CConstaterende datAltena
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting

Raadsvergadering 16 maart 2021, gemeente AltenaBij agendapunt: Bestemmingsplan Eikenlaan 9-11 Sleeuwijk21.129 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Het andere bouwblok wordt georiënteerd op de plas en het open agrarisch perceel aan de overzijde van de Bijtelskil. Anderzijds is het gebouw ook gericht op het binnenterrein dat in de ‘L’ ontstaat tussen de bouwblokken en het gebouw van de Tuinderij.

Gemeente Altena Bestemmingsplan Kern Sleeuwijk: Eikenlaan 9-11 mRO b.v. / TOE / 99.438-15 / februari 2021

27

NL.IMRO.1959.SleBP051Eiknln911-VG01 Vastgesteld d.d.

Impressie toekomstige situatie (bron: Hooper Architects)

Impressie toekomstige situatie, gezien vanaf Eikenlaan (bron: Hooper Architects)

Impressie toekomstige situatie, gezien vanaf Eikenlaan (bron: Hooper Architects) Gemeente Altena Bestemmingsplan Kern Sleeuwijk: Eikenlaan 9-11 mRO b.v. / TOE / 99.438-15 / februari 2021

28

NL.IMRO.1959.SleBP051Eiknln911-VG01 Vastgesteld d.d.

De verdeling van de zorgwoningen over twee bouwblokken en de hoogte van twee bouwlagen met kap zorgt ervoor dat de bouwmassa qua schaal en vormgeving past bij het dorpse karakter van de omgeving. Wat betreft de hoogte wordt aangesloten op de hoogte van de bestaande te slopen groepswoning. Deze bestaat immers ook uit twee bouwlagen met een kap. Voorts is de hoogte van maximaal twee bouwlagen met kap stedenbouwkundig aanvaardbaar in relatie tot de vrijstaande woningen in de omgeving van het perceel, mede gezien de grote afstand van de nieuwe zorgwoningen tot deze woningen. Een bouwmassa van twee bouwlagen met een kap voegt zich goed in het gebied, daar hier vrijwel uitsluitend bebouwing van één of twee bouwlagen met kap voorkomt. De oostgevel van het bouwblok aan de Eikenlaan wordt parallel aan en op voldoende afstand van deze laan gesitueerd. De zuidgevel van dit bouwblok wordt achter de rooilijn van het gebouw van de Tuinderij gepositioneerd. De bestaande bomenrij langs de noordelijke kavelgrens, de Bijtelskil, blijft behouden. Deze situering zorgt ervoor dat de nieuwe bebouwing zich goed voegt in de ruimtelijk-stedenbouwkundige structuur van de kavel en de omgeving. Bij het nieuwe gebouw met zorgwoningen is ook een fietsen- en afvalberging voorzien.

Deze bergingen worden aan de zuidwestzijde van het nieuwe gebouw, nabij het gebouw van de Tuinderij, gesitueerd en krijgen een hoogte van maximaal 3 meter. Parkeren en verkeer Binnen het plangebied dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid ten behoeve van de zorgwoningen. In de CROW-publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren’ (CROW-publicatie 381) komt de categorie zorgwoningen voor mensen met een verstandelijke beperking niet voor. Daarom wordt voor het berekenen van de parkeerbehoefte uitgegaan van de categorie verpleegen verzorgingstehuis; hierbij is ook sprake van wooneenheden. In de rest van de bebouwde kom in een gebied met een stedelijkheidsgraad weinig stedelijk (waartoe de omgeving van het plangebied gerekend moet worden) dient per wooneenheid gemiddeld 0,6 parkeerplaats gerealiseerd te worden. Dat betekent dat voor de 26 zorgwoningen voorzien moet worden in 16 parkeerplaatsen. In het plangebied worden 16 parkeerplaatsen gerealiseerd in de vorm van haaksparkeerplaatsen langs de ontsluitingsweg naar de volkstuinen. Derhalve wordt er binnen het plangebied voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Overigens hebben de bewoners van de zorgwoningen zelf geen auto. De parkeerplaatsen zijn dan ook alleen bedoeld voor personeel en bezoekers. Het halen en brengen van bewoners geschiedt nabij het gebouw van de Tuinderij.

Hiervoor wordt ter hoogte van dit gebouw, dus langs de ontsluitingsweg naar de volkstuinen, een opstelplaats voor meerdere taxi’s gerealiseerd. Voor leveranciers wordt er langs de Eikenlaan een laad- en losstrook (1 parkeerplaats) aangelegd. Met deze maatregelen – opstelplaats taxi’s bij de Tuinderij en laad- en losstrook langs de Eikenlaan – kan halen/ brengen en laden/lossen op een verkeersveilige wijze plaatsvinden. Om te bezien wat de verkeersgeneratie is van de te bouwen zorgwoningen, is aan de hand van de genoemde CROW-publicatie een berekening gemaakt. Uitgaande van de verkeersgeneratie van een aanleunwoning of serviceflat op basis van CROW-publicatie 381, wordt per woning gemiddeld 2,6 motorvoertuigbewegingen (mvt) per weekdagetmaal gegenereerd. In totaal zullen de

Gemeente Altena Bestemmingsplan Kern Sleeuwijk: Eikenlaan 9-11 mRO b.v. / TOE / 99.438-15 / februari 2021

29

NL.IMRO.1959.SleBP051Eiknln911-VG01 Vastgesteld d.d.

nieuwe woningen daardoor circa 68 mvt per weekdagetmaal genereren. Dit aantal zal probleemloos opgaan in het heersende verkeersbeeld op de Eikenlaan. Op deze laan rijden thans circa 1.000 mvt per dag, waardoor geen sprake is van een significante toename. Tevens wordt met de verkeersbewegingen van de woningen de capaciteit van de weg niet overschreden. Daarbij kan nog opgemerkt worden dat het aantal extra verkeersbewegingen per saldo nog lager zal liggen dan de genoemde 68 mvt/etmaal, aangezien de verkeersbewegingen van de bestaande 9 zorgwoningen in de te slopen groepswoning vervallen.

4.2

Vertaling ontwikkeling naar bestemmingsplan

De realisatie van de zorgwoningen is in de regels en op de verbeelding vastgelegd. Het gehele plangebied is op de verbeelding voorzien van de bestemming ‘Maatschappelijk’. Ter plaatse van de gronden waar de zorgwoningen zijn gepland, is de aanduiding ‘zorgwoning’ opgenomen. Deze gronden mogen worden gebruikt voor zorgwoningen en bijbehorende voorzieningen. Op de verbeelding is een bouwvlak opgenomen waarbinnen de woningen dienen te worden gebouwd. De gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen mag het bebouwingspercentage dat op de verbeelding is aangegeven niet overschrijden. Hierdoor kan niet het hele bouwvlak worden bebouwd. In de regels is tevens vastgelegd dat er maximaal 26 zorgwoningen mogen worden gebouwd. De maximale goot- en bouwhoogte van de zorgwoningen is op de verbeelding aangeduid: 6 meter respectievelijk 10 meter. Ter plaatse van de fietsen- en afvalberging geldt een bouwhoogte van maximaal 3 meter. Overigens is voor het bestaande gebouw van de Tuinderij in het plangebied dat gehandhaafd blijft ook een bouwvlak op de verbeelding opgenomen met een maximale goot- en bouwhoogte.

Gemeente Altena Bestemmingsplan Kern Sleeuwijk: Eikenlaan 9-11 mRO b.v. / TOE / 99.438-15 / februari 2021

30

NL.IMRO.1959.SleBP051Eiknln911-VG01 Vastgesteld d.d.

5.

RANDVOORWAARDEN – MILIEUASPECTEN

In dit hoofdstuk komen een aantal milieuaspecten aan de orde die van belang (kunnen) zijn voor de ontwikkelingen in het plangebied.

5.1

Geluid

Beleid en regelgeving Voor het aspect geluid is binnen het plangebied de Wet geluidhinder (Wgh) van toepassing. De Wgh kent voor weg- en railverkeer alsmede voor gezoneerde industrieterreinen voorkeursgrenswaarden op nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen, zoals bijvoorbeeld woningen. De Wgh gaat uit van zones langs (spoor)wegen en zones bij industrieterreinen. Het gebied binnen deze zone geldt als akoestisch aandachtsgebied waar, voor bestemmingsplannen die voorzien in geluidsgevoelige bestemmingen, een akoestische toetsing uitgevoerd dient te worden. In het kader van dit bestemmingsplan is alleen wegverkeerslawaai van belang. Er liggen in het bestemmingsplan of in de directe omgeving geen spoorlijnen of gezoneerde bedrijventerreinen. Wegverkeerslawaai In de Wgh is bepaald dat elke weg van rechtswege een geluidszone heeft (art. 74 lid 1). Een uitzondering hierop zijn wegen die zijn gelegen in een 30 km/uur-zone of in een woonerf. De breedte van de geluidszones is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van een weg. Zie de onderstaande tabel. Aantal rijstroken Zonebreedte

Stedelijk gebied

Buitenstedelijk gebied

1 of 2

-

200 meter

3 of meer

-

350 meter

-

1 of 2

250 meter

-

3 of 4

400 meter

-

5 of meer

600 meter

Tabel 5.1 Breedte van geluidszones langs wegen

Grenswaarden Geluidsgevoelige objecten die worden gerealiseerd binnen de geluidszones dienen te worden getoetst aan grenswaarden van de geluidsbelasting die zijn aangegeven in de Wgh. Hierbij geldt een voorkeursgrenswaarde voor nieuwe situaties. Deze bedraagt in vrijwel alle gevallen 48 dB. Indien deze waarde wordt overschreden, kan het college van burgemeester en wethouders ontheffing verlenen voor een hogere waarde. De maximale ontheffingswaarde is afhankelijk van het soort geluidsgevoelig object en de geluidsbron. Bij de ontheffing dient het college te motiveren waarom bron- en overdrachtsmaatregelen niet mogelijk zijn en waarom het plan gewenst is. Ook dient het in de Wgh vastgelegd binnenniveau gewaarborgd te worden. Geluidsniveaus bij nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen die hoger zijn dan de wettelijke maximale ontheffingswaarden zijn niet toegestaan.

Gemeente Altena Bestemmingsplan Kern Sleeuwijk: Eikenlaan 9-11 mRO b.v. / TOE / 99.438-15 / februari 2021

31

NL.IMRO.1959.SleBP051Eiknln911-VG01 Vastgesteld d.d.

Geluid in relatie tot het plangebied Nabij het plangebied ligt één gezoneerde weg op basis van de Wet geluidhinder. Dit betreft (een deel van) de Rijksstraatweg. De Eikenlaan is een weg met een maximumsnelheid van 30 km/uur. Deze weg heeft dus formeel geen geluidszone. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient de geluidsbelasting van dergelijke wegen wel inzichtelijk te worden gemaakt. De Rijksstraatweg heeft ter hoogte van het plangebied 2 rijstroken en kent daardoor hier een zone van 250 meter. De bouw van de zorgwoningen vindt plaats in de geluidzone van deze weg. Woningen zijn ingevolge de Wgh geluidsgevoelig. Derhalve dient de bouw van de zorgwoningen akoestisch getoetst te worden aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder. Alcedo bv1 heeft akoestisch onderzoek verricht naar de geluidsbelasting van het wegverkeer op de gezoneerde weg de Rijksstraatweg. Tevens is onderzoek gedaan naar de geluidsbelasting van de 30 km/uur weg Eikenlaan. Het onderzoeksrapport is opgenomen als bijlage bij de toelichting. Uit het onderzoek blijkt het volgende. De geluidsbelasting ten gevolge van het wegverkeer van de Rijksstraatweg op de zorgwoningen bedraagt maximaal 41 dB. Hiermee wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Het vaststellen van hogere waarden is derhalve niet noodzakelijk.

De geluidsbelasting ten gevolge van het wegverkeer van de Eikenlaan op de zorgwoningen bedraagt maximaal 51 dB. De voorkeursgrenswaarde wordt dus overschreden. Omdat de Eikenlaan een 30 km/uur weg betreft, is het niet nodig om hiervoor hogere waarden vast te stellen. Ondanks de overschrijding van de voorkeursgrenswaarde zal er wel sprake zijn van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Dit omdat het Bouwbesluit bij de verlening van de omgevingsvergunning voor bouwen waarborgt dat de geluidwering van de gevels minimaal 20 dB dient te zijn. Hiermee bedraagt het binnenniveau maximaal 31 dB. Dit is lager dan 33 dB; de eis die geldt als er formeel een hogere waarde is vastgesteld. Derhalve is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Tot slot is het volgende van belang. Het akoestisch onderzoek is gebaseerd op een eerder bouwplan voor de zorgwoningen. Dit bouwplan ging er nog vanuit dat de zorgwoningen ten zuiden van Eikenlaan 9-11 gerealiseerd zouden worden, dus dichter bij de Rijksstraatweg dan nu het geval is. De geluidbelasting van de Rijksstraatweg zal ter hoogte van de locatie waar de zorgwoningen nu gepland zijn, dan ook lager zijn dan de bovengenoemde onderzoeksresultaten. Ten aanzien van de Eikenlaan worden er geen wezenlijke verschillen in geluidbelasting verwacht als gevolg van de gewijzigde situering ten opzichte van de bovengenoemde onderzoeksresultaten.

Conclusie Er zijn geen belemmeringen voor het plan vanuit het aspect geluid. 1

Alcedo bv, ‘Woningbouw Eikenlaan te Sleeuwijk – Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai’, 16 januari 2013

Gemeente Altena Bestemmingsplan Kern Sleeuwijk: Eikenlaan 9-11 mRO b.v. / TOE / 99.438-15 / februari 2021

32

NL.IMRO.1959.SleBP051Eiknln911-VG01 Vastgesteld d.d.

5.2

Bodem

Beleid en regelgeving Het is wettelijk (via de bouwverordening) geregeld dat nieuwbouw pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om deze reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek (conform NEN 5740) in beeld te worden gebracht. Als blijkt dat de bodem niet geschikt is dan zal voor aanvang van de werkzaamheden een sanering moeten worden uitgevoerd. Bodem in relatie tot het plangebied Voor de ontwikkelingen in het plangebied, de realisatie van zorgwoningen, zijn er twee bodemonderzoeken uitgevoerd: één voor het westelijk deel van het plangebied en één voor het oostelijk deel. Westelijk deel plangebied Door EstInvent B.V.2 is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd voor het westelijk deel van het plangebied. Het onderzoeksrapport is opgenomen als bijlage bij de toelichting. Uit het onderzoek komen de volgende resultaten naar voren. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn zintuiglijk geen waarnemingen gedaan die kunnen duiden op bodemverontreiniging. Zintuiglijk zijn op het maaiveld en in de opgeboorde grond geen asbestverdachte materialen waargenomen. In de bovengrond zijn maximaal licht verhoogde gehalten met zware metalen aangetoond. In de ondergrond zijn eveneens licht verhoogde gehalten met zware metalen aangetoond.

In het grondwater is sprake van licht verhoogde concentraties met naftaleen. In geen van de onderzochte grond(meng)monsters is OCB aangetoond boven de geldende achtergrondwaarden. Op basis van een indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit (getoetst aan ontvangende bodem) blijkt de bovengrond als maximaal klasse ‘Wonen’ te worden beoordeeld. Aangezien er sprake is van maximaal licht verhoogde gehalten, wordt een nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. Er zijn derhalve geen belemmeringen voor de voorgenomen nieuwbouw op de locatie. Volledigheidshalve wordt opgemerkt, dat rekening gehouden dient te worden met het gegeven, dat bij eventuele toekomstige grondwerkzaamheden mogelijk aanvullende analyses noodzakelijk zijn en de grond mogelijk niet zonder restricties buiten de locatie kan worden toegepast. Het Besluit Bodemkwaliteit zal dan van kracht kunnen worden.

2

EstInvent B.V., ‘Verkennend bodemonderzoek – Eikenlaan 9 te Sleeuwijk’, 28 maart 2019

Gemeente Altena Bestemmingsplan Kern Sleeuwijk: Eikenlaan 9-11 mRO b.v. / TOE / 99.438-15 / februari 2021

33

NL.IMRO.1959.SleBP051Eiknln911-VG01 Vastgesteld d.d.

Oostelijk deel plangebied Bodemportaal B.V.3 heeft een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd voor het oostelijk deel van het plangebied. De rapportage met de resultaten van het onderzoek is opgenomen als bijlage bij de toelichting. Uit het onderzoek blijkt het volgende. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn behoudens enkele roestsporen, zintuiglijk geen waarnemingen gedaan die kunnen duiden op bodemverontreiniging. Zintuiglijk zijn op het maaiveld en in de opgeboorde grond geen asbestverdachte materialen waargenomen. Uit de analyseresultaten blijkt dat in de bovengrond maximaal licht verhoogde gehalten met lood zijn vastgesteld. In de ondergrond zijn licht verhoogde gehalten cadmium, zink, nikkel, lood en koper aangetoond. In het andere grondmengmonster van de bovengrond zijn geen gehalten boven de geldende achtergrondwaarden en/of de detectielimieten aangetoond. In het grondwater zijn maximaal licht verhoogde concentraties met barium en zink aangetoond. Het vermoeden dat er in de bovengrond ook bestrijdingsmiddelen aanwezig konden zijn is niet bevestigd. Er zijn geen verhoogde gehaltes OCB’s boven de geldende achtergrondwaarden aangetoond. De aangetoonde stoffen in de bovengrond en het grondwater zijn slechts lichte verhogingen ten opzichte van de achtergrond en streefwaarden. Er is geen aanleiding voor het uitvoeren van een nader bodemonderzoek.

Vanuit milieuhygiënisch oogpunt zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen nieuwbouw op het perceel. Volledigheidshalve wordt opgemerkt, dat rekening dient te worden gehouden met het gegeven, dat bij eventuele toekomstige grondwerkzaamheden mogelijk aanvullende analyses noodzakelijk zijn en de grond mogelijk niet zonder restricties buiten de locatie kan worden toegepast. Het Besluit Bodemkwaliteit zal dan van kracht kunnen worden. Ook dient hierbij rekening te worden gehouden met het ‘Tijdelijk handelingskader PFAS, d.d. 8 juli 2019’. Conclusie Er zijn geen belemmeringen voor het plan vanuit het aspect bodem.

5.3

Water

Beleid en regelgeving De gemeente Altena is niet primair verantwoordelijk voor alle watertaken, maar moet de waterbelangen wel goed beschrijven en afwegen binnen de ruimtelijke ordening. Een van de instrumenten hiervoor is de verplichte watertoets. De watertoets houdt in dat het Waterschap of Rijkswaterstaat beoordeelt of de waterbelangen voldoende zijn afgewogen. De voor de gemeente en waterschap van belang zijnde wateraspecten zijn hieronder beschreven. 3

Bodemportaal B.V., ‘Verkennend bodemonderzoek – Eikenlaan 11 te Sleeuwijk, 14 november 2019

Gemeente Altena Bestemmingsplan Kern Sleeuwijk: Eikenlaan 9-11 mRO b.v. / TOE / 99.438-15 / februari 2021

34

NL.IMRO.1959.SleBP051Eiknln911-VG01 Vastgesteld d.d.

Volgens de Wet gemeentelijke watertaken (2008) is de gemeente verantwoordelijk voor het inzamelen en transporteren van stedelijk afvalwater en hemelwater. De gemeente mag vervolgens zelf bepalen op welke wijze het ingezamelde hemelwater wordt verwerkt. Verder heeft de gemeente de zorgplicht voor het in openbaar gemeentelijk gebied treffen van maatregelen, om structurele problemen als gevolg van een voor de gebruiksfunctie nadelige grondwaterstand in openbaar bebouwd gebied zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken, voor zover doelmatig is en niet de verantwoordelijkheid is van het waterschap of de provincie. Het waterschap Rivierenland is verantwoordelijk voor de kwaliteit van het oppervlaktewater en beheer van het waterpeil. Daarnaast is het waterschap verantwoordelijk voor het zuiveren van het afvalwater. Het is van belang dat de capaciteit van de rioolwaterzuiveringsinstallatie toereikend is voor de toename aan vervuilingseenheden en dat het afvalwater niet te veel verdund wordt met regenwater. Het waterschap is sinds de inwerkingtreding van de Waterwet (eind 2009) ook verantwoordelijk voor het beheer van het grondwater. Het is sinds 2003 verplicht om bij ruimtelijke plannen en besluiten een beschrijving op te nemen van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding.

De watertoets is een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium afspraken maken over de toepassing en uitvoering van het waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid. Het waterschap is het eerste aanspreekpunt in het watertoetsproces, waarbij het waterschap rekening houdt met het provinciale grondwaterbeleid. Beleidsvisie riolering en water Vooruitlopend op de fusie van de gemeenten Aalburg, Werkendam en Woudrichem (die per 1 januari 2019 tot stand is gekomen) hebben deze voormalige gemeenten in 2017 een gezamenlijke ‘Beleidsvisie riolering en water’ opgesteld. De visie vormt de basis voor het nog op te stellen rioleringsprogramma. Tezamen vervangen zij het traditionele en wettelijke planinstrument Gemeentelijk RioleringsPlan (GRP). Water in relatie tot het plangebied Huidig watersysteem Bestaande verharding Momenteel bevindt zich in het plangebied bestaande verharding in de vorm van een groepswoning, de binnenwerkplaats van de Tuinderij, een bijgebouw, kassen en terreinverharding. De totale gezamenlijke oppervlakte van deze verharding bedraagt circa 1.800 m². Bodem De bovenste laag van de bodem (tot maximaal 1,5 m-mv) in het plangebied bestaat blijkens bodemonderzoek (zie paragraaf 5.2) uit klei. Daaronder bestaat de bodem voornamelijk uit zwak kleiig veen.

Gemeente Altena Bestemmingsplan Kern Sleeuwijk: Eikenlaan 9-11 mRO b.v. / TOE / 99.438-15 / februari 2021

35

NL.IMRO.1959.SleBP051Eiknln911-VG01 Vastgesteld d.d.

Grondwater De Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) wordt blijkens de Bodemkaart van Nederland tussen 0,25 en 0,40 m-mv verwacht. De Gemiddelde Laagste Grondwaterstand (GLG) wordt op meer dan 0,80 m-mv verwacht. Het plangebied is niet gelegen in een waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. Oppervlaktewater In het plangebied is oppervlaktewater aanwezig. Dit betreft één kleine sloot. Deze sloot bevindt zich noordwestelijk van Eikenlaan 9, het gebouw van De Tuinderij. Deze sloot is in de legger wateren van het waterschap Rivierenland aangemerkt als B-watergang en sluit aan op de direct ten noorden van het plangebied gelegen watergang Bijtelskil (een A-watergang). Daarmee vormt de sloot een zijtak van de Bijtelskil. Direct ten westen van het plangebied is ook oppervlaktewater in de vorm van een sloot aanwezig (B-watergang). De genoemde A en B-watergangen hebben op grond van de legger een beschermingszone aan weerszijden. Deze zone is aangegeven in de bijgaande figuur.

Uitsnede legger wateren voor het plangebied en omgeving (bron: waterschap Rivierenland)

Er zijn geen waterkeringen of kunstwerken ten behoeve van de waterhuishouding (zoals gemalen, stuwen of sluizen) in het plangebied gelegen. Riolering In het plangebied is een bestaand rioleringssysteem aanwezig. Dit wordt gebruikt voor de afvoer van het huishoudelijk afvalwater van de groepswoning en het gebouw van de Tuinderij. Toekomstig watersysteem Keuze watersysteem en watercompensatie De voorgenomen ontwikkelingen mogen geen wateroverlast op andere tijden of plaatsen veroorzaken. Het plan wordt daarom "waterneutraal" ontwikkeld.

Gemeente Altena Bestemmingsplan Kern Sleeuwijk: Eikenlaan 9-11 mRO b.v. / TOE / 99.438-15 / februari 2021

36

NL.IMRO.1959.SleBP051Eiknln911-VG01 Vastgesteld d.d.

De gezamenlijke oppervlakte aan verharding in het plangebied, als gevolg van bebouwing en terreinverharding (incl. parkeren, ontsluiting, etc.), bedraagt in de nieuwe situatie, na realisatie van de zorgwoningen, circa 2.150 m². Daarmee neemt de verharding in het plangebied per saldo toe met circa 350 m² ten opzichte van de bestaande situatie (2.150 – 1.800). Hierbij is er vanuit gegaan dat de oppervlakte van het nieuwe gebouw met zorgwoningen maximaal 966 m² bedraagt: het bouwvlak voor het nieuwe gebouw heeft een oppervlakte van 1380 m², waarvan 70% (= 966 m²) mag worden bebouwd. Voor plannen met een toename aan verharding tot 5 ha, hanteert het waterschap de vuistregel van 436 m3 waterberging per ha verharding. Dit betekent dat moet worden voorzien in circa 15 m³ waterberging (0,035*436). De benodigde waterberging is reeds aangelegd. Parallel aan het bomenlaantje ten zuiden van de wijk de Nieuwe Es is tussen de Eikenlaan en de Transvaal een nieuwe watergang gegraven. Deze watergang is gekoppeld met de Bijtelskil en staat daardoor in verbinding met het watersysteem waarop de verharding van dit bestemmingsplan afwatert. Met de watergang langs het bomenlaantje is 140 m³ extra waterberging gecreëerd binnen het betreffende peilgebied. Van deze 140 m³ was 7 m³ nodig als compensatie voor de aan te leggen verharding van het bomenlaantje.

Daarmee resteert nog een overcompensatie van 133 m³ waterberging. De gemeente Altena heeft met het Waterschap Rivierenland afgesproken dat deze overcompensatie mag worden ingezet voor de ontwikkelingen in het plangebied en voor toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen op de gronden ten zuiden van Eikenlaan 9-11, het perceel dat voorheen werd gebruikt voor de paarden- en ponyclub4. De benodigde 15 m³ waterberging voor dit bestemmingsplan wordt derhalve verrekend met de genoemde 133 m³ overcompensatie. Er is geen extra compensatie voor het onderhavige bestemmingsplan nodig. Eén en ander wordt schriftelijk vastgelegd bij de aanvraag van de watervergunning voor (de verhardingstoename van) het plan. Beschermingszones watergangen De watergangen ten noorden en westen van het plangebied hebben in de legger een beschermingszone die tot in het plangebied reikt. Ook de zijtak van de Bijtelskil die in het plangebied ligt heeft een beschermingszone. De beschermingszone heeft tot doel om te voorkomen dat doelmatig onderhoud wordt belemmerd en om de stabiliteit van de taluds te waarborgen. Op grond van de Keur is het verboden om zonder watervergunning van het waterschap in deze zones bouwwerken te plaatsen. Bij de bouw van de zorgwoningen zal daarom rekening gehouden moeten worden met deze beschermingszones.

Indien de woningen (deels) in de zones gebouwd worden, dan zal de initiatiefnemer van het bouwplan hiervoor een watervergunning bij het waterschap moeten aanvragen. Riolering Het vuile huishoudelijk afvalwater vanuit de nieuwe zorgwoningen zal afgevoerd worden via de bestaande of een nieuwe vuilwateraansluiting naar het gemeentelijk rioleringssysteem. Het peil van het nieuwe gebouw wordt 4

Zie ook de brief van het Waterschap Rivierenland, ‘Verzoek inzetten overcompensatie bestaande watergang voor bouwplan Sovak aan de Eikenlaan te Sleeuwijk’, d.d. 15 mei 2019, welke als bijlage bij de toelichting is opgenomen.

Gemeente Altena Bestemmingsplan Kern Sleeuwijk: Eikenlaan 9-11 mRO b.v. / TOE / 99.438-15 / februari 2021

37

NL.IMRO.1959.SleBP051Eiknln911-VG01 Vastgesteld d.d.

0,00 NAP (waterpeil van de watergangen is -1,30 m –NAP). Daardoor kan het riool onder vrijverval worden aangesloten. De exacte vormgeving van de riolering is een uitvoeringskwestie. Dit wordt nader bepaald bij de technische uitwerking van het bouwplan. Via het gemeentelijk rioleringssysteem zal het afvalwater worden afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Hemelwaterafvoer Voor het hemelwater wordt de voorkeursvolgorde vasthouden – bergen afvoeren gehanteerd. Het hemelwater dat op het dak van de nieuwe bebouwing neerkomt, zal apart worden ingezameld en gescheiden blijven van het vuile huishoudelijke afvalwater. Dit geldt ook voor het hemelwater dat neerkomt op de terreinverharding, zoals parkeerplaatsen. Het hemelwater, zowel van het dak als van de terreinverharding, zal worden afgevoerd naar de A-watergang ten noorden van het plangebied (Bijtelskil) of naar de in Bwatergang in het plangebied (zijtak van de Bijtelskil). Directe afvoer van het hemelwater naar deze watergangen ligt voor de hand omdat infiltratie in het plangebied niet goed mogelijk is. Dit omdat de GHG hoger is dan 0,7 m –mv. Daarnaast is de bodemsamenstelling niet geschikt voor infiltratie, omdat deze uit klei en veen bestaat. Waterkering In het plangebied zijn geen waterkeringen aanwezig.

Wateroverlast en verdroging Vanwege de afvoer van het hemelwater naar de watergangen, wordt wateroverlast voorkomen. Vanwege de hoge GHG is verdroging in het gebied niet aan de orde. Om vochtproblemen in de toekomstige bebouwing te voorkomen, vanwege de hoge grondwaterstand, kan het maaiveld van het perceel enigszins opgehoogd worden. Hierbij moet wel gelet worden op de omliggende percelen. Bij de nadere civieltechnische uitwerking van het plan zal bepaald worden, welke oplossing gekozen wordt om mogelijke vochtproblemen te voorkomen. Waterkwaliteit Omdat het hemelwater dat neerkomt op de nieuwe bebouwing direct wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater, is het belangrijk de waterkwaliteit te bewaken. Daartoe dient het gebruik van uitloogbare materialen bij het bouwen zoveel mogelijk te worden vermeden. Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor de waterhuishouding in het plangebied en omgeving.

5.4

Luchtkwaliteit

Beleid en regelgeving De hoofdlijnen van de regelgeving voor luchtkwaliteit zijn te vinden in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer, ook wel de Wet luchtkwaliteit genoemd. De regelgeving is uitgewerkt in onderliggende Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s) en Ministeriële Regelingen. In de Wet Luchtkwaliteit zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen in de vorm van

Gemeente Altena Bestemmingsplan Kern Sleeuwijk: Eikenlaan 9-11 mRO b.v. / TOE / 99.438-15 / februari 2021

38

NL.IMRO.1959.SleBP051Eiknln911-VG01 Vastgesteld d.d.

grenswaarden en richtwaarden voor een aantal luchtverontreinigende stoffen. De belangrijkste zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) omdat deze in Nederland soms worden overschreden. De grenswaarden van de overige stoffen worden, op enkele uitzonderingen na, in de regel niet overschreden. De grenswaarde van PM10 of NO2 bedraagt 40 µg/³. De grenswaarde van PM2,5 ligt op 25 µg/³. Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) In dit besluit is bepaald in welke gevallen een ruimtelijke ontwikkeling vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet hoeft te worden getoetst aan de grenswaarden. Een project draagt ‘niet in betekende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de zogenaamde 3% grens niet wordt overschreden. De 3% grens is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Deze grenswaarde is gesteld op 40 µg/m3. Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden is het project NIBM, en hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. In de Regeling NIBM is de bovengenoemde 3%-grens uitgewerkt in concrete getallen. Zo ligt voor woningbouwplannen de grens van 3% bij 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg.

Besluit gevoelige bestemmingen Het besluit gevoelige bestemmingen is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof en stikstofdioxide, met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, in beide gevallen gemeten vanaf de rand van de weg. Als in een onderzoekszone de grenswaarden voor fijn stof of stikstofdioxide (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Luchtkwaliteit in relatie tot het plangebied De realisatie van 26 zorgwoningen in het plangebied draagt ‘niet in betekende mate’ bij aan de luchtverontreiniging. Op grond van de Regeling NIBM wordt een project tot 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg gerekend tot een zogenoemd ‘niet in betekende mate’ project. In het plangebied worden slechts 26 woningen gerealiseerd. Dit betekent dat er geen nader onderzoek en toetsing aan de in de Wet luchtkwaliteit gestelde grenswaarden hoeft plaats te vinden.

Voor wat betreft de bijdrage van de zorgwoningen aan de concentratie PM2,5 kan het volgende opgemerkt worden. PM2,5 maakt deel uit van de bijdrage PM10. Dit betreft immers alle stofdeeltjes met een diameter van 10 µm of kleiner. Aangezien de bijdrage PM10 lager is dan 1,2 μg/m³, is de bijdrage PM2,5 dat ook. De huidige achtergrondconcentratie PM2,5 bedraagt ter hoogte van het plangebied circa 12 μg/m³ (bron: GCN kaarten RIVM, peiljaar 2018).

Gemeente Altena Bestemmingsplan Kern Sleeuwijk: Eikenlaan 9-11 mRO b.v. / TOE / 99.438-15 / februari 2021

39

NL.IMRO.1959.SleBP051Eiknln911-VG01 Vastgesteld d.d.

Derhalve zal de realisatie van de woningen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 (25 μg/m³). Uit het voorgaande volgt dat de beoogde ontwikkelingen in het plangebied voldoen aan het wettelijk kader voor luchtkwaliteit. Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is daarnaast gekeken naar de concentratie stikstofdioxide en fijn stof (PM10) in het plangebied. Uit de Grootschalige Concentratiekaarten van het RIVM (peiljaar 2018) blijkt dat de achtergrondconcentratie voor stikstofdioxide ter hoogte van het plangebied niet hoger is dan ca. 24 μg/m³ en voor fijnstof (PM10) niet hoger dan ca. 20 μg/m³. Deze concentraties zijn daarmee ruim lager dan de grenswaarde van 40 µg/m3, waardoor het plan er niet toe zal leiden dat er grenswaarden worden overschreden. Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening bestaan er daarom geen belemmeringen voor het plan. Hoewel zorgwoningen in het Besluit gevoelige bestemmingen niet letterlijk worden genoemd als een gevoelige bestemming, is deze functie wel vergelijkbaar met functies die wel in het besluit genoemd worden, zoals verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Een toetsing aan dit besluit is vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening daarom wel wenselijk. Daaruit blijkt dat aan het Besluit gevoelige bestemmingen wordt voldaan.

Het plangebied ligt namelijk op meer dan 300 meter van een rijksweg of provinciale weg. Conclusie Er zijn geen belemmeringen voor het plan vanuit het aspect luchtkwaliteit.

5.5

Externe veiligheid

Beleid en regelgeving Externe veiligheid heeft betrekking op de gevaren die mensen lopen als gevolg van aanwezigheid in de directe omgeving van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt, transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd en ondergrondse buisleidingen. De aan deze activiteiten verbonden risico’s moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Wettelijk kader Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is het wettelijke kader vastgelegd in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de Regeling Basisnet. De regelgeving voor ondergrondse buisleidingen is vastgelegd in het Besluit Externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang:  Het plaatsgebonden risico (PR) richt zich als maat voor het risico vanwege activiteiten met gevaarlijke stoffen vooral op de basisveiligheid voor

Gemeente Altena Bestemmingsplan Kern Sleeuwijk: Eikenlaan 9-11 mRO b.v. / TOE / 99.438-15 / februari 2021

40

NL.IMRO.1959.SleBP051Eiknln911-VG01 Vastgesteld d.d.

personen in de omgeving van die activiteiten. Aan het PR is een wettelijke grenswaarde verbonden die niet mag worden overschreden. Het PR wordt “vertaald” als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijv. woningen) mogen liggen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbare aantal doden, de z.g. oriënterende waarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd, kan afwijken. Deze verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR, ook als de OW niet wordt overschreden.

Beleidsvisie Externe Veiligheid 2017 De voormalige gemeente Werkendam heeft in samenwerking met de voormalige gemeenten Aalburg en Woudrichem een Beleidsvisie externe veiligheid opgesteld, die op 19 december 2017 door de raad is vastgesteld. In deze visie is beschreven hoe wordt omgegaan met de ruimtelijke scheiding tussen risicobronnen en kwetsbare objecten, zoals woningen. De kern van het externe veiligheidsbeleid is om zo verstandig mogelijk om te gaan met risico’s. Zo worden er geen nieuwe kwetsbare objecten toegestaan in de directe nabijheid van reeds aanwezige risicobronnen en is vestiging van nieuwe risicobronnen alleen toegestaan op locaties waar dat veilig kan. In de Beleidsvisie zijn kaders aangegeven, waardoor bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en vergunningverlening op een verantwoorde manier wordt omgegaan met externe veiligheid. Externe veiligheid in relatie tot het plangebied Op basis van de risicokaart van de provincie Noord-Brabant is een inventarisatie van de risicobronnen in en nabij het plangebied gemaakt.

A27

Zwembad

Plangebied

GOS

Gasleiding Gemeente Altena NL.IMRO.1959.SleBP051Eiknln911-VG01 41 Bestemmingsplan Kern Sleeuwijk: Eikenlaan 9-11 Vastgesteld d.d. Uitsnede risicokaart voor het plangebied (bron: www.risicokaart.nl) mRO b.v. / TOE / 99.438-15 / februari 2021

Risicovolle inrichtingen Uit de risicokaart blijkt dat in het plangebied of in de directe omgeving daarvan geen risicovolle inrichtingen zijn gelegen. Ook worden door het plan geen risicovolle inrichtingen mogelijk gemaakt. Op enige afstand van het plangebied zijn een Gasdrukregel- en meetstation (GOS) en een zwembad gelegen die worden aangemerkt als risicovolle inrichting. De afstand van het plangebied tot deze inrichtingen is echter dusdanig groot dat het plangebied niet is gelegen binnen de plaatsgebonden risicocontour of het invloedsgebied van deze inrichtingen. Transportroutes gevaarlijke stoffen In het plangebied zijn geen transportroutes voor gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor of water aanwezig. Direct nabij het plangebied zijn ook geen transportroutes voor dergelijke stoffen over de weg, het spoor of water aanwezig. De dichtstbijzijnde transportroute voor gevaarlijke stoffen betreft de rijksweg A27. Ingevolge de regeling Basisnet heeft het deel van de A27 tussen afrit Avelingen en knooppunt Hooipolder een veiligheidszone (de plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar) van 12 meter, gemeten vanaf het midden van de weg. Het invloedsgebied voor het groepsrisico wordt bepaald door de stof GF3 en bedraagt op grond van de ‘Handleiding Risicoanalyse Transport’ 355 meter aan weerszijden van de weg.

Tot slot kent de A27 een Plasbrand Aandacht Gebied (PAG) van 30 meter, gemeten vanaf de rechter rand van de rechter rijstrook. Het plangebied is gelegen buiten de veiligheidszone, het invloedsgebied en het PAG van de A27. Buisleidingen Uit de risicokaart komt naar voren dat in het plangebied geen buisleidingen zijn gelegen waardoor transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Op circa 325 meter afstand ligt langs De Roef een hogedrukaardgasleiding van de Gasunie met een werkdruk van 40 Bar en een diameter van 6,61 inch. Volgens het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) geldt voor gasleidingen met een druk van 40 Bar een plaatsgebonden risicocontour van 4 meter aan weerszijden van de buisleiding, gemeten vanuit het hart van de buisleiding. Het plangebied is dus niet gelegen binnen de plaatsgebonden risicocontour van de leiding. Op grond van het ‘Handboek buisleiding in bestemmingsplannen’ bedraagt het invloedgebied van de leiding 70 meter. Het plangebied ligt derhalve niet in het invloedsgebied van de leiding. Standaardadvies Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant 2019 De Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant heeft een standaardadvies (d.d.

21 december 2018, referentie U.025871) opgesteld voor de verantwoording van het groepsrisico voor ruimtelijke ontwikkelingen in het invloedsgebied van Bevi-inrichtingen en infrastructuur voor het transport van gevaarlijke stoffen. De gemeente heeft een standaard verantwoording groepsrisico ontwikkeld aansluitend aan het standaard advies van de Veiligheidsregio. Aangezien het plangebied op meer dan 750 meter afstand van een nietcategorale Bevi-inrichting en op meer dan 200 meter afstand van een categorale Bevi-inrichting, spoorlijn, autoweg, waterweg of buisleiding gelegen is, valt het plan onder de werking van het standaardadvies. Dit blijkt ook uit de bijgaande figuur. Bij de voorbereiding van het plan is door de

Gemeente Altena Bestemmingsplan Kern Sleeuwijk: Eikenlaan 9-11 mRO b.v. / TOE / 99.438-15 / februari 2021

42

NL.IMRO.1959.SleBP051Eiknln911-VG01 Vastgesteld d.d.

Brandweer Midden en West Brabant ook aangegeven dat het standaardadvies van toepassing is.

Zone indeling standaard standaardadvies veiligheidsregio (bron: Beleidsvisie Externe Veiligheid 2017)

Conclusie Er zijn geen belemmeringen voor het plan vanuit het aspect externe veiligheid.

5.6

Brandveiligheid

Beleid en regelgeving De voormalige gemeente Werkendam heeft met de het Brandweercluster Land van Heusden en Altena afgesproken om het toetsingskader dat het cluster hanteert in het bestemmingsplan op te nemen. 1. Bereikbaarheid brandweer via de openbare weg Regelgeving: Bouwbesluit 2012 en Handboek Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid (NVBR) Een door de brandweer te gebruiken toegang van de gebouwen moet tot op een afstand van maximaal 40 meter te benaderen zijn met brandweervoertuigen. Een opstelplaats voor een blusvoertuig moet een minimale breedte hebben van 4 meter en een minimale lengte van 10 meter. De rijloper naar een opstelplaats of een bluswatervoorziening moet: a. een vrije breedte hebben van ten minste 4,5 meter en over een breedte van ten minste 3,25 meter zijn verhard, en over een breedte van ten minste 4,5 meter een vrije hoogte hebben van ten minste 4,2 meter; b. zijn verhard op een wijze die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kg en een asbelasting van ten minste 100 kN; en

Gemeente Altena Bestemmingsplan Kern Sleeuwijk: Eikenlaan 9-11 mRO b.v. / TOE / 99.438-15 / februari 2021

43

NL.IMRO.1959.SleBP051Eiknln911-VG01 Vastgesteld d.d.

c. op doeltreffende wijze kunnen afwateren. d. alleen bochten hebben met een straal c.q. een draaicirkel of rijcurve die afgestemd is op vrachtauto’s. 2. Bluswatervoorziening Regelgeving: Bouwbesluit 2012 en Handboek Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid (NVBR) Primaire bluswatervoorziening Op een afstand van maximaal 40 meter van een door de brandweer te gebruiken toegang van een gebouw moet een ondergrondse brandkraan aanwezig zijn. De capaciteit van de brandkraan dient minimaal 60m3 per uur te bedragen bij gelijktijdig gebruik van twee brandkranen. Secundaire bluswatervoorziening Binnen een straal van 225 meter en binnen een afstand van 320 meter over de weg dient een secundaire bluswatervoorziening aanwezig te zijn in de vorm van een geboorde put, een brandput, een voor de brandweer te bereiken open water of een reservoir. De capaciteit van de secundaire bluswatervoorziening dient ten minste 90 m3 per uur te bedragen. Deze capaciteit moet gedurende ten minste 5 uur kunnen worden geleverd. 3. Brandweerzorgnorm Regelgeving: Wet op de Veiligheidsregio’s (Dekkings- en spreidingsplan 20152019 Brandweer Midden- en West-Brabant). Voor (nieuwe) ruimtelijke ontwikkelingen wordt gekeken naar de opkomsttijd van de eerste basisbrandweereenheid. In de genoemde regelgeving worden de wettelijk vastgestelde opkomsttijden per gebouwsoort aangegeven.

Indien hier niet aan voldaan kan worden, dan worden door de brandweer aanvullende maatregelen geadviseerd om een gelijkwaardige veiligheid te behalen. Door de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant is een toolbox ontwikkeld die door gemeenten gebruikt kan worden om tot een acceptabel niveau van gelijkwaardige veiligheid te komen. Ten aanzien van de maatregelen valt te denken aan de toepassing van een sprinklerinstallatie. Brandveiligheid in relatie tot het plangebied Het bestemmingsplan is voor advies voorgelegd aan de Brandweer Midden en West Brabant. Dit advies is verwerkt in de onderstaande paragraaf. 1. Bereikbaarheid brandweer via de openbare weg De Brandweer heeft de mogelijkheid om het nieuwe gebouw met zorgwoningen binnen een afstand van 40 meter vanaf de openbare weg te benaderen, dit geldt zowel vanaf de oostzijde (Eikenlaan) alsook vanaf de zuidzijde (ontsluitingsweg naar volkstuinen in verlengde van Egelantierpad). Bovendien is op deze wegen voldoende ruimte voor een opstelplaats voor een blusvoertuig, aangezien de breedte van de wegen meer dan 4 meter bedraagt en de lengte meer dan 10 meter. De brandweer heeft in zijn advies bevestigd dat de bereikbaarheid akkoord is, omdat de opstelplaats voor een brandweervoertuig op maximaal 40 meter van een door de brandweer te gebruiken toegang tot het gebouw is gelegen.

Gemeente Altena Bestemmingsplan Kern Sleeuwijk: Eikenlaan 9-11 mRO b.v. / TOE / 99.438-15 / februari 2021

44

NL.IMRO.1959.SleBP051Eiknln911-VG01 Vastgesteld d.d.

2. Bluswatervoorziening De brandweer concludeert in zijn advies dat de bluswatervoorziening toereikend is. Er is een primaire bluswatervoorziening aanwezig in de vorm van een ondergrondse brandkraan nabij Eikenlaan 6a. Tevens is er een secundaire bluswatervoorziening aanwezig in de vorm van open water langs de Eikenlaan (ten noorden van het plangebied). 3. Brandweerzorgnorm In het Dekkings- en Spreidingsplan 2015-2019 zijn de opkomsttijden voor de brandweer vastgesteld. Voor een woonfunctie voor zorg, zoals gepland is in het plangebied, geldt een maximale opkomsttijd van 8 minuten. In dit kader is van belang dat het voorliggende bouwplan op dezelfde locatie wordt gebouwd als de bestaande groepswoning, eveneens een woonfunctie voor zorg. Vanuit dat oogpunt treden er dan ook geen wijzigingen op. Zoals onder 1 al is genoemd, heeft de brandweer in zijn advies aangegeven dat de bereikbaarheid akkoord is.

5.7

Ecologie

Beleid en regelgeving Bij het opstellen van ruimtelijke plannen is het noodzakelijk te onderzoeken of en zo ja, in hoeverre de plannen ten koste gaan van de (aanwezige) flora en fauna. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in de ‘gebiedsbescherming’ en de ‘soortenbescherming’. Gebiedsbescherming Wet Natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998. De Wnb richt zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden). Activiteiten en ontwikkelingen die kunnen leiden tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden zijn in beginsel niet toegestaan, tenzij hiervoor een vergunning op grond van de Wnb is verkregen. Natuurnetwerk Brabant Naast de bescherming van de Wet Natuurbescherming kunnen waardevolle gebieden ook beleidsmatig beschermd zijn doordat zij behoren tot het Natuurnetwerk Brabant (NNB, voorheen Ecologische Hoofdstructuur). Het NNB is een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden. Zij bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Uitgangspunt van het beleid is dat plannen, handelingen en projecten in het NNB niet toegestaan zijn indien zij de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB significant aantasten.

De provincie Noord-Brabant is verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNB en heeft dit in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vastgelegd. Soortenbescherming De soortenbescherming is eveneens geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). Op dit punt vervangt de Wnb per 1 januari 2017 de Flora- en

Gemeente Altena Bestemmingsplan Kern Sleeuwijk: Eikenlaan 9-11 mRO b.v. / TOE / 99.438-15 / februari 2021

45

NL.IMRO.1959.SleBP051Eiknln911-VG01 Vastgesteld d.d.

faunawet. Het doel van de Wnb is het in stand houden en beschermen van in het wild voorkomende planten- en diersoorten. De Wnb kent zowel een zorgplicht als verbodsbepalingen. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het ‘nee, tenzij’-principe. Alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten zijn in principe verboden, maar er kunnen vrijstellingen en ontheffingen (door het bevoegd gezag) worden verleend van de verbodsbepalingen. De Wnb kent een apart beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten (alle vogels), Habitatrichtlijnsoorten en nationaal beschermde soorten. Voor Vogelen Habitatrichtlijnsoorten geldt een strikte bescherming. Voor de nationaal beschermde soorten hebben provincies de bevoegdheid om in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden een vrijstelling te verlenen van de verbodsbepalingen. Dit moet worden geregeld in een provinciale verordening. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden nagegaan, c.q. onderbouwd worden, of zich in het betreffende gebied beschermde soorten bevinden. Ecologie in relatie tot het plangebied Ecologisch adviesbureau EcoTierra5 heeft een quickscan flora en fauna uitgevoerd voor het plangebied. De rapportage is opgenomen als bijlage bij de toelichting.

Uit de quickscan komen de volgende resultaten naar voren. Gebiedsbescherming Wet natuurbescherming Het plangebied is niet gelegen in of nabij een Natura 2000-gebied. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn de gebieden ‘Loevestein, Pompveld en Kornsche Boezem’ en ‘Biesbosch’. Deze liggen op respectievelijk circa 4 kilometer en 4,5 kilometer afstand van het plangebied. Als gevolg van het plan zal derhalve geen rechtstreekse aantasting (veroorzaakt door bijvoorbeeld licht, trillingen, geluid of menselijke aanwezigheid) of indirecte aantasting door bijvoorbeeld verdroging plaatsvinden op soorten die voor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen.  Stikstofdepositie In de quickscan van EcoTierra is niet ingegaan op het aspect stikstofdepositie. Door Peutz6 is daarom een separaat stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd. De rapportage met de uitgangspunten en resultaten van het onderzoek is opgenomen als bijlage bij de toelichting. Uit het onderzoek blijkt dat zowel vanwege de aanlegfase als vanwege de gebruiksfase van de 26 zorgwoningen in het plangebied sprake is van een stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jaar ter plaatse van stikstofgevoelige habitats in de meest nabijgelegen en relevante Natura 2000-gebieden ‘Biesbosch’ en ‘Loevestein, Pompveld en Kornsche Boezem’.

Aangezien zowel in de aanlegfase als in de gebruiksfase van het project de stikstofdepositie 0,00 mol/ha/jaar bedraagt, heeft het project geen 5

EcoTierra-ecologisch adviesbureau, ‘Eikenlaan 11 en omgeving te Sleeuwijk – Quickscan flora en fauna in het kader van de Wet natuurbescherming’, 7 oktober 2019 6 Peutz, ‘Zorgwoningen Eikenlaan 11 te Sleeuwijk – Onderzoek stikstofdepositie’, 11 december 2020

Gemeente Altena Bestemmingsplan Kern Sleeuwijk: Eikenlaan 9-11 mRO b.v. / TOE / 99.438-15 / februari 2021

46

NL.IMRO.1959.SleBP051Eiknln911-VG01 Vastgesteld d.d.

negatief effect als gevolg van stikstofdepositie op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden. Er is ook geen sprake van een vergunningplicht in het kader van de Wet natuurbescherming ten aanzien van het aspect stikstofdepositie. Natuurnetwerk Brabant Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Brabant (NNB). In de provincie Noord-Brabant is externe werking van het NNB van toepassing. Het plangebied maakt geen deel uit van het NNB, waardoor ruimtebeslag op voorhand is uitgesloten. Gelet op de afstand (circa 800 meter) tot het NNB en de barrièrewerking van tussengelegen gebouwen, agrarische percelen en infrastructuur, zijn effecten vanuit de externe werking niet aan de orde. Derhalve wordt een nadere procedure in de vorm van een ‘nee, tenzij-toets’ niet noodzakelijk geacht. Soortenbescherming Flora Er zijn binnen het plangebied geen beschermde wilde soorten aangetroffen. Vogels Er zijn geen jaarrond beschermde nesten aanwezig. Het plangebied betreft geen significant foerageergebied. Er dient rekening te worden gehouden met broedende vogels binnen en nabij het plangebied. De geplande werkzaamheden mogen geen broedgevallen significant verstoren. Grondgebonden zoogdieren Vaste verblijfplaatsen of exemplaren van Habitatrichtlijnsoorten of van nietvrijgestelde nationaal beschermde soorten zijn niet aangetroffen.

Door de provincie vrijgestelde soorten kunnen voorkomen. Vleermuizen Er zijn geen concrete verblijf- en/of voortplantingsplaatsen vastgesteld binnen het plangebied, maar dergelijke plekken zijn bij de bestaande groepswoning op basis van het veldbezoek ook niet uit te sluiten. Mogelijk gaan vaste verblijfplaatsen door de sloop van de groepswoning verloren. Het plangebied betreft geen essentieel foerageergebied en er zullen door de ingreep geen essentiële vliegroutes verloren gaan. Amfibieën, reptielen en vissen Vaste verblijfplaatsen of exemplaren van Habitatrichtlijnsoorten of van nietvrijgestelde nationaal beschermde soorten zijn niet aangetroffen. Tijdens nadere onderzoek naar de rugstreeppad zijn in de sloten en binnen het plangebied geen rugstreeppadden waargenomen. Door de provincie vrijgestelde soorten kunnen voorkomen.

Gemeente Altena Bestemmingsplan Kern Sleeuwijk: Eikenlaan 9-11 mRO b.v. / TOE / 99.438-15 / februari 2021

47

NL.IMRO.1959.SleBP051Eiknln911-VG01 Vastgesteld d.d.

Ongewervelden/ overige soorten Vaste verblijfplaatsen of exemplaren van Habitatrichtlijnsoorten of van nationaal beschermde soorten zijn niet aangetroffen. Procedurele gevolgen Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan worden geconcludeerd dat procedurele gevolgen niet uit te sluiten zijn.  Er dient een nader onderzoek naar vleermuizen plaats te vinden bij de bestaande groepswoning;  Mogelijk dient er een ontheffing in het kader van de Wnb (soorten) voor vleermuizen aangevraagd te worden en/of dienen mitigerende maatregelen genomen te worden;  Voor algemeen voorkomende soorten geldt een algemene vrijstelling als het ruimtelijke ingrepen betreft;  De zorgplicht is altijd van toepassing. Nader onderzoek vleermuizen Ecologisch adviesbureau EcoTierra7 heeft een nader onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd. De rapportage is opgenomen als bijlage bij de toelichting. Uit het onderzoek blijkt dat er geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen van vleermuizen zijn aangetroffen. Het plangebied wordt beperkt gebruikt om te foerageren. Het plangebied betreft geen significant foerageergebied. In de directe omgeving is zeer veel foerageergebied aanwezig. Tevens zijn er geen vaste vliegroutes vastgesteld. Er zijn geen essentiële vliegroutes aanwezig binnen het plangebied. De voorgenomen ingrepen zullen derhalve geen negatief effect hebben op vleermuizen.

Er hoeft geen ontheffing Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. Op basis van het nadere onderzoek kan worden geconcludeerd dat er geen procedurele gevolgen zijn.  Voor vleermuizen wordt een ontheffing Wet natuurbescherming niet noodzakelijk geacht omdat er geen overtreding van de verbodsbepalingen te verwachten is;  De zorgplicht is altijd van toepassing;  Het verdient sterk de voorkeur om bij de nieuwbouw voorzieningen voor vleermuizen in te bouwen (advies). Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan. Wel dient de zorgplicht in acht te worden genomen.

5.8

Archeologie

Beleid en regelgeving Als gevolg van het Verdrag van Malta (Valetta) zijn overheden verplicht om in het ruimtelijke beleid zorgvuldig om te gaan met het archeologische erfgoed. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient,

7

EcoTierra-ecologisch adviesbureau, ‘Eikenlaan 11 te Sleeuwijk – Nader onderzoek naar vleermuizen’, 17 september 2020

Gemeente Altena Bestemmingsplan Kern Sleeuwijk: Eikenlaan 9-11 mRO b.v. / TOE / 99.438-15 / februari 2021

48

NL.IMRO.1959.SleBP051Eiknln911-VG01 Vastgesteld d.d.

voordat er bodemingrepen plaatsvinden, een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd. De zorgplicht voor het archeologisch erfgoed is vastgelegd in de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz), die is geïmplementeerd in de Monumentenwet 1988. De wet regelt: • Bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem; • Inpassen van archeologisch erfgoed in de ruimtelijke ordening; • Financiering onderzoek: de veroorzaker betaalt. Hiervoor is het van belang dat er een archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd en dat de uitkomsten hiervan door het bevoegde gezag worden meegenomen in de belangenafweging. Op 1 juli 2016 is de nieuwe Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet vervangt onder meer de Monumentenwet 1988 en Wamz. In artikel 9.1 van de Erfgoedwet is echter bepaald dat tot het tijdstip waarop de nieuwe Omgevingswet in werking is getreden de bepalingen uit de Monumentenwet 1988 met betrekking tot archeologie van toepassing blijven. De Omgevingswet zal niet eerder dan 2022 in werking treden. Gemeentelijk beleid De Wamz heeft ertoe geleid dat de gemeente Altena ‘eigen’ archeologiebeleid heeft opgesteld. Dit beleid bestaat uit de “Update archeologiekaart Land van Heusden en Altena. Verantwoording methodiek en kaartbeeld” (RAAP-notitie 6322, 17 april 2018) en de “Erfgoedverordening Altena 2019” zoals die op 14 januari 2019 is vastgesteld.

Op de archeologische beleidskaart is aangegeven waar binnen de gemeente (bekende) archeologische waarden aanwezig zijn en waar welke archeologische verwachtingen gelden vanaf welke diepte. In de bijbehorende legenda zijn de verschillende verwachtingszones en plaatsen met een archeologische waarde weergegeven, alsmede de verwachte diepteligging daarvan. Deze zones zijn beleidsmatig gecategoriseerd; aan elke waarde of verwachtingswaarde is een diepte- en oppervlakte ondergrens gekoppeld. De ondergrenzen geven aan vanaf welke omvang én diepte (altijd in combinatie) van een ruimtelijk plan er archeologisch onderzoek plaats moet vinden. Op basis van een archeologisch onderzoek dat door de gemeente is goedgekeurd kan een omgevingsvergunning worden verleend. Archeologie in relatie tot het plangebied In de bijgaande figuur is een uitsnede van de archeologische beleidskaart opgenomen ter hoogte van het plangebied. Hieruit blijkt dat de gronden in het plangebied een middelhoge archeologische verwachting hebben met een diepteligging van 3 – 5 m –mv. Hiervoor geldt een oppervlakte ondergrens van 500 m² en een diepte ondergrens van 3 meter voor het doen van archeologisch onderzoek.

Gemeente Altena Bestemmingsplan Kern Sleeuwijk: Eikenlaan 9-11 mRO b.v. / TOE / 99.438-15 / februari 2021

49

NL.IMRO.1959.SleBP051Eiknln911-VG01 Vastgesteld d.d.

Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Altena met aanduiding plangebied (rood omlijnd)

Voor de realisatie van de nieuwe zorgwoningen vinden naar verwachting geen bodemingrepen over een grotere oppervlakte dan 500 m² plaats die dieper gaan dan 3 meter. Derhalve is voor de bouw van de zorgwoningen geen archeologisch onderzoek vereist. Om de archeologische resten te beschermen tegen eventuele bodemingrepen die dieper gaan dan 3 meter en groter zijn dan 500 m², is aan het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie-5’ toegekend. Conform het archeologiebeleid waarborgt de bestemming ‘Waarde-Archeologie-5’ dat bodemingrepen groter dan 500 m² en dieper dan 3 m –mv niet kunnen plaatsvinden zonder nader archeologisch onderzoek. Conclusie Er zijn geen belemmeringen voor het plan vanuit het aspect archeologie.

5.9

Cultuurhistorie

Beleid en regelgeving Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. De aandacht voor cultuurhistorie is ook wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Op grond van artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a van het Bro dienen cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk te worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Dit betekent dat gemeenten een analyse moeten verrichten van de cultuurhistorische waarden in een bestemmingsplangebied

Gemeente Altena Bestemmingsplan Kern Sleeuwijk: Eikenlaan 9-11 mRO b.v. / TOE / 99.438-15 / februari 2021

50

NL.IMRO.1959.SleBP051Eiknln911-VG01 Vastgesteld d.d.

en moeten aangeven welke conclusies ze daar aan verbinden en op welke wijze ze deze waarden borgen in het bestemmingsplan. De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet. Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van het erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet die naar verwachting in 2021 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9835632/1