Dossier Externe Veiligheid
Tekst van het document
Externe veiligheid Wind op Isselt Toelichting externe veiligheid en bij de beoordeling betrokken documenten en kaders.
Datum: 10 april 2026 Gemeente Amersfoort
1
Inhoud Samenvatting . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3 1.
Inleiding . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5
2.
Wind op Isselt . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 8
3.
Beoordeling , documenten en adviezen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 9
4.
Toelichting documenten
.... .... .... .... .... .... .... .... .... .... .... .... .... .... .... .... ... .... .... .... .... .... .... .
10
4. 1
Onderbouwing Fysieke Leefomgeving OFLO Wind op Isselt . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 10
4. 2
Onderzoek externe veiligheid v1. 7 . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 10
4. 3
Domino-effecten door windturbines , QRA Handelmaatschappij A. Smit en Zoon. . . . . . 10
4. 4
PSU-file (niet openbaar) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 11
4. 5
Onderzoek Waterschap Vallei en Veluwe . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 11
4. 6
Advies Omgevingsdienst Utrecht , ROM integraal advies . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 11
4. 7
Advies Omgevingsdienst Utrecht . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 12
4. 8
Advies Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (OD NZKG) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 12
4. 9
Advies Veiligheidsregio Utrecht , Advies Omgevingsvergunning windturbines Isselt . . . 13
4. 10
Concept advies Veiligheidsregio Utrecht , 29 januari 2026 . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 14
4. 11
Rapport Haskoning: Rapport Uitwerking thematiek externe veiligheid , Wind op Isselt14
4. 12
Second opinion EV-gedeelte OFLO en EV-onderzoek , DGMR . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 14
4. 13
Memo Verantwoording groepsrisico . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 15
4. 14
Vergunning 9 februari 2015 . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 15
4. 15
Vergunning 22 september 2015 . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 15
4. 16
Memo Haskoning ; Aandachtsgebieden en invloedsgebieden zonder F15, en D15, . . . . 16
5.
Conclusie. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 17
6.
Overzicht toetsingskader externe veiligheid . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 21
2
Samenvatting Wat is externe veiligheid Externe veiligheid gaat over de bescherming van mensen in de omgeving van activiteiten die risico’s met zich meebrengen. Het gaat daarbij om risico’s voor personen buiten de grenzen van een activiteit , zoals bewoners , werknemers of bezoekers in de omgeving. Deze risico’s ontstaan bij activiteiten waarbij gevaarlijke stoffen worden geproduceerd , opgeslagen , vervoerd en gebruikt. Maar ook bij nieuwe ontwikkelingen in de energietransitie zoals batterijen en windturbines. De beoordeling van externe veiligheid richt zich op de kans en gevolgen (effecten) van incidenten. Deze beoordeling gebeurt op drie niveaus: 1. plaatsgebonden risico geeft de kans weer dat een persoon die zich continu en onbeschermd op een bepaalde locatie bevindt , overlijdt als gevolg van een incident. 2. en aandachtsgebieden , waar directe effecten van een incident kunnen optreden , 3. - invloedsgebieden waar effecten van een incident nog merkbaar kunnen zijn. Risico’s worden berekend via gestandaardiseerde , vaak conservatieve modellen die vooral geschikt zijn voor vergelijking , niet voor exacte voorspelling. Bestuurlijke besluitvorming draait om het aanvaardbaar maken van de kansen op een risico , waarbij ook risicoperceptie en communicatie een belangrijke rol spelen.
Toetsing Wind op Isselt , kaders en afwegingsruimte Wind op Isselt brengt externe veiligheidsrisico’s met zich mee. Een mast kan omvallen , een wiek kan loslaten of de gondel kan falen. Zie ter illustratie onderstaande figuur
De aanvraag wordt beoordeeld en getoetst op het geldende wettelijke kader voor externe veiligheid , zoals vastgelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Daarbij is gekeken naar 1. risico’s voor de omgeving , waaronder directe effecten van de windturbines , 2. mogelijke domino-effecten bij Smit & Zoon en 3. bredere gevolgen voor de omgevingsveiligheid. Naast deze toetsing aan het wettelijke kader zijn ook andere veiligheidsaspecten betrokken , zoals risico’s bij de RWZI , (vaar)wegen , keringen en hoogspanningsinfrastructuur. Voor deze beoordeling bestaat geen specifiek wettelijk kader. De beoordeling vindt hier plaats via een Evenwichtige Toedeling van Functies aan Locaties (ETFAL) , waarbij richtlijnen en handreikingen richting geven aan de vraag wanneer sprake is van een aanvaardbare situatie. 3
Binnen zowel het wettelijke kader als de ETFAL-beoordeling is bestuurlijke afwegingsruimte. Op verzoek van de raad wordt het Ontwerpbesluit betrokken bij de beoordeling. Zie ook tabel 1 voor een overzicht van de kaders en de afwegingsruimte. Betrokken documenten bij de toets externe veiligheid voor Wind op Isselt Voor de uitvoering van de toetsing is gebruikgemaakt van door de aanvrager aangeleverde documenten met betrekking tot externe veiligheid: • Onderbouwing Fysieke Leefomgeving OFLO Wind op Isselt • Onderzoek externe veiligheid v1. 7 • Domino-effecten door windturbines , QRA Handelmaatschappij A. Smit en Zoon v4.0 ; d. d. 17-122025
Daarnaast zijn adviezen ingewonnen en ambtelijke analyses gebruikt. Het gaat om de volgende documenten: • PSU-file • Rapport van Waterschap Vallei en Veluwe: nog niet beschikbaar gesteld aan Amersfoort. • Advies Omgevingsdienst Utrecht , ROM integraal advies , Z/26/2002578 / D2026-019160 , 0502-2026. • • •
•
• • •
•
•
Advies Omgevingsdienst Utrecht Advies Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied , 9 april 2026 Advies Veiligheidsregio Utrecht , Advies Omgevingsvergunning windturbines Isselt , VRU202600001866 , 18 februari 2026. Rapport Haskoning: Rapport Uitwerking thematiek externe veiligheid , Wind op Isselt , Amersfoort , 20 maart 2026 Second opinion EV-gedeelte OFLO en EV-onderzoek , DGMR , 5 februari 2026 Ambtelijke memo Verantwoording groepsrisico , 26 februari 2026 Vergunning voor bouw van een gashouder en het opslaan van (bio)gas op terrein van de Rioolwaterzuiveringsinstallatie aan de Neonweg 30 te Amersfoort , 9 februari 2015 , Zaakkenmer: Z-HZ_WABO-2014-2925. (verder aangeduid als vergunning 9 februari 2015) Vergunning voor bouw van een gashouder en het opslaan van (bio)gas op terrein van de Rioolwaterzuiveringsinstallatie aan de Neonweg 30 te Amersfoort , 22 september 2015 , Zaakkenmer: Z-HZ_WABO-2015-4064. (verder aangeduid als vergunning 22 september 2015) Memo Haskoning ; Aandachtsgebieden en invloedsgebieden zonder F15, en D15, , 8 april 2026
Op basis van de aanvraag , de ontvangen adviezen , rapporten en overige documenten wordt geconcludeerd dat het toelaten van twee windturbines op Isselt vanuit oogpunt van externe veiligheid aanvaardbaar is omdat dit niet tot een significante verhoging van de risico’s leidt als gevolg van domino-effecten bij Smit & Zoon. Daarnaast wordt aan de wettelijke eisen uit het Bkl en het Ontwerpbesluit windturbines leefomgeving voldaan. Ook zijn er geen belemmeringen vanwege effecten van de windturbines op omliggende wegen , de Eem , de hoogspanningsinfrastructuur en de RWZI.
4
1.
Inleiding
In deze memo geven we meer inzicht in de beoordeling van externe veiligheid in het kader van de aanvraag voor het planologisch toestaan van twee windturbines op Isselt. Om deze beoordeling goed te kunnen duiden , wordt eerst toegelicht wat onder externe veiligheid wordt verstaan en welke aspecten daarbij een rol spelen. Vervolgens wordt ingegaan op het geldende toetsingskader en de wijze waarop de bestuurlijke afweging plaatsvindt , inclusief de documenten die daarbij zijn gebruikt. In hoofdstuk 4 wordt per document een nadere toelichting gegeven en in hoofdstuk 5 is de conclusie voor externe veiligheid opgenomen voor de beoordeling van de externe veiligheidseffecten. Tot slot is in bijlage 1een overzichtstabel opgenomen met de relevante regelgeving en de bijbehorende afwegingsruimte. Wat is externe veiligheid en wanneer is het relevant Externe veiligheid heeft betrekking op de bescherming van mensen in de omgeving van activiteiten die risico’s met zich meebrengen. Het gaat daarbij om risico’s voor personen buiten de grenzen van een activiteit , zoals bewoners , werknemers of bezoekers in de omgeving. Deze risico’s ontstaan bij activiteiten waarbij gevaarlijke stoffen worden geproduceerd , opgeslagen , vervoerd of gebruikt. Externe veiligheid is onder meer relevant bij industriële bedrijven , transport van gevaarlijke stoffen over weg , spoor en water , en buisleidingen.
Daarnaast is externe veiligheid ook van belang bij nieuwe ontwikkelingen in het kader van de energietransitie. Hierbij kan worden gedacht aan windturbines en energieopslagsystemen (EOS) , zoals grootschalige batterijen. Ook deze toepassingen kunnen risico’s met zich meebrengen , bijvoorbeeld door mechanisch falen , brand of het vrijkomen van energie. Daarmee vallen ook deze activiteiten binnen de reikwijdte van externe veiligheid. Waar wordt naar gekeken bij de beoordeling van externe veiligheid Bij de beoordeling van externe veiligheid wordt gekeken naar de kans dat een incident optreedt en naar de mogelijke gevolgen daarvan voor de omgeving. Deze beoordeling wordt in Nederland gedaan aan de hand van verschillende risicomaten en gebieden. Een belangrijke maat is het plaatsgebonden risico. Dit geeft de kans weer dat een persoon die zich continu en onbeschermd op een bepaalde locatie bevindt , overlijdt als gevolg van een incident. Voor het plaatsgebonden risico geldt een wettelijke grenswaarde , waarmee een basisniveau van bescherming wordt geborgd. Onder de Omgevingswet wordt daarnaast gewerkt met aandachtsgebieden en invloedsgebieden: Aandachtsgebieden geven aan waar directe effecten van een incident kunnen optreden , zoals hitte , overdruk of blootstelling aan gevaarlijke stoffen.
Binnen deze gebieden wordt bij ruimtelijke ontwikkelingen expliciet gekeken naar de bescherming van personen. Invloedsgebieden geven het gebied aan waar effecten van een incident nog merkbaar kunnen zijn. Binnen deze gebieden wordt aandacht besteed aan de aanwezigheid van groepen mensen , de mogelijkheden voor zelfredzaamheid en de inzet van hulpdiensten. Hiermee wordt invulling gegeven aan de bestuurlijke afweging die voorheen samenhing met het groepsrisico.
5
Hoe worden risico’s bepaald: berekenen en wettelijk vastgestelde methoden De risico’s in het kader van externe veiligheid worden bepaald met behulp van wettelijk vastgestelde rekenmethodieken. Deze methodieken zijn voorgeschreven in regelgeving en bijbehorende handleidingen en zorgen ervoor dat risico’s op een uniforme en reproduceerbare manier worden berekend. Bij deze berekeningen worden mogelijke scenario’s doorgerekend , zoals een lekkage , brand of explosie. Daarbij wordt zowel de kans op optreden als het effect op de omgeving bepaald. De uitkomsten worden vervolgens gebruikt om het plaatsgebonden risico vast te stellen en om inzicht te krijgen in de omvang van aandachtsgebieden en invloedsgebieden. Het gebruik van een vaste rekenmethodiek zorgt ervoor dat risico’s onderling vergelijkbaar zijn. Hierdoor kunnen verschillende situaties , locaties of plannen op een zelfde manier worden beoordeeld en getoetst aan de geldende normen. Bestuurlijke afweging: omgaan met berekende risico’s De uitkomsten van de risicoberekeningen vormen de basis voor bestuurlijke besluitvorming. Daarbij worden de berekende risico’s in samenhang met de ruimtelijke situatie en beleidsdoelen afgewogen. Een belangrijk uitgangspunt hierbij is de probabilistische benadering. Dit betekent dat risico’s worden uitgedrukt in kansen en dat wordt erkend dat risico’s niet volledig kunnen worden uitgesloten.
Activiteiten die risico’s met zich meebrengen maken onderdeel uit van de samenleving , en de afweging richt zich daarom op het beheersen en aanvaardbaar maken van deze risico’s. Belangrijke aandachtspunten bij de afweging Bij de interpretatie van risico’s en de bestuurlijke afweging spelen een aantal aandachtspunten een rol die in samenhang moeten worden bekeken: • Probabilistische benadering en het bestaan van risico’s Uitgangspunt in het externe veiligheidsbeleid is dat risico’s niet volledig kunnen worden uitgesloten. Door risico’s in kansen uit te drukken , wordt inzicht verkregen in de waarschijnlijkheid van incidenten en de mogelijke gevolgen. Dit betekent dat besluitvorming zich richt op het beperken en afwegen van risico’s , in plaats van het volledig voorkomen ervan. Daarbij wordt gekeken naar wat in een specifieke situatie als aanvaardbaar wordt beschouwd. Met de modernisering van omgevingsveiligheid is hierbij meer nadruk komen te liggen op zelfredzaamheid , veiligheidsbeleving en de effecten van incidenten. Hieraan wordt onder de Omgevingswet invulling gegeven door aandacht te hebben naar maatregelen in aandachtsgebieden om aanwezige personen te beschermen. 1 •
Rekenmodellen als hulpmiddel voor vergelijking , niet als voorspelling De gehanteerde rekenmethodieken maken het mogelijk om risico’s op een uniforme manier te berekenen en onderling te vergelijken. Dit ondersteunt de beoordeling en toetsing aan normen , zoals die voor het plaatsgebonden risico. Tegelijkertijd geven deze modellen geen exacte voorspelling van de werkelijkheid. Ze zijn gebaseerd op gestandaardiseerde
1
Zie hiervoor de Nota modernisering omgevingsveiligheid , Uitvoeringsprogramma 2015 – 2018 , 16-122014: Open overheid 6
scenario’s en aannames , waardoor de uitkomsten richtinggevend zijn voor vergelijking en besluitvorming , maar niet één op één de feitelijke situatie weergeven. •
Conservatieve uitgangspunten in de berekeningen In de rekenmodellen wordt veelal uitgegaan van conservatieve aannames. Zo wordt bijvoorbeeld beperkt rekening gehouden met de beschermende werking van gebouwen of met gedragsreacties van mensen bij een incident. Dit betekent dat risico’s in de berekeningen eerder worden overschat dan onderschat. Deze benadering draagt bij aan een robuuste beoordeling , maar vraagt ook om interpretatie in de context van de werkelijke situatie.
•
Perceptie en risico’s Om de betekenis van risico’s beter te duiden , kan het helpen om deze te vergelijken met andere , meer bekende risico’s. Dit geeft inzicht in de orde van grootte van kansen:
Figuur 1: kans op overlijden door risicofactoren [bron: RIVM rapport 251701047/2003 NUCHTER OMGAAN MET RISICO’S Milieu- en Natuurplanbureau (MNP) – RIVM]
Deze vergelijking laat zien dat risico’s uit externe veiligheid (grote ongevallen) zich doorgaans in een andere orde van grootte bevinden dan veel alledaagse risico’s. In de figuur zie je dat bijvoorbeeld 1 op de 200 per jaar mensen overlijdt door roken tegen 1 op de miljoen per jaar aan grote ongevallen (externe veiligheid). Tegelijkertijd is van belang dat dergelijke risico’s vaak onvrijwillig zijn , terwijl veel alledaagse risico’s vrijwillig worden genomen. Dit verschil speelt een rol in de mate waarin risico’s aanvaardbaar worden geacht en is verankerd in de normering van externe veiligheid. •
Verschil tussen berekende risico’s en risicobeleving Naast de berekende risico’s speelt ook de manier waarop risico’s worden ervaren een rol. Factoren zoals zichtbaarheid , mate van controle en mogelijke gevolgen beïnvloeden de risicoperceptie. Hierdoor kunnen risico’s verschillend worden beoordeeld , los van de berekende kans. Dit onderstreept het belang van transparante communicatie en zorgvuldige afweging.
7
2. Wind op Isselt Windturbines brengen externe veiligheidsrisico’s met zich mee. Voor de beoordeling hiervan bestaan wettelijke kaders en aanvullende richtlijnen. De Raad heeft in het uitwerkingsvoorstel bepaald dat niet alleen wordt getoetst aan de geldende regelgeving , maar dat ook rekening wordt gehouden met het Ontwerpbesluit windturbines leefomgeving (hierna: Ontwerpbesluit). In dit licht zijn de externe veiligheidsrisico’s van de aangevraagde windturbines beoordeeld. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen directe effecten , indirecte effecten (domino-effecten) en overige effecten , zoals op infrastructuur. •
Directe effecten De directe effecten betreffen de risico’s die de windturbines zelf veroorzaken , zoals schade aan gebouwen en locaties waar mensen verblijven. Deze worden beoordeeld aan de hand van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) , waarbij onder meer wordt gekeken naar het plaatsgebonden risico en de mogelijkheden voor rampenbestrijding. Aanvullend wordt ook getoetst aan het Ontwerpbesluit.
•
Indirecte effecten (domino-effecten) Daarnaast is gekeken naar indirecte effecten , in het bijzonder mogelijke domino-effecten bij de nabijgelegen Seveso-inrichting Smit & Zoon. Hierbij wordt gekeken naar de toename van het plaatsgebonden risico , het groepsrisico en de rampenbestrijding.
•
Overige effecten (omgevingsveiligheid) Naast de effecten op personen en risicobronnen is vanuit het bredere kader van omgevingsveiligheid gekeken naar de impact op andere objecten. In lijn met het uitwerkingsvoorstel gaat het om: o Risicovolle installaties bij de RWZI o Hoogspanningsinfrastructuur o Wegen o Vaarwegen o Waterkeringen
8
3. Beoordeling , documenten en adviezen De beoordeling van de externe veiligheidsrisico’s is uitgevoerd aan de hand van de geldende wettelijke kaders en het door de Raad vastgestelde ontwikkelkader , waaronder ook toetsing aan het Ontwerpbesluit windturbines leefomgeving. In tabel 1 is een overzicht gegeven van deze kaders , inclusief de aanwezige afwegingsruimte en de inhoud van de toets per onderdeel , zowel voor de huidige regelgeving als voor het uitwerkingsvoorstel Voor de uitvoering van de toetsing is gebruikgemaakt van door de aanvrager aangeleverde documenten met betrekking tot externe veiligheid: 1. Onderbouwing Fysieke Leefomgeving OFLO Wind op Isselt 2. Onderzoek externe veiligheid v1. 7 3. Domino-effecten door windturbines , QRA Handelmaatschappij A. Smit en Zoon v4.0 ; d. d. 17-122025
Daarnaast zijn adviezen ingewonnen en ambtelijke analyses gebruikt. Het gaat om de volgende documenten: 4. PSU-file. Dit betreft een niet openbaar document dat door Smit & Zoon aan de ODU beschikbaar is gesteld voor toetsing. De omgevingsdiensten Utrecht en Noordzeekanaalgebied hebben dit betrokken bij hun advies. 5. Rapport van Waterschap Vallei en Veluwe 6. Advies Omgevingsdienst Utrecht , ROM integraal advies , Z/26/2002578 / D2026-019160 , 0502-2026. 7. 8. 9.
Advies Omgevingsdienst Utrecht Advies Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied , 9 april 2026 Advies Veiligheidsregio Utrecht , Advies Omgevingsvergunning windturbines Isselt , VRU202600001866 , 18 februari 2026. 10. Concept advies Veiligheidsregio Utrecht , 29 januari 2026 11. Rapport Haskoning: Rapport Uitwerking thematiek externe veiligheid , Wind op Isselt , Amersfoort , 20 maart 2026 12. Second opinion EV-gedeelte OFLO en EV-onderzoek , DGMR , 5 februari 2026 13. Memo Verantwoording groepsrisico 14. Vergunning voor bouw van een gashouder en het opslaan van (bio)gas op terrein van de Rioolwaterzuiveringsinstallatie aan de Neonweg 30 te Amersfoort , 9 februari 2015 , Zaakkenmer: Z-HZ_WABO-2014-2925. (verder aangeduid als vergunning 9 februari 2015) 15. Vergunning voor bouw van een gashouder en het opslaan van (bio)gas op terrein van de Rioolwaterzuiveringsinstallatie aan de Neonweg 30 te Amersfoort , 22 september 2015 , Zaakkenmer: Z-HZ_WABO-2015-4064. (verder aangeduid als vergunning 22 september 2015) 16. Memo Haskoning ; Aandachtsgebieden en invloedsgebieden zonder F15, en D15, , 8 april 2026
Met behulp van deze verschillende bronnen en ambtelijke uitwerking is een integrale beoordeling uitgevoerd naar de externe veiligheidsaspecten van de voorgenomen windturbines.
9
4. Toelichting documenten Hieronder staat een feitelijke korte beschrijving van de verschillende bronnen die zijn gebruikt bij de beoordeling van de vergunningaanvraag. 4. 1
Onderbouwing Fysieke Leefomgeving OFLO Wind op Isselt
De onderbouwing van de fysieke leefomgeving bij een BOPA beschrijft hoe het initiatief past binnen de regels en doelen van de Omgevingswet. Voor externe veiligheid zijn de resultaten van onderzoeken samengevat en waarmee wordt voldaan aan wettelijke eisen en aanvaardbaarheid (incl. ETFAL). Het bevoegd gezag gebruikt dit document als basis voor de integrale toetsing en besluitvorming. 4. 2
Onderzoek externe veiligheid v1. 7
Dit document geeft de technische onderbouwing van de externe veiligheidsaspecten en gaat in op risico’s van de windturbine op de omgeving , inclusief de effecten op installatie bij de RWZI , hoogspanningsinfrastructuur , wegen , waterwegen en keringen. Daarnaast is in dit rapport ook een samenvatting gegeven van eventuele domino-effecten op Smit & Zoon. 4. 3
Domino-effecten door windturbines , QRA Handelmaatschappij A. Smit en Zoon
Een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) is opgesteld om inzicht te geven in de mogelijke dominoeffecten van de windturbines op de nabijgelegen Seveso-inrichting. In de QRA zijn scenario’s uitgewerkt van mogelijke gebeurtenissen bij het falen van een windturbine die effect kunnen hebben op deze inrichting , zoals het omvallen of afbreken van onderdelen. Deze scenario’s zijn door adviesbureau Antea afgestemd met het Seveso-bedrijf en vervolgens verwerkt in de analyse. De QRA geeft daarmee een onderbouwde interpretatie van de externe veiligheidseffecten. De QRA geeft inzicht in het plaatsgebonden risico , het groepsrisico en het invloedsgebied. Om een volledig beeld te krijgen zijn in de QRA vier situaties doorgerekend: • de vergunde situatie ; • de vergunde situatie met leidingbrug ; • de vergunde situatie met leidingbrug en domino-effecten volgens de huidige rekenmethodiek (module IV , versie januari 2025) ; • de vergunde situatie met leidingbrug en domino-effecten volgens de toekomstige rekenmethodiek (module IV , versie juli 2025). Voor het doorrekenen van zowel de huidige als de toekomstige rekenmethodiek is gekozen omdat de verwachting is dat de rekenmethodiek op korte termijn wordt aangepast. In de nieuwe methodiek worden andere scenario’s en faalkansen gehanteerd , gebaseerd op recente wetenschappelijke inzichten en ontwikkelingen.
Zoals de toepassing van grotere windturbines in deze aanvraag. Door beide methodieken toe te passen ontstaat een vollediger en robuuster beeld van de externe veiligheidssituatie. Uit de QRA volgt dat wordt voldaan aan de eisen voor het plaatsgebonden risico. Tegelijkertijd laat de analyse zien dat het groepsrisico en het invloedsgebied toenemen als gevolg van de aanwezigheid van 2 windturbines. Deze uitkomsten worden betrokken bij de verdere bestuurlijke afweging. Omdat het bevoegd gezag (milieu) van Smit en Zoon de provincie Utrecht (gemandateerd aan Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied , verder: OD NZKG) , is OD NZKG om advies gevraagd. 10
4. 4
PSU-file (niet openbaar)
Een PSU-file is het rekenbestand waarin de externe veiligheidsrisico’s van de Seveso-inrichting zijn berekend. Dit bestand bevat de uitgangspunten en resultaten van de risicoberekeningen en vormt daarmee een belangrijke basis voor de beoordeling van externe veiligheid. De resultaten van de berekening zijn beschreven in het QRA-rapport. De PSU-file is niet bij de aanvraag aangeleverd , maar door het Seveso-bedrijf rechtstreeks beschikbaar gesteld aan de Omgevingsdienst Utrecht (ODU). De ODU heeft dit gedeeld met OD NZKG en Haskoning ten behoeve van de beoordeling van de QRA. Dit bestand is niet openbaar. 4. 5
Onderzoek Waterschap Vallei en Veluwe
Het waterschap heeft een onderzoek laten uitvoeren of de risico's van windturbine aanvaardbaar zijn. De conclusie van dit onderzoek kan als volgt worden samengevat: De meeste risico’s zijn klein en worden daarom als acceptabel beschouwd. De grootste impact ontstaat als het bedrijfsgebouw wordt geraakt , omdat dan de zuiveringsfunctie volledig kan uitvallen. Andere risico’s leiden vooral tot gedeeltelijke uitval van processen , zoals beluchting of energieopwekking , waardoor de capaciteit afneemt. Als onderdelen uitvallen , kan de RWZI meestal (deels) blijven functioneren , maar met een lagere waterkwaliteit als gevolg. In het ergste geval kan dit leiden tot milieueffecten , zoals zuurstoftekort en vissterfte. Voor personeel blijven de risico’s beperkt , al kunnen incidenten met gebouwen of leidingen ernstige gevolgen hebben. Deze gebouwen liggen echter buiten de wettelijke risicocontouren. Geluid en slagschaduw blijven binnen de normen op het terrein. Alles afwegende worden de risico’s als aanvaardbaar beschouwd binnen de gehanteerde kaders , waarbij enkele aandachtspunten nader onderzoek of maatregelen kunnen vragen. 4. 6
Advies Omgevingsdienst Utrecht , ROM integraal advies
Op verzoek van de gemeente Amersfoort is de ODU gevraagd te adviseren over de bij de aanvraag bijgevoegde rapporten over geluid , externe veiligheid en slagschaduw. Op het gebied van externe veiligheid heeft de ODU de OFLO en het onderzoek externe veiligheid beoordeeld die bij de aanvraag waren bijgevoegd. De conclusie van de ODU over deze twee rapporten is als volgt: a. De rapportage externe veiligheid geeft voldoende beeld om de risico’s vanuit omgevingsveiligheid te beoordelen. b. In de OFLO staan enkele onjuistheden. (verkeerde legenda in figuur 11 en een onjuiste formulering waardoor de suggestie wordt gewekt dat risicocontouren over kwetsbare gebouwen mogen vallen). Daarnaast heeft de ODU de volgende kantekeningen bij de externe veiligheidsonderzoeken en OFLO: a. Het omgevingsrisico voor Smit en Zoon neemt toe. Deze toename leidt niet tot overschrijding van de normwaarden voor het plaatsgebonden risico. Realisatie van de windturbines laat
11
b.
c.
4. 7
ook een toename van het groepsrisico zien welke niet is beschouwd in het onderzoek (dat bij de aanvraag is bijgevoegd). Gebouw 25 (zie hiervoor de OFLO en het onderzoek externe veiligheid) wordt in het onderzoek en de OFLO aangeduid als ‘industriefunctie’. Conform de definitie in Bijlage VI in het Bkl (welke verwijst naar het Besluit Bouwwerken Leefomgeving) is ‘industriefunctie’ beperkt kwetsbaar. Het gebouw is enkel bedoeld voor procesinstallaties en niet voor de bewerking of opslag van goederen , deze term is dus ongelukkig gekozen. Hiervoor dient aandacht te zijn in het besluit. In de conclusie van de OFLO ontbreekt de toetsing aan het Ontwerpbesluit windturbines leefomgeving. Hieraan is wel getoetst , daarmee voldoet het onderzoek als onderbouwing. Advies Omgevingsdienst Utrecht
De ODU is adviseur van de gemeente over externe veiligheid bij ruimtelijke plannen. De QRA maakt onderdeel van de aanvraag en is in dit licht door de ODU beoordeeld. Om de QRA te kunnen beoordelen heeft de ODU de rekenbestanden bij Smit & Zoon opgevraagd. Deze zijn betrokken bij de beoordeling van de QRA. De ODU geeft in haar advies de volgende punten mee: • De maatgevende risico’s uit de risicoanalyse zijn niet realistisch gemodelleerd en geven een onrealistisch beeld van de omgevingsrisico’s. • Het maatgevende scenario komt niet overeen met het beschreven scenario in het rapport. In het rekenbestand komt het gas bij het mengscenario zijwaarts vrij met hoge snelheid. Dit doet geen recht aan de beschrijving van het scenario in het rapport. • Het vrijkomen van giftige gassen in verticale richting leidt tot aanzienlijke andere risico’s en effecten in de omgeving. Een horizontale uitstroomrichting laat een effectafstand (afstand tot waar slachtoffers kunnen vallen) zien die al snel enkele honderden meters groter is dan wanneer deze verticaal is gericht. Dit leidt ook tot een verschil in de hoogte van het rekenkundige groepsrisico. (De ODU concludeert dat bij juiste modellering , in verticale richting de effecten met enkele honderden meters afnemen) • De effecten van het gelijktijdig falen van insluitsystemen zoals beschreven in de QRA is niet beschreven in het rekenvoorschrift.
Het is aan de opsteller om de modellering te onderbouwen. • In de risicoanalyse leidt ieder treffen tot falen. Het is aannemelijk dat voor inpandige tanks niet ieder treffen leidt tot het volledig uitstromen van een tank. Het is echter lastig te bepalen hoeveel bescherming (bijvoorbeeld) een gebouw biedt. 4. 8
Advies Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (OD NZKG)
De OD NZKG is bevoegd gezag voor Smit & Zoon. We hebben OD NZKG daarom gevraagd advies te geven op de QRA en de PSU-file. De centrale vraag aan OD NZKG is of ze akkoord zijn met de QRA en de PSU-file. Uit het advies van OD NZKG blijkt: • De opslag van gevaarlijke stoffen volgens PGS 15 is het meest risicovolle aspect van het bedrijf voor de omgeving. Hierbij is (worst-case) aangenomen dat het treffen van de loods leidt tot ontsteking van de opgeslagen stoffen , waardoor dit als domino-effect is aangemerkt. Dit is niet realistisch. • De aannames in de QRA voor het vrijkomen van SO2 zijn zeer conservatief. • De modellering van de plasverdamping horizontaal is niet juist. • In algemene zin is de QRA erg conservatief gemodelleerd en is OD NZKG niet betrokken bij de aannames. 12
•
4. 9
Op de horizontale uitstroming na is modellering van verder juist uitgevoerd. Advies Veiligheidsregio Utrecht , Advies Omgevingsvergunning windturbines Isselt
De VRU is gevraagd te adviseren over Wind op Isselt. Het advies van de VRU kan als volgt worden samengevat: a.
b.
c.
De veiligheidsregio vindt de plaatsing van de windturbine op de plek tussen de RWZI en de Seveso-inrichting Smit & Zoon (locatienr. 1) door de mogelijke domino-effecten niet wenselijk , vanwege de ernst van het scenario , de toename van het effectgebied , de ligging van het Meander in het effectgebied en de gevolgen voor medische hulpverlening. Daarnaast adviseren zij om het gebouw 1 en mogelijk gebouw 29 zoals aangegeven in figuur 3 op bl. 14 van de rapportage ‘Onderzoek externe veiligheid’ aan te blijven duiden als een kwetsbaar gebouw. Als de gemeente in het kader van een bredere belangenafweging besluit om verder te gaan met de uitvoeringplannen van het planvoornemen , adviseert de VRU: o De overschrijding van het groepsrisico te motiveren onder de huidige rekenmethodiek. o Advies op te vragen bij Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied voor de beoordeling van de QRA bij Smit & Zoon o De veiligheidscontouren op te nemen in het omgevingsplan om te voorkomen dat nieuwe zeer kwetsbare gebouwen , (beperkt) kwetsbare gebouwen of locaties ontstaan binnen de risicocontouren. o De overdimensionering van de windturbinemasten naar een hogere IEC-klasse dan die normaal op deze locatie vereist is en een reductiefactor van de faalkans van 16, oplevert , vast te leggen in de vergunning.
o Zorg te dragen dat bij het raken van de inrichting door het omvallen van de mast of een bladbreuk vanuit Smit & Zoon er op 24/7 basis direct richting de alarmcentrale van de brandweer informatie kan worden verschaft over de ernst van de schade aan het bedrijf en de installaties en over de mogelijk vrijgekomen stoffen. o De mogelijkheid aanvullende veiligheidsvoorzieningen te nemen , die de kans op het optreden van het maatgevende scenario verkleinen. o De bevindingen in de bijlage van dit advies over de voor de veiligheidsregio relevante documenten te verwerken in de betreffende documenten en opnieuw voor advies voor te leggen o Bij het verdere vervolg van het planvoornemen de veiligheidsregio intensief en tijdig te betrekken.
Verwerking van advies van de VRU bij besluitvorming a. Er is advies opgevraagd bij Haskoning om de QRA die ten grondslag ligt aan de effectinschatting te beoordelen en in dat licht het advies van de VRU te duiden. b. Er is geconstateerd dat op basis van art. 5. 5 Bkl , gebouwen op het terrein van een bedrijf dat zelf risico’s voor de omgeving veroorzaakt , geen toetsing plaatsvindt aan het plaatsgebonden risico voor kwetsbare of beperkt kwetsbare gebouwen van dat bedrijf. Dit betekent dat de gebouwen op het terrein van Smit & Zoon niet getoetst worden bij de beoordeling van de aanvraag. De opmerking van de VRU is daarmee gebaseerd op een onjuiste interpretatie van de wet en is dus niet relevant voor de beoordeling. c. Er is advies ingewonnen bij Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied en Haskoning om invulling te geven aan de genoemde punten. Daarnaast kunnen voorschriften in de
13
vergunning en het omgevingsplan opgenomen worden voor de juridisch borging en wordt de VRU betrokken bij vervolgstappen. 4. 10
Concept advies Veiligheidsregio Utrecht , 29 januari 2026
De VRU heeft op 29 januari per mail een concept advies gegeven op de aanvraag. Het advies is gebaseerd op de OFLO , het externe veiligheidsonderzoek en de QRA. De VRU constateerde dat ze nog aanvullende informatie wilden ontvangen om te komen tot een definitief advies , waaronder de second opinion van DGMR. Aanvullend is ook de Memo verantwoording groepsrisico gedeeld. In het concept advies wordt een voorlopig advies gegeven. De strekking van het advies is vergelijkbaar met het definitieve advies. 4. 11
Rapport Haskoning: Rapport Uitwerking thematiek externe veiligheid , Wind op Isselt
De gemeente Amersfoort heeft Haskoning gevraagd te ondersteunen bij de motivering van de verschillende aspecten van externe veiligheid voor Wind op Isselt. Dit mede in het licht van de adviezen die van de VRU en de ODU zijn ontvangen. Ook heeft de gemeente Amersfoort Haskoning gevraagd de QRA te beoordelen. Dit heeft geleid tot een advies met de volgende hoofdlijn: • Er wordt voldaan aan de eisen die worden gesteld aan het plaatsgebonden risico. Met een voorbereidingsbesluit kan worden voorkomen dat saneringssituaties ontstaan. • De gehanteerde uitgangspunten in de QRA leiden op meerdere punten tot overschatting van risico’s , doordat zowel trefkansen , vervolgscenario’s als effectafstanden te conservatief zijn bepaald of onjuist gemodelleerd. Hierdoor zijn de berekende invloedsgebieden , aandachtsgebieden en domino-effecten omvangrijker weergegeven dan volgens realistische rekenvoorschriften aannemelijk zijn. • Windstil weer zorgt voor de grootste effecten maar het is niet waarschijnlijk dat dan dominoeffecten optreden. • Er zijn maatregelen mogelijk om effecten te beperken. Hierbij is afstemmen met Smit & Zoon nodig . 4. 12
Second opinion EV-gedeelte OFLO en EV-onderzoek , DGMR
DGMR heeft een second opinion uitgevoerd op de OFLO en het onderzoek Externe Veiligheid. Hieruit zijn aandachtspunten naar voren gekomen die. De belangrijkste aandachtspunten zijn: a. Voorkom toekomstige saneringssituatie door beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen binnen de gehele 10 -6 per jaar contour uit te sluiten. b. Motivering is nodig voor de aanwezigheid van beperkt kwetsbare gebouwen binnen de 10 -6 contour van de windturbine. c. Het falen van de windturbine kan de continuïteit van de RWZI bedreigen of tot slachtoffers leiden. Er is geen sprake van een extern risico , maar er wordt aangeraden om dit voor te leggen aan het waterschap. d. Er moet sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hierbij moet naast de aanwezigheid van beperkt kwetsbare gebouwen binnen de 10 -6 per jaar van turbine ook de verhoging van het groepsrisico van Smit & Zoon worden betrokken. e. De nieuwe rekenmethodiek (Module IV , versie juli 2025) die nog in werking moet treden , levert lagere faalkansen en kleinere risicocontouren op. Daarnaast neemt de effectafstand door het nieuwe scenario bladbreuk in delen toe. De effecten van de nieuwe rekenmethodiek moet nog bekeken worden. 14
f.
Overige opmerkingen op de OFLO zijn , hoe de trefkans verlaging van mastbreuk borgen en een o , onderbouwing analyse waterkering.
Verwerking van het second opinion van DGMR bij besluitvorming a. voorbereidingsbesluit van d. d. voorkomt saneringssituaties. . Het voorbereidingsbesluit geeft de gemeente de mogelijkheid om de huidige situatie vast te zetten en vervolgens vast te leggen in het omgevingsplan. b. en d. In de motivering van het besluit is aandacht voor de genoemde punten: aanwezigheid beperkt kwetsbare gebouwen binnen de 10 -6 per jaar contour van de windturbines en de toename van het groepsrisico bij Smit & Zoon. c. en f. Bij het Waterschap is een rapport opgevraagd waarin onderzoek is gedaan naar de effecten van de windturbine op de RWZI. Daarnaast is gevraagd om een extra check op de onderbouwing van de analyse van de waterkering. e. De initiatiefnemer heeft een QRA aan de aanvraag toegevoegd , waarin ook de effecten van de nieuwe rekenmethodiek zijn beschouwd. f. De verlaging van de trefkans kan worden vastgelegd in voorschriften bij de BOPA. 4. 13
Memo Verantwoording groepsrisico
In de second opinion van DGMR , in het VRU advies en in het advies van de ODU komt naar voren dat de toename van het groepsrisico gemotiveerd moet worden. Hiervoor is een eerste ambtelijke aanzet gedaan die ook met de VRU is gedeeld. Met de adviezen die we hebben ontvangen van de VRU en van Haskoning , zal de motivering verder worden vormgegeven. Dit document speelt bij de verdere besluitvorming geen rol. 4. 14
Vergunning 9 februari 2015
Met deze vergunning wordt de bouw van een gashouder van 1500 m3 aangevraagd en de opslag van (bio)gas. Uit de vergunning blijkt dat er bij de RWZI gevaarlijke stoffen aanwezig zijn , waaronder een gashouder voor biogas. In de vergunning staat hierover het volgende: Bij RWZI Amersfoort zijn , afgezien van de opslag van biogas in de gashouder geen gevaarlijke stoffen of brandbare stoffen met hoge vuurbelasting en/of toxische verbrandingsproducten aanwezig ; ook is geen sprake van een gasdrukmeet- en regelstation met een gastoevoer > 20 inch. De processen , de aard en hoeveelheid van de gebruikte gevaarlijke stoffen zoals vermeld in de aanvraag kunnen een risico vormen voor de omgeving. Deze risico's worden voldoende afgedekt door het voldoen aan de van toepassing zijnde richtlijnen met betrekking tot de opslag van gevaarlijke stoffen PGS 15 en BRL K903. De opgeslagen stoffen bevinden zich in tanks , in inpandige PGS opslagplaatsen voor de opslag van minder dan 10 ton gevaarlijke stoffen en in opslagkasten. 4. 15
Vergunning 22 september 2015
Met deze vergunning wordt een vergroting van de inhoud van de biogashouder aangevraagd van 3 1500 mnaar 1800 m.3 In de vergunning staat ten aanzien van externe veiligheid hierover het volgende opgenomen:
15
De vergroting van de inhoud van de biogashouder van 1500 m3 naar een inhoud van m3 wijzigt de veiligheidssituatie en de overwegingen die wij hebben gevolgd in hoofdstuk 7 van de vergunning van 9 februari 2015 nummer 8117456A , niet. De voorschriften uit deze vergunning die betrekking hebben op de gashouder behoeven geen aanpassing en zijn onverkort van toepassing op de nieuwe gashouder.
4. 16
Memo Haskoning ; Aandachtsgebieden en invloedsgebieden zonder F15, en D15,
Aanvullende memo n. a. v. van het Haskoning Rapport (zie 4. 11) waarin werd gesteld dat windstil weer de grootste effecten veroorzaakt , maar dat het onwaarschijnlijk is dat zich dan een domino-effect kan voordoen. De gemeente Amersfoort heeft Haskoning gevraagd om te berekenen wat het invloedsgebied en het aandachtsgebied is voor Smit & Zoon vanwege de domino-effecten waarbij SO2 vrijkomt. Windstil weer wordt aangeduid met weersklasse F15, en D15. , Haskoning concludeert in de memo dat de toename van het toxische aandachtsgebied ten gevolge van de dominoscenarios is volledig toe te schrijven aan de weersomstandigheden F15, en D15. , Wanneer deze weersomstandigheden buiten beschouwing worden gelaten zijn de aandachtsgebieden gelijk aan de aandachtsgebieden zonder dominoscenario’s. De toename van het invloedsgebied ten gevolge van de dominoscenario’s is grotendeels toe te schrijven aan de weersomstandigheden F15, en D15. , Wanneer deze weersomstandigheden buiten beschouwing worden gelaten is het invloedsgebied significant kleiner (van een maximale afstand van 1256 meter naar een maximale afstand van 368 meter). Het invloedsgebied groeit echter wel ten opzichte van de huidige situatie (van 174 naar 368 meter) door toedoen van de dominoscenario’s.
16
5. Conclusie Op basis van de aanvraag , de ontvangen adviezen , rapporten en overige documenten wordt geconcludeerd dat het toelaten van twee windturbines op Isselt vanuit oogpunt van externe veiligheid aanvaardbaar is omdat dit niet tot een significante verhoging van de risico’s leidt als gevolg van domino-effecten bij Smit & Zoon. Daarnaast wordt aan de wettelijke eisen uit het Bkl en het Ontwerpbesluit windturbines leefomgeving voldaan. Ook zijn er geen belemmeringen vanwege effecten van de windturbines op omliggende wegen , de Eem , de hoogspanningsinfrastructuur en de RWZI. Domino-effecten Onder domino-effecten wordt verstaan de gevolgen die bij Smit & Zoon optreden als een deel van de windturbine op hun terrein terecht komt. Dit kan als gevolg van mastbreuk of bladafworp. De bij de aanvraag aangeleverde QRA (Quality Risk Assessment) geeft inzicht in deze effecten en gaat uit van het ontstaan van een toxische wolk als twee specifieke stoffen met elkaar mengen.
Dit mengscenario kan op twee manieren optreden: als een opslagtank met zuur door de windturbine kapot gaat , daarbij ook de opvangput kapot gaat en de gehele inhoud van de opslagtank vrijkomt en gelijktijdig een tankauto die natriumbisulfiet lost wordt geraakt én daarbij kapot gaat waardoor de volledige inhoud van de tankauto vrijkomt , én de stoffen mengen waarbij SO 2 vrijkomt ; of als het pand van Smit & Zoon door de windturbine wordt geraakt en hierdoor een reactorvat in dit pand kapot gaat en de inhoud hiervan mengt met de inhoud van een opslagtank met natriumbisulfiet. De afstand tussen de reactor en opslagtank is circa 10 meter waarbij ze in aparte ruimtes staan en worden gescheiden door een muur. De opslagtank staat in een lekbak die bij een lek de vloeistof uit de tank kan opvangen. Voorwaarde voor dit scenario is dat de volledige inhoud van de reactor en de volledige inhoud van de opslagtank met elkaar mengen. Dit is alleen mogelijk als de muur helemaal weg is en de lekbak geen vloeistof kan opvangen , zodat de twee vloeistoffen bij elkaar kunnen komen en kunnen mengen. In de QRA wordt ervan uitgegaan dat als de windturbine de tankwagen en de opslagtank raakt of als de windturbine het pand van Smit & Zoon raakt , de stoffen mengen en volledig reageren met een toxische wolk tot gevolg.
Uit het rapport van Haskoning blijkt dat de kans op een toxische wolk afneemt naar nihil en wordt dit als zeer onwaarschijnlijk gezien voor het scenario met de tankauto. Voor het scenario met de reactor blijkt uit het rapport van Haskoning dat het twijfelachtig is dat een reactorvat volledig kapot gaat als het pand door de windturbine wordt geraakt. Met name in het scenario dat het pand wordt geraakt door delen van het blad van de windturbine lijkt het onwaarschijnlijk dat dit tot een domino-effect leidt. De QRA is ter beoordeling voorgelegd aan de Omgevingsdienst Utrecht en de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (toezichthouder voor Seveso-bedrijven , waaronder Smit & Zoon). Zij onderschrijven de conclusie van Haskoning. De ODU formuleert dit als volgt: “De maatgevende risico’s uit de risicoanalyse zijn niet realistisch gemodelleerd en geven een onrealistisch beeld van de omgevingsrisico’s. ” Ook wijst Haskoning erop dat , als van deze scenario's wordt uitgegaan , deze geen realistisch beeld geven van de effecten die kunnen optreden. Het belangrijkste punt dat Haskoning onder de aandacht brengt is dat het onwaarschijnlijk is dat domino-effecten optreden bij windstil weer. In dat geval draait de turbine niet en zou een blad alleen recht naar beneden kunnen vallen ; het blad kan Smit & Zoon daarbij niet raken. Ook het omvallen van de mast is onwaarschijnlijk bij dit 17
weertype. Juist het weertype windstil weer zorgt voor de grootste effecten bij de mengscenario's
doordat een toxische wolk zich dan heel rustig kan verspreiden. Uit een proefberekening waarbij de nacht niet is meegenomen , waardoor het rustige weertype (windstil) niet is meegenomen , blijkt dat het aandachtsgebied dan 490 meter is (aandachtsgebied is het gebied waar directe effecten kunnen optreden). Dit is hetzelfde aandachtsgebied als nu voor Smit & Zoon is bepaald en opgenomen is in de Atlas Veiligheid (zie ook figuur 4-4 rapport van Haskoning). Haskoning constateert dat er foutieve aannames zitten in de modellering van de scenario's in de QRA die tot een overschatting van de risico’s en invloedsgebieden leiden van meer dan 300 meter. (zie figuur 4-2 en figuur 4-8 en paragraaf 4. 3. 4 van het rapport van Haskoning). In de QRA wordt er vanuit uitgegaan dat stoffen horizontaal uitdampen (naar de zijkant) , terwijl dit verticaal (naar boven toe) moet worden gemodelleerd. Zowel de Omgevingsdienst Utrecht als de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied onderschrijven dat dit een foutieve aanname is in de QRA. Uit bovenstaande volgt dat de QRA geen reëel beeld geeft van de externe veiligheidsrisico’s , waaronder het groepsrisico. Het is aannemelijk dat het mengscenario/dominoscenario niet realistisch is dan wel dat de effecten veel kleiner zijn , vergelijkbaar met de huidige situatie.
Dit zorgt ervoor dat de effecten zich beperken tot industrieterrein Isselt en niet reiken tot aan het Meander ziekenhuis , Soesterkwartier of Hoogland. Er zijn daardoor geen zeer kwetsbare gebouwen gelegen binnen het effectgebied van 490 meter. Personen die zich in een pand bevinden , zijn tevens in belangrijke mate beschermd , mits ramen en deuren gesloten zijn en ventilatie wordt uitgeschakeld. Tijdige waarschuwing via WAS (waarschuwing en alarmeringssysteem)-palen en NL-Alert maakt effectieve zelfredzaamheid mogelijk. Ook de impact op de mogelijkheden voor inzet van de brandweer en hulpverleningsdiensten wijkt hierdoor af van waar de VRU vanuit gaat in hun advies , aangezien de VRU is uitgegaan van de effecten zoals beschreven in de QRA. Maatregelen Bovenstaande neemt niet weg dat we als gemeente maatregelen opleggen die de risico’s voor de omgeving beperken. In lijn met het advies van de VRU nemen we daarom voorschriften op over: De maximale trefkansen van de windturbine op Smit & Zoon (waarbij we ook regelen dat milieuruimte die in de toekomst ontstaat , beschikbaar wordt voor de omgeving , waaronder Smit & Zoon) ; IJsdetectie ; Tijdig waarschuwen van de directe omgeving over problemen met de windturbine door de initiatiefnemer , waaronder brand of problemen met onderdelen van de windturbine.
Blussystemen in de gondel (zoals geopperd door de VRU) verplichten we niet omdat deze systemen niet altijd een brand kunnen beheersen , risico’s meebrengen voor werknemers die onderhoud aan de windturbine uitvoeren en niet bijdragen aan het beperken van de dominoeffecten bij Smit & Zoon (zie paragraaf 5. 4 rapport van Haskoning). Met de verplichting om tijdig de omgeving te waarschuwen zorgen we ervoor dat het gebied onder de gondel tijdig geëvacueerd kan worden. Plaatsgebonden risico Een plaatsgebonden risico staat voor de kans dat een persoon die zich continu en onbeschermd op een bepaalde locatie bevindt , overlijdt als gevolg van een incident. Voor het plaatsgebonden 18
risico geldt een wettelijke grenswaarde , waarmee een basisniveau van bescherming wordt geborgd. Deze is 10⁻⁶ per jaar voor (zeer) kwetsbare gebouwen en 10⁻⁵ per jaar voor beperkt kwetsbare gebouwen. Hieraan wordt voldaan , nu nieuwe beperkt kwetsbare gebouwen binnen de 10 -5 per jaar contour met een voorbereidingsbesluit zijn uitgesloten. Ook de toename van het plaatsgebonden risico bij Smit & Zoon voldoet doordat er geen kwetsbare gebouwen binnen hun 10 -6 contour liggen. Op basis van het toepassen van het Ontwerpbesluit windturbines leefomgeving moeten we motiveren waarom beperkt kwetsbare gebouwen binnen plaatsgebonden risicocontour van 10 -6 per jaar geen beperking vormen. Dit motiveren we als volgt: Van de 29 gebouwen is voor 17 gebouwen een motivering nodig. Voor de overige 12 gebouwen is dit niet het geval omdat ze op basis van art. 5. 5 Bkl zijn uitgesloten van toetsing of niet relevant zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid. Veel panden in de contour zijn bedrijfspanden waar kleine aantallen personen aanwezig zijn (minder dan 25 overdag en niet meer dan 5 in de nacht). De locatie bevindt zich op een bedrijventerrein , waar een ander beschermingsniveau kan worden verwacht dan in andersoortige gebieden. Ook is op het industrieterrein een functiecombinatie van energieopwekking en bedrijvigheid wenselijk , met het oog op netcongestie.
Tot slot wegen we mee dat het overstappen naar windenergie een breder maatschappelijk belang dient en dat er in onze gemeente zeer beperkte mogelijkheden zijn om windprojecten te realiseren. Voor een uitgebreide toelichting op de toetsing aan het plaatsgebonden risico , zie hoofdstuk 3 van het rapport van Haskoning. In de OFLO en in het rapport externe veiligheid zijn omliggende wegen , vaarwegen (Eem) en de hoogspanningsinfratructuur getoetst aan de criteria voor externe veiligheid. Hieruit volgt dat de windturbines inpasbaar zijn. De windturbines leiden niet tot onaanvaardbare risico’s voor de continuïteit van de RWZI , zo blijkt uit het rapport ‘Risicoanalyse Trefkans Windturbines RWZI Amersfoort’ van DeltaPi , uitgevoerd in opdracht van het Waterschap Vallei & Veluwe. Zie voor een toelichting hierop ook paragraaf 3. 3. 1 van het rapport van Haskoning.
19
20
6. Overzicht toetsingskader externe veiligheid Tabel 1: toetsingskader. De groene gekleurde vakken geven de onderdelen weer waar bestuurlijke afwegingsruimte is. Situatie Wettelijk kader Uitwerkingsvoorstel Toelichting Mogelijkheden rampenbestrijding Art. 5. 2 Bkl: rekening houden met het belang van , bestrijdbaarheid , zelfredzaamheid en geneeskundige hulpverlening Bestuurlijke afwegingsruimte
Plaatsgebonden risico windturbine Zeer kwetsbare Art. 5. 7 Bkl: wordt voor gebouwen en kwetsbare gebouwen de 10 -6 per jaar in acht kwetsbare genomen. gebouwen en locaties Geen bestuurlijke afwegingsruimte Beperkt kwetsbare gebouwen en locaties
Art. 5. 11 Bkl: wordt voor beperkt kwetsbare gebouwen de grenswaarde -5 van 10 per jaar. in acht genomen
Geen bestuurlijke afwegingsruimte
Idem
Betrokken documenten en adviezen
Deze bepaling is zowel van toepassing bij het falen van de windturbine als het optreden van domino-effecten bij Smit & Zoon.
•
Zelfde bepaling.
•
•
Advies van de VRU Advies van Haskoning
Bestuurlijke afwegingsruimte
Op basis van Ontwerpbesluit: Art. 5. 7b Bkl: wordt voor kwetsbare gebouwen de 10 -6 per jaar in acht genomen. Geen bestuurlijke afwegingsruimte Op basis van Ontwerpbesluit: Art. 5. 11 Bkl (aangepast): wordt voor beperkt kwetsbare gebouwen rekening gehouden met de standaardwaarde van 10 -6 per jaar. Bestuurlijke afwegingsruimte
• •
Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties is er een verschil tussen de huidige regeling in het Bkl en het Ontwerpbesluit. De huidige situatie (Bkl) , geldt geen standaardwaarde , maar alleen een grenswaarde van 10 -5 per jaar. Onder het ontwerpbesluit geldt een standaardwaarde van 10 -6 per jaar waarmee rekening moet worden gehouden. geldt met deze
• • •
OFLO Rapport externe veiligheid Rapport Haskoning
OFLO Rapport externe veiligheid Rapport Haskoning
21
Situatie
Wettelijk kader
Uitwerkingsvoorstel
Toelichting
Betrokken documenten en adviezen
waarde rekening moet houden. In het stelsel van de Omgevingswet houdt deze wijze van normeren in dat gemotiveerd afwijken mogelijk is na een zorgvuldige inhoudelijke belangenafweging. Hiermee introduceert het Ontwerpbesluit bestuurlijke afwegingsruimte op het plaatsgebonden risico voor beperkt kwetsbare gebouwen. Plaatsgebonden risico domino-effecten Smit & Zoon Zeer kwetsbare Geen wettelijke Op basis van gebouwen en bepalingen. Via ETFAL Ontwerpbesluit: Art. 5. 7b kwetsbare vergelijkbare toets als Bkl: wordt voor kwetsbare gebouwen en onder Ontwerpbesluit. gebouwen de 10 -6 per jaar locaties in acht genomen.
De afweging via ETFAL kan naar analogie van het ontwerpbesluit worden ingevuld. Als aan de standaardwaarde van 10 -6 per kan worden voldaan , kan worden aangenomen dat het aanvaardbaar is.
•
Het gaat hier om de afweging om beperkt kwetsbare gebouwen toe te staan , binnen de 10 -6 per jaar contour van Smit & Zoon. Deze contour wordt groter , maar in de vergunde situatie van Smit & Zoon liggen er ook al meerdere beperkt kwetsbare gebouwen binnen deze contour. Dit moet betrokken worden bij de afweging. Hetzelfde geldt voor de geconstateerde fout in de QRA (zie advies Haskoning)
•
Bestuurlijke afwegingsruimte
Beperkt kwetsbare gebouwen en locaties
Geen wettelijke bepalingen. Via ETFAL vergelijkbare toets als onder Ontwerpbesluit.
Bestuurlijke afwegingsruimte
Op basis van Ontwerpbesluit: Art. 5. 11b Bkl: wordt voor beperkt kwetsbare gebouwen rekening gehouden met de standaardwaarde van 10 -6 per jaar.
• • • • •
• • • • •
OFLO Rapport externe veiligheid QRA PSU-files Advies Haskoning Advies ODNZKG OFLO Rapport externe veiligheid QRA PSU-files Advies Haskoning Advies ODNZKG
Bestuurlijke afwegingsruimte
22
Situatie
Wettelijk kader
Uitwerkingsvoorstel
Toelichting
Betrokken documenten en adviezen
Art. 5. 15 Bkl: er wordt rekening gehouden met het groepsrisico.
Idem
Geen wijzigingen. Dit artikel is alleen van toepassing op activiteiten met een brand- , explosie- of gifwolkaandachtsgebied. Een windturbine heeft dit niet , waardoor dit artikel alleen van toepassing is op het groepsrisico van Smit & Zoon i. r. t. de domino-effecten. De bestuurlijke afwegingsruimte heeft betrekking op het groepsrisico i. r. t. mogelijke maatregelen en zelfredzaamheid van personen.
•
Beoordeling kan naar analogie van activiteiten die enigszins vergelijkbaar zijn en die wel in bijlage VII van het Bkl worden genoemd.
•
•
Rapport externe veiligheid Vergunning Vergunning
Beoordeling aan de hand van de Handleiding risicozonering windturbines. Als wordt voldaan aan de uitgangspunten van de handleiding , kan over het algemeen worden aangenomen dat de situatie aanvaardbaar is. Beoordeling aan de hand van de Handleiding risicozonering windturbines. Als wordt voldaan aan
•
Rapport externe veiligheid
•
Rapport externe veiligheid
Groepsrisico
Overige kaders Installaties RWZI
Hoogspanningsinfrastructuur
Wegen
Bestuurlijke afwegingsruimte
Bestuurlijke afwegingsruimte
Geen wettelijke kader , want installaties bij RWZI worden niet genoemd in bijlage VII van het Bkl: ETFAL
Idem
Bestuurlijke afwegingsruimte
Bestuurlijke afwegingsruimte
Geen wettelijke kader: ETFAL en privaatrechtelijke eisen (zakelijk rechtzone)
Idem
Bestuurlijke afwegingsruimte
Bestuurlijke afwegingsruimte
Geen wettelijk kader: ETFAL
Idem
• • • • • •
•
OFLO Rapport externe veiligheid QRA PSU-files Advies VRU Rapport en memo Haskoning Advies ODNZKG
23
Situatie
Vaarwegen
Keringen
Wettelijk kader
Uitwerkingsvoorstel
Bestuurlijke afwegingsruimte
Bestuurlijke afwegingsruimte
Geen wettelijk kader: ETFAL.
Idem
Bestuurlijke afwegingsruimte
Bestuurlijke afwegingsruimte
Faalkans betreffende kering
Idem
Toelichting de uitgangspunten van de handleiding , kan over het algemeen worden aangenomen dat de situatie aanvaardbaar is. Beoordeling aan de hand van de Handleiding risicozonering windturbines. Als wordt voldaan aan de uitgangspunten van de handleiding , kan over het algemeen worden aangenomen dat de situatie aanvaardbaar is.
Betrokken documenten en adviezen
•
Rapport externe veiligheid Advies Haskoning
•
Rapport Waterschap
•
24
25
.
Omgevingsdienst b} \k/7 Utrecht ROM
INTEGRAAL Gemeente
Aan
ADVIES Amersfoort
T.a.v.
(geanonimiseerd)
Onderwerp
ROM
Adviseur
Telefoon
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd)
Datum
26-01-2026
Kenmerk
Z/25/1144859 / 613239
ROM
integraal
advies
Inleiding Voor
het project Wind op Isselt is er een toelichting aangeleverd buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA): -__Aanvraag buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA), U
heeft
ons
Hieronder
gevraagd vindt
u
verwerkt kunnen
ons
advies over
worden.
worden
graag ook
worden
opgenomen,
Korte
te adviseren
de
invulling
van
de
door
W-lsselt
B.V,
d.d. 16-1-2026.
op
Aanvraag
op de milieuaspecten slagschaduw, geluid en externe veiligheid. hoe deze milieuaspecten in de voorschriften van de vergunning
Dit betreft een
inhoudelijke reactie op de aangeboden bij de beoordeling van de voorschriften zoals deze wanneer deze beschikbaar zijn.
betrokken
toelichting. Wij vergunning
in de
conclusie
Beoordeling Slagschaduw
Akkoord
onder
voorwaarden
Geluid
Akkoord
onder
voorwaarden
Opmerkingen en/of belemmeringen | Door de formulering te baseren op artikel 5.89f, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving en een expliciete registratieplicht vast te leggen, wordt een effectieve en handhaafbare bescherming van relevante gebouwen geborgd. | Geadviseerd wordt de geluidsnormen voor Lden en Lnight conform het Omgevingsplan en het Ontwerpbesluit windturbines leefomgeving als toetsingskader te hanteren, aangevuld met een aanvullende norm voor maximaal toelaatbaar geluid
(LAeg,10min) tonaliteit.
Externe
veiligheid
Akkoord
en
een
handhaafbare
Hiermee wordt
norm
voor
aangesloten bij een strengere en toekomstbestendige normering als voorzien in adequate mogelijkheden voor toezicht en handhaving bij specifieke hinder. Het uitvoeren van structurele nulmetingen en langdurige monitoring bij woningen wordt niet aanbevolen, omdat deze in de industriële geluidsomgeving beperkt betrouwbaar zijn en geen juridisch robuuste basis vormen. Door het treffen van ontwerpmaatregelen en het vastleggen van maximale trefkansen als doelvoorschrift kan worden geborgd dat domino-effecten
van
zowel
de windturbines
niet
leiden tot
overschrijding van de normwaarden voor het plaatsgebonden risico van de installaties van Smit & Zoon.
Slagschaduw Voorschriften Met het oog op het voorkomen of beperken van slagschaduw is de windturbine voorzien van een automatische stilstandvoorziening. Er wordt voorgesteld voorschriften op te nemen waarbij windturbine afschakelt wanneer maximaal drie minuten op een dag tot maximaal één uur slagschaduw kan optreden in een woning. ,
de per
jaar
,
Wij adviseren d e voorschriften aan te scherpen waarbij niet alleen woningen worden genoemd maar dit wordt vervangen door verblijfsruimten van een slagschaduwgevoelig gebouw en voor zover de afstand tussen de windturbine en een slagschaduwgevoelig gebouw minder dan twaalf maal de rotordiameter bedraagt. Ondanks de impliciete registratieplicht om aan dit voorschrift te kun nen voldoen adviseren wij dit voorschrift een directe registratieplicht te koppelen waarin in ieder geval de datum en tijd van het inen uitschakelen van de windturbine de oorzaak van uitschakelen (zoals slagschaduw windsnelheid of onderhoud) en de relevante meteorologische ge gevens om te bepalen of er sprake is van slagschaduw. Ook wordt aanbevolen hier een bewaartermijn aan te koppelen bijvoorbeeld vijf jaar. ,