Bijlage mail inwoner over mobiliteitsplan Altena - Structuurvisie
Tekst van het document
Omdat een toereikend aanbod aan functies niet in alle kernen meer te behouden is, zet de regio in op het realiseren van een duidelijke hiërarchie tussen de kernen om de functies en bijbehorende voorzieningen wél bereikbaar en toegankelijk te houden. Als de "functies niet meer naar de mensen gebracht kunnen worden", wordt er sterker ingezet op de vraag "hoe de mensen naar de functies kunnen wor-
Hoofdstuk 2
29
den gebracht". Het op peil houden van de leefbaarheid in de kernen betreft dus eveneens een mobiliteitsvraagstuk. Het beleid voor maatschappelijke functies en functies voor goed wonen en leven is uitgewerkt in vier vormen van beleid: • Veiligstellen van aanbod basisvoorzieningen binnen de drie gemeenten • Minimale basisvoorzieningen per kern • Initiatieven die voorzieningenstructuur versterken faciliteren • Verlies laatste basisvoorziening in een kern voorkomen
2.1 Veiligstellen van aanbod basisvoorzieningen binnen de drie gemeenten In deze paragraaf beschrijven de gemeenten hun basisinspanning ten aanzien van het thema voorzieningen. Hieronder wordt een overzicht gegeven van het beleid waarvan de gemeenten vinden dat ze dat zelf MOETEN uitvoeren. 2.1.1 Basisfuncties De basisfuncties waarvoor de gemeenten in het Land van Heusden en Altena een (wettelijke) taak hebben voor hun grondgebied en jegens hun inwoners zijn: •
•
• •
Onderwijs- en onderwijsgerelateerde voorzieningen: • Primair onderwijs, inclusief bewegingsonderwijs; • Bibliotheek. Maatschappelijke voorzieningen: • Ontmoetingsruimtes; • Jeugdwerk; • Sportvoorzieningen; Locaties voor en inrichting van speelruimte Zorgvoorzieningen.
De gemeenten hebben zich als taak gesteld dat de bovengenoemde basisfuncties beschikbaar blijven voor de inwoners van het Land van Heusden en Altena. Dit betekent niet dat in iedere kern alle voorzieningen aanwezig dienen te zijn, ze dienen wel voor de bewoners van alle kernen bereikbaar te zijn. Om dit te kunnen blijven realiseren, zal een groter beroep op de sociaal-maatschappelijke mobiliteitsnetwerken worden gedaan (zoals vervoer naar maatschappelijke voorzieningen). De gemeenten in het Land van Heusden en Altena zien het als hun basisverantwoordelijkheid om de kleine kernen van het Land van Heusden en Altena bereikbaar te houden, c.q. functies voor deze kleine kernen bereikbaar te houden. Het hebben of bereikbaar houden van bepaalde functies en voorzieningen is het vertrekpunt van sociale cohesie in de kernen. Voor de bereikbaarheid van functies en voorzieningen zijn buurtbussen beschikbaar en een collectief vraagafhankelijk vervoersysteem dat open staat voor alle inwoners en daarmee dus ook de functie van openbaar vervoer vervult. Hiermee biedt het Land van Heusden en Altena openbaar vervoer aan van en naar plekken waar geen regulier open-
30
Hoofdstuk 2
baar vervoer komt of voor inwoners die niet in staat zijn (zelfstandig) gebruik te maken van regulier openbaar vervoer. Op de kaart ‘openbaar vervoer’ wordt een indruk gegeven van de doordringbaarheid van het openbaar vervoer in het Land van Heusden en Altena, alsmede van de belangrijkste openbaar vervoersknooppunten.
figuur: openbaar vervoer
2.1.2 Zorgvoorzieningen De gemeenten zien het realiseren van bereikbare zorgvoorzieningen als basisinspanning. In overleg met zorgverleners en de regionaal werkende corporaties geven de gemeenten invulling aan het zorgvoorzieningenbeleid. De ambitie is om de bestaande zorgvoorzieningen in de kernen te behouden en indien gewenst te laten uitbreiden of groeien. Dit is het basisniveau. 2.1.3 Woonserviceszones Extramuralisering van de zorg is een trend die zich de komende jaren zal doorzetten. Een belangrijke ontwikkeling daarbij zijn de woonservicezones. In een woonservicezone zijn voorzieningen en diensten aanwezig zodat ook mensen met een zorgvraag in dat gebied kunnen blijven wonen. Belangrijk kenmerk van een woonservicezone is de combinatie van een steunpunt voor zorg- en welzijnsvoorzieningen, aangepaste en aanpasbare woningen en een toegankelijke, sociaal veilige en verkeersveilige woonomgeving. Een woonservicezone moet mensen die nu nog veelal binnen de muren van een zorginstelling zijn gehuisvest in staat stellen zelfstandig in een dorp of wijk te blijven wonen. Het gaat dan om ouderen met een indicatie voor zorg, verstandelijk en lichamelijk gehandicapten en (ex)psychiatrische cliënten. De gemeenten zien het realiseren van woonservicezones als basisinspanning.
Hoofdstuk 2
31
2.2 Minimale voorzieningen per kern, voldoende voorzieningen in de regio In deze paragraaf beschrijven de gemeenten hun ambities ten aanzien van het thema voorzieningen. Hieronder wordt een overzicht gegeven van het beleid waarvan de gemeenten het graag WILLEN realiseren. De gemeenten zullen zich inspannen om dit beleid te realiseren. 2.2.1 Minimale functies per kern De gemeenten streven er naar in elke kern een zo goed mogelijk niveau aan functies te behouden. De gemeenten zien voor zichzelf geen taak ten aanzien van het (economisch) in stand houden van commerciële functies. Wel zullen ze waar mogelijk planologische belemmeringen wegnemen indien die behoud van commerciële functies onnodig belemmeren. Uiteraard blijven algemene kwaliteitsdoelstellingen daarbij van toepassing. Wat betreft de niet-commerciële functies streven de gemeenten naar het in elke kern in stand houden van een ontmoetingsplek. Dit streven betekent niet dat de gemeenten in elke kern een zelfstandige gebouwde voorziening gaan of blijven exploiteren. Deze ontmoetingsplek kan op allerlei wijzen worden ingevuld. Per kern zal daarbij steeds sprake zijn van maatwerk. Daarbij zal ook steeds gezocht worden naar mogelijkheden om voor de dorpsidentiteit belangrijk cultuurhistorisch erfgoed daarbij met een win-win situatie te betrekken.
Dit beleid geeft inhoud aan de wens van de regio om te streven naar het behoud van functies in plaats van het behoud van (gebouwde) voorzieningen. 2.2.2 Voldoende voorzieningen in de regio De gemeenten hebben de ambitie om binnen de regio een zo breed mogelijk aanbod aan functies en voorzieningen te kunnen blijven aanbieden. Zij richten zich daarbij op: • Voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs, door: • Beschikbaar houden van voor regionaal onderwijs belangrijke locaties; • Goede aansluiting met het openbaar vervoer realiseren; • Veilige fietspaden aanleggen in de omgeving van de schoollocaties. • Sportaccommodaties, door: • Bestaande lokale sportaccommodaties waar mogelijk in stand te houden door het gebruik en de exploitatie in samenhang te optimaliseren; • Te onderzoeken of nieuwe sportaccommodaties primair gericht kunnen worden op gemeenschappelijk c.q. intergemeentelijk gebruik. • Culturele voorzieningen, door: • Bestaande culturele voorzieningen waar mogelijk in stand te houden door het gebruik en de exploitatie in samenhang te optimaliseren; • Daarbij maximaal de toeristisch-recreatieve potenties te benutten. • Zorgvoorzieningen, door: • Overleg te plegen met zorgaanbieders en marktpartijen.
32
Hoofdstuk 2
2.2.3 Grensoverschrijdende voorzieningen In de regio wordt zoveel mogelijk gezocht naar onderlinge afstemming bij het realiseren van functies of voorzieningen. De gemeenten stemmen de realisatie van deze nieuwe functies of voorzieningen vooraf af met de andere gemeenten in de regio. Waar mogelijk willen de gemeenten voorzieningen of functies (doen) realiseren die een intergemeentelijk of regionaal karakter in zich hebben. Aan de zuidoostzijde van de kern Sleeuwijk (omgeving de Nieuwe Roef) ligt een gebied dat zich vanwege de aanwezigheid van bestaande sportfuncties leent als zoeklocatie voor eventueel te verplaatsen of nieuwe sportvoorzieningen. 2.2.4 Specifieke voorzieningen: verpleegzorg In de regio is aantoonbaar gebrek aan verpleegzorg. De gemeenten willen dit oplossen door actief extra verpleegplekken te (doen) realiseren in de kern Werkendam. 2.2.5 Bijdragen aan de sociaal-maatschappelijk goede samenleving De maatschappij ontwikkelt zich meer en meer individueel, waarbij ook vanuit de overheid de zelfredzaamheid en zelfverantwoordelijkheid van de burger centraal staat. Vanuit de sociaal-maatschappelijke context van het Land van Heusden en Altena geven de gemeenten daar een genuanceerde invulling aan.
Zij onderschrijven de eigen verantwoordelijkheden van de burger ten aanzien van een goede en gezonde samenleving, maar zien daarin ook een ondersteunende en faciliterende medeverantwoordelijkheid van de gemeenten, met name bij die groepen van de samenleving die daar zelf minder goed toe in staat blijken. Zonder daarbij het initiatief en de eigen verantwoordelijkheden bij de burger weg te nemen.
2.3 Initiatieven die voorzieningenstructuur versterken faciliteren In deze paragraaf beschrijven de gemeenten hoe zij kansen ten aanzien van het thema voorzieningen willen benutten. Hieronder wordt een overzicht gegeven van het beleid gericht op het slagvaardig KUNNEN benutten van initiatieven van derden. 2.3.1 Initiatieven uit de gemeenschap De meeste functies en voorzieningen worden aangeboden door particuliere ondernemers of instellingen. Hieronder valt ook een toenemend aantal kleinschalige zorgvoorzieningen zoals zorgboerderijen. In beginsel willen de gemeenten meewerken aan het faciliteren van commerciële en maatschappelijke initiatieven die leiden tot het verbeteren van de leefbaarheid en verbetering van het voorzieningenpatroon. Bij commerciële initiatieven zullen de gemeenten vooral planologische medewerking verlenen, bij maatschappelijke initiatieven kan het zijn dat een van de gemeenten ook (mede)verantwoordelijk is voor het realiseren van het initiatief. De rol van de gemeenten zal dus per initiatief verschillen. De ge-
Hoofdstuk 2
33
meenten hanteren wel een aantal criteria waaraan de initiatieven moeten voldoen om het initiatief een ‘kans’ voor het Land van Heusden en Altena te laten zijn: • Hun functionele bijdrage aan het totale voorzieningenpatroon van het Land van Heusden en Altena; • Inpasbaarheid in maat en schaal in de omgeving; • De effecten op andere functies in de omgeving; • De milieueffecten op de omgeving, waaronder de volksgezondheid; • Effecten op het verkeer en de parkeerbelasting; • Economische duurzaamheid (is het een voorziening of functie die een goede basis vindt in het dorp en daardoor toekomstwaarde heeft?). 2.3.2 Bundeling van functies Het voorzieningenniveau staat met name in de kernen Uppel, Waardhuizen, Meeuwen, Eethen en Babyloniënbroek onder druk. Om meer draagvlak voor, met name maatschappelijke, voorzieningen te verkrijgen en hiermee de levensvatbaarheid te verhogen van de voorzieningen, zien de gemeenten kansen in de bundeling van functies van meerdere commerciële en niet-commerciële partijen in multifunctionele accommodaties. Op de locaties die geschikt zijn voor bundeling, schept de betreffende gemeente, waar mogelijk, de planologische kaders (met name binnen bestemmingsplannen), om de functionele samenvoeging daadwerkelijk te kunnen realiseren.
Geschikte locaties zijn locaties met: Voldoende fysieke ruimte voor de vestiging van diverse functies, met bijbehorende aspecten zoals parkeren; Reeds aanwezige maatschappelijke functie(s); Goed bereikbaar voor de gebruikers (zowel op het niveau van het Land van Heusden en Altena als op locatieniveau). 2.3.3 Kleinschalige zorgvoorzieningen Dit type voorzieningen, waarvan het initiatief veelal ligt bij een groep bewoners, wordt door de gemeenten in de bestaande kernen als initiatief ondersteund en positief benaderd. Er wordt echter wel op draagvlak getoetst om leegstand en achteruitgang van de leefbaarheid te voorkomen. Zorgboerderijen worden eveneens positief benaderd. De realisatie van een zorgboerderij moet echter wel bijdragen aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit ter plekke.
2.4 Verlies laatste basisvoorziening in een kern voorkomen In deze paragraaf beschrijven de gemeenten hoe zij bedreigingen ten aanzien van het thema voorzieningen willen uitsluiten. Hieronder wordt een overzicht gegeven van het beleid gericht op het VOORKOMEN van ongewenste ontwikkelingen. Met name in Uppel, Waardhuizen, Meeuwen en Eethen staat het voorzieningenniveau onder druk. De gemeenten hebben slechts beperkt invloed op het al dan niet vestigen van commerciële voorzieningen. Wel kunnen zij invloed uitoefenen op de aanwezigheid van
34
Hoofdstuk 2
de basisvoorzieningen en -functies waarvoor zij een verplichting hebben (zoals bijvoorbeeld onderwijs en bepaalde vormen van zorg). De gemeenten willen voorkomen dat de leefbaarheid van de kleine kernen achteruit gaat en met name de laatste basisvoorziening verloren gaat. Minimaal moeten basisvoorzieningen bereikbaar blijven voor de doelgroepen uit alle kernen. • Maar niet in elke kern zal op termijn wat er nu is handhaafbaar blijven. De druk op het voorzieningenniveau heeft de onderstaande concrete bedreigingen tot gevolg: • Leegstand van accommodaties, ten gevolge van vertrek van, of beëindiging van de dienstverlening door maatschappelijke instellingen; met name in de kleinere kernen; • Leegstand van commerciële ruimten als gevolg van faillissementen of verhuizing van ondernemingen (winkels, horeca, toerisme, recreatie); • Toenemende reisafstanden naar grotere voorzieningencentra;
De gemeenten willen met hun overheidshandelen zo goed mogelijk voorkomen dat bovengenoemde bedreigingen optreden. In deze bijlage wordt aangegeven welke functies, per kern en gemeente, wenselijk zijn.
Hoofdstuk 2
35
3.
ECONOMIE
Hoofdlijnen van beleid Economie Economische activiteiten zijn een belangrijke basis voor het goed kunnen wonen en leven in het Land van Heusden en Altena. Economische activiteiten zorgen voor werkgelegenheid en voor investeringen in de regio. Ondernemers moeten in staat zijn deze investeringen te doen. Economisch gezien heeft de regio drie profielen: •
• •
De activiteiten die gekoppeld zijn aan de belangrijke ligging aan grote infrastructuren, van oorsprong de rivieren, watergebonden bedrijvigheid maar tegenwoordig ook het hoofdwegennet; De activiteiten die gekoppeld zijn aan de fysieke kenmerken van de regio, van oorsprong de landbouw en in toenemende mate toerisme en recreatie; De activiteiten die samenhangen met de verzorgende functies, zoals detailhandel, onderwijs, zorg en de overheid, die ook belangrijk zijn voor de lokale werkgelegenheid.
Ambitie vastgelegd Het ambitieniveau van de gemeenten is ‘Bovengemiddelde economische groei, rekening houdend met de waardevolle kenmerken van het gebied’. Het ambitieniveau is enerzijds dus gericht op bovengemiddelde economische groei, anderzijds op benedengemiddelde ‘verstedelijking’ van het landschap. Ondernemers en gemeenten zullen samen aan de slag moeten om het gewenste ambitieniveau te realiseren. Ondernemers zullen de economische groei moeten realiseren terwijl de gemeenten een faciliterende rol hebben. De gemeenten hebben hun ambitie neergelegd in een aantal gewenste resultaten voor 2020: • Groei van de werkgelegenheid die hoger is dan het landelijk gemiddelde; • Lagere uitgaande pendel; • Blijvend hoog aantal starters; • Blijvend lage werkloosheid. Voldoende ruimte om te ondernemen en een proactieve opstelling zijn enkele aspecten die van belang zijn om het gewenste ambitieniveau te realiseren. Dat kan alleen als ondernemers, instellingen en organisaties in staat zijn te kunnen blijven functioneren en zich waar mogelijk te ontwikkelen in het Land van Heusden en Altena. Dat betekent dat ze in staat moeten zijn de daarvoor benodigde investeringen in hun bedrijf of organisatie te doen en daar ook de fysieke ruimte voor moeten kunnen hebben.
De gemeenten willen niet sturen op de vraag óf een bedrijf wel of niet ontwikkelingsruimte moet krijgen, maar op welke wijze een bedrijf die ontwikkelruimte kan krijgen. Daarbij zullen de ruimtelijke effecten van de bedrijfsontwikkelingen in verhouding moeten staan tot de andere kwaliteiten die van belang zijn voor het Land van Heusden en Altena. Voor een bovengemiddelde economische groei zullen ook startende bedrijven optimaal worden gefaciliteerd om zich in het Land van Heusden en Altena te ontwikkelen.
36
Hoofdstuk 3
De gemeenten verwachten dat, door dit breed te faciliteren, het bedrijfsleven ook in staat is transities door te voeren naar nieuwe vormen van werkgelegenheid. Deze transitie biedt ook kansen voor dat deel van de beroepsbevolking dat nu nog buiten de regio werkzaam is, bijvoorbeeld het aantrekken van hoger opgeleiden. Bedrijven van buiten de regio zijn altijd welkom, mits zij een passende plek op de bestaande terreinen kunnen vinden. Bedrijven van buiten de regio kunnen eveneens, op basis van het vastgestelde uitgiftebeleid, grond verkrijgen op het Regionale Bedrijventerrein (RBT) als ze een aantoonbare meerwaarde voor de reeds gevestigde bedrijvigheid hebben. Om de economische doelstellingen te bereiken voeren de gemeenten samen een regionaal economisch beleid, uitgewerkt in het Economisch Actieprogramma Land van Heusden en Altena. Bedrijvigheid De meeste ondernemers hebben een sterke band met de kern waar zij momenteel gevestigd zijn. Zij zijn daar ooit ontstaan, de ondernemer woont er zelf en een deel van het personeel komt er vandaan. Als er uit ruimtelijke of economische overwegingen verplaatsing noodzakelijk is zoekt men dat binnen een zo kort mogelijke afstand. Vooral voor veel jong personeel en lager geschoold personeel is een woon-werkafstand van maximaal enkele kilometers belangrijk. En uiteraard voor bedrijven die veel gebruik maken van parttime personeel.
De gemeenten sturen daarom op het maximaal kunnen faciliteren van de ontwikkelingsbehoefte van de bedrijven. Uiteraard steeds in afweging tot andere maatschappelijke en ruimtelijk kwalitatieve belangen. Om bedrijven met een grotere ruimteclaim goed te kunnen faciliteren ontwikkelen de gemeenten, naast hun eigen reeds bestaande subregionale bedrijventerreinen, een gezamenlijk regionaal bedrijventerrein. De gemeenten willen en kunnen bedrijven van buiten de regio, die zich willen vestigen in vrijkomend bestaand bedrijfsonroerend goed, niet belemmeren. Ten aanzien van uitgifte van nieuw terrein aan bedrijven van buiten de regio zijn de gemeenten terughoudend, tenzij dat bedrijf een substantiële bijdrage levert aan het werkgelegenheidsprofiel van het Land van Heusden en Altena.
Hoofdstuk 3
37
figuur: bedrijvigheid
Detailhandel Ten aanzien van detailhandel richten de gemeenten hun beleid op het bieden van een zo goed mogelijke consumentenverzorging voor de inwoners van het Land van Heusden en Altena en een sterk ondernemingsklimaat voor ondernemers, waarbij een rendabele exploitatie van de onderneming mogelijk is met perspectief voor de langere termijn. De consumenten uit het Land van Heusden en Altena moet een zo compleet mogelijk basisaanbod worden geboden. Naar de toekomst toe wordt gestreefd naar een heldere structuur, waarin de verschillende winkelgebieden een eigen functie hebben. Hierbij wordt zoveel mogelijk gestuurd op clustering van de voorzieningen in de aangewezen concentratiegebieden. Op deze manier ontstaan naar de toekomst ook sterke, levensvatbare gebieden (meerwaarde voor de consument én ondernemer). Voor deze gebieden is het niet het streven om grote ingrepen te doen, maar om sterker in te zetten op afstemming op het koopgedrag van de consument. Het beleid ten aanzien van detailhandel is verwoord in de regionale Detailhandelsvisie (maart 2011). Voor zover ruimtelijk relevant, is het beleid doorvertaald in deze structuurvisie. Horeca Horeca vervult een belangrijke maatschappelijke en economische functie in het Land van Heusden en Altena. Enerzijds beleven we plezier aan horeca-activiteiten, anderzijds kan het consequenties hebben voor het woon- en leefklimaat.
Het economische belang van de horecasector in de regio is groot. Horeca heeft betekenis voor de aantrekkelijkheid van de diverse kernen, is een grote werkgever en draagt bij aan het imago van de regio. In de Horecanota Aalburg, Werkendam en Woudrichem (augustus 2011) is het beleid geschetst ten aanzien van horeca-activiteiten in de regio. In de nota zijn bepalingen opgenomen ten aanzien van de exploitatie, sluitingstijden, festiviteiten (incidenteel en collectief), het tijdelijk gedogen van horecaondernemingen en onder andere handhaving. Voor zover ruimtelijk relevant, is het beleid doorvertaald in deze structuurvisie.
38
Hoofdstuk 3
Toerisme en recreatie Het Land van Heusden en Altena is een bijzonder gebied: omgeven door rivieren, dicht tegen de Randstad, maar zonder grote plaatsen, nog steeds een landelijk en agrarisch karakter en een groot en bekend Nationaal Park (NP) De Biesbosch. Met uitzondering van het Nationaal Park De Biesbosch en de vestingstad Woudrichem is het gebied op toeristisch gebied vrij onbekend. De laatste jaren neemt recreatie en toerisme wel geleidelijk toe in de regio. Dit komt met name door de aanwezigheid van De Biesbosch en vanwege de rust en de ruimte in de regio. De Biesbosch trekt veel bezoekers. Maar zij combineren dit bezoek nog in onvoldoende mate met een bezoek aan de waarden die het Land van Heusden en Altena met name op het vlak van cultuurhistorie en landschapsbeleving te bieden heeft. De vier kernwaarden die de identiteit van het Land van Heusden en Altena het meest treffend beschrijven, zijn: • Blauw (natuurlijk); • Divers (verrassend); • Sober (eerlijk); • Kleinschalig (menselijk). Op basis van bovenstaande kernwaarden wordt de identiteit van de regio als volgt beschreven: Het Land van Heusden en Altena is een natuurlijke en verrassende, kleinschalige oase van rust midden in Nederland. Het is in meerdere opzichten ook een bijzondere regio: een eiland van eilandjes, een eiland van en voor ontspanning, letterlijk een eiland in Brabant.
Vanuit deze identiteit werken de gemeenten aan hun gewenste imago en het (economisch) versterken van de recreatieve en toeristische sector in de regio. Hoofddoelstellingen van beleid voor toerisme en recreatie zijn: • Het zoveel mogelijk uniform uitdragen van de vastgestelde identiteit en het versterken van het gewenste imago onder meer door meer, betere en efficiëntere promotie; • Het realiseren van een groei van recreatie en toerisme met gemiddeld 1,5% per jaar (gerekend in besteding en werkgelegenheid); • Het creëren van heldere en stimulerende voorwaarden waarbinnen de recreatie, het toeristische bedrijfsleven en ondernemende burgers de kansen kunnen benutten; • Het initiëren van een sterkere organisatiestructuur, met meer regie, betere taakafbakening en sterkere samenwerking tussen de gemeenten en de toeristisch recreatieve sector en tussen de regio en haar omgeving; • Het uitvoeren van het actieprogramma dat gericht is op het realiseren van de 4 bovengenoemde doelstellingen, de gekozen ontwikkelingsthema’s en doelgroepen. Het toeristisch en recreatieve beleid voor de regio is verwoord in Land van Heusden en Altena: 'Ongezien, Ongewoon, Ongekend!' Visie en actieplan recreatie en toerisme en regio marketingscan (april 2011). Voor zover ruimtelijk relevant, is het beleid doorvertaald in deze structuurvisie.
Hoofdstuk 3
39
Trends Bedrijventerreinen zijn belangrijke economische dragers, waar gemiddeld ruim 25% van de arbeidsplaatsen te vinden zijn. Bedrijventerreinen zijn er in alle soorten en maten, vooral door hun bewoners; de gevestigde bedrijven. Om de bedrijventerreinen en de hieraan gekoppelde werkgelegenheid in de toekomst op niveau te houden, is het belangrijk dat de terreinen meebewegen met de veranderende economie en de moderne eisen en wensen die bedrijven stellen aan hun werkomgeving. Schaalverkleining Bedrijven worden kleiner. Door specialisatie en de mogelijkheden die ICT ons biedt, wordt het gemiddeld bedrijf steeds kleiner. In de helft van alle bedrijven is slechts één persoon werkzaam. Het nieuwe werken en de flexibiliteit daarin zorgt er ook voor dat het gemiddelde ruimtegebruik van een werknemer fors kleiner is geworden. Die ontwikkelingen hebben invloed op de vastgoedbehoefte van ondernemers die steeds kleinschaliger wordt. Het grootste deel van de bedrijfsvragen beweegt zich naar een bvo van minder dan 500 m2. Dat neemt uiteraard niet weg dat er voor alle maten van ruimtevragen beleid moet zijn om die behoefte (indien die gewenst is) ook te kunnen faciliteren. Moderner en consumentgericht De ruwe industrie en productie zijn steeds minder zichtbaar. Deels is deze in de loop der jaren vertrokken naar lage-lonen landen.
Een ander deel is nog gewoon aanwezig, maar ziet er anders uit dan 15 jaar geleden. De maak- en procesindustrie is steeds schoner en moderner. Doordat er minder gemaakt wordt richten steeds meer bedrijven zich op de logistiek, de handel en de uiteindelijke verkooptransactie. Steeds meer bedrijven op bedrijventerreinen hebben een etalagefunctie waar consumenten en bedrijven producten komen bekijken en afnemen. De toenemende dienstverlening zorgt dat er meer behoefte is aan kantoorachtige ruimte. Naast de standaard kantoren vragen bijvoorbeeld softwareontwikkelaars, ontwerpers en praktijkopleiders om representatieve ruimtes die als kantoorachtig kunnen worden aangemerkt. Deze ontwikkelingen hebben invloed op de toekomstige signatuur van bedrijventerreinen, waar uitstraling en bereikbaarheid op gebiedsniveau en gebouwniveau steeds belangrijker zijn. De nieuwe behoefte vraagt om afstemming met de vestigingsmogelijkheden op de bedrijventerreinen in de gemeenten. Behoefte aan traditionele ruimte blijft Het is absoluut niet zo dat alle bedrijven en bedrijventerreinen in de toekomst kleinschalig, modern en consumentgericht zullen zijn. De logistieke prestaties en ruimtebehoefte blijven zich ontwikkelen en productie en innovatie in ‘food’ en ‘health’ vragen steeds meer ruimte.
Bedrijven die milieuruimte nodig hebben zijn daarnaast van groot belang aan het begin van de keten om van ruwe materialen uiteindelijk tastbare producten te maken. Ook deze meer traditionele, functioneel ingerichte en vaak grootschaligere ruimte moet beschikbaar blijven.
40
Hoofdstuk 3
Dat betekent dat er een diversiteit aan vestigingsmogelijkheden wordt gevraagd. Dit vraagt van de gemeenten om mee te bewegen met de markt en de eindgebruiker. Om hen te faciliteren en de economie en werkgelegenheid optimaal te laten renderen. In deze samenhang zetten de gemeenten in op het kunnen aanbieden van werklocaties voor alle vormen van bedrijvigheid. Het beleid voor Economie is uitgewerkt in vier vormen van beleid: • Verbeteren arbeidsparticipatie; • Regionale ruimte voor doorontwikkeling bedrijven; • Ondernemers in staat stellen te kunnen blijven ondernemen; • Voorkomen dat ondernemers naar een locatie buiten de regio verplaatsen.
3.1 Een goed functionerende economie en een goede arbeidsparticipatie In deze paragraaf beschrijven de gemeenten hun basisinspanning ten aanzien van het thema economie. Hieronder wordt een overzicht gegeven van het beleid waarvan de gemeenten vinden dat ze dat zelf MOETEN uitvoeren. 3.1.1 Een goed functionerende economie De gemeentelijke regie op het functioneren van de economie is beperkt tot het ondernemers in voldoende mate in staat stellen te kunnen ondernemen. Primair hebben de gemeenten hierbij een faciliterende en conditionerende rol. Zie daarvoor Ondernemers in staat stellen te kunnen blijven ondernemen. 3.1.2 Verbeteren arbeidsparticipatie Door de veranderingen in het rijksbeleid hebben de gemeenten een grotere directe verantwoordelijkheid gekregen voor de sociale zekerheid van hun inwoners. Daarmee gaat ook een grotere financiële inspanning gepaard, die niet volledig wordt gedekt door de rijksuitkeringen aan de gemeenten. Het is daarom voor de gemeenten van belang dat de lokale economie goed kan floreren en daarmee ook arbeidsplaatsen biedt voor de lokale beroepsbevolking. In algemene zin zijn werknemers met een hogere opleiding eerder bereid voor hun werk over een grotere afstand te reizen. Bij de beroepsbevolking met lagere opleidingen is sprake van een sterkere regionale oriëntatie op de arbeidsmarkt.
Dit speelt nog sterker bij die delen van de beroepsbevolking die naar verhouding kansarm zijn. Een andere doelgroep waarvoor de regionale arbeidsmarkt van grote betekenis is, zijn de deeltijdwerkers. Omdat dit vaak gecombineerd wordt met gezinstaken is een beperkte reistijd een belangrijk pré. Onder deze groep vallen ook de zogenaamde herintreders, waarbij arbeidsparticipatie ook belangrijk kan zijn in relatie tot gebroken gezinnen en het mogelijke beroep op ondersteuning in het levensonderhoud door de gemeente. Om nieuwe werkgelegenheid aan te laten sluiten bij het profiel van de beroepsbevolking maar ook om uitgaande pendel terug te dringen, kiezen de gemeenten ervoor om zo mogelijk kennisintensieve en structuurversterkende bedrijven aan te trekken. De ruimtelijke
Hoofdstuk 3
41
inrichting van de vestigingslocaties moet dan wel passen bij de wensen van deze bedrijven. Dat rekenen de gemeenten tot hun basisverantwoordelijkheid. Daarnaast blijft er in het vestigingsbeleid aandacht voor lager opgeleide arbeidskrachten en mensen met een lichamelijke of geestelijke beperking. Bedrijven die hiervoor werkgelegenheid bieden blijven uiteraard gefaciliteerd. Dit beleid wordt ondersteund door de acties van het “Actieprogramma Arbeidsmarkt en Scholing” uit de regionale nota Economisch beleid Land van Heusden en Altena. 3.1.3 Detailhandel Ten aanzien van detailhandel hebben de gemeenten geen eigen actieve rol. De gemeenten zullen waar mogelijk initiatieven die vanuit ondernemers komen, ruimtelijk faciliteren. Hiervoor zijn condities opgesteld (zie hiervoor de ambities en kansen ten aanzien van economie en werken). 3.1.4 Horeca Horeca zien de gemeenten als een belangrijke maatschappelijke en economische functie in de regio. De gemeenten hebben hier geen actieve rol in. Initiatieven die vanuit ondernemers komen, zullen ze ruimtelijk faciliteren. Het behouden van een goed woon- en leefklimaat is hierbij van groot belang. Middels het scheppen van condities, wordt deze afweging gemaakt (zie hiervoor de ambities en kansen ten aanzien van economie en werken). Een specifieke situatie doet zich voor met betrekking tot horecavestigingen in het buitengebied.
De horeca in het buitengebied moet bij voorkeur gekoppeld zijn aan een recreatieve voorziening. Er wordt terughoudend omgegaan met het realiseren van min of meer ‘losse’ horecavoorzieningen in het buitengebied. Wanneer horeca wordt gecombineerd met (verblijfs)recreatie dan draagt dit bij aan het verlengen van de bezoekduur, hetgeen wel wenselijk is.
42
Hoofdstuk 3
figuur: horeca
3.1.5 Recreatie en toerisme Recreatie en Toerisme is een economisch belangrijke functie in de regio, met als grote trekker het Nationaal Park De Biesbosch. Initiatieven die vanuit ondernemers komen, zullen de gemeenten ruimtelijk faciliteren. Het behouden van landschappelijke en cultuurhistorische waarden en het behouden van een goed woon- en leefklimaat zijn hierbij van groot belang. Middels het scheppen van condities, wordt deze afweging gemaakt (zie hiervoor de ambities en kansen ten aanzien van economie en werken). Een specifieke situatie komt voort uit de analyse zoals opgenomen in het recreatieve en toeristische beleid voor de regio. Hieruit blijkt dat de verblijfs-, vermaak- en verteermogelijkheden in het Land van Heusden en Altena beperkt zijn. Het ontwikkelen van nieuwe logies- en andere commerciële voorzieningen is geen taak van de gemeenten. Wel zal de regio initiatieven tot de ontwikkeling van nieuwe accommodaties, zoals Bed&Breakfast, minicampings, hotels en pensions positief tegemoet treden en waar mogelijk ondersteunen. Dit beleid wordt ondersteund door de acties van het “Actieprogramma Economische Dragers” uit de regionale nota Economisch beleid Land van Heusden en Altena.
3.2 Regionale ruimte voor doorontwikkeling van bedrijven In deze paragraaf beschrijven de gemeenten hun ambities ten aanzien van het thema economie. Hieronder wordt een overzicht gegeven van het beleid waarvan de gemeenten het graag WILLEN realiseren. De gemeenten zullen zich inspannen om dit beleid te realiseren.
Hoofdstuk 3
43
Het gewenste resultaat voor 2020 wordt als volgt omschreven: Groei van de werkgelegenheid die hoger is dan het landelijk gemiddelde; • Lagere uitgaande pendel; • Blijvend hoog aantal starters; • Blijvend lage werkloosheid. Om dit te kunnen bereiken willen de gemeenten in regioverband voldoende fysieke ruimte bieden om de verschillende onderdelen van de economie in staat te stellen aan de gewenste groei inhoud te geven. 3.2.1 (Sub)regionale bedrijventerreinen Daar waar mogelijk zullen bedrijven in staat worden gesteld zich verder te ontwikkelen. Niet in alle gevallen zal dat op de huidige locatie of in de huidige kern mogelijk zijn. Fysieke beperkingen (beschikbare ruimte), externe effecten (geluid, stof, geur, risico's) en/of verkeersbelasting kunnen aan doorontwikkeling op de huidige locatie beperkingen opleggen. Het verder uitbreiden van lokale bedrijventerreinen is in de regio niet aan de orde. Schaalvergroting kan daarmee alleen plaatsvinden door het combineren van meerdere kavels tot één kavel, uiteraard binnen de regels aangaande categorie en milieuhinder zoals opgenomen is in de verschillende bestemmingsplannen. De regio vindt het van groot belang dat groeiende bedrijven toch in staat worden gesteld om binnen het Land van Heusden en Altena naar een geschikte locatie te verplaatsen.
Daarom willen de gemeenten voor bedrijven die lokaal niet verder kunnen doorontwikkelen regionaal ruimte bieden. Daarvoor is in de eerste plaats het Regionale Bedrijventerrein (RBT) in ontwikkeling, primair bedoeld voor bedrijven met een ruimtevraag van meer dan 5.000 m². Uiteraard zullen er ook bedrijven van buiten de regio zijn die zelf, uit oogpunt van ondernemersontwikkeling, zullen kiezen voor een locatie op het RBT. Indien een vestiging op het RBT niet mogelijk of wenselijk is (bijvoorbeeld omdat de ruimtevraag onder de 5.000 m2 blijft), dan heeft de regio nog drie subregionale bedrijventerreinen waar dergelijke bedrijven zich primair kunnen vestigen. Het gaat daarbij om de Veensesteeg (Aalburg), Bruine Kilhaven V (Werkendam) en de Rietdijk (Woudrichem). 3.2.2 Herstructurering Verplaatsing van lokale bedrijven naar het Regionaal Bedrijventerrein (RBT) kan leiden tot het vrijkomen van de huidige locatie. Betreft de vrijkomende locatie courant vastgoed, dan zal deze locatie door een andere ondernemer met verplaatsingsbehoefte worden ingevuld. In een aantal situaties zal dat vrijkomend vastgoed minder courant zijn, waarbij leegstand en verloedering dreigt. De gemeenten zullen, door het inzetten van het beschikbare publiekrechtelijk instrumentarium (o.a. het bestemmingsplan), de herontwikkelmogelijkheden van dergelijke locaties waar mogelijk vergroten.
In die situaties waar actieve interventie vanuit de gemeenten gewenst is, zal samen met de BOM daarvoor naar een oplossing worden gewerkt. Het beleid voor de bedrijventerreinen is nader uitgewerkt in de samenwerkingsovereenkomst regionale samenwerking en herstructurering bedrijventerreinen Land van Heusden
44
Hoofdstuk 3
en Altena 2010, het Herstructureringsprogramma Land van Heusden en Altena en Duurzaamheid bij bedrijventerreinen in het Land van Heusden en Altena 2011. 3.2.3 Detailhandel en leisure Ten aanzien van detailhandel is het gemeentelijk beleid gericht op: • Het versterken van de lokale verzorgingspositie, met name ten aanzien van de nietdagelijkse artikelensector; • Het ruimtelijk concentreren van de winkelgebieden en heldere positionering van de winkelgebieden. De gemeenten zijn terughoudend en voorzichtig met de uitbreiding van verspreide bewinkeling. Daarnaast is het streven om te komen tot een heldere, evenwichtige en duurzame voorzieningenstructuur (verschillende winkelgebieden moeten elkaar aanvullen); • Het blijven inspelen op de dynamiek (in ieder geval zorgen voor een adequaat basispakket); • Het afstemmen van initiatieven / ontwikkelingen tussen de gemeenten middels een periodiek overleg; • Een kwalitatieve impuls ten aanzien van het leisure aanbod; • Detailhandel op recreatiebedrijven toestaan wanneer het grotere op verblijfstoerisme gerichte recreatiebedrijven betreft; • Versterkingsmogelijkheden bieden aan warenmarkten; • Detailhandel aan huis is ongewenst; Boerderijwinkels zijn wel gewenst, onder de volgende voorwaarden: • maximaal 50 m2 wvo, met een ontheffing tot 100 m2 wvo; • de verkoop dient een versterking te zijn van de regionale detailhandelsstructuur; • de
winkel moet zoveel mogelijk streekgebonden producten verkopen; • de verkoop moet ondergeschikt zijn aan de reguliere agrarische activiteiten; • Internet afhaalpunten zijn wel toegestaan, maar men mag niet als winkel functioneren; Tegenhouden van ’vliegende’ winkels op locaties die nog geen detailhandelsbestemming hebben. In principe staan de gemeenten geen detailhandel toe op de bedrijventerreinen. Op nader aan te wijzen delen van onderstaande terreinen laten de gemeenten wel detailhandel in de vorm van perifere detailhandelsvestigingen (PDV), toe: • Bruine Kilhaven in Werkendam • De Rietdijk in Giessen • Bedrijventerrein Veen • De Sluis in Dussen • Perzikstraat in Wijk en Aalburg De gewenste toekomstige retail- en detailhandelstructuur bouwt voort op het huidige aanbod. De ambitie is om een duidelijke positionering van het detailhandelsaanbod in de regio te realiseren. De regionale detailhandelvisie heeft de beleidskaders hiertoe bepaald.
Hoofdstuk 3
45
3.2.4 Horeca Daar waar mogelijk worden horecagelegenheden in staat gesteld om zich te vestigen in het Land van Heusden en Altena. Binnen de regio wordt geen maximumstelsel gehanteerd. Voldoende rechtszekerheid wordt hierin geboden middels het bestemmingsplan en het exploitatievergunningstelsel. 3.2.5 Recreatie en toerisme De regionale ambitie van de gemeenten is gericht op: • • •
• • • •
Het intensiveren van de extensieve recreatie; Het verder uitdragen en uitwerken van de identiteit en het gewenste imago; Het versterken van de thema’s natuur, water en cultuur(historie). Belangrijkste speerpunten zijn: het Nationaal Park De Biesbosch en waterbeleving in de hele regio, Vestingstad Woudrichem en cultuurhistorisch erfgoed; Het aanpakken van toeristische ontwikkelingen met meer ambitie (kwalitatief en kwantitatief); Doelgroepen: de regio wil zich richten op de volgende doelgroepen: dagtoeristen, verblijfsrecreanten, watersporters en groepen; Marketing en promotie: versterken marketing en promotie door meer samenwerking, regie, betere acties en middelen; Organisatie: taken en verantwoordelijkheden beter benoemen voor de toeristische recreatieve organisatie en de samenwerking. (hoofdrol: VVV, NP De Biesbosch en Brabant aan de Biesbosch).
Het beleid voor deze ontwikkelingen wordt ondersteund door de acties van het “Actieprogramma Economische Dragers” uit de regionale nota Economisch beleid Land van Heusden en Altena. Natuurpoorten en recreatiepoorten zijn toegangspoorten tot recreatie in de Brabantse natuur. Bij deze poorten vindt de bezoeker een breed scala aan voorzieningen: ruime parkeergelegenheid, een horecavoorziening en informatie over de natuur, cultuurhistorie en aanwezige recreatieve routes. Elke natuurpoort is onderdeel van het Brabantse fiets- en wandelroutenetwerk. Omdat de raakvlakken tussen de recreatiepoorten en de natuurpoorten groot zijn, zijn de recreatiepoorten als potentiële natuurpoorten in de plannen van de provincie opgenomen. De provincie ontwikkelt momenteel een netwerk van 35 natuurpoorten tot 2015. Fort Altena wordt momenteel ontwikkeld als natuurpoort. Potentiële natuurpoortlocaties zijn Visserhang en het Biesbosch museum en de recreatiepoort Werkendam. Naast de recreatiepoort Werkendam kent het Land van Heusden en Altena nog de recreatiepoort Spieringsluis. Naast deze poorten onderscheidt het parkschap Biesbosch ook nog drie entrees naar de Biesbosch. Eén daarvan is het Biesbosch museum.
46
Hoofdstuk 3
Een vierde poort in het gebied is het Toeristisch Overstap Punt (TOP). Dit lijkt op de natuur- en recreatiepoort van de provincie Noord-Brabant en is overgewaaid uit de provincie Zuid-Holland. Potentiële locaties voor een TOP zijn in Woudrichem de aankomst van het veer uit Gorinchem en in Aalburg de Wijkse Bol. 3.2.6. Gebiedsvisie Waterfront Woudrichem In de gemeente Woudrichem is in voorbereiding de gebiedvisie Waterfront met als kernthema “duurzaam ontwikkelen”. Deze visie geldt alleen voor de gemeente Woudrichem en heeft tot doel de bedrijvigheid in het gebied, gelegen tussen het buitendijks bedrijventerrein en natuurgebied Het Gors in de gemeente Woudrichem, te stimuleren. Voor de ontwikkeling van deze visie, die begin 2014 zijn beslag moet krijgen, stelt de gemeente Woudrichem nu reeds de nodige middelen, in de zin van menskracht, ter beschikking. In het kader van de nieuwe structuurvisie voor het Land van Heusden en Altena moet het realiseren van deze ambitie dan ook als een “willen” worden aangemerkt.
3.3 Ondernemers in staat stellen te kunnen blijven ondernemen In deze paragraaf beschrijven de gemeenten hoe zij kansen ten aanzien van het thema economie willen benutten. Hieronder wordt een overzicht gegeven van het beleid gericht op het slagvaardig KUNNEN benutten van initiatieven van derden. De economische initiatieven die door ondernemers, instellingen, of burgers worden ontplooid zijn in beginsel gericht op: • Schaalvergroting van de huidige activiteit; • Nieuwvestiging van een activiteit, al dan niet in samenhang met verplaatsing; • Transformatie van de huidige activiteit op een locatie naar een andere activiteit. De gemeenten hebben zelf geen invloed op welk initiatief wanneer en op welke locatie wordt ontplooid. De gemeenten hebben primair een toetsende rol, waarbij zij aangeven of ze wel of niet medewerking willen verlenen aan het initiatief en zo ja, onder welke condities. Bij deze toets zullen de gewenste ontwikkelingen afgewogen worden tegen de andere belangen waarvoor de gemeenten een verantwoordelijkheid hebben. Daarbij spelen de hoofdbeleidsdoelen waar de drie gemeenten in het Land van Heusden en Altena samen voor staan een belangrijke rol: • Zorg dragen voor behoud van de leefbaarheid van de dorpen; • daarbij ruimte bieden aan de locale economie; • maar wel met behoud van de kwaliteit en identiteit van het landschap.
3.3.1 Diversiteit aan initiatieven De diversiteit aan mogelijke initiatieven is zeer groot. Daarbij zijn de ruimtelijke gevolgen van de verschillende initiatieven sterk verschillend, dus ook de mate waarin ze wel of niet passen of juist strijdig zijn met de beleidsdoelstellingen van de gemeenten. Daarom is per type initiatief aangegeven welke overwegingen de gemeenten zullen hanteren bij het beoordelen van een gewenste ruimtelijke ontwikkeling.
Hoofdstuk 3
47
3.3.2 Bedrijfsactiviteiten Ontwikkeling van bedrijven dient primair op bestaande of nieuwe daartoe aangelegde en bestemde bedrijventerreinen plaats te vinden. Voor ontwikkelingen buiten de bedrijventerreinen hanteren de gemeenten de volgende afwegingen: • Doorontwikkeling van een bedrijf binnen de kernen wordt beoordeeld op de effecten op de woon- en leefkwaliteit van de omgeving en op de effecten op de ruimtelijke kwaliteiten; • Een bedrijfsontwikkeling binnen een kern wordt daarnaast beoordeeld op de mate waarin op deze locatie, voor de ondernemer ook naar de toekomst toe, bedrijfsontwikkelruimte mogelijk is; • Het initiatief moet zelf streven naar hydrologisch neutraal bouwen en milieuhygiënisch inpasbaar zijn. Een nieuwe solitaire bedrijfslocatie zal door de gemeenten alleen bij hoge uitzondering in overweging worden genomen indien: Door de aard en/of zijn specifieke bijdrage van het initiatief aan de regionale economie vestiging in het Land van Heusden en Altena een zeer belangrijke meerwaarde biedt, vestiging op het regionale bedrijventerrein of op een ander bestaand terrein in het Land van Heusden en Altena, ten gevolge van specifieke bedrijfscondities, niet mogelijk is. Doorontwikkeling van een bestaande niet-agrarische bedrijfsactiviteit in het buitengebied is in beginsel beperkt tot een eenmalige uitbreiding van 15%.
Een uitbreiding van meer dan 15% zal alleen worden overwogen indien: • verplaatsing naar een bedrijventerrein in het Land van Heusden en Altena, ten gevolge van specifieke bedrijfscondities, niet mogelijk is; • of de aard van het bedrijf, uit een oogpunt van de regionale economie, voor het Land van Heusden en Altena een zeer belangrijke meerwaarde biedt, • en de uitbreiding gepaard gaat met een structurele ruimtelijke en milieutechnische inpassing in de omgeving zodat er een duurzaam ruimtelijk kwalitatief totaalbeeld ontstaat. 3.3.3 Derde haven De gemeenten hebben economisch van oorsprong een belangrijke relatie met de rivier. Dat concentreert zich in de havens van Werkendam die in het achterland van Rotterdam en aan de centrale watertransportas naar Duitsland een eigen positie voor de binnenvaart innemen. De ontwikkelingen in het transport per binnenschip zijn aan veranderingen onderhevig. Op dit moment is er geen noodzaak voor een derde haven. Waarschijnlijk komt er in 2016/2018 een keerpunt, indien de economie dan weer gaat groeien. Ook de wet en regelgeving over verduurzaming van schepen is dan in werking getreden, waarbij innovatie als aandachtspunt genoemd wordt voor vergroting van de kracht en aantrekkelijkheid van de Werkendamse (en regionale) binnenhavens.
Voor het aandeel in de werkgelegenheid en de unieke positie als scheepsbouwcluster en door de ligging aan de Merwede nabij de Drechtsteden is het belangrijk het onderzoek voort te zetten met een volgende fase, en wel een ruimtelijk haalbaarheidsonderzoek.
48
Hoofdstuk 3
3.3.4 Agrarische bedrijfsactiviteiten Het regionaal economisch belang van de landbouw is groot. In het primair agrarisch gebied willen de gemeenten de grondgebonden landbouw de ruimte kunnen bieden voor uitbreiding van de agrarische bedrijvigheid. Onder grondgebonden landbouw verstaan de gemeenten onder andere akkerbouw, vollegrondsteelt en grondgebonden veehouderijen. De ontwikkeling van de agrarische bedrijfsactiviteiten is primair geregeld via de bestemmingsplannen Buitengebied van de gemeenten. Kaderstellend daarvoor zijn de ontwikkelmogelijkheden die vanuit rijks- en provinciaal beleid worden gesteld, waarbij milieuaspecten een wezenlijke rol spelen. Indien er speelruimte is tussen het bestemmingsplan Buitengebied en het beleid van andere overheden, dan zullen deze ontwikkelingen worden beoordeeld op: • De mate waarin een ontwikkeling bijdraagt aan de bestaande economische structuur van de land- en tuinbouw in het Land van Heusden en Altena; • De ruimte of juist belemmeringen die vanuit de regelgeving van andere overheden worden geboden of opgelegd; • De mate waarin de ontwikkeling ruimtelijk zodanig kan worden vormgegeven dat deze zich voegt in de kenmerkende landschapskarakteristiek van de locatie en de regionale verschillen daarin en milieuhygiënisch inpasbaar is; • De effecten van de ontwikkeling op de leefbaarheid van het platteland in algemene zin.
Concentratiegebied kwekerijen Om versnippering en verstening van het open buitengebied te voorkomen, heeft de gemeente Aalburg de 'beleidsnotitie (nieuw)vestiging kwekerijen' opgesteld. Deze notitie geeft aan op welke wijze (startende) kwekerijen ontwikkelingsruimte voor hun bedrijf kunnen krijgen in het concentratiegebied binnen de gemeente. In de gemeente Werkendam is een gebied aangewezen als doorgroeigebied voor glastuinbouw. Vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen Vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen bieden een kans tot functiewijziging. Op deze wijze blijft het landelijk gebied vitaal en leefbaar. De gemeenten willen initiatieven in vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen onder voorwaarden kunnen faciliteren. Uitgangspunt is hierbij niet primair de aard van de nieuwe functie, maar de invloed van de functie op de omgeving.
Bij de beoordeling van initiatieven zullen de gemeenten de volgende criteria hanteren: • De aard van het initiatief moet passen bij de functionele karakteristiek van de omgeving, met name daar waar sprake is van bebouwingslinten en clusters; • De aard en inrichting van het initiatief moet aansluiten bij de ruimtelijke karakteristiek van de omgeving; • De aard en inrichting van het initiatief moet rekening houden met de kenmerkende cultuurhistorische waarden in het gebied; • Het initiatief mag niet leiden tot verkeers- of parkeeroverlast in de omgeving. Parkeren dient altijd op eigen erf te worden geregeld; • Het initiatief moet zelf zorgdragen voor een goede afwikkeling van de waterhuishouding;
Hoofdstuk 3
49
• •
Het initiatief mag niet leiden tot extra milieuhygiënische belemmeringen voor bestaande agrarische bedrijven; Het initiatief mag niet leiden tot milieuhygiënische overlast op de omgeving.
3.3.5 Toerisme en recreatie Toeristische en recreatieve ondernemingen vormen een belangrijke groeifactor in de regionale economie. De gemeenten zullen initiatieven vanuit de markt, die een bijdrage leveren aan de toeristisch-recreatieve sector (zowel dag- als verblijfsrecreatie) in het Land van Heusden en Altena, waar mogelijk faciliteren. Het regionaal toeristisch recreatief beleid van het Land van Heusden en Altena vormt daarbij de basis. Het cultuurhistorisch erfgoed, waaronder de nieuwe Hollandse Waterlinie met de forten Bakkerskil en Altena, het Liniepad, de vestingswerken en slot Loevestein, wordt daarbij expliciet gezien als een kans voor de toeristisch-recreatieve sector.
Daarnaast zullen de gemeenten medewerking aan concrete initiatieven beoordelen op de volgende criteria: Aan kleinschalige toeristisch-recreatieve initiatieven wordt waar mogelijk medewerking verleend op voorwaarde dat: • het initiatief een functionele bijdrage levert aan het realiseren van de doelstellingen uit het regionale beleid voor toerisme en recreatie; • de aard en omvang van het initiatief past bij de functionele karakteristiek van de omgeving; • de aard en inrichting van het initiatief aansluit bij de ruimtelijke karakteristiek van de omgeving en milieuhygiënisch inpasbaar is; • de aard en inrichting van het initiatief rekening houdt met de kenmerkende structuren van aanwezig cultuurhistorisch erfgoed en daar ook op inspeelt; • het initiatief niet mag leiden tot verkeers- of parkeeroverlast in de omgeving. Parkeren dient altijd op eigen erf te worden geregeld; • het initiatief zelf zorg moet dragen voor een goede waterhuishouding; • op locatie-inrichtingsniveau duurzaamheid herkenbaar centraal staat. Aan grootschalige toeristisch-recreatieve ontwikkelingen wordt slechts onder voorbehoud medewerking verleend.
Richtinggevend voor een eventuele medewerking is het onderscheidende of aanvullende karakter dat het initiatief inbrengt in het totale toeristischrecreatieve product van de regio en de mate waarin ook de (cultuurhistorische) identiteit van de regio wordt versterkt. Daarnaast zal een eventuele locatie voor een grootschalig initiatief worden beoordeeld op: • de locatie moet goed bereikbaar zijn via het hoofdwegennet, het initiatief mag niet leiden tot extra verkeersstromen via de kernen; • de locatie mag geen afbreuk doen aan de kwaliteiten van het cultureel erfgoed; • de locatie moet landschappelijk en milieuhygiënisch goed inpasbaar zijn, waarbij de ruimtelijke effecten van het initiatief in een zone van ca 1 km rond het initiatief moeten worden meegenomen; • het initiatief dient zijn parkeerbehoefte binnen de eigen locatie te realiseren; • het initiatief moet zelf zorgdragen voor een goede afwikkeling van de waterhuishouding; • de locatie moet de potenties hebben om het initiatief in de toekomst verder door te ontwikkelen, zonder dat dit ten koste gaat van de bovengenoemde punten.
50
Hoofdstuk 3
3.3.6 Maatschappelijke voorzieningen Initiatieven die een bijdrage leveren aan de leefbaarheid, zoals zorg en educatie worden waar mogelijk gefaciliteerd. Bij de beoordeling van initiatieven zullen de gemeenten de volgende criteria hanteren: • De aard van het initiatief moet passen bij de functionele karakteristiek van de omgeving; • De aard en inrichting van het initiatief moet aansluiten bij de ruimtelijke karakteristiek van de omgeving en milieuhygiënisch goed inpasbaar zijn; • De aard en inrichting van het initiatief moet rekening houden met de kenmerkende cultuurhistorische waarden in het gebied; • Het initiatief mag niet leiden tot verkeers- of parkeeroverlast in de omgeving. Parkeren dient in principe op eigen erf te worden geregeld; • Het initiatief moet zelf zorgdragen voor een goede afwikkeling van waterhuishouding. 3.3.7 Commerciële voorzieningen Bij initiatieven voor commerciële voorzieningen (detailhandel, horeca en andere publiekgerichte commerciële functies) staat de betekenis en bijdrage van het initiatief op de beoogde voorzieningenstructuur centraal. Past het initiatief bij de structuur dan zal de gemeente in principe faciliteren, waarbij zij het initiatief wel zal beoordelen op ruimtelijke inpasbaarheid.
Daarvoor hanteren de gemeenten de volgende criteria: • De aard van het initiatief en de daarmee samenhangende bezoekersdruk moet passen bij de functionele karakteristiek van de omgeving; • De aard en inrichting van het initiatief moet aansluiten bij de ruimtelijke karakteristiek van de omgeving en milieuhygiënisch goed inpasbaar zijn; • De aard en inrichting van het initiatief moet rekening houden met de kenmerkende cultuurhistorische waarden in het gebied; • Het initiatief mag niet leiden tot verkeers- of parkeeroverlast in de omgeving. Parkeren dient structureel te worden opgelost. Initiatieven die niet passen binnen de beoogde voorzieningenstructuur worden in beginsel afgewezen. Echter, initiatieven die een regionaal effect hebben, worden regionaal afgewogen qua functie en plaatsing. Indien medewerking vanuit deze functionele overwegingen mogelijk is dan zal het initiatief verder getoetst worden op de hierboven genoemde kwalitatieve criteria. In het Economisch Actieprogramma voor het Land van Heusden en Altena is een groot aantal acties uitgezet die het voor ondernemers aantrekkelijk moeten maken om in de regio te blijven investeren.
Hoofdstuk 3
51
3.4 Voorkomen dat ondernemers naar een locatie buiten de regio verplaatsen In deze paragraaf beschrijven de gemeenten hoe zij bedreigingen ten aanzien van het thema economie willen uitsluiten. Hieronder wordt een overzicht gegeven van het beleid gericht op het VOORKOMEN van ongewenste ontwikkelingen. De meeste bedrijven in het Land van Heusden en Altena hebben een sterke lokale binding. Maar bij een bepaald deel van de ondernemers is deze vanzelfsprekende lokale binding niet of niet meer aanwezig. Het zijn bedrijven waarbij de bedrijfsinvesteringsbeslissingen vrijwel volledig uit economische overwegingen worden genomen. Daarbij zijn veel bedrijven die onderdeel zijn van een groter concern, waarbij bedrijfsinvesteringen ook worden afgewogen ten opzichte van investeringen in andere vestigingen, al dan niet in andere regio’s, of zelfs andere landen. Daarbij spelen ook consolidatiebeslissingen een belangrijke rol. Dit type bedrijven is evenzeer van belang voor het economisch profiel en de economische identiteit van het Land van Heusden en Altena. Hun aanwezigheid is ook van betekenis voor regionale toeleveranciers en afnemers. Het beleid van de gemeenten is er op gericht deze bedrijven waar mogelijk te behouden voor de regio.
Omdat investeringsbeslissingen bij deze ondernemingen veelal buiten de lokale vestiging worden genomen is het voor het Land van Heusden en Altena van belang de kans, dat deze beslissingen ten nadele van de regionale vestigingen zijn, zo klein mogelijk te maken. Daarvoor zal via maatwerk worden bekeken of voldoende lokale ontwikkelruimte kan worden geboden en zo niet op welke andere wijze de gemeenten een bedrijf kunnen faciliteren om voor de regio te behouden. Het Regionale Bedrijventerrein vormt daarbij een van de opties.
52
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 3
53
4.
OMGEVING EN EIGENHEID
Hoofdlijnen van beleid Omgeving en eigenheid De drie gemeenten in het Land van Heusden en Altena tellen tezamen 21 kernen met een uitgestrekt buitengebied. Het vormt een groot gebied met circa 50.000 inwoners op circa 22.600 hectare grondgebied. De kernen en het buitengebied hebben ieder specifieke ruimtelijke eigenschappen. De ruimtelijke eigenschappen (ruimtelijke karakteristiek) samen met het functioneel gebruik vormen de omgevingskwaliteit van de gemeenten. Het Land van Heusden en Altena beschikt met de aanwezige natuurwaarden en cultuurhistorische waarden over een breed scala aan omgevingskwaliteiten, zowel in de dorpen als in het buitengebied. Deze kwaliteiten vormen een belangrijke basis voor het goede woonklimaat van de gemeenten, bieden condities voor vernieuwend ondernemerschap in de kernen en in het buitengebied en maken de gemeenten ook interessant voor bezoekers. De bewoners van het Land van Heusden en Altena zijn trots op het landschap en de eigenheid van het gebied. Deze eigenheid wordt voornamelijk bepaald door het landschap in het buitengebied en dus is het behoud van de aanwezige waarden in het buitengebied een randvoorwaarde voor mogelijke ontwikkelingen.
De gemeenten profileren zich met een grote diversiteit in het buitengebied, bestaande uit de rivierfronten aan de noord-, zuid- en oostzijde, het uitgestrekte en open agrarische landschap centraal in de regio en de overgang naar de Biesbosch aan de westzijde. Diverse forten en de vestingstad Woudrichem vertellen een verhaal over de belangrijke positie die het gebied heeft gehad als overgang tussen het ‘noorden’ en het ‘zuiden'. Op veel plekken wordt natuur gecombineerd met het (agrarisch) landschap. Op andere plekken wordt juist gestreefd naar extensivering van het grondgebruik om meer ruimte te maken voor natuur, landschap en recreatie. Voor de dorpen richt het beleid zich primair op het versterken van de kernspecifieke kwaliteiten en eigenheden en gebruikskwaliteiten van de verschillende kernen, in hun setting van het omringend landelijk gebied en de daarbij behorende omgevingskwaliteiten. Daarbij willen de gemeenten particuliere initiatieven faciliteren. Initiatieven die bijdragen aan het behoud van de leefbaarheid in het dorp en bijdragen aan de structuur van het dorp en haar omgeving, worden binnen de daarvoor geldende grenzen mogelijk gemaakt op het moment dat het draagvlak voor dergelijke initiatieven aangetoond is.
Voor het buitengebied richt het beleid zich op het duurzaam behouden van de kernwaarden van de natuurgebieden en het landschap en het tegelijkertijd versterken van de gebruiks- en belevingswaarden voor de inwoners en voor bezoekers van de gemeenten. De regio moet niet worden overgenomen door toeristische activiteiten maar de gemeenten beseffen wel dat het van belang is om te laten zien wat de regio te bieden heeft om zodoende tegelijkertijd een bijdrage te kunnen leveren aan het behoud van het buitengebied voor de volgende generaties. De regio doet dit door het definiëren van drie gebieden.
Hoofdstuk 4
55
Een zone gemengde plattelandseconomie, die globaal gesteld is gelegen aan de rivieroevers. In dit kleinschalige landschap zijn ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk, mits goed ingepast in de groen-blauwe omgeving. Vanuit de Provincie Noord-Brabant wordt aangegeven dat in deze zone, en dan met name aan de oostzijde van de regio, een kans ligt voor de versterking van de relatie land-water. De Rabobank Altena heeft dit verder uitgewerkt in de Kanskaart Altena. Kansen die voor het Land van Heusden en Altena interessant zouden kunnen zijn, zijn in deze structuurvisie opgenomen. Verder is het primair agrarisch gebied aangegeven, waar ruimtelijke ontwikkeling beperkt zijn tot ontwikkelingen die geen afbreuk doen aan de karakteristieke openheid van het gebied. Tot slot is het gebied Noordwaard en Biesbosch, globaal gelegen ten westen van Werkendam, aangewezen als gebied waar terughoudend omgegaan wordt met ruimtelijke ontwikkelingen. In Nationaal Park de Biesbosch zijn ruimtelijke ontwikkelingen niet aan de orde. In de polder Noordwaard alleen wanneer deze een ondersteunende functie hebben aan de natuurontwikkeling en ontpoldering die hier gaande is.