbaar naar een beperkt kwetsbaar gebouw op blz. 14 van de rapportage Onderzoek externe veiligheid is naar onze mening niet correct. Een benoeming tot beperkt kwetsbaar gebouw is in dit geval enkel mogelijk indien aangetoond kan worden dat er niet meer dan 50 personen gedurende een dagdeel van 6 uur in
het gebouw verblijven. Adviespunt 3f Opmerkingen betreffende de voor de veiligheidsregio relevante documenten Aanmeldnotitie MER-beoordeling a. Blz. 22 paragraaf 3. 4. 1 Toetsingskader -‘Risicovolle installaties’ Er staat dat vanuit de Handreiking Risicozonering Windturbines (20 mei 2020) “…in eerste instantie kan worden gekeken of de windturbines een substantiële toename van de catastrofale faalfrequentie van risicovolle installaties behorende tot de inrichting tot gevolg hebben. Conform het 10%-criterium kan een toename van de faalfrequentie van minder dan 10% als niet-substantieel en daarmee toelaatbaar worden beschouwd. ” Dit is
1 Min.
I&W ; Register externe veiligheid , Kwetsbaarheid gebouwen
Onderwerp Advies Omgevingsvergunning
Uw Kenmerk DSO: 20260128 00782 002
Ons kenmerk VRU2026-00001866
5
overgenomen in het Onderzoek externe
veiligheid (Bijlage B) in paragraaf 3. 2
Deze toename van catastrofale faalfrequentie zijn in verdere rapporten niet terug te vinden. Deze toename geeft wel een indicatie van wat de risicovergroting is van de plaatsing van de windturbine naast het bedrijf.
b.
Blz. 24 paragraaf 3. 4. 2 Beoordeling -‘(Beperkt) kwetsbare objecten’ De gevolgen van het plaatsen van de turbines in het licht van mogelijke gebruikswijzigingen staan hier niet in. Mogelijk dat dit ook buiten de scoop van de aanmeldnotitie ligt.
c.
Blz. 27 paragraaf 3. 4. 3 Conclusie Hierin staat dat het falen van de tanks formaline geen risico’s buiten de terreingrens veroorzaken. Dit is niet correct m. b. t. de PR contouren en de invloedsgebieden gezien de uitgevoerde QRA.
Onderzoek externe veiligheid a. Blz. 15 paragraaf 4. 1(Beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties Het gebouw 1 wordt bestempeld als kwetsbaar. Er wordt beargumenteerd dat er maar een gedeelte van het gebouw wordt geraakt en dat het daarom als beperkt kwetsbaar wordt beoordeeld. Het gebouw nummer 1 ziet de veiligheidsregio als een kwetsbaar gebouw. Dat maar een gedeelte van het gebouw in de PR-10 -6 contour valt wordt vanuit de veiligheidsregio niet als argument gezien om het aan te duiden als beperkt kwetsbaar gebouw. Dat houdt in dat er moet worden beargumenteerd waarom een kwetsbaar gebouw wel wordt toegelaten in de 10 -6 contour. De uitbreidingsplannen van Smit & Zoon noordelijk van de opslagtanks (Pand 29) is al voor 1 fase vergund. Uiteindelijk is de planning dat er bij de afronding van de derde fase er een gebouw staat die mogelijk als kwetsbaar kan worden aangeduid door aanwezigheid van grotere oppervlakte kantoor en aantal aanwezige personen. Het gebouw 29 is nu vanuit de vergunning als fase 1 nog als beperkt kwetsbaar te beschouwen. De plannen tot aan fase 3 kunnen dat laten verschuiven naar kwetsbaar.
b.
Blz. 17 paragraaf 4. 2. 1 rekenmethode trefkansberekening De berekende trefkansen voor risicovolle gebouwen en objecten zijn reeds berekend met een hogere IEC-klasse voor de turbinemasten dan normaliter op de projectlocaties vereist zijn. In bijlage C staat dat er een verhoogde IEC-klasse reductiefactor van 16, is aangehouden. Onderaan de laatste alinea staat dat er hoe dan ook een kwetsbaar gebouw zich in een PR10 -6 contour mag bevinden. Volgens artikel 5.7 , lid 1 van het Bkl is dit niet correct , zoals ook al in adviespunt 1a is aangegeven. Blz. 21 en 22 paragraaf 4. 2. 3 gevolgen trefkansberekening Voor alle tanks wordt gesteld dat na het getroffen worden dooreen turbineblad de gehele inhoud netjes in de separate opvangbakken onder de tanks stroomt en daar blijft. Naar
Onderwerp Advies Omgevingsvergunning
Uw Kenmerk DSO: 20260128 00782 002
Ons kenmerk VRU2026-00001866
6
opvatting van de veiligheidsregio zullen ook deze muurtjes van de opvangbakken bij een inslag van de turbinebladen grotendeels weggeslagen worden. Een vermenging en mogelijke reactie tussen de diverse inhouden van de tanks zal dan volgen. Zo wordt gesteld dat het Fenol uit de kapotgeslagen tank in de opvangbak stroomt en gelijk stolt waardoor de gevaren van fenol voor de omgeving verwaarloosbaar worden geacht en daarom niet verder worden beschouwd. Een mogelijke reactie met de andere aanwezige stoffen in het tankpark is echter niet onderzocht. Dit wordt in het rapport onderaan blz. 22 wel als aannemelijk scenario erkend en dat een dergelijke chemische reactie kan zorgen dat de schadelijke stoffen zich nog verder kunnen verspreiden. In de tabel 5. 2 op blz. 22 is voor de frequentie voor het instantaan falen van de -6 per jaar opgenomen in plaats van de formaldehydetank een faalfrequentie van 50*10 , -5 De kans wordt daarmee ruim 5 keer te klein trefkans uit tabel 4 op blz. 18 van 265*10. ,
ingeschat. De opslaghal voor verpakte gevaarlijke stoffen wordt op blz. 22 aangeduid als hal P , terwijl in tabel 4 enkel een hal E staat die mogelijk aan dat soort opslag voldoet. De aangegeven -5 staat echter niet in tabel 4. Wel een trefkans van 188*10 -5 bij de trefkans van 235*10 , ,
poedermengruimte. Verantwoording groepsrisico a. 1. Inleiding en aanleiding Volgens art. 5. 15 van het Bkl is het nog steeds verplicht om het groepsrisico te verantwoorden. Daar staat tegenover dat de verplichting om dat middels een berekening te doen is vervallen en het met een zogezegd ‘kwalitatieve’ toetsing te doen. Wel kan er worden besloten om die berekening in specifieke gevallen wel uit te laten voeren. b.
3. Risicobron en maatgevend toxisch scenario In het scenario wordt aangegeven dat er twee opslagtanks gelijktijdig kunnen worden geraakt en met elkaar mengen. Echter de mogelijkheid van het catastrofaal falen van meerdere tanks en de verbindende leidingbrug door de impact is net zo waarschijnlijk. De afstand van het gifwolkaandachtsgebied is volgens de tekening bij onderdeel 4 af te schalen op ongeveer 13, kilometer. Mogelijk dat de afstand meer wordt wanneer er geen
uitstroombeperkende maatregelen door de brandweer bij de bron wordt meegenomen. Bij oudere gebouwen en zeker bedrijfsgebouwen moet er rekening worden gehouden dat de bescherming tegen het binnendringen van een toxische wolk minder goed is dan woonof kantoorgebouwen. Daar is de gasdichtheid hoger door de eisen aan isolatie die bij bedrijfspanden lager kunnen zijn en waar door bijvoorbeeld overheaddeuren de dichting veel minder aanwezig is. c.
4. Invloedsgebied en aanwezige personen In het invloedsgebied ligt ook het Meander ziekenhuis en de woonwijken Bomenbuurt en Rivierenbuurt ten zuiden van de Amsterdamseweg. Ook diverse bedrijven met veel bezoekers liggen dan in het invloedsgebied. In het gifwolkscenario is het mogelijk dat de
Onderwerp Advies Omgevingsvergunning
Uw Kenmerk DSO: 20260128 00782 002
Ons kenmerk VRU2026-00001866
7
gifwolk voor twee uur of langer gevaarlijk is voor de omgeving. Al de aanwezigen moeten dan die tijd in het gebouw kunnen blijven schuilen , totdat de concentratie laag genoeg is om het gebied te kunnen verlaten. Het is niet duidelijk of onderzocht is of deze gebouwen daarvoor geschikt zijn d.
5. Hoogte en ontwikkeling van het groepsrisico Het overschrijden van het groepsrisico was normaliter niet wenselijk en reden om aanvullende maatregelen te nemen. Bij groepsrisico’s gaat het altijd om kleine kansen , maar de gevolgen met doden en gewonden zijn juist groot. De absolute kans op het