Bijlage mail inwoner over mobiliteitsplan Altena - Structuurvisie
Tekst van het document
Tevens dient bij de ontwikkeling van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in dit gebied en in de zone gemengde plattelandseconomie rekening gehouden te worden met de klimaatontwikkelingen en adaptatie en het gedachtegoed van de Rijksoverheid hierover zoals verwoord in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, de structuurvisie Ruimte voor de Rivier, het Deltaprogramma en het Barro. De insteek is dat het rivierensysteem de ruimte behoudt om het water overal veilig af te voeren, ook op lange termijn. De gemeente Woudrichem gaat dit verder uitwerken voor de kern Woudrichem e.o. in de 'gebiedsvisie waterfront Woudrichem'. Voor de bedrijventerreinen richt het beleid zich op het duurzaam behouden van de terreinen en het versterken van de uitstraling, zowel binnen de terreinen als naar de omgeving toe. Extra aandacht daarbij verdient de inpassing van bedrijventerreinen aan de randen van de kernen, gelegen tegen het buitengebied. Waar mogelijk streven de gemeenten naar een betere landschappelijke inpassing van de randen van de terreinen. Trends De trends voor, met name het buitengebied, zijn tweeledig. Enerzijds is er een landelijke trend te zien van schaalvergroting in de landbouw: een intensivering van de buitengebiedfuncties. Deze schaalvergroting wordt in bepaalde gebieden gestimuleerd door Rijk en provincie.
Anderzijds zien we een trend van bescherming van waardevolle zaken en schaalverkleining. Vooral deze laatste categorie levert de gemeenten over het algemeen de meeste uitdaging op. Het gaat daarbij om particuliere initiatieven die ontstaan in extensiveringsgebieden. Daarbij gaat het niet altijd om het hergebruik van agrarische gebouwen maar ook om kleinschalige nieuwvestigingen van (veelal) recreatieve functies. Juist deze initiatieven moeten zorgvuldig afgewogen worden ten opzichten van de aanwezige landschappelijke en natuurwaarden. Het beleid voor omgevingskwaliteit is uitgewerkt in vier vormen van beleid: • Behoud van de kwaliteit en karakteristiek van het landschap en de kernen • Versterken van de structuren van belang voor de kwaliteit en karakteristiek • Ruimte voor initiatieven die de kwaliteit versterken
56
Hoofdstuk 4
•
Risisco's van sluipend verlies van kwaliteit en karakteristiek
4.1 Behoud van de kwaliteit en karakteristieken van het landschap en de kernen In deze paragraaf beschrijven de gemeenten hun basisinspanning ten aanzien van het thema omgeving en eigenheid. Hieronder wordt een overzicht gegeven van het beleid waarvan de gemeenten vinden dat ze dat zelf MOETEN uitvoeren. 4.1.1 De dorpen Het stedelijk gebied in de gemeenten wordt gekenmerkt door de dorpen en de bedrijventerreinen. Het behouden en beschermen van de kernspecifieke kwaliteiten en eigenheden van de dorpen vormt de basis van het beleid. De gebruikskwaliteiten van de verschillende kernen staan daarbij voorop. In de verschillende bestemmingsplannen van de kernen wordt beschreven wat de kernspecifieke kwaliteiten zijn. Het behoud van de kwaliteiten kan daarbij niet los worden gezien van hun setting van het omringend landelijk gebied. De eigenheid van de dorpen wordt gedragen door de mate waarin de historische basis, gerelateerd aan de specifieke locatie van de kern, zijn functionele achtergrond en de ontwikkelingsdynamiek herkenbaar en beleefbaar zijn. Om de eigenheden en kwaliteiten te behouden moeten nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen daar nadrukkelijk rekening mee houden. Binnen die gebieden die ruimtelijk de drager zijn van deze kwaliteiten voeren de gemeenten een daarop toegespitst ruimtelijk kwaliteitsbeleid.
Vanuit de eigen verantwoordelijkheid zal de regio bij de ontwikkeling en exploitatie van gebiedsontwikkelingen nadrukkelijk de kwalitatieve context betrekken. 4.1.2 Cultuurhistorie De gemeenten vinden het belangrijk dat het culturele erfgoed onderdeel wordt van ruimtelijke processen. De drie gemeenten benadrukken dat belang. Door hier ook op gemeentelijk niveau beleid voor op te stellen vormt het een uitgangspunt voor regelgeving, uitvoeringsprogramma’s en eventuele gemeentelijke financieringsmogelijkheden. Een strategische plek waarin de ambitie ten aanzien van cultureel erfgoed kan worden vastgelegd is de gemeentelijke structuurvisie. Op verschillende manieren kan het beleid in de structuurvisie geborgd worden. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geeft in een handreiking de mogelijkheden aan. De gemeenten hebben voor hun grondgebied een Erfgoedkaart gemaakt. De Erfgoedkaart geeft een overzicht van de reeds bekende archeologische waarden en verwachtingswaarden en cultuurhistorische waarden binnen de grenzen van de gemeenten. De Erfgoedkaart met bijbehorende rapportage geeft daarnaast aanbevelingen ten aanzien van de omgang met archeologische resten en cultuurhistorische waarden in het kader van de ruimtelijke planvorming. Naast het vaststellen van het archeologisch beleid hebben de gemeenten een eerste aanzet gemaakt om tot een duidelijk beleid te komen ten aanzien
Hoofdstuk 4
57
van de omgang met het bovengrondse erfgoed in het licht van de ruimtelijke ontwikkelingen. De cultuurhistorie in het Land van Heusden en Altena is prominent zichtbaar, onder andere door de overblijfselen van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. De gemeenten in het Land van Heusden en Altena gaan zich in 2013 richten op het opstellen van gebiedsgericht cultuurhistorisch beleid. De structuurvisie sorteert voor op het opstellen van dit beleid. Daarbij wordt het provinciale gebiedspaspoort ‘Land van Heusden en Altena’ als leidraad genomen. De volgende ambities worden daarbij als uitgangspunt genomen: • Het versterken van het contrast tussen de open rivierkleipolders en de meer verdichte oeverwallen; • Het versterken van het patroon van de oeverwallen; • De cultuurhistorische waarden in hun samenhang verder ontwikkelen, beschermen en toeristisch-recreatief ontsluiten; • Het duurzaam en in samenhang behouden van het bodemarchief; • Het versterken van de ecologische waarden van het landschap door te sturen op te behouden of te ontwikkelen kenmerken van het landschap. Daar waar de provinciale ambities niet aansluiten bij de cultuurhistorische inventarisatie van de gemeenten, geven de gemeenten de voorkeur aan de eigen inventarisatie, aangezien deze gedetailleerder is dan het gebiedspaspoort van de provincie.
figuur: cultuurhistorie
Barro In 2012 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening in werking getreden (Barro). In het Barro wordt een aantal projecten genoemd die van Rijksbelang zijn. De projecten zijn exact bepaald. Eén van de projecten is Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. Hieronder worden verstaan enkele werelderfgoederen, zoals de Nieuwe Hollandse Water-
58
Hoofdstuk 4
linie. Een deel van het buitengebied ten oosten van Werkendam en het gebied rondom Fort Steurgat, Fort Bakkerskil, Fort Altena, Vestingstad Woudrichem en Fort Giessen behoort tot de linie en is in het Barro als zodanig begrensd. In het Barro zijn de kernkwaliteiten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie benoemd. In het belang van de instandhouding en versterking van deze kernkwaliteiten heeft de provincie de opgave de kernkwaliteiten in de verordening te objectiveren en regels over de inhoud van bestemmingsplannen gesteld. In de Verordening Ruimte van de provincie NoordBrabant is dit vastgelegd. Cultuurhistorie is te verdelen in drie typen: • Archeologie; • Historische bouwkunst; • Historische geografie. 4.1.3 Archeologie De gemeenten hebben gezamenlijk archeologisch beleid. Op basis van onderzoek zijn binnen de grenzen van de gemeenten 430 afzonderlijke vindplaatsen van archeologische resten benoemd. Over het algemeen betreft het nederzettingssporen uit de Middeleeuwen en Romeinse tijd, maar er liggen ook relatief veel resten van kastelen in de bodem verborgen. Dat laatste is een aanwijzing voor de rijkdom van de bewoners (met name de adel) van de Groote Waard. Het merendeel van alle vindplaatsen is gelegen in de gemeente Aalburg, waar de stroomgordels geschikte bewoningslocaties vormden. In de gemeente Werkendam zijn aanzienlijk minder vindplaatsen bekend.
Niet alleen waren hier vanwege de uitgestrekte venen minder bewoningslocaties voorhanden, het is ook aannemelijk dat hier als gevolg van de St. Elizabethsvloeden veel vindplaatsen zijn weggespoeld of zijn afgedekt. De meeste waardevolle archeologische vindplaatsen hebben de status van archeologisch monument gekregen. In de gemeente Werkendam kent onder meer de ‘Burcht’ de status van archeologisch monument. De gemeenten hebben een archeologisch verwachtingsmodel op laten stellen. Dit model voorspelt, op basis van de landschappelijke karakteristieken en de wijze waarop de mens daarvan gebruik maakte, wat de meest waarschijnlijke locaties zijn voor de aanwezigheid van bewoningssporen van (pre)historische samenlevingen. Globaal zijn de verwachtingswaarden te onderscheiden in de volgende delen: • Hoge archeologische verwachting: grotere stroomgordels, de donken en de oude (verdronken) bewoningslocaties; • Middelhoge archeologische verwachting: kleinere of slechts korte tijd actieve stroomgordels; • Lage archeologische verwachting: komgebieden tussen de stroomgordels. 4.1.4 Historische bouwkunst Modernisering Monumentenwet (MoMo) Het Rijk stimuleert gemeenten om zelf verantwoordelijkheid te nemen ten aanzien van erfgoed en cultuurhistorie. De ingezette koers vanuit de Modernisering Monumentenwet wordt doorgezet; minder regels, gebiedsgericht en herbestemming van gebouwen. De
Hoofdstuk 4
59
regeldruk ten aanzien van Rijksmonumenten vermindert. Tegenwoordig is voor regulier onderhoud geen vergunning nodig, mits de monumentale waarde niet wordt aangetast. Voor panden binnen een Rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht is onderhoud vergunningsvrij mogelijk, mits aan de voorzijde van het pand geen grootschalige wijzigingen plaatsvinden. Het Rijk is voornemens om diverse wederopbouwgebieden voor bescherming aan te wijzen en samen met betreffende gemeenten de mogelijkheden van bescherming te bekijken. Zo geeft het bestemmingsplan mogelijkheden voor het beschermen van waardevolle gebieden of structuren. De wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening per 1 januari 2012, bepaalt dat cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Dit betekent dat gemeenten een analyse moeten verrichten van cultuurhistorische waarden in een bestemmingsplangebied, op welke wijze deze waarden geborgd worden en ze moeten aangeven welke conclusies daaraan verbonden worden. In het Land van Heusden en Altena komt veel cultuurhistorisch erfgoed voor. Van oude kerken of kleine gemeentehuizen tot kastelen en forten. Veel is nog zichtbaar. De gemeenten onderscheiden drie manieren om met dit gebouwde erfgoed om te gaan: •
•
•
Herbestemmen: het bouwwerk blijf volledig intact en krijgt een andere functie die planologisch geregeld wordt. De nieuwe functie wordt binnen de ‘schil’ van het bouwwerk gerealiseerd. Hergebruiken: bij het hergebruiken staat de functionaliteit van de nieuwe functie voorop. Daarbij wordt, waar mogelijk, de gebouwde omgeving in stand gehouden. Als een efficiënt gebruik vereist dat er aanpassingen worden gedaan, dan worden deze aanpassingen gedaan. Herontwikkelen: bij herontwikkelen wordt het oude bouwwerk gesloopt om ruimte te maken voor een nieuw bouwwerk.
Het is vooraf niet te zeggen welke methode voor welk bouwwerk het meest geschikt is. Over het algemeen is op te merken dat de gemeenten streven naar het behoud, maar tevens ontwikkelingen niet in de weg willen staan. Dat houdt in dat de basishouding van de gemeenten ‘hergebruiken’ zal zijn. Per situatie wordt bekeken welke methode geschikt is voor welk vraagstuk. Waardevol Brabants erfgoed Provincie Noord-Brabant maakt binnen het waardevol erfgoed onderscheid in 100-150 gebouwen van belang voor de identiteit van Brabant. Voor herbestemming/herontwikkeling van deze panden en grootschalige cultuurhistorische complexen zijn provinciale gelden beschikbaar, mits gemeenten en andere partijen daarin participeren. In het Land van Heusden en Altena gaat het daarbij om de volgende gebouwen of complexen: • ‘Slot Rijswijk’ • ‘De Appelschuur’ te Dussen
60
Hoofdstuk 4
• • • • •
‘Kasteel Dussen’ Fort Bakkerskil Fort Altena Fort Giessen Sluizencomplex Wilhelminasluis
Voor panden die niet de identiteit van Brabant bepalen, maar wel de identiteit van een gemeente, ligt de verantwoordelijkheid voor herontwikkeling in principe bij de gemeenten. De gemeenten zullen in hun cultuurhistorisch beleid hierin zelf een prioritering aangeven. Specifiek is in dat kader Fort Altena nog te noemen. De gemeente Werkendam wil bij mogelijke grootschalige werkzaamheden aan de A27 meer ruimte claimen voor de ruimtelijke inpasbaarheid van dit voormalig fort. Naast de losse bouwwerken, wordt ook de identiteit van veel dorpen gedragen door een compositie van cultureel historisch waardevol erfgoed, een ensemble waarbij veelal een kerk centraal staat. Dit vormt niet alleen de ruimtelijke identiteit van die kern, maar is ook belangrijk voor de sociaal-maatschappelijke identiteit. De gemeenten hechten veel waarde aan het behoud van dergelijk cultuurhistorisch erfgoed, ruimtelijk en functioneel. Duurzaam, maar ook verantwoord benutten van dat erfgoed is daarvoor essentieel.
Bij ontwikkelingen in een dorpscentrum met cultuurhistorisch erfgoed hanteren de gemeenten daarom de volgende afwegingen: • Aan welke maatschappelijke, commerciële of andere functies is op de korte en langere termijn in dat dorp behoefte? • Welke cultuurhistorisch belangrijke locaties en/of gebouwen komen op korte en langere termijn wellicht ter beschikking? • Welke functionele flexibiliteit hebben deze locaties? (niet elk gebouw is voor elke functie geschikt). • Welke financiële kaders zijn daarbij per locatie of gebouw aan de orde? • Wat is de functionele en financiële samenhang tussen de verschillende locaties en hun mogelijkheden? • Wat is dan voor dat centrum vanuit cultureel erfgoed bezien de meest gewenste, maar ook realiseerbare ontwikkeling? Criteria voor dorpscentra kunnen vanwege de karakteristiek van de regio ook van toepassing zijn op de dijklinten. 4.1.5 Historische geografie Het gebied bestaat globaal gezien uit twee delen met een eigen karakteristiek: het rivierkleigebied en het zeekleigebied. In het oostelijk gelegen rivierengebied kan men het karakteristieke patroon van stroomruggen, kommen en uiterwaarden onderscheiden. De stroomruggen zijn ruimtelijk verdicht, in tegenstelling tot de weidse polders van de kommen met overwegend agrarisch gebruik.
De karakteristiek van het westelijke gelegen zeekleigebied is meer besloten: de grote(re) oppervlakten bouwland worden begrensd door opgaande begroeiing langs de (voormalige) kreken. Aan de zuidzijde ligt het waterrijke natuurgebied Biesbosch.
Hoofdstuk 4
61
Binnen de regio zijn veel structuren nog duidelijk herkenbaar. Deze structuren, aangeduid als historische geografie, gaan vaak gepaard met de aanwezigheid van monumenten, cultuurhistorische bebouwingslinten of industrieel erfgoed. Er wordt onderscheid gemaakt in vlak- en lijnvormige geografie. De hoogst gewaardeerde structuren zijn: • route Drongelen - Dussen - Korn - Almkerk - Uppel - Werkendam • route Werkendam - Kille - Nieuwendijk - Vierbannen - Hank • de Biesbosch • fort Steurgat • fort Bakkerskil • fort Altena • vesting Woudrichem • fort Giessen • Oude en Nieuwe Hollandse waterlinie • gebied ten noordoosten van Rijswijk/Giessen, rondom de Wilhelminasluis In deze gebieden zullen de gemeenten de inpassing in de omgeving zwaar mee laten wegen bij het beoordelen van initiatieven. Natuurlijke gebruiksgebieden Vier grote stroomruggen markeren oude rivierlopen, te weten de Rijswijkse, de Dussense en de stroomruggen van de Alm (bij Almkerk - Waardhuizen - Uitwijk) en het Oude Maasje (Drongelen). Men ging wonen nabij het water op de hoge delen in het landschap. Eendenkooien zijn als cultuurhistorische gebieden en natuurgebieden in het rivierkleigebied gelegen. De lage ligging en daardoor natte omstandigheden waren goede vestigingsvoorwaarden voor de realisatie van een vijver met bos.
De gebieden, die voorheen enkel een jachtvoorziening waren, worden in stand gehouden voor cultuurhistorische, maar ook ecologische waarden. • Ten zuiden van Giessen in Eendenveld; • Ten westen van Uitwijk in Uitwijksche Veld; • In Het Pompveld. Hakhout of bosjes • Het Pompveld ten zuiden van Giessen; • Ten oosten van Genderen; • Ten zuidwesten van Sleeuwijk. Natuur • Aan de oostzijde beperkt aanwezig, in de lage en natte delen (kommen) van het landschap zoals het Pompveld en Uitwijksche Veld; • Aan westzijde volledig EHS gebied; • Verder in buitendijkse gebieden nabij de ‘kernengordel’ langs de Bovenmerwede en Afgedamde Maas. Landschap Voor het niet-stedelijk gebied is het beleid gericht op het duurzaam behouden van de kernwaarden van de natuurgebieden en het landschap. Deze kernwaarden zijn:
62
Hoofdstuk 4
• • • • •
De landschappelijke openheid, gedragen door de grondgebonden landbouw in het centrale deel van het Land van Heusden en Altena; De groene dooradering van het landschap in de zone langs de Maas en Merwede, in samenhang met de linten en buurtschappen en uiteraard de dijken; Het samenhangend systeem van forten, dijken, waterstructuren, kanalen en inundatiekommen van de Nieuwe Hollandse Waterlinie; De bijzondere structuur van het zoetwatergetijdegebied met de daarbij behorende natuurwaarden; De cultuurhistorisch karakteristieke ruimtelijke structuur, gedragen door verkavelingen, waterlopen en landschapsbeplanting, met name waar deze gerelateerd zijn aan de dijken en de oude bewoningsgronden.
figuur: natuur
Behoud van deze kernwaarden en de differentiatie daarin, is van groot belang voor de gebruiks- en belevingswaarden voor inwoners en bezoekers van de gemeenten. Ruimtelijke dynamiek moet zich voegen in deze kwaliteiten en mag daar geen afbreuk aan doen. De kaders daarvoor worden gegeven in Ruimte voor initiatieven die de kwaliteit versterken. Daar waar de gemeenten vanuit eigendom zelf verantwoordelijk zijn voor inrichting, beheer en onderhoud zullen deze activiteiten maximaal worden afgestemd op het behoud van de kwaliteiten. De gemeenten maken een onderscheid tussen het primair agrarisch gebied en gemengde plattelandseconomie. Het primair agrarisch gebied betreft het open gebied, de lager gelegen komgronden, waar van oudsher relatief weinig bebouwing aanwezig is. Deze zone kenmerkt zich door grote percelen, landschappelijke openheid, veelal een goede en rechte wegenstructuur. Er is relatief veel fysieke uitbreidingsruimte en er zijn relatief weinig conflicten tussen gevoelige functies (zoals burgerwoningen) en agrarische bedrijven. De doelstelling voor dit gebied is om de agrarische sector hier te behouden en te versterken. Uitgangspunt is om agrarische bedrijven en ondersteunende bedrijven ruimte te bieden om
Hoofdstuk 4
63
in te spelen op de ontwikkelingen in de landbouwsector. De regio richt zich niet primair op het toenemen van het aantal bedrijven als wel het concentreren van activiteiten door een kleiner aantal grotere bedrijven. Dit leidt tot concentratie van bebouwing en minder versnippering van het uitgestrekte productiegebied. Gebiedsvreemde activiteiten of activiteiten die niet gebonden zijn aan deze gronden vinden hier bij voorkeur geen plek. Anderzijds is er het gebied met een gemengde plattelandseconomie, aangeduid middels de zone ‘gemengde plattelandseconomie’. Dit omvat het agrarisch gebied, waar ontwikkelmogelijkheden voor een gevarieerde plattelandseconomie aanwezig zijn, voornamelijk langs de rivieren. Uitgangspunt voor de zone gemengde plattelandseconomie is om op plekken waar een gemengde plattelandseconomie kansrijk is, hiervoor mogelijkheden te bieden. De twee gebieden onderscheiden zich van elkaar door accentverschillen in de ontwikkelingsmogelijkheden ten aanzien van agrarische en niet-agrarische ontwikkelingen. Hier ontstaat een mix van functies, agrarisch, wonen, werken. De boomteelt is goed vertegenwoordigd. Veel functies zijn hier toegestaan, mits qua maat en schaal passend in de omgeving en uiteraard zonder hinder voor dezelfde omgeving.
In het gebied Noordwaard en Biesbosch ligt de focus op waterberging, extensivering van de landbouw, intensivering van natuurontwikkeling gecombineerd met de ontwikkeling en versterking van de recreatie. De recreatieve voorzieningen moeten zodanig ingepast zijn of aangepast worden dat de natuur geen nadelige effecten ondervindt. Landschapsbeleidsplan Het landschapsbeleidsplan is gestoeld op twee aspecten: behoud van waarden en ontwikkeling van versterkende structuren. Onder behoud en versterking van het landschap wordt verstaan: • Behouden en versterken van gebiedseigen beplanting langs de oude dijken; • Landschappelijke versterking van lijnvormige structuren als bomenrijen en natuuroevers; • Behoud en versterking van wegbeplanting; • Behouden en versterking van blauw/groene dooradering; • Behoud van openheid in de reeds open delen van de regio; • Versterking bestaande leefgebied weidevogels; • Versterking bestaande leefgebied moerasvogels; • Versterking bestaande leefgebied amfibieën. Onder ontwikkeling wordt voornamelijk genoemd de versterking van bestaande en aanleg van nieuwe (ecologische) verbindingszones, zowel ‘nat’ als ‘droog’. De gebiedsversterkende maatregelen worden in de bestemmingsplannen buitengebied verder verankerd. 4.1.6 Klimaatadaptatie Klimaatadaptatie is naast een nationaal thema ook een regionaal thema.
Dit onderwerp is, door de ligging van de drie gemeenten binnen het stroomgebied van meerdere grote rivieren, dan ook een belangrijk element binnen de ruimtelijke ordening van de drie ge-
64
Hoofdstuk 4
meenten. Dit blijkt uit de standpunten zoals de drie gemeenten deze hebben vastgelegd in de gemeentelijke waterplannen. Klimaatadaptatie heeft niet alleen betrekking op waterveiligheid, maar ook op meerlaagse veiligheid, zoetwatervoorziening en wateroverlast. De Rijksoverheid heeft haar visie hierover vastgelegd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, de structuurvisie Ruimte voor de Rivier, het Deltaprogramma en het Barro. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is de ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en de kaders voor klimaatbestendige (her-)ontwikkeling tot een nationaal belang verklaard. Deze structuurvisie heeft een looptijd tot 2040. De structuurvisie Ruimte voor de Rivier regelt de waterveiligheid en heeft een looptijd tot 2015. Als uitvoering van deze structuurvisie vinden dijkverbeteringen in het Land van Heusden en Altena plaats. Het gaat hier onder andere om de dijkverbetering Steurgat waarbij over een tracé van 15 kilometer de dijk versterkt wordt en de dijkverbetering langs de Bergse Maas waarbij zwakke dijkdelen tussen Dussen en Hank worden versterkt. Een ander uitvoeringsproject is de ontpoldering van de Noordwaard. Het Deltaprogramma heeft een looptijd tot 2100 en is onderverdeeld in zes gebiedsgerichte deelprogramma’s waarvan er drie betrekking hebben op het grondgebied van één of meer van de drie gemeenten.
Het gaat hier om de deelprogramma’s Rivieren, Zuidwestelijke Delta, Rijnmond en Drechtsteden. Daarnaast kent het Deltaprogramma nog drie generieke deelprogramma’s: Veiligheid, Zoet water en Nieuwbouw en Herstructurering. Deze drie deelprogramma’s hebben eveneens invloed op de ruimtelijke ontwikkelingen in de drie gemeenten. Op basis van de negen deelprogramma’s zal de Rijksoverheid in 2014 Deltabeslissingen nemen. Deze Deltabeslissingen zijn mogelijk van invloed op de ruimtelijke reserveringen voor de waterveiligheid en de zoetwatervoorziening in de toekomst. Het Nationale Waterplan zal op basis van deze Deltabeslissingen dan ook geactualiseerd worden voor de periode na 2015. Op basis van het Barro (Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) zijn twee reserveringsgebieden voor waterberging aangewezen. Het gaat hier om het reserveringsgebied bij Drongelen en bij Dussen. Deze reserveringsgebieden zijn op de visiekaart opgenomen. De drie gemeenten onderkennen het belang van klimaatadaptatie binnen de ruimtelijke ordening en zullen binnen de looptijd van deze structuurvisie samen met het waterschap Rivierenland eventuele problemen en aandachtspunten voor het Land van Heusden en Altena omtrent de bovenstaande thema’s in beeld brengen en indien gewenst verder uitwerken door beleid op te stellen of maatregelen te treffen.
Dit zal gebeuren bij het actualiseren van de gemeentelijke waterplannen. Deze hebben een looptijd tot en met 2015. De Deltabeslissingen uit 2014 en de mogelijke nieuwe ruimtelijke reserveringen uit het aangepaste Nationale Waterplan uit 2015 zullen hier bij betrokken worden. Op dit moment werken de gemeenten aan een visie op het gebied van (hoog)waterveiligheid, een onderwerp dat uiteraard veel raakvlakken heeft met klimaatadaptatie en het Deltaprogramma. Hiermee geven de drie gemeenten invulling aan de anticiperende houding van decentrale overheden waar het Deltaprogramma om vraagt.
Hoofdstuk 4
65
4.2 Versterken van de structuren van belang voor de kwaliteit en karakteristiek In deze paragraaf beschrijven de gemeenten hun ambities ten aanzien van het thema omgeving en eigenheid. Hieronder wordt een overzicht gegeven van het beleid waarvan de gemeenten het graag WILLEN realiseren. De gemeenten zullen zich inspannen om dit beleid te realiseren. Naast het behouden van de kwaliteiten en eigenheden wordt er naar gestreefd om deze waar mogelijk te versterken. 4.2.1 Zoeklocaties stedelijke ontwikkeling In de Verordening Ruimte heeft de provincie Noord-Brabant locaties aangewezen als zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling. Vanuit de functionele opbouw van de kernen en de aanwezige waarden in het buitengebied, hebben de gemeenten deze locaties nader bekeken. Dit heeft voor deze structuurvisie geleid tot de aanduiding van aanvullende locaties waar de gemeenten een stedelijke ontwikkeling in de nabije toekomst voor mogelijk houden. Het gaat dan veelal om locaties die eerder al in beeld zijn geweest als mogelijke stedelijke uitbreiding (veelal woningbouw), dicht tegen de kern gelegen en zeer beperkt van omvang. Voor de kern Werkendam hebben de gemeenten een groter zoekgebied aangegeven. De toekomstige groei van de kern Werkendam kan alleen maar gefaciliteerd worden aan de oostzijde van de huidige kern.
Wanneer dit aan de orde is, zal de gemeente Werkendam binnen het aangeduide gebied locatieonderzoek verrichten om te komen tot de meest optimale uitbreidingsrichting van de kern Werkendam. Tot die tijd geeft onze structuurvisie alleen een uitbreidingsrichting aan. In de kern Genderen wijkt het in deze structuurvisie opgenomen zoekgebied stedelijke ontwikkeling ook af van hetgeen in de provinciale verordening is opgenomen. In Genderen is het zoekgebied stedelijke ontwikkeling in de provinciale verordening gelegen aan de noordzijde van de kern. Dit zoekgebied is verplaatst naar de zuidzijde van de kern. Gelet op de historische groei van het dorp in zuidelijke richting en de belemmering van bedrijven en infrastructuur aan de noordzijde is het zoekgebied verplaatst naar de zuidzijde van de kern. Landschappelijk is het zoekgebied daar ook beter inpasbaar vanwege de beperkte zichtrelatie en de belemmering van de dijk aan de zuidzijde. 4.2.2 Planmatige gebiedsontwikkelingen Bij planmatige gebiedsontwikkelingen stellen de gemeenten de kwaliteit centraal. De regio realiseert zich dat de financiële speelruimte bij planmatige gebiedsontwikkelingen kleiner zijn geworden. Dat dwingt de gemeenten om slim naar gebieds- en locatieontwikkelingen te kijken (programmering, fasering, Publiek-private samenwerkingsconstructies (PPS) etc).
De gemeenten achten het van groot belang om kwaliteit niet als "toplaag" op planontwikkeling te zien, maar als structuuronderdeel van het plan. Ook sober en financieel doelmatig opgezette plannen dienen in hun structuur kwaliteit te hebben. Het zijn investeringen die tientallen jaren mee moeten gaan. Buiten de reeds in ontwikkeling zijnde gebieden of gebieden waar de planvorming reeds is gestart, voorzien de gemeenten slechts een beperkt aantal uitbreidingslocaties, voornamelijk gelegen rondom de grotere
66
Hoofdstuk 4
kernen in de regio. Planmatige gebiedsontwikkeling komt voornamelijk voor bij (binnenstedelijke) herstructureringsgebieden. 4.2.3 Stedelijk water De zorgtaak voor het stedelijk water ligt primair bij de gemeenten en waterschap Rivierenland. De stedelijke wateropgave is reeds in kaart gebracht in het kader van de waterplannen van de gemeenten. Aan deze waterplannen zijn reeds acties/maatregelen gekoppeld. Deze maatregelen leiden tot een duurzaam (een beheersbaar) stedelijk waterbeheer. De kernen Sleeuwijk, Werkendam, Nieuwendijk en Hank in gemeente Werkendam, Almkerk, Woudrichem, Andel, Giessen/Rijswijk in de gemeente Woudrichem en Eethen en Wijk en Aalburg in de gemeente Aalburg hebben een eigen wateropgave die in de komende periode verder uitgewerkt zal worden. In deze visie gaan de gemeenten ervan uit dat de maatregelen in het kader van de stedelijke wateropgave worden uitgevoerd. Deze visie voorziet derhalve niet in nieuw beleid voor de stedelijke wateropgave. De huidige waterplannen lopen tot 2015. Wanneer de waterplannen na deze periode herzien worden, zal bekeken worden welke nieuwe acties/maatregelen nodig zijn om het stedelijk waterbeheer duurzaam en beheersbaar te houden. Daarbij zal rekening gehouden worden met nieuwe ontwikkelingen op het gebied van waterveiligheid en dergelijke.
De uitkomsten van de Deltabeslissingen in 2014 en de eventuele nieuwe ruimtelijke reserveringen op basis van het aangepast Nationale Waterplan uit 2015 zullen hier bij betrokken worden.
figuur: water
Hoofdstuk 4
67
4.2.4 De dorpen De regio streeft er naar om voor een dorp belangrijk erfgoed weerbaar te maken door een duurzame exploitatie mogelijk te maken. Ook daar waar het particulier eigendom betreft. Met duurzaam bedoelen de gemeenten een exploitatie die een burger, instelling of onderneming in staat stelt om binnen de eigen financiële kaders het gebouw op een goede manier te gebruiken. De gemeenten willen dit doen door functionele hergebruiksmogelijkheden in beginsel zo ruim mogelijk te maken, uiteraard binnen de bovengenoemde kaders van duurzame exploitatie. Indien nodig zal de regio daarbij sturen op de functionele ontwikkelmogelijkheden elders in het dorp indien dat van essentieel belang is voor de beoogde duurzame exploitatie. Daar waar heroverweging plaatsvindt over accommodaties voor maatschappelijke voorzieningen streven de gemeenten er naar om daarbij beschikbaar (komend) erfgoed te betrekken om op deze wijze tot een maatschappelijke win-win situatie te komen. Samen met de corporaties wil de regio bekijken op welke wijze zij vanuit hun maatschappelijke verantwoordelijkheid mogelijkheden hebben om cultuurhistorisch belangrijk erfgoed beter weerbaar te maken. 4.2.5 Het buitengebied Voor cultuurhistorisch erfgoed in het buitengebied streeft de regio dezelfde weerbaarheid na.
Als dat leidt tot functionele ontwikkelingen die wel bijdragen aan de beoogde kwaliteitsdoelen, maar niet passen binnen de provinciale Verordening Ruimte zullen de gemeenten daarover met de provincie in dialoog gaan. Het provinciaal beleid ten aanzien van erfgoed biedt ruimte voor die dialoog. Wat betreft de landschappelijke kwaliteiten streeft de regio naar een verdere versterking. Daar waar het directe gemeentelijke verantwoordelijkheden betreft, bijvoorbeeld laanbeplanting langs wegen, streven de gemeenten ernaar om beheer en onderhoud niet alleen te richten op instandhouding, maar waar mogelijk ook op versterking van deze structuren. Daarbij zal de regio ook aansluiting zoeken bij beheer en onderhoudsinvesteringen van derden, zoals het waterschap, de provincie en het Rijk. De gemeenten nemen, tezamen met het waterschap Rivierenland, een proactieve rol in ten aanzien van cumulatieve watervraagstukken. Het functioneren van het watersysteem is in een polderlandschap namelijk onlosmakelijk verbonden met het ruimtegebruik en de ontwikkelingen daarin. Het is echter een gedeelde verantwoordelijkheid die verder is en wordt uitgewerkt in de waterplannen.
4.3 Ruimte voor initiatieven die de kwaliteit versterken In deze paragraaf beschrijven de gemeenten hoe zij kansen ten aanzien van het thema omgeving en eigenheid willen benutten. Hieronder wordt een overzicht gegeven van het beleid gericht op het slagvaardig KUNNEN benutten van initiatieven van derden.
68
Hoofdstuk 4
Er is een trendmatige verschuiving te zien van planmatige ruimtelijke ontwikkeling van gebieden naar realisatie van kleinschalige initiatieven op locaties. Absoluut gezien worden de initiatieven minder, maar verhoudingsgewijs zijn er meer kleinschalige initiatieven. Het gaat hierbij om initiatieven vanuit de behoefte van een burger, ondernemer of instelling om op die locatie te investeren in een ruimtelijke ontwikkeling. Initiatieven waarvan de gemeenten op voorhand niet weten wanneer, waar welk initiatief aan de orde is en wat de aard van dat initiatief zal zijn. En daarmee nu ook geen zicht hebben op de effecten van dat initiatief op de kwaliteit en identiteit van de dorpen en het buitengebied. Het enige dat de gemeenten zeker weten, is dat deze initiatieven in de komende periode meer dan ooit, op hen af zullen komen. Vanuit de zorg voor kwaliteit en identiteit willen de gemeenten bij deze initiatieven primair sturen op de kwaliteit van uitvoering van het initiatief. Daarbij betrekken de gemeenten zowel de bebouwing als de inrichting van de kavel of het erf. De gemeenten beoordelen deze initiatieven daarvoor op drie schaalniveaus: • Het effect van het initiatief op structuurniveau.
Daarbij kijken de gemeenten hoe het initiatief past in de structuur van het gebied (korrelgrootte van het gebied, schaal, structuur, beleving en functioneel gebruik van het landschap spelen daarbij een grote rol); • Het effect van het initiatief op locatieniveau. Daarbij kijken de gemeenten naar de omvang en vorm van de kavel en de ordening van de gebouwen op de kavel en de betekenis daarvan voor de belevingskwaliteit op het niveau van de straat; • Het effect van het initiatief op inrichtingsniveau, waarbij het met name gaat over de concrete invulling van gebouwen, erfinrichting en groen, in de vorm van vormgeving, materiaalgebruik en detaillering, aansluit bij en bijdraagt aan de kwaliteit ter plaatse. In de beoordeling werken de gemeenten van structuurniveau via locatieniveau naar inrichtingsniveau, omdat problemen op een hoger niveau kaders kunnen stellen voor een lager niveau. 4.3.1 Initiatieven in de dorpen Bij initiatieven in de dorpen vormen de cultuurhistorische kwaliteiten een belangrijk kader voor de kwalitatieve beoordeling van een initiatief. In gebieden met een cultuurhistorisch sterk ensemble dienen initiatieven in schaal, maat en detail dit ensemble te respecteren. Dat betekent niet dat er geen ruimte is om dit op eigentijdse wijze te doen.
Als sprake is van meer solitaire cultuurhistorisch belangrijke objecten dient het initiatief de eigenstandige identiteit van dat object te respecteren. Wanneer initiatieven in de dorpen bijdragen aan de kwaliteit en leefbaarheid van de dorpen, dan wil de regio binnen geldende kaders medewerking verlenen aan deze initiatieven om zodoende de leefbaarheid van de dorpen te waarborgen, ook naar de toekomst toe. 4.3.2 Initiatieven in het buitengebied Initiatieven in het buitengebied dienen zich te voegen in de kernwaarden die voor het buitengebied belangrijk zijn. In het gebied waar de landschappelijke openheid dragend is, dient een goede ruimtelijke inbedding er voor zorg te dragen dat effecten van het initiatief op de daadwerkelijke beleving van de openheid worden voorkomen. In dit gebied
Hoofdstuk 4
69
wordt gestreefd naar schaalvergroting van bestaande bedrijven in plaats van naar toename van het aantal bedrijven (wat veelal niet met schaalvergroting gepaard gaat). Schaalvergroting binnen de agrarische bedrijvigheid waarborgt de openheid elders in het gebied. In de linten en buurtschappenzone langs Maas en Merwede moeten initiatieven zich ruimtelijk voegen in de groene dooradering van het landschap en de cultuurhistorische ensemblestructuur van de bebouwingsconcentraties. Initiatieven in de Nieuwe Hollandse Waterlinie moeten de samenhang van forten, dijken, kanalen en inundatiekommen niet verstoren, maar juist zoveel mogelijk versterken. In het zoetwatergetijdegebied moeten initiatieven zich in hun gehele setting voegen in de daar aanwezige natuurwaarden. Voor buitendijkse gebieden geldt een nee-tenzij beleid ten aanzien van ontwikkeling. Hier heeft het functioneren van het watersysteem (riviersysteem) voorrang. Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt nadrukkelijk de samenwerking met de verschillende waterbeheerders gezocht, met name het waterschap. Hydrologisch neutraal ontwikkelen is daarbij een randvoorwaarde. In gebieden waar bestaande waterhuishoudkundige knelpunten bekend zijn wordt nadrukkelijk een extra stap gezet om met de ontwikkeling waterhuishoudkundige verbeteringen te genereren.
Voor specifieke eisen vanuit de aard van de activiteit wordt verwezen naar ondernemers in staat stellen te kunnen blijven ondernemen. 4.3.3 Ruimte voor Ruimte Er is een aantal plekken in de regio aangewezen waar initiatieven in het kader van de Ruimte voor Ruimte-regeling van de provincie Noord-Brabant gerealiseerd kunnen worden. Het betreft primair de gebieden die zijn aangeduid als gemengde plattelandseconomie. Het gaat hierbij om de rivieroevers, waar van oudsher een mix van functies aanwezig is. In aanvulling daarop hebben de gemeenten enkele linten en bebouwingsconcentraties in het buitengebied aangewezen als mogelijke ontwikkelingslocatie voor Ruimte voor Ruimte-woningen. Deze locaties zijn op de structuurvisiekaart aangeduid. Inhoudelijk gelden voor Ruimte voor Ruimte ontwikkelingen de Verordening Ruimte 2012 van de provincie Noord-Brabant. 4.3.4 Landgoederen De gemeenten staan landgoederen in de regio enkel toe binnen de zone 'gemengde plattelandseconomie'. Het realiseren en het duurzaam beheren van een landgoed beogen zekerstelling van meervoudige kwaliteitsverbeteringen voor het als landgoed te beschermen gebied. De meerwaarde van het bestaande initiatief voor het Uitwijksche Veld te Woudrichem bestaat bijvoorbeeld uit o.m.
een uitbreiding van het areaal natuur aansluitend op de bestaande natuur (EHS en EVZ) en de realisatie van een doorgaande routestructuur voor extensieve recreatie met aansluitingen op andere routes (Almkerk - Uitwijk - Sleewijk en verder). Nieuwe initiatieven voldoen aan de regels en voorwaarden zoals vastgesteld in de Verordening Ruimte van de provincie Noord-Brabant. Toetsing vind
70
Hoofdstuk 4
plaats in een aparte bestemmingsplanprocedure, waarvan een beeldkwaliteit- en inrichtingsplan en een beheerplan onderdeel uitmaken. 4.3.5 Duurzame energie Het toepassen van duurzame energie is een kans voor de gemeenten in het Land van Heusden en Altena. Bepaalde vormen van duurzame energie moeten mogelijk zijn in de regio. Daarbij wordt gedacht aan zonneweides en biomassacentrales. Windmolens zijn vanwege hun forse impact op het landschap niet wenselijk. Bij het realiseren van duurzame energie-initiatieven die in het buitengebied een plek kunnen krijgen, wordt in eerste instantie gekeken naar het karakter en de waarden van de plek. Het verbouwen van biomassa in het primair agrarisch gebied is alleen wenselijk wanneer het om lage soorten gaat die het zicht niet beperken. Ieder initiatief wordt afgewogen op de aard en schaal van het initiatief. Daarbij wordt de huidige situatie altijd vergeleken met de situatie die de aanvrager wenst op de plek. Over het algemeen kan gesteld worden dat PV-velden (photovoltaïsche velden) wel mogelijk zijn in het primair agrairsch gebied omdat de lage plaatsing van deze panelen het niet onmogelijk maken om over lange afstanden te kijken, althans de zichtlijnen niet verder beperken dan bijvoorbeeld maïs- of graanvelden dat doen.
Daarentegen zijn grootschalige PV-velden in de kleinschalige dijkzones niet wenselijk omdat deze qua maat en schaal niet aansluiten bij het kleinschalige landschap. Een zelfde redenering hanteert de regio bij initiatieven op het gebied van bosbouw voor gebruik in biomassa centrales. Deze initiatieven zijn niet wenselijk in het open agrarisch gebied, maar juist wel in de kleinschalige zones aan de rivierfronten waarbij er meer sprake is van functiemenging en de doorzichten historisch gezien minder aanwezig zijn. Momenteel is dit ook de plek waar de meeste fruitboomgaarden voorkomen. De regio staat positief tegenover het realiseren van kleinschalige vergistinginstallaties bij bestaande agrarische bedrijven, hierbij rekening houdend met de milieuwetgeving (o.a. geurcontouren, externe veiligheidseisen e.d.). Voor initiatieven ten aanzien van geothermie beoordelen de gemeenten, in ruimtelijk opzicht, de impact van bovengrondse en ondergrondse installaties op het landschap. Dit gebeurt op een zelfde wijze als de beoordeling plaatsvindt van initiatieven zoals bosbouw ten gevolge van biomassacentrales of de realisatie van PV-velden. Daarbij is het behoud van de transparantie van het landschap uitgangspunt.
Grootschalige gebouwde voorzieningen die tot doel hebben om grondstoffen te verwerken en zo duurzame energie op te wekken, vinden op de eerste plaats een plek op het (regionale) bedrijventerrein en niet solitair in het buitengebied. Daarbij valt onder andere te denken aan centrales die biomassa omzetten in energie. Bij de ontwikkeling van duurzame innovatieve concepten in het Land van Heusden en Altena zullen de gemeenten met de provincie in gesprek treden om de doelstelling en voorwaarden te formuleren waaronder planologische medewerking verleend zou kunnen
Hoofdstuk 4
71
worden. Op deze wijze willen de gemeenten samen met de provincie actief knelpunten aanpakken en procedures versnellen. De gemeenten zullen bij het beoordelen van duurzaamheidsinitiatieven en het sluiten van duurzaamheidsdeals met ondernemers in ieder geval de volgende criteria hanteren: • een indiener moet zelf een actieve rol spelen bij de uitvoering van een initiatief; • het gaat met name om concrete initiatieven op het gebied van duurzaam gebruik van grondstoffen, biodiversiteit en water, duurzame mobiliteit, duurzame energie, energiebesparing en regionale voedselketens. 4.3.6. Waterkwantiteit landelijk gebied In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) hebben Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen afspraken gemaakt over hoe vaak wateroverlast nu en in de toekomst mag voorkomen. Het gaat in dit geval alleen om wateroverlast door overstromingen vanuit watergangen. In het NBW zijn normen opgenomen die per grondgebruiktype aangeven welke mate van wateroverlast acceptabel is. Dit deelproject houdt in dat de gemeenten en het waterschap moeten onderzoeken of watersystemen nu en in de toekomst wel of niet voldoen aan de in het NBW gestelde normen. Werknormen Type grondgebruik
overstroming laagste maaiveld
frequentie (1 / x jaar)
grasland
5%
1/10
akkerbouw
1%
1/25
hoogwaardige land- en tuinbouw
1%
1/50
glastuinbouw
1%
1/50
bebouwd gebied
0%
1/100
In het landelijk gebied van het Land van Heusen en Altena voldoet een zevental plekken niet aan de NBW-normen. Deze gebieden staan op de deelkaart water. In eerste instantie dient het waterschap zorg te dragen voor het halen van de genoemde normen. In deze structuurvisie wordt echter de ambitie uitgesproken om waar mogelijk kansen te benutten ter verbetering van de waterhuishouding. Het is immers ook in algemeen ruimtelijk belang dat voor de gronden waarop agrarische of andere bedrijfsmatige activiteiten worden ontplooid acceptabele randvoorwaarden vanuit de waterhuishouding bestaan. Het spreekt ook voor zich dat gebieden waarin gewoond wordt, voor wat betreft de woningen zelf, wateroverlastvrij zijn. De gemeenten vinden het wel acceptabel wanneer er kortdurend water op de straten blijft staan als gevolg van hevige regenval waardoor het hemelwaterriool verzadigd raakt. Deze situatie dient zich echter niet vaker dan eens per 2 jaar voor te doen. 4.3.7. Natuurbeleid van hogere overheden De gemeenten hechten bijzonder aan het in stand houden van de natuurbescherming die rijk en provincie hebben gedefinieerd in de verschillende beleidsstukken. Daarbij gaat het
72
Hoofdstuk 4
onder andere om de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), de Ecologische Verbindingszones (EVZ), Natura 2000-gebieden en het Nationaal Park de Biesbosch dat gedeeltelijk op Werkendams grondgebied is gelegen. Natura2000-gebieden In of in de onmiddellijke nabijheid van het Land van Heusden en Altena zijn twee vastgestelde Natura2000-gebieden gelegen: • de Biesbosch. Dit gebied ligt gedeeltelijk op Werkendams grondgebied. Voor de Biesbosch is op 4 juni 2013 een besluit genomen in het kader van de aanwijziging tot Natura2000-gebied. Het besluit richt zich op 6 habitattypen en 13 soorten. • Loevestein, Pompveld en Kornsche Boezem. Dit Natura2000-gebied, dat feitelijk over drie locaties verspreid ligt, isgrotendeels binnen het Land van Heusden en Altena gelegen. Het deelgebied Loevestein ligt net buiten de regiomaar grenst aan de gemeente Woudrichem, aan de overzijde van de Afgedamde Maas. Voor dit gebied is op 4 juni 2013 een besluit genomen in het kader van de aanwijzing tot Natura2000-gebied. Het besluit richt zich op 5 habitattypen en 5 soorten. 4.3.8. EVZ en EHS De EHS is een netwerk van grote en kleine natuurgebieden waarin de natuur (plant en dier) voorrang heeft en wordt beschermd. Daarmee wordt voorkomen dat natuurgebieden geïsoleerd komen te liggen en dieren en planten uitsterven en dat de natuurgebieden zo hun waarde verliezen.
De EHS kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. De EHS is op de structuurvisiekaart opgenomen als 'dubbel aanduiding'. Dat houdt in dat, naast de aanduiding EHS, ook de onderliggende gebiedsaanduidingen van toepassing blijven. Het gaat daarbij om 'gemengde plattelandseconomie', 'primair agrarisch gebied' en 'Noordwaard en Biesbosch'. De EHS bestaat uit: • bestaande natuurgebieden, reservaten, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones hiertussen; • landbouwgebieden met mogelijkheden voor agrarisch natuurbeheer (beheersgebieden); • grote wateren (zoals de kustzone van de Noordzee, het IJsselmeer en de Waddenzee). Een ecologische verbindingszone (EVZ) is een verbinding tussen natuurgebieden (met nieuwe of herstelde natuur) die deel uitmaken van de ecologische hoofdstructuur. Ecologische verbindingszones worden aangelegd om het migreren van dieren en planten tussen natuurgebieden mogelijk te maken. De gemeenten ondersteunen de realisatie van de (robuuste) ecologische verbindingszones (EVZ) die moeten bijdragen aan het versterken van de landschappelijke kwaliteit, de cultuurhistorische identiteit, duurzaam waterbeheer en betere toeristisch-recreatieve mogelijkheden. Tevens ondersteunen de gemeenten de realisatie, versterking en behoud van de EHS binnen de regio.
De gemeenten zullen, daar waar zich kansen voordoen, ruimtelijk faciliteren en meedenken om zodoende win-win mogelijkheden te creëren. Realisatie van EVZ en EHS zal daarbij afhankelijk zijn van de mogelijkheden de daarvoor benodigde gelden bij elkaar te brengen. Financieel nemen de gemeenten daar geen rol in. De uiteinde-
Hoofdstuk 4
73
lijke verantwoordelijkheid voor het realiseren van de EVZ en EHS ligt bij hogere overheden zoals Rijk en Provincie. De ligging van de EVZ’s op de kaart is de ligging zoals deze op de provinciale plankaart staat aangegeven. Het is echter mogelijk dat gedurende de planperiode van de structuurvisie in bepaalde gevallen door de gemeente een wijziging in het tracé - in overeenstemming met de provincie – wordt doorgevoerd
4.4 Risico's van sluipend verlies van kwaliteit en karakteristiek In deze paragraaf beschrijven de gemeenten hoe zij bedreigingen ten aanzien van het thema omgeving en eigenheid willen uitsluiten. Hieronder wordt een overzicht gegeven van het beleid gericht op het VOORKOMEN van ongewenste ontwikkelingen. Behoud van identiteit De kracht van het Land van Heusden en Altena is de kenmerkende identiteit van de verschillende gebieden in de regio. Grootschalige landbouwgebieden, kleinschalige lintstructuren met dijkdorpen en uitgestrekte natuur zijn diverse typologieën die voorkomen in de regio. Het grootste risico voor wat betreft het verlies van kwaliteit ligt in het Land van Heusden en Altena niet in de realisatie van grootschalige initiatieven. Deze zijn immers redelijk beperkt en veelal door de gemeenten in gang gezet. Daarbij valt te denken aan grootschalige woningbouwontwikkelingen of realisatie van nieuwe bedrijventerreinen. De kleinschalige ontwikkelingen die in de komende jaren op de gemeenten af zullen komen, kunnen door hun grote aantal een grote impact hebben. De glijdende schaal van nevenactiviteiten bij een agrarisch bedrijf tot een volwaardig bedrijf in het buitengebied na een aantal jaren, is lastig een halt toe te roepen zonder vooraf duidelijke voorwaarden te stellen van gebieden waarin nevenactiviteiten of functieveranderingen toegestaan of wenselijk zijn.
Wanneer deze glijdende schaal van ontwikkeling erkend en herkend wordt, dan is hier vooraf op te sturen. Deze voorwaarden zijn opgenomen in Ruimte voor initiatieven die de kwaliteit versterken. Ontwikkelingsas voorkomen; behoud van open landschap In het bijzonder vinden de gemeenten het van belang om in dit kader de Rijksweg A27 te noemen. In de toekomst bestaat de kans dat deze snelweg een capaciteitsuitbreiding krijgt. Verder zijn er plannen om parallel aan de snelweg een spoorlijn tussen Utrecht en Breda aan te leggen en is een treinstation Biesbosch voorzien. Het intensiveren van deze infrastructurele as brengt een bepaalde ontwikkelingsdruk met zich mee. In vergelijkbare situaties neemt de verstedelijking van een infrastructurele as een vlucht wanneer deze as geïntensiveerd wordt. De gemeenten zien de A27 nu en in de toekomst echter niet als ontwikkelingsas. De gemeenten hechten bijzonder aan het landschappelijke panorama in het gebied tussen de brug bij het Keizersveer en de brug bij Gorinchem. Over een kort tracé bestaan prachtige vergezichten over het open landschap binnen de regio. De gemeenten willen deze vergezichten bewaren. Aandacht voor waterveiligheid In het Land van Heusden en Altena is de waterhuishouding een belangrijk kaderstellend ruimtelijke aspect.
Om watergerelateerde bedreigingen uit te sluiten dienen ontwikkelingen te worden voorkomen (of beperkt) op plekken waar dat vanuit de optiek van de waterveiligheid en waterkwantiteit niet acceptabel is. Met name de waterveiligheid is een
74
Hoofdstuk 4
basisvoorwaarde voor het ruimtegebruik in het Land van Heusden en Altena. Er zijn gebieden aan te wijzen waar ruimtelijke ontwikkelingen niet gewenst of slechts onder voorwaarden gewenst zijn: • Buitendijkse gebieden zijn primair voor de waterhuishouding bestemd. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zijn hier niet toelaatbaar (nee, tenzij); • De (ontpolderde) Noordwaard is eveneens in beginsel bestemd voor haar waterhuishoudkundige functie. Ook hier geldt, zei het in mindere mate dan in buitendijkse gronden, dat ruimtelijke ontwikkelingen in beginsel niet toelaatbaar zijn (nee, tenzij); • Op of nabij dijken en waterkeringen geldt ook terughoudendheid met het toestaan van ruimtelijke ontwikkelingen (nee, tenzij); • Barro-gebieden (nee, tenzij). In rivierengebied is op ruime schaal sprake van grondwaterstromingen (kwel). Het aspect kwel geldt eveneens als een beperkende factor bij locatie keuzen. Op de kwelkaart van het Waterschap Rivierenland is aangegeven waar veel en weinig kwel aanwezig is, zowel in een droge als een natte situatie. Op plekken met veel kwel dient terughoudendheid betracht te worden bij het realiseren van intensieve functies. Daar waar kwelgebieden samenvallen met zoeklocaties voor verstedelijking, dient bij de uitwerking van de zoeklocaties aandacht te zijn voor het aspect kwel en 'piping'.
figuur: totaalkaart ‘Landschap’
Hoofdstuk 4
75
5.
VERKEER EN MOBILITEIT
Hoofdlijnen van beleid verkeer en mobiliteit Centraal uitgangspunt voor de gemeenten in het Land van Heusden en Altena is het aanbieden van een prettig woon- en leefklimaat aan de inwoners. Veel randvoorwaarden daarvoor zijn op dit moment al aanwezig. De gemeente wil deze graag behouden en waar mogelijk versterken. Een optimale mobiliteit voor haar inwoners is daarin een essentiële component. Binnen de mobiliteitsaanpak maken de gemeenten keuzes in een spanningsveld tussen het optimaliseren van bereikbaarheid, verkeersveiligheid en leefbaarheid. Omdat verkeer en vervoer zich niet beperken tot de gemeentegrenzen, is er een gezamenlijk Gemeentelijk Verkeer en Vervoer Plan (GVVP, 2011) opgesteld door de gemeenten Aalburg en Woudrichem. Het GVVP vormt het uitgangspunt van beleid voor deze structuurvisie. Hoewel de gemeente Werkendam betrokken is geweest bij het opstellen van het GVVP, hanteert deze gemeente de Kadernota Verkeer en Vervoer (2007) omdat deze nog voldoende actueel is. Bereikbaarheid en leefbaarheid De bereikbaarheid van het Land van Heusden en Altena voor het autoverkeer is goed, vooral binnen de gemeentegrenzen. De gemeenten profiteren van een directe ontsluiting op de A27.
De snelwegen A2, A15 en A59 zijn relatief snel bereikbaar door de provinciale wegen en de veerdiensten bij respectievelijk Drongelen en Dussen / de Baan enerzijds en Brakel, Woudrichem en Sleeuwijk anderzijds. Via de Wilhelminasluis / Van Heemstraweg (N322) is de A2 relatief eenvoudig bereikbaar. De verwachting is wel dat de hoeveelheid verkeer op de wegen verder gaat stijgen. Belangrijke projecten die hierop inspelen, zijn de mogelijke verbreding van de A27 en de verbeteringen aan de provinciale wegen N322 en N283. Op de gemeentelijke wegen zijn geen directe knelpunten in de verkeersafwikkeling te verwachten. Een concreet vraagstuk is de ontsluiting van het dorp Veen in het licht van de verschillende ruimtelijke plannen die daar spelen. Wat nu een goede mate van bereikbaarheid is, is echter niet eenvoudig te formuleren. Ook begrippen als verkeersveiligheid of leefbaarheid kennen een grote mate van subjectieve invulling. Als deze begrippen een mate van kwaliteit zouden duiden, dan zal eenieder deze begrippen een andere definitie en waardering geven. De gemeenten hanteren als vertrekpunt dat de gebruiker van het mobiliteitssysteem bepaalt of de locaties bereikbaar zijn, de infrastructuur verkeersveilig is en of dit al dan niet ten koste gaat van de leefbaarheid.
De beoordeling hangt hierbij niet alleen af van de vraag of de gebruiker is aangekomen op de eindbestemming, maar ook van de moeite die daarvoor gedaan moest worden. Dé gebruiker bestaat daarbij niet. Afhankelijk van het type gebruiker en het type verplaatsing treedt er een andere gebruikswaarde op. Verkeersveiligheid De verkeersveiligheid is in het Land van Heusden en Altena toegenomen. Het aantal geregistreerde ongevallen en slachtoffers laat een dalende trend zien. De doelstelling van de Nota Mobiliteit voor 2020, is in de gemeenten al gehaald. Er zijn geen blackspots en ongevallenconcentraties. De verkeersveiligheid is dan ook van een relatief hoog niveau. Om de
Hoofdstuk 5
77
verkeersveiligheid nog verder te verbeteren is een extra inspanning nodig. Dit vraagt een brede aanpak op gebied van zowel infrastructuur, educatie en voorlichting als handhaving. De doelstelling ten aanzien van de verkeersveiligheid voor 2020 is daarom dat een verbetering van de verkeersveiligheid altijd gewenst is, maar het niveau in ieder geval gelijk moet blijven ten opzichte van de ‘huidige’ verkeersveiligheid (2009). Trends Verkeer en vervoer omvat zowel het verplaatsen of transporteren van personen, goederen, energie en data (vervoer) als het proces waarbij dat plaatsvindt (verkeer). Verkeer is om die reden dan ook nauw verbonden met het thema Economie. Verkeer en vervoer vinden echter niet alleen om economische redenen plaats. Van het aantal verplaatsingen in het personenvervoer bedraagt het aandeel van het woon-werkverkeer slechts circa 17% en dat van winkelen en boodschappen doen, ongeveer 21%. Circa 38% van het aantal verplaatsingen komt voor rekening van vrijetijdsbesteding. Met de toename van het recreatieve areaal voor de regio (voornamelijk aan de zijde van Werkendam met de ontwikkeling van de polder Noordwaard) zal dit aantal alleen maar toenemen. Verkeer is ook nauw verbonden met het thema omgeving en eigenheid. Verkeer en vervoer doen niet alleen een beslag op de schaarse ruimte, maar belasten ook het milieu.
Van alle trends binnen de verkeerskunde is een aantal van toepassing op het Land van Heusden en Altena. Daarbij kan genoemd worden de toenemende mobiliteit. Wanneer functies niet (meer) naar mensen (kunnen) komen dan dient dit andersom te gebeuren, wat verplaatsing met zich meebrengt. In het Land van Heusden en Altena gebeurt deze verplaatsing voornamelijk per auto gezien de relatief grote afstanden die overbrugd moeten worden. Verder speelt er de trend van een toenemende congestie en dan met name op het provinciale en rijkswegennet. Vooral de filevorming op de A27 bij de beiden bruggen spelen de regio parten. Tot slot speelt er de schaalvergroting en de intensivering van het goederenvervoer. Niet alleen per spoor, maar ook via het water. Met de nodige aandacht voor de Rotterdam Terminal (onder andere met de introductie van de Havenvisie 2030) zijn er wellicht kansen voor de regio, zoals elders in deze structuurvisie te lezen is onder het kopje derde haven. Het beleid ten aanzien van de mobiliteitsstructuur is uitgewerkt in vier vormen van beleid: • Verkeersveilige infastructuur voor alle verkeersdeelnemers • Goede bereikbaarheid van voor leefbaarheid belangrijke voorzieningen • Nieuwe ontwikkelingen laten bijdragen aan oplossen bestaande knelpunten • Verslechteren van bereikbaarheid, veiligheid en leefbaarheid door gebruik mobiliteitsstructuur
78
Hoofdstuk 5
5.1 Verkeersveilige infrastructuur voor alle verkeersdeelnemers In deze paragraaf beschrijven de gemeenten hun basisinspanning ten aanzien van het thema verkeer. Hieronder wordt een overzicht gegeven van het beleid waarvan de gemeenten vinden dat ze dat zelf MOETEN uitvoeren. 5.1.1 Mobiliteitsnetwerken Het beleid van de gemeenten in het Land van Heusden en Altena met betrekking tot de mobiliteitsnetwerken is het creëren, in standhouden en waar mogelijk versterken van een robuust samenhangend infrastructureel netwerk. Verschillende vervoerwijzen kennen verschillende netwerken (lopen, fiets, openbaar vervoer, auto en landbouwverkeer) die elkaar deels overlappen. Zowel voor de bereikbaarheid, leefbaarheid als verkeersveiligheid zijn goed functionerende netwerken belangrijk. Het behoud en waar mogelijk verbeteren van de bereikbaarheid en veiligheid is het uitgangspunt van het gemeentelijke mobiliteitsbeleid. Als basisverantwoordelijkheid dient het openbaar vervoer netwerk in stand te worden gehouden. Daarnaast zetten de gemeenten primair in op de aanpak van knelpunten die hun weerslag hebben op de verkeersveiligheid. En daarbinnen nog extra prioriteit voor de kwetsbare doelgroepen en met name de schoolgaande jeugd. Om de verkeersveiligheid nog verder te kunnen verbeteren, is een brede samenhangende aanpak noodzakelijk.
Deze samenhangende aanpak richt zich op de volgende zaken: • Infrastructuur. Het (verder) verbeteren van de verkeersveilige inrichting van de infrastructuur volgens de principes van Duurzaam Veilig. • Educatie & voorlichting. Verkeersdeelnemers goed opleiden in en informeren over verkeersveilig verkeersgedrag. • Handhaving. Het handhaven op locaties die als onveilig naar voren komen.
Hoofdstuk 5
79
figuur: infrastructuur
5.1.2 Externe veiligheid Wat betreft het externe veiligheidsbeleid is het uitgangspunt te voldoen aan de wettelijke normen zoals vastgelegd in onder meer het Bevi en Bevb. Een bijzondere plek in het externe veiligheidsbeleid neemt de infrastructuur in. Belangrijke vervoersassen met betrekking tot externe veiligheid zijn de A27, de N267, de N283 en de Merwede. De gemeenten voeren geen restrictief beleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen binnen de regio. Er zijn geen vervoersroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen aangewezen. De gemeente Werkendam hanteert een eigen externe veiligheidsbeleid, dat is weergegeven in een beleidsnotitie, een risicokaart en het uitvoeringsbeleid.