CConstaterende datAltena
Koppel je AI →
Document · PDF

Eindrapportage Rekenkamer Jeugdhulp Altena

Raadsvergadering 16 december 2025, gemeente AltenaBij agendapunt: Onderzoek Rekenkamer naar jeugdhulp in Altena29.149 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Percentage 10,6% 0,3%

10,4%

10,3%

0,7%

0,9%

0,2%

Wachtlijsten Binnen de gemeente Altena is bekend dat sprake is van wachtlijsten in de jeugdhulp. In meerdere gesprekken met zowel gezinnen als uitvoerders wordt melding gemaakt van lange wachttijden, met name bij de toegang tot hulp in het niet vrij toegankelijk aanbod. Gezinnen geven aan dat zij soms maanden moeten wachten voordat hulp daadwerkelijk wordt ingezet. Ook Playing for Succes geeft aan dat de toeleiding naar reguliere jeugdhulp traag verloopt en dat sprake is van forse wachtlijsten. Hoewel het bestaan van wachtlijsten breed wordt erkend, blijkt uit de gesprekken dat er geen volledig en actueel overzicht beschikbaar is van de omvang en aard van deze wachtlijsten. Beleidsmedewerkers geven aan dat dit een bekend knelpunt is en dat de raad hierover is geïnformeerd. De gemeente beschikt over gegevens van individuele aanbieders, maar er is geen integraal systeem waarin alle wachtlijsten worden samengebracht en geanalyseerd. Dit beperkt de sturingsmogelijkheden. Om de problematiek aan te pakken, is binnen de gemeente een taskforce ingesteld die zich richt op het terugdringen van de wachttijden of wachtlijsten. Deze taskforce heeft als doel knelpunten in kaart te brengen en verbetermaatregelen te formuleren. Daarnaast wordt gewerkt aan de herinrichting van het jeugdhulpsysteem, onder andere via de ontwikkeling van het Stevig Lokale Team, die sneller en dichter

51

bij gezinnen hulp kunnen bieden. In de uitvoering proberen verbindingsfunctionarissen en consulenten wachttijden te overbruggen door tijdelijk lichtere ondersteuning te bieden of door sneller te schakelen met partners. De effecten van deze inspanningen zijn op dit moment nog beperkt zichtbaar. Gezinnen blijven knelpunten ervaren in de snelheid en toegankelijkheid van hulp en uitvoerders geven aan dat de druk op het systeem hoog blijft. Monitoring, rapportage en evaluatie van effecten van de uitvoering De monitoring, rapportage en evaluatie van jeugdhulp in de gemeente Altena is op dit moment nog niet uniform of structureel ingericht. Uit de gesprekken met uitvoerders en beleidsmakers blijkt dat op verschillende niveaus gegevens worden verzameld, maar dat deze versnipperd zijn en niet altijd gericht zijn op het meten van effecten. Binnen de gemeentelijke organisatie wordt gebruikgemaakt van beheersmaatregelen zoals dossieropbouw, toetsingskaders en caseloadbesprekingen. Regisseurs worden getraind in het naleven van een uniforme werkwijze. Daarnaast worden cliënttevredenheidsonderzoeken uitgevoerd door externe partijen, waarvan de resultaten per kwartaal worden opgeleverd en intern besproken. Deze uitkomsten worden nog beperkt gebruikt voor structurele beleidsaanpassingen.

Partners zoals Stichting MEE, Buurtgezinnen en Playing For Succes geven aan dat zij op eigen wijze monitoren, bijvoorbeeld via effectrapportages, gesprekken met gezinnen of eenvoudige vragenlijsten. Deze vormen van monitoring zijn vaak kwalitatief van aard en niet gestandaardiseerd. Uitvoerders geven aan dat zij behoefte hebben aan duidelijke kaders vanuit de gemeente over wat verwacht wordt op het gebied van rapportage en terugkoppeling. De gemeente beschikt over veel data op het gebied van kosten en gebruik, maar er is weinig informatie beschikbaar over de daadwerkelijke effecten van de geboden hulp. Beleidsmedewerkers geven aan dat de duiding van data en het meten van maatschappelijke effecten nog in ontwikkeling is. Er is geen integraal systeem waarin monitoring, rapportage en evaluatie sociaal domein breed worden samengebracht. Tot slot wordt in meerdere gesprekken met uitvoerders benoemd dat behoefte is aan structurele leer- en verbetercycli tussen gemeente en partners. Deze ontbreken momenteel grotendeels, waardoor analyse van data en ervaringen van gezinnen slechts beperkt kunnen worden benut voor kwaliteitsverbetering.

4.7 Bevindingen samenwerking j) Hoe is de samenwerking van 0de 11, 1ste 12 en 2de lijnshulp en ondersteuning in de jeugdhulp- en ondersteuning tussen de gemeente en partners op gemeentelijk en regionaal niveau georganiseerd? Bevindingen op hoofdlijnen: • Op gemeentelijk niveau werkt gemeente Altena samen met diverse partners in de sociale basis (0e en 1e lijnshulp) maar de samenwerking is versnipperd en mist structurele afstemming en duidelijke regie.

11

Met 0e lijnshulp wordt informele, algemeen toegankelijke ondersteuning bedoeld vanuit de eigen omgeving of samenleving, zonder professionele inzet. In tegenstelling tot preventief aanbod is 0e lijnshulp niet georganiseerd door professionals maar ontstaat deze via bijvoorbeeld familie, buren of vrijwilligers. 12 Met 1e lijnshulp wordt professionele, laagdrempelige hulp bedoeld die rechtstreeks toegankelijk is voor burgers, zonder tussenkomst van een verwijzer. In tegenstelling tot 0e lijnshulp wordt 1e lijnshulp verleend door geschoolde hulpverleners, zoals huisartsen, maatschappelijk werkers of psychologen in de basiszorg. Het voornaamste doel is verergering te voorkomen en geïndiceerde of specialiseerde zorg waar mogelijk te vermijden.

52

•

•

Op regionaal niveau participeert gemeente Altena in de jeugdhulpregio West-Brabant Oost, waar wordt samengewerkt aan gezamenlijke inkoop, beleid en de ontwikkeling van Stevige Lokale Teams. De samenwerking tussen hulplijnen is in opbouw: Stevige Lokale Teams zijn multidisciplinair en wijkgericht georganiseerd maar integratie en effectiviteit van de samenwerking zijn nog niet zichtbaar.

Onderbouwing Gemeentelijk niveau Op lokaal niveau werken de gemeente en partners in de sociale basis samen om hulpvragen te signaleren en gezinnen door te verwijzen naar passende ondersteuning. Dit is een combinatie van 0e en 1e lijnshulp. Onder andere verbindingsfunctionarissen en jeugdconsulenten vormen een schakel tussen het de sociale basis en het niet vrij toegankelijk aanbod (2e lijnshulp). Uit gesprekken met uitvoerders blijkt dat samenwerking nog niet uniform is georganiseerd, structurele overlegmomenten ontbreken en de rol van de gemeente als regisseur wisselend wordt ervaren. Partners geven aan dat de samenwerking vrijblijvend is en dat er geen duidelijke afspraken zijn over terugkoppeling of gezamenlijke doelen. Regionaal niveau De gemeente Altena maakt deel uit van de jeugdhulpregio West-Brabant Oost (WBO), samen met de gemeenten Breda, Drimmelen, Geertruidenberg en Oosterhout. Binnen deze regio wordt samengewerkt aan gezamenlijke inkoop, beleidsontwikkeling en de inrichting van een toekomstbestendig jeugdhulpsysteem. De regio heeft een gezamenlijke regiovisie en strategieplan opgesteld, waarin onder andere de ontwikkeling van Stevige Lokale Teams centraal staat. Vanaf 2025 worden in Altena (in de kernen Hank en Wijk en Aalburg) de eerste Stevige Lokale Teams als Proof of Concept ingericht.

Deze teams bestaan uit uitvoerders uit verschillende domeinen (zoals jeugdhulp, welzijn en gemeente) en zijn bedoeld om laagdrempelige, preventieve en integrale ondersteuning te bieden zonder beschikking. De Stevige Lokale Teams werken wijkgericht en zijn fysiek aanwezig op plekken zoals scholen, sportverenigingen en huisartsenpraktijken. De bedoeling is dat deze werkwijze vanaf 2027 wordt uitgerold in de hele gemeente. Samenwerkingsstructuur Sinds 2025 zijn in Altena de eerste Stevige Lokale Teams ingericht als Proof of Concept. De Stevige Lokale Teams zijn multidisciplinair georganiseerd en beogen de schotten tussen organisaties te doorbreken. Er wordt gewerkt met gezamenlijke casusbesprekingen (Multi Disciplinaire Overleggen) en een gedeelde verantwoordelijkheid voor de ondersteuning van gezinnen. De samenwerking is gericht op vijf veelvoorkomende hulpvragen: mentale gezondheid, opvoeden en opgroeien, veiligheid, weerbaarheid en scheidingen. Hoewel deze ontwikkeling veel potentie heeft, geven meerdere gesprekspartners aan dat de samenwerking op dit moment nog in opbouw is. De effecten van de Stevige Lokale Teams zijn nog niet zichtbaar en de samenwerking tussen de verschillende hulplijnen is nog niet volledig geïntegreerd.

53

4.8 Toetsing normenkader Voor de toetsing aan de norm werken we met de volgende termen in volgorde van niet voldoen tot voldoen: • Voldoet niet: dit betekent dat op geen enkele wijze of slechts bijna (0-20%) wordt voldaan aan de norm. • Voldoet beperkt: dit betekent dat voor een klein deel (20-50%) wordt voldaan aan de norm • Voldoet merendeels: dit betekent dat voor een groter deel (>50%, <75%) wel dan niet wordt voldaan aan de norm. • Voldoet grotendeels: dit betekent dat voor een zeer groot gedeelte (>75%) wordt voldaan aan de norm. • Voldoet: dit betekent dat volledig (100%) wordt voldaan aan de norm. Normen • Jongeren weten waar zij ondersteuning kunnen krijgen voor hun hulpvraag

•

De huidige toegangspoorten zijn laagdrempelig en bereikbaar voor alle jongeren met een hulpvraag

•

Alle jongeren met een hulp- of ondersteuningsvraag die behoefte hebben aan hulp worden bereikt

•

Het jeugdhulpaanbod van de gemeente en partners sluit (maximaal) aan bij de (potentiële) hulp en ondersteuningsvraag

•

De kwantitatieve cijfers van jeugdigen en hun hulp- en ondersteuningsvragen zijn bekend bij de gemeente/partners Cijfers over wachtlijsten zijn bekend bij de uitvoering

•

54

Toetsing Voldoet niet. Volgens uitvoerders is de toegang tot hulp versnipperd, informatie niet altijd duidelijk en wordt ondersteuning vaak pas gevonden na eigen initiatief of via andere routes dan de gemeente zoals school of bekenden. Voldoet beperkt. Volgens uitvoerders blijkt dat de toegang tot jeugdhulp in Altena via meerdere routes verloopt, zoals scholen, consultatiebureaus en het gemeentelijk loket. Drempels zoals schaamte, laaggeletterdheid en onbekendheid met het aanbod zorgen ervoor dat niet alle jongeren de hulp weten te vinden of durven te vragen. Voldoet beperkt. Uit gesprekken met uitvoerders blijkt dat gezinnen vaak pas in beeld komen wanneer de problematiek al ernstig is. Preventieve signalering werkt niet altijd goed en specifieke groepen, zoals laaggeletterde gezinnen, nieuwkomers en religieus gebonden gezinnen, worden niet altijd bereikt. Voldoet merendeels. Uit gesprekken met uitvoerders blijkt dat sprake is van een breed aanbod aan hulpvormen, variërend van ambulante begeleiding en logeeropvang tot dagbesteding, therapieën en gezinscoaching. Er is onvoldoende afstemming tussen partners en het aanbod is niet altijd toegankelijk voor specifieke doelgroepen. Voldoet niet. De gemeente beschikt over veel data op het gebied van gebruik en kosten maar er is weinig inzicht in de aard en omvang van de hulpvragen.

Er is behoefte aan betere duiding en integratie van gegevens. Voldoet niet. Er is bekendheid met het bestaan van wachtlijsten maar er is geen integraal overzicht. Informatie is verspreid over aanbieders en niet centraal beschikbaar voor sturing. De gemeente heeft een taskforce opgezet

•

De uitvoering zet actief in op het verminderen van wachtlijsten

•

De monitoring en rapportages van en over de uitvoering en effect van de jeugdhulp bieden inzicht in het bereik van het beoogde effect

•

De uitvoering wordt geëvalueerd en eventuele verbeterpunten worden doorgevoerd in beleid en uitvoering

55

om de wachtlijsten problematiek inzichtelijk te maken en hierop te sturen. Voldoet beperkt. De gemeente heeft een taskforce ingesteld en werkt aan procesverbeteringen. Verbindingsfunctionarissen proberen wachttijden te overbruggen. De effecten zijn nog beperkt zichtbaar. Voldoet niet. Monitoring vindt plaats op uitvoeringsniveau en via cliënttevredenheidsonderzoeken maar er is weinig zicht op het daadwerkelijke effect van de hulp. Rapportages zijn versnipperd en niet altijd gericht op maatschappelijke uitkomsten. Voldoet beperkt. Er vinden evaluaties plaats, onder andere via cliëntervaringsonderzoeken van aanbieders en gesprekken met aanbieders. De gemeente werkt aan beleidsaanpassingen, zoals de invoering van Stevige Lokale Teams, maar structurele leer- en verbetercycli zijn nog in ontwikkeling. Uitvoerders hebben behoefte aan duidelijke kaders vanuit de gemeente over wat er verwacht wordt op het gebied van rapportage en terugkoppeling.

5 Bevindingen beleidswereld 56

5.

Bevindingen beleidswereld

5.1 Inleiding In dit hoofdstuk zijn de bevindingen vanuit het perspectief van beleidsmakers weergegeven. Eerst zijn in de grijze kaders de bevindingen per deelvraag op hoofdlijnen weergegeven, gevolgd door een onderbouwing van dat antwoord. Het hoofdstuk sluit af met een toetsing aan het normenkader. De snelle lezer kan volstaan met het lezen van de beantwoording op hoofdlijnen in de grijze kaders. In dit hoofdstuk zijn de volgende deelvragen behandeld: 8. Welke visie en uitgangspunten heeft de gemeente Altena op het gebied van jeugdhulp? Op welke manier heeft de gemeente beleidsvrijheid genomen t.o.v. de Jeugdwet? Zijn in Altena de doelen en visie van jeugdhulp SMART geformuleerd? 9. Inhoudelijke vormgeving jeugdhulpbeleid a. Is bij de beleidsvorming inzicht in de feitelijke hulpvraag in de gemeente meegenomen? b. Zijn kwantitatieve cijfers jeugdigen bekend? c. Zijn cijfers over de (eventuele) wachtlijst bekend? d. Zijn jeugdigen en hun gezinnen betrokken bij de inventarisatie van de hulpvraag? e. Sluit het jeugdhulpaanbod in de gemeente aan bij de hulpvraag? Indien de hulpvraag niet inzichtelijk is/was, op welke beleidsveronderstellingen is het beleid dan geformuleerd? f. Hoe is de toegang tot jeugdhulp in Altena georganiseerd? 10. Hoe voert de raad zijn kaderstellende en controlerende rol uit? a. Hoe wordt grip gehouden op de financiën in de uitvoering van de jeugdhulp? b.

Hoe vindt onderbouwing en de verantwoording over de budgetten plaats en zijn raadsleden daarover tevreden? c. Heeft en gebruikt de gemeenteraad daarbij de juiste instrumenten om voldoende grip te hebben op de jeugdhulp? d. Hoe ervaart de raad de informatievoorziening? e. Zijn er goede procedures en rapportages om zicht te houden op de voortgang en prestaties van de uitvoering? f. Hoe wordt in de p&c cyclus gerapporteerd over de jeugdhulp en heeft de raad hier voldoende aan? 5.2 Bevindingen beleid en visie op jeugdhulp 8. Welke visie en uitgangspunten heeft de gemeente Altena op het gebied van jeugdhulp? Op welke manier heeft de gemeente beleidsvrijheid genomen t.o.v. de Jeugdwet? Zijn in Altena de doelen en visie van jeugdhulp SMART geformuleerd? Bevindingen op hoofdlijnen: • De gemeente hanteert een visie op jeugdhulp die gericht is op preventie en het versterken van de sociale omgeving van jeugdigen. Jeugdigen moeten zo veel mogelijk in hun eigen leefomgeving opgroeien met lichte, toegankelijke ondersteuning. • De uitgangspunten normaliseren, veerkracht en het benutten van de sociale basis zijn leidend in het beleid en komen onder andere terug in de samenwerking met onderwijs, opvang, het consultatiebureau, jongerenwerk en maatschappelijke organisaties.

• De gemeente maakt gebruik van haar beleidsvrijheid, onder andere door brede toegang tot hulp via de sociale basis en door de inzet van programma’s als Kansrijke Start zonder directe verwijzing.

57

•

Beleidsdoelen zijn in het beleidskader ‘Gewoon opgroeien in Altena’ grotendeels niet SMART geformuleerd.

Onderbouwing Welke visie en uitgangspunten heeft de gemeente Altena op het gebied van jeugdhulp? Bevindingen uit ontvangen documenten In meerdere beleidsdocumenten is terug te zien dat de benadering van de gemeente op het gebied van jeugdhulp is gericht op preventie en het versterken van de sociale omgeving van jeugdigen. In het document ‘Gewoon opgroeien in Altena: een preventieve aanpak’ wordt benoemd dat jeugdige zo veel mogelijk in hun eigen leefomgeving moeten opgroeien. De hulp moet zo dichtbij mogelijk en met zo min mogelijk ingrijpen worden georganiseerd. Hierbij ligt de nadruk op drie pijlers: • Gezond: er wordt ingezet op mentale en fysieke weerbaarheid via onder andere POH-jeugd leefstijlinterventies en weerbaarheidstrainingen binnen het onderwijs. • Kansrijk: ontwikkelkansen worden ondersteund via vrijetijdsbesteding, talentontwikkeling, voorkomen van schooluitval, en het creëren van een stabiele thuissituatie. • Gewoon opgroeien: de sociale basis wordt betrokken door middel van opvoedondersteuning, inzet van bestaande netwerken zoals kerken en sportclubs, en het betrekken van gezinnen bij de ontwikkeling van jeugdigen. Binnen dit kader is ook aandacht voor de eerste levensjaren, waaronder de eerste 1000 dagen, met initiatieven zoals de lokale coalitie ‘Kansrijke Start’. Verder is het principe van normaliseren terug te zien.

Hulpvragen worden zo veel mogelijk bekeken vanuit het oogpunt van ‘gewone ontwikkeluitdagingen’. De intentie is dat hierdoor overdiagnosticering en medicalisering voorkomen kunnen worden. Deze benadering wordt afgestemd met onder andere partners in het onderwijs, het consultatiebureau en maatschappelijke organisaties. In het document ‘Alle kinderen doen mee: visie op de verbinding tussen onderwijs, kinderopvang en jeugdhulp in Altena (2022)’ is te zien dat de ondersteuning start in het primaire proces, bijvoorbeeld het onderwijs en kinderopvang. De hulp wordt gekoppeld aan het ‘ontwikkelrecht’ van iedere jeugdige. Hierbij hebben het onderwijs en opvang een signalerende en ondersteunende rol. Verder wordt in het beleidskader ‘Onderwijskansen 2022-2025’ benoemd dat kansenongelijkheid bij jeugdigen onder andere wordt beïnvloed door factoren zoals armoede, taalachterstanden en opvoedproblematiek. De gemeente zet in op maatregelen zoals voorschoolse educatie, het vergroten van ouderbetrokkenheid en samenwerking met externe partners, waaronder bibliotheken en logopedisten. Ook wordt de samenwerking met het consultatiebureau genoemd als onderdeel van de verbinding tussen jeugdbeleid en onderwijskansen. Ten slotte sluit de gemeente aan bij de ‘regiovisie jeugdhulpregio West-Brabant Oost 2022’.

Hierin is terug te zien dat de eigen kracht, het bieden van hulp op maat en het inrichten van een toegankelijke eerste lijn belangrijk zijn. Preventie is een regionale prioriteit waarbij ruimte is voor invulling op lokaal niveau. De gemeente Altena wordt beschreven als een gemeente die in haar lokale beleid nadruk legt op preventie en normalisering. Daarnaast wordt verwezen naar de wens tot meer samenhang tussen jeugdhulp, Wmo en onderwijs en het verbeteren van de toegang tot ondersteuning. Bevindingen uit interviews Uit de gesprekken met beleidsmakers blijkt dat de visie van de gemeente Altena zich richt op het dagelijks leven van gezinnen. De focus ligt op veerkracht, het omgaan met alledaagse hobbels en het benutten van de sociale omgeving van de jeugdige. Problemen hoeven niet altijd opgelost te worden. Het kan ook van belang zijn om leren om te gaan met bepaalde situaties.

58

Beleidsmakers geven aan dat zij opvoedvragen zien als onderdeel van het gewone leven en willen vooral kijken hoe gezinnen daarin ondersteunt kunnen worden, zonder direct op te schalen. Zij geven aan dat dat hiermee een beweging naar het voorliggend veld wordt gemaakt, waarbij vroegtijdige ondersteuning en normalisering centraal staan. Uitvoerders worden aangemoedigd om samen met jeugdigen en hun sociale omgeving te kijken wat zelf opgelost kan worden. Niet iedere jongere of elk gezin heeft professionele jeugdhulp nodig. Dit vraagt om een paradigmashift en een cultuurverandering, ook bij uitvoerders zelf. Dit vraagt volgens beleidsmakers dat je als professional soms durft te zeggen dat gezinnen eerst zelf problematiek moeten proberen op te lossen. Dat betekent niet dat het gezin losgelaten wordt, professionals staan er dan nog steeds naast. Verder spelen de Stevige Lokale Teams een belangrijke rol hierin. Ideaal gezien wil de gemeente toewerken naar één Stevig Lokaal Team per kern of gebied, met een outreachende functie, bijvoorbeeld via scholen of sportverenigingen. De Stevige Lokale Teams moeten de centrale toegang tot hulp worden, waar jeugdigen met hun hulpvragen terecht kunnen.

Geïnterviewde beleidsmakers benadrukken dat het doel is om binnen het voorliggend veld meer de samenwerking op te zoeken tussen verbindingsfunctionarissen, jongerenwerkers en opvoedondersteuners, zodat hulpvragen sneller gesignaleerd en opgepakt kunnen worden. Verder komt in gesprekken de normaliseringdiscussie naar voren. Volgens beleidsmakers heeft iedereen, zowel inwoners en professionals, verantwoordelijkheid voor het versterken van de pedagogische omgeving. Dit staat ook in het beleidsdocument ‘Gewoon opgroeien’, waarin beschreven staat dat gezinnen ondersteuning moeten krijgen in de opvoeding maar dat dit zo veel mogelijk in de eigen omgeving moet plaatsvinden. De gemeente houdt bewust haar rol klein en probeer zo ruimte te geven aan uitvoerders. Tegelijkertijd is de gemeente gestart met het maken van afspraken om meer inzicht te krijgen in de processen en het verloop van hulptrajecten. Beleidsmedewerkers geven aan dat dit inzicht nu nog beperkt is maar dat zij werken aan verbetering hiervan. Tot slot geven beleidsmakers aan dat sprake is van versnippering in de organisatie, onder andere door regionale samenwerking. Het doel is te werken naar meer samenhang binnen het sociaal domein. Beleidsmakers benadrukken dat zij toe willen naar één integraal beleid. Dat is nu nog niet haalbaar, maar er worden wel stappen in gezet.

Onder andere via de SLT’s en de verbinding tussen onderwijs, opvang en jeugdhulp. Op welke manier heeft de gemeente beleidsvrijheid genomen ten opzichte van de Jeugdwet? Bevindingen uit ontvangen documenten Binnen de beleidsdocumenten is terug te zien dat de gemeente gebruik maakt van haar beleidsvrijheid omdat zij kiest voor een preventief beleid, waarbij de nadruk ligt op het versterken van de sociale infrastructuur van de jeugdige in plaats van te focussen op geïndiceerde en specialistische hulp. Preventie is voor de gemeente geen bijzaak maar een hoofdstrategie. Een voorbeeld hiervan is de keuze om de jeugdhulp te organiseren rond de eerste 1000 dagen van een jeugdige. Dit gebeurt onder andere via het programma Kansrijke Start, waarbij de gemeente de samenwerking opzoekt met verloskundigen, jeugdgezondheidszorg, huisartsen en kraamhulp om gezinnen vroegtijdig te ondersteunen. Verder kiest de gemeente op het gebied van toegang ervoor om in te zetten op verwijzingen via vrij toegankelijke voorzieningen in de sociale basis in plaats van op formele verwijzingen, bijvoorbeeld via de huisarts. Denk hierbij aan opvoedcursussen in buurthuizen, mentale weerbaarheidstrainingen op scholen en jongerenwerk dat zich richt op het voorkomen van risicogedrag. Ten slotte maakt de gemeente gebruik van beleidsvrijheid door te werken met de ‘theory

59

of change’. Hiermee wordt niet enkel gestuurd op individuele hulptrajecten maar ook op maatschappelijke impact. Er wordt niet alleen gerapporteerd op het aantal hulptrajecten en behandeluren. De gemeente kijkt ook of de jeugdige zich gezond, kansrijk en verbonden voelt in zijn of haar omgeving. Hiermee wordt in de toekomst dus niet enkel gemonitord op output niveau maar ook op impact. Bevindingen uit interviews Geïnterviewde beleidsmakers geven aan dat de gemeente gebruik maakt van haar beleidsvrijheid. De Jeugdwet bepaalt niet het beleid van de gemeente maar geeft een richting aan en laat ruimte voor lokale invulling. Die ruimte benut de gemeente om maatwerk te realiseren en beleid te ontwikkelen in afstemming met uitvoerders. Beleidsmakers geven hierover aan dat de Jeugdwet niet bepaalt wat het gemeentelijk beleid is, maar hier richting aan geeft. Het beleid wordt ontwikkeld op gemeenteniveau. De samenwerking met uitvoerders is hierin belangrijk en er zijn korte lijntjes met de uitvoerende teams. Een voorbeeld van deze vrijheid is de lokale invulling van het programma Kansrijke Start. De aanpak gaat verder dan wat de wet voorschrijft. De Jeugdwet richt zich op toewijsbare hulp waarbij de gemeente Altena ervoor kiest al in een eerder stadium samen met gezinnen te werken aan een stabiele start. De gemeente maakt verder gebruik van haar vrijheid in sturing.

Beleidsmakers geven aan dat bewust op maatschappelijke doelen wordt gestuurd aan de hand van de ‘Theory of Change-methodiek’. Dit model helpt hen om het beoogde maatschappelijke effect, zoals mentale weerbaarheid, centraal te stellen. In plaats van sturing op output (aantal trajecten, zorgvolume) kiest de gemeente hierdoor voor sturing op effect. De gemeente wil daarbij van stepped care naar matched care, waardoor jeugdigen eerder de best passende ondersteuning krijgen. Monitoring vindt plaats met behulp van data van onder andere de GGD en het CBS, aangevuld met verhalen uit de praktijk. Ten slotte gebruikt de gemeente, volgens beleidsmakers, haar vrijheid in het rekening houden met haar identiteit in het aanbod aan hulp in de regio. Gezinnen geven soms de voorkeur voor uitvoerders met een religieuze achtergrond en de gemeente probeert hier rekening mee te houden. De hulp moet volgens de gemeente aansluiten bij de behoeften van gezinnen, ook als dat betekent dat het aanbod per kern verschilt. De inzet is doelgroepgericht, niet kerngericht. Beleidsmakers geven aan dat voorzieningen niet overal dezelfde functie hebben of even effectief zijn. Drugsvoorlichting wordt bijvoorbeeld voornamelijk geboden op de middelbare scholen.

Zijn in Altena de doelen en visie van jeugdhulp SMART geformuleerd? Bevindingen uit ontvangen documenten In het document ‘Gewoon opgroeien in Altena: een preventieve aanpak’ wordt beschreven dat gewerkt wordt via drie pijlers: gezond, kansrijk en gewoon opgroeien. Bij elke pijler zijn doelen en beoogde resultaten geformuleerd. Deze zijn voornamelijk richtinggevend, waarbij voorbeelden van acties en instrumenten worden beschreven. De doelen zijn niet structureel geformuleerd volgens de SMARTcriteria: Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdgebonden. Binnen de pijler ‘gezond’ geeft de gemeente bijvoorbeeld aan dat zij jeugdigen een gezonde levensstijl wil laten ontwikkelen en hen mentaal weerbaar maken. Hierbij zijn concrete acties het versterken van de inzet van praktijkondersteuners jeugd (POH-jeugd) bij huisartsen, het geven van mentale weerbaarheidstrainingen op scholen en het creëren van een aanbod rond positieve gezondheid. Deze acties zijn concreet en de beoogde resultaten worden benoemd, alleen harde streefwaarden en

60

deadlines ontbreken. De doelstelling “meer jongeren met een gezonde leefstijl en mentale weerbaarheid” is bijvoorbeeld richtinggevend maar niet meetbaar zonder verdere uitwerking. Binnen de pijler ‘kansrijk’ worden doelen benoemd zoals het verminderen van schoolverzuim, het versterken van de aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt, het vergroten van toegang tot vrijetijdsbesteding en het bevorderen van maatschappelijke participatie. De gemeente wil bijvoorbeeld dat jeugdigen zich welkom voelen bij verenigingen en dat armoede geen belemmering vormt voor deelname. Hiervoor worden lokale initiatieven gestimuleerd die gericht zijn op inclusie en laagdrempelige toegang. Ook hier is het beleid gericht op actie en inhoudelijk concreet maar SMART-criteria zoals deadlines, meetbare indicatoren of prestatie-eisen ontbreken grotendeels in de formulering. Binnen de pijler ‘gewoon opgroeien’ wordt benoemd dat gezinnen ondersteund worden bij opvoedvragen, het versterken van veerkracht in gezinnen en het creëren van een ondersteunende sociale omgeving. De gemeente organiseert hiervoor onder andere opvoedcursussen, ouderbijeenkomsten en inzet van het consultatiebureau. De doelstellingen zijn inhoudelijk helder alleen wordt geen koppeling gemaakt met meetbare resultaten.

Bevindingen uit interviews Beleidmakers geven aan dat in het beleidskader ‘Gewoon opgroeien in Altena’ een belangrijke stap is gezet naar het concreter maken van beoogde effecten. De beoogde effecten zijn concreter geformuleerd dan in eerdere beleidsstukken en vormen de basis voor de inrichting van de manier van monitoren. De inrichting van de aanpak is nog in ontwikkeling maar de eerste stappen zijn gezet. Tegelijkertijd wordt benoemd dat de doelen, met name op regionaal niveau, grotendeels niet SMART zijn geformuleerd. De beschikbare informatie uit de regio, zoals aantallen trajecten, minuten inzet en herkomst van verwijzingen, bieden niet voldoende zicht op de beoogde effecten of op de ervaringen van jeugdigen met de hulp. Dit maakt het lastig om goed te sturen op impact. Beleidsmakers geven aan dat veel data beschikbaar is maar het samenbrengen en duiden hiervan ingewikkeld is. Binnen het voorliggend veld zijn concrete nieuwe beleidskaders opgesteld, alleen vanwege de korte looptijd zijn de effecten hiervan nog niet inzichtelijk. Daarnaast wordt benoemd dat beleidsmakers bezig zijn met het maken van een verbeterslag in de wijze van verantwoorden aan de raad. Dit gebeurt momenteel voornamelijk via ambities en doelen uit de begroting, die worden verantwoord in bestuursrapportages. Hierin zijn doelenbomen opgenomen met een beschrijving van doelstellingen en realisatie.

Daarnaast heeft het college een raadsmonitor sociaal domein, waarin managementinformatie zichtbaar is over de verschillende domeinen, waaronder jeugd. Deze monitor wordt volgens beleidsmakers steeds verder uitgebreid. Beleidsmakers geven aan dat de wens is om er één dashboard van te maken. Nu worden stijgingen gesignaleerd, alleen deze zijn niet altijd goed verklaarbaar. De wens is om meer te kunnen sturen op inhoud en beoogde effecten en tegelijkertijd de raad beter te informeren. De huidige manier van verantwoorden is volgens geïnterviewde beleidsmakers te veel gericht op output. Zij willen dit veranderen naar sturing op impact. Niet alleen aantallen hulptrajecten maar ook verantwoording over beoogde effecten. Daardoor kan op een verklarende manier naar de raad worden gerapporteerd. 5.3 Bevindingen inhoudelijke vormgeving jeugdhulpbeleid 9. Inhoudelijke vormgeving jeugdhulpbeleid a. Is bij de beleidsvorming inzicht in de feitelijke hulpvraag in de gemeente meegenomen? b. Zijn kwantitatieve cijfers jeugdigen bekend? c. Zijn cijfers over de (eventuele) wachtlijst bekend?

61

d. Zijn jeugdigen en hun gezinnen betrokken bij de inventarisatie van de hulpvraag? e. Sluit het jeugdhulpaanbod in de gemeente aan bij de hulpvraag? Indien de hulpvraag niet inzichtelijk is/was, op welke beleidsveronderstellingen is het beleid dan geformuleerd? f. Hoe is de toegang tot jeugdhulp in Altena georganiseerd? Bevindingen op hoofdlijnen: • Zowel beleidsmakers als raadsleden ervaren dat onvoldoende inzicht is in de feitelijke hulpvraag. Er zijn veel data beschikbaar maar de duiding ontbreekt en er is geen compleet overzicht van alle voorhanden gegevens. Zoals bijvoorbeeld data over wachtlijsten. • Cijfers over jeugdigen en wachtlijsten zijn niet of slechts gedeeltelijk beschikbaar. Dit kan beleidsvorming en sturing belemmeren. • De raad mist betrokkenheid van gezinnen in de inventarisatie van de hulpvraag. Beleidsmakers geven aan dat dit deels via consultaties gebeurt maar structurele betrokkenheid ontbreekt. • Hulp vanuit het voorliggend veld past meestal bij de hulpvraag, bij geïndiceerde en specialistische hulp zijn er vaker knelpunten. • De toegang is op papier breed en integraal georganiseerd. Gezinnen ervaren deze volgens beleidsmakers en de raad als versnipperd, traag en ongelijk tussen kernen. Onderbouwing a.

Is bij de beleidsvorming inzicht in de feitelijke hulpvraag in de gemeente meegenomen? Perspectief beleidsmakers Geïnterviewde beleidsmakers geven aan dat het zicht op de hulpvraag beperkt is. Ondanks dat veel data beschikbaar is vanuit de regionale monitor en losse gemeentelijke bronnen, ervaren zij dat het ontbreekt aan een inhoudelijke analyse van de feitelijke hulpvraag. Het is volgens beleidsmakers voornamelijk de duiding die ontbreekt. Dit zorgt ervoor dat beleidsvorming deels plaatsvindt aan de hand van aannames, signalen en consultaties. Concrete instrumenten die het mogelijk maken om bijvoorbeeld per wijk of kern inzicht te geven in de hulpvraag ontbreken. Hierdoor zijn bepaalde beleidsdoelen abstracter geformuleerd dan men zou willen. Op bepaalde onderdelen zijn in het beleidskader ‘Gewoon opgroeien in Altena’ beoogde effecten concreet geformuleerd, alleen de monitoring hiervan is in ontwikkeling. Perspectief raad De raad geeft aan dat hij momenteel onvoldoende structureel en feitelijk inzicht heeft in de hulpvraag in de gemeente. Hierdoor wordt de raad beperkt om als raad inhoudelijk te sturen. Bijvoorbeeld dat data over wachtlijsten niet voorhanden zijn. De raad geeft aan dat hij onvoldoende grip ervaart op dit onderwerp. In de monitor sociaal domein zien raadleden een aantal zaken maar op basis daarvan geven meerdere raadleden aan niet voldoende te kunnen sturen.

Verder wordt benoemd dat raadsleden geen helder beeld hebben van wat de behoeften zijn van jeugdigen. Raadleden geven aan dat zij vanuit het onderwijs en inwoners signaleren dat er onvrede heerst over de toegang tot jeugdzorg via de gemeente. Meerdere raadsleden geven aan dat zij ervaren dat het huidig beleid te vaak gebaseerd wordt op incidenten of incidentele signalen in plaats vanuit onderbouwde data. De raad benoemt ook dat zij informatie over de verschillen per kern mist, waardoor het lastig is om lokaal gerichte keuzes te maken.

62

b. Zijn kwantitatieve cijfers jeugdigen bekend? Perspectief beleidsmakers Volgens geïnterviewde beleidsmakers zijn veel data beschikbaar over jeugdigen maar is dit verspreid over verschillende bronnen en zijn deze niet altijd toegankelijk of bruikbaar. Zij noemen onder meer de regionale monitor op alle jeugdtrajecten en instrumenten zoals de peutermonitor en de jeugdmonitor. Deze geven informatie over bijvoorbeeld achterstanden in het onderwijs of psychisch welbevinden. Deze zijn vaak thematisch en sector gebonden. Geïnterviewde beleidsmakers benoemen dat het samenbrengen van informatie over het hele sociaal domein lastig is, waardoor geen volledig beeld ontstaat over de huidige situatie. Perspectief raad Het merendeel van de geïnterviewde raadsleden geeft aan dat zij te weinig toegang ervaren tot overzichtelijke cijfers over jeugdigen. Hierdoor ervaren zij onvoldoende grip op welke doelgroepen in de gemeente jeugdhulp ontvangen, om hoeveel jeugdigen het gaat en welk type hulp zij gebruiken. Raadleden benoemen dat zij willen weten hoeveel jeugdigen jeugdhulp krijgen, welke problemen zich voordoen en hoe dat zich ontwikkelt in de tijd. Momenteel ervaren zij dat zij daar onvoldoende beeld op hebben. Dit zorgt ervoor dat sturing beperkt blijft tot incidenten en financiële afwijkingen.

De raad benoemt dat hij zich zorgen maakt over het missen van deze informatie, omdat hij hierdoor geen inzicht heeft in of sprake is van een stijging of daling van het aantal jeugdigen met problematiek of hoeveel jeugdigen uitstromen. c. Zijn cijfers over de (eventuele) wachtlijst bekend? Perspectief beleidsmakers Beleidsmakers benoemen dat cijfers over wachtlijsten een zwak punt is en dat de raad hiervan op de hoogte is. Zij geven aan dat de gecontracteerde hulpaanbieders hun eigen wachttijden openbaar maken maar dat er nog geen totaaloverzicht is voor de gemeente Altena. Deze wachtlijsten verschillen per aanbieder. Recent is een taskforce opgericht na een motie van de raad om hier verandering in te brengen. Deze is ingesteld om knelpunten in doorlooptijden en wachtlijsten te onderzoeken. In de raadsstukken van de vergadering van 1 juli jl. zijn hierover geen stukken terug te vinden. Verder benoemen beleidsmakers dat uitvoering van de gemeente zelf signalen heeft afgegeven dat de wachttijden te lang zijn en dat dit de sturingsinformatie beïnvloedt. Beleidsmedewerkers hebben daarom de wens om te werken aan een dashboard binnen de sociaal domeinmonitor waarin dit soort cijfers inzichtelijk worden gemaakt. Perspectief raad De raad benoemt dat hij een overzicht mist van actuele informatie over wachtlijsten.

Uit het gesprek met meerdere raadsleden bleek dat de raad niet op de hoogte was van recente ontwikkelingen in wachtlijsten. De mededeling dat de wachtlijsten zouden zijn teruggedrongen van een jaar naar vier maanden kwam voor de raadsleden als nieuw en onverwacht. De raad heeft behoefte aan een totaaloverzicht met actuele wachttijden per type hulp. Daarnaast is er de wens om in de toekomst te kunnen inzien of wachttijden afnemen of toenemen. De raad vindt het niet acceptabel dat deze cijfers alleen via uitvoerders beschikbaar zijn.

63

d. Zijn jeugdigen en hun gezinnen betrokken bij de inventarisatie van de hulpvraag? Perspectief beleidsmakers Beleidsmakers geven aan dat zij via consultaties proberen informatie op te halen bij gezinnen. In het voorliggend veld is meer sprake van informele communicatie, met bijvoorbeeld vier tot vijf sessies per jaar waarin wordt geëvalueerd of het aanbod nog aansluit met uitvoerders. Hierbij worden gezinnen niet betrokken. Beleidsmakers zien dat de structurele betrokkenheid van gezinnen bij het formuleren van beleidsdoelen en bij het in kaart brengen van hulpbehoeften beperkt is. De Stevige Lokale Teams zouden hier in de toekomst mogelijk verandering in kunnen brengen. Perspectief raad De meerderheid van geïnterviewde raadsleden geeft aan dat de inbreng van gezinnen in de beleidsvorming nauwelijks systematisch wordt meegenomen. Ondanks dat sprake is van signalen uit de uitvoering en dat incidentele gesprekken plaatsvinden, ontbreekt het volgens de raad aan een structurele manier om gezinnen te betrekken bij de inventarisatie van de hulpvraag. Raadleden geven aan dat zij vooral indirecte signalen horen en missen structurele betrokkenheid van gezinnen bij het beleid. Raadsleden zien dat gezinnen soms buiten de gemeentelijke toegang om naar jeugdhulp zoeken, bijvoorbeeld via een huisarts of Veilig Thuis, wat aangeeft dat zij het gevoel hebben onvoldoende gehoord te worden.

De raad noemt deze routes “geitenpaadjes”, die volgens raadsleden een uiting zijn van een ontoegankelijke toegang en een langzame reactie op hulpvragen van gezinnen. e. Sluit het jeugdhulpaanbod in de gemeente aan bij de hulpvraag? Indien de hulpvraag niet inzichtelijk is/was, op welke beleidsveronderstellingen is het beleid dan geformuleerd? Perspectief ontvangen documenten In het beleidsdocument ‘Opvoeden opgroeien Altena’ is te zien dat de gemeente zich richt op het normaliseren van vraagstukken en in wil zetten op het voorliggend veld. De gemeente zet in op veelvoorkomende thema’s, zoals: weerbaarheid, scheiding, veiligheidsproblematiek en mentale gezondheid waarop een collectief voorliggend veld georganiseerd op moet worden. In het beleid is geen structurele onderbouwing van deze thema’s te zien met cijfers over de hulpvraag binnen de gemeente. Voornamelijk wordt vanuit praktijkervaringen en pilots gewerkt, zoals de ‘rots en watertraining’. Structurele onderbouwing vanuit monitoring ontbreekt hierover. Perspectief beleidsmakers Uit gesprekken met beleidsmakers komt naar voren dat met name het voorliggend veld goed aansluit op de huidige hulpvraag, mede vanwege de korte lijnen en regelmatige afstemmingen met partners. Tegelijkertijd zien zij ook dat in het geïndiceerde en specialistische veld niet altijd passende hulp gevonden wordt door gezinnen.

Beleidsmakers benoemen dat het beleid voor een deel gebaseerd is op aannames, consultaties en informele uitwisseling in het voorliggend veld, bijvoorbeeld via meerdere bijeenkomsten per jaar met partners. De specifieke hulpvraag is niet structureel in kaart gebracht. Perspectief raad De meerderheid van de geïnterviewde raadsleden geeft aan dat zij twijfelen of het huidig aanbod aansluit op de hulpvraag. Doordat de raad niet volledig inzicht heeft in de hulpbehoefte van gezinnen, vinden zij het lastig hierover te oordelen. Raadsleden geven aan dat zij eerder afhankelijk zijn van signalen uit de samenleving dan dat zij structureel, inhoudelijke informatie ontvangen over het bereik en effect van het aanbod. Daarnaast benoemden meerdere raadsleden dat zij om hen heen horen en zien dat sommige gezinnen hun hulpvraag buiten de gemeentelijke toegang om regelen, bijvoorbeeld via een huisarts of Veilig Thuis. Dit zien zij mogelijk als een teken van een mismatch tussen vraag en

64

aanbod. Ten slotte gaven meerdere raadsleden aan dat het gevoel heerst dat hulp afhankelijk is van de persoon, bijvoorbeeld van welke combinatiefunctionaris bij een school actief is. f. Hoe is de toegang tot jeugdhulp in Altena georganiseerd? Perspectief ontvangen documenten: Uit de ontvangen documenten blijkt dat de jeugdhulp in de gemeente Altena integraal is georganiseerd, waarbij zowel lokale en regionale structuren aanwezig zijn. In het beleidskader ‘Gewoon opgroeien in Altena’ en ‘Visie verbinding onderwijs, kinderopvang en jeugdhulp’ is te zien dat de gemeente inzet op een laagdrempelige, nabije en normaliserende toegang. Daarnaast wordt geïndiceerde en specialistische hulp op regionale schaal georganiseerd, zoals vastgelegd is in de WBO Regiovisie (2022) en het WBO Strategieplan (2023). Deze gecombineerde benadering moet ervoor zorgen dat gezinnen op tijd passende en effectieve hulp krijgen. De lokale toegang Uit het beleidskader ‘Gewoon opgroeien in Altena’ blijkt dat de gemeente kiest voor een toegang die zo veel mogelijk aansluit op het dagelijks leven van jeugdigen. De gemeente zet in op vrij-toegankelijke voorzieningen, zoals opvoedondersteuning, jongerenwerk, jeugdgezondheidszorg en ondersteuning op school of in de kinderopvang. Deze vormen van hulp zijn beschikbaar zonder dat een formele beschikking of verwijzing nodig is.

Deze hulp wordt geleverd door lokale uitvoerders die door gezinnen direct zijn te benaderen. Een belangrijk deel van de preventieve toegang wordt verzorgd door eigen professionals die werken in het preventieve jeugdveld zoals jongerenwerkers, verbindingsfunctionarissen onderwijs-jeugd, praktijkondersteuners jeugd, leerplichtambtenaren en de voortijdig school verlaten (VSV) coaches. Deze functionarissen kunnen op school, thuis of in de wijk een eerste gesprek voeren, hulp bieden of, als dit nodig is, opschalen naar geïndiceerde of specialistische hulp. Verder is te zien dat nadruk wordt gelegd op de samenwerking tussen de kinderopvang, het onderwijs en de jeugdhulp. In het document ‘Visie verbinding onderwijs, kinderopvang en jeugdhulp’ wordt beschreven dat wordt gestreefd naar ‘duurzaam samenwerken op de plekken waar onze kinderen opgroeien’, met als doel een inclusieve en kansrijke startpositie te creëren voor alle kinderen in Altena. Uitvoerders zoals leraren, pedagogisch medewerkers en jeugdconsulenten worden gevraagd om gezamenlijk te signaleren, te overleggen en hulp te bieden. Hierbij zijn korte lijnen, vaste gezichten en warme overdrachten belangrijk. De regionale toegang Voor geïndiceerde of specialistische vormen van hulp die de gemeente overstijgt, is Altena aangesloten bij de jeugdhulpregio West Brabant Oost (WBO).

Hier is sprake van een college-GR in oprichting, die in het verlengde ligt van een bestaand samenwerkingsverband op basis van een Dienstverleningsovereenkomst (DVO). De Jeugdhulpregio WBO is in 2015 door het rijk aangewezen en heeft nu nog de juridische grondslag van een dienstverleningsovereenkomst met Breda, waarin een regionaal team de inkoop (contracteren, contractmanagement) en administratie verzorgt rondom specialistische schaarse zorg. Er zijn momenteel vijf gemeenten betrokken: Altena, Breda, Drimmelen, Geertruidenberg en Oosterhout. Daarnaast levert iedere gemeente inzet voor beleidsontwikkeling in het regionaal beleidsteam. Ook is sprake van samenwerking op bestuurlijk niveau, een regionaal bestuurlijk overleg. Dit is een informele samenwerking, dus er is geen algemeen of dagelijks bestuur. In de WBO Regiovisie (2022) staat dat afgesproken is dat hulp uit het niet vrij toegankelijk aanbod regionaal wordt georganiseerd, met als uitgangspunt dat ‘de juiste en beste hulp voor de jeugdige, zo dichtbij mogelijk en zo thuis mogelijk’ geboden wordt. De regiovisie beschrijft hoe de samenwerking

65

binnen West Brabant Oost gericht is op het verbeteren van beschikbaarheid, kwaliteit en effectiviteit van de jeugdhulp. Hierbij is afgesproken dat alle betrokken partijen, van gemeenten tot aanbieders, verwijzers en onderwijs, integraal samenwerken. In de regiovisie wordt de ambitie benoemd dat ‘jeugdigen en gezinnen moeten weten waar zij terecht kunnen voor deskundige ondersteuning voor hun vraagstukken en problemen’, en dat deze steun ‘tijdig en passend wordt geboden door professionals die integraal en effectief samenwerken’. Dit wordt onder andere gedaan door het verbeteren van triageprocessen, het ontwikkelen van gezamenlijke verwijzingsroutes en het terugdringen van wachttijden. Perspectief beleidsmakers Volgens geïnterviewde beleidsmakers is de toegang breed en op verschillende manieren georganiseerd. Geïndiceerde en specialistische jeugdhulp vereisen een verwijzing via gemeentelijke consulenten, jeugdartsen of medisch specialisten. In het voorliggend veld kunnen jongerenwerkers of scholen signaleren en verwijzen maar niet indiceren. De verbindingsfunctionarissen op scholen spelen een belangrijke rol in het afschalen en afstemmen van hulp. Er zijn procesafspraken voor het afschalen van hulptrajecten, waarbij regisseurs samen met gezinnen en aanbieders plannen opstellen.

Tegelijkertijd benoemen beleidsmakers dat de betrokkenheid van het voorliggend veld met de zwaardere zorg nog te weinig is op dit moment. Momenteel is nog geen sprake van structurele warme overdrachten. De visie van de gemeente Altena is dat met de komst van de Stevige Lokale Teams deze verbinding versterkt wordt en de toegang efficiënter wordt. Perspectief raad Meerdere raadsleden geven aan dat de toegang tot jeugdhulp als moeizaam wordt ervaren door gezinnen. Gezinnen worden regelmatig van het kastje naar de muur gestuurd of zoeken alternatieve routes om sneller geholpen te worden. Zij geven aan dat de verbindingsfunctie wordt erkend als waardevol, in de praktijk blijkt dat gezinnen vaak worden doorverwezen of op terugbelverzoeken moeten wachten. De raad benoemt ook verschillen per kern. De ervaring met toegang lijkt afhankelijk van welke functionaris aan een school is verbonden. Hierdoor is volgens de raad sprake van ongelijkheid in de toegang. De raad wil daarom meer eenduidigheid, betere informatievoorziening en kortere wachttijden.

66

5.4 Bevindingen kaderstellende en controlerende rol gemeenteraad 10. Hoe voert de raad zijn kaderstellende en controlerende rol uit? a. Hoe wordt grip gehouden op de financiën in de uitvoering van de jeugdhulp? b. Hoe vindt onderbouwing en de verantwoording over de budgetten plaats en zijn raadsleden daarover tevreden? c. Heeft en gebruikt de gemeenteraad daarbij de juiste instrumenten om voldoende grip te hebben op de jeugdhulp? d. Hoe ervaart de raad de informatievoorziening? e. Zijn er goede procedures en rapportages om zicht te houden op de voortgang en prestaties van de uitvoering? f. Hoe wordt in de p&c cyclus gerapporteerd over de jeugdhulp en heeft de raad hier voldoende aan? Bevindingen op hoofdlijnen: • De raad ervaart onvoldoende grip op de financiële uitvoering van jeugdhulp. Hij heeft behoefte aan meer inzicht in uitgaven en maatschappelijke effecten. • De raad vindt de financiële informatie te beperkt en mist informatie over bereiken van doelen en effect, wat sturing beperkt. Beleidsmakers zien dat rapportages voornamelijk gericht zijn op financiën en proces. Zij werken aan verbetering van het sociaal domeinmonitor en inhoudelijke toelichting in rapportages met indicatoren. Onderbouwing a.

Hoe wordt grip gehouden op de financiën in de uitvoering van de jeugdhulp? Perspectief beleidsmakers Uit gesprekken met beleidsmakers blijkt dat binnen de gemeente meerdere instrumenten aanwezig zijn waarmee de gemeenteraad de financiën kan bewaken, zoals het financieel systeem, budgetbeheer en het regelmatig overleg van de raad met financiële adviseurs. Daarnaast wordt benoemd dat het een uitdaging blijft om grip te houden vanwege de stijgende hulpvragen, loonkosten bij hulpaanbieders en de open-eind financiering. Perspectief raad De raad geeft aan dat hij onvoldoende grip ervaart op de financiële sturing in de uitvoering van de jeugdhulp. Er zijn onder andere zorgen over de onvoorspelbaarheid van uitgaven. Bijvoorbeeld door gezinnen met hoge hulpkosten die vanuit een andere gemeente naar Altena verhuizen. Dit leidt tot onverwachte kosten die lastig te beheersen zijn. Daarnaast geven raadsleden aan dat zij behoefte hebben aan meer inzicht in hoe middelen besteed worden en hoe deze bijdragen aan het beoogde maatschappelijke effect. De raad geeft aan dat hij behoefte heeft aan vergelijkbare informatie uit andere gemeenten. Verder benoemd de raad dat hij in het verleden te weinig heeft gefocust op de sturing van het college op de uitvoering. Dit heeft mogelijk geleid tot afstand tussen de raad en de uitvoering.

Ten slotte benoemt het merendeel van de raad dat hij meer wil investeren in het preventief veld, met de aanname dat dit zwaardere, duurdere trajecten kan voorkomen.

67

b. Hoe vindt onderbouwing en verantwoording over de budgetten plaats en zijn raadsleden daarover tevreden? Perspectief beleidsmakers Beleidsmakers benoemen dat de raad op vaste momenten wordt geïnformeerd via de reguliere planning- en controlcyclus. De bestuursrapportages, de begroting, de jaarrekening en de sociaal domeinmonitor zijn hierbij de basis. Deze informatie is afgestemd aan de hand van afspraken die met de raad zijn gemaakt, waarbij voornamelijk op afwijkingen en nieuwe ontwikkelingen worden beschreven. Beleidsmakers zien dat de huidige manier van verantwoorden financieel en procesmatig is ingericht, met weinig aandacht voor wat het effect van de uitvoering op gezinnen is. In de toekomst wordt zouden beleidsmakers het waardevol vinden als wordt gekeken naar een uitgebreidere manier van verantwoorden, waarin meer duiding en verklarende informatie wordt gegeven, onder andere over wachttijden en doorlooptijden. Perspectief raad De meerderheid van geïnterviewde raadsleden geeft aan dat zij ervaart dat de informatie die zij ontvangt geen totaaloverzicht geeft en te globaal is om te bepalen of de uitvoering doelmatig en effectief is. De raad heeft behoefte aan informatie waarin niet alleen wordt beschreven wat is uitgegeven maar ook wat het effect op gezinnen is geweest.

Raadsleden moeten zich nu onder andere baseren op signalen van inwoners en uitvoerders, in plaats van toegankelijke beleidsinformatie. c. Heeft en gebruikt de gemeenteraad de juiste instrumenten om voldoende grip te hebben op de jeugdhulp? Perspectief beleidsmakers Beleidsmakers geven aan dat de raad in theorie voldoende instrumenten heeft maar dat deze vooral worden gebruikt om te controleren op kosten en inkoopprocessen. Er is in mindere mate aandacht voor het stellen van inhoudelijke prioriteiten of het stellen van gewenste effecten. Volgens beleidsmakers is hierdoor het gesprek tussen de raad en het college voornamelijk reactief en richt het zich niet/ nauwelijks op strategische keuzes. Tegelijkertijd zien beleidsmakers wel dat de raad meer inzicht wil in hoe de jeugdhulp functioneert en wat zich daarin afspeelt. Daarom organiseren beleidsmakers met meer regelmaat extra toelichtingen en werkbezoeken voor raadsleden. Perspectief raad De raad geeft aan dat zij in theorie over meerdere instrumenten beschikt om sturing te geven, zoals het stellen van kaders via beleidskaders en begroting, het stellen van vragen, moties en het starten van een raadsonderzoek. In de praktijk ziet de raad dat hij hier beperkt gebruik van maakt. Een aantal raadsleden geeft verder aan dat zij niet altijd voldoende inhoudelijke kennis hebben om te sturen op complexe dossiers als de jeugdhulp.

Hierdoor wordt voornamelijk gereageerd op signalen uit de samenleving in plaats van proactief te sturen. De raad heeft daarom ook behoefte aan meer inzicht in hoe de uitvoering functioneert alleen wil de raad tegelijkertijd zich niet te veel met de uitvoering bezighouden. d. Hoe ervaart de raad de informatievoorziening? Perspectief beleidsmakers Beleidsmakers benoemen dat momenteel de informatievoorziening richting de raad voornamelijk gefocust is op wat afwijkend is en minder op het uitleggen van trends en ontwikkelingen in de samenleving. Daarom hebben beleidsmakers de wens om te werken aan een meer verklarend dashboard binnen de sociaaldomeinmonitor. Dit moet inzicht bieden in kosten, wachttijden,

68

cliëntstromen en maatschappelijke opbrengsten. Er is een taskforce ingesteld die zich richt op het inzichtelijk maken en terugdringen van de wachtlijsten. Perspectief raad Het merendeel van de geïnterviewde raadsleden geeft aan dat zij de informatievoorziening te beperkt en niet voldoende inhoudelijk ervaart. De raad mist actuele informatie, voornamelijk over wachttijden, problematiek in de uitvoering, maatschappelijke effecten en financiële afwijkingen. Raadsleden voelen zich regelmatig verrast door ontwikkelingen die zij liever eerder hadden willen weten. Zij hebben behoefte aan meer feitelijke en tijdige informatie die direct bruikbaar is voor sturing. Daarnaast is behoefte aan periodieke terugkoppeling over de voortgang van beleidsvoornemens. Ten slotte willen raadsleden meer toelichting op de geleverde cijfers om te begrijpen waar stijgende kosten vandaan komen. e. Zijn er goede procedures en rapportages om zicht te houden op de voortgang en prestaties van de uitvoering? Perspectief beleidsmakers Volgens geïnterviewde beleidsmakers is veel data beschikbaar voor de raad, alleen gaat deze informatie niet altijd voldoende in op beoogde maatschappelijke effecten. Het zit voornamelijk in de duiding van informatie, deze gaat nu voornamelijk over output.

Cijfers over kosten en aantallen trajecten zijn aanwezig maar er is minder informatie beschikbaar over de kwaliteit of tevredenheid van gezinnen over de uitvoering. Dit laatste wordt gemeten via cliënttervaringsonderzoeken maar deze zijn voornamelijk gericht op output. Binnen het kader ‘Gewoon Opgroeien in Altena’ wordt daarom gewerkt aan concretere beleidsdoelen waarop de voortgang beter te monitoren is. De wens is om integrale monitoring te ontwikkelen, waarin ook ervaringen van gezinnen, maatschappelijke effecten en ontwikkelingen in de praktijk worden meegenomen. Perspectief raad De raad geeft aan dat op dit moment onvoldoende zicht is op de prestatie van de uitvoering. De informatie die beschikbaar is, zoals de sociaal domeinmonitor, geeft volgens hem onvoldoende inzicht in of de gestelde doelen daadwerkelijk worden bereikt. Verder wil de raad meer kunnen sturen op voortgang en resultaten in plaats van enkel op kosten. De raad mist een actueel overzicht van behaalde resultaten en knelpunten die zich in de uitvoering voortdoen. Hierdoor is het volgens raadsleden lastig om tijdig bij te sturen. De raad heeft de wens om vaste momenten af te spreken met het college om de raad te informeren, voornamelijk als afspraken of beleidsdoelen niet worden gehaald. f.

Hoe wordt in de p&c-cyclus gerapporteerd over de jeugdhulp en heeft de raad hier voldoende aan? Perspectief beleidsmakers Volgens beleidsmakers worden nieuwe ontwikkelingen via de reguliere planning- en control cyclus met de raad gedeeld via bestuursrapportages. Daarnaast wordt benoemd dat deze rapportages momenteel procesmatig en financieel van aard zijn. Een onderbouwing op het behalen van beleidsdoelen of maatschappelijk effect i er wel, maar deze gaat voornamelijk over output en niet over effect. Daarom werken beleidsmakers momenteel aan het uitbreiden van de sociaal domeinmonitor zodat dit ingezet kan worden als instrument voor de raad om inhoudelijk te sturen. Er wordt gestreefd naar een dashboard dat actuele informatie bevat over ieder geval wachttijden, ontwikkelingen, tevredenheid en effect.

69

Perspectief raad Raadsleden benoemen dat de planning- en controlcyclus onvoldoende informatie biedt om structureel te sturen. Begroting en doelenbomen zijn aanwezig, maar de koppeling tussen beleidsdoelen, uitvoering en de behaalde resultaten ontbreken. Daarnaast vinden raadsleden dat zij pas laat worden geïnformeerd over afwijkingen. Dit zorgt ervoor dat zij niet tijdig kunnen bijsturen of het college ter verantwoording kunnen roepen. Raadsleden pleiten voor een rapportage waarin ook de voortgang op beleidsdoelen, effectiviteit en afwijkingen inzichtelijk worden gemaakt gekoppeld aan indicatoren om te meten. 5.5 Toetsing normenkader Voor de toetsing aan de norm werken we met de volgende termen in volgorde van niet voldoen tot voldoen: • Voldoet niet: dit betekent dat op geen enkele wijze of slechts bijna (0-20%) wordt voldaan aan de norm. • Voldoet beperkt: dit betekent dat voor een klein deel (20-50%) wordt voldaan aan de norm • Voldoet merendeels: dit betekent dat voor een groter deel (>50%, <75%) wel dan niet wordt voldaan aan de norm. • Voldoet grotendeels: dit betekent dat voor een zeer groot gedeelte (>75%) wordt voldaan aan de norm. • Voldoet: dit betekent dat volledig (100%) wordt voldaan aan de norm. Normen • De gemeente heeft haar doelen en visie van jeugdhulp SMART geformuleerd. •

De gemeente gebruikt inzichten over de hulpvraag in haar beleid en biedt vervolgens middelen om jongeren/gezinnen met een hulpvraag ondersteuning te bieden.

•

De gemeente heeft aan de hand van cijfers inzicht in het aantal jeugdigen met een hulpvraag.

•

De gemeente heeft continue inzicht in de wachtlijsten in de jeugdhulp.

•

Jeugdigen en/of hun gezinnen worden betrokken bij het verkrijgen van inzicht in de actuele hulpvraag. Jeugdigen/gezinnen ervaren maximale ondersteuning bij hun hulpvraag.

•

70

Toetsing Voldoet niet. De doelen en visie zijn richtinggevend maar niet SMART geformuleerd. Meetbare indicatoren en tijdslijnen ontbreken. Voldoet beperkt. Huidig beleid is deels gebaseerd op signalen en praktijkervaringen. Middelen worden geboden aan jongeren en gezinnen maar een structurele analyse van het effect ontbreekt. Voldoet niet. Er is veel data beschikbaar maar geen samenhangend cijfermatig overzicht. Inzicht in aantal jeugdigen met een hulpvraag is versnipperd. Voldoet niet. Er is geen totaaloverzicht van de wachtlijsten aanwezig. Informatie over wachtlijsten is niet structureel beschikbaar. Een taskforce in ingesteld om dit inzichtelijk te maken. Voldoet niet. Betrokkenheid van jeugdigen en gezinnen vindt incidenteel plaats via consultaties om inzicht te krijgen in de actuele hulpvraag. Voldoet beperkt. De toegang is breed ingericht maar wordt door jeugdigen en gezinnen als traag, ongelijk en soms ontoegankelijk ervaren.

•

Raadsleden ervaren dat zij voldoende informatie ontvangen over de budgetten om inzicht te krijgen in de huidige situatie en bij te kunnen sturen daar waar nodig.

•

De beschikbare en gebruikte instrumenten van de raad stelt haar in staat om voldoende grip te hebben op de jeugdhulp en bij te sturen op beleid en uitvoering daar waar nodig.

•

De raad ontvangt periodiek informatie over aard, proces, omvang en doelbereik van de jeugdhulp. De raad stuurt op basis van deze ontvangen informatie om het doelbereik van de jeugdhulp te vergroten.

•

De gemeente heeft procedureel afspraken vastgelegd over rapportering naar de raad over de voortgang en prestaties van de uitvoering. De raad wordt minimaal een keer per jaar hierover geïnformeerd.

•

De raad wordt minimaal een keer per jaar geïnformeerd over de uitvoering van de jeugdhulp.

•

De raad ervaart dat zij voldoende informatie ontvangen over de uitvoering van de jeugdhulp. De informatie zorgt dat zij eventueel kunnen bijsturen waar nodig

71

Voldoet beperkt. De raad krijgt informatie over budgetten via de planning- en control cyclus. Dit wordt als te globaal en versnipperd ervaren. De raad mist informatie over effect van uitvoering. Voldoet beperkt. De raad heeft instrumenten, maar deze geven voornamelijk inzicht in kosten waardoor beperkt inhoudelijk gestuurd kan worden. Voldoet beperkt. Inhoudelijke informatie over effect ontbreekt waardoor sturing op doelbereik beperkt is. De raad ontvangt periodiek informatie maar deze is voornamelijk gericht op afwijkingen en kosten, minder op maatschappelijk effect en doelbereik. Voldoet merendeels. De raad wordt via de reguliere planning- en control cyclus en de sociaal domeinmonitor minimaal een keer per jaar geïnformeerd. Dit is de huidige afspraak. De raad ervaart deze informatie over prestaties als beperkt. Voldoet. De raad wordt minimaal een keer per jaar geïnformeerd via planning- en control momenten zoals de begroting, jaarrekening en monitor. Voldoet niet. De raad ervaart de informatie niet inhoudelijk genoeg. Dat beperkt de mate waarin de raad kan (bij)sturen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16263413/1