CConstaterende datAmersfoort
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestuurlijke reactie rekenkamerrapport Inburgering

Commissie Sociaal 24 juni 2026, gemeente AmersfoortBij agendapunt: Rekenkamerrapport over inburgering - beeldvorming33.356 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Klanten worden letterlijk tot aan het klaslokaal gebracht, op die manier verlies je ze niet snel.” (interview medewerkers Integratiewerk) Dat Integratiewerk de gelegenheid heeft om statushouders goed te leren kennen, zorgt er volgens betrokkenen ook voor dat statushouders veel vertrouwen hebben in (de kwaliteit van) de begeleiding en het aanbod. Dit zorgt voor meer “commitment”. De geïnterviewde taaldocenten – die ook ervaring hebben met taallessen aan statushouders in andere gemeenten – beamen dat het “alles-onder-ééndak” principe ervoor zorgt dat statushouders zich (beter) gekend en ondersteund voelen en dat er (hierdoor) minder risico is dat iemand uitvalt, of lang met problemen blijft doorlopen. Gemeente op afstand Aan het begin van dit hoofdstuk benoemden we al dat in de meeste gemeenten de gemeente zélf de regievoering rond de inburgering uitvoert. Hierboven beschreven we de ervaren voordelen van het beleggen van de regievoering bij een externe partij, die ook de begeleiding en het aanbod van de leerroutes voor rekening neemt. Betrokkenen vanuit de gemeenten benoemen echter ook een risico van het uitbesteden van de regievoering, namelijk dat de gemeente op te grote afstand kan staan om te monitoren en te beoordelen of de geboden begeleiding en het inburgeringsaanbod voldoende effectief is.

Dit terwijl de gemeente uiteindelijke verantwoordelijk is voor de regievoering op de inburgering binnen de Wi2021. Op het moment van de afname van de interviews speelt de discussie hoe en in welke mate Integratiewerk werkt aan het ondersteunen van het ‘werkfit’ worden van de statushouders die zij begeleiden (zie hiervoor hoofdstuk 5). Betrokkenen vanuit de gemeente constateren dat het lastig is om grip te krijgen op wat er precies gebeurt op dit gebied. Gedurende de looptijd van het onderzoek hebben de gemeente en Integratiewerk afspraken gemaakt over de taakverdeling en samenwerking. Verbinding inburgering met (organisaties voor) welzijn, participatie en hulpverlening Geïnterviewde professionals benoemen dat zij trots zijn op de wijze waarop het in Amersfoort lukt om jonge statushouders te ondersteunen bij het vinden van hun weg en het opbouwen van een leven in Nederland. Binnen Integratiewerk wordt in het kader van de ‘jongerenroute’ hierbij intensieve en integrale ondersteuning geboden (zie hoofdstuk 4). Maar daarnaast is sprake van een stedelijk netwerk van betrokken partijen, vanuit de gemeente, Nidos, het COA, onderwijs ,etc. Deze partijen werken samen en weten elkaar goed te vinden, bijvoorbeeld in een Amersfoortse ‘AMV tafel’. En is er in Amersfoort een 18-/18+ aanpak voor jongeren die door Nidos worden opgevangen.

Het lukt daarom volgens betrokkenen doorgaans om jonge inburgeraars, die vaak zonder familie of een steunend 40

netwerk te maken hebben met veel uitdagingen, succesvol te laten deelnemen aan onderwijs en andere inburgeringsactiviteiten. Bij de inburgering van volwassen statushouders (in de B1- of Z-route) is naar eigen zeggen nog veel minder sprake van een stadsbrede samenwerking of infrastructuur. In de praktijk is Integratiewerk de organisatie waar alle hulp- of ondersteuningsvragen van statushouders terecht komen en lukt het nog niet altijd om statushouders met complexe of specifieke problemen warm toe te leiden naar het reguliere Amersfoortse aanbod. Gedurende de looptijd van het onderzoek heeft Integratiewerk gesprekken met Stichting Sociale Wijkteams Amersfoort en Indebuurt033 gevoerd om zorg te dragen dat statushouders gebruik kunnen maken van reguliere voorzieningen. In de stad wordt ook gewerkt aan het in beeld brengen van informele initiatieven rondom taal en integratie en samenwerking van (in)formele organisaties, zodat inwoners die ondersteuning of een (taal)maatje zoeken, beter bediend kunnen worden. Ondersteuningsmogelijkheden voor statushouders na de inburgering Als statushouders aan het inburgeren zijn, dan worden zij naar behoefte ondersteund en geholpen bij kwesties die het inburgeren in de weg kunnen staan.

Statushouders hebben een vaste contactpersoon en aanspreekpunt (de integratiebegeleider) en de ondersteuning wordt – zoals we hierboven beschreven – veelal bij Integratiewerk ‘in huis’ geboden. De integratiebegeleiders en docenten hebben bovendien een signalerende functie: zij kennen hun klanten goed en kunnen derhalve informatie, ondersteuning of hulp bieden, soms nog voordat daarom gevraagd wordt. Het is de bedoeling dat deze integrale ondersteuning bij het inburgeren bijdraagt aan de zelfredzaamheid, zodat een statushouder zelf(standig) kan meedoen in de Nederlandse samenleving en waar nodig gebruik kan maken van regulier ondersteuningsaanbod voor inwoners. Ruim drie jaar na de invoering van de Wi2021 is slechts een klein deel van de inburgeraars klaar met hun inburgeringstraject. Daarom is er nog beperkt zicht op hoe het hen vergaat ná de inburgering. Wethouder Nadya Aboyaakoub-Akkouh, die onder andere Inburgering en integratie in haar portefeuille heeft, verwacht dat statushouders die de B1-route hebben gevolgd en statushouders die een opleiding volgen, doorgaans na de inburgering voldoende handvatten hebben om zelfstandig mee te doen in Amersfoort. Dit is naar haar inschatting in veel mindere mate het geval bij statushouders die de Z-route hebben gevolgd en minder taalvaardig zijn.

Ook vrouwelijke statushouders met een door zwangerschappen en zorgtaken onderbroken inburgering(straject) en ouderen lopen meer risico op isolement na de inburgering. Het is de bedoeling dat zij gebruik maken van regulier ondersteunings- en hulpaanbod in Amersfoort. Dat aanbod is echter nog niet altijd voldoende cultuursensitief en outreachend, waardoor het kwetsbare groepen, die niet altijd uit zichzelf hulp zoeken, onvoldoende bereikt. De wethouder benadrukt dat dit geldt in brede zin en niet alleen voor statushouders die onder de Wi2021 inburgeren. In Amersfoort bestaan veel (informele) initiatieven rondom taal (taalmaatje, taalcafé) en ondersteuning door buddy’s. De doelgroep van deze initiatieven is meestal breder dan alleen statushouders, bijvoorbeeld anderstaligen of kwetsbare inwoners. Uit het interview dat wij hielden met betrokkenen bij een aantal van deze organisaties blijkt dat er ook voor statushouders veel mogelijkheden zijn om informele steun te krijgen tijdens of na de inburgering. Geïnterviewden signaleren wel dat personen met een lage taalvaardigheid (of zij nu al lang, of pas kort in Nederland wonen) vaak behoefte hebben aan meer, of intensievere ondersteuning dan bijvoorbeeld een taalmaatje of buddy kan bieden. Het is bovendien de bedoeling dat de inzet van een dergelijke vrijwilliger tijdelijk is.

Als een vrijwilliger stopt, is er volgens betrokkenen bij informele initiatieven vaak voorzetting van de ondersteuning wenselijk.

41

Statushouders In deze paragraaf staat het perspectief van statushouders op de begeleiding bij het inburgeren centraal. Wat gaat volgens hen goed, en wat zijn knelpunten? Statushouders gemotiveerd om in te burgeren We hebben in de groepsgesprekken met statushouders gevraagd wat zij er van vinden dat zij in Nederland (moeten) inburgeren. De geïnterviewde statushouders vertellen dat zij het belangrijk vinden om de taal te leren en in te burgeren, omdat je zo te weten komt hoe de Nederlandse samenleving in elkaar zit en hoe je daarin mee kunt doen. “Inburgeren is noodzakelijk. Je komt in een onbekend land met allemaal dingen in Nederland die je niet kent. Zo raak je op de hoogte en je wordt bekend met regels. Want: er zijn dingen in ons land, die hier niet zijn en ook andersom. En dat wat je niet weet, dat leer je in de inburgering.” (groepsinterview statushouders in de jongerenroute) Statushouders met kinderen vullen aan dat Nederlands leren en de samenleving leren kennen ook van belang is voor hun kinderen, bijvoorbeeld om hen “te helpen bij hun keuze voor een opleiding in de toekomst”. (groepsinterview statushouders in de Z-route) Ruimte voor maatwerk in de begeleiding De geïnterviewde statushouders vertellen desgevraagd dat zij tevreden zijn over de manier waarop in de Brede intake en bij het opstellen van het PIP rekening is gehouden met hun mogelijkheden en omstandigheden.

Zij zijn dan ook blij met de keuze voor de leerroute en de manier waarop de integratiebegeleider hen hier naar heeft toegeleid. Zo vertelt een Syrische statushouder in de Z-route dat de integratiebegeleider heeft geregeld dat haar man in de ochtend taalles kon gaan volgen en zij in de middag, zodat de andere ouder bij de kinderen kon zijn. Daarnaast vertelt een aantal geïnterviewden dat de integratiebegeleider altijd voor hen klaar staat en dat zij met vragen altijd terecht kunnen, zowel face to face, als bijvoorbeeld via Whatsapp. De begeleiding is persoonlijk en warm, zo vertellen zij. “Ik vond het ook fijn dat zij regelmatig contact met mij opnam om te vragen hoe het ervoor stond, om mij te vragen hoe het met mij ging, en of ze wat voor mij konden betekenen. Dus dat was heel prettig.” (groepsinterview Z-route). Daarnaast vertellen geïnterviewde statushouders dat de begeleiding bij Integratiewerk (door integratiebegeleiders en door maatschappelijk begeleiders) naar behoefte betrekking kan hebben op veel levensdomeinen. Met andere woorden: men kan met allerlei soorten vragen bij Integratiewerk terecht.

Genoemd zijn het zoeken van een school voor de kinderen in de buurt, sport- en zwemlessen voor kinderen, hulp bij de aanschaf van een fiets, zodat reizen en het bereiken van de locatie van Integratiewerk gemakkelijker werd, hulp bij brieven en het treffen van een betalingsregeling en hulp bij het in gang zetten en organiseren van gezinshereniging. Met name geïnterviewde statushouders in de Z-route stellen dat zij het zonder deze begeleiding absoluut niet hadden gered, vooral in de eerste periode in Amersfoort. Statushouders in de B1- en jongerenroute geven aan dat zij in hun beginperiode veel vragen hadden en steun zochten bij hun integratiebegeleider, maar dat zij inmiddels meer zelfstandig kunnen oppakken. “Ik heb vorig jaar heel erg veel contact met A. [integratiebegeleider] gehad. Ik had toen heel veel vragen over gezinshereniging. Toen heeft hij mij heel erg geholpen. Dit jaar heb ik veel minder vragen,

42

want ik kan ook veel meer zelf. Ik ga naar A. toe, maar we hebben ook veel contact via Whatsapp. Dat gaat heel goed.” (groepsgesprek statushouders in de jongerenroute). De geïnterviewde statushouders zijn nog volop bezig met hun inburgering. Via de interviews hebben we geen zicht gekregen op wat er gebeurt ná de inburgering, als blijkt dat men nog ondersteuning of hulp nodig heeft. De geïnterviewde statushouders in de Z-route zijn doorgaans al langer bezig met inburgeren en een aantal van hen vertelt dat zij zijn doorverwezen naar een informatiewinkel Indebuurt033. Statushouders in de Z-route hebben naar eigen zeggen vaak behoefte aan informatie of hulp bij geldzaken. Geïnterviewde statushouders met (grote) gezinnen vinden het heel lastig om rond te komen.

3.4 Normenkader In de onderstaande tabel is het normenkader opgenomen. Hierin wordt de relatie gelegd tussen de normen en de beoordeling. Begeleiding: • In de brede intake is ruimte voor maatwerk. • De begeleiding draagt bij aan het tijdig en snel afronden van de inburgering. • De doelen in het PIP sluiten aan bij de individuele inburgeraar. • De begeleiding is in samenhang met het PIP en er is ruimte voor maatwerk in inhoud en duur van begeleiding • De resultaten van de begeleiding zijn aantoonbaar (bijvoorbeeld op gebied van zelfredzaamheid, wegwijs worden in gemeente en participatie in gemeente). • De verdeling tussen verschillende medewerkers (zowel betaald als onbetaald) is uitgewerkt en helder voor statushouders. De rollen van de betrokkenen bij de inburgering (gemeente, partners in de stad en inburgeraars) zijn duidelijk geformuleerd

Groen: Maatwerk staat centraal in de begeleiding die Integratiewerk biedt. Het is onderdeel van het integrale en samenhangede aanbod. Door de nauwe afstemming tussen begeleiding en taalonderwijs worden knelpunten in het traject tijdig gesignaleerd, wat bijdraagt aan het verminderen van uitval en het bevorderen van voortgang en snel afronden van de inburgering. De begeleiding biedt daarnaast brede ondersteuning, gericht op zowel het inburgeringsproces als op randvoorwaarden die essentieel zijn voor een succesvolle afronding, zoals financiële zaken, gezinsvoorzieningen en praktische vragen in het contact met gemeentelijke en maatschappelijke diensten. De laagdrempelige communicatie en het functioneren van één vast aanspreekpunt dragen bij aan continuïteit, toegankelijkheid en overzicht binnen het traject. Oranje: Het is de bedoeling dat inburgeraars gebruikmaken van het reguliere aanbod in de stad waar mogelijk. De samenwerking met partners is vooral rondom jongeren goed ontwikkeld, maar voor volwassen statushouders sluit het lokale welzijns-, participatie- en hulpverleningsaanbod nog beperkt aan. In de praktijk fungeert Integratiewerk daardoor als centraal aanspreekpunt voor ondersteuning. Structurele afspraken over doorverwijzing, taakverdeling en samenwerking met welzijns-, participatie- en hulpverleningsorganisaties ontbreken grotendeels.

De gemeente Amersfoort en Integratiewerk pakken dit punt samen met de hiervoor genoemde organisaties op om verder te ontwikkelen.

43

Na afronding van het inburgeringsaanbod worden inburgeraars begeleid naar vervolgaanbod

Het inburgeringsaanbod en ondersteuning sluit aan bij de behoeften van inburgeraars De gemeente bereikt de gestelde doelen in het beleid en monitort of deze doelen worden behaald

Oranje: Omdat nog weinig statushouders hun inburgering hebben afgerond, is er beperkt zicht op hoe zij na afloop passende ondersteuning vinden. Vooral voor deelnemers uit de Z-route blijft na afronding behoefte aan verdere begeleiding bestaan. Voor hen is de overgang van de intensieve ondersteuning bij Integratiewerk naar het reguliere ondersteuningsaanbod in Amersfoort mogelijk te groot. Deze groep weet de weg naar hulp en voorzieningen vaak nog niet zelfstandig te vinden, terwijl het reguliere aanbod hier nog onvoldoende op is ingericht. De gemeente en Integratiewerk pakken dit verder op. Groen: statushouders zijn zeer tevreden over het aanbod en de toegankelijkheid van (de medewerkers van) Integratiewerk. Groen: de gestelde doelen rondom maatschappelijke begeleiding zijn met name gericht op maatwerk. Dit staat centraal in de begeleiding.

44

HOOFDSTUK 4 LEERROUTES In dit hoofdstuk beantwoorden we de volgende vragen: • • •

Hoe zijn de drie leerroutes vormgegeven in de praktijk en welke succesfactoren en knelpunten kunnen hierbij gesignaleerd worden? Wat zijn de succesfactoren en knelpunten van de inburgering vanuit het perspectief van de inburgeraars, met een focus op de leerroutes? Welke lessen zijn er geleerd tijdens de uitvoering van de Wi2021 en hoe vindt bijstelling plaats in de praktijk op het gebied van leerroutes?

4.1 Leerroutes in de Wi2021 De Wi2021 heeft drie leerroutes geïntroduceerd met als doel dat inburgeraars een zo hoog mogelijk taalniveau behalen met aandacht voor de leercapaciteiten van de inburgeraar. Op deze manier zou elke inburgeraar de inburgering op niveau kunnen afsluiten passend bij de capaciteiten en mogelijkheden van de inburgeraar.58 Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het inkopen van het inburgeringsaanbod voor statushouders en het doorverwijzen van statushouders en gezinsmigranten naar de meest passende leerroute. In de Wet Inburgering 2021 zijn er drie leerroutes ontwikkeld: de B1-route, de onderwijsroute en de zelfredzaamheidsroute (Z-route). •

•

•

De B1-route: een route waarin inburgeraars de examenonderdelen lezen, schrijven, luisteren en spreken behalen op taalniveau B1. Daarnaast wordt ingezet op dualiteit – het combineren van taalonderwijs met (vrijwilligers)werk. Als blijkt dat iemand na aanzienlijke inspanning niet in staat is om binnen de termijn niveau B1 te halen, kan de inburgeringsplichtige onderdelen op A2-niveau afronden. De onderwijsroute: een route waarin inburgering wordt gecombineerd met een voorbereiding op instroom in regulier onderwijs (mbo2 of hoger). Deze route bestaat uit een taalschakeltraject waarin taalonderwijs wordt gegeven en waarin inburgeraars worden voorbereid op instroom in vervolgonderwijs. De Z-route: een route voor inburgeraars voor wie de B1- of onderwijsroute niet haalbaar is en waarin het accent ligt op het leren van de Nederlandse taal op het voor hen hoogst haalbare niveau, waarbij het streefniveau A1 is. Daarnaast wordt ingezet op zelfredzaamheid, activering en participatie. Inburgeraars moeten 800 uur taalles volgen en 800 uur besteden aan activering, participatie en de overige onderdelen van de inburgering (zoals PVT en MAP) om deze route af te ronden.59

4.2 De Amersfoortse aanpak De Amersfoortse aanpak maakt onderscheid tussen twee ‘hoofdroutes’: een standaardroute en een jongerenroute. De inburgeraar wordt in een van deze routes ingedeeld. De gemeente legt het taalniveau niet bij voorbaat vast, maar sluit aan bij de leefwereld van de inburgeraar. De inburgeraar wordt de mogelijkheid gegeven om gedurende het traject door te groeien naar een passend taalniveau. De insteek hierbij is om op te schalen in plaats van af te schalen waardoor de inburgeraar

58 MvT, p. 24. 59 MvT, p. 81 t/m 83

45

gemotiveerd blijft om door te werken tot een zo hoog mogelijk niveau. Het uitgangspunt is om reële inburgeringsdoelen op te stellen, en waar mogelijk door te leren tot minimaal B1-niveau.60

Reguliere route Onder de reguliere route vallen de B1-route en de Z-route. Integratiewerk biedt binnen de B1-route taalles aan. In de B1-route is er is een breed aanbod en variatie aan lesgroepen: er zijn groepen die twee keer, drie of vier keer les per week hebben, variërend van ochtend, middag, namiddag, avond, en dag-/avond-groepen voor hoog- en laagopgeleide, snel- en langzaamlerenden. In de Z-route biedt Integratiewerk 800 uur taalles aan. De lessen zijn drie dagen in de week; er zijn nog lopende lesgroepen die vier dagen les hebben in de week. Een inburgeraar dient minimaal 80% van de tijd aanwezig te zijn. Deze 800 uur is inclusief acht uur lessen ‘Geld’ en acht uur lessen ‘Gezond’, de MAP en KNM. Daarnaast dient een statushouder 800 uur te besteden aan activering, participatie en de overige onderdelen van de inburgering (zoals PVT en de praktijkuren van de MAP) om deze route af te ronden. Integratiewerk ondersteunt statushouders bij de invulling van deze participatie-uren. Op het moment van interviewen (najaar 2025) is er nog geen structureel programma voor invulling van deze uren. Integratiebegeleiders zoeken met een statushouder op individueel niveau naar invulling via losse activiteiten, vrijwilligerswerk, of korte stages.

Integratiewerk wil toewerken naar het ontwikkelen van participatietrajecten: groepsgewijze structurele programma’s of routes met activiteiten met vaste samenwerkingspartners , zodat meerdere statushouders hiervan gebruik kunnen maken. Inmiddels heeft Integratiewerk in samenwerking met de gemeente en Integratiewerk de ontwikkeling van participatietrajecten in gang gezet.

Jongerenroute De jongerenroute is afgestemd op de situatie en ontwikkeling van jongeren. Hierbij is de inburgering gericht op het toeleiden naar en volgen van onderwijs op mbo, hbo of wo niveau. Het uitgangspunt is dat inburgeraars tot circa 28 jaar via de jongerenroute instromen, wanneer dit beter aansluit bij hun situatie dan de standaard route. Jongeren volgen een doorlopende leerlijn voor school en, net als hun leeftijdsgenoten, kunnen hierdoor blijven leren in een schoolse context. De gemeente probeert schooluitval zoveel mogelijk te voorkomen, door de jongeren passende ondersteuning te bieden. 61 Een jongere die mbo niveau 2, 3 of 4, hbo of wo opleiding volgt wordt gedurende de periode van de opleiding tijdelijk vrijgesteld van de inburgering en wanneer het diploma wordt behaald definitief vrijgesteld. Jongeren die praktijkonderwijs volgen of een mbo Entree opleiding moeten wel inburgeren, maar de inburgeringstermijn kan worden verlengd. Integratiewerk houdt beide groepen jongeren in beeld en biedt waar nodig begeleiding.62 De Jongerenroute is ontwikkeld voor jongeren die met hun ouders naar Nederland zijn gekomen en jongeren die als alleenstaande zijn gekomen (AMV). De laatste groep betreft jongeren die nog bij NIDOS wonen, maar extra begeleiding krijgen na hun 18e jaar.63 De jongerenroute bestaat uit een voorschakelprogramma.

Dit is een combinatieprogramma met het MBO-EVA van NT2-lessen, een middagprogramma met de PVT, lessen gericht op gezondheid, omgaan met geld, KNM (in de vorm van Burgerschap) en de MAP (in de vorm van Beroepspraktijkvorming). Het doel is dat de jongere een snelle start maakt in het beroepsonderwijs en op deze manier aan zijn

60 Raadsinformatiebrief 2021-027, p. 3 61 Raadsinformatiebrief 2021-027 62 Jongerenroute Integratiewerk, onderdeel B1-route, specifiek voor jongeren 18-25 jaar, intern document Integratiewerk 63 Gemeente Amersfoort. Plan van Aanpak Inburgering 2025.

46

inburgering werkt. Doorstroom naar MBO-niveau 2 is een manier om de inburgering af te ronden middels een startkwalificatie. Er zijn binnen de jongerenroute verschillende routes mogelijk64: •

• •

•

Via de B1-Jongerenroute van Integratiewerk (voorschakelprogramma mbo) naar het MBO Amersfoort richting Entree voor Anderstaligen. Hierbij biedt Integratiewerk een kort traject van 20 weken aan waarin een intensief NT2- en middagprogramma wordt aangeboden. Het doel van deze route is het aanleren van schools gedrag (9-17 mentaliteit), een ‘taalbad’65, met een middagprogramma dat aansluit bij de wensen en eisen van de Participatiewet. De Integratiebegeleiders zijn nauw betrokken bij dit programma. Na 20 weken gaat de groep door met de inburgering en beginnen ze met het leren van een vak via het mbo Entree Programma voor Anderstaligen. Via de Entree opleiding kunnen jongeren doorstromen naar mbo niveau 2, 3 of 4. Jongeren die de taal al voldoende spreken kunnen direct instromen op mbo niveau 2, 3, of 4. De reguliere onderwijsroute: Via een fulltime schakelprogramma, bestaande uit een taaljaar, een basisjaar en een eventueel specialisatiejaar, kunnen jongeren doorstromen naar hbo en wo opleidingen. Het schakelprogramma wordt aangeboden door taalschool Lest Best. De instroomeis hierbij is A2 niveau in het Engels en een vooropleiding op havo of vwo niveau. Lest Best biedt inloopspreekuren, klassikale informatieve lessen, schoolopdrachten gerelateerd aan studiekeuze en individuele begeleiding aan jongeren.

Nadat een student instroomt in het reguliere hoger onderwijs stopt de begeleiding.66 Dit traject is pas sinds 1 september 2025 beschikbaar. Ten tijde van de interviews (najaar 2025) is er een beperkt aantal jonge statushouders (tussen de 5-10) aangemeld voor dit traject. Zonder vervolgopleiding richting werk: er is een groep jongeren die wel wil werken en (nog) geen onderwijs wil volgen. Deze jongeren worden op grond van maatwerk ondersteund en vallen formeel onder de B1- of Z-route.

4.3 Ervaringen met de leerroutes Professionals In deze paragaaf staan we stil bij de wijze waarop de leerroutes die statushouders volgen in de praktijk worden vormgegeven en de succesfactoren en knelpunten die geïnterviewde professionals signaleren. Aan het einde van de paragraaf bespreken we wat er gebeurt ná de verplichte inburgering. Gevarieerd aanbod aan taallessen draagt bij aan maatwerk Het taalaanbod voor zowel de B1-, als de Z-route wordt verzorgd door Integratiewerk. Doordat sprake is van een betrekkelijk groot aantal deelnemers, is het mogelijk om taallessen op meerdere niveaus aan te bieden. Om ervoor te zorgen dat statushouders in een groep terecht komen die past bij hun niveau voert Integratiewerk naast de leerbaarheidstoets nog een aanvullende taaltoets uit. Op deze manier wordt zoveel mogelijk ‘maatwerk’ geleverd. Als een statushouder bij nader inzien niet goed op z’n plek zit in een groep, of diens omstandigheden veranderen, dan is het mogelijk om te ‘switchen’, zonder veel tijdverlies. Ook het aanbieden van taallessen op verschillende dagen en tijden in de week (bijvoorbeeld ook in de avonduren) draagt bij aan maatwerk: statushouders die zorgtaken hebben, werken of bezig zijn met de invulling van ‘participatie-uren’ kunnen deze activiteiten beter combineren met taallessen. 64 Gemeente Amersfoort. Plan van Aanpak Inburgering 2024.

65 Een taalbad is een intensieve manier om een nieuwe taal snel aan te leren door mensen volledig onder te dompelen in die

taal. 66 Boswell-Beta (2025) Lest-Best Onderwijsroute

47

De variatie in het aanbod aan taallessen kent echter ook beperkingen. Omdat met name in de B1route een vast programma wordt gevolgd, lukt tussentijds invoegen in een bestaande groep niet altijd. Daardoor moeten statushouders in de B1-route soms enige tijd wachten voordat zij met taallessen kunnen starten. Een andere beperking is het gebrek aan leslokalen. Door het huren van aanvullende ruimte in een naastgelegen kantoorpand komen op korte termijn meer leslokalen beschikbaar, waardoor meer groepen les kunnen krijgen. Bij Integratiewerk worden statushouders voorbereid op het doen van examen op B1-niveau. Het doorleren van de taal op B2-niveau valt buiten de inburgeringsverplichting. Binnen de Z-route geldt geen examenverplichting, maar een inspanningsverplichting. Dit geeft volgens geïnterviewde professionals (meer) ruimte om in de taallessen aan te sluiten op individuele mogelijkheden en ontwikkeldoelen. In deze route speelt vooral dat het voor sommige statushouders moeilijk is om de verplichte 800 uur deel te nemen aan taallessen. Het aantal uren is hoog, en niemand is 100% aanwezig. Er is uitval vanwege (gezondheids)problemen, of zorgtaken thuis. Er zijn enkele cursisten in de Z-route die zijn beboet vanwege het niet op tijd inburgeren. Dit geeft ook onrust in de groepen.

Hetzelfde geldt overigens voor de landelijke discussie rondom naturalisatie en het mogelijk verhogen van de taaleis hieromtrent naar B1. Ook dit bezorgt statushouders in de Z-route stress en “het geeft mensen het idee dat ze voor spek-en-bonen inburgeren en minder waard zijn.” Taaldocenten kunnen zich focussen op hun kerntaak: lesgeven Uit het interview met taaldocenten komt naar voren dat zij zich meer dan in andere gemeenten kunnen concentreren op het geven van taallessen. Dit is volgens betrokkenen te danken aan de laagdrempelige en intensieve begeleiding door integratiebegeleiders en het feit dat de docenten lesgeven op de locatie van Integratiewerk. “In andere gemeenten ben je als taaldocent het eerste aanspreekpunt voor een statushouder. Als docent krijg je vragen over allerlei onderwerpen en problemen. Statushouders in Amersfoort weten dat ze met hun vragen bij de integratiebegeleider terecht kunnen en die kan veel oplossen. Daarom komen er veel minder van dit soort dingen bij ons terecht.” Omgekeerd kunnen taaldocenten die vragen hebben over een statushouder of ergens tegenaanlopen snel en gemakkelijk terecht bij de taalschoolcoördinator van Integratiewerk of een integratiebegeleider. Een punt van aandacht hierbij is dat de taaldocenten zzp’ers zijn.

In de Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties zijn voorwaarden geformuleerd waaraan een zzp’er moet voldoen om als zelfstandig ondernemer te worden erkend en om schijnzelfstandigheid te voorkómen. Bij een te nauwe samenwerking tussen Integratiewerk en taaldocenten ligt het risico op de loer dat dit als schijnzelfstandigheid kan worden gezien. Dit vraagstuk is actueel sinds deze wet in 2025 strenger gehandhaafd wordt. Integratiewerk is zich hiervan bewust en onderzoekt in dit verband welke stappen zij moet zetten ten aanzien van de werkrelatie met de taaldocenten. Een duale invulling van de inburgering is uitdagend voor Integratiewerk én voor statushouders Dualiteit is een belangrijk principe in de Wi2021. Dit betekent dat er binnen de inburgering niet alleen aandacht is voor taalverwerving, maar ook voor participatie via stages, (vrijwilligers)werk of andere vormen van maatschappelijke betrokkenheid. De invulling van dualiteit verschilt per leerroute en wordt vastgelegd in het PIP. Alle statushouders in de B1- en de Z-route volgen het Participatieverklaringstraject (PVT) en de MAP. De MAP bestaat uit twee verplichte onderdelen. De taaldocenten begeleiden statushouders in een aantal lessen om aan de hand van 8 thema’s die te maken hebben met de arbeidsmarkt de eigen 48

competenties en arbeidskansen in beeld te brengen. Daarnaast dienen statushouders minimaal 40 uur aan praktijkervaring op de arbeidsmarkt op te doen, bijvoorbeeld in de vorm van een stage. De geïnterviewde taaldocenten geven aan dat zij eraan twijfelen of zij de juiste personen zijn om statushouders te begeleiden bij het in beeld brengen van hun competenties en kansen op de arbeidsmarkt (zie ook hoofdstuk 5). Voor de Z-route geldt dat statushouders naast 800 uren taalles ook verplicht 800 uur moeten besteden aan activering, participatie en de overige onderdelen van de inburgering (zoals PVT en de praktijkuren van de MAP) om deze route af te ronden. Voor de B1-route geldt dat er, met uitzondering van PVT en MAP, geen sprake is van een voorgeschreven wettelijke invulling van participatie vanuit de Wi2021. Het combineren van taalverwerving met ‘participatie’ wordt voor statushouders in de B1-route wel gestimuleerd. Integratiewerk heeft als taak om statushouders in de Z-route te ondersteunen bij de invulling van participatie-uren. Uit de interviews met betrokken professionals blijkt dat er variatie is wat betreft de mate waarin het statushouders in de Z-route lukt om ‘participatie-uren’ te maken. Dit is sterk afhankelijk van individuele mogelijkheden en randvoorwaarden.

Door bijvoorbeeld zorgtaken en het ontbreken van kinderopvang lijkt het met name voor vrouwelijke statushouders lastig om voldoende tijd aan ‘participatie’ te kunnen besteden. Zoals we hierboven aangaven zoeken integratiebegeleiders met een statushouder op individueel niveau naar invulling van de uren via losse activiteiten, vrijwilligerswerk of korte stages. Dit is niet alleen heel (of te) arbeidsintensief; ook heeft het tot gevolg dat het veel statushouders nog niet goed lukt om voldoende uren te ‘maken’ om hun inburgering binnen de gestelde tijd af te ronden. Daarom is recent besloten om in de Z-route drie keer per week iets langere taallessen te geven (in plaats van viermaal per week), zodat er meer tijd en flexibiliteit is in de agenda van statushouders in de Z-route om met participatie bezig te zijn. Daarnaast wordt, zoals gezegd, gewerkt aan het ontwikkelen van ‘participatietrajecten’: structurele programma’s of routes met activiteiten met vaste samenwerkingspartners, zodat meerdere statushouders hiervan gebruik kunnen maken. Een voorbeeld hiervan is het Vrouw- en Kindcentrum. Dit is een Amersfoortse voorziening bij Integratiewerk. Bij het centrum kunnen vrouwen allerlei taken en rollen op zich nemen, bijvoorbeeld als gastvrouw of rondom informele kinderopvang.

Vrouwelijke statushouders in de Z-route kunnen hier actief zijn en de gewerkte uren opvoeren als ‘participatie-uren’. In het groepsinterview over werk is naar voren gebracht dat het goed zou zijn als er meer stageplekken of participatieplekken beschikbaar zouden zijn buiten het sociaal domein. Nu bestaat de indruk dat vooral wordt stagegelopen in settings waarin minder eisen worden gesteld aan bijvoorbeeld punctualiteit en zakelijkheid. Jongerenroute goede opstap naar opleiding Bijzonder is dat in Amersfoort bij aanvang jonge statushouders tot 28 jaar geplaatst kunnen worden in de jongerenroute. In de jongerenroute is de inburgering gericht op het toeleiden naar en volgen van onderwijs op mbo, hbo of wo niveau. Dit is de vertaling van de Amersfoortse ambitie om jonge statushouders te ondersteunen bij het volgen van een opleiding die hen (ten minste) een startkwalificatie voor de Nederlandse arbeidsmarkt oplevert. In de interviews wordt hieraan toegevoegd dat instroom in een Nederlandse opleiding naast een startkwalificatie jongeren ook toegang biedt tot een bredere groep jongeren, wat weer bijdraagt aan hun integratie. Alle geïnterviewden zijn enthousiast over de “inburgeringsboost” die door Integratiewerk wordt verzorgd in een programma van 20 weken.

De intensieve taallessen in de ochtend en de activiteiten in de middag zorgen er ook voor dat jongeren een duidelijke dagstructuur hebben en wennen aan dit ritme. Door de nauwe samenwerking met MBO Amersfoort lukt het om veel jonge statushouders succesvol te laten instromen in het Entreetraject voor Anderstaligen, waar vanuit zij kunnen instromen in een mbo niveau 2 opleiding. Integratiewerk is voor de schoolgaande jongeren gemakkelijk te bereiken via 49

het wekelijks spreekuur dat integratiebegeleiders daar houden. Rondom jongeren die problemen hebben en/of uit (dreigen te) vallen is in Amersfoort een structuur opgetuigd waar de gemeente, Nidos, het COA, onderwijs en de afdeling Veiligheid elkaar goed weten te vinden (de Amersfoortse AMV tafel)67. Omdat deze jonge statushouders vaak (nog) geen ouders in Nederland hebben, kunnen integratiebegeleiders mee naar bijvoorbeeld ouderavonden. Er zijn ook aandachtspunten als het gaat om de inburgering van jonge statushouders. Als na het 20 weken programma van Integratiewerk blijkt dat inburgeren op B1-niveau niet haalbaar lijkt, komen jonge statushouders (alsnog) in de Z-route terecht. Naar eigen zeggen is er volgens betrokkenen nog veel te winnen in het creëren van (werk)settings waarin deze jongeren tot hun recht komen. Zij hebben nog een heel arbeidsleven voor zich en het zou goed zijn als deze jongeren snel(ler) met de arbeidsmarkt kunnen kennismaken, ook als zij nog volop bezig zijn met het leren van Nederlands. Een ander aandachtspunt is dat pas sinds september 2025 een voorschakeltraject in het kader van de onderwijsroute zoals in de Wi2021 omschreven van start is gegaan. Dit betekent dat jonge statushouders die de ambitie en de mogelijkheden hebben om een hoger onderwijsniveau te volgen (hbo of wo) tot voor kort in Amersfoort hier niet naar toe werden begeleid.68

Statushouders In deze paragraaf staat het perspectief van statushouders op de leerroute die zij volgen centraal. Wat gaat volgens hen goed, en wat zijn knelpunten? Tevredenheid over de taallessen Desgevraagd vertellen geïnterviewde statushouders dat zij (heel) tevreden zijn over de taallessen die zij krijgen. De docenten zijn betrokken en aardig en geven goed uitleg. “Mijn docent is heel erg fijn. Zij geeft les op heel makkelijke en heel duidelijke manier. Zij geeft ons ook echt positieve energie. Het gaat heel goed.”(groepsinterview statushouders in de B1-route) Wel heeft een aantal geïnterviewde statushouders uit de B1-route en de Z-route naar eigen zeggen lang moeten wachten totdat zij met de taallessen konden beginnen. De wachttijd wordt gezien als verloren tijd, hoewel een aantal geïnterviewden vertellen dat zij via zelfstudie aan het leren van Nederlands hebben gewerkt. Een (vroege start) statushouder kreeg taallessen van een vrijwilliger op het AZC. De meeste geïnterviewde statushouders vinden de frequentie van drie dagen per week taalles goed. Enkele vrouwelijke statushouders met (jonge) kinderen geven aan dat het combineren van het leren van de taal met de zorg voor een gezin een uitdaging is. “Als je familie hebt, en kinderen hebt, dan moet je ook aan hen tijd geven. Dan moet je gewoon een beetje balans zoeken.

Bijvoorbeeld overdag kan ik niet leren, na 10 uur ‘s avonds pas.”(groepsgesprek statushouders in de B1-route) De geïnterviewde statushouders waarderen de betrokkenheid, inzet en duidelijke uitleg van de taaldocenten. Het onderwijssysteem in Nederland is heel prettig volgens hen: hier mag je in de les

67 https://www.toezichtsociaaldomein.nl/site/binaries/site-content/collections/documents/2026/01/19/onderwijs-en-

participatie-van-amvers-in-de-gemeente-amersfoort/samen-leren-samen-leven-gemeente-amersfoort.pdf 68 In het schooljaar 2023-2024 heeft wel een pilot plaatsgevonden voor MBO4 en HBO-inburgeraars die in Utrecht een vorm

van onderwijsroute hebben gevolgd. Omdat deze opleiding geen O-route erkenning wilde aanvragen, is de pilot gestopt. In dat schooljaar zijn er 8 studenten op MBO- en HBO-niveau uitgestroomd en hebben zij de inburgering afgerond.

50

fouten maken, terwijl je daar voor in bijvoorbeeld Syrië wordt afgestraft. Daarnaast zijn de klassen daar veel groter. Hier zijn er maximaal 15 personen op één docent waardoor je meer aandacht krijgt. De geïnterviewde jonge statushouders in de jongerenroute, vinden het 20 weken durende traject van Integratiewerk een goede voorbereiding op het mbo. Een geïnterviewde jonge statushouder is bezig met een mbo niveau 2 opleiding. Hij vertelt dat het Entreetraject voor Anderstaligen hem goed heeft voorbereid hierop. Nederlands leren en participeren Bij de geïnterviewde statushouders leeft een sterk besef dat je Nederlands niet alleen leert in de les, maar dat het belangrijk is om ook te oefenen. Enkele geïnterviewde statushouders die de B1-route volgen, hebben om die reden een taalcoach en/of bezoeken een taalcafé. “Daar [taalcafé] krijg je woorden te horen die ook echt B1 zijn. Dus daarom is het ook echt belangrijk dat je buiten de lessen naar het taalcafé gaat of een taalcoach hebt.” (groepsinterview statushouders in de B1-route) Een aantal statushouders in de Z-route die aan het einde van hun traject zitten, zouden graag na afronding van de inburgering nog één keer per week les krijgen, om te voorkómen dat “je vergeet wat je hebt geleerd.” Geïnterviewde statushouders noemen ook stages of vrijwilligerswerk als plekken om Nederlands te oefenen.

In de groepsinterviews komt naar voren dat statushouders wordt geadviseerd om zich eerst te concentreren op de taallessen, omdat voor vrijwilligerswerk vaak een minimaal taalniveau (bijvoorbeeld A2) is vereist. Maar er zijn ook geïnterviewde statushouders die stage lopen en vrijwilligerswerk doen en die aangeven dat dit hen helpt bij het leren van de taal. Een deel van de geïnterviewde statushouders in de B1- en in de Z-route noemt dat zij van hun integratiebegeleider ondersteuning krijgen bij het zoeken van een stage of (vrijwilligers)werk. Dit wordt zeer gewaardeerd.

4.4 Normenkader In de onderstaande tabel is het normenkader opgenomen. Hierin wordt de relatie gelegd tussen de normen en de beoordeling. Onderwijs/leerroutes • In de leerroutes wordt maatwerk geboden. • De randvoorwaarden zijn op orde om de inburgeringsactiviteiten in de leerroute te volgen. • De gemeente stuurt op kwaliteit van de leerroutes.

Oranje: Binnen de leerroutes wordt op diverse manieren maatwerk geboden, zoals lessen op verschillende tijdstippen, avondlessen en groepsindeling naar niveau en tempo. De jongerenroute is een grote meerwaarde waarbinnen maatwerk en onderwijsperspectief centraal staan. Tegelijk ontbreekt voorbereiding op B2-niveau binnen het aanbod van Integratiewerk en kan doorleren alleen via een aparte aanvraag bij de afdeling Arbeidsintegratie van de gemeente. Het combineren van taal, participatie en andere verplichtingen is in de praktijk zwaar en vaak lastig haalbaar, mede door het tekort aan passende participatieplekken en de taaleisen van organisaties. Dit geldt in het bijzonder voor Z-route deelnemers, 51

De rollen van de betrokkenen bij de inburgering (gemeente, partners in de stad en inburgeraars) zijn duidelijk geformuleerd Het inburgeringsaanbod en ondersteuning sluit aan bij de behoeften van inburgeraars De gemeente bereikt de gestelde doelen in het beleid en monitort of deze doelen worden behaald

voor wie zorgtaken en beperkte tijd extra druk geven. Hierdoor bestaat het risico dat trajecten onvoldoende aansluiten op de individuele situatie en inburgeringstermijnen worden overschreden. Groen: de rollen zijn helder geformuleerd, zeker sinds Onderwijsroute in september 2025 ook verder vorm heeft gekregen. Groen: statushouders zijn zeer tevreden over de kwaliteit en het aanbod in de leerroutes. Oranje: de gestelde doelen worden grotendeels bereikt. Met name doelen gericht op maatwerk. Doelen gericht op dualiteit worden niet altijd behaald. Zie punt 1.

52

HOOFDSTUK 5 WERK In dit hoofdstuk beantwoorden we de volgende vragen: Hoe verloopt de toeleiding naar werk? In hoeverre worden onderwijs en bedrijfsleven hierbij betrokken en andere instanties met kennis van de lokale arbeidsmarkt? Welke succesfactoren en knelpunten kunnen hierbij gesignaleerd worden?

5.1 Begeleiding richting werk en de Wi2021 De Wi2021 heeft tot maatschappelijk doel om inburgeraars zo snel en volwaardig mogelijk te laten deelnemen aan de Nederlandse samenleving, het liefst via betaald werk. Een van de principes van de Wi2021 is daarom dat de taal leren vanaf de start van de inburgering gecombineerd wordt met participatie. Dit kan via stages, (vrijwilligers)werk of taalcoaching. In dit hoofdstuk richten we ons op de begeleiding richting betaald werk.69 In de Memorie van Toelichting is uiteengezet dat de begeleiding van inburgeringsplichtigen door gemeenten bij zowel inburgering als participatie als cruciaal wordt gezien, zeker wanneer de inburgeringsplichtige afhankelijk is van een bijstandsuitkering. De gemeente wordt als uitvoerder van de Participatiewet beschouwd als de partij die het meest geëquipeerd is om op effectieve wijze de koppeling tussen het leren van de taal en participatie tot stand te brengen.70 Ondanks dat de Memorie van Toelichting deze taak expliciet toebedeeld aan gemeenten, mogen gemeenten, zoals in de gemeente Amersfoort gebeurt, deze taak (deels) uitbesteden aan een externe organisatie. Naast individuele begeleiding richting werk, moeten inburgeraars ook de Module Arbeidsmarkt en Participatie volgen. In deze module wordt kennis overgedragen over de Nederlandse en lokale arbeidsmarkt.

Binnen de MAP brengt de inburgeringsplichtige de eigen competenties en arbeidskansen in beeld. Dit wordt gecombineerd met het opdoen van praktische ervaring op de (lokale) arbeidsmarkt.71

5.2 De Amersfoortse aanpak De gemeente Amersfoort beschouwt arbeidsparticipatie als een kernonderdeel van de inburgering. De eerste pijler van de reguliere inburgeringsroute is dan ook: ‘de basis op orde en werken aan werk’.72 De begeleiding richting werk is grotendeels belegd bij Integratiewerk, zodat de begeleiding van statushouders integraal plaats kan vinden.73 Integratiewerk biedt zowel collectieve als individuele begeleiding. In het eerste inburgeringsjaar volgt de inburgeraar de Stap-in training in de eigen taal, met aandacht voor participatie en werk. In het tweede jaar wordt de Module Arbeidsmarkt en Participatie (MAP) gevolgd, inclusief een verplichting tot 40 uur praktijkervaring. Daarnaast biedt Integratiewerk individuele begeleiding waarbij gebruik wordt gemaakt van het Participatiepad waarin inburgeraars stap voor stap worden begeleid van geïsoleerd leven naar betaald werk zonder ondersteuning.74

69 MvT, p. 7 70 MvT, p. 7 71 MvT, p. 30 72 Raadsinformatiebrief 2021-027, p. 3. 73 Raadsinformatiebrief 2021-027, p. 12. 74 Stap-in – de training. Integratiewerk. (Intern document). Raadsinformatiebrief 2021-027.

53

Taakverdeling Integratiewerk en Arbeidsintegratie De begeleiding van Integratiewerk is gericht op het ‘werkfit’ maken van statushouders. Werkfit houdt in dat iemand klaar is om (weer) aan het werk te gaan. Het houdt verder in dat iemand voldoende belastbaar is om te werken (mentaal en fysiek), het arbeidsritme aankan (bijvoorbeeld structuur, op tijd komen, uren maken), een realistisch loopbaanplan heeft en de vaardigheden heeft om te kunnen solliciteren en stappen richting werk te zetten. Zodra statushouders werkfit zijn, worden ze overgedragen aan de afdeling Arbeidsintegratie, onderdeel van de afdeling Werk, Inkomen en Zorg van de gemeente Amersfoort, die uitkeringsgerechtigden begeleiden richting werk. In de oorspronkelijke beleidsstukken uit 2021 zien we geen duidelijke taakverdeling terug tussen Integratiewerk en Arbeidsintegratie op het gebied van begeleiding richting werk. In het Plan van Aanpak 2025 dat Integratiewerk en de gemeente hebben opgesteld, is deze taakverdeling wel verder uiteengezet. Hieruit blijkt dat Integratiewerk verantwoordelijk is voor het ‘werkfit maken’ van statushouders door in te zetten op participatie. Daarnaast zet Integratiewerk in op het verkrijgen van een realistisch beroepsbeeld.

Volgens het Plan van Aanpak 2025, heeft Integratiewerk een inspanningsverplichting om werkgevers te vragen om flexibel te zijn met werkroosters van statushouders en waar mogelijk ook zelf flexibiliteit te bieden in het inburgeringsprogramma zodat zoveel mogelijk statushouders kunnen werken. Wanneer een statushouder werkfit wordt geacht, vindt een driegesprek plaats tussen de accountmanager van het Werkgeversservicepunt (WSP), de integratiebegeleider en de statushouder, met als doel een zorgvuldige screening. De accountmanager van het WSP is structureel een halve dag per week aanwezig bij Integratiewerk.75

Overdracht van Integratiewerk naar Arbeidsintegratie (na de inburgering) Wanneer een statushouder werkfit wordt geacht, draagt Integratiewerk de begeleiding over aan de afdeling Arbeidsintegratie, voornamelijk gericht op de periode na de inburgering. Voor de overdracht zijn vier scenario’s geformuleerd.76 Allereerst blijft Integratiewerk, wanneer de statushouder na afronding van de inburgering nog niet werkfit is, tot een half jaar na afloop van de inburgering verantwoordelijk voor het werkfit maken van de ex-inburgeraar. Zodra er perspectief op werk ontstaat, draagt Integratiewerk de statushouder over aan de afdeling Arbeidsintegratie. Indien de statushouder na een half jaar nog niet werkfit is, vindt de overdracht plaats naar de klantmanager van de gemeente. Ten tweede, wanneer de inburgeringstermijn van drie jaar is verstreken en de statushouder een vrijwilligersplek, stage of betaalde baan heeft van tenminste acht uur per week, maar nog niet het gewenste werk uitvoert, pakt de afdeling Arbeidsintegratie de verdere begeleiding naar werk op. Ten derde, wanneer een statushouder tijdens de inburgering ten minste acht uur per week stage loopt, vrijwilligerswerk uitvoert of een betaalde baan heeft, blijft Integratiewerk verantwoordelijk voor de (maatschappelijke) begeleiding en vervolgt de afdeling Arbeidsintegratie de begeleiding richting betaald werk.

Ten vierde, wanneer de inburgeringstermijn is afgelopen en de inburgeraar betaald werk heeft in de gewenste functie, zijn beide organisaties niet meer verantwoordelijk voor de begeleiding van de inburgeraar.

Versterken kennis en kunde De inzet in het Plan van Aanpak is dat Integratiewerk en de afdeling Arbeidsintegratie elkaar versterken, waarbij Integratiewerk haar kennis van de doelgroep inzet en Arbeidsintegratie haar kennis van begeleiding richting werk. Daarnaast krijgt Integratiewerk toegang tot de instrumenten van de afdeling Arbeidsintegratie om personen werkfit te maken. Om de samenwerking te verbeteren vinden er vanaf 2025 kwartaal overleggen plaats tussen Integratiewerk en de afdeling 75 Groepsinterview Werk 76 Gemeente Amersfoort. Plan van Aanpak 2025, p. 11.

54

Arbeidsintegratie waarbij Integratiewerk cijfermatige rapportages overlegt over het verloop van de inburgering. Verder onderzoeken de afdeling Arbeidsintegratie en Integratiewerk gezamenlijk waar de witte vlekken zitten in het aanbod van werkplekken en instrumenten, zoals loonkostensubsidie en proefplaatsingen, die voor statushouders kunnen worden ingezet. Waar nodig start men nieuwe projecten met als doel de participatie (gericht op betaald werk) van statushouders te verhogen. Hiertoe wordt ook samengewerkt met de nieuwe regionale verbinder statushouders en werk, een gespecialiseerde professional die in arbeidsmarktregio’s fungeert als spin in het web om mensen met een verblijfsvergunning sneller aan een baan te helpen. Verder heeft Integratiewerk een divers taallesprogramma om duale trajecten te faciliteren.77

5.3 Ervaringen met begeleiding richting werk Professionals In deze paragraaf gaan we in op de ervaringen van de professionals met de uitvoering van het begeleiden richting werk van statushouders. We presenteren allereerst het perspectief van Integratiewerk hierop en vervolgens het perspectief vanuit de gemeente Amersfoort (beleidsmedewerkers, jobcoaches, Arbeidsintegratie, Werkgeversservicepunt). We eindigen deze paragraaf met de begeleiding in de MAP.

Perspectief Integratiewerk op begeleiding richting werk Experts op begeleiding van statushouders, maar geen arbeidsconsulenten Integratiewerk ziet haar taak in de begeleiding richting werk als “beperkt” en gericht op het ‘werkfit’ maken van statushouders. De begeleiders bij Integratiewerk zijn geen opgeleide werkconsulenten. “Dat is een heel andere tak van sport”. De expertise van Integratiewerk ligt op de begeleiding van inburgeraars. Gedurende het traject leren de begeleiders statushouders goed kennen, mede door regelmatige contactmomenten en hun rol als vertrouwenspersoon. Hierdoor krijgen zij zicht op motivaties, wensen en ontwikkelmogelijkheden van statushouders. Vanuit hun ervaring met cultuursensitief werken kunnen integratiebegeleiders bovendien helpen bij het duiden en bijstellen van aannames over werk die zijn gevormd in het land van herkomst en kunnen ze statushouders voorbereiden op de Nederlandse arbeidsmarkt. Integratiewerk stelt dat deze expertise bij de afdeling Arbeidsintegratie nog ontbreekt: “Jobhunters hebben nog wel iets te leren op cultureel niveau. Ze moeten nog groeien in hun rol. Ze hebben ervaring met Nederlanders, maar niet met mensen met een andere cultuur en verwachtingen”. Integratiewerk heeft een aandachtsfunctionaris werk aangesteld om intern meer aandacht te besteden aan begeleiding richting werk.

Deze functionaris staat in nauw contact met de afdeling Arbeidsintegratie van de gemeente Amersfoort. Ook is overeengekomen met deze afdeling dat Integratiewerk toegang krijgt tot de passende instrumenten die door Arbeidsintegratie kunnen worden ingezet om statushouders naar werk te begeleiden. Ondanks herhaalde verzoeken van Integratiewerk om van deze instrumenten gebruik te mogen maken, heeft de afdeling Arbeidsintegratie hier in de praktijk nooit positief op gereageerd en zijn de betreffende instrumenten niet ingezet. 77 Gemeente Amersfoort. Plan van Aanpak 2025, p. 1.

55

Verschil in opvattingen tussen Integratiewerk en Arbeidsintegratie Integratiewerk gaat ervan uit dat iemand eerst Nederlandse les volgt als zijn of haar taalniveau nog te laag is om te kunnen werken. Pas daarna wordt diegene begeleid naar werk. Dit is afgestemd met de gemeente Amersfoort. In de praktijk ervaart Integratiewerk dat deze werkwijze soms schuurt met de benadering van de afdeling Arbeidsintegratie. Waar begeleiders van Integratiewerk vooral kijken naar de lange termijn en wat iemand kan bereiken op werkgebied wanneer taalbeheersing beter is, signaleren zij dat klantmanagers bij de afdeling Arbeidsintegratie soms vinden dat statushouders sneller uit de uitkering zouden moeten kunnen stromen. Dat kan op klantniveau spanningen geven over het juiste moment om iemand naar werk te begeleiden. Daarnaast loopt Integratiewerk er tegenaan dat er geen eenduidige definitie is van wat onder ‘werkfit’ wordt verstaan in de samenwerking met de afdeling Arbeidsintegratie. Een statushouder kan psychisch en lichamelijk in staat zijn om te werken, maar dit betekent niet altijd dat de randvoorwaarden om te werken ook op orde zijn, zoals taalniveau passend bij de gewenste baan en kinderopvang. Randvoorwaarde taal Integratiewerk ziet dat veel werkgevers stellen dat de minimale taalvereiste B1-niveau of een specifiek diploma is voor een baan.

Dit zorgt ervoor dat “gemotiveerde mensen die hun vak goed verstaan” niet kunnen starten in een baan waarvoor ze wel (praktijk) ervaring hebben. Integratiewerk geeft het voorbeeld dat jongeren in het land van herkomst door hun vader zijn opgeleid tot loodgieter en al praktijkervaring hebben, graag willen starten met werken na het behalen van een mbo1 diploma. Bedrijven houden echter veelal vast aan een mbo2-diplomavereiste. Volgens Integratiewerk zou er flexibeler met deze eis moeten worden omgegaan, zodat deze jongeren met aantoonbare vaardigheden sneller aan de slag kunnen. Daarnaast merkt Integratiewerk op dat bedrijven een financiële stimulans kunnen krijgen als ze plekken creëren voor statushouders. In Amersfoort is er echter nog geen beroep gedaan op deze financiële middelen. Aanspraak maken op subsidies vraagt extra inspanning van de werkgever en die stap lijken werkgevers niet te zetten. Ook de gemeente zou de werkgevers hier meer bij kunnen ondersteunen. Randvoorwaarde kinderopvang niet op orde Om te kunnen werken is het van belang dat de kinderopvang geregeld is. Statushouders zijn slechts enkele dagen per week beschikbaar voor de arbeidsmarkt vanwege de verplichtingen in de inburgering.

Hoewel er recentelijk enige verbetering zichtbaar is en er meer ruimte lijkt te ontstaan bij de kinderopvang volgens Integratiewerk, blijft er sprake van een structurele uitdaging rondom de combinatie van werk en kinderopvang voor statushouders. “Er is sprake van een kip en ei verhaal”. Om werk te kunnen zoeken is inschrijving voor kinderopvang en kinderopvangtoeslag noodzakelijk, terwijl het verkrijgen van kinderopvangtoeslag afhankelijk is van het hebben van een baan. Wanneer een statushouder eerst een baan vindt en pas daarna inschrijft voor kinderopvang, kan het bovendien nog maanden duren voordat er daadwerkelijk een plek beschikbaar is. En wanneer een statushouder eerst een plek zoekt bij de kinderopvang en daarna een baan, is het maar de vraag of een baan gevonden kan worden op deze specifieke dagen. Indien dit niet lukt, wordt de kinderopvangtoeslag teruggevorderd en ontstaan er schulden bij de statushouder. Daarnaast zijn VVE-plaatsen doorgaans alleen beschikbaar voor halve dagen, wat voor de meeste statushouders niet voldoende is om passend werk via Arbeidsintegratie te vinden.

56

Perspectief gemeente op begeleiding richting werk Begeleiding richting werk krijgt onvoldoende aandacht bij Integratiewerk De afdeling Arbeidsintegratie van de gemeente Amersfoort stelt dat Integratiewerk binnen het inburgeringstraject meer nadruk zou moeten leggen op de begeleiding richting werk. Integratiewerk adviseert statushouders doorgaans eerst hun taalvaardigheid te verbeteren alvorens stappen richting de arbeidsmarkt te zetten, waardoor het traject naar werk vertraging oploopt en de drie jaar van de inburgering niet effectief gebruikt worden om mensen naar werk te begeleiden. Deze vertraging is volgens een van de jobcoaches niet nodig, omdat “de instroom vanuit Integratiewerk eigenlijk één van de meest kansrijke groepen is die ik als jobhunter zie – in vergelijking met andere groepen zoals mensen in de bijstand met een grote afstand tot de arbeidsmarkt”. Uit de interviews komt naar voren dat het ook van belang is statushouders al tijdens de inburgeringsperiode te begeleiden richting arbeidsparticipatie, omdat in deze periode mannen en vrouwen gelijke aandacht krijgen in de begeleiding richting werk. Na afronding van het inburgeringstraject verschuift de nadruk vaak naar één partner met het oog op uitstroom uit de uitkering, waarbij deze focus doorgaans op de man ligt.

Werkfit kan beter Ook vanuit het perspectief van de gemeente, blijkt dat er onduidelijkheid is over wanneer een statushouder ‘werkfit’ is. Ondanks dat Integratiewerk een formulier invult op basis waarvan gecheckt kan worden of iemand aan de voorwaarden voor werkfit zijn voldoet, ziet de afdeling Arbeidsintegratie dat een deel van de statushouders die bij hen worden aangemeld niet arbeidsfit zijn. Dit komt gedeeltelijk doordat de randvoorwaarden voor werk, zoals beschikbaarheid en kinderopvang, niet op orde zijn, maar ook doordat statushouders soms te maken hebben met (medische) problematiek waardoor werk op dat moment niet mogelijk is. Arbeidsintegratie geeft aan dat het inzetten van passende instrumenten een essentieel onderdeel is van het proces om kandidaten werkfit te maken. Anders dan Integratiewerk in de praktijk heeft ervaren, is het volgens Arbeidsintegratie wel mogelijk om al tijdens de inburgering deze instrumenten in te zetten. “Behalve een keer een bezoek aan het werkplein is er soms weinig gebeurd” bij Integratiewerk, aldus een medewerker. Idealiter zou de groep die bij de afdeling Arbeidsintegratie instroomt bestaan uit statushouders bij wie aantoonbaar al diverse interventies zijn ingezet, maar bij wie het ondanks deze inspanningen toch nog niet is gelukt om werk te vinden. De realiteit is dat dit nu vaak niet het geval is volgens de geïnterviewden.

Om deze mismatch te verkleinen, is een voortraject ingericht waarin Integratiewerk en de afdeling Arbeidsintegratie samen beoordelen wat er nog nodig is voordat iemand daadwerkelijk kan doorstromen. Zodra de inburgering is afgerond, volgt een warme overdracht in de vorm van een driegesprek tussen Integratiewerk, de afdeling Arbeidsintegratie en de statushouder. Hierin wordt teruggekeken op wat er in de afgelopen drie jaar is gedaan in de begeleiding richting werk, waar het proces is vastgelopen en wat er nodig is om iemand alsnog werkfit te maken. Pas daarna volgt een eventuele aanmelding bij de jobhunters van de afdeling Arbeidsintegratie. Verwachtingsmanagement Ook op het gebied van verwachtingsmanagement worden knelpunten gesignaleerd door de afdeling Arbeidsintegratie. De afdeling geeft voorbeelden van statushouders die graag willen werken, maar beperkte beschikbaarheid hebben of weigeren om in weekenden te werken. Een jobhunter beschrijft: “Wij krijgen heel vaak: deze statushouder wil graag werken, maar niet op zaterdag, niet op zondag en niet ’s avonds. Dat geeft scheve gezichten in een team waar vast personeel dat wel moet.” In zulke situaties zetten jobhunters in op realistische verwachtingen over wat werken in Nederland inhoudt — 57

zowel richting de deelnemer als richting de uitkeringsverplichtingen. Tegelijkertijd geven zij aan dat dit spanningsveld lastig is, omdat consulenten vanuit Integratiewerk werken vanuit een relationele aanpak waarbij vertrouwen centraal staat, terwijl de afdeling Arbeidsintegratie ook het ‘rechtmatige deel’ van verplichtingen van de participatiewet moet bewaken. Toeleiden naar werk vraagt specifieke expertise Net als Integratiewerk, erkennen ook de vertegenwoordigers van de gemeente dat het toeleiden naar werk specifieke expertise vraagt. De medewerkers bij de afdeling Arbeidsintegratie hebben zicht op de kansen en mogelijkheden op de arbeidsmarkt en wat ervoor nodig is om daar op in te spelen. Ook heeft de afdeling de mogelijkheid om instrumenten in te zetten die het plaatsen van statushouders bij werkgevers zou kunnen versoepelen, zoals vaktaallessen, een training voor werkgevers hoe ze om kunnen gaan met een statushouder op de werkvloer, loonkostensubsidie, proefplaatsing en meer. Medewerkers bij Integratiewerk hebben daarentegen geen, of veel minder, zicht op de vraag van de arbeidsmarkt. Een van de geïnterviewden formuleert het als volgt: “[D]e integratiebegeleider is de bakker, en wij zijn de slager. Maar je gaat niet aan de bakker vragen om een onsje ham. De expertise ligt bij ons, maar zij moeten het eigenlijk doen.

En daarin zijn we nu babyslagen aan het maken dat dat nu echt niet meer kan.” Wens om eerder in het traject betrokken te zijn Doordat Integratiewerk verantwoordelijk is voor de uitvoering van alle onderdelen van de inburgering, stelt de gemeente dat zij de statushouders “in de drie jaar van de inburgering kwijt zijn”. De weg naar werk wordt als lang ervaren als statushouders pas na drie jaar worden aangemeld bij de gemeente. Wanneer statushouders eerder worden aangemeld en de afdeling Arbeidsintegratie van de gemeente eerder in de inburgering betrokken is, is de afstand richting werk minder groot. De aanwezigheid van een accountmanager van het werkgeversservicepunt bij Integratiewerk maakt het voor statushouders makkelijker om in gesprek te gaan. Hierdoor vindt meer uitwisseling plaats over mogelijkheden en kansen op de arbeidsmarkt tussen Integratiewerk, de afdeling Arbeidsintegratie en de statushouder. De afdeling Arbeidsintegratie stelt verder voor om binnen drie tot zes maanden een netwerk Organisatie Advies (NOA)-test af te nemen. Een NOA ‘Op Weg!’ test geeft inzicht in de (start)positie van de statushouder, de afstand tot de arbeidsmarkt, sterke en ontwikkelpunten, mogelijke belemmeringen, kans op het vinden van werk en welke ondersteuning hierbij nodig is. Dit helpt om vroeg in het inburgeringsproces al de juiste ondersteuning te kunnen bieden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17035823/1