Bijlage Ruimtelijke onderbouwing bij RV VVGB Buitenlust Sleeuwijk 13 appartementen
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing woningbouw Buitenlust Sleeuwijk
Versie: 6 november 2024
Ruimtelijke onderbouwing nieuwbouw Buitenlust Sleeuwijk Projectgegevens: Locatie: Gemeente: Documentnummer: Status:
Buitenlust Sleeuwijk - Perceel WKD00 S 2673 Altena 20210115 Definitief
Opdrachtgever: De gebroeders van Arkel Auteurs: De heer C.J.T. van Barneveld Mevrouw C.M. Dubbelman De heer ing. A.M. Nuijten MArch. Gecontroleerd: De heer ing. A.M. Nuijten MArch.
2
Hoofdstuk 1
Inleiding ........................................................................................................................... 4
1.1
Aanleiding ................................................................................................................................ 4
1.2
Ligging van het project ............................................................................................................ 4
1.3
Vigerend Bestemmingsplan..................................................................................................... 4
1.4
Leeswijzer ................................................................................................................................ 5
Hoofdstuk 2
Huidige situatie en beschrijving initiatief ........................................................................ 6
2.1
Huidige situatie........................................................................................................................ 6
2.2
Beschrijving initiatief ............................................................................................................... 7
2.3
Parkeren ................................................................................................................................ 10
Hoofdstuk 3
Beleidskader .................................................................................................................. 11
3.1
Rijksbeleid.............................................................................................................................. 11
3.2
Provinciaal beleid – Noord-Brabant ...................................................................................... 14
3.3
Gemeentelijk beleid .............................................................................................................. 16
Hoofdstuk 4 – Milieu- en omgevingsaspecten ...................................................................................... 22 4.1
Inleiding ................................................................................................................................. 22
4.2
Milieueffectenrapportage (m.e.r.) ........................................................................................ 22
4.3
Geluid .................................................................................................................................... 22
3.4
Bodem ................................................................................................................................... 24
4.5
Ecologie ................................................................................................................................. 25
4.6
Waterparagraaf ..................................................................................................................... 27
4.7
Luchtkwaliteit ........................................................................................................................ 29
4.8
Externe Veiligheid.................................................................................................................. 30
4.9
Bedrijven en milieuzonering.................................................................................................. 32
4.10
Spuitzones ............................................................................................................................. 35
4.11 Stikstofdepositie ........................................................................................................................ 36 4.12 Archeologie en Cultuurhistorie ................................................................................................. 36 Hoofdstuk 5 – Financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid .......................................................... 39 5.1
Financiële uitvoerbaarheid .................................................................................................... 39
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................... 39
Bijlagen 1. Natuurtoets 2. Verkennend bodemonderzoek 3. Watertoets 4. Akoestisch onderzoek 5. Stikstofdepositieberekening 6. M.e.r. beoordeling
3
Hoofdstuk 1
Inleiding
1.1 Aanleiding Aan de oostzijde van het Brabantse dorpje Sleeuwijk bevindt zich, grenzend aan de wegen Buitenlust en Het Zand, een onbebouwd kavel. De opdrachtgever is voornemens om op dit perceel dertien appartementen te realiseren in de vorm van een woongemeenschap. De realisatie van woningen is in strijd met het vigerende bestemmingsplan. Middels een principeverzoek is getoetst of de gemeente in principe wil meewerken aan het initiatief. De gemeente heeft in de brief van 17 november 2022 laten weten dat het college van burgemeester en wethouders een positief besluit heeft genomen over het initiatief. Deze ruimtelijke onderbouwing dient ter motivatie van het verzoek om een besluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning WABO in afwijking van het bestemmingsplan.
1.2 Ligging van het project Het plangebied ligt aan de Buitenlust te Sleeuwijk. Kadastraal bekend als: perceel WKD00 S 2673. De Buitenlust is een doodlopende weg aan de rand van de zuidoostkant van Sleeuwijk, grenzend aan Het Zand en het Zandpad. De toekomstige bewoners hebben uitzicht op de weilanden aan de zuidzijde van Sleeuwijk. Ten noorden van het plangebied is bedrijventerrein ’t Zand gelegen. In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied weergegeven.
Figuur 1.1 - Ligging van het plangebied - de planlocatie is blauw gemarkeerd. Overgenomen van: www.kadastralekaarten.nl
1.3 Vigerend Bestemmingsplan Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan “Kern Sleeuwijk”. De enkelbestemming van het plangebied luidt “Agrarisch”. Naast de enkelbestemming kent het perceel ook de gebiedsaanduiding “Geluidszone – weg”.
4
Woningen zijn in strijd met dit bestemmingsplan. Voorliggend document bevat de ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van de vergunningsaanvraag. In figuur 1.2 is de kaart van het bestemmingsplan weergegeven.
Figuur 1.2 - Bestemmingsplan Kern Sleeuwijk. Overgenomen van: www.ruimtelijkeplannen.nl
1.4 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving van de bestaande en toekomstige situatie gegeven. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan het Rijks, provinciaal en gemeentelijk beleid. Ten behoeve van de ontwikkeling van het initiatief is onderzoek verricht naar diverse ruimtelijke relevante milieuaspecten. Dit wordt per onderdeel behandeld in hoofdstuk 4. Hoofdstuk 5 gaat in op de economische - en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
5
Hoofdstuk 2
Huidige situatie en beschrijving initiatief
2.1 Huidige situatie Op dit moment fungeert de planlocatie als weiland, er zijn geen gebouwen op de planlocatie aanwezig. De oost-, zuid- en westzijde van het perceel is omringd door een brede greppel. In figuur 2.1 is een foto van de planlocatie weergegeven genomen, vanaf Het Zand. Figuur 2.2 geeft een bovenaanzicht van de planlocatie weer.
Figuur 2.1 - Overzicht planlocatie
Figuur 2.2 - Bovenaanzicht planlocatie. Overgenomen van: www.kadastralekaarten.nl
6
2.2 Beschrijving initiatief 2.2.1 Woongemeenschap voor senioren De beoogde ontwikkeling richt zich volledig op senioren. Waar veel senioren vaak lang in hun gezinswoning blijven wonen, is de opdrachtgever voornemens voor die senioren een plek te bieden die beter aansluit op de wensen en behoeften in die betreffende levensfase. Op deze wijze komen er niet alleen gezinswoningen vrij op de krappe woningmarkt, maar kunnen senioren ook langer (in groepsverband) zelfstandig blijven wonen. Het initiatief bestaat uit dertien riante, gelijkvloerse en rolstoelvriendelijke woningen met een eigen terras. 2.2.2 Gemeenschappelijke ruimtes Naast de dertien woningen beschikt de woongroep ook over een aantal gezamenlijke voorzieningen. Zo wordt in de ‘kop’ van het gebouw een gezamenlijke woonkamer gerealiseerd, waardoor ontmoeting wordt gestimuleerd. De woonkamer beschikt over openslaande deuren naar het gezamenlijke terras. Daarnaast worden er twee gezamenlijke fietsenstallingen gerealiseerd. De gemeenschappelijke (binnen)tuin wordt voorzien van (half verharde) wandelpaden, bomen en bankjes. Middels de realisatie van al deze gezamenlijke voorzieningen wordt het contact tussen senioren gestimuleerd. Wanneer gewenst kunnen de bewoners zich terugtrekken in hun eigen zelfstandige woning. In figuur 2.3 is een impressie weergegeven van de beoogde ontwikkeling.
Figuur 2.3 - Impressies nieuwe situatie
7
2.2.3 Levensloopbestendigheid De appartementen zijn zo ingericht dat de senioren er langere tijd veilig in kunnen wonen. Zo worden er ruime badkamers gerealiseerd die voldoende ruimte bieden om lang thuis te blijven wonen. Zo is het ruim genoeg om gewassen te worden door bijvoorbeeld thuiszorg, ook is de badkamer toegankelijk met een rolstoel. De hoofdslaapkamer is ruim ingericht, hierdoor is er eenvoudig doorheen te manoeuvreren met een rolstoel. Deze hoofdslaapkamer is direct gelegen tegen de woonkamer en keuken. Met beperkte bouwkundige ingrepen kan deze middels (schuif) deuren geschakeld worden aan de woonkamer, zodat bedlegerige inwoners ook langer thuis kunnen blijven wonen. In de fietsenberging kunnen ook scootmobielen worden gestald en opgeladen. Deze berging is niet alleen bedoeld voor fietsen. De initiatiefnemer is voornemens een platformlift toe te passen. Op deze manier is het voor mindervalide ouderen mogelijk om ook op de eerste verdieping te wonen. De levensloopbestendigheid beperkt zich niet alleen tot de woningen, hiermee wordt het project tekort gedaan. Het is een totaalconcept waarbij de gehele woongemeenschap levensloopbestendig is. Voorbeelden hiervan zijn de gezamenlijke ontmoetingsruimte, maar zeker ook het feit dat groenen gebouwonderhoud zal worden verricht in opdracht van de VVE en we de bewoners hier volledig in ontzorgen.
2.2.4 Waterberging, energie en afval Ten eerste voorziet het plan in een groen dak. Daarnaast wordt buiten het gebouw zoveel mogelijk groen behouden en wordt de bestaande watergang aan de zuid- en westzijde deels verbreedt. In het kader van groene energie wordt het dak voorzien van zonnepanelen. Het afval wordt ingezameld middels een gezamenlijke ondergrondse afvalcontainer welke wordt gepositioneerd op de parkeerplaats. Om voldoende waterberging te realiseren, wordt de watergang tegenover de projectlocatie verbreed. 2.2.5 Kwalitatief groen Bij het huidige perceel kan worden gesproken van een monocultuur. Dit sluit aan bij het groene karakter van de omliggende gronden, maar dit is met name kwantitatief groen. De beoogde ontwikkeling zal, waar nu sprake is van een monotoon grasveld, de diversiteit enorm laten toenemen. Niet alleen wordt er streekeigen beplanting toegevoegd, maar ook zal het bestaande monotone grasland plaatsmaken voor een divers kruidenrijk grasland. Niet alleen de ondergrondse biodiversiteit krijgt daardoor een boost, ook aan de bovengrondse flora en fauna wordt aandacht besteed. Door de grote diversiteit aan kruiden en grassen, wordt een verscheidenheid aan insecten aangetrokken die een belangrijke voedselbron vormen voor weidevogels. Met name kuikens hebben veel meer kans om te overleven in een kruidenrijk grasland dan in een monotoon grasland.
Een aangepast maaibeleid is dan van groot belang. Op deze manier ontstaat er een duidelijk verschil tussen de omliggende agrarische monoculturen en het diverse groen aan de andere zijde van het Zandpad. Voor het toevoegen van groen op het perceel zijn een aantal uitgangspunten geformuleerd: -
Toepassen van streekeigen beplanting. Sturen op diversiteit in beplanting om de biodiversiteit te verhogen. (natuurinclusief)
8
-
Zo min mogelijk toepassen van harde afscheidingen, groene afscheidingen blijven het uitgangspunt.
Alle natuurinclusieve, klimaatadaptieve en energieneutrale maatregelen die hierboven beschreven zijn dragen bij aan de in Nederland steeds groter wordende ambitie: een resiliente leefomgeving. In figuur 2.4 is een situatietekening weergegeven van de nieuwe situatie.
Figuur 2.4 – Nieuwe situatie
9
2.3 Parkeren 2.3.1 Nota parkeernormen Altena Op 15 december 2020 heeft de gemeente Altena haar Nota Parkeernormen vastgesteld. Met uitzondering van de hoofdgroep ‘wonen’ zijn de parkeernormen van het CROW leidend. In heel de gemeente Altena geldt het gebiedstype ‘rest bebouwde kom’ en de stedelijkheidsgraad ‘niet stedelijk’. In Altena wordt het gemiddelde van de door het CROW gestelde bandbreedte als parkeernorm gehanteerd voor functies anders dan wonen. De normen voor wonen zijn weergegeven in figuur 2.5.
Figuur 2.5 - Parkeernormen hoofdgroep 'wonen'. Overgenomen op 23-11-22 uit Nota parkeernormen Altena.
Gezien de afmetingen van de appartementen, de voorzieningen en de afmetingen van het perceel is gesteld dat de appartementen behoren in de categorie ‘Appartement duur’. Norm: Eenheden: Parkeerbehoefte:
2,0 13 26 parkeerplaatsen
2.3.2 Conclusie parkeren Zoals in figuur 2.6 inzichtelijk is gemaakt, wordt door de realisatie van 26 parkeerplaatsen aan de parkeernormen, zoals gesteld in de Nota parkeernormen Altena, voldaan.
Figuur 2.6 - Parkeervoorziening
10
Hoofdstuk 3
Beleidskader
In het kader van onderhavige ruimtelijke onderbouwing wordt een onderscheid gemaakt tussen het Rijksbeleid, het provinciale beleid en het beleid van de gemeente Altena.
3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht gegaan. De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit in de inwerkingtreding van deze wet. De NOVI vervangt op rijksniveau de structuurvisie infrastructuur en ruimte. Nederland staat voor een aantal maatschappelijke opgaven. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. Deze opgaven worden benut om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden voor de generaties na ons. De NOVI biedt een perspectief om grote opgaven aan te pakken en samen Nederland mooier en sterker te maken. Hierbij is omgevingskwaliteit het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. In de NOVI worden de volgende vier prioriteiten voor het rijk genoemd: 1. 2. 3. 4.
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier bovengenoemde prioriteiten geldt dat zowel voor de lange als korte termijn maatregelen nodig zijn. Onder deze prioriteiten hangen 20 nationale belangen. De nationale belangen zijn de inhoudelijke belangen bij de fysieke leefomgeving waarbij het Rijk een rol voor zichzelf ziet en waarvoor het kabinet in politieke zin aanspreekbaar is. De volgende belangen zijn voor dit project relevant: 1. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving. 2. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit. 3. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. 4. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften. 5. Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem. 6. Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving. 7. Beperken van klimaatverandering. 8. Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur. 9. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit). 10. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater. 11. Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit.
11
De beoogde ontwikkeling draagt bij aan de belangen rondom duurzaamheid, resilience en klimaat (1, 5, 7, 8, 9, 10 en 11). De verwachte toename van de biodiversiteit op de planlocatie, de zonnepanelen, de extra waterberging (beschikbaarheid zoetwater) en het planten van extra bomen zijn hier concrete voorbeelden van. Daarnaast dragen de gemeenschappelijke voorzieningen en de speciale woonvorm bij aan het realiseren van een goede en veilige leefomgevingskwaliteit. Conclusie NOVI Het plan is niet in strijd met de Nationale Omgevingsvisie en zal een bijdrage leveren aan de hiervoor genoemde belangen uit de NOVI 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De AMvB Ruimte wordt in juridische termen aangeduid als: Besluit algemene regels ruimtelijk ordening (Barro). Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Gemeenten moeten bij het vaststellen van bestemmingsplannen, wijzigings- of uitwijkingsplannen maar ook bij projectuitvoeringsbesluiten rekening houden met het Barro, en het plan mag hiermee niet in strijd zijn. In de AMvB zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. De AMvB Ruimte is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingplannen.
De Wet ruimtelijke ordening zoals die sedert 1 juli 2008 geldt, geeft aan de regering de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur (AmvB) regels te stellen over onder andere de inhoud van bestemmingsplannen. Dat zijn regels waarmee gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen in het vervolg rekening moeten houden. Het gaat dan niet alleen om procedure regels, maar ook om de inhoud van bestemmingsplannen. In het Barro wordt een aantal projecten die van Rijksbelang zijn, met name genoemd en met behulp van digitale kaartbestanden exact ingekaderd. Voor deze projecten is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze projecten hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Conclusie Barro De voorgenomen ontwikkeling valt niet binnen één van de in het Barro aangewezen projecten. Het Barro legt daardoor geen restricties op voor de ontwikkeling. 3.1.3 Ladder voor Duurzame Verstedelijking Ruimtelijke initiatieven dienen te voldoen aan de eisen die worden gesteld aan de hand van de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ (hierna: de ladder), die is vastgelegd in artikel 3.1.6., lid 2 van het Bro. Hierbij dient te worden bepaald of sprake is van een stedelijke ontwikkeling en zo ja, of hierbij sprake moet zijn van regionale afstemming van het project.
Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van die ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Uit de handreiking ladder voor duurzame verstedelijking en jurisprudentie blijkt dat een ontwikkeling van meer dan twaalf woningen wordt gezien als stedelijke ontwikkeling. De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van 13 appartementen. Omdat er meer dan 12 woningen worden gerealiseerd is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarom dient het project getoetst te worden een de ladder.
12
Behoefte Conform de indicatie bevolkingsgroep per gemeente van de provincie Noord-Brabant, wordt verwacht dat de bevolking in de gemeente Altena tussen 2023 en 2030 zal toenemen met 3.130 inwoners. De verwachting is zelfs dat in 2024 hier nog 4.120 inwoners bijkomen. Conform de bevolkings- en woningbehoefteprognose Noord-Brabant, actualisering 2023 (nov.2023) wordt de nodige woningvoorraad per gemeente in de periode van 2023-2040 beschreven. Voor de gemeente Altena zijn er in de periode van 2023-2040 4.785 extra woningen benodigd. Tot en met 2030 is er een behoefte aan 2.220 woningen. Uit de gemeentelijke Woonvisie 2021-2025 blijkt een duidelijke behoefte aan woningen. Deze woonvisie was gebaseerd op de destijds meest recente Provinciale prognose uit 2020. Hierin lag de opgave om 1.220 woningen te realiseren in de komende vijf jaar. Gezien het feit dat deze gemeentelijke woonvisie loopt tot 2025 en de provinciale woningbehoefteprognose is bijgesteld in november 2023, zijn de cijfers van de provinciale woningbehoefteprognose in dit geval meer relevant. In de gemeentelijke Woonvisie wordt ook de woningbehoefte per kern inzichtelijk gemaakt. In kern Sleeuwijk is dit voor de periode 2021-2025 een woningbehoefte van 75 tot 95 woningen.
Gezien de stijgende behoefte in de geactualiseerde provinciale prognose, waar de gemeentelijke Woonvisie op gebaseerd is, zal de woningbehoefte in Sleeuwijk ook zijn toegenomen voor deze periode. Er is nog geen Woonvisie beschikbaar voor de periode vanaf 2025, daarom is op dit moment de provinciale woningbehoefte meer relevant. In de prognose gemiddelde jaarlijkse bevolkingsgroei (of krimp) in Brabantse gemeenten 2000-2050 is te zien dat de gemeente Altena behoort tot de gemeente waar de meeste bevolkingsgroei wordt verwacht. Tussen 2023 en 2030 wordt een groei van meer dan 0,75% verwacht. De prognose is zelfs dat in de periode van 2040 t/m 2050 de bevolking nog zal toenemen met 0,25 tot 0,5%. Bestaand stedelijk gebied De Structuurvisie geeft aan dat dit gebied is gelegen binnen het stedelijke gebied en daarmee bedoeld is voor stedelijke ontwikkelingen, waaronder wonen. Lokaal woonbeleid In de woonvisie van de gemeente Altena staat dat wegens de druk op de woningmarkt er in ieder segment wel ruimte is voor een uitbreiding van het aanbod. Ongeveer een kwart van de woningzoekende zoekt een appartement; een vraag die met name afkomstig is van senioren die op zoek zijn naar en kleinere, onderhoudsvriendelijke, levensloopgeschikte woning. In de woonvisie staan dan ook 3 opgaven beschreven, namelijk: 1. Levensloopgeschikte woningen voor senioren; 2.
Betaalbare woningen voor starters; 3. Nieuwe woonvormen die tegemoetkomen aan de huidige maatschappelijke trends (zoals gemeenschapszin, zorgen voor elkaar, duurzaamheid, kleiner wonen).
13
De realisatie van de woongemeenschap buitenlust, voldoet aan punt 1 en 3, zoals beschreven in 2.2.3. Conclusie laddertoets: Gezien de woningbehoefte in de gemeente Altena wordt er aan de Ladder voldaan.
3.2 Provinciaal beleid – Noord-Brabant 3.2.1 Omgevingsvisie Op 14 december 2018 hebben de Provinciale Staten de omgevingsvisie Noord Brabant vastgesteld. Deze omgevingsvisie vervangt na het inwerking treden van de Omgevingswet de provinciale structuurvisie. Met de omgevingsvisie formuleert de provincie haar ambitie over hoe zij de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit moet zien. Daarbij stelt zij tussendoelen voor 2030, maar legt nu nog niet vast hoe zij die doelen wil bereiken. De provincie wil daarmee ruimte bieden voor inbreng vanuit partijen en disciplines. Om hiermee aan de slag te gaan is volgens de provincie een verdere uitwerking van de ambities nodig in de vorm van programma's. Met de visie geeft de provincie aan wat zij belangrijk vindt voor de verbetering en duurzame ontwikkeling van Brabant. Daarbij legt zij de focus op vier hoofdopgaven voor de middellange en lange termijn: werken aan energietransitie, een klimaatproof Brabant, de slimme netwerkstad en een concurrerende duurzame economie. Deze vier hoofdopgaven staan ten dienste van de basis opgaven: werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. Om te komen tot de slimme netwerkstad richt de provincie zich op duurzame verstedelijking. Zij wil daarin richting geven door middel van het bevorderen van regionale afspraken, het sturen op zorgvuldig ruimtegebruik en het periodiek opstellen van prognoses.
Verder wil zij een actieve rol spelen om beweging te stimuleren (o.a. door samen te werken bij gebiedsopgaven en bij het opstellen van uitvoeringsprogramma's) en gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken. Conclusie Omgevingsvisie De beoogde ontwikkeling speelt wegens verschillende ‘groene’, resiliente en waterrobuuste maatregelen in op een goede omgevingskwaliteit, het klimaat en de energietransitie. Hierdoor kan gesteld worden dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met de Omgevingsvisie Noord-Brabant. 3.2.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (geconsolideerde versie april 2022) Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant hebben op 25 oktober 2019 de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (hierna: IOV) vastgesteld. Deze verordening is per 5 november 2019 in werking getreden. Vanwege de komst van de Omgevingswet moet de provincie haar regelsysteem aanpassen. In dat geval heeft de provincie nog maar één verordening waarin alle regels zijn opgenomen over de fysieke leefomgeving. De IOV is een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening. Hierin worden de bestaande verordeningen over de fysieke leefomgeving samengevoegd tot één Interim omgevingsverordening, waaronder de huidige Verordening ruimte. De IOV is beleidsneutraal van karakter, wat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn
14
doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vigerend beleid, zoals de Omgevingsvisie. In beginsel zijn de huidige regels met het huidige beschermingsniveau gehandhaafd. In hoofdstuk 3 van IOV zijn de instructieregels opgenomen die gemeenten moeten toepassen in hun bestemmingsplannen. Hierin staan de regels die nu nog zijn opgenomen in de Verordening Ruimte. Vooruitlopend op de Omgevingswet richten de instructieregels zich op een evenwichtige toedeling van functies (in plaats van het bestemmen van ontwikkelingen). Dit betekent dat de regels ook vanuit functies (van gebieden) zijn opgebouwd. Daarnaast richten de regels zich op een goede omgevingskwaliteit, inclusief een veilige en gezonde leefomgeving (in plaats van een goede ruimtelijke kwaliteit). Tevens zijn een aantal algemene basisprincipes opgenomen. In de IOV zijn regels voor ontwikkelingen gekoppeld aan werkgebieden (structuren) en aanduidingen. Het plangebied ligt binnen het werkgebied 'stedelijk gebied', zie figuur 3.1 Het plangebied is aangeduid als 'Stedelijk gebied'. Het provinciale beleid is er al decennia lang op gericht om stedelijke ontwikkeling in stedelijke concentratiegebieden te bundelen. Het doel daarvan is om voldoende draagvlak voor de steden als economische en culturele motor te creëren en om het dichtslibben van het landelijk gebied tegen te gaan.
Op provinciale schaal betekent dit dat het merendeel van de woningbouw, de bedrijventerreinen, voorzieningen en bijbehorende infrastructuur moet plaatsvinden in of aansluitend op de stedelijke concentratiegebieden. Binnen het bestaand stedelijke gebied is de gemeente in het algemeen vrij om te voorzien in stedelijke ontwikkeling. De volgende artikelen uit de IOV zijn vigerend voor de planlocatie. Artikel 2.7 Landbouw Artikel 3.16 Externe werking Natuur Netwerk Brabant Artikel 3.28 Aardkundige waarden Artikel 3.29 Cultuurhistorische waarden Artikel 3.30 Nieuwe Hollandse Waterlinie Artikel 3.39 Windturbines in Stedelijk gebied – gewijzigd april 2022 Artikel 3.40 Afwijkende regels windturbines in Verstedelijking afweegbaar Artikel 3.42 Duurzame stedelijke ontwikkeling Artikel 3.48 Veehouderij in Stedelijk gebied De artikelnummers staan in de IOV niet in de juiste volgorde gerangschikt, ook zijn er verschillen te bespeuren tussen de viewer van de IOV en de hard copy van de IOV. De artikelen welke van toepassing zijn op het plan zijn hieronder uitgewerkt. Artikel 3.42 duurzame stedelijke ontwikkeling Op basis van artikel 3.42 duurzame stedelijke ontwikkeling dient een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen binnen het Stedelijk gebied te liggen.
Het bestemmingsplan dient daarbij te zijn voorzien van een onderbouwing dat: • de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; • het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Voor wat betreft de regionale afspraken wordt verwezen naar paragraaf 4.1.4 (ladder voor duurzame ontwikkeling). Deze is reeds beschreven en onderbouwd in paragraaf 3.1.3.
15
De ontwikkeling kan als duurzame ontwikkeling worden aangenomen wegens het grote scala aan duurzame maatregelen op het gebied van energietransitie en waterrobuustheid zoals beschreven in hoofdstuk 2 van dit rapport. Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: • bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; • bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; • geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; • houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; • geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; • draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie. Ook aan bovenstaande uitgangspunten wordt voldaan. Het grote scala aan duurzame maatregelen rondom energietransitie, waterrobuustheid, resilience en omgevingskwaliteit, zoals beschreven in paragraaf 2.2, ondersteunen deze uitgangspunten. Lid 3 van dit artikel is niet van toepassing omdat het uitgangspunten betreft die alleen betrekking hebben op een bedrijventerrein. Conclusie Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant De beoogde ontwikkeling voldoet aan alle relevante eisen die gesteld zijn in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant.
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Nota ruimtelijke kwaliteit De gemeente Altena heeft de regels rondom welstand vernieuwd. In 2021 is besloten een eenduidig welstandsbeleid op te stellen. Het welstandstoezicht in de gemeente is afgeschaft met uitzondering van het beschermd stadsgezicht Woudrichem, de Rijksmonumenten en de gemeentelijke monumenten. Dit betekent dat alleen de belangrijkste waardevolle cultuurhistorische gebieden en objecten van een specifiek beschermingsregiem worden voorzien. Conclusie Nota ruimtelijke kwaliteit De Nota ruimtelijke kwaliteit is niet van toepassing op het plan omdat het plangebied buiten de met welstandstoezicht bestemde gebieden ligt. 3.3.2. Structuurvisie Land van Heusden en Altena De Structuurvisie geeft aan dat dit gebied is gelegen binnen het stedelijke gebied en daarmee bedoeld is voor stedelijke ontwikkelingen, waaronder wonen. Van belang hierbij is dat de karakteristieke omgeving in stand moet blijven, en dat er gebouwd moet worden naar de vraag van de diverse doelgroepen. In de structuurvisie zijn enkele doelgroepen benoemd: starters, jonge gezinnen en senioren.
16
Door de steeds meer toenemende levensverwachting wordt de vitale bevolking met een hoge leeftijd steeds groter. Om de druk in verzorgingstehuizen af te laten nemen is het van belang senioren zo lang mogelijk zelfstandig te laten wonen. In de structuurvisie wordt levensloopbestendig wonen genoemd. Daarnaast is extramuralisering een belangrijk uitgangspunt. In de structuurvisie staat hierover het volgende opgenomen: “Bij extramuralisering gaat het om zorg en begeleiding in zelfstandige woonruimten of bijvoorbeeld om kleinschalige woonvormen in de wijk, zoals groepswoningen voor dementerenden, ouderinitiatieven voor (jong)gehandicapten, maar ook groepswonen voor ouderen en/of eenpersoonshuishoudens.” De beoogde ontwikkeling speelt in op de veranderende vraag naar extramuralisering. Wonen en zorg worden gescheiden, waarbij lichtere zorg wordt geleverd in de thuissituatie en de aanspraak op een verblijf in een intramurale omgeving vervalt. De senioren kunnen zelfstandig wonen en in hun thuissituatie thuiszorg ontvangen. Daarnaast kunnen de bewoners elkaar in de gezamenlijke ruimtes ontmoeten en waar nodig ondersteunen. Middels dit initiatief wordt het uitgangspunt voor langer (deels) zelfstandig wonen van senioren bekrachtigd. Conclusie Structuurvisie Land van Heusden en Altena De structuurvisie legt geen restricties op voor de beoogde ontwikkeling.
Het plan speelt namelijk in op de doelen rondom wonen voor senioren, die gesteld zijn in de structuurvisie. 3.3.3 Woonvisie Altena Op 22-06-2021 is de woonvisie van Gemeente Altena vastgesteld met als titel ‘Woonvisie 20212025’. Middels deze woonvisie wil de gemeente Altena inzetten op meer betaalbare woningen voor (her)starters op de woningmarkt en senioren. • Meer woningen met de juiste kwaliteit: kwantiteit en kwaliteit; • Betaalbaar wonen: sociale huur, middeninkomens; • Kwaliteit bestaande voorraad op peil: verduurzaming, levensloopgeschikt; • Wonen met zorg: ouderen, mensen met verstandelijke beperking, maatschappelijke opvang en psychiatrische problematiek, prettige woonomgeving; • Leefbare en vitale kernen: voldoende draagkracht, vitaliteit, groene woonomgeving; • Bijzondere doelgroepen: spoedzoekers, arbeidsmigranten en statushouders. De gemeente Altena streeft ernaar om in de periode van 2021-2030 drieduizend woning toe te voegen, waarvan minimaal 1.220 in de eerste vijf jaar.
17
Voor de komende woonvisie periode ziet de gemeente Altena de volgende drie prioriteiten: • Levensloopgeschikte woningen voor senioren; • Betaalbare woningen voor starters; • Nieuwe woonvormen die tegemoetkomen aan de huidige maatschappelijke trends (zoals gemeenschapszin, zorgen voor elkaar, duurzaamheid, kleiner wonen). De beoogde ontwikkeling speelt in op een aantal door de gemeente gestelde doelen. In zowel de kwantitatieve als de kwalitatieve woningopgave wordt voorzien. De doelgroep senioren wordt meermaals in de woonvisie aangehaald als blijvend aandachtspunt. Ook in de woonvisie wordt het langer zelfstandig wonen van senioren ondersteund. Daarnaast voorziet het plan in een groene en gezonde woonomgeving. Ook dit wordt in de woonvisie onderschreven. Als laatste wordt ook in de derde prioriteit voorzien. De beoogde ontwikkeling betreft namelijk een nieuwe woonvorm die tegemoetkomt aan de huidige maatschappelijke trends. Zorgen voor elkaar, duurzaamheid en resilience zijn hierbij de grootste uitblinkers. Specifiek voor Sleeuwijk wordt het volgende gezegd in de woonvisie: “Er is de komende vijf jaar behoefte aan 75 tot 95 woningen. Er is behoefte aan een mix van huur- en koopwoningen. De vraag richt zich in eerste instantie op grondgebonden woningen, maar er is ook een substantiële vraag naar appartementen, zowel onder senioren als starters.
Er zijn al veel plannen die ook redelijk goed inspelen op deze gevarieerde vraag. Wel lijkt er een overaanbod aan plannen voor dure grondgebonden koop te zijn en lijkt er juist nog veel ruimte te zijn voor extra plannen voor middeldure koop.”
Figuur 3.2 - Kwantitatieve woningbouwopgave Sleeuwijk 2021 - 2025. Overgenomen uit Woonvisie Gemeente Altena
Uit de kwantitatieve woningbouwopgave van Sleeuwijk, zie figuur 3.2, blijkt dat er aan iedere categorie behoefte is. Conclusie Woonvisie 2021-2025 Altena De beoogde ontwikkeling speelt in op twee van de drie prioriteiten op het gebied van woningen in de gemeente Altena, namelijk: levensloopgeschikte woningen voor senioren en nieuwe woonvormen.
18
3.3.4 Groenstructuurplan (GSP) Binnen het Groenstructuurplan is het van belang gesteld dat initiatieven zo groen mogelijk worden aangekleed, en dat functioneel groen niet nodeloos wordt gekapt. Op onderhavig perceel wordt groen verwijderd waarbij conform de GSP-kaart (figuur 3.3) geen sprake is van een functionele te behouden groenstructuur. Echter worden er ter compensatie groene daken gerealiseerd en wordt er binnen de plancontouren zoveel mogelijk groen toegevoegd middels hagen, kruidenrijk grasland, plantvakken en bomen. Daarnaast worden de bestaande greppels aan de noord-, oost- en zuidzijde van het perceel vergroot ter compensatie. Naast de bebouwing beslaan de tuinen het grootste deel van de locatie, waar de bewoners gezamenlijk gebruik van kunnen maken. Conclusie Groenstructuurplan De beoogde ontwikkeling neemt enig groen weg. Ter compensatie worden er verschillende maatregelen genomen. Het GSP legt geen restricties op voor de beoogde ontwikkeling.
Figuur 3.3 - Groenstructurenkaart. Overgenomen op 25-11-22 van www.ruimtelijkeplannen.nl - Bestemmingsplan Kern Sleeuwijk → De planlocatie is rood omcirkeld.
3.3.5 Beleidsvisie Riolering en Water Op basis van de Beleidsvisie Riolering en Water Altena, vastgesteld op 19 december 2017, ligt de verantwoordelijkheid voor de verwerking van hemelwater primair bij de eigenaar van het terrein waarop het hemelwater valt, alsmede het voorkomen van overlast en schade. Naar aanleiding van het ingediende principeverzoek heeft de gemeente Altena op 12 juli 2021 een memo ‘Aandachtspunten riolering en water Buitenlust Sleeuwijk’ opgesteld waarin alle relevante beleidsuitgangspunten zijn uitgewerkt. Hydrologisch neutraal bouwen De beoogde ontwikkeling moet rekening houden met de gevolgen voor water en klimaat. Er moet zodanig worden gebouwd dat er geen (grond)wateroverlast optreedt en dat het kwel niet toeneemt. Al het uit te breiden verhard oppervlak moet worden gecompenseerd. Halfverharding telt voor 100%
19
mee. Deze compensatie wordt gecreëerd door extra waterberging toe te voegen middels (een deel van) de bestaande watergangen te vergroten. Hemelwater bij nieuwbouw Hemelwaterafvoer via een gemeentelijke voorziening is alleen toegestaan wanneer verwerking op eigen terrein niet mogelijk is. Op de planlocatie is een hemelwaterafvoer op eigen terrein wel mogelijk. De inrichting van het nieuwe initiatief dient zodanig te zijn dat er geen hemelwater afstroomt (via bijv. de uitrit) naar de Buitenlust. Aanvullende eisen Omdat wegens de benodigde waterberging een bestaande watergang moet worden vergroot en uitgebreid, zijn er aanvullende aspecten waar het plan rekening mee dient te houden: 1. De bestaande watergang beschikt over een B-status. Aan beide zijden van de watergangen moet daarom een beschermingszone van minimaal één meter obstakelvrij worden gehanteerd. 2. Indien de breedte van de watergang na verbreding meer dan acht meter bedraagt, dient de watergang vanaf beide zijden worden te onderhouden. Hiervoor is een onderhoudsstrook van vijf meter vereist. 3. Om het genoemde onder punt twee te voorkomen en de benodigde waterberging te realiseren kan aan de noordzijde van het perceel, parallel aan de Buitenlust een extra watergang worden gerealiseerd. 4. Voor de ontwikkeling moet bij het waterschap een watervergunning worden aangevraagd. 5.
Voor de ontwikkeling moet er minimaal een digitale watertoets worden uitgevoerd. De resultaten van de watertoets aanvullend met de onderwerpen uit de memo van de gemeente dienen te worden onderbouwd in een waterparagraaf. 6. De watergang aan de westzijde van het perceel kan niet worden vergroot wegens de aanwezige hoofdpersleiding van het waterschap. 7. In de directe omgeving van de planlocatie bevindt zich natuur die onderdeel uitmaakt van Natuurnetwerk Brabant. Daarom is natuurinclusief bouwen extra wenselijk op de planlocatie en worden de plannen voorgelegd aan natuurinclusief Altena. Conclusie Beleidsvisie Riolering en Water De afvoer van hemelwater wordt op eigen terrein gerealiseerd. Om alle eisen die door de gemeente gesteld zijn in de memo Riolering en Water in acht te nemen en de benodigde waterberging te realiseren, ten gevolge van de nieuwe verharding, zijn de volgende uitgangspunten opgesteld: 1. Aan de westzijde van het perceel wordt de watergang verbreed. (figuur 3.4) 2. De beschermingszone van 1m wordt in acht genomen. 3. Er wordt rekening gehouden met de wensen rondom natuurinclusief bouwen. De watertoets, compensatieberekening en verdere uitwerking en onderbouwing van het plan worden uiteengezet in paragraaf 4.6.
20
Figuur 3.4 - Nieuwe situatie water
21
Hoofdstuk 4 – Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de verschillende milieu-/omgevingsaspecten en onderzoeken die van belang zijn in het kader van een goede ruimtelijke ordening, waar het ruimtelijke plan aan moet voldoen.
4.2 Milieueffectenrapportage (m.e.r.) 4.2.1 M.e.r. Het besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is essentieel om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit m.e.r. (beoordelings)procedure moeten worden doorlopen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten die m.e.r. plichtig zijn (onderdeel C) en activiteiten die beoordelingsplichtig zijn (onderdeel D). Wanneer een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarde ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EU-richtlijn milieueffectbeoordeling worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteiten voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.beoordelingsplichtig. 4.2.2 Conclusie Milieueffectenrapportage De realisatie van een wooncomplex bestaande uit 13 appartementen valt ruim onder de bovenstaande drempelwaarden en is niet rechtstreeks m.e.r. plichtig of m.e.r. beoordelingsplichtig. Wel dient middels een vormvrije m.e.r. -beoordeling te worden nagegaan of sprake kan zijn van nadelige milieukundige gevolgen voor de realisatie van het plan. De m.e.r.-beoordeling is terug te vinden in bijlage 6. Uit de m.e.r.-beoordeling blijkt dat onderhavig initiatief niet zal zorgen voor nadelige milieukundige gevolgen. Zodoende is de activiteit niet m.e.r.-beoordelingsplichtig.
4.3 Geluid Bij een ruimtelijk plan dient rekening te worden gehouden met geluidsbronnen en mogelijke hinder of overlast hiervan voor de omgeving. Voor de beoordeling hiervan zal gekeken worden naar de Wet Geluidhinder. 4.3.1 Wet geluidhinder De Wet geluidhinder (Wgh) geeft regels wanneer een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd en waar dit aan moet voldoen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. 4.3.2 Wegverkeer Op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) ligt rond iedere weg een zone (art.74). Dit geldt niet voor woonerven en 30 km/uur wegen. Langs het plangebied lopen twee wegen met een snelheidslimiet van 50 km/uur, Het Zand en Zandpad. De beoogde ontwikkeling ligt binnen de invloedssferen van
22
deze wegen. Conform de Wgh moet een akoestisch onderzoek uitwijzen of de bewoners hinder van het weg. De Buitenlust heeft een snelheidslimiet van 30 km/uur. Wegen met een snelheidslimiet van 30 km/uur veroorzaken normaal gesproken geen geluidbelasting boven de voorkeurswaarde. 4.3.3 Spoorverkeer Ook rondom spoorwegen ligt een wettelijk vastgelegde geluidzone. In deze situatie is geen spoorweg in de omgeving aanwezig waarmee rekening dient te worden gehouden. 4.3.4 Relatie ruimtelijk plan en Wet geluidhinder Conform de Wet geluidhinder moet voor de beoogde ontwikkeling een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd. Uitgangspunt is dat voor alle woningen binnen de zone de voorkeursgrenswaarde van Lden=48 dB voor wegverkeer en Lden =55 dB voor railverkeer niet wordt overschreden. Bij hogere waarden moet uit akoestisch onderzoek blijken welke maatregelen nodig zijn om wel aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. Als maatregelen niet mogelijk of onvoldoende doeltreffend zijn kan een ontheffing worden verleend. De maximale ontheffing voor nieuwe woningen in binnenstedelijk gebied bedraagt Lden=63 dB en in buitenstedelijk gebied Lden=53 dB. 4.3.5 Akoestisch onderzoek Op 12 februari 2024 is door AWG Geluidsadvies B.V. een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is de basis voor een eventuele procedure hogere waarde en dient mede als onderbouwing van deze milieuparagraaf.
De rapportage van het akoestisch onderzoek is opgenomen in bijlage 4.
Figuur 4.1 Geluidbelasting Lden in dB op de gevels van de appartementen. Cumulatieve geluidbelasting Lcum in dB. Benodigde karakteristieke geluidwering Ga;k in dB
In figuur 4.1 is de geluidsbelasting in Lden weergegeven op de gevels van de appartementen. Vanwege het Zandpad beschikken zes van de dertien appartementen over een geluidsbelasting die hoger ligt dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Om de geluidsbelasting voor deze vijf appartementen te reduceren naar een waarde onder de voorkeursgrenswaarde moeten er ingrijpende maatregelen worden gedaan. Alleen het aanbrengen van een geluidsreducerend wegdek of een geluidsscherm hoger dan vier meter kan ervoor zorgen dat de geluidsbelasting onder de voorkeursgrenswaarde zal blijven. Vanwege de kleine omvang van het project en vanuit stedenbouwkundig en landschappelijk oogpunt zijn deze maatregelen niet wenselijk. Daarom vraagt AWG-Geluidsadvies het bevoegd gezag een hogere waarde vast te stellen van Lden = 49-53 dB, conform de tabel in figuur 4.2. Vanwege ’t Zand wordt op alle appartementen voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. In de laatste kolom van de tabel in figuur 4.1 is de benodigde karakteristieke geluidwering van de gevels weergegeven. Deze varieert van GA;k = 20 dB tot GA;k = 25 dB.
23
3.4.6 Conclusie geluid AWG heeft een akoestisch onderzoek uitgevoerd op de locatie. Voor vijf van de dertien appartementen wordt het bevoegd gezag verzocht een hogere waarde vast te stellen van Lden = 49-53 dB. Aan de benodigde karakteristieke geluidswering zal worden voldaan. Daarnaast beschikken alle appartementen over een geluidsluwe gevel. Dit betreffen de gevels aan de binnenzijde van de Uvorm van het gebouw. Het aspect geluid legt geen restricties op voor de beoogde ontwikkeling omdat aan de maximale grenswaarde van Lden = 63 dB (na ontheffing) wordt voldaan. Figuur 4.2 – Benodigde hogere grenswaarden Lden vanwege het Zandpad.
3.4 Bodem 4.4.1 Wettelijk kader Het is wettelijk geregeld (Wbb en bouwverordening) dat de bouw pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Indien sprake is van een verdachte locatie dient onderzocht te worden in welke mate de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is, moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Een bodemonderzoek mag niet meer dan vijf jaar oud zijn en moet een vastgestelde informatiekwaliteit bieden. Indien aan die voorwaarden niet kan worden voldaan, dient aanvullend onderzoek plaats te vinden. Wanneer uit het onderzoek blijkt dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel, dient vóór aanvang van de bouwwerkzaamheden een bodemsanering te worden uitgevoerd om de bodem wel geschikt te maken, of dient de aanvraag te worden geweigerd. De locatie wijzigt met woningbouwontwikkeling van het gebruik ‘agrarisch’ naar gebruik ‘wonen’, een gevoeligere bestemming. Daarom is voor het plan inzicht in de bodemkwaliteit noodzakelijk. Omdat er geen bodemgegevens beschikbaar zijn, is voor wijziging van de functie en de omgevingsvergunning (bouwen) een verkennend bodemonderzoek noodzakelijk.
4.4.2 Verkennend bodemonderzoek Op 16 februari 2023 is door Baecx B.V. een verkennend bodemonderzoek verricht naar de bodemgesteldheid. Bij de visuele inspectie zijn geen opvallende dingen, zoals asbesthoudende materialen, waargenomen. Daarnaast is uit de analyse van verschillende monsters gebleken dat de bodem niet is verontreinigd. Enkel het grondwater is licht verontreinigd met Barium. Deze lichte verontreiniging vraagt geen verdere actie. De rapportage van het verkennend bodemonderzoek is opgenomen in bijlage 2.
24
4.4.3 Conclusie bodem Uit het bodemonderzoek blijkt dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor onderhavig initiatief. De vaste bodem als het grondwater zijn niet (noemenswaardig) verontreinigd. De locatie wordt geschikt geacht voor het beoogde gebruik.
4.5 Ecologie 4.5.1 Algemene omschrijving Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze vervangt 3 wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Het doel van de nieuwe Wet natuurbescherming is het in stand houden en beschermen van in het wild voorkomende plant- en diersoorten, Natura2000-gebieden en bossen. Onder de Wet natuurbescherming geldt, net als onder de Flora- en faunawet, een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren. De zorgplicht houdt in dat werkzaamheden, die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk nalaat of maatregelen neemt om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen. Ten tijde van de behandeling van de ingediende aanvraag omgevingsvergunning is de Wet Natuurbescherming opgegaan in de Omgevingswet, per 1 januari 2024. De Natuurtoets (bijlage 1) is hierop aangepast. 4.5.2 Gebiedsbescherming Voor de gebiedsbescherming zijn in het kader van de Europese richtlijnen in Nederland speciale beschermingszones aangewezen met een hoge wettelijke bescherming. Hiervoor zijn Natura 2000gebieden en gebieden onderdeel uitmakend van het Nationaal Natuur Netwerk opgenomen. Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied of in een NNN-gebied. Het dichtstbijzijnde NNNgebied, ’t Zand’, is 85 meter verwijderd van de projectlocatie.
Het Natura 2000-gebied, ‘Loevestein, Pompveld & Komsche Boezem’, ligt op circa 3,5 kilometer afstand van het plangebied. Omdat er in de zone tussen het plangebied en beschermde Natura 2000 en/of NNN gebieden diverse menselijke invloeden aanwezig zijn, zal de beoogde ontwikkeling geen negatieve effecten opleveren. De afstand tussen het plangebied en de beschermde gebieden is hiervoor te groot. 4.5.3 Soortbescherming Op basis van de Wet Natuurbescherming zijn gebieden aangewezen voor de bescherming van dieren plantensoorten. De werkingssfeer van de Wet Natuurbescherming is niet beperkt tot of gerelateerd aan speciaal aangewezen gebieden, maar geeft soorten overal in Nederland bescherming. Op grond van de Wet Natuurbescherming gelden algemene verboden tot het verwijderen van groeiplaatsen van beschermde plantensoorten en het beschadigen of verstoren van voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van beschermde diersoorten. 4.5.4 Zorgplicht De zorgplicht uit de Wet Natuurbescherming is mede van toepassing op de beschermde soorten waarvoor geen ontheffing hoeft te worden verkregen. Dit houdt in, dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild levende dieren en planten (inclusief hun leefomgeving).
Concreet betekent dit dat bij een ruimtelijke ingreep rekening moet worden gehouden met alle aanwezige dieren en planten door middel van planning en uitvoering.
25
4.5.5 QuickScan In de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) wordt vermeld dat op de projectlocatie slechts één beschermde soort aanwezig zou kunnen zijn, namelijk, de rugstreeppad. Tijdens het veldonderzoek zal moeten worden uitgewezen of de rugstreeppad ook daadwerkelijk aanwezig is op het betreffende perceel. Op 25 januari 2023 is het plangebied bezocht door twee medewerkers van Baecx B.V. Zij hebben het plangebied en de directe omgeving daarvan geïnventariseerd op de aanwezigheid van ruimtelijke structuren en habitats. Er zijn geen rugstreeppadden, sporen en/of verblijfplaatsen van rugstreeppadden tijdens het veldbezoek waargenomen. Ook zijn er geen beschermde soorten vogels, insecten en andere soorten waargenomen. Daarnaast is het plangebied potentieel ongeschikt als verblijfplaats of vliegroute voor vleermuizen. Echter, de beoogde ontwikkeling kan een versterkend effect genereren op de lokale Flora en Fauna. Mede door het verbreden van de watergang en de aanleg van de tuin rondom het gebouw, bestaande uit bomen en kruidenrijk grasland. 4.5.6 Conclusie ecologie Flora Binnen het plangebied zijn geen beschermde soorten waargenomen. Fauna Rugstreeppad Binnen het plangebied zijn geen waarnemingen gedaan van rugstreeppadden en/of verblijfsplaatsen. Het plangebied is niet geschikt als habitat voor rugstreeppadden.
De naast het perceel gelegen sloot is meer geschikt als verblijfplaats voor rugstreeppadden. Geadviseerd wordt deze sloot in stand te houden. Mocht ten behoeve van de herinrichting de sloot verplaatst moeten worden, dan adviseren we eerst een aquatisch ecologisch onderzoek op deze watergang te laten uitvoeren. Er zijn binnen het plangebied geen overige waarnemingen gedaan van beschermde Flora en Fauna. De locatie is potentieel ongeschikt als verblijfplaats of vliegroute voor vleermuizen. Bij het toepassen van Natuurinclusief ontwerp in de nieuwbouw en de inrichting van het terrein kan dat mogelijk een versterkend effect genereren op de lokale Flora en Fauna. Te allen tijde is de zorgplicht van toepassing. Verstorende werkzaamheden dienen zo beperkt mogelijk gehouden te worden. Zodra er ook werkzaamheden buiten de reikwijdte van dit onderzoek plaatsvinden, dient een aanvullende quickscan uitgevoerd te worden. Ecologie vormt hiermee geen belemmering voor onderhavig initiatief.
26
4.6 Waterparagraaf 4.6.1 Algemeen Voor ruimtelijke plannen is het nodig om een watertoets uit te voeren. Het doel van deze watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen. Ruimtelijke plannen moeten voorzien zijn van een waterparagraaf. Hiervoor moet het proces van de watertoets worden doorlopen. Het waterschap kijkt of in een plan voldoende rekening is gehouden met de waterhuishouding ter plaatse en geeft een wateradvies. De gemeente is niet primair verantwoordelijk voor alle watertaken, maar moet de waterbelangen wel goed beschrijven en afwegen binnen de ruimtelijke ordening. Een van de instrumenten hiervoor is de verplichte watertoets. De watertoets houdt in dat het Waterschap beoordeelt of de waterbelangen voldoende betrokken zijn. De voor de gemeente en waterschap van belang zijnde wateraspecten zijn hieronder beschreven. Volgens de Wet gemeentelijke watertaken (2008) is de gemeente verantwoordelijk voor het inzamelen en transporteren van stedelijk afvalwater en hemelwater. De gemeente mag vervolgens zelf bepalen op welke wijze het ingezamelde hemelwater wordt verwerkt. Verder heeft de gemeente de zorgplicht om structurele problemen als gevolg van een voor de gebruiksfunctie nadelige grondwaterstand in openbaar bebouwd gebied te voorkomen of te beperken.
4.6.2 Watertoets Ruimte maken voor water: dat is de kern van het waterbeleid voor de 21e eeuw. Met de ondertekening van de Startovereenkomst Waterbeheer door het Rijk en de provincies, gemeenten en waterschappen, werd de watertoets van toepassing verklaard op ruimtelijke plannen. Vanaf 1 november 2003 is deze juridisch verankerd in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen in het 38 planvormingsproces. Hierbij wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. Zowel waterkwantiteits- als waterkwaliteitsaspecten zijn daarbij belangrijk. 4.6.3 Uitkomst watertoets De watertoets is uitgevoerd en opgenomen in bijlage 3 van deze ruimtelijke onderbouwing. De resultaten betreffen vier aspecten: 1. Normale procedure 2. A watergangen zone 3. B watergangen met zonering 4. Persleidingen Uit de resultaten van de watertoets blijkt dat de gangbare procedure moet worden doorlopen. Dit houdt in dat er overleg plaats moet vinden met waterschap Rivierenland. Uit het vooroverleg met de gemeente bleek dat er extra waterberging gerealiseerd moet worden ter compensatie van de
27
toenemende verharding. Om te voldoen aan de eisen die gesteld zijn door het waterschap worden er twee hoofdmaatregelen getroffen: -
De toename verharding beperken Watercompensatie realiseren
4.6.4 Toename verharding beperken Om de toename zoveel mogelijk te beperken zullen de paden en wegen bestaan uit halverharding, waardoor het water op deze plekken nog steeds kan infiltreren in de bodem. Daarnaast worden de daken volledig voorzien van mos sedum waardoor de infiltratie van regenwater kan worden uitgesteld. Dit is een positieve verandering met betrekking tot de waterrobuustheid van de beoogde ontwikkeling. 4.6.5 Watercompensatie realiseren Naast het beperken van de toename van het verhard oppervlak, wordt er ook extra waterberging gerealiseerd. Deze waterberging wordt gerealiseerd op het perceel tegenover de planlocatie, want dit ligt in hetzelfde peilgebied. Op dit perceel zal de benodigde watercompensatie van 407,52m2 ingepast worden. Dit wordt gerealiseerd door de bestaande watergang, parallel aan het zandpad, te verbreden. 4.6.6 Conclusie waterparagraaf Dankzij de beperking van de toename van het verhard oppervlak en het verbreden van de watergang op het perceel tegenover de planlocatie, wordt er voldoende waterberging gerealiseerd. In figuur 4.3 is de berekening van de benodigde waterberging weergegeven en in figuur 4.3a is de doorsneden weergegeven van de te verbreden watergang.
Figuur 4.3 – Berekening benodigde waterberging
28
Figuur 4.3a - Doorsneden watergangen bestaande en nieuwe situatie
29
4.7 Luchtkwaliteit 4.7.1 Wet milieubeheer In Wet milieubeheer worden normen gesteld aan de luchtkwaliteit wat betreft een zestal stoffen. Voor de normen voor zwaveldioxide, koolmonoxide, benzeen en lood geldt dat overschrijding daarvan in Nederland nauwelijks valt te verwachten. De norm voor stikstofdioxide (NO2) wordt in Nederland met name in de directe omgeving van drukke (snel)wegen overschreden. De norm voor fijnstof (PM10) wordt eveneens op diverse locaties overschreden. In de Wet milieubeheer is indirect een koppeling gelegd met ruimtelijke plannen. Deze koppeling houdt in dat bij het voorbereiden van ruimtelijke plannen, waaronder een uitgebreide procedure van de Wabo, de gevolgen voor de luchtkwaliteit moeten worden onderzocht. Bij de start van een project moet onderzocht worden of het effect relevant is voor de luchtkwaliteit. Hierbij moet aannemelijk gemaakt worden, dat luchtkwaliteit ‘niet in betekende mate’ aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. ‘Niet in betekende mate’ is sinds de inwerkingtreding van het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10.
Concreet betekent dit dat tot de toename van 1500 woningen geen berekening naar luchtkwaliteit nodig is, of bij omrekening hiervan naar andere functies. 4.7.2 Conclusie luchtkwaliteit Het initiatief blijft ver onder de grenswaarde van het NIBM-criterium. De omgevingsvergunning zal niet leiden tot een toename van luchtverontreiniging.
4.8 Externe Veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. 4.8.1 Wettelijk kader Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: • • •
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt).
Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt:
30
Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Binnen de 10-6/jaar-contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6/jaar-contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Binnen het invloedsgebied is een verantwoordingsplicht van het groepsrisico van toepassing. De specifieke eisen hieraan zijn vastgelegd in de besluiten Bevi, Bevb en Bevt.