Gewijzigde toelichting - versie aug 2024
Tekst van het document
Figuur 12 – Impressie openbare daktuin parkeergarage ‘De Tuin van Morgen’ (bron: Team Stebru)
De groeninrichting moet niet alleen bijdragen aan een groen beeld, maar het is de ambitie om ook de ecologie in Sleeuwijk te ondersteunen en liefst een nieuwe impuls te geven. Daarom bestaat het idee om vakken zoveel mogelijk in te planten met inheemse soorten om insecten en vlinders te trekken. De mogelijke verticale groene gevels, heggen en het lage groen bieden aantrekkelijke plekken voor vogels. Om hun verblijf te bevorderen, kunnen wellicht ook nestkasten worden geplaatst, onder meer in de gevels. Hier kunnen dan ook vleermuizen gebruik van maken. De verharding in het park blijft beperkt tot de plekken waar dat nodig is. De totale oppervlakte aan verharding binnen het plangebied (dus gezamenlijke oppervlakte aan gebouwen, in- en uitritten, parkeervoorzieningen, ontsluitingspaden, etc.) mag
Gemeente Altena Bestemmingsplan Kern Sleeuwijk: Tienhont mRO b.v. / TOE / 84.43 – v8 / augustus 2024
27
NL.IMRO.1959.SleBP127KSTienhont-VG01
niet meer mag bedragen dan 4.150 m2. Dit aantal vierkante meters komt overeen met de afspraken die met het waterschap Rivierenland zijn gemaakt 3. Zie hiervoor ook paragraaf 5.5 van de plantoelichting. Ontsluiting en parkeren De nieuwe voetgangers- en fietspaden in het park worden verbonden met het bestaande netwerk van Sleeuwijkse loop- en fietsroutes. De auto is een bezoeker in ‘De Tuin van Morgen’, de voetganger en fietser hebben hier voorrang. Voor het parkeren van de bewoners wordt een verdiepte parkeergarage aangelegd. Het parkeren voor bezoekers vindt plaats op het maaiveld. Ook bestaat het idee om een aantal deelauto’s beschikbaar te stellen. Deze auto’s staan dan ook buiten of in de parkeergarage dicht bij de entrees van de gebouwen, zodat ze makkelijk en snel te bereiken zijn. De ontsluiting van de parkeergarage zal aan de Tienhont worden gerealiseerd. Het is de bedoeling dat er 38 parkeerplaatsen in de parkeergarage worden gerealiseerd. Daarnaast zullen er 11 extra parkeerplaatsen komen langs de Tienhont. De huidige aanwezige parkeerplaatsen (17) worden daar uitgebreid. Verder wordt één van de parkeerkoffers aan de Vijfmorgen verwijderd en worden deze parkeerplaatsen als insteekparkeerplaatsen teruggebracht tussen de bomen. Daarbij wordt uitgegaan van 16 parkeerplaatsen, 5 extra ten opzichte van de huidige situatie.
In totaal worden daarmee 54 extra parkeerplaatsen binnen het plangebied gerealiseerd (zie hiervoor ook figuur 13). Voldoende parkeerplaatsen voor deze planontwikkeling. Zie voor een nadere toelichting paragraaf 5.13.2.
3
In de afspraken met het waterschap wordt weliswaar gesproken over maximaal 3.700 m2, verharding, maar daarbij is uitgegaan van het oude plangebied van de Morgenster, zónder de bestaande parkeerplaats in het noordwesten. Nu deze parkeerplaats (ca. 450 m 2 verharding) mee wordt genomen in de planvorming en daarmee het plangebied feitelijk wordt vergroot, komt de berekening voor de totale oppervlakte aan verharding binnen het plangebied uit op 4.150 m2. De maximale toename aan verharding wijzigt niet, deze blijft 3.700 m2.
Gemeente Altena Bestemmingsplan Kern Sleeuwijk: Tienhont mRO b.v. / TOE / 84.43 – v8 / augustus 2024
28
NL.IMRO.1959.SleBP127KSTienhont-VG01
Figuur 13 – Inrichtingsschets buitenruimte ‘De Tuin van Morgen’, inclusief (aantal) parkeerplaatsen (bron: Lindeloop Tuin- en landschapsarchitecten)
Duurzaamheid Gestreefd wordt naar de inzet van zoveel mogelijk circulaire bouwmaterialen. Daarbij wordt gedacht aan een betonnen basis, met houten wanden en vloer en met een houtskeletbouw-gevel. De gebouwen worden gasloos verwarmd. Daarvoor wordt voorzien in een all-electric oplossing met zonnepanelen en een warmtepompsysteem. Klimaatverandering veroorzaakt grotere droogte, meer hitte en zwaardere buien. In de ‘Tuin van Morgen’ wordt hier rekening mee gehouden door klimaatadaptief te bouwen. De gebouwen krijgen een groen waterretentiedak. Hiermee kan water worden gebufferd. Het water kan bij droogte worden gebruikt om de groene buitenruimte te irrigeren. Het verharde oppervlak wordt zoveel mogelijk beperkt, waardoor er zoveel mogelijk groen kan worden ingericht. Dit is niet alleen goed voor de waterhuishouding, maar ook om hittestress tegen te gaan. Bomen in het park geven verkoeling en fungeren als groene ‘coolspots’. Daarom
Gemeente Altena Bestemmingsplan Kern Sleeuwijk: Tienhont mRO b.v. / TOE / 84.43 – v8 / augustus 2024
29
NL.IMRO.1959.SleBP127KSTienhont-VG01
blijven bestaande bomen zoveel mogelijk behouden en worden direct grote bomen in het park geplant. 4.3
PLANOLOGISCHE VERTALING
De woningbouwontwikkeling op het terrein van de voormalige school De Morgenster wordt middels de bestemming ‘Woongebied’ planologisch-juridisch mogelijk gemaakt. Op basis van deze bestemming kan de inrichtingsschets van ‘De Tuin van Morgen’ worden gerealiseerd. Het betreft een zogenaamde globale eindbestemming waarbinnen diverse functies (zoals wonen, erven/tuinen, groen, verkeer) zijn toegestaan. Op grond van deze globale eindbestemming kunnen rechtstreeks omgevingsvergunningen voor bouwen worden verleend. Het bestemmingsplan zelf hoeft op deze functies niet verder te worden uitgewerkt. Om de groene inpassing van het nieuwe woongebied te borgen is de buitenrand van het plangebied als ‘Groen’ bestemd. Hiermee wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de geldende bestemming. Gronden met de bestemming ‘Groen’ zijn onder meer bestemd voor groenvoorzieningen, zoals plantsoenen, bermen en overige beplantingen. Ook zijn in- en uitritten naar het aangrenzende woongebied toegestaan. De realisatie van de nieuwe woongebouwen dient binnen het aangeduide bouwvlak binnen de bestemming ‘Woongebied’ plaats te vinden. In het voorliggende plan is het bouwvlak gelijk aan het gehele bestemmingsvlak ‘Woongebied’. In de bouwregels is expliciet aangegeven dat uitsluitend gestapelde woningen in de vorm van appartementen zijn toegestaan.
Bovendien is het maximum aantal van 60 woningen (wooneenheden) vastgelegd, alsook een maximum bebouwingspercentage van 42%. Dit bebouwingspercentage is van toepassing op het op de verbeelding aangegeven bouwvlak (met een omvang van circa 7.680 m2). Dit betekent dat de grondoppervlakte van alle nieuwe gebouwen tezamen in totaal maximaal ca. 3.220 m2 mag bedragen. Hiermee kan maximaal 30% van het totale plangebied (met een omvang van circa 10.680 m2) worden bebouwd. Daarbij is van belang dat de verdiepte parkeergarage ook meetelt bij de bepaling van het bebouwingspercentage. Ook is de maximum toegestane bouwhoogte van de gebouwen vastgelegd. Aan de buitenzijde en grenzend aan de woonstraten Vijfmorgen en Tienhont is dat maximaal 11 meter. Grenzend aan het groene parklandschap is de maximale bouwhoogte gesteld op 17,5 meter. Hiermee wordt rechtszekerheid geboden naar omwonenden en de toekomstige bewoners. Tegelijkertijd is in de bouw- en gebruiksregels aangegeven dat de totale oppervlakte aan verharding binnen het plangebied niet meer mag bedragen dan 4.150 m2. Dit betreft de gezamenlijke oppervlakte aan gebouwen, (verdiepte) parkeervoorzieningen, in- en uitritten, ontsluitingspaden, etc. binnen de bestemmingen ‘Woongebied’ én ‘Groen’. In bijgaande figuur is een uitsnede van de verbeelding behorend bij het nieuwe bestemmingsplan opgenomen.
Gemeente Altena Bestemmingsplan Kern Sleeuwijk: Tienhont mRO b.v. / TOE / 84.43 – v8 / augustus 2024
30
NL.IMRO.1959.SleBP127KSTienhont-VG01
Figuur 14 – Uitsnede verbeelding nieuw bestemmingsplan ‘Kern Sleeuwijk: Tienhont’
Gemeente Altena Bestemmingsplan Kern Sleeuwijk: Tienhont mRO b.v. / TOE / 84.43 – v8 / augustus 2024
31
NL.IMRO.1959.SleBP127KSTienhont-VG01
5
MILIEU – EN OMGEVINGSASPECTEN
5.1
INLEIDING
In dit hoofdstuk wordt een aantal milieu- en omgevingsaspecten toegelicht die bij een ruimtelijk plan, zoals een bestemmingsplan, in beschouwing moeten worden genomen. Na een algemene beschrijving, gebaseerd op beleid en regelgeving, wordt voor elk onderdeel ingegaan op de relatie met het plangebied. 5.2
GELUID
5.2.1 Beleid en regelgeving Voor het aspect geluid is binnen het plangebied de Wet geluidhinder (Wgh) van toepassing. De Wgh kent voor weg- en railverkeer alsmede voor gezoneerde industrieterreinen voorkeursgrenswaarden op nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen, zoals bijvoorbeeld woningen. De Wgh gaat uit van zones langs (spoor)wegen en zones bij industrieterreinen. Het gebied binnen deze zone geldt als akoestisch aandachtsgebied waar, voor bestemmingsplannen die voorzien in nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen, een akoestische toetsing uitgevoerd dient te worden. In het kader van dit bestemmingsplan is alleen wegverkeerslawaai van belang. Er liggen in het bestemmingsplan of in de directe omgeving geen spoorlijnen of gezoneerde bedrijventerreinen. Wegverkeerslawaai In de Wgh is bepaald dat elke weg van rechtswege een geluidszone heeft (art. 74 lid 1). Een uitzondering hierop zijn wegen die zijn gelegen in een 30 km/uur-zone of in een woonerf. De breedte van de geluidszones is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van een weg. Zie de onderstaande tabel 2. Aantal rijstroken
Zonebreedte
Stedelijk gebied
Buitenstedelijk gebied
1 of 2
-
200 meter
3 of meer
-
350 meter
-
1 of 2
250 meter
-
3 of 4
400 meter
-
5 of meer
600 meter
Tabel 2 - Breedte van geluidszones langs wegen
Grenswaarden Geluidsgevoelige objecten die worden gerealiseerd binnen de geluidszones dienen te worden getoetst aan grenswaarden van de geluidsbelasting die zijn aangegeven in de Wgh. Hierbij geldt een voorkeursgrenswaarde voor nieuwe situaties. Deze bedraagt in vrijwel alle gevallen 48 dB. Indien deze waarde wordt overschreden, kan het college van burgemeester en wethouders ontheffing verlenen voor een hogere waarde. De maximale ontheffingswaarde is afhankelijk van het soort geluidsgevoelig object en de geluidsbron. Bij de ontheffing dient het college te motiveren waarom bron- en overdrachtsmaatregelen niet mogelijk zijn en waarom het plan gewenst is. Ook dient het in de Wgh vastgelegd binnenniveau
Gemeente Altena Bestemmingsplan Kern Sleeuwijk: Tienhont mRO b.v. / TOE / 84.43 – v8 / augustus 2024
32
NL.IMRO.1959.SleBP127KSTienhont-VG01
gewaarborgd te worden. Geluidsniveaus bij nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen die hoger zijn dan de wettelijke maximale ontheffingswaarden zijn niet toegestaan. 5.2.2 Geluid in relatie tot het plangebied Het bestemmingsplan maakt de bouw van nieuwe woningen mogelijk. Woningen worden op grond van de Wgh aangemerkt als geluidgevoelige bestemming. Het plangebied is niet gelegen in de zone van een gezoneerde weg op basis van de Wgh. Alle wegen in de omgeving van het plangebied hebben namelijk een maximumsnelheid van 30 km/uur en derhalve conform de Wgh geen geluidszone. De Wgh is derhalve niet van toepassing op deze wegen. Echter, in het kader van een goede ruimtelijke ordening dient de geluidsbelasting van dergelijke wegen wel inzichtelijk te worden gemaakt, om te bezien of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Door adviesbureau Alcedo is in dit kader een akoestisch onderzoek4 uitgevoerd naar de geluidbelasting van wegverkeer op het nieuwe woongebied. De rapportage met de onderzoeksresultaten is opgenomen als bijlage 1 bij de toelichting. De belangrijkste resultaten en conclusies worden hierna weergegeven. Resultaten akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Er is een rekenmodel opgetuigd waarbij de geluidsbelasting is berekend op de rand van het plangebied.
Daarbij zijn toetspunten ingevoerd op zes verschillende hoogten (de zogenaamde beoordelingshoogte op 1,5 / 4,5 / 7,5 / 10,5 / 13,5 / 15,5 meter), overeenkomstig de mogelijke (bouw)lagen die in voorliggend bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Uit de rekenresultaten is gebleken dat voor elke weg afzonderlijk aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor geluidsgezoneerde wegen wordt voldaan. En zoals uit figuur 15 blijkt, wordt ook van alle wegen samen over vrijwel het gehele plangebied aan de voorkeursgrenswaarde voldaan5. In de voorliggende situatie is geen sprake van geluidsbelastingen hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Onderzoek naar maatregelen en het vaststellen van hogere waarden is niet aan de orde. Geconcludeerd wordt dat wegverkeerslawaai geen belemmering vormt voor de realisatie van het plan.
4
Alcedo B.V., Morgenster Sleeuwijk Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, (nr. 2209242.R01.V01), 29 november 2023 5 In het akoestisch onderzoek zijn de beoordelingspunten op de rand van het plangebied geprojecteerd. Deze beoordeling kan als worstcasescenario aangehouden worden, aangezien de bestemming ‘Woongebied’ in het voorliggende bestemmingsplan kleiner is en de buitenste randen de bestemming ‘Groen’ hebben. Binnen de bestemming ‘Woongebied’ wordt overal (aan alle zijden en op alle beoordelingshoogten) aan de voorkeursgrenswaarde voldaan. In figuur 15 is de bestemmingsgrens ‘Woongebied’ ook expliciet aangegeven
Gemeente Altena Bestemmingsplan Kern Sleeuwijk: Tienhont mRO b.v. / TOE / 84.43 – v8 / augustus 2024
33
NL.IMRO.1959.SleBP127KSTienhont-VG01
Figuur 15 – Geluidsbelasting vanwege alle omliggende wegen samen, op de verschillende beoordelingshoogten. Met v.l.n.r. op 1,5 / 4,5 / 7,5 / 10,5 / 13,5 / 15,5 m, in relatie tot de bestemming ‘Woongebied’ (in rood aangeduid). Groen: Geluidsbelasting tot en met 48 dB na aftrek art. 110g Wgh. Geel: Geluidsbelasting van 48 tot en met 63 dB na aftrek art. 110g Wgh: De voorkeursgrenswaarde van 48 na aftrek art. 110g Wgh wordt overschreden, maar er wordt voldaan aan de ten hoogste toelaatbare waarde van 63 dB na aftrek. Realisatie van nieuwe woningen is mogelijk met ontheffing. (bron: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, bewerkt mRO)
5.2.3 Conclusie Er zijn vanuit akoestisch oogpunt geen bezwaren voor de realisatie van nieuwe woningen binnen het plangebied van voorliggend bestemmingsplan. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. 5.3
BODEM
5.3.1 Beleid en regelgeving In het kader van een ruimtelijk plan moet aangetoond worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Middels dit onderzoek (conform NEN 5740) kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen.
Gemeente Altena Bestemmingsplan Kern Sleeuwijk: Tienhont mRO b.v. / TOE / 84.43 – v8 / augustus 2024
34
NL.IMRO.1959.SleBP127KSTienhont-VG01
Als blijkt dat de bodem niet geschikt is, dan zal voor aanvang van de werkzaamheden een sanering moeten worden uitgevoerd. 5.3.2 Bodem in relatie tot het plangebied Door adviesbureau ADCIM is ter plaatse van Tienhont 7 te Sleeuwijk (voormalig terrein van de Morgenster) in 2022 een verkennend (asbest)bodemonderzoek uitgevoerd6, conform NEN5740. Het betreft een actualiserend onderzoek van de reeds eerder uitgevoerde onderzoeken uit 2017 (een verkennend bodemonderzoek) en 2019. De rapportage is integraal als bijlage bij deze plantoelichting toegevoegd. De belangrijkste conclusies en aanbevelingen worden hierna weergegeven. Resultaten actualiserend verkennend (asbest)bodemonderzoek Geconstateerd is dat de bovengrond uit kleiig zand met een zwakke bijmenging aan metselpuin bestaat, welke afkomstig is van de recente sloopwerkzaamheden op het terrein. De ongeroerde kleiige en venige ondergrond is gelegen op een diepte van 1 á 2 meter onder het maaiveld. Tussen de bovengrond met bijmenging en de ongeroerde ondergrond is en sterk geroerd profiel zichtbaar veroorzaakt door de uitgevoerde sloopwerkzaamheden. Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond licht is verontreinigd met onder andere nikkel, minerale olie, PCB en/of PAK.
Bij indicatieve toetsing aan het besluit bodemkwaliteit voldoet de grond met bijmenging van metselwerkpuin aan klasse industrie, de overige grond voldoet aan klasse achtergrondwaarde. Daarbij is er zowel visueel als analytisch geen asbest aangetroffen. Verder is het grondwater gelegen op ca. 0,80 meter onder het maaiveld en is licht verontreinigd met onder andere barium, molybdeen, nikkel en zink. De hypothese ‘onverdacht’ is niet geheel bevestigd gezien de aangetroffen lichte verontreinigingen. Oorzaak van deze lichte verontreinigen is de aanwezige bijmenging van metselpuin welke is vrijgekomen bij de sloopwerkzaamheden en/of het gebruik van het terrein als opslagdepot. Als gevolg van de uitgevoerde werkzaamheden is de bodemkwaliteit verslechterd. De bij eerder onderzoek aangetroffen matige bariumverontreiniging is niet meer aangetroffen. De resultaten van het actualiserend onderzoek vormen echter geen aanleiding voor een nader onderzoek met een gewijzigde onderzoekshypothese. Voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en de geplande nieuwbouw op het terrein vormt de bodemkwaliteit geen beperking. 5.3.3 Conclusie Het aspect bodemkwaliteit staat de beoogde planontwikkeling niet in de weg. 5.4
BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING
5.4.1 Beleid en regelgeving Om tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijven op milieuhygiënische aspecten te komen wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. De milieuzonering zorgt voor voldoende afstand tussen milieubelastende activiteiten (zoals 6
ADCIM B.V., Actualiserend verkennend (asbest)bodemonderzoek Tienhont 7 te Sleeuwijk (Morgenster) / nr. 20220307-D-VO-1, 20 september 2022
Gemeente Altena Bestemmingsplan Kern Sleeuwijk: Tienhont mRO b.v. / TOE / 84.43 – v8 / augustus 2024
35
NL.IMRO.1959.SleBP127KSTienhont-VG01
bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) in ruimtelijke plannen. Hiertoe zijn bedrijven voorzien van een zone waar mogelijke nadelige effecten zijn voor woningen. Maatgevend zijn de thema’s geur, geluid, stof en gevaar. Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is het voorkomen van voorzienbare hinder door milieubelastende activiteiten van belang. Daarnaast mogen bedrijven niet worden beperkt in hun mogelijkheden. Om mogelijke hinder van bedrijven voor bewoners te voorkomen wordt de daarvoor algemeen aanvaarde VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) gebruikt. In deze uitgave is de potentiële milieubelasting voor een hele reeks van bedrijven bepaald aan de hand van een aantal milieuaspecten, zoals geur, stof, geluid en gevaar. De milieubelasting is voor die aspecten vertaald in richtlijnen voor aan te houden afstanden tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Deze richtafstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. Bovendien zijn deze afstanden alleen van toepassing op nieuwe situaties en niet op bestaande situaties. Het milieuaspect met de grootste afstand is maatgevend en bepaalt in welke milieucategorie een bedrijfstype wordt ingedeeld. 5.4.2 Milieuzonering in relatie tot het plangebied Het bestemmingsplan maakt de bouw van woningen in het plangebied mogelijk. Wonen betreft een milieugevoelige functie.
In de omgeving zijn verschillende functies gelegen met voornamelijk woningen en diverse maatschappelijke functies. De omgeving wordt ook wel het ‘maatschappelijk hart’ van Sleeuwijk genoemd. Het gebied kan om die reden worden aangemerkt als ‘gemengd gebied’ en daarmee kunnen de richtafstanden volgens de VNG-brochure met één stap worden verkleind. Invloed omgeving op plangebied Relevante inrichtingen in de directe omgeving van het plangebied zijn: a. Hervormde kerk Sleeuwijk (Esdoornlaan 32, Sleeuwijk); b. Ontmoetingskerk Sleeuwijk (Notenlaan 69, Sleeuwijk); c. Basisschool De Morgenster (Esdoornlaan 6, Sleeuwijk); d. Bedrijf (Tienhont 12 Sleeuwijk). Ad a en b: Beide kerken behoren op grond van de richtafstandenlijst uit de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ hoogstens tot categorie 1. In een gemengd gebied geldt daarvoor géén richtafstand meer. Op grond van het geldende bestemmingsplan hebben beide kerken een maatschappelijke bestemming, waarbinnen ook andere maatschappelijke functies (tot maximaal categorie 2) zijn toegestaan. Milieucategorie 2 kent in een gemengd gebied een richtafstand van 10 meter. En omdat de nieuwe woningen die binnen de bestemming ‘Woongebied’ mogelijk worden gemaakt op een grotere afstand liggen, levert dit ook geen probleem op.
Ad c: De basisschool de Morgenster ten zuidwesten van de planlocatie valt onder milieucategorie 2 en kent in een gemengd gebied een richtafstand van 10 meter. De nieuwe woningen die binnen de bestemming ‘Woongebied’ mogelijk worden gemaakt, zijn op grotere afstand van deze inrichting voorzien.
Gemeente Altena Bestemmingsplan Kern Sleeuwijk: Tienhont mRO b.v. / TOE / 84.43 – v8 / augustus 2024
36
NL.IMRO.1959.SleBP127KSTienhont-VG01
Ad d: Het perceel Tienhont 12, gelegen aan de oostzijde van de weg de Tienhont, heeft een bedrijfsbestemming. Op grond van het geldende bestemmingsplan zijn hier bedrijfsactiviteiten tot en met milieucategorie 2 toegestaan. Ook hiervoor is de relevante richtafstand in een gemengd gebied 10 meter. De nieuwe woningen zijn op grotere afstand van deze inrichting voorzien. Derhalve vormen de reeds aanwezige maatschappelijke voorzieningen en bedrijven geen belemmering voor de te bouwen woningen en worden de bestaande ‘bedrijven’ niet in hun bedrijfsvoering beperkt. Invloed plangebied op omgeving In de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ worden woningen niet aangemerkt als een milieubelastende functie. De nieuwe woningen kennen dus geen milieuzonering waarmee rekening gehouden dient te worden. Derhalve zijn er geen belemmeringen voor het bestemmingsplan vanuit het aspect milieuzonering. 5.4.3 Conclusie Er zijn geen belemmeringen voor het plan vanuit het aspect milieuzonering. 5.5
WATER
5.5.1 Waterbeleid De gemeente Altena is niet primair verantwoordelijk voor alle watertaken, maar moet de waterbelangen wel goed beschrijven en afwegen binnen de ruimtelijke ordening. Een van de instrumenten hiervoor is de verplichte watertoets. De watertoets houdt in dat het Waterschap beoordeelt of de waterbelangen voldoende zijn afgewogen. De voor de gemeente en waterschap van belang zijnde wateraspecten zijn hieronder beschreven. Volgens de Wet gemeentelijke watertaken (2008) is de gemeente verantwoordelijk voor het inzamelen en transporteren van stedelijk afvalwater en hemelwater. De gemeente mag vervolgens zelf bepalen op welke wijze het ingezamelde hemelwater wordt verwerkt. Verder heeft de gemeente de zorgplicht voor het in openbaar gemeentelijk gebied treffen van maatregelen, om structurele problemen als gevolg van een voor de gebruiksfunctie nadelige grondwaterstand in openbaar bebouwd gebied zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken, voor zover doelmatig is en niet de verantwoordelijkheid is van het waterschap of de provincie. Het waterschap Rivierenland is verantwoordelijk voor de kwaliteit van het oppervlaktewater en beheer van het waterpeil. Daarnaast is het waterschap verantwoordelijk voor het zuiveren van het afvalwater.
Het is van belang dat de capaciteit van de rioolwaterzuiveringsinstallatie toereikend is voor de toename aan vervuilingseenheden en dat het afvalwater niet te veel verdund wordt met regenwater. Het waterschap is sinds de inwerkingtreding van de Waterwet (eind 2009) ook verantwoordelijk voor het beheer van het grondwater. Het is sinds 2003 verplicht om bij ruimtelijke plannen en besluiten een beschrijving op te nemen van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. De watertoets is een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium afspraken maken over de toepassing en uitvoering van het waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid. Het waterschap is het eerste
Gemeente Altena Bestemmingsplan Kern Sleeuwijk: Tienhont mRO b.v. / TOE / 84.43 – v8 / augustus 2024
37
NL.IMRO.1959.SleBP127KSTienhont-VG01
aanspreekpunt in het watertoetsproces, waarbij het waterschap rekening houdt met het provinciale grondwaterbeleid. Hieronder is een overzicht gegeven van relevante nota’s aangaande de waterhuishouding, uitgesplitst naar de verschillende bestuursniveaus. Allen hebben als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Europa • Kaderrichtlijn water (KRW). Nationaal • Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP); • Waterwet. Provinciaal • Interim Omgevingsverordening (IOV); • Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027 (RWP). Waterschapsbeleid • Waterbeheerprogramma 2022-2027; • Keur Waterschap Rivierenland; • Legger wateren; • Legger waterkeringen. Gemeentelijk • Beleidsvisie riolering en water gemeente Altena (2017). 5.5.2 Water in relatie tot het plangebied Huidig watersysteem Bestaande verharding Het plangebied aan de Tienhont in Sleeuwijk heeft een oppervlakte van circa 10.680 m2 (ruim 1 hectare). De bebouwing van het voormalige schoolgebouw is gesloopt en alle verharding is verwijderd. Riolering en maaiveldhoogte In de directe omgeving is zowel een gemengd rioleringssysteem, alsook een schoonwaterriool (als onderdeel van een gescheiden systeem) aanwezig. Het maaiveld in het plangebied is nagenoeg vlak en ligt op ca. 0,20 tot 0,30 m NAP7.
Bodem en grondwater Blijkens het uitgevoerde bodemonderzoek (zie paragraaf 5.3) bestaat de bodemopbouw in de bovengrond (vanaf het maaiveld tot aan ca. 1 meter onder het maaiveld uit kleiig zand. In de ondergrond, vanaf een diepte van 1 á 2 meter onder het maaiveld tot aan de maximaal verkende boordiepte (3,0 m-mv) is vooral klei en veen aanwezig. De grondwatertrap in het plangebied is niet bepaald plangebied omdat de betreffende locatie niet wordt afgedekt door de bodemkaart van Nederland. In het uitgevoerde bodemonderzoek (met een veldonderzoek eind augustus) is geconstateerd dat het grondwater zich op 80 cm onder het maaiveld bevindt. 7
Bron: Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3)
Gemeente Altena Bestemmingsplan Kern Sleeuwijk: Tienhont mRO b.v. / TOE / 84.43 – v8 / augustus 2024
38
NL.IMRO.1959.SleBP127KSTienhont-VG01
Het plangebied is niet gelegen in een waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. Oppervlaktewater In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Waterkeringen en kunstwerken Er zijn geen waterkeringen of kunstwerken ten behoeve van de waterhuishouding (zoals gemalen, stuwen of sluizen) in het plangebied gelegen. Toekomstig watersysteem Waterberging en verharding De voormalige schoollocatie aan de Tienhont in Sleeuwijk wordt ontwikkeld voor woningbouw. Binnen het totale plangebied van dit bestemmingsplan (circa 10.680 m2 groot) mag in lijn met de eerder gemaakte afspraken met het waterschap Rivierenland in totaal nog maximaal 4.150 m2 verhard oppervlak komen / aanwezig zijn. Dit aantal vierkante meters is bepaald aan de hand van verschillende ontwikkelingen die in de directe omgeving hebben plaatsgevonden (zoals de realisatie van de nieuwe Brede School direct ten zuiden van het plangebied, de nieuwe woningbouw ten zuiden van de Esdoornlaan, en het nieuwe zorgcentrum ten zuiden van de Esdoornlaan), in vergelijking met het verharde oppervlak in de ‘oude situatie’. Bij de herontwikkeling van het gebied is destijds aangegeven dat voor wat betreft het aspect ‘verharding en waterberging’ een integrale benadering noodzakelijk is, en dit niet voor elke locatie afzonderlijk geldt. Hiervoor is een zogenaamde verhardingsbank van toepassing.
In dit kader wordt ook verwezen naar de Memo ‘Compensatie verharding centrum Sleeuwijk’ (d.d. 6 februari 2018), die volledigheidshalve als bijlage bij deze plantoelichting is gevoegd. In deze memo wordt weliswaar gesproken over maximaal 3.712 m2 verharding, maar daarbij is uitgegaan van het oude plangebied van de Morgenster, zónder de bestaande parkeerplaats in het noordwesten. Nu deze parkeerplaats (ca. 500 m2 groot en ca. 450 m2 verharding) mee wordt genomen in de planvorming en daarmee het plangebied feitelijk wordt vergroot, komt de berekening voor de totale oppervlakte aan verharding binnen het plangebied uit op 4.150 m2. De maximale toename aan verharding wijzigt niet, deze blijft 3.700 m2. Het genoemde maximum aantal vierkante meters (i.c. 4.150 m2) betreft de totale oppervlakte aan verharding binnen het plangebied (dus de gezamenlijke oppervlakte aan gebouwen, in- en uitritten, parkeervoorzieningen, ontsluitingspaden, etc.). En omdat er niet direct mogelijkheden aanwezig zijn om in de omgeving extra verhardingen te compenseren is dit aantal ook expliciet in de regels van dit bestemmingsplan vastgelegd. Bij de nadere civieltechnische uitwerking dient dit in acht te worden genomen.
Riolering Voor wat betreft de riolering gelden de volgende uitgangspunten: • De riolering dient te voldoen aan de eisen gesteld vanuit de HIOR (versie 1-22022); • Het afvalwater kan aangesloten worden op het bestaande gemengde riool. Het regenwater kan aangesloten worden op het bestaande schoonwaterriool. Er mag geen regenwaterafvoer aangesloten worden op het gemengde/vuilwaterriool; • Het vloerpeil van de gebouwen moet minimaal 30cm boven straatpeil van de wegas van de Tienhont gelegen zijn. Bij toepassing van een parkeergarage
Gemeente Altena Bestemmingsplan Kern Sleeuwijk: Tienhont mRO b.v. / TOE / 84.43 – v8 / augustus 2024
39
NL.IMRO.1959.SleBP127KSTienhont-VG01
moet voorkomen worden dat regenwater anders dan van de af/oprit de parkeergarage in kan stromen. Hemelwaterafvoer Bij de verwerking van het hemelwater dient zoveel rekening gehouden te worden met bergen en vasthouden binnen het plangebied door middel van groendaken, berging in het groen of (mits niet anders mogelijk) ondergrondse berging, met vertraagde afvoer/overloop naar de bestaande schoonwaterriolen in de Tienhont en de Esdoornlaan. Watertoets Met het waterschap Rivierenland is al meerdere keren overleg gevoerd over het beoogde woningbouwplan. In verband met eerder gemaakte afspraken over de verharding en waterberging, is er vooralsnog geen aanvullende watertoets noodzakelijk. 5.5.3 Conclusie Er zijn op voorhand geen waterhuishoudkundige belemmeringen aanwezig ten aanzien van de voorgenomen woningbouwontwikkeling. 5.6
LUCHTKWALITEIT
5.6.1 Beleid en regelgeving De hoofdlijnen van de regelgeving voor luchtkwaliteit zijn te vinden in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer, ook wel de Wet luchtkwaliteit genoemd. De regelgeving is uitgewerkt in onderliggende Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s) en Ministeriële Regelingen. In de Wet Luchtkwaliteit zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen in de vorm van grenswaarden en richtwaarden voor een aantal luchtverontreinigende stoffen. De belangrijkste zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) omdat deze in Nederland soms worden overschreden. De grenswaarden van de overige stoffen worden, op enkele uitzonderingen na, in de regel niet overschreden. De grenswaarde van PM10 of NO2 bedraagt 40 µg/³. De grenswaarde van PM2,5 ligt op 25 µg/³. Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) In dit besluit is bepaald in welke gevallen een ruimtelijke ontwikkeling vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet hoeft te worden getoetst aan de grenswaarden. Een project draagt ‘niet in betekende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de zogenaamde 3% grens niet wordt overschreden. De 3% grens is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM 10) of stikstofdioxide (NO2). Deze grenswaarde is gesteld op 40 µg/m 3. Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2.
Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden is het project NIBM, en hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. In de Regeling NIBM is de bovengenoemde 3%-grens uitgewerkt in concrete getallen. Zo ligt voor woningbouwplannen de grens van 3% bij 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg. Besluit gevoelige bestemmingen Het besluit gevoelige bestemmingen is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof en stikstofdioxide, met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen
Gemeente Altena Bestemmingsplan Kern Sleeuwijk: Tienhont mRO b.v. / TOE / 84.43 – v8 / augustus 2024
40
NL.IMRO.1959.SleBP127KSTienhont-VG01
luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, in beide gevallen gemeten vanaf de rand van de weg. Als in een onderzoekszone de grenswaarden voor fijn stof of stikstofdioxide (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. 5.6.2 Luchtkwaliteit in relatie tot het plangebied Het voorliggende plan maakt de bouw van maximaal 60 nieuwe woningen mogelijk. Daarmee geldt dat dit aantal ruimschoots onder de NIBM-grens van 1.500 woningen uit de Regeling NIBM ligt. Hiermee draagt het plan ‘niet in betekende mate’ bij aan de luchtverontreiniging. Dit betekent dat er geen nader onderzoek en toetsing aan de in de Wet luchtkwaliteit gestelde grenswaarden hoeft plaats te vinden. Met andere woorden, de beoogde ontwikkeling voldoet aan het wettelijk kader. Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is daarnaast gekeken naar de concentratie stikstofdioxide en fijn stof (PM10) in het plangebied.
Uit de Grootschalige Concentratiekaarten van het RIVM (peiljaar 2022) blijkt dat de achtergrondconcentratie voor stikstofdioxide ter hoogte van het plangebied tussen de 10 en 15 μg/m³ bedraagt en voor fijn stof (PM10) tussen de 16 en 18 μg/m³. De concentraties zijn daarmee lager dan de grenswaarde van 40 µg/m3, waardoor het plan er niet toe zal leiden dat er grenswaarden worden overschreden. Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening bestaan er daarom geen belemmeringen voor het plan. Voor wat betreft de bijdrage van het plan aan de concentratie PM 2,5 kan het volgende opgemerkt worden. PM2,5 maakt deel uit van de bijdrage PM10. Dit betreft immers alle stofdeeltjes met een diameter van 10 µm of kleiner. Aangezien de bijdrage PM10 lager is dan 1,2 μg/m³, is de bijdrage PM2,5 dat ook. De huidige achtergrondconcentratie PM2,5 bedraagt ter hoogte van het plangebied minder dan 10 μg/m³ (bron: GCN kaarten RIVM, peiljaar 2022). Derhalve zal de woningbouw niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarde voor PM 2,5 (25 μg/m³). Voorts zijn woningen in het Besluit gevoelige bestemmingen niet aangemerkt als een gevoelige bestemming. Het plan voorziet derhalve niet in de realisatie van gevoelige bestemmingen als bedoeld in het Besluit. 5.6.3 Conclusie Er zijn geen belemmeringen voor het plan vanuit het aspect luchtkwaliteit. 5.7
EXTERNE VEILIGHEID
5.7.1 Beleid en regelgeving Externe veiligheid heeft betrekking op de gevaren die mensen lopen als gevolg van aanwezigheid in de directe omgeving van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt, transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd en ondergrondse buisleidingen. De aan deze activiteiten verbonden risico’s moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven.
Gemeente Altena Bestemmingsplan Kern Sleeuwijk: Tienhont mRO b.v. / TOE / 84.43 – v8 / augustus 2024
41
NL.IMRO.1959.SleBP127KSTienhont-VG01
Wettelijk kader Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is het wettelijke kader vastgelegd in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de Regeling Basisnet. De regelgeving voor ondergrondse buisleidingen is vastgelegd in het Besluit Externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang: • Het plaatsgebonden risico (PR) richt zich als maat voor het risico vanwege activiteiten met gevaarlijke stoffen vooral op de basisveiligheid voor personen in de omgeving van die activiteiten. Aan het PR is een wettelijke grenswaarde verbonden die niet mag worden overschreden. Het PR wordt ‘vertaald’ als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijv. woningen) mogen liggen. • Het groepsrisico (GR) is een maat voor de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbare aantal doden, de z.g. oriënterende waarde (OW).
Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd, kan afwijken. Deze verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR, ook als de OW niet wordt overschreden. 5.7.2 Externe veiligheid in relatie tot het plangebied Aan de hand van de Landelijke Signaleringskaart Externe Veiligheid (EV) is bekeken of in de omgeving van het plangebied risicobronnen aanwezig zijn, die relevant zijn voor het plan vanuit het oogpunt van externe veiligheid. In figuur 16 is een uitsnede van deze signaleringskaart opgenomen. De Landelijke Signaleringskaart EV is ontwikkeld vanuit het IPO en betreft een verbeterde versie van de risicokaart. Risicovolle inrichtingen Uit de Signaleringskaart EV blijkt dat in het plangebied geen risicovolle inrichtingen zijn gelegen. Ook worden door het plan geen risicovolle inrichtingen mogelijk gemaakt. Op enige afstand van het plangebied is op het perceel van het zwembad Bijtilskil sprake van een inrichting. De afstand van het plangebied tot deze inrichting vormt echter geen probleem. Het plangebied is niet gelegen binnen de plaatsgebonden risicocontour of het invloedsgebied voor het groepsrisico.
Gemeente Altena Bestemmingsplan Kern Sleeuwijk: Tienhont mRO b.v. / TOE / 84.43 – v8 / augustus 2024
42
NL.IMRO.1959.SleBP127KSTienhont-VG01
A27
Boven Merwede
Zwembad
Gasleiding
Figuur 16 – Uitsnede risicokaart voor het plangebied en omgeving (bron: Landelijke Signaleringskaart Externe Veiligheid)
Transportroutes gevaarlijke stoffen In het plangebied zijn geen transportroutes voor gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor of water aanwezig. Direct nabij het plangebied zijn ook geen transportroutes voor dergelijke stoffen over de weg, het spoor of water aanwezig. De dichtstbijzijnde transportroutes voor gevaarlijke stoffen betreft de rijksweg A27 en de Boven Merwede, beiden op meer dan 800 meter afstand gelegen. Ingevolge de regeling Basisnet heeft het deel van de A27 tussen afrit Avelingen en knooppunt Hooipolder een veiligheidszone (de plaatsgebonden risicocontour van 10 6 per jaar) van 12 meter, gemeten vanaf het midden van de weg. Het invloedsgebied voor het groepsrisico wordt bepaald door de maatgevende stof GF3 (brandbaar gas) en bedraagt op grond van de ‘Handleiding Risicoanalyse Transport’ 355 meter aan weerszijden van de weg. Tot slot kent de A27 een Plasbrand Aandacht Gebied (PAG) van 30 meter, gemeten vanaf de rechterrand van de rechterrijstrook. Het plangebied is gelegen buiten de veiligheidszone, het invloedsgebied en het PAG van de A27. Dit geldt overigens ook voor de Boven Merwede. Buisleidingen Uit de Signaleringskaart EV komt naar voren dat in en nabij het plangebied geen buisleidingen zijn gelegen waardoor transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt.
De dichtstbijzijnde leiding voor het transport van gevaarlijke stoffen is een hogedrukaardgasleiding op circa 850 meter ten zuiden van het plangebied. Het plangebied ligt niet binnen de PR-contour en het invloedsgebied van het GR van de leiding.
Gemeente Altena Bestemmingsplan Kern Sleeuwijk: Tienhont mRO b.v. / TOE / 84.43 – v8 / augustus 2024
43
NL.IMRO.1959.SleBP127KSTienhont-VG01
Standaardadvies Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant 2023 De Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant heeft een standaardadvies (d.d. 23 januari 2023) opgesteld voor de verantwoording van het groepsrisico voor ruimtelijke ontwikkelingen in het invloedsgebied van Bevi-inrichtingen en infrastructuur voor het transport van gevaarlijke stoffen. De gemeente heeft een standaard verantwoording groepsrisico ontwikkeld aansluitend aan het standaard advies van de Veiligheidsregio. Aangezien het plangebied op meer dan 750 meter afstand van een Brzo inrichting en op meer dan 200 meter afstand van een categorale Bevi-inrichting, spoorlijn, autoweg, waterweg of buisleiding gelegen is, valt het plan onder de werking van het standaardadvies. 5.7.3 Conclusie Er zijn geen belemmeringen voor het plan vanuit het aspect externe veiligheid. 5.8
BRANDVEILIGHEID
5.8.1 Algemeen De voormalige gemeente Werkendam heeft met het Brandweercluster Land van Heusden en Altena afgesproken om het toetsingskader dat het cluster hanteert in het bestemmingsplan op te nemen. 1. Bereikbaarheid brandweer via de openbare weg Regelgeving: Bouwbesluit 2012 en Handboek Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid (NVBR) Een door de brandweer te gebruiken toegang van de gebouwen moet tot op een afstand van maximaal 40 meter te benaderen zijn met brandweervoertuigen. Een opstelplaats voor een blusvoertuig moet een minimale breedte hebben van 4 meter en een minimale lengte van 10 meter. De rijloper naar een opstelplaats of een bluswatervoorziening moet: a. een vrije breedte hebben van ten minste 4,5 meter en over een breedte van ten minste 3,25 meter zijn verhard, en over een breedte van ten minste 4,5 meter een vrije hoogte hebben van ten minste 4,2 meter; b. zijn verhard op een wijze die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kg en een asbelasting van ten minste 100 kN; en c. op doeltreffende wijze kunnen afwateren. d. alleen bochten hebben met een straal c.q. een draaicirkel of rijcurve die afgestemd is op vrachtauto’s. 2.
Bluswatervoorziening Regelgeving: Bouwbesluit 2012 en Handboek Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid (NVBR) Primaire bluswatervoorziening Op een afstand van maximaal 40 meter van een door de brandweer te gebruiken toegang van een gebouw moet een ondergrondse brandkraan aanwezig zijn. De capaciteit van de brandkraan dient minimaal 60 m3 per uur te bedragen bij gelijktijdig gebruik van twee brandkranen.
Gemeente Altena Bestemmingsplan Kern Sleeuwijk: Tienhont mRO b.v. / TOE / 84.43 – v8 / augustus 2024
44
NL.IMRO.1959.SleBP127KSTienhont-VG01
Secundaire bluswatervoorziening Binnen een straal van 225 meter en binnen een afstand van 320 meter over de weg dient voor het gebouw en de woningen een secundaire bluswatervoorziening aanwezig te zijn in de vorm van een geboorde put, een brandput, een voor de brandweer te bereiken open water of een reservoir. De capaciteit van de secundaire bluswatervoorziening dient ten minste 90 m 3 per uur te bedragen. Deze capaciteit moet gedurende ten minste 5 uur kunnen worden geleverd. 3. Brandweerzorgnorm Regelgeving: Wet op de Veiligheidsregio’s (Dekkings- en spreidingsplan, Brandweer Midden- en West-Brabant). Voor (nieuwe) ruimtelijke ontwikkelingen wordt gekeken naar de opkomsttijd van de eerste basisbrandweereenheid. In de genoemde regelgeving worden de wettelijk vastgestelde opkomsttijden per gebouwsoort aangegeven. Indien hier niet aan voldaan kan worden, dan worden door de brandweer aanvullende maatregelen geadviseerd om een gelijkwaardige veiligheid te behalen. Door de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant is een toolbox ontwikkeld die door gemeenten gebruikt kan worden om tot een acceptabel niveau van gelijkwaardige veiligheid te komen. Ten aanzien van de maatregelen valt te denken aan de toepassing van een sprinklerinstallatie. 5.8.2 Brandveiligheid in relatie tot het plangebied 1.
Bereikbaarheid brandweer via de openbare weg De Brandweer heeft de mogelijkheid de nieuwe woningen binnen een afstand van 40 meter vanaf de openbare weg te benaderen. Zowel de bestaande Vijfmorgen direct ten noorden van het plangebied, alsook de Tienhont in het oosten, zijn in geval van calamiteiten te gebruiken. Bovendien is op deze wegen voldoende ruimte voor een opstelplaats voor een blusvoertuig, aangezien de breedte van de wegen meer dan 4 meter bedraagt en de lengte meer dan 10 meter. 2. Bluswatervoorziening In het kader van de reguliere bestemmingsplanprocedure zal het plan worden voorgelegd aan de brandweer. Door de brandweer zal een oordeel/advies gegeven worden of de aanwezige bluswatervoorzieningen toereikend zijn. 3. Brandweerzorgnorm In het Dekkings- en Spreidingsplan zijn de opkomsttijden voor de brandweer vastgesteld. Voor een nieuwe woonfunctie zoals gepland is in het plangebied, geldt een maximale opkomsttijd van 12 minuten. Ook de opkomsttijd voor het plangebied zal door de brandweer in het kader van de reguliere bestemmingsplanprocedure worden getoetst. Overleg Veiligheidsregio De Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant heeft in het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 uit het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gereageerd op het plan.
De Veiligheidsregio geeft aan dat er bezien vanuit de aspecten externe veiligheid en de opkomsttijd van de brandweer, geen nadere voorwaarden van toepassing zijn. Wel adviseert de Veiligheidsregio om voor dit plangebied de bereikbaarheid van met name het woongebouw aan de zijde Esdoornlaan, de parkeerkelder en het
Gemeente Altena Bestemmingsplan Kern Sleeuwijk: Tienhont mRO b.v. / TOE / 84.43 – v8 / augustus 2024
45
NL.IMRO.1959.SleBP127KSTienhont-VG01
paviljoen nader inzichtelijk te laten maken. Voor de parkeerkelder zijn mogelijke meerdere brandweeringangen noodzakelijk. Tevens dient nader aangegeven te worden op welke wijze er voor dit plangebied voorzien kan worden in een toereikende bluswatervoorziening. Ook wordt geadviseerd om vroegtijdig een vooroverleg te hebben over de bouwkundige en installatietechnische aspecten op het gebied van brandveiligheid. Met name de brandveiligheid van de parkeergarage lijkt hierbij een essentieel onderdeel van dit plan. Bij de uitwerking van de (bouw)plannen zal met de Veiligheidsregio hieromtrent zeker overleg worden gevoerd. 5.8.3 Conclusie Het aspect brandveiligheid staat niet in de weg aan de uitvoering van de met het bestemmingsplan beoogde woningbouwontwikkeling. 5.9
ECOLOGIE
5.9.1 Beleid en regelgeving Bij het opstellen van ruimtelijke plannen is het noodzakelijk te onderzoeken of en zo ja, in hoeverre de plannen ten koste gaan van de (aanwezige) flora en fauna. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in de ‘gebiedsbescherming’ en de ‘soortenbescherming’. Gebiedsbescherming Wet Natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wnb richt zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden). Activiteiten en ontwikkelingen die kunnen leiden tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden zijn in beginsel niet toegestaan, tenzij hiervoor een vergunning op grond van de Wnb is verkregen. Natuurnetwerk Brabant Naast de bescherming van de Wnb kunnen waardevolle gebieden ook beleidsmatig beschermd zijn doordat zij behoren tot het Natuurnetwerk Brabant (NNB, voorheen Ecologische Hoofdstructuur). Het NNB is een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden. Zij bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Uitgangspunt van het beleid is dat plannen, handelingen en projecten in het NNB niet toegestaan zijn indien zij de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB significant aantasten.
De provincie Noord-Brabant is verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNB en heeft dit in de Verordening Ruimte vastgelegd. Soortenbescherming De soortenbescherming is eveneens geregeld in de Wnb. Het doel van de Wnb is het in stand houden en beschermen van in het wild voorkomende planten- en diersoorten. De Wnb kent zowel een zorgplicht als verbodsbepalingen. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het ‘nee, tenzij’-principe. Alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten zijn in principe verboden, maar er kunnen vrijstellingen en ontheffingen (door het bevoegd gezag) worden verleend van de verbodsbepalingen.
Gemeente Altena Bestemmingsplan Kern Sleeuwijk: Tienhont mRO b.v. / TOE / 84.43 – v8 / augustus 2024
46
NL.IMRO.1959.SleBP127KSTienhont-VG01
De Wnb kent een apart beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten (alle vogels), Habitatrichtlijnsoorten en nationaal beschermde soorten. Voor Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten geldt een strikte bescherming. Voor de nationaal beschermde soorten hebben provincies de bevoegdheid om in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden een vrijstelling te verlenen van de verbodsbepalingen. Dit moet worden geregeld in een provinciale verordening. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden nagegaan, c.q. onderbouwd worden, of zich in het betreffende gebied beschermde soorten bevinden. 5.9.2 Ecologie in relatie tot het plangebied Ten behoeve van de beoogde herontwikkeling is door ecologisch adviesbureau EcoTierra een Quickscan flora en fauna in het kader van de Wet natuurbescherming8 uitgevoerd, waarbij is gekeken naar gebiedsbescherming en naar soortenbescherming, gebaseerd op een bronnenonderzoek en een terreinbezoek. Het terreinbezoek heeft op 23 juni 2022 plaatsgevonden. Op dat moment was alle voormalige bebouwing reeds gesloopt en het gebied schoon opgeleverd. Het rapport van de Quickscan is als bijlage bij deze toelichting opgenomen. De belangrijkste resultaten en conclusies worden hieronder weergegeven. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet binnen het Natuurnetwerk Brabant (NNB). Het meest nabije NNB ligt op circa 600 meter afstand.
In de provincie Noord-Brabant is de externe werking van toepassing. De voorgenomen ingrepen zullen, gezien de ruime onderlinge afstand en de tussenliggende bebouwing, infrastructuur en groen, geen significant negatief effect hebben op het NNB. Een nadere procedure in de vorm van een ‘nee, tenzij-toets’ is niet noodzakelijk. Binnen een straal van 4 km zijn geen Natura2000-gebieden aanwezig. Door de onderlinge afstand is er geen rechtstreekse aantasting (door bijvoorbeeld licht, trillingen, geluid of menselijke aanwezigheid) of indirecte aantasting (door bijvoorbeeld verdroging) te verwachten op soorten die voor Natura2000-gebieden zijn aangewezen. Het onderdeel ‘houtopstanden’ van de Wnb is in deze situatie niet van toepassing. Stikstofdepositie Thema’s als vermesting/ verzuring (stikstof) zijn in de genoemde Quickscan niet beschouwd. Hiervoor is aangegeven dat zeer waarschijnlijk een AERIUS-berekening opgesteld dient te worden. Naar aanleiding van de conclusie uit de Quickscan is als onderdeel van de bestemmingsplanprocedure door mRO aanvullend een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd, voor zowel de bouwfase (bouw woningen en inrichten buitenruimte) alsook de gebruiksfase (de situatie na ingebruikname van de nieuwe woningen).
8
EcoTierra-ecologisch adviesbureau, Quickscan flora en fauna Tienhont (ong.) te Sleeuwijk (kenmerk: Q2022-WE-3017), 21 juli 2022
Gemeente Altena Bestemmingsplan Kern Sleeuwijk: Tienhont mRO b.v. / TOE / 84.43 – v8 / augustus 2024
47
NL.IMRO.1959.SleBP127KSTienhont-VG01
De notitie9, met de uitgangspunten en resultaten van de stikstofdepositieberekeningen met AERIUS Calculator (2023), is opgenomen als bijlage (nr. 5) bij de plantoelichting. Uit het onderzoek blijkt dat het plan in zowel de bouw- als de gebruiksfase niet leidt tot een toename van stikstofdepositie (>0,00 mol stikstof ha/jaar) op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten in Natura 2000gebieden. Derhalve wordt geconcludeerd dat de woningbouw geen negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie. Het bestemmingsplan voldoet daarmee aan de Wnb. Er geldt ook geen vergunningplicht in het kader van de Wnb ten aanzien van het aspect stikstof. Soortenbescherming Uit de bureaustudie in combinatie met het terreinbezoek is gebleken dat voor géén van de in het kader van de Wnb beschermde soorten negatieve effecten zijn te verwachten. Dit vanwege het ontbreken van de aanwezigheid van beschermde soorten, danwel het ontbreken van geschikte schuil-/ verblijfplaatsen. Hoewel geen jaarrond beschermde nesten zijn aangetroffen, zullen er waarschijnlijk wel vogelsoorten broeden in de bomen en groenstructuren in het plangebied.
En omdat de bouw van de appartementengebouwen verstorend kan werken, dienen de ingrepen voor de zorgvuldigheid buiten het broedseizoen plaats te vinden of te starten (broedseizoen loopt globaal van maart tot en met augustus, afhankelijk van soort en weersomstandigheden). En hoewel geconstateerd wordt dat voor de soortgroep vleermuizen geen verblijfplaatsen, geen significant foerageergebied en geen significante vliegroutes verloren gaan, wordt wel aangegeven dat tijdens de werkzaamheden en in de toekomstige situatie onnodige verstoring op de omgeving door licht voorkomen dient te worden. Ook in verband met de verblijfplaats van de ruige dwergvleermuis nabij. Nader onderzoek naar beschermde soorten is echter niet noodzakelijk. 5.9.3 Conclusie Op basis van de uitgevoerde Quickscan en AERIUS-berekeningen wordt geconcludeerd dat het aspect ecologie niet in de weg staat aan de uitvoering van de met het bestemmingsplan beoogde woningbouwontwikkeling. Voor de volledigheid wordt gemeld dat bij de uitvoering van werkzaamheden te allen tijde de algemene zorgplicht in acht dient te worden genomen. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan deze soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.
Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden zijn niet voor alle verschillende soortgroepen gelijk. 5.10
ARCHEOLOGIE
5.10.1 Beleid en regelgeving Als gevolg van het Verdrag van Malta (Valetta) zijn overheden verplicht om in het ruimtelijke beleid zorgvuldig om te gaan met het archeologische erfgoed. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient, voordat er 9
mRO b.v., ‘Notitie Stikstofdepositieonderzoek locatie Morgenster Tienhont, Sleeuwijk’, 10 oktober 2023
Gemeente Altena Bestemmingsplan Kern Sleeuwijk: Tienhont mRO b.v. / TOE / 84.43 – v8 / augustus 2024
48
NL.IMRO.1959.SleBP127KSTienhont-VG01
bodemingrepen plaatsvinden, een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd. De uitkomsten hiervan dienen door het bevoegde gezag te worden meegenomen in de belangenafweging. De zorgplicht voor het archeologisch erfgoed was vastgelegd in de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz), die was geïmplementeerd in de Monumentenwet 1988. De wet regelde: • Bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem; • Inpassen van archeologisch erfgoed in de ruimtelijke ordening; • Financiering onderzoek: de veroorzaker betaalt. Op 1 juli 2016 is de nieuwe Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet vervangt onder meer de Monumentenwet 1988 en de Wamz. In artikel 9.1 van de Erfgoedwet is echter bepaald dat tot het tijdstip waarop de nieuwe Omgevingswet in werking is getreden de bepalingen uit de Monumentenwet 1988 met betrekking tot archeologie van toepassing blijven. De Omgevingswet zal in 2024 in werking treden. Gemeentelijk beleid De Wet archeologische monumenten zorg heeft ertoe geleid dat de gemeente Altena lokaal archeologiebeleid heeft opgesteld. Dit beleid bestaat uit de ‘Nota Archeologie. Tot op de Bodem. Update 2018’ en de ‘Erfgoedverordening Altena 2019’ zoals die op 14 januari 2019 is vastgesteld.
Op de bijbehorende archeologische beleidskaart is aangegeven waar binnen de gemeente (bekende) archeologische waarden aanwezig zijn en waar welke archeologische verwachtingen gelden vanaf welke diepte. In de bijbehorende legenda zijn de verschillende verwachtingszones en plaatsen met een archeologische waarde weergegeven, alsmede de verwachte diepteligging daarvan. Deze zones zijn beleidsmatig gecategoriseerd; aan elke waarde of verwachtingswaarde is een diepte- en oppervlakte grens gekoppeld. De vrijstellingsgrenzen geven aan vanaf welke omvang én diepte (altijd in combinatie) van een ruimtelijk plan er archeologisch onderzoek plaats moet vinden. Op basis van een archeologisch onderzoek dat door de gemeente is goedgekeurd kan een omgevingsvergunning worden verleend. 5.10.2 Archeologie in relatie tot het plangebied Bijgaand is in figuur 17 een uitsnede van de archeologische beleidskaart te hoogte van het plangebied opgenomen. Hieruit blijkt dat het plangebied is aangeduid als een gebied met een ‘lage archeologische verwachting’. Voor dergelijke gebieden gelden voor wat betreft het aspect archeologie geen restricties ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen.
Gemeente Altena Bestemmingsplan Kern Sleeuwijk: Tienhont mRO b.v. / TOE / 84.43 – v8 / augustus 2024
49
NL.IMRO.1959.SleBP127KSTienhont-VG01
Figuur 17 – Uitsnede Archeologische beleidskaart voor de kern Sleeuwijk met globaal de ligging van het plangebied (blauw omlijn)
5.10.3 Conclusie Er zijn geen belemmeringen voor het plan vanuit het aspect archeologie. 5.11
CULTUURHISTORIE
5.11.1 Beleid en regelgeving Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. De aandacht voor cultuurhistorie is ook wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Op grond van artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a van het Bro dienen cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk te worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Dit betekent dat gemeenten een analyse moeten verrichten van de cultuurhistorische waarden in een bestemmingsplangebied en moeten aangeven welke conclusies ze daaraan verbinden en op welke wijze ze deze waarden borgen in het bestemmingsplan. De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet. Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing
Gemeente Altena Bestemmingsplan Kern Sleeuwijk: Tienhont mRO b.v. / TOE / 84.43 – v8 / augustus 2024
50
NL.IMRO.1959.SleBP127KSTienhont-VG01
van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van het erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet die per 1 januari 2024 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk. In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangegeven. In het verlengde van de in paragraaf 5.10 genoemde gemeentelijke archeologische beleidskaart en Erfgoedverordening is ook een cultuurhistorische beleidsadvieskaart opgesteld, de zogenaamde Erfgoedkaart.