CConstaterende datAltena
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage mail inwoner over mobiliteitsplan Altena - Structuurvisie

Raadsvergadering 22 juni 2021, gemeente AltenaBij agendapunt: Mobiliteitsvisie31.977 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

5.2 Goede bereikbaarheid van voor leefbaarheid belangrijke voorzieningen In deze paragraaf beschrijven de gemeenten hun ambities ten aanzien van het thema verkeer. Hieronder wordt een overzicht gegeven van het beleid waarvan de gemeenten het graag WILLEN realiseren. De gemeenten zullen zich inspannen om dit beleid te realiseren. 5.2.1 Scheiding van mobiliteitsnetwerken in het buitengebied In het buitengebied lopen diverse mobiliteitsnetwerken door elkaar die vaak van dezelfde infrastructuur gebruik maken. Voorbeeld hiervan is het gezamenlijk gebruik van infrastructuur door agrarische bedrijvigheid en toeristen en recreanten, maar ook door de

80

Hoofdstuk 5

schoolgaande jeugd. De gemeenten in het Land van Heusden en Altena hebben de ambitie om waar mogelijk de mobiliteitsnetwerken te scheiden, door routering of aparte voorzieningen, zoals fietspaden aan te leggen. Op deze wijze kan ook de veiligheid en belevingswaarde van het buitengebied worden verhoogd waarbij tevens de bereikbaarheid van de bestaande bedrijvigheid gewaarborgd is. Bij het invoeren van verkeersmaatregelen achten de gemeenten het van belang dat de kwaliteit van het landschap behouden blijft. Dit kan door middel van het (selectief) toepassen van ‘natuurlijke’ maatregelen (zoals plaatsen van heggen, bosschages, etc.). Actief beleid voor de verbetering van het milieu ligt vooral bij de hogere overheden. Toch hebben de gemeenten hierin een bijdrage met een voorbeeldfunctie en het openstaan voor initiatieven van particulieren. De voorbeeldfunctie komt naar voren door de aanschaf van milieuvriendelijke voertuigen en aandacht voor communicatie over milieu. 5.2.2 Mobiliteit en bereikbaarheid kernen, bedrijventerrein en buitengebied Autobereikbaarheid van de kernen, bedrijventerreinen en het buitengebied is belangrijk voor het economisch en sociaal functioneren van het Land van Heusden en Altena. Echter niet alle locaties behoeven dezelfde mate van autobereikbaarheid op elk tijdstip en voor elke doelgroep.

Op plekken waar onvoldoende ruimte is om aan de vraag naar autobereikbaarheid te voldoen, wordt de bereikbaarheid selectief gereguleerd. Dit betekent dat de beschikbare fysieke ruimte zo eerlijk mogelijk over de verschillende vervoerwijzen verdeeld wordt. Mensen worden hiermee aangemoedigd om niet de auto, maar juist de fiets of indien mogelijk het openbaar vervoer te gebruiken voor dezelfde verplaatsing (aanbod van alternatieven). Voor de afwikkeling van het autoverkeer wordt zoveel mogelijk de hoofdontsluitingsstructuur gebruikt, zodat sluipverkeer door verblijfsgebieden zoveel mogelijk voorkomen wordt. Beleidsuitgangspunt is dat op de doorgaande wegen (gebiedsontsluitingswegen) de doorstroming en verkeersafwikkeling gewaarborgd blijft. Dit betekent dat er geen beperkende maatregelen worden genomen, tenzij de veiligheid in het geding komt. Herinrichtingen van de infrastructuur worden daar waar mogelijk op afgestemd. De bedrijventerreinen zijn over het algemeen redelijk tot goed bereikbaar. De gemeenten constateren wel dat de noord-zuidverbindingen in de regio niet zo ver ontwikkeld zijn als de oost-westrichtingen. Om de verbindingen in de noord-zuidrichting verder te optimaliseren, is inbreng van de provincie Noord-Brabant benodigd. Het gaat hier voornamelijk om provinciale wegstructuren die gemeenteoverschrijdend zijn. 5.2.3.

Bereikbaarheid over water De gemeenten zijn uitstekend bereikbaar over water, zowel aan de noord- als zuidzijde. De verschillende havens zorgen voor het binden van watergebonden activiteiten aan de verschillende kernen. Middels (voet)veren zijn de gemeenten ook verbonden met de omliggende gemeenten en regio's. 5.2.4 Landbouwverkeer Landbouwverkeer is belangrijk voor de regio. De gemeenten in het Land van Heusden en Altena zijn voor een deel afhankelijk van de agrarische sector. De gemeenten in de regio

Hoofdstuk 5

81

'faciliteren' het landbouwverkeer. Dat houdt in dat met de dimensionering van wegen rekening gehouden wordt met de afmetingen van landbouwvoertuigen. Waar mogelijk worden voor landbouwverkeer zodanige routes gefaciliteerd dat woonkernen ontzien worden. Helaas is dat niet altijd mogelijk waardoor landbouwverkeer door bestaande woonkernen moet worden geleid voor een efficiënte ontsluiting van bepaalde gebieden. Op plekken waar dat voorkomt, zullen de gemeenten altijd de afweging maken tussen het faciliteren van landbouwverkeer en de leefbaarheid van de woonkern. 5.2.5 Openbaar vervoer Op het gebied van openbaar vervoer is de ambitie om de ketenmobiliteit te versterken door het realiseren van kwalitatief hoogwaardige en aantrekkelijke overstappunten. Naast De Tol, De Kromme Nol en buurtbustransferium Almkerk is het wellicht kansrijk om nabij Hank een extra P+R locatie te realiseren. Daarnaast worden op gemeentelijk niveau de vrijwilligers van de buurtbus ondersteund. Wellicht wordt er in de toekomst een spoorlijn aangelegd tussen Breda en Utrecht. Deze personenspoorlijn is vooralsnog voorzien aan de oostkant van de A27.

De basis voor de aanleg van de spoorlijn is gelegd in de ‘Ruimtelijke visie West Brabant 2030’ (vastgesteld 6 juli 2010) en wordt in het kader van deze structuurvisie nogmaals onderschreven door de drie gemeenten, mits het station in het Land van Heusden en Altena ook gerealiseerd wordt als onderdeel van de spoorontwikkeling. Indien er geen station gerealiseerd wordt, heeft de regio geen belang bij de spoorverbinding. In dat laatste geval vinden de gemeenten het waardevoller de verbinding met de Interliner te handhaven. 5.2.6 Langzaam verkeer De gemeenten hanteren de volgende beleidsuitgangspunten ten aanzien van langzaam verkeer: • De gemeenten sluiten aan op het Regionaal Fietsnetwerk; • Op een aantal routes wordt niet voldaan aan de kwaliteitseisen. De gemeenten richten zich op het verbeteren van de routes die veelvuldig door schoolgaande jeugd en recreatief verkeer gebruikt worden; • Een goede bereikbaarheid van de bedrijventerreinen, combinatie met openbaar vervoer en recreatieve routes; • Verder is het van belang dat kinderen, ouderen en minder validen mobiel blijven. Daarom is de toegankelijkheid van de openbare ruimte van belang. Dit wordt bereikt door voorzieningen (zoals aanleg trottoirs of verlaagde trottoirbanden) mee te nemen bij projecten van groot onderhoud.

5.2.7 Gemeentespecifieke knelpunten Aalburg In de gemeente Aalburg bestaat een knelpunt aan de westkant van Wijk en Aalburg. De gemeente zoekt naar een alternatieve ontsluiting van de Berenhoeksestraat richting de Polstraat. De huidige aansluiting over de Kortestraat is in de toekomst mogelijk niet toereikend in relatie tot de verkeersdruk. Bij toekomstige ontwikkelingen aan deze zijde van

82

Hoofdstuk 5

Wijk en Aalburg wil de gemeente een onderzoek uitvoeren naar een alternatieve ontsluiting tussen beide wegen. Verder wil de gemeente Aalburg in de toekomst grotere pleziervaart kunnen faciliteren in de haven van Wijk en Aalburg. Werkendam De Dijkgraaf den Dekkerweg heeft in de toekomst wellicht te weinig capaciteit om het groeiende aantal motorvoertuigen te verwerken zeker wanneer toekomstige ontwikkelingen in acht worden genomen. Daarbij wordt gedacht aan de realisatie van het regionale bedrijventerrein en een toenemende recreatieve functie van de Noordwaard. Indien op termijn ook nog sprake is van de aanleg van een derde werkhaven dan verdient het de aanbeveling om in het kader van de ontsluiting van het gebied en de leefbaarheid van de aangrenzende woongebieden een onderzoek te doen naar de capaciteit van de ontsluitingsstructuur aan deze zijde van de kern Werkendam. Verder wil de gemeente Werkendam, wanneer wijzigingen in de A27 worden aangebracht, een verhoging van het viaduct bij de Kurenpolder op de agenda opnemen om de kern Hank te ontlasten.

5.3 Nieuwe ontwikkelingen laten bijdragen aan oplossen bestaande knelpunten In deze paragraaf beschrijven de gemeenten hoe zij kansen ten aanzien van het thema verkeer willen benutten. Hieronder wordt een overzicht gegeven van het beleid gericht op het slagvaardig KUNNEN benutten van initiatieven van derden. 5.3.1 Kansen op het gebied van mobiliteit Ontwikkelingen door derden die een bijdrage leveren aan de verbetering van de mobiliteit in het Land van Heusden en Altena worden door de gemeenten als kans gezien. Zo bieden de projecten van Rijkswaterstaat de mogelijke verbreding van de A27) en de provincie (N322/N283) kansen om ook lokale verbeteringen aan te brengen. Ook het aanleggen van een fietspad op de dijk aan de Biesboschrand door het Waterschap, behoort tot de kansen. Voorwaarde is wel dat de mobiliteitsinitiatieven ruimtelijk inpasbaar zijn in de omgeving en rekening houden met de kwaliteit van het landschap en behoud van de bestaande groenvoorzieningen. Een aantal kansen dat zich aandient bij werkzaamheden aan de A27 zijn onder andere de ruimte bieden aan fort Altena door verplaatsing van de Tol in noordelijke richting en het verhogen van het viaduct bij de Kurenpolder om de kern Hank te ontlasten in verkeerstechnische zin. 5.3.2 Omleiding Almkerk Al geruime tijd speelt er ter hoogte van Almkerk de discussie omtrent de N322.

Deze (drukke) provinciale weg ligt direct ten noorden van de dorpskern en veroorzaakt de nodige overlast voor de dorpsbewoners. De dorpsraad wil deze weg graag verlegd zien in noordelijke richting. De gemeente Woudrichem staat in principe welwillend tegenover dit

Hoofdstuk 5

83

initiatief, maar geeft tegelijkertijd aan dat het verleggen van een provinciale weg zaak is van de provincie Noord-Brabant, zowel procedureel, inhoudelijk als financieel. De gemeente Woudrichem heeft er uiteraard wel belang bij dat de leefomgeving voor haar inwoners wordt verbeterd. De gemeente ziet voor een omlegging verschillende mogelijke scenario's die allen op hun merites moeten worden beoordeeld. De gemeente treedt graag met de provincie in overleg wanneer een tracékeuze aan de orde is. Wanneer een uiteindelijke tracékeuze gemaakt is, is het aan de provincie een MER uit te voeren en de plannen verder vorm te geven, wellicht zelfs met het opstellen van een Provinciaal Inpassingsplan (PIP).

figuur: verkeersveiligheid

5.3.3 Parkeren Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Minimaal moet in de eigen parkeerbehoefte worden voorzien. Initiatieven van derden rond het (centraal) parkeren van vrachtauto’s ondersteunen de gemeenten (voor zover niet tegenstrijdig met beleid of wetgeving). De gemeenten nemen hier zelf geen initiatief in. 5.3.4 Externe veiligheid Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zijn enkel mogelijk wanneer hierdoor geen knelpunt met betrekking tot externe veiligheid optreedt. Hiervoor hanteren de gemeenten in het Land van Heusden en Altena een gebiedsgerichte benadering. Borging vindt plaats in de bestemmingsplannen.

84

Hoofdstuk 5

5.4 Verslechteren bereikbaarheid, veiligheid en leefbaarheid door gebruik mobiliteitsstructuur In deze paragraaf beschrijven de gemeenten hoe zij bedreigingen ten aanzien van het thema verkeer willen uitsluiten. Hieronder wordt een overzicht gegeven van het beleid gericht op het VOORKOMEN van ongewenste ontwikkelingen. 5.4.1 Ontwikkelingen op het gebied van bereikbaarheid en mobiliteit Bij veranderingen van en maatregelen in de infrastructuur moet worden voorkomen dat de bereikbaarheid, leefbaarheid en verkeersveiligheid van de locaties verslechtert, waardoor woonkwaliteiten worden aangetast en/of ontwikkelingsmogelijkheden voor bedrijven en voorzieningen worden beperkt. 5.4.2 Bovenregionale knelpunten wegverkeer De gemeenten merken nu de nodige overlast van problemen op het hoofdwegennet dat net buiten de regio gelegen is. Dagelijkse stremmingen bij de brug bij Gorinchem en Knooppunt Hooipolder leveren de nodige extra hinder op voor de regio. Niet alleen in het kader van de bereikbaarheid van de regio maar ook in het kader van zoekend verkeer dat tracht de stremmingen te omzeilen door het zoeken naar een andere route. De regio kan deze problemen niet oplossen maar wil deze wel op rijksniveau op de agenda houden om bij toekomstige ontwikkelingen rondom het rijkswegennet deze knelpunten die een uitwerking hebben op de regio, aan te kunnen pakken.

5.4.3 Bovenregionale ontwikkelingen railverkeer Er is in de toekomst wellicht sprake van de aanleg van de spoorlijn Breda-Utrecht die naast de A27 is gelegen. De gemeenten in het Land van Heusden en Altena vrezen dat de intensivering van deze infrastructurele as op rijksniveau ten koste zal gaan van het openbaar vervoer op regionaal niveau, in dit geval de Interliner. Bij de mogelijke ontwikkeling van een spoorlijn wil de regio óf de realisatie van een treinstation in de regio (station 'Biesbosch') óf het behoud van regionaal passend vervoer in de vorm van bijvoorbeeld de Interliner of een lightrail verbinding met stops in het Land van Heusden en Altena. Een gevaar voor het uitbreiden van de infrastructurele bundel (A27 en spoorlijn) is het ontstaan van een ruimtelijke ontwikkelingsas aan weerszijden van de A27. De visie van de gemeenten op deze ontwikkeling bestaat in risico’s van sluipend verlies van kwaliteit en karakteristiek.

Hoofdstuk 5

85

6.

UITVOERINGSPARAGRAAF

In deze regionale structuurvisie benoemen de gemeenten de hoofdlijnen van het beleid op het gebied van wonen, voorzieningen, economie, omgeving & eigenheid en verkeer. Hierbij maken de gemeenten een onderscheid in elementen die ze als basisverantwoordelijkheid beschouwen (en waarvoor ze dus de middelen zullen (moeten) reserveren), ontwikkelingen waarvoor ze zich extra inspannen en type ontwikkelingen die door andere partijen gerealiseerd worden (waarop de gemeenten wel regie willen voeren). De structuurvisie is een bestuursverantwoordelijkheid. De gemeenten verplichten zich naar deze structuurvisie te handelen, maar de structuurvisie bevat geen verplichtingen naar burgers. Burgers mogen verwachten dat de gemeenten bij verzoeken en vragen hun antwoord zullen baseren op de beleidsuitspraken in deze regionale structuurvisie. Veel van het structuurvisiebeleid is reeds eerder vastgelegd in gemeentelijke en regionale beleidsdocumenten. In de verschillende themahoofdstukken zijn daarop aanvullingen en soms accentverschuivingen gegeven om het gemeenschappelijke beleid gereed te maken voor de komende jaren. In het traject naar uitvoering en uitwerking dienen nog vele activiteiten ondernomen te worden. Telkens weer door/met andere partijen. Wettelijke kaders kunnen daarbij voor aanscherping zorgen.

Maar er zijn in deze structuurvisie geen beleidsuitspraken gedaan die op voorhand een milieuafweging (MER) vragen om de uitvoering te kunnen realiseren. Voor de meeste projecten zijn de gemeenten niet de (enige) realiserende partij, bij die projecten ligt de initiërende en realiserende rol bij anderen. De gemeenten hebben dan vooral een faciliterende rol. Dat bepaalde projecten/voornemens wellicht niet (direct) gerealiseerd kunnen worden, heeft enerzijds te maken met deze positie en anderzijds (waar gemeentelijke middelen noodzakelijk zijn) met het feit dat ruimte gecreëerd moet worden in de begroting. Dit wil echter niet zeggen dat de gemeenten hieraan geen waarde hechten! Om het intergemeentelijk beleid te realiseren, zetten de gemeenten verschillende instrumenten in, welke ze gecategoriseerd hebben naar: • Procesinstrumenten; • Juridische instrumenten; • Financiële instrumenten.

6.1 Procesinstrumenten Procesinstrumenten zeggen iets over de inspanningen die de gemeenten willen doen richting de uitvoering van het beleid. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om de activiteiten gericht op:

86

Hoofdstuk 6

•

• • •

Een goede afstemming van beleidsontwikkelingen (binnen de gemeente, tussen de regiogemeenten, maar ook met de provincie en het rijk), om maximale win-win situaties te bereiken; Nadere uitwerking van beleid, om beleid op hoofdlijnen te operationaliseren; De wijze waarop de gemeenten bij de verdere beleidsuitwerking willen omgaan met andere partijen, zoals overleg en communicatietrajecten; Proces- en procedurele afspraken.

De gemeenten gaan er nadrukkelijk van uit dat ze in veel situaties (mede) afhankelijk zijn van andere partijen om beleidsdoelen te kunnen effectueren. De gemeenten kiezen ervoor om met de maatschappelijke groeperingen en andere partijen regelmatig de dialoog op te zoeken, over het beleid en de effectuering van dat beleid. In de intergemeentelijke structuurvisie hebben de gemeenten aangegeven, wat belangrijke aandachtspunten zijn bij de beoordeling van initiatieven van derden en het overleg daaromtrent. Bij het afwegen van initiatieven van derden die niet passen binnen de geldende bestemmingsplannen, hanteren de gemeenten de volgende procesgang: • uitgangspunt: goed luisteren naar de mensen, binnen kaders maximaal mogelijk maken; • initiatief beoordelen op haar betekenis voor de gemeente en de regio in het algemeen; • vervolgens beoordelen op de mate waarin voldaan / bijgedragen wordt aan de benoemde aandachtspunten bij de relevante thema's; • en wordt beoordeeld of de concrete invulling en ´vormgeving´ van het initiatief voldoende bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit van die locatie en van de directe omgeving; • als dit proces met succes is doorlopen en de gemeenten nemen een positief principebesluit tot medewerking, dan wordt het publiekrechtelijke traject gestart.

Dat vormt de basis voor de daadwerkelijke realisatie (zoals bijvoorbeeld het opstellen van een bestemmingsplan of een goede ruimtelijke onderbouwing).

6.2 Juridische instrumenten De juridische instrumenten vertalen het beleid in concrete rechten en plichten. Er is een onderscheid tussen publiek- en privaatrechtelijke instrumenten. Publiekrechtelijke instrumenten zijn primair de instrumenten uit de Wro (Wet ruimtelijke ordening), zoals het bestemmingsplan. Privaatrechtelijke instrumenten zijn de overeenkomsten tussen de gemeente en derden, zoals een realisatie-, of samenwerkingsovereenkomst. Publiekrechtelijke instrumenten De gemeenten willen de mogelijkheid hebben om bij nieuwe initiatieven 'nee' te kunnen zeggen, waar dat nodig is. De gemeenten kiezen er daarom voor om nieuwe ontwikkelingen die ingrijpender zijn dan een ´gewone´ uitbreiding of een bepaalde verbetering of verbreding van activiteiten (die noodzakelijk is voor een financieel gezonde bedrijfsvoering), niet meer rechtstreeks te regelen in de grotere (beheer)bestemmingsplannen voor woon- en werkgebieden en voor het buitengebied.

Hoofdstuk 6

87

Privaatrechtelijke instrumenten Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de kernen streven de gemeenten ernaar om (waar mogelijk én waar een publiek belang gediend wordt) via actieve grondpolitiek zelf realisatieverantwoordelijkheid te nemen. Het in eigendom verwerven van een locatie vormt het sterkste regie-instrument om de gewenste ontwikkeling ook daadwerkelijk te kunnen realiseren. De corporaties zijn daarbij een belangrijke partij op het gebied van woningbouw. Met hen zijn en worden afspraken gemaakt, waarin op hoofdlijnen geregeld is onder welke voorwaarden door de gemeenten medewerking zal worden verleend aan een locatie-ontwikkeling. Indien actieve grondpolitiek niet mogelijk of noodzakelijk is, zullen de gemeenten via een privaatrechtelijke overeenkomst zorgdragen dat de algemene belangen worden veiliggesteld. In die situaties voeren de gemeenten een zogenaamd participerend grondbeleid (een tussenvorm tussen actief en passief grondbeleid), waaronder bijvoorbeeld publiekprivate samenwerkingsconstructies vallen. Wanneer dit ook niet mogelijk is, dan voeren de gemeenten facilitair grondbeleid, waarbij de gemeenten via het bestemmingsplan de ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt en zo mogelijk een overeenkomst wordt gesloten. Deze vorm zal veelal voorkomen bij kleinere ontwikkelingen.

Bij grotere ontwikkelingen is dit minder wenselijk omdat er dan nauwelijks sturingsmogelijkheden zijn (vooraf) ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit. In het buitengebied zal veelal sprake zijn van individuele (her)ontwikkeling. Het is het streven van de gemeenten om hierbij met de partij(en) privaatrechtelijke overeenkomsten te sluiten, om de gewenste kwaliteiten en -wanneer dat aan de orde is- ook het noodzakelijke kostenverhaal veilig te stellen. Indien door omstandigheden een privaatrechtelijke overeenkomst niet haalbaar blijkt, maar de gemeenten de realisatie publiekrechtelijk toch mogelijk willen maken, dan verankeren de gemeenten die doelen via de publiekrechtelijke weg in een exploitatieplan dat samen met het bestemmingsplan wordt vastgesteld.

6.3 Financiële instrumenten Ontwikkelingen en investeringen Het realiseren van de gemeentelijke beleidsdoelstellingen zoals opgenomen in de structuurvisie vraagt om financiële inspanningen. Deels zullen deze samengaan met opbrengsten via de grondexploitatie (ontwikkelingsprojecten). In de huidige economische crisis is dit echter beperkt. Bij andere projecten is alleen sprake van kosten (Investeringsprojecten). De projecten kunnen noodzakelijk zijn om ontwikkelingsprojecten mogelijk te maken (zoals bijvoorbeeld de aanleg van een ontsluiting). In die situatie kan een deel van de kosten van dat investeringsproject, op basis van de Grondexploitatiewet (Grex) worden 'verhaald' op dat ontwikkelingsproject. Dat wordt kostenverhaal genoemd. Gezien de beperkte inkomsten vanuit ontwikkelingsprojecten, gecombineerd met de teruglopende middelen in het gemeentefonds in verband met de bezuinigingen, zijn de gemeenten genoodzaakt zeer zorgvuldige afwegingen te maken om al dan niet met een investeringsproject aan de slag te gaan. De prioriteit gaat uit naar het verder brengen en realiseren van reeds in gang gezette projecten en plannen. Uiteraard zijn de gemeenten hierin - binnen de financiële kaders - flexibel, bijvoorbeeld wanneer een project (langdu-

88

Hoofdstuk 6

rig) stagneert en er geen uitzicht op (door)start is of wanneer er een initiatief / kans voordoet waarvan de gemeenten het wenselijk vinden om hierop in te spelen omdat bijgedragen wordt aan de gemeentelijke doelstellingen. Voor de totale financiering van het beleid uit de intergemeentelijke structuurvisie kunnen in beginsel de volgende mogelijkheden worden ingezet: • financiering via een gemeentelijke grond- en/of gebouwenexploitatie; • financiering door het aangaan van een PPS (publiek private samenwerking); • financiering via kostenverhaal op derden die door een ontwikkeling nieuwe bouwrechten verwerven; • extra financiële bijdragen van derden op basis van een anterieure overeenkomst; • subsidies en bijdragen van andere overheden en semi-overheden; • vanuit de algemene middelen via de gemeentebegroting. Voor projecten waar publiekrechtelijke en privaatrechtelijke sturingsmogelijkheden onvoldoende zijn om de gewenste regierol te vervullen, zal getracht worden door middel van het verkrijgen van grondposities een sleutelpositie te bemachtigen. Voor de realisatie van projecten zullen de gemeenten zo optimaal mogelijk gebruik maken van de extra financiële middelen die andere overheden en semi-overheden via subsidiemogelijkheden en bijdrageregelingen beschikbaar stellen.

Waar realisatie geheel of ten dele door derden plaatsvindt, zullen de gemeenten de mogelijkheden van het wettelijk verplicht kostenverhaal maximaal inzetten. Waar mogelijk zullen ze daarbij via anterieure overeenkomsten ook extra financiële bijdragen proberen veilig te stellen (verevening) / te vragen (bijdrage RO). Naast deze vormen van financiering maken de gemeenten in de algemene middelen bijdragen vrij om een aantal door de gemeenten als noodzakelijk beschouwde ontwikkelingen ook daadwerkelijk te realiseren. Kostenverhaal De Grondexploitatiewet verplicht de gemeenten alle kosten en investeringen die de gemeenten moeten maken om planontwikkeling mogelijk te maken, te verhalen op partijen die door de planontwikkeling nieuwe bouwrechten krijgen.

Daarbij wordt onderscheid gemaakt in: • de gebiedseigen kosten (de kosten die nodig zijn om het gebied bouwrijp te maken, inclusief inrichting/inpassing en plan- en procedure kosten); • bovenwijkse voorzieningen (kosten die nodig zijn om het gebied bouwrijp te maken, inclusief inrichting en plan- en procedure kosten, maar die over meerdere plannen kunnen worden verdeeld); • bovenplanse verevening (verevenen van een negatief exploitatiesaldo van een plan door een bijdrage uit een plan met een positief planexploitatieresultaat); Daarnaast kan de gemeente bij anterieure overeenkomsten bijdragen aan ruimtelijke ontwikkelingen vragen: financiële bijdrage aan ruimtelijke ontwikkelingen elders in de gemeente die een kwalitatieve meerwaarde hebben voor het plan.

Hoofdstuk 6

89

Voor het toepassen van kostenverhaal bij ontwikkelingsprojecten hanteren de gemeenten de volgende uitgangspunten: Gebiedseigen kosten en bovenwijkse voorzieningen a) Bij planmatige gebiedsontwikkeling (nieuwe locaties en herstructurering) dienen alle functionele, technische en kwalitatieve ingrepen die noodzakelijk zijn voor een goede ruimtelijke ontwikkeling als gebiedseigen kosten in de exploitatie te worden meegenomen. Dat kan ook ingrepen betreffen die buiten de plangrens van de gebiedsontwikkeling getroffen moeten worden. Indien deze ingrepen voor meerdere planontwikkelingen van noodzakelijke betekenis zijn, zullen deze proportioneel worden verrekend als bovenwijkse voorziening. Het type kosten dat op deze wijze bij planontwikkeling moet worden meegenomen in de exploitatie is gelimiteerd in het Bro (Besluit ruimtelijke ordening). De onder a benoemde kosten kunnen door de gemeenten verplicht worden opgelegd. b) Bij solitaire locatieontwikkeling (nieuwe locatie of herontwikkeling van een bestaande locatie) dienen alle functionele, technische en kwalitatieve ingrepen die noodzakelijk zijn voor een goede ruimtelijke ontwikkeling van die locatie, waaronder parkeren, de wateropgave en een goede ruimtelijke inpassing, als gebiedseigen kosten in de exploitatie te worden meegenomen. Dat kan ook ingrepen betreffen die buiten de plangrens van de locatie getroffen moeten worden.

Indien deze ingrepen voor meerdere plan- of locatieontwikkelingen van noodzakelijke betekenis zijn, zullen deze proportioneel worden verrekend als bovenwijkse voorziening. Het type kosten dat op deze wijze bij locatieontwikkeling moet worden meegenomen in de exploitatie is gelimiteerd in het Bro (Besluit ruimtelijke ordening). De onder b benoemde kosten kunnen door de gemeenten verplicht worden opgelegd. c) Indien het bij planmatige gebiedsontwikkeling of solitaire locatieontwikkeling ruimtelijk niet mogelijk is en/of niet doelmatig is om de vereiste functionele, technische en kwalitatieve ingrepen binnen het plan of de locatie te realiseren kunnen de gemeenten deze realisatieverplichting op kosten van de initiatiefnemer overnemen en deze in een structuuroplossing meenemen. De initiatiefnemer stort de daarbij behorende financiële verplichting in een voorziening “Structuuroplossingen vereiste functionele, technische en kwalitatieve ingrepen”. De gebiedseigen bijdragen in deze voorziening zijn “gelabeld” en zullen door de gemeenten alleen besteed kunnen worden aan het realiseren van desbetreffende oplossingen. De gemeenten zullen daartoe in elk geval een “Waterfonds” instellen om de diverse relevante maatregelen ten behoeve van de waterhuishouding op gestructureerde wijze te kunnen realiseren.

Bij het inhoud geven aan dit waterfonds zal aangesloten worden bij gemeentelijke en intergemeentelijke waterplannen. De onder c benoemde kosten kunnen door de gemeenten verplicht worden opgelegd. d) Ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied maken in meer of mindere mate gebruik van de specifieke ruimtelijke kwaliteiten die het betreffende buitengebied heeft. Minimumvereiste bij ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied zijn alle aan het initiatief gerelateerde functioneel, technisch en kwalitatief noodzakelijke ingrepen die door de gemeenten, net als in het stedelijk gebied, als gebiedseigen kosten worden beschouwd. Waar onvoldoende mogelijkheden zijn voor een goede oplossingen op de planlocatie, kunnen de benodigde kwalitatieve maatregelen ook op een aan het plangebied ruimtelijk en/of functioneel gerelateerde locatie plaatsvinden. Wat betreft de waterhuishoudkundi-

90

Hoofdstuk 6

ge maatregelen zal dit ondergebracht worden onder het onder c reeds benoemde “ Waterfonds”. De onder d benoemde kosten kunnen als buitenplanse gebiedseigen kosten door de gemeenten verplicht worden opgelegd. Bijdrage Ruimtelijke ontwikkeling e) Aan ontwikkelingen in het buitengebied zal anterieur een bijdrage aan het Fonds “Landschapsinvestering Structuurverbetering Buitengebied Land van Heusden en Altena” worden gevraagd. Deze bijdrage dient om de ruimtelijke kwaliteiten van het buitengebied, die van betekenis zijn voor de betreffende functie, ook op termijn op peil te kunnen houden. Omdat het investeringen zijn die niet noodzakelijk zijn om de betreffende functie op een ruimtelijk goede manier tot ontwikkeling te laten komen, vallen ze niet onder de verplicht te verhalen kosten. Dit is ook van belang voor de toekomstwaarde van de ruimtelijke ontwikkeling. De ruimtelijke ontwikkelingen die deels ten laste kunnen worden gebracht van het Fonds “Structuurverbetering Buitengebied Land van Heusden en Altena” hebben betrekking op: • Structuurversterking van het landschapsbeeld, door investeringen in landschapsbeplantingen die ook op termijn de verschillen in de landschapskarakteristiek herkenbaar houden. Deze investeringen dragen er toe bij dat nieuwe ontwikkelingen zich beter kunnen voegen in de landschappelijke structuur, c.q.

deze structuur nieuwe ontwikkelingen beter kan dragen. • Verbeteren van de gebruikskwaliteiten van het buitengebied door de, voor de woonen recreatiefuncties in het buitengebied belangrijke cultuurhistorische en landschapskwaliteiten te versterken. Deze gebiedsgerichte investeringen verhogen de aantrekkelijkheid van de woonomgeving en de recreatieve potenties en zijn daarmee van meerwaarde voor deze functies. • Versterken van de recreatieve structuur door verbeteringen van de mogelijkheden voor recreatief medegebruik. Deze gebiedsgerichte investeringen verhogen de aantrekkelijkheid van de woonomgeving en de recreatieve potenties en zijn daarmee van meerwaarde voor deze functies. Deze bijdragen kunnen door de gemeenten alleen op basis van vrijwilligheid via een anterieure overeenkomst worden gevraagd. De gemeenten zullen jaarlijks verantwoording afleggen van de bestedingen aan en de ramingen van de kosten van deze projecten. Inzet Algemene Middelen Gemeentebegrotingen De gemeenten beschouwen de inzet van algemene middelen als sluitstuk van de financiering nadat de financiële randvoorwaarden van een project zijn geoptimaliseerd en alle andere financieringsmiddelen zijn ingezet. De financiële speelruimte van de gemeenten hebben niet de omvang dat structurele meerjarige verplichtingen met grote financiële risico's binnen de begroting kunnen worden opgevangen.

In de meerjarenbegroting geven de gemeenten aan welke financiële speelruimte zij kunnen en willen vrijmaken om gemeenschappelijk gewenste ontwikkelingen binnen de betreffende begrotingsperiode te kunnen realiseren. De bestaande begrotingssystematiek staat de gemeenten niet toe voor de langere termijn reeds reserveringen en investeringen te benoemen, zonder dat daar concrete besluiten en dekkingsmiddelen aan ten grondslag liggen.

Hoofdstuk 6

91

6.4 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Inleiding Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r.-wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 (Commissie tegen Nederland)). Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen me.r.-(beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Als gevolg van bovenstaande wijziging, moet ook bij kleinere bouwprojecten (dat wil zeggen, onder de grenzen van het Besluit m.e.r.) beschreven worden of een m.e.r.beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief gezien zwaar kunnen belasten en daarom ook bij kleine projecten beoordeeld moet worden of een m.e.r. nodig is. Om te bepalen óf een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden of: • de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r. overschrijdt; • de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en • of er belangrijke milieugevolgen zijn. Hieronder wordt deze structuurvisie hierop beoordeeld: 1. Worden de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r.

overschreden? Voor een aantal projecten uit de structuurvisie zijn reeds planologische- en/of m.e.rprocedures doorlopen. Voor deze plannen is de structuurvisie niet kaderstellend. Daarnaast is er een aantal projecten waarvoor visies worden opgesteld of onderzoek wordt verricht. Dit betreft bijvoorbeeld de te onderzoeken verkeersdruk bij toekomstige ontwikkelingen (Regionaal bedrijventerrein). Tevens zijn er ontwikkelingen die toebehoren aan hogere overheden: Rijk en provincie. Deze ontwikkelingen zijn nog in de onderzoeksfase, in de structuurvisie worden slechts wensen vanuit de gemeenten weergegeven, zoals bijvoorbeeld de wens voor het verplaatsen van het knooppunt. Voor deze projecten is de structuurvisie niet kaderstellend. 2. Ligt de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied? Als kwetsbare gebieden worden beschouwd: beschermde natuurmonumenten, Natura 2000 gebieden, watergebieden van internationale betekenis, EHS, gebieden met behoud en herstel van landschapskwaliteit, grondwaterschermingsgebieden, beschermde monumenten en Belvédère gebieden. De ontwikkelingen in de structuurvisie bevinden zich niet nabij of in een grondwaterbeschermingsgebied, Belvédèregebied en beschermde monumenten. In of nabij de gronden waarop de structuurvisie betrekking heeft bevinden zich wel natuur- en landschappelijk waardevolle gebieden.

De gemeenten hechten bijzonder aan het instandhouden van de natuurbescherming die Rijk en provincie hebben gedefiniëerd in de verschillende beleidsstukken. Daarbij gaat het onder andere om de Ecologische Hoofd-

92

Hoofdstuk 6

structuur (EHS), de Ecologische Verbindingszones (EVZ), Natura2000-gebieden en het Nationaal Park de Biesbosch dat gedeeltelijk op Werkendams grondgebied is gelegen. Wanneer het rijk of de provincie afziet van delen van deze natuurbescherming waarmee de beschermde status vervalt, dan zullen de gemeenten zich inspannen om de bescherming die ten grondslag lag aan deze status, te continueren in het gemeentelijk beleid. 3. Zijn er belangrijke milieugevolgen? Deze structuurvisie heeft nadrukkelijk een kaderstellend karakter en omvat geen ontwikkelingen of projecten waarvoor niet al eerder planologische- en/of m.e.r. procedures zijn doorlopen, dan wel een concrete m.e.r. procedure (planmer RBT) loopt. Vanwege het kaderstellende karakter van deze structuurvisie, kunnen geen uitspraken worden gedaan over de vraag of er belangrijke milieugevolgen zijn. Dat komt pas naar voren bij meer concreet te duiden nieuwe initiatieven, die alsdan getoetst zullen worden aan de in deze structuurvise gestelde kaders. En dan loopt de vraag of er belangrijke milieugevolgen zijn, altijd mee in de beoordeling. Overkoepelende conclusies en aanbevelingen Het is van belang om goed te onderbouwen of een m.e.r. beoordeling (planmer) gekoppeld aan de intergemeentelijke structuurvisie Land van Heusden en Altena nodig is. Daarvoor moeten de bovengenoemde drie vragen beantwoord kunnen worden.

Vragen 1 en 3 kunnen met nee beantwoord worden. Uit het antwoord op vraag 2 volgt dat de kwetsbare gebieden in de structuurvisie beschermd worden. Kortom, een planMER-procedure gekoppeld aan deze structuurvisie is niet noodzakelijk.

Hoofdstuk 6

93

7.

PROCES EN PROCEDURE

In december 2010 hebben de drie gemeenten in ‘Het Kontakt’, het Altenanieuws en de Staatscourant bekendgemaakt dat zij gezamenlijk een nieuwe structuurvisie voorbereiden. In de periode daarna hebben de drie gemeenten de structuurvisie inhoudelijk voorbereid. Daarbij zijn op meerdere momenten burgers en belangengroeperingen betrokken. Dit is in paragraaf 7.2 verder beschreven. De ontwerpstructuurvisie is in de afzonderlijke gemeenteraden behandeld. In Woudrichem op 3 juni 2013 opiniërend, in Werkendam op 10 juni 2013 opiniërend in de commissie Grondgebied en op 11 juni 2013 in Aalburg informerend. Vervolgens is de structuurvisie in de drie gemeenteraden gewijzigd vastgesteld op 25 juni en 2 juli 2013.

7.1 Vooroverleg Op projectgroepniveau zijn de provincie Noord-Brabant en het waterschap Rivierenland van begin af aan bij het opstellen van de nieuwe structuurvisie betrokken geweest. Dit heeft geleid tot de ontwerpstructuurvisie die in januari 2013 ter inzage heeft gelegen. Daarnaast zijn de provincie Noord-Brabant, het waterschap Rivierenland, de buurgemeenten, diverse rijksinstanties, zoals Rijkswaterstaat, en andere vooroverlegpartners in januari 2013 uitgenodigd kennis te nemen van de ontwerpstructuurvisie en daarop te reageren. Van deze mogelijkheid hebben diverse vooroverlegpartners gebruik gemaakt. Hun reacties zijn opgenomen in de nota van beantwoording.

7.2 Burgerparticipatie In december 2010 hebben de drie gemeenten in ‘Het Kontakt’, het Altenanieuws en de Staatscourant bekendgemaakt dat zij gezamenlijk een nieuwe structuurvisie voorbereiden. Op de samenwerkingspagina in ‘Het Kontakt’ van april 2011 is vervolgens aandacht besteed aan de achtergrond en het proces van de nieuwe structuurvisie. Enquête In het kader van de communicatie en burgerparticipatie is in juni 2011 huis-aan-huis in de drie gemeenten een ansichtkaart verspreid waarop nogmaals is aangegeven dat de drie gemeenten een nieuwe structuurvisie voorbereiden en zijn de inwoners van de drie gemeenten uitgenodigd een enquête in te vullen om hun visie op het Land van Heusden en Altena kenbaar te maken. Deze enquête is ook weggelegd bij de publieksbalies en de bibliotheken van de drie gemeenten. Door de lage respons is de termijn om de enquête in te vullen diverse malen verlengd, echter zonder veel succes.

Hoofdstuk 7

95

Stakeholdersbijeenkomst In november 2011 zijn bedrijven en maatschappelijke organisaties uitgenodigd voor een stakeholdersbijeenkomst. Dit leverde een druk bezochte avond op. Uitkomst van de avond was dat de gemeenten en de stakeholders behoorlijk op één lijn zaten. Ter inzage legging en inloopavond Om verder invulling te geven aan de burgerparticipatie heeft de ontwerpstructuurvisie conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht ter inzage gelegen van 1 februari 2013 tot en met 14 maart 2013 (week 5 tot en met 11). Er zijn 25 reacties ontvangen. Tijdens de terinzagelegging heeft op 7 februari 2013 in “de Buitenhoff” te Andel ook een gezamenlijke inloopavond plaats gevonden. De stakeholders die de eerdere bijeenkomst hebben bijgewoond en de raadsleden van de drie gemeenten zijn hier expliciet voor uitgenodigd. Tevens is op de samenwerkingspagina in Het Kontakt en op de reguliere gemeentepagina van het Kontakt, het Altenanieuws en de Staatscourant van 30 januari 2013 een open uitnodiging voor deze bijeenkomst geplaatst. Daarnaast hebben de drie betrokken portefeuillehouders de ontwerpstructuurvisie op 7 februari 2013 gepresenteerd aan de lokale pers. Inspreken in de raden Tot slot zijn de indieners van een inspraakreactie gewezen op de mogelijkheid om in te spreken bij de raden van de drie gemeenten. Van deze mogelijkheid is beperkt gebruik gemaakt.

De ingekomen reacties zijn verwerkt in de nota van beantwoording. Deze nota is gelijktijdig met de structuurvisie vastgesteld. De nota is als bijlage bij deze structuurvisie gevoegd. De structuurvisie is naar aanleiding van een aantal ingekomen reacties op onderdelen aangepast. Het besluit tot de gewijzigde vaststelling van de structuurvisie is gepubliceerd in het Kontakt, het Altenanieuws, de Staatscourant en de gemeentelijke internetpagina’s. Na de vaststelling wordt de structuurvisie ook op www.ruimtelijkeplannen.nl gepubliceerd.

96

Hoofdstuk 7

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10211302/1