CConstaterende datAltena
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage RV Warmtevisie Altena 2021- Warmtevisie gemeente Altena 2021

Raadsvergadering 21 december 2021, gemeente AltenaBij agendapunt: Warmtevisie25.446 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

31

6.2

Nadere uitwerking strategie

De ambitie en uitgangspunten zijn vertaald in drie strategische sporen (A, B en C):

• Spoor A: gemeentebrede aanpak • Spoor B: intensieve aanpak voor isoleren meest kansrijke buurten • Spoor C: onderzoek naar aardgasvrij De ambitie is om tot 2030 in totaal 3.000 woningen uit de energieklasse C t/m G te isoleren tot minimaal energielabel B. Circa een derde van dit aantal zullen de beide woningcorporaties voor hun rekening nemen. In 2030 voldoen alle woningen van de woningcorporaties gemiddeld aan energielabel A. Het resterende deel betreft woningen van particuliere eigenaren. Ook de vve’s in Altena willen we stimuleren om isolatiemaatregelen te nemen en aardgasvrij-gereed te worden. De strategie voor isoleren verloopt via de sporen A en B. De ambitie is om in de periode tot 2030 een begin te maken met het aardgasvrij maken van woningen in de gemeente. Dat doen we door een pilot aardgasvrij op te starten en natuurlijke momenten, zoals de programmatische vervanging van cv-ketels, te benutten. De strategie voor aardgasvrij verloopt via de sporen A en C.

6.2.1

Spoor A: gemeentebrede aanpak

De gemeente, de woningcorporaties, de energiecoöperatie en overige relevante partijen en ondernemers maken gezamenlijk een gemeentebreed uitvoeringsplan en voeren dit samen uit. In dit uitvoeringsplan geven we bewoners op een gedetailleerde manier handelingsperspectief voor enerzijds isoleren en anderzijds aardgasvrij maken. Het doel van spoor A is om het tempo van de uitvoering van duurzaamheidsmaatregelen door particuliere woningeigenaren en vve’s te versnellen. De kracht van het bestaande energieloket Altena Woont Slim en de kennis en ervaring van de energiecoöperatie en woningcorporaties worden in deze strategie gebundeld en versterkt. De woningcorporaties zetten zich in om het gespikkeld bezit mee te nemen als ze hun eigen woningen verduurzamen. Netbeheerder Enexis speelt een belangrijke rol bij het vormgeven van het handelingsperspectief. Mogelijk zijn sommige buurten de komende tijd nog ongeschikt om over te stappen op elektrische warmtepompen vanwege de beperkte capaciteit van het elektriciteitsnet. Hiermee zal in de communicatiestrategie rekening worden gehouden. Inwoners worden waar mogelijk ontzorgd en financieel de weg gewezen. Via een intensieve communicatie- en participatiestrategie betrekken we inwoners bij de aanpak.

We verbinden de aanpak zoveel mogelijk aan natuurlijke momenten: op het moment dat een woning bijvoorbeeld van eigenaar verwisselt, wordt de nieuwe eigenaar op een actieve manier gestimuleerd om de woning te isoleren. Banken, makelaars, aannemers en installateurs kunnen hierbij een belangrijke rol vervullen.

Isoleren Voor het isoleren richten we ons op alle buurten met woningen in de energieklasse C t/m G. We laten de bewoners zien hoe ze stap voor stap hun woning kunnen isoleren, welke partijen ze daarbij kunnen inschakelen, hoeveel het kost, hoeveel het oplevert en welke financieringsmogelijkheden er zijn. Dit kan bijvoorbeeld in de vorm van ‘menukaarten’ per woningtype. In deze Warmtevisie hebben we alvast een basisversie van het handelingsperspectief uitgewerkt, zie HOOFDSTUK 7. 32 Warmtevisie Altena november 2021

Aardgasvrij maken Voor het aardgasvrij maken richten we ons met name op de eigenaren van woningen met energielabel A en B. Deze woningen zijn meestal nu al geschikt om aardgasvrij te worden verwarmd. We laten de bewoners zien welke mogelijkheden er zijn om hun woning nu al aardgasvrij te maken, welke partijen ze daarbij kunnen inschakelen, hoeveel het kost en hoeveel het oplevert. Daarbij brengen we ook hybride-oplossingen onder de aandacht zoals hybride-warmtepompen die deels nog van aardgas gebruikmaken. We verbinden de aanpak zoveel mogelijk aan natuurlijke momenten: op het moment dat een woning bijvoorbeeld een nieuwe cv-ketel nodig heeft, wordt de eigenaar op een actieve manier gestimuleerd om een duurzaam alternatief te kiezen. Installateurs kunnen hierbij een belangrijke rol spelen.

6.2.2

Spoor B: intensieve aanpak voor isoleren meest kansrijke buurten

Ervaringen uit het verleden leren dat met een gemeentebrede aanpak wel vooruitgang kan worden geboekt, maar onvoldoende om de 2030-doelstelling te halen. Daarom kiezen we één of enkele buurten waar snel en op een systematische manier grotere aantallen woningen kunnen worden verduurzaamd. In deze buurt(en) organiseren we, bovenop de aanpak van spoor A, een intensief en persoonlijk participatietraject voor inwoners. Samen met inwoners, vve’s, de woningcorporatie en andere betrokken partijen stellen we per buurt een buurtuitvoeringsplan op. Doel is om iedere inwoner voor zijn eigen woning een gedetailleerd beeld te geven van de benodigde isolatie- (en ventilatie)maatregelen, kosten, opbrengsten en financiering. Daarbij maken we gelijk de doorkijk naar aardgasvrij. We laten inwoners zien wat ze eventueel aanvullend kunnen doen om hun woning aardgasvrij te maken. Hierbij hebben we ook oog voor tijdelijke oplossingen zoals hybride warmtepompen. Verder onderzoeken we de mogelijkheden van gezamenlijke inkoop en uitvoering van de verduurzamingsmaatregelen. De meest kansrijke buurten voor spoor B zijn buurten met een groot aandeel woningen met energielabel C en D. Dit zijn buurten die overwegend in de jaren ’60, ’70 en ’80 zijn gebouwd, met veel rijwoningen en uniforme bouwstijl.

De woningen zijn op een systematische wijze gebouwd en kunnen ook op een systematische en kostenefficiënte manier worden geïsoleerd. Voor de meeste woningen in deze klasse zijn de maatregelen niet erg ingrijpend; er zijn geen grote verbouwingen nodig. Hoe meer corporatiewoningen in een buurt, hoe kansrijker, want de corporatiewoningen kunnen enerzijds als voorbeeld voor de koopwoningen dienen en anderzijds kunnen de woningcorporatie en de particuliere woningeigenaren een gezamenlijke uitvoering op poten zetten. In totaal zijn er in Altena circa 9.000 woningen met een energielabel C of D. De meest kansrijke buurten voor spoor B zijn Welgelegen in Werkendam, Almkerk-Oost en VervoornepolderZuid in Werkendam. In totaal staan hier ruim 1.600 woningen met energielabel C en D en het corporatiebezit is hoog (36-40%). Met Sleeuwijk-West kan dit aantal worden vergroot tot ruim 2.500 woningen. In SleeuwijkWest is het corporatiebezit echter een stuk lager dan in de andere drie buurten, namelijk 21%. Voor de keuze van de meest geschikte buurten voor spoor B zijn niet alleen bovenstaande technische en financiële argumenten leidend. Voor de uiteindelijke keuze is met name het draagvlak onder inwoners een bepalende factor. Daarvoor is het van belang om de warmtetransitie te zien als onderdeel van een integrale aanpak van een buurt, straat of locatie.

Op het moment dat er ontwikkelingen in het ruimtelijke of sociale domein plaatsvinden, ontstaat er reuring onder inwoners en kan er ook draagvlak ontstaan of worden gecreëerd voor de warmtetransitie. Herinrichting van het openbaar gebied is hier een voorbeeld van. Bewoners worden dan actief, er wordt een werk- of klankbordgroep ingericht, en de saamhorigheid onder de bewoners neemt toe. Bewoners kunnen op dit soort momenten worden gestimuleerd om gezamenlijk (of middels een vve) met de verbetering van hun woning aan de slag te gaan en mee te werken aan een plan om dit te realiseren. Dorpsraden en buurtverenigingen kunnen hierbij behulpzaam zijn. 33

6.2.3

Spoor C: onderzoek naar aardgasvrij

Onderzoek naar pilot aardgasvrij Om in de periode tot 2030 te starten met het aardgasvrij maken van woningen, willen we onderzoeken of we een pilot kunnen opzetten waarin een buurt of een deel daarvan aardgasvrij wordt gemaakt. Met deze pilot willen we niet alleen kennis opdoen over techniek en financiering, maar ook leren hoe we inwoners kunnen laten participeren. We willen hierbij ook ervaringen uit andere gemeenten toepassen. Waar we deze pilot gaan opzetten, bepalen we samen met de betrokken partijen en inwoners. Technisch gezien zijn de meest recent gebouwde buurten met een aardgasaansluiting het meest kansrijk, omdat de woningen hier al voldoende geïsoleerd zijn. Hier zijn de kosten per woning het laagst en is de installatie van de aardgasvrije warmtevoorziening het minst ingrijpend. Maar de technisch-economische argumenten hoeven niet de doorslag te geven voor de keuze van de pilot. Belangrijk is dat een locatie wordt gekozen waar inwoners en betrokken partijen gezamenlijk de schouders eronder willen zetten. We gaan daarom eerst op zoek naar de buurt met het meeste draagvlak en enthousiasme. Vervolgens ontwerpen we samen met inwoners en betrokken partijen de aanpak en leggen dit vast in een uitvoeringsplan. We onderzoeken de mogelijkheden voor subsidie. We hebben geen voorkeur voor het toepassen van een bepaalde techniek in de pilot.

Zowel individuele warmtepompen als de ontwikkeling van een (kleinschalig) warmtenet behoren tot de mogelijkheden. Bewoners en partners bepalen samen welke techniek de voorkeur heeft. De schaalgrootte van de pilot leggen we niet vast in deze Warmtevisie. Het kan een kleinschalige pilot betreffen in één of enkele straten of een hele buurt omvatten. Inwoners en betrokken partijen bepalen zelf de schaalgrootte.

Onderzoek naar kansen warmtenet Voor de grootste woonkernen van Altena zien we de aanleg van een warmtenet als een serieuze optie. Een voorbeeld hiervan is de koppeling van de warmte uit de RWZI en het gemaal aan de buurt Vervoornepolder in Werkendam. Het waterschap Rivierenland en de gemeente zien hier serieuze kansen. Daarbij speelt ook dat het vanwege de woningtypologie mogelijk lastig wordt om alle woningen voldoende te isoleren voor een all-electric warmtepomp. Aansluiting op een warmtenet stelt over het algemeen minder hoge eisen aan de isolatietoestand van de woningen dan een all-electric oplossing. We willen de kansen voor een warmtenet verder verkennen. Dit doen we samen met de betrokken partijen. In dit kader volgen we ook de ontwikkelingen rondom onder meer aqua-, rio- en geothermie en we verzamelen de ervaringen die elders in Nederland worden opgedaan, zoals in de proeftuinen van het Programma Aardgasvrij Wijken.

6.3

Rol gemeente en andere partijen

Gemeente Als gemeente voeren we regie in de warmtetransitie. We stellen deze visie op, brengen partijen bij elkaar, starten verkenningen en zorgen voor coördinatie op de buurtuitvoeringsplannen die de komende jaren gemaakt gaan worden. De gemeente richt zich met name op de regie van het proces (procesregisseur) en het waar mogelijk koppelen van de warmtetransitie aan andere ruimtelijke of sociaal-economische opgaves van de gemeente of andere betrokken partijen (integrale regisseur). Concreet betekent dit dat de gemeente vooral inwoners, ondernemers en andere betrokken partijen aan elkaar verbindt, belangen zorgvuldig afweegt en initiatief stimuleert.

34 Warmtevisie Altena november 2021

Er is nog geen juridische doorzettingsmacht voor de Nederlandse gemeenten in relatie tot de energietransitie. De keuze voor een warmtealternatief kan (op dit moment) dus nog niet worden afgedwongen bij inwoners na een gedegen proces (participatie en technisch onderzoek). De gemeenten proberen zoveel mogelijk initiatief te stimuleren, maar uiteindelijk zal er waarschijnlijk meer nodig zijn om de doelstellingen te behalen. Naar verwachting krijgen gemeenten in de toekomst bevoegdheid om aan te geven dat een wijk op een bepaalde datum van het aardgasnet wordt afgesloten. Dit instrument is nu echter nog niet in wet- en regelgeving verankerd en het is onbekend wanneer dit wel het geval zal zijn. Tot het moment dat het afsluiten in wet- en regelgeving is verankerd, is het alleen mogelijk om door middel van verleiding inwoners te laten overstappen op een verwarmingssysteem zonder aardgas.

Warmtewet 2.0 De huidige Warmtewet wordt herzien en verwacht wordt dat de nieuwe Warmtewet in 2022 in werking treedt. Deze wetsaanpassing heeft aanzienlijke gevolgen voor de marktordening en de positie van gemeenten. De gemeente krijgt met de nieuwe wet de mogelijkheid om warmtekavels aan te wijzen en warmtebedrijven te selecteren en zo sturen op de ontwikkeling van warmtenetten. Een warmtekavel betreft een gebiedsafbakening waarbinnen zich wijken/gebouwen bevinden waarvoor de gemeenten collectieve warmte overweegt. De gemeente krijgt de bevoegdheid om per warmtekavel een warmtebedrijf aan te wijzen. Het warmtebedrijf heeft de wettelijke taak om een collectief warmtesysteem binnen het warmtekavel tegen zo efficiënt mogelijke kosten met een duurzame en betrouwbare kwaliteit te realiseren. Het warmtebedrijf moet ook de gemeente ondersteunen bij het maken van een uitvoeringsplan voor de uitrol van collectieve warmtesystemen en wordt verantwoordelijk voor de verduurzaming en leveringszekerheid van het warmtesysteem. De gemeente moet op dat moment ook de eigen rol in het warmtebedrijf bepalen. Daarbij kan de gemeente ervoor kiezen om alles aan de markt over te laten of zelf in het warmtebedrijf te stappen. Ook zijn constructies zoals een coöperatief warmtebedrijf denkbaar waarbij ook inwoners eigenaar zijn.

Of het aanwijzen van warmtekavels in Altena nodig is of kansen biedt en welke rol het best bij Altena past, wordt de komende jaren verder uitgewerkt.

Woningcorporaties Bazalt Wonen en Woonstichting Land van Altena De woningcorporaties staan aan de lat voor de verduurzaming van hun eigen woningbestand. In de prestatieafspraken is vastgelegd dat in 2030 alle corporatiewoningen gemiddeld voldoen aan energielabel A. De woningcorporaties werken mee aan het uitwerken van de buurtuitvoeringsplannen en leveren inbreng in de vorm van kennis op met name technisch en financieel vlak.

Enexis Als beheerder van het gas- en elektriciteitsnet levert Enexis kennis over de benodigde aanpassingen van haar infrastructuur voor aardgasvrije warmteoplossingen. Enexis werkt mee aan het opstellen van buurtuitvoeringsplannen. Enexis toetst of voorgenomen warmteoplossingen uitvoerbaar zijn binnen de beschikbare netwerkcapaciteit.

35

Waterschap Rivierenland Het waterschap is beheerder van de meeste waterwegen, gemalen en de rioolwaterzuivering in de gemeente. Deze zijn belangrijk voor de ontwikkeling van aquathermie; de winning van warmte uit afval- of oppervlaktewater. Het waterschap beschikt over kennis over de kansen en beperkingen voor aquathermie. Op het moment dat de kansen voor de ontwikkeling van een warmtenet verder verkend worden, hebben we het waterschap daarbij nodig.

Woning- en gebouweigenaren De te treffen verduurzamingsmaatregelen vinden voor het overgrote deel achter de voordeur van woning- en gebouweigenaren plaats. Hun rol bij het opstellen van de buurtuitvoeringsplannen en het vervolg daarop is cruciaal. Woning- en gebouweigenaren kunnen hun inbreng bij de ontwikkeling van de buurtuitvoeringsplannen leveren door mee te doen aan bijvoorbeeld een werk- of klankbordgroep. Daarnaast hebben inwoners een rol in het ontplooien van buurtinitiatieven en het bedenken van een plan om hun buurt te isoleren of aardgasvrij te maken.

Huurdersbelangenverenigingen Huurders hebben zeggenschap over wat er in hun woning gebeurt zodra de corporatie duurzaamheidsmaatregelen wil nemen die leiden tot huurverhoging. Draagvlak bij de huurders is essentieel om de uitvoering van de maatregelen door de woningcorporatie soepel te laten verlopen. De huurdersbelangenverenigingen vormen een schakel tussen de huurders en de woningcorporaties en kunnen helpen om het draagvlak bij huurders te vergroten.

Dorpsraden en sociale netwerken Inwonersverenigingen en sociale netwerken kunnen worden ingezet om inwoners te betrekken. De rol van en het draagvlak bij inwoners en gebouweigenaren kunnen worden vergroot door bij de buurtuitvoeringsplannen breder dan alleen naar warmtetransitie te kijken en ook andere buurtverbeteringen ter hand te nemen.

Energiecoöperatie Altena Nieuwe Energie Altena Nieuwe Energie stimuleert inwoners van Altena al bijna 10 jaar om te verduurzamen. Zij zijn daarbij zoekende naar een integrale wijkgerichte aanpak waarmee ze meer kunnen bereiken dan nu.

Altena Woont Slim Het energieloket Altena Woont Slim beschikt over veel technische en financiële kennis over het verduurzamen van woningen en zet energiecoaches in. Altena Woont Slim heeft contact met inwoners en ondernemers, waardoor ze met lokale kennis actief kunnen bijdragen aan buurtinitiatieven en buurtuitvoeringsplannen.

Particuliere bedrijvensector Lokaal gevestigde ondernemingen, zoals makelaars, banken, aannemers en installateurs, kunnen als intermediair worden ingezet om hun klanten bewust te maken van de mogelijkheden voor de verduurzaming van hun woning of gebouw. Banken en makelaars kunnen bijvoorbeeld nieuwe woningeigenaren bij de overdracht of het afsluiten van een hypotheek wijzen op de kansen voor energiebesparing als ze het huis isoleren. Of een stapje verder: banken zouden in een financieel arrangement kunnen participeren, waarmee hun klanten op een financieel aantrekkelijke manier aan de slag kunnen met verduurzamingsmaatregelen. Aannemers en installateurs kunnen hun klanten bij een verbouwing of de vervanging van de cv-ketel op duurzame alternatieven wijzen. Ze zouden ook kunnen participeren in een technisch (en mogelijk ook financieel) arrangement, waarmee ze kun klanten een ontzorgingspakket kunnen aanbieden.

36 Warmtevisie Altena november 2021

7. Hoe pakken we de uitvoering aan? 7.1

Inleiding

In het vorige hoofdstuk hebben we onze ambitie, uitgangspunten en strategie uiteengezet. In dit hoofdstuk beschrijven we hoe we de strategie gaan uitvoeren en wie we hierbij nodig hebben. In het Klimaatakkoord is vastgelegd dat de woningen en gebouwen de komende 30 jaar stapsgewijs, wijk voor wijk of buurt voor buurt, van het aardgas afgaan. Op dit moment vinden we het echter nog te vroeg om een dergelijke planning voor alle wijken of buurten te maken. Er zijn hiervoor nog te veel technische, organisatorische en financiële onzekerheden. Wel kunnen we aangeven op welke buurten we ons in de periode tot 2030 gaan richten en ook kunnen we een grof beeld schetsen van de periode daarna.

7.2

Planning warmtetransitie voor de periode tot 2030

In deze paragraaf is de uitvoering van de strategische sporen (A, B en C) verder ingevuld:

• Spoor A: gemeentebrede aanpak • Spoor B: intensieve aanpak voor isoleren meest kansrijke buurten • Spoor C: onderzoek naar aardgasvrij In FIGUUR 8 is de planning en samenhang tussen de sporen gevisualiseerd. 2022

2023

Buurt 1 Buurt 2 Buurt 3

Spoor C Figuur 8.

2025

Uitvoeringsplan

Spoor A

Spoor B

2024

2030

Uitvoering

Uitvoeringsplan

Uitvoering

Uitvoeringsplan

Uitvoering

Uitvoeringsplan

Uitvoering

Uitvoering onderzoek

Planning en samenhang sporen.

37

7.2.1

Spoor A: gemeentebrede aanpak

In de eerste helft van 2022 stellen de gemeente, de woningcorporaties, de energiecoöperatie en overige relevante partijen gezamenlijk een gemeentebreed uitvoeringsplan met een handelingsperspectief voor woningeigenaren op en voeren dit vervolgens samen uit. Het uitvoeringsplan is met name gericht op spijtvrije maatregelen voor het isoleren en aardgasvrij maken van woningen en stimuleert woningeigenaren om zelf maatregelen te treffen op een voor hen passend moment. Het is belangrijk om hier ook de lokaal gevestigde particuliere bedrijvensector (banken, makelaars, installateurs en aannemers) bij te betrekken. Zij kunnen als intermediair worden ingezet om natuurlijke momenten en koppelkansen te benutten (zie ook PARAGRAAF 6.3).

Koeling en ventilatie De warmtetransitie en deze Warmtevisie richten zich in de eerste plaats op de verduurzaming van de verwarming van woningen en gebouwen. De zomers worden echter steeds warmer en de behoefte aan koeling van de woningen neemt ieder jaar toe. Het gebruik van airconditioners zorgt voor een aanzienlijk hoger energieverbruik. Bij de ontwikkeling van het handelingsperspectief voor inwoners is het verstandig om dit aspect integraal mee te nemen. Daarbij kan bijvoorbeeld naar warmtetechnieken worden gezocht die de woning zowel op een duurzame manier kunnen verwarmen als koelen. De ventilatie van de panden is een ander aandachtspunt. Het isoleren van panden kan tot een slechter binnenklimaat leiden als er niet goed over de ventilatie wordt nagedacht. Isolatie en ventilatie gaan hand in hand bij het ontwikkelen van de technische oplossingen voor de woningverbetering.

In september 2021 is de uitvoering van het RREW-subsidietraject gestart (zie ook PARAGRAAF 7.6). De woningcorporaties Woonstichting Land van Altena en Bazalt Wonen participeren hierin voor hun woningbezit. Deze lopende RREW-regeling, waarmee zowel huurders als woningeigenaren financieel kunnen worden gestimuleerd om hun woning te verduurzamen, integreren we in het uitvoeringsplan.

7.2.2

Spoor B: intensieve aanpak voor isoleren meest kansrijke buurten

In de periode tot 2030 richten we ons specifiek op maximaal drie buurten en hier gaan we aan de slag met de isolatieaanpak (spoor B). Als eerste stap onderzoeken we in de eerste helft van 2022 in welke van de buurten het meeste draagvlak onder bewoners, de woningcorporatie en andere betrokken partijen aanwezig is om met spoor B te starten. Technisch gezien zijn de meest kansrijke buurten die voor dit onderzoek in aanmerking komen: Welgelegen en Vervoornepolder-Zuid in Werkendam, Almkerk-Oost en SleeuwijkWest. Echter, niet alleen technische argumenten zijn doorslaggevend bij de buurtkeuze. Als er in andere buurten meer draagvlak wordt verwacht, omdat daar aan andere ruimtelijke of sociale opgaves wordt gewerkt, kunnen ook deze in aanmerking komen voor spoor B (zie ook PARAGRAAF 6.2.2). Resultaat van het onderzoek kan ook zijn dat het beter is om met slechts een deel van de buurt aan de slag te gaan. Aan de hand van het onderzoek kiezen we een eerste buurt en stellen hiervoor samen met inwoners, de woningcorporatie, de energiecoöperatie en andere betrokken partijen een buurtuitvoeringsplan op. Afhankelijk van de voortgang en het succes, doen we vervolgens hetzelfde met de andere twee buurten.

38 Warmtevisie Altena november 2021

Het buurtuitvoeringsplan richt zich primair op het isoleren van de woningen en het voorbereiden op elektrisch koken, maar we maken ook een doorkijk naar de maatregelen voor het aardgasvrij maken van de woningen. Op deze manier kunnen de eigenaren van voldoende geïsoleerde woningen al stappen zetten om aardgasvrij te worden, al dan niet via een hybride (tussen)oplossing. Het geheel aardgasvrij maken van de bovengenoemde buurten voorzien we in de periode na 2030. Nadat het buurtuitvoeringsplan (of plannen) is opgesteld, start de gezamenlijke uitvoering. Doel is dat uiteindelijk minimaal 50% van de beoogde groep woningeigenaren meedoet. Om dit doel te halen, is een persoonlijke aanpak cruciaal. Hiervoor willen we onder meer energiecoaches inzetten.

7.2.3

Spoor C: onderzoek naar aardgasvrij

Voor de pilot aardgasvrij gaan we in 2022 op zoek naar een buurt of een locatie met veel draagvlak en enthousiasme onder de bewoners en betrokken partijen. We onderzoeken of het uitvoeren van een pilot kansrijk is. Bij een positief antwoord, werken we in gezamenlijkheid een uitvoeringsplan uit met als doel om voor 2030 de pilot te hebben afgerond. Een cruciaal onderdeel van de pilot is het opdoen en delen van leerervaringen. Dit moet andere bewoners en gebouweneigenaren inspireren om zelf ook aan de slag te gaan. Verder verkennen we de kansen voor een warmtenet. Dit doen we samen met de woningcorporaties, het waterschap en de energiecoöperatie. In dit kader volgen we ook de ontwikkelingen rondom onder meer aqua-, rio- en geothermie en we verzamelen de ervaringen die elders in Nederland worden opgedaan, zoals in de proeftuinen van het Programma Aardgasvrije Wijken.

7.3

Planning warmtetransitie voor de periode 2030-2050

Ook na 2030 wordt de Warmtevisie minstens iedere 5 jaar herijkt en aangepast aan de dan van toepassing zijnde inzichten. Na 2030 stellen we voor alle overige buurten buurtuitvoeringsplannen op om deze waar nodig te isoleren en aardgasvrij te maken. Vermoedelijk starten we met het aardgasvrij maken in buurten waar dat technisch het makkelijkste kan en de maatschappelijke kosten het laagst zijn. Dit zijn de buurten waar het overgrote deel van de woningen en gebouwen voldoende geïsoleerd is voor een aardgasvrije oplossing. Parallel hieraan zullen we doorgaan met de isolatieaanpak en deze buurt voor buurt verder uitrollen. We verwachten dat de buurten met veel slecht geïsoleerde woningen (label E, F en G) als laatste aan de beurt zullen zijn. Dit zijn vooral de buurten in de historische kernen en de lintbebouwing. Hier staan veel verschillende woningtypes uit verschillende bouwperiodes en elke woning heeft maatwerk nodig. Voor de aanpak van deze woningen kan veel geleerd worden van de andere buurten, waardoor de te treffen maatregelen efficiënter kunnen worden uitgevoerd. Zolang er voor de betreffende buurten geen buurtuitvoeringsplannen zijn opgesteld, volgen de buurten hun natuurlijke tempo en kunnen de woning- en gebouweigenaren zelfstandig hun pand verduurzamen.

In de periode na 2030 start ook de grootschalige aanpak van bedrijfsgebouwen en maatschappelijk en commercieel vastgoed. Hiervoor worden aparte trajecten opgestart. Dat wil niet zeggen dat er tot 2030 niets gebeurt. Voor verschillende gebouwtypes zijn sectorale milieuvoorschriften van toepassing. Kantoorgebouwen moeten bijvoorbeeld in 2023 aan energielabel C voldoen. Verder start de gemeente ook al met de verduurzaming van het maatschappelijk vastgoed, waaronder scholen. De gemeente ontwikkelt hier momenteel een routekaart voor.

39

7.4

Uitvoeringsplannen

Het uitvoeringsplan draagt bij aan het ordenen en concretiseren van de visie op het aardgasvrij maken en/of isoleren van de wijk of buurt. Daarmee biedt het handelingsperspectief. Het uitvoeringsplan beschrijft voor één of meerdere buurten (buurtuitvoeringsplan) of wijken (wijkuitvoeringsplan) of de hele gemeente (gemeentebreed uitvoeringsplan) op welke manier woningen en gebouwen planmatig worden geïsoleerd en vervolgens op welk duurzaam warmtealternatief buurten of wijken overgaan, per wanneer, en welke maatregelen nodig zijn om tot de gewenste situatie te komen. Een uitvoeringsplan toont een totaaloverzicht van de stappen die door diverse partijen gezet gaan worden om de maatregelen te realiseren. Altena kiest voor de periode tot 2030 voor het opstellen van een gemeentebreed uitvoeringsplan (spoor A) dat de bewoners van alle buurten handelingsperspectief geeft voor het isoleren en aardgasvrij maken van hun woning. Daarnaast stellen we buurtuitvoeringsplannen op conform de hiervoor beschreven planning, te beginnen met maximaal drie buurtuitvoeringsplannen in de periode tot 2030 (spoor B). Daarnaast maken we een uitvoeringsplan voor de pilot aardgasvrij (spoor C).

Het is van belang dat er bij het opstellen van de uitvoeringsplannen ook rekening wordt gehouden met de neveneffecten die door bijvoorbeeld het isoleren van panden kunnen ontstaan en de daarbij horende weten regelgeving. Een voorbeeld daarvan is het isoleren van spouwmuren waardoor vleermuizen verjaagd worden. Daar is de Wet natuurbeheer op van toepassing. Het opstellen van een uitvoeringsplan verloopt via de onderstaande vier stappen:

Stap 1: Buurt- of wijkanalyse De eerste stap bestaat uit een analyse van de bestuurlijke, financiële en technische kaders en de fysieke en sociale kenmerken van de buurt of wijk. Het vormt de onderbouwing voor een bestuurlijke opdracht om een uitvoeringsplan op te stellen voor een buurt of wijk.

Stap 2: Projectplan Op basis van de wijkanalyse kan een projectplan of startnotitie worden opgesteld. Hierin wordt het proces vastgelegd om tot een uitvoeringsplan te komen.

Stap 3: Opstellen uitvoeringsplan Vervolgens kan het uitvoeringsplan worden opgesteld. Het opstellen van een uitvoeringsplan vraagt om keuzes langs verschillende sporen: bestuurlijk, juridisch, ruimtelijk, communicatief, technisch en financieel.

Stap 4: Vaststellen De laatste stap is het vaststellen van het uitvoeringsplan als programma onder de Omgevingswet door het college van burgemeester en wethouders. Binnen het instrument ‘Programma’ kan een gebiedsgericht programma interessant zijn, waarbij de leefomgeving integraal benaderd wordt en meekoppelkansen ontstaan. Het zal voornamelijk gaan om de wijze waarop het programma wordt ingericht, al dan niet in combinatie met het opnemen van omgevingswaarden in een omgevingsplan. Daarnaast kan de gemeente in het programma leidende principes opnemen met betrekking tot de ontwikkeling van warmtenetten.

40 Warmtevisie Altena november 2021

Organisatie en participatie Het uitvoeringsplan wordt opgesteld in samenspraak met de bewoners en bedrijven en alle betrokken professionele stakeholders. Het is van belang dat de professionele stakeholders tijdens het gehele traject van de warmtetransitie binnen hun organisatie voldoende capaciteit beschikbaar hebben. Gedurende alle fases vindt dus participatie plaats.

7.5

Wat kunnen woningeigenaren nu al doen?

Woningeigenaren kunnen nu al veel doen om hun woning te isoleren en klaar te maken voor een aardgasvrije toekomst. Ook bestaat er al een scala aan mogelijkheden voor technische hulp, bijvoorbeeld via het energieloket Altena Woont Slim, en financiële ondersteuning, bijvoorbeeld via energiebespaarleningen of subsidies. Ook marktpartijen benaderen regelmatig inwoners met bijvoorbeeld installatiediensten. Toch blijft het voor woningeigenaren vaak lastig om een goed plan te maken voor de benodigde maatregelen, een goede aannemer of installateur te vinden en de financiering te regelen. In BIJLAGE 2 is een kort overzicht opgenomen van de maatregelen die inwoners nu al kunnen treffen. Voor een uitgebreid overzicht zie www.milieucentraal.nl. Hier is ook informatie te vinden over de kosten en financiering van de maatregelen.

7.6

Communicatie en participatie

Zodra we met het opstellen van de uitvoeringsplannen voor de drie sporen aan de slag gaan, betrekken we inwoners, ondernemers en betrokken partijen. Als onderdeel van de uitwerking van de uitvoeringsplannen is het cruciaal om met elkaar een passende communicatie- en participatiestrategie uit te werken in een communicatie- en participatieplan. De centrale vraag daarbij is welke middelen je kunt inzetten om niet alleen de koplopers, maar ook de grote groep inwoners daarachter in beweging krijgt. Door de klankbordgroep, de Warmtevisie-werkgroep en de stuurgroep zijn vele suggesties hiervoor gedaan (zie BIJLAGE 3). Enkele voorbeelden hiervan:

• Verbind de warmtetransitie aan andere opgaves in de buurt, zodat de bewoners zien dat hun hele buurt erop vooruitgaat. Haak aan bij de communicatie- en participatieactiviteiten die vanuit deze andere opgaves worden ingezet.

• Stimuleer installateurs om warmtepompen te promoten bij het vervangen van een cv-ketel. • Maak de websites van de warmtetransitie en het energieloket beter zichtbaar. • Betrek de scholen en laat de leerlingen aan een opdracht voor woningverbetering werken. Door jongeren te betrekken, nemen we de volgende generaties mee in de opgave en bereiken we via de kinderen tegelijkertijd de oudere generaties.

7.7

Financiering en betaalbaarheid voor gebouweigenaren

Op dit moment worden subsidieregelingen en een groot aantal wetten herzien die van grote invloed zijn op de warmtetransitie (onder meer de Warmtewet, Elektriciteitswet, Wet markt en overheid, Wet toezicht financiële markten en diverse belastingwetten). Dit kan gevolgen hebben voor de rol van de gemeente in de warmtetransitie en voor de betaalbaarheid van maatregelen. Voor eigenaren van woningen en gebouwen zullen er de komende jaren andere vormen van financiering beschikbaar komen.

41

Voor woning- en gebouweigenaren bestaan nu al verschillende mogelijkheden voor financiële ondersteuning, zowel in de vorm van subsidies als duurzaamheidsleningen. Dit zijn onder andere:

• ISDE-regeling (particuliere woningeigenaren): subsidie voor het treffen van isolatiemaatregelen of de aanschaf van installaties.

• SAH-regeling (woningcorporaties, particuliere verhuurders en institutionele beleggers): subsidie voor de aansluiting van huurwoningen op een extern warmtenet. De subsidie is zowel voor aanpassingen in de woningen als voor de aansluitkosten op het warmtenet.

• Nationaal Warmtefonds (particuliere woningeigenaren en vve’s): dit biedt langjarige financiering tegen een aantrekkelijke rente voor woningeigenaren en Verenigingen van Eigenaars (vve’s) voor de verduurzaming van woningen.

• Regeling Reductie Energiegebruik Woningen (RREW): Een gemeente kan hiermee huurders en eigenaar-bewoners stimuleren energie te besparen in hun woning. Per woning is maximaal 100 euro beschikbaar. Altena heeft de eenmalige uitkering aangevraagd en ontvangen.

7.8

Monitoring

In het uitvoeringsplan werken we een methode uit waarmee we kunnen volgen of de warmtetransitie op schema ligt, hoeveel woningen al voldoende zijn geïsoleerd en aardgasvrij zijn gemaakt.

42 Warmtevisie Altena november 2021

8. Uitvoeringskosten De uitvoering van de sporen A, B en C gaat niet zonder de inzet van capaciteit van de gemeente, de woningcorporaties, de netbeheerder en andere betrokken organisaties. De kosten die hiermee gemoeid zijn, vormen de ‘maatschappelijke kosten’. Meer informatie hierover vindt u in BIJLAGE 1 ‘Technische en financiële analyse’. Binnen de gemeentelijke organisatie zijn veel verschillende disciplines betrokken bij de warmtetransitie. Het gaat hierbij om specialisten op zowel technisch/ruimtelijk als sociaal vlak. Voor de gemeente is een globale inschatting gemaakt van de benodigde inzet, zie TABEL 1. Hierbij is mede gebruikgemaakt van het onderzoek uit september 2020 van de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) naar de uitvoeringskosten voor het Klimaatakkoord1. Jaar

Activiteit

Aantal fte

Kosten

2022

• Opstellen uitvoeringsplan spoor A • Opstellen uitvoeringsplan spoor B, wijk 1 • Start onderzoek spoor C • Samenwerking woningcorporaties/vve’s

1,6 – 2,4 fte

€ 100.000 voor inhuur communicatiemedewerker en adviesbureau

2023

• Uitvoeren uitvoeringsplannen spoor A en B (wijk 1) • Opstellen uitvoeringsplannen spoor B, wijk 2 • Onderzoek spoor C • Samenwerking woningcorporaties/vve’s • Monitoren en herijken TVW

3,6 – 4,4 fte

€ 100.000 voor inhuur communicatiemedewerker en adviesbureau

2024

• Uitvoeren uitvoeringsplannen spoor A en B (wijk 1, 2) • Opstellen uitvoeringsplannen spoor B, wijk 3 • Onderzoek spoor C • Samenwerking woningcorporaties/vve’s • Monitoren en herijken TVW

4,5 – 5,3 fte

€ 100.000 voor inhuur communicatiemedewerker en adviesbureau

2025 t/m 2030

• Uitvoeren uitvoeringsplannen spoor A en B (wijk 1, 2, 3) • Onderzoek spoor C • Samenwerking woningcorporaties/vve’s • Monitoren en herijken TVW

4,5 – 5,3 FTE

€ 100.000 per jaar voor inhuur communicatiemedewerker en adviesbureau

Tabel 1

Globale inschatting inzet gemeente voor de sporen A, B en C.

1

www.raadopenbaarbestuur.nl/documenten/publicaties/2020/09/24/aef--onderzoeksrapport-uitvoeringskosten-klimaatakkoord

43

Bijlagen

46 Warmtevisie Altena november 2021

BIJLAGE 1 1.1

Technisch en financiële analyse

Technische analyse

Voordat een pand aardgasvrij kan worden, moet worden gezocht naar een andere manier waarmee het pand wordt verwarmd en warm water wordt verkregen. In de technische analyse is voor elke buurt in Altena onderzocht welke oplossing technisch gezien het meest haalbaar is op basis van de huidige gegevens. De technische analyse bestaat uit een aantal onderdelen:

• Een karakterisering van de woningen en gebouwen. • Een nulmeting van het warmteverbruik in de huidige situatie. Deze nulmeting bevat een analyse van het huidige gasverbruik van de woningen en grootverbruikers in Altena.

• Een inschatting van de mogelijke besparing die bereikt kan worden door de panden te isoleren. • Een inventarisatie van de beschikbaarheid van alternatieve warmtebronnen in de gemeente. • Een verdeling van de panden in clusters met een vergelijkbare warmteoplossing. De resultaten van ieder geanalyseerd onderdeel zijn weergegeven op kaarten.

1.1.1

Karakterisering van de woningen en gebouwen

Het warmteverbruik van de panden wordt sterk bepaald door het type en de ouderdom van het pand. Om het huidige warmteverbruik te begrijpen, is daarom als eerste stap een pandenkaart gemaakt met daarop het bouwjaar van de bestaande panden.

Figuur 9.

Pandenkaart met woningtypering (zie BIJLAGE 1.D voor meer detail).

47

Begin 2020 stonden er in Altena 22.434 woningen waarvan 5.357 sociale huurwoningen. Ongeveer 75% van de woningen dateert van voor 1992, ongeveer 50% van voor 1974 en ongeveer 15% van voor 1945.

1.1.2

Energielabels

De Rijksoverheid heeft aan alle woningen op basis van een beperkte dataset een voorlopig energielabel toegekend. Dit geeft een indicatie van de energiezuinigheid van een woning. Hierbij is geen rekening gehouden met eventuele maatregelen die de woningeigenaar getroffen heeft om het energieverbruik te verkleinen, zoals extra isolatie. Woningeigenaren kunnen zelf een definitief energielabel aanvragen. Daarbij wordt wel rekening gehouden met de werkelijke toestand van de woning. De verdeling van de energielabels in Altena is samengevat in FIGUUR 10.

Figuur 10. Energielabels (bron: Wijkpaspoort VNG, peildatum 2020).

Op basis van de voorlopige energielabels beschikt bijna 30% van de woningen over een energielabel B of beter en 59% over een label C of beter. Van alle woningen heeft 44% een definitief energielabel. Van deze woningen beschikt 45% over een energielabel B of beter en 73% over een energielabel C of beter. Vanaf 1 januari 2021 is het stelsel van energielabels uitgebreid met een verdere onderverdeling van energielabel A en is de wijze van beoordelen aangepast. Woningen met een definitief energielabel van voor 2021 kunnen in sommige gevallen na een herbeoordeling volgens de nieuwe regels in een andere klasse terechtkomen.

1.1.3

Huidige warmteverbruik

De totale warmtevraag van alle woningen in de gemeente Altena bedroeg in het peiljaar 2019 1.037 TJ (via de Klimaatmonitor). In FIGUUR 11 is het huidige warmteverbruik per woning of appartement in beeld gebracht. Het warmteverbruik is een manier om het gasverbruik uit te drukken. Het gasverbruik wordt uitgedrukt in kubieke meters (m3) en het warmteverbruik in kilowattuur (kWh) per vierkante meter (m2). Met het warmteverbruik kan makkelijker bepaald worden welk warmtealternatief in de plaats van aardgas kan komen.

48 Warmtevisie Altena november 2021

Figuur 11. Huidig gasverbruik kleinverbruikers per verblijfsobject (zie BIJLAGE 1.D voor meer detail).

De grootverbruikers (met name bedrijven en grote kantoren) zijn niet op deze kaarten opgenomen, omdat de ontwikkeling van de mogelijke oplossingsrichtingen zich in eerste instantie op woningen en kleine gebouwen richt. Het grootste deel van de verblijfsobjecten in de gemeente Altena valt in de klasse > 100 kWh/m2 (alleen geschikt voor hogetemperatuurverwarming). Een kleiner deel valt in de klasse 71-100 kWh/m2 (geschikt voor midden- en hogetemperatuurverwarming). Er is een duidelijke correlatie tussen het bouwjaar van een pand en het kWh/m2 -verbruik.

1.1.4

Warmteverbruik van de panden na isolerende maatregelen

In de tweede stap van de analyse is onderzocht wat het warmteverbruik van de panden is nadat deze zijn geïsoleerd. Hierbij is ervan uitgegaan dat panden geïsoleerd worden tot maximaal energielabel B. Energielabel A is voor een deel van de panden ook haalbaar, maar voor de meeste panden worden de kosten van de verduurzaming dan onrealistisch hoog. Daarom wordt landelijk en ook in deze studie voor Altena het bereiken van energielabel B als maximaal haalbaar gezien. Voor de panden met een hoog warmteverbruik (bijvoorbeeld energielabel F) is energielabel B echter niet realistisch, omdat dit technisch niet kan of te duur is. Voor die panden is het uitgangspunt dat er geïsoleerd wordt tot label D. Voorbeelden van panden met een energielabel F zijn een historisch pand of een enkelsteense jarenzestigwoning. Door het onderscheid van isolerende maatregelen in twee categorieën (energielabel B en D) is dus rekening gehouden met de haalbaarheid van de isolerende maatregelen. Het resultaat is gepresenteerd op de kaart in FIGUUR 12. Na het treffen van isolerende maatregelen daalt het warmteverbruik drastisch. De meeste panden vallen nu in de klasse 71-100 kWh/m2 (geschikt voor middentemperatuurverwarming) Veel panden vallen zelfs in de in de klasse < 70 kWh/m2 (geschikt voor lagetemperatuurverwarming).

Een klein deel, vaak historische panden en de woningen die in de jaren ’60, ’70 en ’80 zijn gebouwd, vallen na isolerende maatregelen nog in de hoogste klasse.

49

Figuur A

Overige gebouwen in Schagen.

Figuur 12. Gasverbruik kleinverbruikers ná isolerende maatregelen (zie BIJLAGE 1.D voor meer detail).

1.1.5

Inventarisatie alternatieven voor aardgas

Met het treffen van isolerende maatregelen kan het warmteverbruik flink worden verminderd. De volgende stap om panden aardgasvrij te maken, is het zoeken naar een alternatieve energievoorziening om panden te verwarmen. De warmte die normaal uit aardgas wordt gehaald, kan uit allerlei alternatieve bronnen worden gewonnen, bijvoorbeeld uit de lucht, de bodem, oppervlaktewater, biomassa en restwarmte uit de industrie. Daarnaast zou ook groen gas (biogas) en in een verdere toekomst mogelijk ook waterstofgas ingezet kunnen worden. In deze analyse is onderzocht welke alternatieven voor aardgas in de gemeente Altena beschikbaar zijn. Daarbij is gekeken wat er nu al kan en welke technieken de komende 10 jaar ingezet kunnen worden. Voor ieder warmtealternatief is bepaald of deze warmte van hoge temperatuur (hoger dan 70 á 80 °C), midden temperatuur (50 tot 70 °C) of lage temperatuur (lager dan 50 °C) kan leveren. Goed geïsoleerde woningen hebben bijvoorbeeld genoeg aan warmte op lage temperatuur. Anderzijds hebben slecht geïsoleerde panden een hoge warmtevraag. Hier zijn alleen warmtealternatieven toepasbaar die een hoge temperatuur kunnen leveren. Daarnaast is voor ieder warmtealternatief bepaald of de warmte via een collectieve voorziening, zoals een warmtenet, naar de panden moet worden gebracht, of dat ieder pand een eigen individuele voorziening kan krijgen.

Sommige warmtealternatieven zijn zowel collectief als individueel toepasbaar. De alternatieve warmtebronnen in Altena zijn in BIJLAGE 1.B op zogenaamde warmtekansenkaarten gezet. In de warmtekansenkaart zijn de volgende bronnen opgenomen:

• Restwarmte • Zonthermie • Aquathermie (TEO) en riothermie (TEA) • Bodemenergie (WKO), zowel voor open als gesloten systemen • Geothermie De alternatieve warmtebronnen zijn in BIJLAGE 1.B samengevat in een Exceltabel met de verwachte potentie en temperatuurniveau.

50 Warmtevisie Altena november 2021

In TABEL 2 is een samenvatting gegeven. Legenda Beschikbaar / technisch-economisch kansrijk Beperkt beschikbaar / technisch-economisch minder kansrijk Nauwelijks beschikbaar / niet kansrijk

Temperatuurniveau van de warmtebron

Warmtebronnen geschikt voor aansluiting op warmtenet (collectief)

Warmtebronnen zonder aansluiting op warmtenet (individueel)

Hogetemperatuurwarmte (HT)

Groen gas (in de toekomst mogelijk waterstof), biomassa (houtpellets, reststromen)

Groen gas (in de toekomst mogelijk waterstof), biomassa (houtpellets, reststromen)

Aardwarmte (geothermie) Middentemperatuurwarmte (MT)

Restwarmte van bedrijven

Zonnewarmte (met opslag)

Oppervlaktewater (aquathermie) Zonnewarmte (met opslag)

Lagetemperatuurwarmte (LT)

Tabel 2

Restwarmte van bedrijven

Zonnewarmte (met opslag)

Zonnewarmte (met opslag)

Luchtwarmte

Bodemwarmte (WKO)

Bodemwarmte (WKO)

Oppervlaktewater (aquathermie)

Oppervlaktewater (voor appartementen, kantoren)

Afvalwater (riothermie)

Afvalwater (voor blokverwarming, kantoren)

Overzicht beschikbare alternatieve warmtebronnen in Altena.

Toelichting op de tabel:

• Biomassa en groen gas: onder biomassa worden snoeihout, bermmaaisel en groen afval uit de agrarische sector verstaan. Dit kan worden verstookt in een biomassaketel. Groen gas kan worden gemaakt uit bijvoorbeeld mestvergisting en kan direct als alternatief voor aardgas worden gebruikt. Biomassa en groen gas zien we alleen als geschikt alternatief als er lokale reststromen uit bosbeheer of de agrarische sector zijn en deze ook daadwerkelijk voor verwarming gebruikt kunnen worden. In Altena is nauwelijks bos, en de veeteeltsector kan slechts een beperkte hoeveelheid groen gas produceren. De beschikbare agrarische reststromen worden meestal al voor andere doeleinden gebruikt en kunnen daarmee niet voor de verwarming van de panden worden ingezet. Als biomassa of groen gas de enige alternatieven zijn om panden van het aardgas te halen, zal dit voor een belangrijk deel van buiten de gemeente moeten worden gehaald. In de Regionale energiestrategie (RES) is afgesproken dat biomassa beschikbaar moet zijn voor gemeenten die niet zijn/kunnen worden aangesloten op een warmtenet (voor zover die biomassa niet hoogwaardiger kan worden toegepast).

• Op lange termijn, vrijwel zeker niet voor 2030, is waterstof mogelijk een geschikt alternatief voor aardgas. Voor de korte termijn vallen waterstoftoepassingen echter nog in de categorie ‘niet kansrijk’. De reden hiervoor is dat er nog heel weinig groene waterstof beschikbaar is en dit vooralsnog bestemd is voor de industrie en mobiliteit.

• Aardwarmte (geothermie): dit is warmte die op een grote diepte (meerdere kilometers) uit de aarde wordt gewonnen. De potentie van geothermie lijkt vooralsnog kansrijk in Altena en wordt momenteel door Energiebeheer Nederland (EBN) nader onderzocht. De ontwikkelkosten en risico’s voor geothermieprojecten zijn echter hoog en het gaat om grote collectieve projecten van vaak minimaal 5.000 woningen die op een warmtenet moeten worden aangesloten. Dergelijke aantallen woningen zijn niet aanwezig in de kernen in Altena en de ontwikkelpotentie van geothermie wordt daarom als minder kansrijk aangemerkt.

51

• Restwarmte: dit is warmte die overblijft bij bedrijfsmatige en industriële processen. Uit een studie die de gemeente heeft laten uitvoeren door IF Technology, blijkt dat restwarmte van groenteconservenfabrikant HAK tussen de dorpen Giessen en Rijswijk een potentiële warmtebron voor maximaal zo’n 660 woningen is. Daarnaast is restwarmte uit bedrijven mogelijk een geschikte warmtebron voor maximaal zo’n 350 woningen, mits de restwarmte niet in hun eigen bedrijfsproces wordt ingezet. De overige bedrijven leveren waarschijnlijk te weinig restwarmte voor een rendabel warmtenet. Bij de genoemde aantallen woningen tekenen we aan dat dit een schatting is. De werkelijke hoeveelheden beschikbare restwarmte en de kans dat het ook benut kan worden, kunnen een stuk lager zijn; daarvoor is inzicht in de bedrijfsprocessen nodig. Verder liggen er nog enkele productiebedrijven in de gemeente die mogelijk restwarmte aan de omgeving kunnen leveren, zoals twee productiebedrijven van Oerlemans plastics, maar de potentie hiervan is onbekend.

• Aquathermie: dit is warmte die uit oppervlaktewater wordt gewonnen. Voor de gemeente is reeds onderzocht dat de plas Weenaerde (tussen de dorpen Giessen en Rijswijk) kan dienen als warmtebron voor 530 woningen. Daarnaast zijn de rivieren geschikt voor aquathermie en dat geldt ook voor een plas als de Kurenpolder.

• In de bebouwde omgeving is aquathermie economisch haalbaar vanaf ongeveer 50 woningen of voor een groot kantoor of een bedrijfspand. Ook moet het oppervlaktewater op niet meer dan ongeveer een kilometer afstand van de afnemers liggen: bij langer transport wordt de businesscase al snel te onrendabel. Een aquathermieproject is het meest rendabel als de warmte in lage temperatuur (maximaal 40 ⁰C) aan goed geïsoleerde panden wordt geleverd, zoals de meest recent gebouwde woningen met energielabel A of B. Met extra warmtepompen kan ook middentemperatuurwarmte (70 ⁰C) worden verkregen. Dit kunnen centrale warmtepompen zijn die een middentemperatuurwarmtenet voeden of een warmtepomp per pand die is aangesloten op een lagetemperatuurwarmtenet. Afstemming met Rijkswaterstaat is nodig over het temperatuurniveau van het retourwater.

• Aquathermie gaat vrijwel altijd samen met WKO (open bodemenergiesystemen). Door de combinatie van beide warmtealternatieven kan warmte uit oppervlaktewater in voorjaar, zomer en herfst in de bodem worden opgeslagen en in de wintermaanden worden benut. Het provinciale beleid rondom de plaatsing van WKO-systemen is momenteel in beweging en er worden mogelijk dieptebeperkingen aan WKO-installaties gesteld. Dit kan een rem op de ontwikkeling van aquathermie zetten.

• Riothermie: dit is warmte die uit met name rioolgemalen en bij rioolwaterzuiveringen (RWZI) wordt gewonnen. De RWZI in Sleeuwijk heeft een theoretische restwarmtepotentie voor 2.400-3.800 woningen. Dit is onderzocht door IF Technology in opdracht van de gemeente. Net als bij restwarmte kan de werkelijke potentie een stuk lager liggen.

• Zonnewarmte: in zonnecollectoren op het dak of in het veld wordt water door de zon opgewarmd. Dit warme water wordt opgeslagen in een zonneboiler en om ook warm water in de winter te hebben, kan het warme water ondergronds worden opgeslagen in de bodem of een vat. Zonnewarmte is meestal een aanvulling op andere technieken, bijvoorbeeld bodemwarmte of aquathermie, en niet een primaire bron. Vooral de opslag van de warmte in de winter is vaak nog een technisch en financieel struikelblok voor zonnewarmte.

• Bodem- en luchtwarmte: de warmte wordt uit de bodem of uit de lucht gewonnen en door middel van een elektrische warmtepomp omgezet in warmte voor het pand. Luchtwarmtepompen zijn vooral voor individuele woningen geschikt en bodemwarmtepompen kunnen voor individuele panden en clusters van panden worden ingezet. Bij bodemwarmte moet vanwege provinciale regels in de toekomst mogelijk rekening worden gehouden met dieptebeperkingen die de capaciteit van de bodemenergiesystemen sterk kunnen reduceren.

52 Warmtevisie Altena november 2021

1.1.6

Meest passende warmtealternatief per buurt

Voor iedere buurt is onderzocht welk warmtealternatief technisch gezien het beste bij de panden past. Voor deze zogenaamde voorkeursoplossing is gezocht naar een warmtebron die qua temperatuurniveau bij het pand past: bij een pand met een lage warmtevraag is dus bijvoorbeeld gezocht naar een warmtebron die lagetemperatuurwarmte levert. Verder is onderzocht waar de warmtevraag voldoende hoog is om een haalbaar en betaalbaar warmtenet aan te leggen. Waar dat technisch-financieel kan, is de optie met het warmtenet als voorkeur genomen, omdat daarmee de grootste beperking van de uitstoot van broeikasgassen kan worden bereikt. De buurten of delen van buurten die geschikt zijn voor een warmtenet, zijn geclusterd. De analyse is gedaan in zowel de situatie voor als de situatie na het treffen van isolerende maatregelen. Het resultaat is in de figuren 2-5 en 2-6 gevisualiseerd. De omvang en de nummering van de clusters die geschikt zijn voor warmtenetten kan verschillen. De reden hiervoor is dat de warmtevraag na isolatie minder groot is, waardoor de warmteclusters soms kleiner worden of helemaal verdwijnen.

1.1.7

Meest passende warmtealternatief in de huidige situatie

In de huidige situatie zijn nagenoeg alle kernen geschikt voor aansluiting op een warmtenet met hogetemperatuurwarmte. Voor zo’n warmtenet is echter hogetemperatuurwarmte nodig en de warmtekansenkaart heeft laten zien dat dit lokaal niet beschikbaar is. Mogelijk blijkt in de praktijk dat voor veel panden in de huidige situatie een middentemperatuurwarmtenet ook volstaat, mits de panden geïsoleerd zijn tot minimaal energielabel D, al dan niet in combinatie met de installatie van een elektrische warmtebooster. Hiermee kan tijdens de meest koude dagen de temperatuur van de afgiftesystemen worden verhoogd, zodat het ook dan comfortabel blijft. Dit is echter een minder wenselijke oplossing, omdat het energieverbruik dan hoog blijft en inwoners nog lange tijd een hoge energierekening betalen. Een beter alternatief in dat geval is om de woningen van een hybride warmtepomp te voorzien. Dit is een elektrische (lucht)warmtepomp die voor de meest koude periodes gebruikmaakt van gas. Bij de vervanging van de cv-ketel is dit vaak een goede keuze. De relatief recent gebouwde woningen in de buurt Werkense Polder in Werkendam zijn nu al geschikt om zonder aanvullende maatregelen op een middentemperatuurwarmtenet aan te sluiten. Dit geldt in ieder geval voor de westzijde van de wijk.

In de oostzijde van de wijk is de warmtedichtheid relatief laag, maar in combinatie met de westzijde zijn er voldoende woningen (in totaal 564) voor een haalbaar initiatief met bijvoorbeeld aquathermie. Hetzelfde geldt voor de buurt Wijk in Wijk en Aalburg (ongeveer 284 geschikte woningen) en een deel van Woudrichem-Zuid (432 woningen). In plaats van een warmtenet is voor veel van deze woningen ook een elektrische warmtepomp een geschikt alternatief. Ook in de overige kernen liggen clustertjes van relatief recent gebouwde woningen die als eerste in aanmerking zouden kunnen komen om op een vergelijkbare manier van het aardgas te gaan. Eerder uitgevoerde studies laten zien dat er onder meer kansen liggen in Giessen (maar ook in Rijswijk) door de toepassing van aquathermie uit de plas Weenaerde en restwarmte van HAK en in Sleeuwijk (restwarmte uit RWZI en aquathermie uit gemaal). In de meest recent gebouwde buurten, zoals Almkerk-West of Postweide, is de warmtedichtheid te laag voor een warmtenet, maar kunnen de woningen wel voorzien worden van een elektrische warmtepomp. In de lintbebouwing en het buitengebied moet naar individuele oplossingen gezocht worden, in de meeste gevallen met een hoge temperatuur.

53

Figuur 13. Meest passende warmteoplossing in huidige situatie.

1.1.8

Meest passende warmtealternatief nadat de panden zijn geïsoleerd

Na het treffen van isolerende maatregelen zijn de warmtedichtheid en de warmtevraag nog steeds voldoende hoog om de panden in de kernen op een warmtenet aan te sluiten, maar dan op middentemperatuur (MT-warmtenet). Voor de kernen die langs de rivieren of plassen liggen, is aquathermie in combinatie met bodemwarmte en/of zonnethermie mogelijk geschikt om het warmtenet te voeden. In de overige kernen resteren alleen bodemwarmte en zonnethermie. In de kern Giessen is de restwarmte van HAK mogelijk beschikbaar en in Sleeuwijk/Werkendam de warmte uit de RWZI.

Figuur 14. Meest passende warmteoplossing na isolatie.

Na isolatie is het technisch ook goed mogelijk om de panden van een elektrische warmtepomp te voorzien. Voor de lintbebouwing en het buitengebied blijven individuele oplossingen het meest geschikt, wat al snel neerkomt op een all-electric-oplossing met een elektrische warmtepomp (lucht of bodem).

54 Warmtevisie Altena november 2021

1.1.9

Conclusies en aanbevelingen technische analyse

Uit de technische analyse kunnen enkele conclusies getrokken worden die van belang zijn voor vervolgkeuzes:

• De eerste stap in de warmtetransitie is het isoleren van de panden, tot in ieder geval energielabel B. Op dit moment verbruiken de panden in de gemeente Altena nog veel warmte. Door te isoleren daalt het energieverbruik (en de energierekening!) en de uitstoot van broeikasgassen.

• Als de panden in de huidige staat van het aardgas zouden moeten, zijn er weinig geschikte alternatieven. Voor de meeste panden in de kernen zou de aansluiting op een collectief warmtenet technisch gezien de beste oplossing zijn. Dit zou dan een warmtenet moeten zijn dat warmte van hoge temperatuur moet kunnen leveren, maar in Altena zijn nauwelijks geschikte warmtebronnen die deze hogetemperatuurwarmte kunnen leveren.

• Wel is voor een groot deel van de panden een hybride warmtepomp een geschikt alternatief. Dit is een elektrische (lucht)warmtepomp die voor de meest koude periodes gebruikmaakt van gas. Bij de vervanging van de cv-ketel is dit vaak een goede keuze. Dit is echter wel een tussenoplossing. Om aardgasvrij te worden, is het nodig om ook deze woningen te isoleren en uiteindelijk te voorzien van een volledig aardgasvrije warmteoplossing.

• De na 1992 gebouwde woningen in de buurten Werkense Polder in Werkendam en de Wijk in Wijk en Aalburg zijn nu al voldoende geïsoleerd en zouden in de huidige staat al van het aardgas kunnen. Technisch gezien heeft aansluiting op een middentemperatuurwarmtenet dat gevoed wordt door aquathermie of restwarmte de voorkeur, maar er kan ook voor individuele elektrische warmtepompen worden gekozen.

• Ook in de overige kernen liggen clustertjes van relatief recent gebouwde woningen die als eerste in aanmerking zouden kunnen komen om van het aardgas te gaan. Eerder uitgevoerde studies laten zien dat er onder meer kansen liggen in Rijswijk (aquathermie uit de plas Weenaerde en restwarmte van HAK) en Sleeuwijk (restwarmte uit RWZI en gemaal).

• In de meest recent gebouwde buurten, zoals Almkerk-West of Postweide, is de warmte-dichtheid te laag voor een warmtenet, maar kunnen de woningen wel voorzien worden van een elektrische warmtepomp.

• Voor de panden in de lintbebouwing en het buitengebied is de aanleg van een warmtenet in elk geval niet rendabel en voor de meeste van deze panden is na isolatie een eigen elektrische lucht- of bodemwarmtepomp het meest geschikt. Een deel van de panden vraagt na isolatie om midden- of hogetemperatuurwarmte en hiervoor kan, technisch gezien, zonnewarmte, biomassa of groen gas worden gebruikt.

• Na isolatie zijn veel van de panden in de kernen geschikt om op een warmtenet te worden aangesloten, maar dan op middentemperatuur (MT-warmtenet). Voor de kernen die langs de rivieren of plassen liggen, is aquathermie in combinatie met bodemwarmte en/of zonnethermie mogelijk geschikt om het warmtenet te voeden, evenals restwarmte uit de RWZI, gemalen en enkele bedrijven. In de overige kernen resteren alleen restwarmte, bodemwarmte en zonnethermie. Hier zal het in de praktijk lastig zijn om een haalbaar en betaalbaar warmtenet aan te leggen.

• Voor de lintbebouwing en het buitengebied blijven na isolatie individuele oplossingen het meest geschikt, wat al snel neerkomt op een all-electric-oplossing met een elektrische warmtepomp (lucht of bodem).

55

1.2

Financiële analyse

1.2.1

Drie kostenvarianten

Per buurt is bepaald welke warmteoplossing de laagst maatschappelijke kosten met zich meebrengt. De warmteoplossingen zijn afgeleid uit de strategieën in het VestaMais-model van de Startanalyse van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Een nadere beschrijving van de strategieën, inclusief een schematische conceptuele uitwerking met beschrijving is te vinden in BIJLAGE 1.C. Deze strategieën, S1 t/m S5, zijn in TABEL 3 weergeven met een omschrijving van de strategie, de strategiecode, energielabel en omschrijving van de inhoud. Strategiecode

Omschrijving strategie

Variantcode

Schillabel

Omschrijving variant

S1

Individuele elektrische warmtepomp

S2

Warmtenet met midden- tot hogetemperatuurbron

S3

Warmtenet met laagtemperatuurbron

S4

Groengas

S5

Waterstof

S1a S1b S2a S2b S2c S2d S2e S2f S3a S3b S3c S3d S3e S3f S3g S3h S4a S4b S4c S4d S5a S5b S5c S5d

B+ B+ B+ B+ B+ D+ D+ D+ B+ B+ B+ B+ B+ D+ D+ D+ B+ B+ D+ D+ B+ B+ D+ D+

Luchtwarmtepomp Bodemwarmtepomp MT-restwarmte MT-geothermie MT-geothermie overal MT-restwarmte MT-geothermie MT-geothermie overal LT-warmtebron, levering 30 °C LT-warmtebron, levering 70 °C WKO, levering 70 °C hele buurt WKO, levering 50 °C TEO + WKO, levering 70 °C LT-warmtebron, levering 70 °C WKO, levering 70 °C hele buurt TEO + WKO, levering 70 °C Hybride warmtepomp HR-ketel Hybride warmtepomp HR-ketel Hybride warmtepomp HR-ketel Hybride warmtepomp HR-ketel

Tabel 3

Varianten PBL.

Voor de berekening van de kosten voor de inzet van een strategie hanteren we de uitgangspunten van het PBL. Op basis van de warmtekansenkaarten in BIJLAGE 1.B is bepaald welke strategieën per buurt (S1 t/m S3) haalbaar zijn. Alleen voor de technisch haalbare varianten zijn de kosten gepresenteerd. De strategieën S4 (groen gas) en S5 (waterstof) zijn niet meegenomen, omdat de verwachting is dat deze niet voor 2030 zullen worden ingezet. De kosten zijn berekend voor de onderstaande drie varianten. Per variant is berekend wat de extra kosten voor het duurzaam verwarmen van de panden zijn ten opzichte van de kosten voor de huidige verwarming met gas (o.b.v. het prijspeil in 2030). Deze extra kosten betreffen de totale financiële kosten van alle maatregelen die nodig zijn om een buurt van duurzame warmte te voorzien, inclusief de baten van energiebesparing, maar exclusief belastingen, heffingen en subsidies. Daarbij is niet bekeken wie die kosten betaalt. Dit worden de totale maatschappelijke meerkosten genoemd. Een deel van deze kosten komt ten laste van de inwoner of de eigenaar van een bedrijfspand en een ander deel dragen bijvoorbeeld netbeheerders en overheden. In de kostenkentallen zijn afschrijvingstermijnen voor bijvoorbeeld isolatie-

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10806451/1