CConstaterende datAltena
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Ruimtelijke onderbouwing bij RV VVGB Buitenlust Sleeuwijk 13 appartementen

Raadsvergadering 18 juni 2025, gemeente AltenaBij agendapunt: VVGB Buitenlust Sleeuwijk 13 appartementen23.629 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Op basis van het Besluit externe veiligheid transportroutes dient bij een plan (voor bijvoorbeeld het realiseren van woningen of winkels) gelegen binnen een relevante afstand van een transportroute voor gevaarlijke stoffen het plaatsgebonden risico, het plasbrandaandachtsgebied en het groepsrisico te worden beschouwd. In principe dient bij een plan gelegen binnen 200 meter afstand van een transportroute voor gevaarlijke stoffen het groepsrisico te worden onderzocht. De Regeling basisnet geeft de transporthoeveelheden waarmee rekening moet worden gehouden en de plaatsgebonden risico contour. Het Besluit externe veiligheid transportroutes geeft aan voor welke planologische procedures het groepsrisico wel of niet moet worden beschouwd dan wel moet worden onderzocht. Voor een aantal veelvoorkomende inrichtingen en langs de belangrijkste transportroutes is het plaatsgebonden risico door middel van een wettelijk voorgeschreven afstand vastgesteld. Bij inrichtingen geldt dit ook voor het invloedsgebied waarbinnen het bevoegd gezag het groepsrisico moet verantwoorden (gegeven in de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi)). Voor wegen en spoorwegen zijn effectafstanden van de maatgevende scenario’s, waarbinnen deze routes effect kunnen hebben, bekend. Voor gevallen waarin afstanden niet zijn voorgeschreven, kan een berekening nodig zijn om de omvang van effecten aan te tonen.

4.8.2 Conclusie externe veiligheid De planlocatie is niet in een gebied gelegen als bedoeld in het Besluit Externe Veiligheid (Bevi) of een gebied als bedoeld in het Besluit Externe Veiligheid Buisleidingen. Het gebied is ook niet gelegen binnen de invloedsfeer van een buisleiding. Hierdoor is een (beperkte) verantwoording van het groepsrisico niet nodig. In afbeelding 4.4 is een uitsnede van de risicokaart weergegeven. De buisleiding die op de kaart te zien is, ligt op meer dan 200 meter van het plangebied en hoeft derhalve niet te worden onderzocht.

31

Figuur 4.4 - Uitsnede risicokaart - overgenomen van Risicokaart.nl

4.9 Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt getoetst conform: • VNG handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’(editie 2009); • Wet milieubeheer. 4.9.1 VNG handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ De Vereniging van Nederlandse Gemeente doet in de publicatie ’Bedrijven en milieuzonering’ (editie 2009), een handreiking ten behoeve van de afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu op lokaal niveau. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie ten opzichte van woningen krijgen. De publicatie heeft bedrijven ingedeeld in categorieën met bijbehorende gewenste afstand tot milieugevoelige functies. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de bestemmingsgrens van de bedrijven en anderzijds de gevel van een woning. De adviesafstanden hangen samen met gebiedskenmerken.

De meest voorkomende categorieën met bijbehorende gewenste afstand tot milieugevoelige functies in een rustige woonwijk zijn weergegeven in onderstaande tabel.

32

Figuur 4.5 - Richtafstandentabel - Overgenomen van de VNG Handreiking

Naast het omgevingstype rustige woonwijk kent de VNG-handreiking ook het omgevingstype gemengd gebied. Wanneer sprake is van het omgevingstype gemengd gebied kunnen de richtafstanden tussen milieubelastende en milieugevoelige functies, voor met name het aspect geluid, met één afstandsstap verlaagd worden, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Het aspect geluid is veelal het maatgevende aspect. Een gemengd gebied is een gebied met een variatie aan functies. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. 4.9.2 Situatie De planlocatie bevindt zich in de buurt van bedrijventerrein ’t Zand. De bedrijven op dit terrein bevinden zich op gronden die bestemd zijn voor de uitoefening van een bedrijf uit ten hoogste categorie 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Het dichtstbijzijnde bedrijf is Autotechniek Kapel. Of aan de richtafstand van de VNG-brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ is voldaan, moet worden beoordeeld aan de hand van de afstand tussen de grens van de bestemming die bedrijven toelaat en de uiterste situering van de gevel van een woning. Bij de uiterste situering van de gevel van de woning moeten ook de mogelijkheden van het vergunningsvrij bouwen op grond van het Bor worden meegenomen.

33

Omdat de omgeving van de planlocatie uit veel verschillende bestemmingen bestaat, zoals: bedrijf, wonen, detailhandel, agrarisch, en tuin, is de omgeving te kenmerken als een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Derhalve kan de richtafstand worden genomen uit de kolom ‘gemengd gebied’ van de richtafstandentabel in figuur 4.5. Daarbij wordt opgemerkt dat tussen de locatie van onderhavig initiatief en het bedrijventerrein, reeds de woonbestemming aanwezig is en hier meerdere woningen zijn gerealiseerd. Voor de woningen en de naastgelegen bedrijven zijn geen verdere restricties opgelegd. De realisatie van woningbouwcomplex ‘Buitenlust’ zal zodoende de bedrijven niet beperken in de uitvoering van hun werkzaamheden. Deze bedrijven dienen namelijk ten alle tijden rekeningen te houden met de naastgelegen woningen. Berekening richtafstand De richtafstanden van de VNG-brochure gelden tussen enerzijds de grens van de bestemming die een milieubelastende functie toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is Kolom: Rij:

Richtafstand tot ‘gemengd gebied’ Milieucategorie 3.2

Minimaal vereiste afstand Afstand tot hoek dakrand

50 meter 52,0 meter

Figuur 4.6 - Richtafstand vanaf Autotechniek Kapel tot de perceelsgrens

34

4.9.3 Conclusie milieuzonering De richtafstand tussen het dichtstbijzijnde bedrijf met milieucategorie 3.2 en de beoogde ontwikkeling is groter dan 50 meter. De bedrijven van bedrijventerrein ’t Zand vormen conform de VNG Handreiking geen risico voor de beoogde ontwikkeling.

4.10 Spuitzones Een spuitzone is een gebied waarin het gebruik van pesticiden en herbiciden is toegestaan. Het doel van spuitzones is om de omgeving te beschermen tegen schadelijke effecten van deze stoffen. Voorkomen moet worden dat deze stoffen in de nabijheid van mensen, dieren of planten worden gespoten. Het gebruik van deze middelen kan leiden tot vervuiling van grond en het oppervlaktewater en ook tot gezondheidseffecten. Om de gezondheid van toekomstige bewoners niet op het spel te zetten, moet er een afstand van 50 meter tussen de woningen en het agrarische gebied worden gewaarborgd. In Figuur 4.7 is de afstand van de woningen tot het agrarische perceel in kaart gebracht. Het met blauw gemarkeerde stukje agrarische grond, valt binnen de 50 meter. Om deze reden mag hier niet worden gespoten.

Figuur 4.7 – Afstand Spuitzones

Het agrarische perceel dat op de afbeelding links is gelegen, is eigendom van de initiatiefnemers van onderhavig initiatief. Zij verhuren dit aan de eigenaar van het rechter gedeelte, eigenaar B. Initiatiefnemers hebben de huurder van de grond op de hoogte gebracht van het feit er niet binnen het blauw gedeelte gespoten mag worden. De huurder en tevens eigenaar van het stuk grond van eigenaar B, heeft toegezegd niet binnen dit gebied te spuiten. Hiervoor is een overeenkomst opgesteld*. Zodoende vormt het onderdeel spuitzones geen belemmering voor onderhavig initiatief. *In verband met AVG is deze overeenkomst separaat toegezonden aan de gemeente.

35

4.11 Stikstofdepositie 4.11.1 Stikstofdepositieberekening Om mogelijke significante negatieve effecten op Natura 2000 gebieden uit te sluiten is er een stikstofdepositieberekening van zowel de bouwfase als gebruiksfase gemaakt. Met deze berekeningen wordt de uitstoot van stikstofoxide (NOx) en Ammoniak (NH3) inzichtelijk gemaakt. Als uit de berekeningen blijkt dat het plan geen significante negatieve effecten heeft op Natura 2000gebieden is er geen Wnb-vergunning vereist. Enkele natura 2000-gebieden in de directe omgeving: • 70 – Lingegebied & Diefdijk-Zuid • 71 – Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem • 112 – Biesbosch Er liggen geen Natura 2000-gebieden binnen 3 kilometer van de projectlocatie waardoor gebouwinvloed buitenbeschouwing mag worden gelaten. Voor onderhavig initiatief is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. De rapportage van de berekening is opgenomen in bijlage 5. 4.11.2 Conclusie stikstofemissie De stikstof uitstoot die veroorzaakt wordt door de uitvoering van dit project blijft, ter plaatse van natura 2000-gebieden, onder de maximale stikstofdepositie grenswaarde van 0,005 mol/ha/jr. Dit betekent dat significante negatieve effecten op natura2000 gebieden kunnen worden uitgesloten. Dit heeft als gevolg dat een vergunning in het kader van Wet Natuurbescherming niet vereist is voor de realisatie van dit project.

4.12 Archeologie en Cultuurhistorie 4.12.1 Wettelijk kader Vanaf 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. De erfgoedwet zorgt voor het behoud en bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden. In deze wet is vastgelegd hoe met het erfgoed van nationaal belang wordt omgegaan en wie welke verantwoordelijkheden draagt. In de gemeentelijke bestemmingsplannen wordt rekening gehouden met de (te verwachten) archeologische waarden. 4.12.2 Provinciaal beleid archeologie In het kader van het cultuurbeleid zet de provincie Noord-Brabant in op versterking van de Brabantse identiteit. Onderdeel hiervan is het behoud van het Brabantse ruimtelijk erfgoed. De inzet van dit erfgoed is gericht op verhoging van de ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving en het verbinden van dit erfgoed met Noor-Brabant en haar inwoners. De provincie heeft de erfgoedwaarden van provinciaal belang zorgvuldig afgebakend op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) en Interim Omgevingsverordening (IOV). De archeologische landschappen zijn niet opgenomen in de IOV. Er zijn dus geen instructieregels voor het aspect archeologie vanuit provinciaal oogpunt. Dit is omdat borging reeds plaatsvindt via de landelijke weten regelgeving en het gemeentelijke archeologiebeleid.

36

4.12.3 Gemeente Altena Om invulling te kunnen geven aan de gemeentelijke archeologische taken die met de inwerkingtreding van de Wamz in 2007 zijn ontstaan, besloten de voormalige gemeenten Aalburg, Werkendam en Woudrichem om gezamenlijk gemeentelijk beleid ten aanzien van archeologische monumentenzorg op te stellen. Om te komen tot dit beleid is in 2010 in opdracht van de drie gemeenten door Archeologisch Adviesbureau RAAP een archeologische beleidsadvieskaart opgesteld met een bijbehorend beleidsadvies, waarin zij voorstellen deed voor het erfgoedbeleid. De drie gemeenten stelden vervolgens in 2011 de ‘Nota archeologie – Tot op de bodem’ op, waarbij de beleidsadvieskaart werd omgezet in een archeologische beleidskaart. De Nota archeologie was gebaseerd op het beleidsadvies en op de beleidskaart waren verschillende zones met archeologische (verwachtings)waarden aangegeven. De Nota bevatte een toelichting op de archeologische beleidskaart en hierin was tevens middels een stappenplan per (verwachtings)waarde aangegeven op welke wijze de gemeenten invulling gaven aan de onderzoeksplicht bij bodemingrepen. De Nota en de beleidskaart vormden samen met de Erfgoedverordening het intergemeentelijk archeologiebeleid van de drie gemeenten. Dit beleid is tot 2019 vertaald in ruimtelijke plannen.

4.12.4 archeologische beleidskaart In afbeelding 4.8 is de archeologische beleidskaart weergegeven. De planlocatie ligt in een gebied met een lage archeologische verwachting. Dit betekent dat er in principe geen archeologische resten worden verwacht. Er zijn geen restricties ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen. Er hoeft dus geen archeologisch onderzoek plaats te vinden.

37

4.12.5 Cultuurhistorie In de gemeente Altena is veel cultureel erfgoed. Er valt heel wat te ontdekken: van kazemat en vesting tot molen en museum. Op 8 maart 2022 is door de gemeenteraad de erfgoedvisie Altena vastgesteld. Hier zijn de erfgoedambities vastgelegd. De ambities van de gemeente Altena ten aanzien van erfgoedzorg kunnen samengevat worden in drie kernbegrippen: verbinden, beschermen en vieren. 4.12.6 Conclusie De projectlocatie is op dit moment onbebouwd. Er is zodoende geen bebouwing aanwezig wat onderdeel kan zijn van cultureel erfgoed. Hierdoor is het niet in strijd met de erfgoedvisie van de gemeente Altena. Op het gebied van archeologie zijn ook geen verdere restricties voor het plan. De projectlocatie ligt namelijk in een gebied met een lage archeologische verwachting.

38

Hoofdstuk 5 – Financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.1 Financiële uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit dient op de grond van artikel 3.1.6. van het Bro in de toelichting inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijk ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, plankosten en planschadeclaims, deze kosten te verhalen op de opdrachtgever. Een en ander dienst te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met de opdrachtgever. Als er met een opdrachtgever geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. Plankosten maken als zodanig onderdeel uit van de kostensoortenlijst. De exploitatiekosten worden door de opdrachtgever betaald. De kosten voor de procedure van de omgevingsvergunning worden op de opdrachtgever verhaald op basis van de legesverordening. Daarnaast wordt er een planschadeovereenkomst gesloten met de opdrachtgever.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een besluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.12 lid 1 onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing. Tegen een omgevingsvergunning kan door belanghebbenden bezwaar worden ingediend bij de gemeente en vervolgens in twee instanties beroep worden ingesteld, eerst bij de Rechtbank en in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. In het kader van maatschappelijke verantwoording heeft de opdrachtgever een omgevingsdialoog gevoerd met de bewoners van de huizen in de directe omgeving van het plangebied. Op basis van deze gesprekken zijn geen bezwaren tegen het plan.

39

Titelblad ADRES: POSTCODE: PLAATS: KADASTRAAL BEKEND:

Buitenlust 4254 XS Sleeuwijk WKD00, sectie S, perceelnummers 2673 en 2674

NAAM: ADRES: POSTCODE: PLAATS: TELEFOONNUMMER: CONTACTPERSOON: E-MAILADRES:

RO-Advies Dorpsstraat 4 3381 AG Giessenburg 0184-701733 Dhr. J. van Barneveld info@ro-advies.nl

NAAM: TELEFOONNUMMER: E-MAILADRES:

Dhr. J. van Barneveld 0184-701733 info@ro-advies.nl

NAAM: VELDWERKER: DATUM:

Baecx B.V. Dhr. S.P.M. (Matthijs) Bax 25 januari 2023

PROJECTNUMMER: PROJECTLEIDER:

241241 / P221254-02 Dhr. J. (Jasper) Smits Mevr. A.V. (Vera) Joustra Mevr. G. (Geralien) Bax – De Just

PROJECTMEDEWERKER:

Versiebeheer Het geldige rapport is degene met het hoogste versienummer. Eerdere versies met lager(e) versienummer(s) komen met de komst van een opvolgend versienummer te vervallen. Hieraan kunnen geen rechten worden ontleend. Versienummer 1 2

Autorisatiedatum 9 februari 2023 20 november 2024

Wijzigingen Geen; eerste uitgifte Tekstuele aanvullingen wegens toetsing aan Omgevingswet

Inhoud ALLE RECHTEN VOORBEHOUDEN. NIETS UIT DEZE UITGAVE MAG VOOR ZAKELIJK GEBRUIK WORDEN VERVEELVOUDIGD,

Bijlagen....................................................................................................................... 3 OP WELKE WIJZE OOK, ZONDER VOORAFGAANDE (SCHRIFTELIJKE) TOESTEMMING VAN BAECX B.V. Samenvatting.............................................................................................................. 4 1.

Inleiding .............................................................................................................. 5

2.

Verantwoording ................................................................................................... 5 2.1 Aanleiding ................................................................................................ 5 2.2 Doelstelling .................................................................................................. 5

3.

Vooronderzoek .................................................................................................... 6 3.1 Plangebied ................................................................................................... 6 3.2 Beschermde gebieden (Natura 2000 en NNN) ............................................ 8 3.3 Lokaal beleid natuurgebieden ...................................................................... 8 3.4 Vooronderzoek beschermde soorten ......................................................... 10

4.

Veldwerk............................................................................................................ 12 4.1 Veldbezoek ................................................................................................ 12 4.2 Beschrijvingen en waarnemingen beschermde Flora ................................. 12 4.3 Beschrijvingen en waarnemingen beschermde Fauna ............................... 12 Grondgebonden zoogdieren ............................................................................. 16 4.4 Overige waarnemingen .............................................................................. 18

Conclusies en aanbevelingen ................................................................................... 21 Aanbevelingen ......................................................................................................... 22

Bijlagen A. B. C. D. E.

Foto’s Tekening Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten Vrijstelling per provincie Wet- en regelgeving

Samenvatting In opdracht van RO-Advies is een natuurtoets uitgevoerd op de locatie Buitenlust te Sleeuwijk, kadastraal bekend: WKD00, sectie S, perceelnummers 2673 en 2674. De aanleiding is de voorgenomen realisatie van seniorenwoningen. Deze rapportage geeft een eerste inschatting van mogelijke effecten op gebieden en op potentieel aanwezige beschermde flora en fauna. Aan de hand van het vooronderzoek en het veldwerk concludeert Baecx B.V. dat in en rondom het plangebied geen beschermde flora of fauna is vastgesteld. Er is gekeken naar vogelnesten, vleermuisverblijfplaatsen -en foerageerroutes en andere beschermde soorten die mogelijk aanwezig zouden kunnen zijn, zijn aangetroffen of verblijven. Er is daarom geen ontheffing noodzakelijk. Een nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Geadviseerd wordt om preventieve maatregelen te nemen om een kolonisatie van de rugstreeppad in de bouwfase te voorkomen. Wij adviseren om bij de aanvraag van de bouwvergunning met een AERIUS-berekening in kaart te brengen wat de stikstofdepositie is en of dit van invloed is op de relevante Natura 2000-gebieden en/of NNN-gebieden. Deze rapportage betreft een momentopname. Het is onwaarschijnlijk dat zich nadien toch beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie bevinden die niet zijn meegenomen in deze natuurtoets.

Mocht het echter blijken dat er in het gebied beschermde soorten voorkomen, waarvan bij het onderzoek niet is gebleken dat ze voorkomen, vallen de consequenties hiervan ten laste van de opdrachtgever. Te allen tijde is de zorgplicht van toepassing. Verstorende werkzaamheden dienen zo beperkt mogelijk gehouden te worden. Zodra er ook werkzaamheden buiten de reikwijdte van dit onderzoek plaatsvinden, dient een aanvullende natuurtoets uitgevoerd te worden.

1. Inleiding Initiatiefnemers zijn wettelijk verplicht om voorgaand aan het uitvoeren van een ingreep onderzoek te laten doen naar de mogelijke effecten op beschermde flora en fauna en beschermde gebieden (Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland (NNN). Bovendien is het in sommige gevallen verplicht melding te doen van het kappen van houtopstanden. Daarnaast dient er mogelijk een ontheffing of vergunning aangevraagd te worden bij het bevoegd gezag via de Omgevingsvergunning of rechtstreeks bij de provincie. De resultaten van voorliggende rapportage zijn drie jaar geldig. Mochten de voorgenomen ontwikkelingen wijzigen dient het onderzoek te worden geactualiseerd.

2. Verantwoording In opdracht van RO-Advies is een natuurtoets uitgevoerd op de locatie Buitenlust te Sleeuwijk, kadastraal bekend: WKD00, sectie S, perceelnummers 2673 en 2674. De aanleiding is de voorgenomen realisatie van seniorenwoningen.

Deze rapportage geeft een eerste inschatting van mogelijke effecten op gebieden en op potentieel aanwezige beschermde flora en fauna. Indien (negatieve) effecten op beschermde gebieden en beschermde soorten aanwezig zijn en/of de aanwezigheid hiervan niet afdoende kan worden aangetoond of uitgesloten, is nader onderzoek noodzakelijk. Het doel van de natuurtoets is het in kaart brengen van de te verwachten effecten op beschermde gebieden en soorten in de directe omgeving van het plangebied. De natuurtoets betreft geen gerichte inventarisatie van soorten. De volgende vragen dienen beantwoord te worden: • Welke beschermde natuurwaarden en flora en fauna zijn in het plangebied aanwezig of te verwachten? • Heeft de ingreep mogelijk effecten op de potentieel aanwezige natuurwaarden? Zo ja, welke effecten zijn dit? • Houden deze effecten mogelijk een overtreding van de verbodsbepalingen van de Omgevingswet in? • Welke mogelijkheden zijn er om deze negatieve effecten te minimaliseren of te voorkomen? • Is nader onderzoek noodzakelijk? • Is ontheffing of vergunning van de Omgevingswet noodzakelijk?

3. Vooronderzoek

De locatie is gesitueerd in Sleeuwijk en gelegen op het perceel kadastraal bekend als WKD00, sectie S, perceelnummers 2673 en 2674. De oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 4505 m². Het plangebied bestaat uit: - Aan de noordzijde woningen; - Aan de oostzijde bomen; - Aan de zuidzijde weiland; - Aan de westzijde bomenrij en woningen. Informatie van opdrachtgever: Van de opdrachtgever is de volgende informatie ontvangen: Het betreft bouwtekeningen van de ontwikkelingsplannen. Hierbij is een woonhofje geprojecteerd met 13 appartementen en een gemeenschappelijke tuin. Hieronder is een uitsnede voor de beeldvorming weergegeven. In de bijlagen (bijlage B) is de volledige tekening opgenomen.

Ontwerp nieuwe situatie

Oorspronkelijk is er al een natuurtoets uitgevoerd op deze locatie in januari 2023, echter als gevolg van nieuwe kaders is door de OWMB geëist dat er aanvullende gegevens worden aangeleverd die voldoen aan de toetsingskaders anno 2024 onder de Omgevingswet. De locatie is niet veranderd ten opzichte van het veldbezoek in 2023, behalve dat de 3 bomen zijn verdwenen. Aan de westzijde is een watervoerende sloot aanwezig. Aan de zuid- en oostkant is deze niet jaarrond watervoerend.

Afbakening plangebied (situatie januari 2023)

Actuele luchtfoto 2024: Ondertussen zijn de bomen van het perceel verdwenen

Bouwkundige beschrijvingen Schapenhok Binnen het plangebied staat een los schapenhok. Hiervan is geen bouwjaar bekend. Het schapenhok is opgetrokken uit stalen damwand met een metalen systeembouw. Het dak bevat kieren, houten balken en houten gordingen. Het hokje doet dienst als veestalling voor schapen.

Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied of in een NNN-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied t.o.v. het plangebied is ‘Loevestein, Pompveld & Komsche Boezem’. Dit Natura 2000gebied ligt op circa 3,5 kilometer afstand ten oosten van het plangebied. Beschermd NNN-gebied, ’t Zand’, ligt op circa 85 meter afstand ten oosten van het plangebied. In de bestaande situatie zijn diverse menselijke invloeden aanwezig in de zone tussen het plangebied en beschermde Natura 2000 en/of NNN-gebieden. Het betreft woonwijken, agrarisch gebied en wegen. Als gevolg van de bestaande situatie zullen de voorgenomen werkzaamheden aannemelijk géén verdere negatieve effecten opleveren zoals geluids- en visuele verstoringen. De afstand tussen het plangebied en de beschermde gebieden is hiervoor te groot. De werkzaamheden zullen naar verwachting geen invloed hebben op beschermde natuurgebieden. Overtreding van de Omgevingswet ten opzichte van Natura 2000 en/of NNN is niet aan de orde. Of er overtreding is van de Omgevingswet ten aanzien van Natura 2000 een NNN met betrekking tot stikstofuitstoot is niet bekend. Per november 2022 kan een AERIUS-berekening onderdeel zijn van het vergunningstraject bij sloop-, bouw-, en aanlegactiviteiten. Een AERIUS-berekening behoort niet tot de reikwijdte van de ecologische natuurtoets.

Het onderzoeksgebied valt onder meerdere regelingen volgens de Omgevingsvordering van omgevingsdienst OMWB. De volgende regelingen zijn van belang voor deze onderzoekslocatie. Houtopstanden Als er buiten de bebouwde kom bomen of houtopstanden worden gekapt die beschermd zijn op grond van de Omgevingswet dan dient er een kapmelding te worden gedaan en geldt er een herbeplantingsplicht. - De onderzoekslocatie bevat geen bomen. Er zullen geen bomen worden gekapt tijdens de voorgenomen plannen. Deze regeling is niet van toepassing voor deze onderzoekslocatie.

3,5 km

Onderzoekslocatie, rood omcirkelt, met afstand tot Natura-2000 gebied

85 m

Onderzoekslocatie, rood omcirkelt, met afstand tot NNN-gebied

Met behulp van de NDFF (nationale database Flora en Fauna), aangevuld met het Rapport Beschermde SoortenIndicator van BIJ12 is een lijst gemaakt van beschermde soorten die mogelijk aanwezig kunnen zijn in en rondom het plangebied. In onderstaande tabel is weergegeven welke beschermde soorten en welke functies rondom het plangebied aanwezig kunnen zijn. Tijdens het veldwerk dient beoordeeld te worden of deze soorten ook daadwerkelijk (in potentie) aanwezig zijn. Daarnaast wordt gekeken naar habitats binnen de onderzoekslocatie en de te verwachten soorten hierin. De uitkomsten worden getoetst aan recente, bekende waarnemingen in de nabijheid via o.a. de website van waarneming.nl en met behulp van de NDFF-verspreidingsatlas. Vervolgens vindt er een effectenanalyse plaats waarin de voorgenomen werkzaamheden worden beoordeeld op mogelijke negatieve effecten op deze beschermde flora en fauna. De onderstaande soortenlijst is mede tot stand gekomen door gegevens uit ecologische verspreidingskaarten. Deze hanteren het principe van kilometerhokken, waarin alle binnen dat kilometerhok voorkomende soorten naar voren komen. Soorten uit onderstaande lijst zijn dus niet per definitie vastgesteld op de onderzoekslocatie.

Tabel 1: potentieel te verwachten beschermde soorten Soort Beschermingsregime Functie NDFF/BIJ12 Boombewonende Habitatrichtlijn Zomerverblijfsplaats in boom vleermuizen Paarverblijfsplaats in boom Kraamverblijfsplaats in boom Winterverblijfsplaats in boom Gebouwbewonende Habitatrichtlijn Zomerverblijfsplaats in gebouw vleermuizen Paarverblijfsplaats in gebouw Kraamverblijfsplaats in gebouw Winterverblijfsplaats in gebouw Huismus Vogelrichtlijn Nestlocatie Verblijfsplaats

Protocol

Mogelijk aanwezig

Mogelijk aanwezig

Mogelijk aanwezig

Kamsalamander

Habitatrichtlijn

Verblijfsplaats

Mogelijk aanwezig

Rugstreeppad

Habitatrichtlijn

Verblijfsplaats

Mogelijk aanwezig

Bruine kikker

Overige wettelijk beschermde of rode lijst soorten Overige wettelijk beschermde of rode lijst soorten Overige wettelijk beschermde of rode lijst soorten Overige wettelijk beschermde of rode lijst soorten Overige wettelijk beschermde of rode lijst soorten Overige wettelijk beschermde of rode lijst soorten

Verblijfsplaats

Mogelijk aanwezig

Verblijfsplaats

Mogelijk aanwezig

Verblijfsplaats

Mogelijk aanwezig

Verblijfsplaats

Mogelijk aanwezig

Verblijfsplaats

Mogelijk aanwezig

Verblijfsplaats

Mogelijk aanwezig

Gewone pad

Kleine watersalamander Bunzing (inclusief overige kleine marterachtigen) Haas

Ree

Waarneming.nl Vanuit de bureaustudie naar beschermde soorten op of nabij deze locatie is de database van de website ‘waarneming.nl’ geraadpleegd. Hieruit zijn aan de hand van actuele waarnemingen geen aanvullende beschermde soorten naar voren gekomen die extra aandacht behoeven. Soorten Management Plan Voor Sleeuwijk, gemeente Altena, is geen soortenmanagementplan (SMP) bekend of beschikbaar. Omgevingsdienst/provincie Er zijn geen aanvullende beschermde soorten, soortgroepen of aandachtssoorten te verwachten op basis van gegevens van de provincie Noord-Brabant en /of de Omgevingsdienst Midden-West Brabant. Effectenindicator soorten Uit de ‘Effectenindicator soorten’ komt naar voren dat de voorgenomen werkzaamheden geen negatief effect hebben op wettelijk beschermde soorten.

4. Veldwerk Op 25 januari 2023 is het plangebied bezocht door dhr. A (Arjan) Fraanje en dhr. S.P.M. (Matthijs) Bax. Tijdens het veldbezoek is het plangebied en de directe omgeving daarvan geïnventariseerd op de aanwezigheid van ruimtelijk structuren en habitats. In algemene zin wordt bij het veldwerk gebruik gemaakt van een verrekijker, zaklamp, endoscoop en mobiel met fotocamera, waarnemingen.nl en de NDFF-verspreidingsatlas. De weersomstandigheden waren als volgt: 4 °C, half bewolkt, geen neerslag. Opgemerkt dient te worden dat het veldbezoek een momentopname betreft. De volgende beschermde soorten die op basis van het vooronderzoek mogelijk aanwezig zouden kunnen zijn in en rondom het plangebied zijn tijdens het veldbezoek nader onderzocht en in de volgende paragrafen aanvullend beschreven.

Er is voor de onderzoekslocatie geen beschermde flora te verwachten. Ook zijn er geen actuele waarnemingen bekend van beschermde flora. Bij het locatiebezoek is geen beschermde flora waargenomen. Het terrein is als gevolg van het huidige gebruik en beheer ook geen geschikt habitat voor beschermde flora.

Volgens de betreffende Kennisdocumenten van BIJ12, paragraaf 2.2 of gegevens van de zoogdiervereniging zijn de volgende gegevens over de leefgebieden van de onderstaande vleermuissoorten bekend. Deze soorten vleermuizen zijn in de bureaustudie naar voren gekomen als potentieel aanwezig binnen het plangebied. Uit de bureaustudie komt naar voren dat er op deze locatie zowel boom- als gebouwbewonende vleermuizen aanwezig kunnen zijn. Boombewonende vleermuizen Rosse vleermuis Rosse vleermuizen zijn vaak voor zonsondergang actief en ze kunnen foeragerend worden waargenomen tussen zwaluwen. Rosse vleermuizen overwinteren in bomen, die staan op klimaatgunstige plekken zoals in rivier- en beekdalen. Soms overwinteren ze ook in spleten in muren van gebouwen en in lift- en luchtschachten van hoge gebouwen. De rosse vleermuis gaat laat in winterslaap, pas als er strenge vorst op komst is zoeken de rosse vleermuizen hun definitieve winterverblijfplaats op. Watervleermuis De watervleermuis is een typische myotis-soort soort (geslacht van vleermuizen uit de familie der gladneuzen). Hij is lichtschuw bij de verblijfplaats en vliegt in het algemeen laat in de nacht. Watervleermuizen verblijven in het actieve seizoen overdag hoofdzakelijk in holten in bomen, vaak beuk of eik.

De holten zijn meestal spechtengaten, natuurlijke holten of spleten in de stam die zich op een hoogte tussen 1 en 15 meter bevinden. In gebieden met weinig bos verblijven ze soms in bunkers, forten, overkluizingen en dergelijke (gelet op de combinatie met het foerageergebied). Ook zijn ze wel eens onder bruggen aangetroffen.

Franjestaart Franjestaarten worden tot zowel gebouw- als boombewoners gerekend en jagen in bosrijke gebieden met waterpartijen of waterrijke gedeelten, in een besloten omgeving zoals in en tussen de boomkronen en tussen de takken van grote struiken. Franjestaarten jagen ook boven open water, geroeide oevers en kleinschalige weilanden of akkers en in open veestallen. Als winterverblijfplaats gebruiken franjestaarten vooral ondergrondse ruimten zoals groeven, forten, ijskelders en bunkers. Ze kruipen meestal diep weg in scheuren en kieren. Kolonies zijn in Nederland vooral gevonden in bomen en recent ook in gebouwen (spleetvormige ruimten en zolders van kerken en boerderijen), en enkele keren in nestkasten en vleermuiskasten.) Gebouwbewonende vleermuizen Gewone dwergvleermuis De gewone dwergvleermuis is een echte cultuurvolger en is dan ook veel in de bebouwde omgeving te vinden. De verblijfplaatsen bevinden zich in de regel in of om gebouwen. In de verschillende perioden en in de loop van de seizoenen gebruiken ze een netwerk aan verschillende verblijfplaatsen, vliegroutes en jachtgebieden. Gewone grootoorvleermuis De gewone grootoorvleermuis is een nachtactieve vleermuis. ‘s Winters trekken ze zich terug in kelders, groeven, grotten, bunkers en bij uitzondering in holle bomen.

In de verblijfplaats bevinden ze zich in spleten geklemd, tussen bodempuin en ook diep in nauwe pijpen. Soms hangen ze vrij aan muren en plafonds. De winterslaap start vanaf oktober/november en eindigt eind maart/begin april. Tijdens de winterslaapperiode wordt de winterverblijfplaats regelmatig verlaten. Gewone grootoorvleermuizen bevinden zich overdag en in de winterperiode dikwijls nabij de ingang van het verblijf in spleten of vrijhangend. In het actieve seizoen zijn ze ook wel in boomholten te vinden. Ruige dwergvleermuis De ruige dwergvleermuis is een soort die algemeen in Nederland voorkomt. De soort is het hele jaar in Nederland aanwezig, maar een deel van de populatie trekt in het voorjaar weg. De dichtheden liggen in kustgebieden en langs de grote wateren hoger dan landinwaarts. De soort is ook in staat allerlei holten te vinden en als verblijfplaats te benutten. De betrekkelijk honkvaste mannetjes leven in een kleiner gebied dan de vrouwtjes. De ruige dwergvleermuis leeft in veel verschillende landschappen en heeft een voorkeur voor waterrijke gebieden (polders, riviergebieden, moerassen en meren) liefst in de nabijheid van (vochtige) loofbossen of urbaan gebied (verblijfplaatsen). Ze jaagt ’s nachts onder andere in de omgeving van water, langs bosranden, bomenrijen en in parken.

Verblijfplaatsen bevinden zich in vogel- en vleermuiskasten en in allerlei ruimtes en spleten in bomen, gebouwen, bruggen, rotsen. De ruige dwergvleermuis heeft een sterke seizoensmigratie en legt daarbij grote afstanden af. In Nederland overwinteren ze onder andere in boomholten, achter boomschors, in stapels brandhout, in vleermuiskasten, houtloodsen en in spouwmuren van gebouwen. Na inval van strenge vorst komt het voor dat ze verhuizen, bijvoorbeeld van een houtstapel naar een gebouw. Door hun dikke vacht verdragen ze enkele graden vorst. Meestal wordt de ruige dwergvleermuis alleen gevonden, maar soms ook in groepjes van enkele tientallen dieren. Soms overwintert deze soort samen met gewone dwergvleermuizen. Franjestaart Franjestaarten worden tot zowel gebouw- als boombewoners gerekend en jagen in bosrijke gebieden met waterpartijen of waterrijke gedeelten, in een besloten omgeving zoals in en tussen de boomkronen en tussen de takken van grote struiken. Franjestaarten jagen ook boven open water, geroeide oevers en kleinschalige weilanden of akkers en in open veestallen.

Als winterverblijfplaats gebruiken franjestaarten vooral ondergrondse ruimten zoals groeven, forten, ijskelders en bunkers. Ze kruipen meestal diep weg in scheuren en kieren Baardvleermuis Baardvleermuizen worden aantroffen in bossen, aan bosranden en in kleinschalige gesloten landschappen. Ze jagen vooral in open ruimtes, zoals boven paden, beken, open plekken en langs houtwallen. Ook jaagt een baardvleermuis in naaldbossen. De baardvleermuis gebruikt in de zomer bomen, nest- of vleermuiskasten, zolders of de ruimte achter gevelbetimmeringen en vensterluiken van gebouwen als verblijfplaats. Als winterverblijf worden vooral ondergrondse ruimten gebruikt zoals mergelgroeven, bunkers, forten, vestingwerken, oude steenfabrieken, ijskelders en (kasteel)kelders. De winterslaap duurt van oktober tot maart of april. Kleine dwergvleermuis De kleine dwergvleermuis komt voor in rivierdalen en moerasgebieden in combinatie met bomenrijke gebieden zoals bosranden, laanvormen, parken en tuinen. Het jachtgedrag en dieet komt sterk overeen met de gewone dwergvleermuis. Zomerverblijfplaatsen worden meestal gevonden in spleetvormige ruimten in gebouwen, zoals de spouw, in daklagen, achter gevelbetimmering of in bomen en vleermuiskasten. In de winter worden ze aangetroffen in spleetvormige ruimten in bovengrondse gebouwen en in bomen, vaak op weinig beschutte plekken.

Laatvlieger De laatvlieger jaagt boven open tot halfopen landschap, vooral in de beschutting van opgaande elementen zoals bosranden, heggen en lanen. Hij vliegt op enige afstand van de vegetatie boven (vochtige) graslanden en weilanden, langs kanalen en vaarten, in tuinen en in parken met vijvers. In dorpen en aan de rand van steden kan je de laatvlieger in de schemering rond lantaarnpalen, in tuinen en in parken zien jagen. Soms zie je ze in groepjes. Ze verblijven in spouwmuren, achter betimmering, onder daklijsten en dakpannen of onder het lood rondom de schoorsteen, soms op zolders. In vleermuiskasten worden laatvliegers zelden aangetroffen. Franjestaart (gebouw- en boombewonend) Franjestaarten jagen in bosrijke gebieden met waterpartijen of waterrijke gedeelten, in een besloten omgeving zoals in en tussen de boomkronen en tussen de takken van grote struiken. Franjestaarten jagen ook boven open water, begroeide oevers en kleinschalige weilanden of akkers en in open veestallen. Als winterverblijfplaats gebruiken franjestaarten vooral ondergrondse ruimten zoals groeven, forten, ijskelders en bunkers. Ze kruipen meestal diep weg in scheuren en kieren.

Kolonies zijn in Nederland vooral gevonden in bomen en recent ook in gebouwen (spleetvormige ruimten en zolders van kerken en boerderijen), en enkele keren in nestkasten en vleermuiskasten.) Effectenanalyse vleermuizen Er zijn geen actuele waarnemingen bekend binnen of nabij de onderzoekslocatie van verblijfsplaatsen voor zowel gebouw- als boombewonende vleermuizen. Binnen het plangebied zijn geen potentiële vleermuisverblijfsplaatsen of sporen van vleermuizen vastgesteld. Er zijn tevens geen geschikte potentiële verblijfsplaatsen, vliegroutes of foerageergebieden te verwachten wegens het ontbreken van essentiële structuren in combinatie met geschikte verblijfsplaatsen. Binnen het plangebied zijn geen geschikte verblijfsruimtes vastgesteld die voor vleermuizen toegankelijk zijn en beschikken over een temperatuur-constante verblijfsruimte. Op het perceel staat een eenvoudig schapenhok, welke voor vleermuizen wel toegankelijk is, maar als gevolg van de aard van het materiaal (staalplaat) en het gebrek aan isolatie niet structureel voor vleermuizen te gebruiken is als gevolg van het gebrek aan een constante temperatuur en de schapen die in- en uit kunnen lopen.

Binnen de onderzoekslocatie zijn geen gebouwen of bomen (meer) aanwezig. Na het veldbezoek in januari 2023 zijn ergens in 2024 de eerder op het perceel aanwezige platanen gekapt. Het betroffen geen bomen met holtes of loshangende schors welke door vleermuizen gebruikt zouden kunnen worden.

Huismus Volgens het Kennisdocument Huismuis van BIJ12 heeft de huismus een sterke binding met mensen en komt tot broeden in of tegen gebouwen in dorpen en steden, in en bij boerderijen, maneges, kinderboerderijen en andere vormen van bebouwing in het landelijk gebied. Op plekken waar menselijke bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen zijn meer huismussen dan op plekken waar geen groen aanwezig is. Hierbij valt te denken aan ruim opgezette wijken met parkjes en tuinen en in dorpen met veel groen en met landbouwgronden in de nabijheid. Voor de onderzoekslocatie zijn geen actuele waarnemingen bekend van de huismus. Er zijn geen huismussen of sporen van huismussen aangetroffen. Ook zijn geen roepende paren gehoord. Er zijn geen gebouwen of vegetatie aanwezig op de locatie die kunnen dienen als nestlocatie voor de huismus. De onderzoekslocatie bestaat uit grasland en is geen geschikt habitat voor de huismus.

Kamsalamander Volgens RAVON is het landschap waarin de kamsalamander wordt aangetroffen bosrijk, bevat houtwallen of struweel, langs de grote rivieren, in beekdalen en op landgoederen. Kamsalamanders komen zelden voor in akkergebieden. Op de zandgronden en in beekdalen leeft de kamsalamander in poelen, vijvers, matig voedselrijke vennen en in leemputten. In het rivierengebied komt de soort voor in zelden overstromende strangen, kleiputten en kolken. Voor de onderzoekslocatie zijn geen actuele waarnemingen bekend van de kamsalamander op of nabij het plangebied. Er zijn geen kamsalamanders of sporen van kamsalamanders waargenomen tijdens het veldbezoek. Het terrein bestaat enkel uit weiland en is wegens het ontbreken van geschikt oppervlaktewater geen geschikt habitat voor deze amfibie. Rugstreeppad Volgens RAVON komt de rugstreeppad voor in duinen, riviergebieden, delen van de polders en de hogere zandgronden. Ze leven ook op een rotsachtige ondergrond, ze schuilen dan in de rotsspleten. Voor de voortplanting is de rugstreeppad afhankelijk van ondiepe wateren die vrij snel opwarmen. Het water kan niet zuurder zijn dan pH 5, maar brak water wordt getolereerd. Voor de onderzoekslocatie zijn geen actuele waarnemingen bekend van de rugstreeppad. Er zijn eveneens geen rugstreeppadden, sporen van rugstreeppadden en/of verblijfsplaatsen waargenomen tijdens het veldbezoek.

Het terrein bestaat uit weiland. Aan de westzijde van de onderzoekslocatie loopt een watervoerende sloot. Dit kan potentieel geschikt leefgebied zijn voor de rugstreeppad. In een verder verleden zijn slechts enkel losse waarnemingen van de rugstreeppad bekend op enige honderden meters afstand (2012 en 2017). Deze beide locaties liggen echter in een waterrijk gebied met permanent watervoerende watersystemen. Omdat de kans bestaat dat er mogelijk rugstreeppadden aanwezig zijn, wordt uitgegaan van deze kans. Hiervoor zijn aanvullende maatregelen nodig. Deze worden bij de aanbevelingen verder uitgewerkt. De betreffende sloot blijft ook in de bouwfase en na de oplevering in de huidige toestand bestaan.

Bruine kikker De bruine kikker is volgens Ravon hoogstwaarschijnlijk het wijdst verspreide amfibie van Nederland. Vanaf maart kunnen roepende mannetjes waargenomen worden, dit is het begin van het broedseizoen. Afhankelijk van het weer eindigt dit eind april, begin mei. Bruine kikkers komen vooral voor op plekken met open oppervlaktewater. Een kleine vijver kan hiervoor al genoeg zijn. Er zijn voor de onderzoekslocatie geen actuele waarnemingen bekend van de bruine kikker. Nabij de onderzoekslocatie is permanent open oppervlaktewater aanwezig. Er zijn geen bruine kikkers waargenomen. De aanwezigheid van de bruine kikker wordt door ons niet uitgesloten wegens de aanwezigheid van geschikt habitat. De bruine kikker valt onder de vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Hiervoor geldt wel de zorgplicht. Gewone pad De gewone pad komt volgens Ravon in alle provincies voor waar oppervlaktewater aanwezig is. Waterplanten dienen als ei-afzetplek en schuilplaats voor de larven en volwassen dieren. Voor een geschikt landbiotoop is de aanwezigheid van bosjes, overhoekjes en ruiten in het landschap van belang. Er zijn voor de onderzoekslocatie geen actuele waarnemingen bekend van de gewone pad. In of nabij de onderzoekslocatie is permanent open oppervlaktewater aanwezig. Er zijn geen gewone padden waargenomen.

De aanwezigheid van de gewone pad wordt door ons niet uitgesloten wegens de aanwezigheid van geschikt habitat. De gewone pad valt onder de vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Hiervoor geldt wel de zorgplicht. Kleine watersalamander Volgens Ravon bestaat het voortplantingsbiotoop uit allerlei soorten ondiep stilstaand en zwak stromend water. Het moet niet al te groot of beschaduwd zijn en wat onderwatervegetatie bevatten. De paartijd loopt vanaf eind maart tot juni, waarbij de piek in april en begin mei ligt. De soort komt in vrijwel geheel Nederland voor en is niet bedreigd. De kleine watersalamander valt onder de vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Hiervoor geldt wel de zorgplicht. Tijdens de natuurtoets zijn geen kleine watersalamanders aangetroffen. Wel is er permanent ondiep stilstaand of zwak stromend water aanwezig met onderwatervegetatie. Het is mogelijk dat de kleine watersalamander zich in of nabij het onderzoeksgebied bevindt De kleine watersalamander valt onder de vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Hiervoor geldt wel de zorgplicht.

Kleine marterachtigen Volgens het kennisdocument van BIJ12 over kleine marterachtigen worden de volgende drie grondgebonden zoogdieren hieronder verstaan; de bunzing, hermelijn en wezel. Bunzing Volgens de zoogdiervereniging heeft de bunzing een voorkeur voor kleinschalig landschap met houtwallen, greppels en sloten met overhangende vegetatie. Ook dorpen en buitenwijken vormen een geschikt leefgebied. Als dagrustplaats wordt voornamelijk gebruik gemaakt van bestaande holen, zoals konijnenholen en holen van bijvoorbeeld de muskusrat. Ook takken- en steenhopen, duikers en rommelschuurtjes worden als dagrustplaats gebruikt. In de winter zoeken bunzingen vaak warmere plekken op, zoals hooi- en strobalen. De bunzing is vooral ’s nachts actief. Het jachtgebied is vrijwel nooit in de buurt van zijn verblijfplaats. In de periode juni-september, wanneer de jongen nog niet zelfstandig zijn, worden bunzingen ook overdag gezien.

Hermelijn De hermelijn leeft in allerlei typen gebieden, van houtwallen, duinen, akkers tot vochtig terrein. Voorwaarde is dat de hermelijn voldoende schuilplekken heeft. De begroeiing moet hiervoor minimaal 15 centimeter hoog zijn. Wezel Wezels leven bij voorkeur in open, droge natuur- en cultuurlandschap maar verder in veel verschillende biotopen (zoals bossen, duinen, wei- en akkerland. Meestal in droger gebied dan de hermelijn. Echter overal waar woelmuizen ontbreken, ontbreekt ook de wezel. De wezel is een vleeseter en leeft hoofdzakelijk van muizen. Ze hebben een opvallende manier om hun omgeving te onderzoeken; het zogenaamde 'kegelen'. Ze staan dan op de achterpoten met hun lichaam rechtop, op de uitkijk. De grootte van de leefgebieden van het mannetje varieert van 1 tot 25 hectare afhankelijk van de hoeveelheid beschikbaar voedsel en is sterk begrensd. Het jachtgebied van een vrouwtje is aanzienlijk kleiner (1 tot 7 hectare) en minder scherp begrensd. Het territorium van mannetjes overlapt steeds dat van meerdere vrouwelijke dieren. Wezels doorkruisen hun leefgebied regelmatig en slapen op verschillende rustplaatsen in dat gebied. Ze zoeken graag dekking op, bijvoorbeeld bij bosschages, houtstapels of heggen. Ook bewonen ze vaak oude holen van muizen, ratten en konijnen die bekleed wordt met veren of haren van prooidieren.

Goede schuilmogelijkheden én de aanwezigheid van voldoende geschikt voedsel zijn de enige eisen die de wezel aan zijn omgeving stelt. Effectenanalyse kleine marterachtigen Voor de onderzoekslocatie zijn geen actuele waarnemingen bekend van deze marterachtigen op of nabij het plangebied. Ook is er bij het locatiebezoek geen waarneming gedaan van sporen van aanwezigheid van deze marterachtigen. Het plangebied bestaat momenteel uit enkel een weiland zonder bomen, struwelen of bebouwen. Dit terrein voldoet niet aan de habitat-eisen van de beschreven kleine marterachtigen. Er zijn in de nabijheid veel beter geschikte houtwallen en bosschages aanwezig. De directe omgeving van de onderzoekslocatie blijft in de huidige vorm gehandhaafd. De structurele aanwezigheid van kleien marterachtigen binnen de onderzoekslocatie wordt dan ook redelijkerwijs onwaarschijnlijk geacht. Haas Volgens de zoogdiervereniging komt de haas door heel Europa veel voor, maar minder in dichtbevolkte gebieden. De haas is van oorsprong een steppebewoner en heeft voorkeur voor kleinschalig gras- en bouwland, open velden zoals akkers en weilanden maar komt ook voor in open bos, heide en kwelders. Ze zijn in de vooravond en ’s nachts actief, in de zomer ook in de schemering en overdag. Overdag rust de haas doorgaans uit in zijn leger.

Een leger is een ondiepe uitholling in bosranden, windkeringen, ruigtezomen en onder heggen. Ze eten grassen, kruiden en akkerbouwproducten zoals graan, mais, klaver en aardappelen. De status van hazen is gevoelig, maar door de impact die hazen kunnen hebben op gewassen mogen ze worden bejaagd. Het is echter verboden om de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of vernielen. Ook mogen hazen niet opzettelijk worden gedood of gevangen. In de provincie Noord-Brabant valt de haas onder de provinciale vrijstellingsregeling. Wel is de zorgplicht van toepassing. Voor de onderzoekslocatie zijn geen actuele waarnemingen bekend van de haas. Er zijn geen sporen, legers of keutels van hazen aangetroffen op de onderzoekslocatie. Het is onwaarschijnlijk dat deze soort hier structureel voor komt.

Ree Het ree komt voor in bijna geheel Europa. In Nederland komt het ree vrijwel overal voor. Het ree leeft in bosachtige streken met open plekken en aangrenzende velden, maar ook in heidevelden, rietvelden, duiden en akkerbouwgebieden. Het ree is een cultuuropvolger en past zich gemakkelijk aan cultuurlandschap aan. Voorwaarde is dat er voldoende voedsel, dekking en rust aanwezig is. Hij heeft voorkeur voor het overgangsgebied van loofbos naar open terrein, om er dekking te zoeken, te rusten en te herkauwen. In de provincie Noord-Brabant valt het ree onder de provinciale vrijstellingsregeling. Wel is de zorgplicht van toepassing. Voor de onderzoekslocatie zijn geen actuele waarnemingen bekend van het ree. Tijdens het veldbezoek zijn geen reeën of sporen hiervan aangetroffen, echter is dit wel een geschikt leefgebied voor reeën, dat aansluit bij de omliggende weidegebieden, houtwallen en bosschages.

Tijdens het veldbezoek is de informatie uit het vooronderzoek beoordeeld en verwerkt. Hiernaast is ook beoordeeld of er overige relevante beschermde soorten aanwezig of mogelijk aanwezig zijn binnen het plangebied. Hieronder wordt per categorie beschreven wat de bevindingen zijn.

Er zijn op basis van het vooronderzoek en het locatiebezoek geen beschermde flora te verwachten – of aangetroffen binnen de onderzoekslocatie. Als gevolg van het gevoerde beheer en gebruik van het terrein is het geen geschikt habitat voor beschermde flora.

Er zijn op basis van het vooronderzoek en het locatiebezoek geen beschermde vogelsoorten te verwachten – of aangetroffen binnen de onderzoekslocatie. Er zijn geen bomen of gebouwen aanwezig. Ook zijn er geen jaarrond beschermde nesten vastgesteld. Als gevolg van het gevoerde beheer en gebruik van het terrein is het geen geschikt habitat voor beschermde vogelsoorten.

Er zijn op basis van het vooronderzoek en het locatiebezoek geen beschermde insectensoorten te verwachten – of aangetroffen binnen de onderzoekslocatie. Er zijn geen bomen of gebouwen aanwezig. Ook zijn er geen geschikte schuilplaatsen of specifieke waardplanten vastgesteld. Als gevolg van het gevoerde beheer en gebruik van het terrein is het geen geschikt habitat voor beschermde insectensoorten.

Er zijn op basis van het vooronderzoek en het locatiebezoek geen beschermde vissoorten te verwachten – of aangetroffen binnen de onderzoekslocatie. Er is geen permanent oppervlaktewater aanwezig, waarmee geschikt habitat voor de vissen ontbreekt.

Er zijn op basis van het vooronderzoek en het locatiebezoek geen overige beschermde amfibieën te verwachten – of aangetroffen binnen de onderzoekslocatie. Er is aan de westzijde permanent oppervlaktewater aanwezig, dit blijft ook in de bouwfase en na oplevering gewoon bestaan.

Er zijn op basis van het vooronderzoek en het locatiebezoek geen beschermde reptielen te verwachten – of aangetroffen binnen de onderzoekslocatie. Op deze locatie ontbreekt het aan geschikte schuilplaatsen. Als gevolg van het gevoerde beheer en gebruik van het terrein is het geen geschikt habitat voor beschermde reptielen. De in de omgeving gelegen combinatie van weilanden, slootjes en houtwallen zijn voor reptielen veel meer geschikt habitat wegens het voedselaanbod en de daar aanwezige schuilplaatsen.

Er zijn op basis van het vooronderzoek en het locatiebezoek geen overige beschermde grondgebonden zoogdieren te verwachten – of aangetroffen binnen de onderzoekslocatie. Het betreft hier overige soorten als onder andere egel en woelmuizen. Er zijn binnen de onderzoekslocatie geen actuele waarnemingen bekend van overige grondgebonden beschermde zoogdieren. Bij het veldbezoek zijn er geen sporen aangetroffen van deze zoogdieren. De locatie is momenteel niet geschikt als habitat voor deze groep zoogdieren wegens het ontbreken van geschikte voedselvoorzieningen, schuilplaatsen of rustplaatsen

De bufferzone buiten de onderzoekslocatie waarin wordt gekeken naar eventuele effecten voor de onderzoekslocatie of de directe omgeving en de te verwachte soorten (reikwijdte). Hierbinnen vallen o.a. de bomenlaan, de openbare wegen, een kleine strook van de weilanden en direct aangrenzende percelen rondom de onderzoekslocatie. De onderzoekslocatie kenmerkt zich door een overgang tussen stedelijk gebied met woonwijken en het agrarisch gebied aan de overzijde van de weg (Zandpad). Momenteel is er een schapenweide aanwezig op de onderzoekslocatie en beschikt over een lage ecologische waarde. Buiten het plangebied is een weidegebied aanwezig met een afwisseling van houtwallen, bosschages en watervoerende sloten.

Bebouwde kom Sleeuwijk

onderzoekslocatie

Vanuit de omliggende gebieden worden geen specifieke beschermde soorten verwacht die mogelijk wisselwerking hebben met de onderzoekslocatie. Dit onderzochte perceel heeft een lage ecologische kwaliteit en bestaat momenteel enkel uit weiland. De omliggende gebieden beschikken over een duidelijk hogere ecologische diversiteit en potentieel als gevolg van de diversiteit, gebruik en inrichting van het landschap. Om de onderzoekslocatie heen is wel deels een greppel aanwezig, maar deze is niet permanent watervoerend. Deze blijft ook na de uitvoering van de plannen bestaan. Er worden dan ook geen schadelijke effecten verwacht op beschermde flora en fauna in de wijdere omgeving van de onderzoekslocatie als gevolg van de voorgenomen plannen.

Conclusies en aanbevelingen Aan de hand van het vooronderzoek en het veldwerk concludeert en adviseert Baecx B.V. het volgende:

Er is op basis van het vooronderzoek, recente waarnemingen en het locatiebezoek geen beschermde flora te verwachten op de onderzoekslocatie. Als gevolg van het gevoerde beheer en gebruik is het geen geschikt habitat voor beschermde flora.

Er is op basis van het vooronderzoek, recente waarnemingen en het locatiebezoek geen beschermde fauna te verwachten op de onderzoekslocatie. Als gevolg van het gevoerde beheer en gebruik is het geen geschikt habitat voor beschermde fauna. • • • • •

Er zijn geen beschermde natuurwaarden en flora en fauna in het plangebied aanwezig of te verwachten De ingreep heeft geen mogelijke effecten op de potentieel aanwezige natuurwaarden. Er is geen sprake van een overtreding van de verbodsbepalingen van de Omgevingswet. Een nader onderzoek is niet noodzakelijk Een ontheffing of vergunning van de Omgevingsweg is niet noodzakelijk

De antwoorden op de vragen, zoals genoemd bij de doelstelling van dit onderzoek in hoofdstuk 2 paragraaf 2.2, zijn in de rapportage voldoende beantwoord en beschreven. Tabel samenvatting: Soort (groep) Verstoring? Flora nee (vaatplanten) Vleermuizen nee (GB/BB*) Grondgebonden nee zoogdieren Vogels nee Amfibieën ja *rugstreeppad

Nader onderzoek? nee

Ontheffing? nee

Opmerkingen -

nee

nee

-

nee

nee

-

nee nee

nee nee

Advies voor preventieve maatregelen om overtreding van de Omgevingswet te voorkomen -

Overige soorten nee nee *) Vleermuizen: GB: gebouwbewonend; BB: boombewonend

nee

Aanbevelingen Rugstreeppad In de westelijk gelegen watervoerende sloot zouden rugstreeppadden aanwezig kunnen zijn. Het weiland is in de huidige vorm niet geschikt voor de rugstreeppad wegens periodiek intensief gebruik en beheer. Omdat ervan uit wordt gegaan dat er rugstreeppadden in de sloot aanwezig zouden kunnen zijn, adviseren wij de beproefde methode om preventief amfibieschermen aan te brengen langs deze oever. Hiermee wordt voorkomen dat deze amfibieën het bouwterrein kunnen gaan koloniseren bij het bouwrijp maken en de bouwfase daarna. Hiermee worden geen beschermde amfibieën geschaad en wordt aan de zorgplicht voldaan door preventieve maatregelen toe te passen. Als er in de winterperiode wordt gewerkt, zijn de amfibieën mogelijk in de winterrust aanwezig in de oever. Daarom wordt aanbevolen een bufferzone aan te houden ter breedte van het schuine talud. In het voorjaar (ca. 1 maart) is een amfibiescherm noodzakelijk. Door middel van een ecologisch werkprotocol en onder toezicht van een ecoloog kunnen de werkzaamheden zonder nader onderzoek doorgang vinden. Wij adviseren om bij de aanvraag van de bouwvergunning met een AERIUS-berekening in kaart te brengen wat de stikstofdepositie is en of dit van invloed is op de relevante Natura 2000-gebieden en/of NNN-gebieden. Deze rapportage betreft een momentopname.

Het is onwaarschijnlijk dat zich nadien toch beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie bevinden die niet zijn meegenomen in deze natuurtoets. Mocht het echter blijken dat er in het gebied beschermde soorten voorkomen, waarvan bij het onderzoek niet is gebleken dat ze voorkomen, dan vallen de consequenties hiervan ten laste van de opdrachtgever. Bij het toepassen van Natuurinclusief ontwerp in de nieuwbouw en de inrichting van het terrein kan dat mogelijk een versterkend effect genereren op de lokale Flora en Fauna. Te allen tijde is de zorgplicht van toepassing. Verstorende werkzaamheden dienen zo beperkt mogelijk gehouden te worden. Zodra er ook werkzaamheden buiten de reikwijdte van dit onderzoek plaatsvinden, dient een aanvullende natuurtoets uitgevoerd te worden.

BIJLAGE A FOTO’s

BIJLAGE B TEKENING

Bomen niet meer aanwezig ASB606

ASB605

20 m

Onderzoekslocatie

Projectnummer: 241241 / P221254-02 Locatie: Buitenlust Sleeuwijk

3

Brandkraan

Buitenlust 5 267

75 -2 6 6-S 108

Buitenlust

Buitenlust

Ondergrondse container Cocon-container: GFT

1800

4000

4000

Cocon-container: PAPIER

1800

6 6 267 -S-267 6 108

Lp

Lp

P

P

P

P

P

P

P

P

P

P

P

P

P

P

P

P

P

P

P

P

P

P

P

P

Bestaande watergang P

P

P

P

Opstelplaats vrachtauto

Opstelplaats brandweervoertuig

P

P

Stempelzone

P

P

R5.5

R10

Stempelzone

P

P

P

P

P

PP

PP

PP

PP

PP

P

P

P

P

P

P

P

P

P

P

Renvooi Gemeenschappelijke buitentuin

Gras

Gemeenschappelijke binnentuin

't Zand

Bestaande greppel (geen wijzigingen)

Trappenhuis

5 5 2556-S-255

Hagen

108

Rijbaan (op hetzelfde niveau troittoir)

Ontmoetingsruimte

P

Parkeerplaats 5000x2500mm

Trottoir

Gebouw

Gemeenschappelijke buitentuin

Terrassen begane grond (privé) Lp

Lantaarnpaal Entreepijl

Gemeenschappelijke buitentuin

5 5 245 -S-245

Kadastrale gemeente: Werkendam Sectie: S Perceel: 2673+2674 Adres: Buitenlust Schaal: 1:200

6 108

Voor tuinplan gemeenschappelijke binnen- en buitentuin, zie blad BA-03

project:

Zandpad

architects & engineers

13 appartementen

Neerpolderseweg 1 3381 jp giessenburg

Buitenlust Sleeuwijk

T +31 (0) 184 634 895 www.new-ton.nl

omschrijving:

bladnr :

Bouwaanvraag Terreininrichting

datum : 18 juli 2024

formaat: A1

getekend : AVE

gecontroleerd : JWC

schaal : 1:200

BA-01

Bijlage C Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten Soort Steenuil Athene noctua Gierzwaluw Apus apus Huismus Passer domesticus Roek Corvus frugilegus Grote gele kwikstaart Motacilla cinerea Kerkuil Tyto alba Oehoe Bubo bubo Ooievaar Ciconia ciconia Slechtvalk Falco peregrinus Boomvalk Falco subbuteo Buizerd Buteo buteo Havik Accipiter gentilis Ransuil Asio otus Sperwer Accipiter nisus Wespendief Pernis apivorus Zwarte wouw Milvus migrans Blauwe reiger Ardea cinerea Boerenzwaluw Hirundo rustica Bonte vliegenvanger Ficedula hypoleuca Boomklever Sitta europaea Boomkruiper Certhia brachydactyla Bosuil Strix aluco Brilduiker Bucephala clangula Draaihals Jynx torquilla Eidereend Somateria mollissima Ekster Pica pica Gekraagde roodstaart Phoenicurus phoenicurus Glanskop Parus palustris Grauwe vliegenvanger Muscicapa striata Groene specht Picus viridis Grote bonte specht Dendrocopos major Hop Upupa epops Huiszwaluw Delichon urbicum IJsvogel Alcedo atthis Kleine bonte specht Dendrocopos minor Kleine vliegenvanger Ficedula parva Koolmees Parus major Kortsnavelboomkruiper Certhia familiaris macrodactyla Oeverzwaluw Riparia riparia Pimpelmees Parus caeruleus Raaf Corvus corax Ruigpootuil Aegolius funereus Spreeuw Sturnus vulgaris Tapuit Oenanthe oenanthe Torenvalk Falco tinnunculus Zeearend Haliaeetus albicilla Zwarte kraai Corvus corone Zwarte mees Periparus ater Zwarte roodstaart

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15549597/1