CConstaterende datAltena
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Concept BP Genderen Zuid - toelichting bij RV Vaststelling bp Genderen Zuid

Raadsvergadering 29 oktober 2024, gemeente AltenaBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Kern Genderen - Genderen Zuid27.052 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Spoor-, rijks- en waterwegen (Bevt)

Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen. Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaarde. Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaarde.

Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat de benodigde veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Overige wet- en regelgeving Tot slot moet in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art. 3.1 Wro) ook getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPG-tankstations', enz..

Bestemmingsplan Kern Genderen: Genderen-Zuid’ – 15 september 2024

55

Gemeentelijk beleid De gemeente Altena heeft een eigen beleidsvisie Externe Veiligheid. De beleidsvisie Externe Veiligheid 2017 biedt een toetsingskader voor gemeentelijke besluiten over omgevingsvergunningen en ruimtelijke plannen in relatie tot de productie, de opslag, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Verantwoording planvoornemen Op de signaleringskaart behorende bij de beleidsvisie Externe Veiligheid 2017 is aangegeven dat in (de directe omgeving van) het plangebied (rode cirkel) geen risicobronnen aanwezig zijn.

Aanvullend is met behulp van de nationale risicokaart3 bekeken, welke risicobronnen in de nabijheid van het plangebied zijn gelegen. Hieronder is de uitsnede ter hoogte van het plangebied van de risicokaart opgenomen.

Hieruit blijkt dat:

3

www.risicokaart.nl, professionele versie.

Bestemmingsplan Kern Genderen: Genderen-Zuid’ – 15 september 2024

56

-

-

er in of in de nabijheid van het plangebied geen sprake is van risicovolle inrichtingen die van invloed kunnen zijn op de ontwikkeling. De dichtstbij gelegen risicovolle inrichting is gelegen op meer dan 1,2 kilometer van het plangebied; er in of in de nabijheid van het plangebied geen wegen zijn waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd; er in en in de omgeving van het plangebied geen relevante buisleidingen aanwezig zijn die een belemmering vormen voor de beoogde ontwikkeling.

Het plangebied is dus niet in een invloedsgebied van een risicobron gelegen, waardoor het het groepsrisico niet hoeft te worden verantwoord. Het standaardadvies van de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant zoals verwoord in hun brief van 21 december 2018 hoeft met die reden hier dan ook niet opgenomen te worden. Voor het aspect ‘Externe veiligheid’ geldt dat (dit is ook beschreven in de brief van 21 december 2018 van de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant) de gemeente iedere keer dat zij een besluit neemt waardoor een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt, het Dagelijks Bestuur van de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant in de gelegenheid stelt om te adviseren inzake de rampenbestrijding en de zelfredzaamheid. In het kader van het wettelijk vooroverleg is dit bestemmingsplan dan ook voorgelegd aan de Veiligheidsregio. De reactie van de Veiligheidsregio is verwerkt in de nota van inspraak en vooroverleg (bijlage 20 bij deze toelichting) en houdt het navolgende in: “Gezien de gegeven opmerkingen in het kader van bereikbaarheid en bluswatervoorziening adviseren wij u een situatietekening van het plangebied uit te laten werken, waarop alle aspecten ten aanzien van de bereikbaarheid en de bluswatervoorziening zijn opgenomen.

Hierop moeten onder andere wegbreedten, bochtstralen en gegevens van de wegverharding zijn vermeld, evenals de locaties van bestaande en nieuw te realiseren bluswatervoorzieningen, inclusief de capaciteit per bluswatervoorziening. Deze situatietekening en eventuele aanvullende gegevens kunt u bij ons indienen voor een beoordeling.” Er is in dit stadium beoordeeld in hoeverre er voldoende ruimte is om invulling te geven aan de vereisten die de Veiligheidsregio stelt ten aanzien van de bereikbaarheid en bluswatervoorziening. Dit is het geval. De exacte invulling wordt in het kader van de civieltechnische uitwerking van het planvoornemen uitgewerkt en ter beoordeling voorgelegd aan de Veiligheidsregio. Conclusie Externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 4.7 Natuur Beleidskader De Wet natuurbescherming is op 1 januari 2017 in werking getreden en vervangt sindsdien de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet, en de Boswet. De wet bevat regels voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten en de belangrijkste natuurgebieden in Nederland. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden.

Bestemmingsplan Kern Genderen: Genderen-Zuid’ – 15 september 2024

57

Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming bevat specifieke regels voor de aanwijzing, het beheer en de bescherming van Natura 2000-gebieden, waaronder een groot aantal gebieden die als essentieel leefgebied dienen voor vogels. Het belangrijkste rechtsgevolg van de aanwijzing als Natura 2000-gebied is dat er een vergunningplicht geldt voor alle activiteiten die mogelijk schade kunnen toebrengen aan een gebied. Voor dergelijke schadelijke activiteiten kan alleen een vergunning worden verleend als er geen alternatief is en als het gaat om een dwingende reden van groot openbaar belang. De kokkelvisserij in de Waddenzee is nu bijvoorbeeld verboden. Er kon namelijk niet worden aangetoond dat er géén schade zou ontstaan aan de natuur, en er was geen van de andere redenen aanwezig om toch een vergunning te verlenen. De wet biedt geen bescherming aan andere natuurgebieden, maar vereist wel van provincies dat zij gebieden aanwijzen voor het natuurnetwerk Nederland en verleent hen de bevoegdheid om bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen aan te wijzen. De Minister van Economische Zaken kan daarnaast op grond van de wet nationale parken aanwijzen die vooral een educatieve en communicatieve functie hebben. De voormalige beschermde natuurmonumenten zijn met bijbehorende doelen opgeheven met de inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming.

Soortbescherming De Wet natuurbescherming bevat een algemene zorgplicht voor alle in het wild levende dieren en planten. Daarnaast voorziet de wet in strikte verboden die gelden voor aangewezen beschermde inheemse diersoorten, waaronder alle van nature in Nederland voorkomende soorten vogels. Dus zowel vogels in de tuin als op de Veluwe zijn beschermd. De wet werkt volgens het 'nee-tenzij' principe ten aanzien van beschermde inheemse soorten: schadelijke handelingen zijn verboden, tenzij er een uitzondering voor is gemaakt. Het is niet toegestaan om vogels te doden, vangen, verwonden, verstoren, bezitten, verhandelen, de nesten en eieren te verstoren of te vernietigen. Uitzonderingen op deze verboden zijn onder voorwaarden mogelijk, onder andere voor veiligheid, schadebestrijding of onderzoek. De wet regelt ook de jacht in ons land. Verantwoording planvoornemen Gebiedsbescherming Binnen 10 kilometer van het plangebied liggen diverse Natura 2000 gebieden. Het gaat om Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem op 4 kilometer, Langstraat op 6 kilometer, Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen op 7 kilometer en Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek op 8 kilometer. Met de Aerius-calculator is berekend in hoeverre het project zowel voor wat betreft de realisatie- als gebruiksfase invloed heeft op alle Natura 2000 gebieden.

Uit de berekeningen en notitie van de invoergegevens die zijn bijgevoegd als bijlage bij deze toelichting (bijlage 9) blijkt dat in zowel de realisatie- als de gebruiksfase geen sprake is van depositie van stikstof op Natura 2000 gebieden. Soortenbescherming

Bestemmingsplan Kern Genderen: Genderen-Zuid’ – 15 september 2024

58

Door Buro Maerlant is voor het plangebied een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De rapportage van het onderzoek is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 5) en kent de navolgende conclusie en advies. “In het plangebied of binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden, zijn de volgende potentiële en actuele natuurwaarden aangetroffen waar rekening mee gehouden dient te worden: - Algemene broedvogels, inclusief eventueel aanwezige weidevogels (niet jaarrond beschermd). - Mogelijke aanwezigheid van de grote modderkruiper in een te verleggen kavelsloot. Vogels algemeen Doordat de kans bestaat dat broedende vogels in het plangebied aanwezig kunnen zijn, wordt aanbevolen rekening te houden met de broedperiode van vogels algemeen inclusief weidevogels. Werkzaamheden als, het verwijderen van beplantingen en grondverzet algemeen wordt bij voorkeur uitgevoerd vóór half februari en ná half augustus. Indien een ter zake deskundige heeft vastgesteld, dat geen nesten aanwezig zijn, is het ook mogelijk op een ander moment te werken. Het verstoren van broedende vogels (dat leidt tot het permanent verlaten van een nest) is conform de Wet natuurbescherming niet toegestaan. Vissen Bij het dempen van sloten is nader onderzoek benodigd naar de grote modderkruiper.” Door Datura is n.a.v. de quickscan flora en fauna een nader onderzoek naar de modderkruiper uitgevoerd.

Het onderzoek is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 22) en kent de navolgende resultaten: “Er is in de watermonsters geen eDNA van grote modderkruiper gedetecteerd.” Dit betekent dat de modderkruiper in het plangebied niet aanwezig is en nader onderzoek niet nodig is. Natuurinclusief ontwikkelen De gemeente Altena daagt Initiatiefnemers en projectontwikkelaars uit om natuurinclusief te bouwen. Hiermee wordt de gehele natuurlijke keten bedoeld. Dus niet alleen nestkastjes voor vogels maar ook schuil- en foerageermogelijkheden. Door Buro Maerlant is hiertoe in de quickscan flora en fauna (bijlage 5) het volgende geadviseerd. “In het plan is een groot oppervlak bestemd voor nieuwe natuur. De feitelijke inrichting is nog niet concreet. Natuurwaarden kan men doen laten toenemen door bijvoorbeeld het volgende uit te voeren: o Kansen te bieden voor de steenuil door de aanleg van kleinschalige elementen zoals struwelen, ruige overhoekjes, hoogstamfruit en bloemrijke weiden. o De realisatie van natuurvriendelijke oevers (plas-dras) en maaien gefaseerd uit te voeren zodat in de winter een deel van de vegetatie aanwezig blijft. o Indien noodzakelijk tijdig alternatief habitat te creëren voor de grote modderkruiper in de vorm van ondiepe vegetatie rijke sloten.”

Bestemmingsplan Kern Genderen: Genderen-Zuid’ – 15 september 2024

59

Door de initiatiefnemer van onderhavig bestemmingsplan, tevens ontwikkelaar van het plangebied, wordt natuurinclusief ontwikkelen nagestreefd. Naast het natuurinclusief bouwen (voorzieningen in woningen) is op basis van het ecologisch advies door Jos van de Lindeloof Landschapsarchitecten een landschapsplan (bijlage 19 bij deze toelichting) gemaakt voor het groen en blauw in het plangebied. Conclusie Onderhavige ontwikkeling heeft geen effect op beschermde gebieden. Ten aanzien van beschermde soorten is eveneens geen sprake van belemmeringen. Het planvoornemen is niet strijdig met de Wet natuurbescherming. 4.8 Kabels en leidingen In het plangebied is geen sprake van leidingen die via het bestemmingsplan moeten worden beschermd. Van belang is wel dat alvorens gestart wordt met de werkzaamheden een KLICmelding wordt uitgevoerd, zodat tijdig helder is in hoeverre andere kabels en leidingen aanwezig zijn en hiermee omgegaan kan worden bij de uitvoering van de ontwikkeling. 4.9 Luchtkwaliteit Beleidskader Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wet milieubeheer in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt.

Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen, zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (NIBM) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. In het besluit NIBM is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m³ NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, infrastructuur, kantoor- en woningbouwlocaties en activiteiten of handelingen) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Zo is een nieuwbouwproject met maximaal 3000 woningen (bij 2 ontsluitingswegen) per definitie NIBM. Ook indien aannemelijk gemaakt kan worden dat een gepland project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven. Verantwoording planvoornemen Onderhavige planontwikkeling voorziet in de realisatie van 63 nieuwe woningen.

Derhalve kan dit plan gezien worden als een project dat een niet in een betekenende mate bijdrage levert op het gebied van de luchtkwaliteit. Om dit te bevestigen is de NIBM-tool ingevuld met

Bestemmingsplan Kern Genderen: Genderen-Zuid’ – 15 september 2024

60

de verkeersgeneratie die met het plan gemoeid gaat. Hieronder is een afbeelding hiervan opgenomen.

Op basis van de GCN-kaarten is getoetst of ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat. Dat is het geval. Zie onderstaande uitsnede van de GCN-kaart (PM10) die aangeeft dat ter hoogte van het plangebied sprake is van gridcelwaarde 15,4 (lichtblauw, gridcelwaarde onder de 18).

Conclusie

Bestemmingsplan Kern Genderen: Genderen-Zuid’ – 15 september 2024

61

Het onderhavige plan heeft geen nadelige invloed op de luchtkwaliteit omdat het niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit, daarnaast is sprake van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat ten aanzien van luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmerende factor. 4.10 Brandveiligheid Beleidskader De gemeente Altena toetst bestemmingsplannen en andere ruimtelijke besluiten in verband met brandveiligheid aan de Brabantse beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening. De navolgende beleidsregels zijn aan de orde. Bereikbaarheid brandweer via de openbare weg Bij alle woningen dient de Brandweer de mogelijkheid te hebben om de woningen binnen een afstand van 40 meter vanaf de openbare weg te kunnen benaderen. Tevens dient overal (op straat) een blusvoertuig voor de woningen te kunnen worden opgesteld. De rijloper naar een opstelplaats of een bluswatervoorziening dient een vrije breedte van 6 meter en een breedte van 4 meter te hebben. Bluswatervoorziening De bluswaterbehoefte voor een ontwikkeling wordt op basis van de uitgangspunten zoals geformuleerd in de Brabantse beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening bepaald. Op basis hiervan is voor de woningen die in dit project worden mogelijk gemaakt scenario 10 van toepassing.

Concreet betekent dit dat een bluswatervoorziening met een capaciteit van minimaal 60 m3 per uur op een maximale afstand van 200 meter van een woning aanwezig moet zijn. Verantwoording planvoornemen + conclusie In het kader van het wettelijke vooroverleg is het plan aan de brandweer voorgelegd. Zij hebben gedetailleerd over dit onderwerp geadviseerd. In de Nota van inspraak en vooroverleg (bijlage 20) en in paragraaf 4.6 (externe veiligheid) is op deze reactie ingegaan. De hierboven genoemde punten en het advies van de brandweer worden bij de civieltechnische uitwerking van het planvoornemen meegenomen. 4.11 Water Beleidskader De gemeente Altena is niet primair verantwoordelijk voor alle watertaken, maar moet de waterbelangen wel goed beschrijven en afwegen binnen de ruimtelijke ordening. Een van de instrumenten hiervoor is de verplichte watertoets. Dit houdt in dat het bij de ontwikkeling van ruimtelijke plannen en besluiten verplicht is een beschrijving op te nemen van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. De watertoets is een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium afspraken maken over de toepassing en uitvoering van het waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid.

Het waterschap is het eerste aanspreekpunt in het watertoetsproces, waarbij het waterschap rekening houdt met het provinciale grondwaterbeleid.

Bestemmingsplan Kern Genderen: Genderen-Zuid’ – 15 september 2024

62

Volgens de Wet gemeentelijke watertaken (2008) is de gemeente verantwoordelijk voor het inzamelen en transporteren van stedelijk afvalwater en hemelwater. De gemeente mag vervolgens zelf bepalen op welke wijze het ingezamelde hemelwater wordt verwerkt. Verder heeft de gemeente de zorgplicht voor het in openbaar gemeentelijk gebied treffen van maatregelen, om structurele problemen als gevolg van een voor de gebruiksfunctie nadelige grondwaterstand in openbaar bebouwd gebied zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Het waterschap Rivierenland is verantwoordelijk voor de kwaliteit van het oppervlaktewater en het beheer van het waterpeil. Daarnaast is het waterschap verantwoordelijk voor het zuiveren van het afvalwater. Het is van belang dat de capaciteit van de rioolwaterzuiveringsinstallatie toereikend is voor de toename aan vervuilingseenheden en dat het afvalwater niet te veel verdund wordt met regenwater. Het waterschap is sinds de inwerkingtreding van de Waterwet ook verantwoordelijk voor het beheer van het grondwater. Hieronder is een overzicht gegeven van relevante nota’s aangaande de waterhuishouding, uitgesplitst naar de verschillende bestuursniveaus. Allen hebben als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief).

Europa o Kaderrichtlijn water (KRW); Nationaal o Nationaal Waterplan 2016-2021 (NW); o Nationaal Water Programma 2022-2027 o Waterbeleid voor de 21 eeuw (WB21); o Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW); o Waterwet. Provinciaal o Provinciale Structuurvisie; o Provinciale Omgevingsvisie; o Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Waterschapsbeleid o Waterbeheerprogramma 2022-2027; o Keur Waterschap Rivierenland 2014; o Legger wateren; o Legger waterkeringen. Gemeentelijk o Beleidsvisie riolering en water gemeente Altena (2017) o HIOR

Bestemmingsplan Kern Genderen: Genderen-Zuid’ – 15 september 2024

63

Belangrijke hydrologische uitgangspunten bij de invulling van het gebied zijn als volgt; o Waterneutraal bouwen; het plan mag geen nadelige gevolgen hebben voor de omgeving; o Omliggende bestaande percelen mogen geen hinder ondervinden van watergerelateerde ingrepen met betrekking tot het nieuw te ontwikkelen woningbouwinitiatief; o De toename aan verhard oppervlak moet worden gecompenseerd in de vorm van nieuwe waterberging bovenop bestaand wateroppervlak; o Bestaand wateroppervlak mag hier derhalve niet in worden meegerekend; o Voor de berging van het hemelwater hanteert de gemeente de voorkeursvolgorde open water of waterberging in het groen. Pas wanneer dit niet mogelijk is, kan gekozen worden voor ondergrondse voorzieningen zoals waterberging onder wegen; o Verhard oppervlak van kavels worden als volgt berekend: o Voor het dimensioneren van het (hemel)watersysteem en bepalen compensatieplicht bij nieuwbouwlocaties hanteert de gemeente een verhard oppervlak van 80% voor percelen tot 250 m² en 65% voor percelen tot 600 m². o Zijn de percelen groter dan 600 m2, dan gaat de gemeente uit van het werkelijke verhard oppervlak met een minimum van 400 m2 verhard oppervlak.

o Verhard oppervlak van openbare verharding dient te worden berekend op basis van ontwerptekeningen of er dient een percentage te worden gehanteerd van het bruto oppervlak van de gehele wijk; o voor iedere hectare toename verhard oppervlak dient er 436 m3 (neerslaggebeurtenis T10+10%) berging in nieuw te graven open water gerealiseerd te worden (eis gemeente Altena/WSRL). Bij compensatie in technische voorzieningen (wadi’s/ondergrondse infiltratievoorzieningen) dient er 664 m3 per hectare berging gerealiseerd te worden; o Extra kwel ten gevolge van eventuele aanleg van watergangen moet worden gecompenseerd binnen het plangebied; Verantwoording planvoornemen Hemelwater Door Royal Haskoning DHV is een waterhuishoudkundig plan opgesteld. Het waterhuishoudkundig plan is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 21). In het waterhuishoudkundig plan wordt ingegaan op de huidige situatie in het plangebied (uitgangspunten) en zijn de effecten van het planvoornemen op de waterhuishoudkundige situatie beschreven. Ingegaan wordt op het ontwerp en de onderwerpen grondwater, oppervlaktewater, primaire kering, boringsvrije zone, afvalwater, hemelwater en beheer en onderhoud. Uit het waterhuishoudkundig plan blijken de volgende conclusies: “Deze notitie geeft inzicht in hoe de waterhuishoudkundige aspecten van deze voorgenomen ontwikkeling uitgewerkt en geborgd zijn.

Concreet betekent het dat als gevolg van de ontwikkeling geen negatieve effecten op de omgeving mogen plaatsvinden. Deze waterhuishoudkundige notitie is de basis voor de waterparagraaf in de toelichting van het bestemmingsplan. Daarbij is onderscheid gemaakt in grondwater en oppervlaktewater, maar

Bestemmingsplan Kern Genderen: Genderen-Zuid’ – 15 september 2024

64

wordt daarnaast ingegaan op de effecten op de waterkering, de boringsvrije zone, afvalwater, hemelwater en beheer & onderhoud. Grondwater Ten behoeve van de geohydrologie zijn een tweetal analyses uitgevoerd met behulp van analytische berekeningen. Als gevolg van de vergravingen in het achterland is de potentiële kweltoename op het oppervlaktewatersysteem berekend. Daarnaast is de opbolling van de grondwaterstand op de percelen inclusief toekomstig verwachtte drooglegging berekend. Op basis van de opbollingsberekeningen worden geen grote problemen verwacht. Er zijn drie locaties beschouwd op de maatgevende locaties. De minimaal gevonden drooglegging van de percelen is berekend op 0,59 meter minus maaiveld. Dit is bepaalde op basis van de verwachte toekomstige maaiveldhoogte, waarbij conservatieve aannames zijn gedaan voor de eigenschappen van de ophoging van het maaiveld (laagste verwachte maaiveldhoogte). Er wordt geadviseerd kelders waterdicht aan te leggen als deze voorzien zijn in de toekomstige bebouwing. Een alternatief is het verder ophogen van het maaiveld om voldoende drooglegging voor eventuele kelders te creëren. Uit de kwelberekening volgt een potentiële toename van de berekende kwel. Er is een berekening uitgevoerd voor een T10 (10-jarige herhalingstijd) hoogwaterstand op de rivier.

De potentiële kweltoename is berekend op 51,5 m3 per dag, met een totale opgave van 343 m3. De kweltoename ten gevolge van deze vergravingen wordt gecompenseerd in de berging van het oppervlaktewatersysteem. Oppervlaktewater De waterberging in het ontwerp is qua capaciteit groot genoeg om de 1-op-1 demping en versnelde afvoer door verhard oppervlak te compenseren. De maatwerkberekening laat zien dat een T=10+10% situatie voor minder dan 30% peilstijging zorgt. De T=100+10% situatie laat geen water op maaiveld zien, en in de maatgevende T1 situatie is de opstuwing bij de nieuwe duikers en het verval in de watergangen kleiner dan de normen. Om de waterberging te vullen en vertraagd af te laten voeren, is een knijpstuw voorzien, met een gat van rond 150 mm. De bestaande A-watergang aan de oostkant wordt omgeleid om bouwblokken 56 t/m 60 heen. De huidige A-watergang ten oosten van deze bouwblokken wordt gedempt, en de gehele watergang wordt afgewaardeerd naar B-watergang. Ook deze watergang voldoet in de maatwerkberekening aan de gestelde eisen. Primaire kering In de Beschermingszone van de kering wordt niet gegraven en het ontwerp van de woonwijk is zo ingericht, dat er geen bebouwing komt binnen de Buitenbeschermingszone. Overig • Er worden geen activiteiten ondernomen die verboden zijn vanwege de aanwezigheid van een boringsvrije zone.

• Afvalwater: het te ontwerpen DWA-riool zal aangesloten worden aan het bestaande gemengde rioolstelsel aan de westzijde van het gebied. De bestaande aansluiting zal daarvoor wel dieper aangelegd moeten worden. Detaillering hiervan vindt plaats in de volgende fase van het ontwerp.

Bestemmingsplan Kern Genderen: Genderen-Zuid’ – 15 september 2024

65

•

•

•

•

Hemelwater wordt zo veel mogelijk bovenstrooms afgevoerd in de richting van de waterberging. Op locaties waar dat niet mogelijk is, wordt een HWA-riool aangelegd. Het hemelwater dat valt op het gedeelte aan de oostzijde, de nummers 56 t/m 60, watert bovengronds via de straat en een molgoot af in de richting van de centrale waterberging. Ondertussen kruist het de nieuwe B-watergang middels een technische oplossing. Detaillering hiervan vindt plaats in de volgende fase van het ontwerp. Beheer en onderhoud: daar waar een nieuwe watergang aan de openbare ruimte grenst, wordt het door de gemeente onderhouden. Bij brede watergangen is groot materieel nodig is om het maaionderhoud uit te voeren. Op die plekken is een onderhoudsstrook van 4 meter breed voorzien. Het beheer en onderhoud van smallere watergangen wordt uitgevoerd door aangrenzende perceeleigenaren. Voor B-watergangen wordt altijd een minimale onderhoudsstrook van 1 meter aangehouden. In de dwarsprofielen in is te zien dat er voldoende ruimte is om het onderhoud uit te voeren (soms vanaf privaat terrein).”

Watertoets Door de initiatiefnemer, gemeente en het waterschap is voorafgaand aan de planvorming afgestemd over de uitgangspunten die gelden voor de hemelwatervoorziening in het plangebied. Daarna is bij het opstellen van het waterhuishoudkundig plan uitvoerig met elkaar contact geweest. Het waterhuishoudkundig plan is vervolgens formeel getoetst tijdens de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan. Het waterschap heeft naar aanleiding daarvan een zienswijze ingediend. De zienswijze heeft vervolgens geleid tot aanpassingen aan het waterhuishoudkundig plan. Deze aangepaste versie maakt onderdeel uit van dit bestemmingsplan en is in de paragraaf hierboven verwerkt. Verder geldt dat het waterhuishoudkundig plan in een later stadium bij de civieltechnische uitwerking van het planvoornemen in overleg met het de gemeente en het waterschap nader moet worden uitgewerkt. Ook moet te zijner tijd een watervergunning worden aangevraagd. Afvalwater Rondom het plangebied ligt een gemengd riool. Hierop zal het plangebied worden aangesloten. Het riool ligt op dit moment echter te hoog om er direct op aan te kunnen sluiten. Aangezien het gehele stelsel richting de zuidwestzijde afwatert, is dit voor het bouwplan ook de meest logische richting. De diameter van het bestaande riool in de Weteringshof (PVC Ø315mm) voldoet hiervoor naar verwachting.

De aansluithoogte van de laatste streng is echter te hoog, namelijk +0.05m NAP. Het voorstel voor onderhavig plangebied is dan ook om deze laatste streng op te breken en dieper aan te leggen. Hierdoor kan worden aangesloten op de bestaande inspectieput, nummer 4289, met een bob van 0,94m NAP. Het DWA-riool zal bestaan uit een PVC-buis Ø315mm (afschot 1:300) of Ø300mm (afschot 1:250). De minimale dekking op het hoofdriool zal minimaal 1,10m bedragen. Het schetsontwerp voor het DWA-riool is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 12).

Bestemmingsplan Kern Genderen: Genderen-Zuid’ – 15 september 2024

66

Conclusie Het is inzichtelijk gemaakt dat de bergingseis in het kader van hemelwater binnen het plangebied kan worden opgelost en dit niet voor belemmeringen van enige aard zorgt. Het DWA-riool voor het afvoeren van afvalwater is in dit stadium nog in ontwerp en wordt te zijner tijd in overleg tussen de ontwikkelaar en de gemeente civieltechnisch verder uitgewerkt. 4.12 Verkeer en parkeren Beleidskader Bij het opstellen van bestemmingsplan is het noodzakelijk om te analyseren of de voorgenomen ontwikkeling leidt tot extra verkeersgeneratie om zo eventuele nadelige effecten op de leefbaarheid te voorkomen. Tevens dient binnen nieuwbouwontwikkelingen sprake te zijn van sluitende parkeeroplossingen. Verantwoording planvoornemen Verkeer In het plangebied worden 63 nieuwe woningen ontwikkeld. De woningen zijn grotendeels grondgebonden en bestaan uit verschillende typologien: benedenbovenwoningen, rijwoningen, tweekappers en vrijstaande woningen. De woningen generen verkeer. In het voor de ontwikkeling door Exante uitgevoerde verkeersstromenonderzoek (bijlage 3) is aangegeven om hoeveel verkeer het gaat en hoe deze generatie tot stand is gekomen: “Het aantal verkeersbewegingen is bepaald aan de hand van het aantal en soort woningen. Elke soort woning genereert een aantal verkeersbewegingen. Het CROW heeft hiervoor kengetallen uitgebracht.

In de tabel hieronder is het aantal verkeersbewegingen per werkdag opgenomen.

Veruit het grootste deel van het extra verkeer zal bestaan uit personenauto’s. Woningen trekken slechts in uitzonderlijke gevallen vrachtverkeer aan. Zoals een verhuisauto of de vuilophaaldienst. Deze maken onderdeel uit van bepaalde verkeersgeneratie.” Exante heeft onderzocht in hoeverre deze extra verkeersgeneratie afgewikkeld wordt op de omliggende straten en in hoeverre deze straten dit aan kunnen. Exante heeft geconcludeerd dat: o “verkeer van en naar Genderen-zuid verdeelt zich over de bestaande wegen in Genderen, volgens de windrichtingen van het huidige verkeer van en naar Genderen:

Bestemmingsplan Kern Genderen: Genderen-Zuid’ – 15 september 2024

67

o

o

o

o

o 56% van/naar Kelderstraat o 25% van/naar Genderensedijk o 15% van/naar Kromme Nol via Hoofdstraat (zuidoost) o 4% van/naar Tol. de volgende routes krijgen extra verkeer als gevolg van de ontwikkeling van Genderenzuid: o Kelderstraat-Hoofdstraat-Kerkstaat o Kelderstraat-Hoofdstraat-Kerkstraat-Weteringshof o Genderensedijk-Hoofdstraat- Doevereinsestraat-Hoefstraat-SusterenhofWeteringshof o Kerkstraat-Hoofdstraat (richting zuid – Kromme Nol) o Tol-Doevereinsestraat-Hoefstraat-Susterenhof-Weteringshof. vanuit (een deel van) de Weteringshof en Susterenhof zal het logischer zijn om van en naar de richting ‘Kromme Nol’ te rijden via de woningbouwontwikkeling Genderen-zuid. De nieuwe route is korter en logischer dan via de huidige route via de Kerkstraat. de verkeersveiligheid van de straten, die meer verkeer krijgen als gevolg van de ontwikkeling van Genderen-zuid, wordt niet aangetast. De huidige inrichting is voldoende verkeersveilig om het extra verkeer te verwerken. het is niet noodzakelijk, maar wel wenselijk om langs de Weteringshof (deel aansluiting Genderen-zuid) een trottoir aan te brengen. Dit is aan de zuidzijde mogelijk in de bestaande berm. Of aan de noordzijde door acht haakse parkeervakken om te zetten naar vier tot vijf langsparkeervakken.”

Parkeren De gemeente Altena heeft haar parkeernormen vastgelegd in de ‘Nota parkeernormen Altena’ en in het paraplubestemmingsplan ‘beleidsharmonisatie’. Op basis hiervan geldt voor onderhavige ontwikkeling de parkeerbehoefte zoals opgenomen in onderstaande tabel. Woningtype

Aantal

Norm

Parkeerbehoefte

Huis, vrijstaand

15

2,5

37,5

Huis, twee-onderéén-kap

8

2,5

20

Huis, tussen/hoek

30

2

60

Huis, sociale huur

10

1,5

15

Totale parkeerbehoefte 133 (132,5)

In het plangebied wordt in 127 formele parkeerplaatsen voorzien. Deze zijn als volgt geteld: -

90 parkeerplaatsen haaks of langsparkeren op openbaar terrein x 1 = 90 parkeerplaatsen; 3 lange parkeerplaatsen met/zonder garage x 1 = 3 parkeerplaatsen; 20 dubbele parkeerplaatsen met/zonder garage x 1,7 = 34 parkeerplaatsen.

Bestemmingsplan Kern Genderen: Genderen-Zuid’ – 15 september 2024

68

Gezien het plangebied een 30-km per uur gebied betreft is het ook toegestaan om op straat te parkeren. Voor de vijf resterende parkeerplaatsen kan op die manier gebruik gemaakt worden van de straat in het openbare gebied. Voor de inrichting van het parkeren in het plangebied geldt dat de inrichtingseisen van het CROW leidend zijn. In een later stadium zal het plan civieltechnisch worden uitgewerkt en krijgen deze uitgangspunten hun beslag. Conclusie Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling. Aan de gestelde parkeernorm wordt voldaan. 4.13 M.E.R. Beleidskader Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt de milieugevolgen van een plan in beeld voordat er een besluit over wordt genomen. In een milieueffectrapport worden de gevolgen voor het milieu beschreven. Zo kan de overheid die het besluit neemt de milieugevolgen bij haar afwegingen betrekken. Het doel van m.e.r. is om het milieu een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over plannen en projecten. In een m.e.r.-beoordeling kijkt het bevoegd gezag of een project mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Als dat zo is, moet een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Wanneer speelt een m.e.r.-beoordeling? In het Besluit m.e.r. staat wanneer m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling aan de orde is.

De activiteit die het project mogelijk maakt en het besluit over de activiteit zijn daarbij bepalend. In de C- en D-lijst in de Bijlage bij het Besluit m.e.r. staat of sprake is van m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht. Per categorie van activiteiten is een drempelwaarde voor de omvang van de activiteit gegeven. Boven de C-drempel geldt een m.e.r.-plicht, tussen de C- en D-drempel geldt een plan-m.e.r.plicht en onder de D-drempel geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Bij de vormvrije m.e.r.beoordeling dient onderbouwd te worden of de activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Sinds de implementatie van de gewijzigde M.e.r.-richtlijn op 16 mei 2017 is de procedure voor de vormvrije en de formele m.e.r.-beoordeling bijna gelijk. Het enige verschil is dat van het besluit bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling geen kennisgeving wordt gedaan. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit De initiatiefnemer stelt een aanmeldnotitie op, waarover het bevoegd gezag binnen zes weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit moet nemen. Het bevoegd gezag motiveert het besluit door in te gaan op de selectiecriteria van Bijlage III van de M.e.r.-richtlijn. Het gaat daarbij om de hoofdcategorieën: 1. kenmerken van het project 2. plaats van het project 3. kenmerken van het potentiële effect.

Bestemmingsplan Kern Genderen: Genderen-Zuid’ – 15 september 2024

69

Is het bevoegd gezag zelf initiatiefnemer, dan is het bevoegd gezag, anders dan een derde, niet verplicht een aanmeldnotitie op te stellen. Verantwoording planvoornemen De woningbouwontwikkeling kan gezien worden als de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject en valt onder onderdeel D 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Dit betekent dat een m.e.r.-aanmeldnotitie aan de orde is. Voor de woningbouwontwikkeling is een dergelijke notitie opgesteld (bijlage 17). De notitie kent de navolgende conclusie: de potentiele effecten van het project, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het project zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat geen belangrijk nadelige milieugevolgen worden veroorzaakt die het doorlopen van een m.e.r.-procedure dan wel een formele m.e.r.-beoordelingsprocedure noodzakelijk maken. Conclusie Door het bevoegd gezag is naar aanleiding van de m.e.r.-aanmeldnotitie besloten dat voor onderhavige woningbouwontwikkeling/ ruimtelijk besluit geen milieueffectrapportage of formele m.e.r.-beoordeling wordt vereist.

4.14 Niet-gesprongen explosieven Beleidskader De gemeente Altena heeft op 9 februari 2021 haar beleid omtrent ontplofbare oorlogsresten vastgesteld. Het doel van het beleid is: - Inzicht geven in processen en werkwijzen rondom het onderzoeken en aantreffen van ontplofbare oorlogsresten; - Inzicht geven in de beheersing van de (financiële) gevolgen voor het opsporen, benaderen en ruimen van ontplofbare oorlogsresten zowel voor gemeentelijke als niet gemeentelijke projecten. Op basis van het beleid is het bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen aan de orde dat wordt bezien of in het plangebied ontplofbare oorlogsresten aanwezig zijn. Het beleid is vertaald in het paraplubestemmingsplan Ontplofbare Oorlogsresten dat op 26 maart 2024 is vastgesteld. Verantwoording planvoornemen Middels een vooronderzoek naar ontplofbare oorlogsresten is onderzocht of niet-gesprongen explosieven op de locatie aanwezig kunnen zijn. Het onderzoek is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 13) en kent de navolgende conclusie: “Er is feitelijk materiaal aangetroffen, waaruit blijkt dat er mogelijk verschillende typen explosieven in het onderzoeksgebied zijn achtergebleven tijdens WOII. Hierdoor geldt dat het onderzoeksgebied verdacht is op de aanwezigheid van explosieven/ onontplofte oorlogsresten.”

Bestemmingsplan Kern Genderen: Genderen-Zuid’ – 15 september 2024

70

In de rapportage behorende bij het onderzoek is te lezen dat aan de hand van de resultaten van de analyse van het bronnenmateriaal en de geplande werkzaamheden om tot realisatie van het project te komen vervolgonderzoek nodig is. Het gaat om opsporingsonderzoek en diepteberekeningen. Het vervolgonderzoek, non-realtime detectie (opsporingsonderzoek en diepteberekeningen) is uitgevoerd. Het proces-verbaal van oplevering is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 16). Op basis van het non-realtime detectieonderzoek zijn delen van het plangebied vrijgegeven, hier zijn geen te ontplofbare oorlogsresten te verwachten. Op de nog niet vrijgegeven plekken in het plangebied zijn nog ontplofbare oorlogsresten aanwezig. Op de afbeelding hieronder is een en ander zichtbaar.

Voor de nog niet vrijgegeven delen van het plangebied geldt dat realtime detectie en benadering nog aan de orde is. Conclusie Het plangebied kan op basis van het uitgevoerde onderzoek nog niet in zijn geheel vrijgegeven worden voor het voorkomen van ontplofbare oorlogsresten. Hiervoor is in het plangebied eerst vervolgonderzoek (realtime detectie en benadering) nodig. Dit onderzoek zal moeten worden uitgevoerd voorafgaand aan het uitvoeren van grondroerende werkzaamheden/ de realisatie van het project. Om ervoor te zorgen dat dit wordt uitgevoerd is in het juridisch bindende gedeelte van dit bestemmingsplan (regels en verbeelding) – net

Bestemmingsplan Kern Genderen: Genderen-Zuid’ – 15 september 2024

71

zoals in het paraplubestemmingsplan Ontplofbare Oorlogsresten - een gebiedsaanduiding en begrippen hiervoor opgenomen.

4.15 Gezondheidsaspecten drift In het kader van de goede ruimtelijke ordening dient ook rekening te worden gehouden met eventuele gezondheidsaspecten in relatie tot blootstelling aan drift bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Beleidskader Wetgeving Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen wordt gereguleerd door Verordening 528/2012/EU (hierna ook: Biocidenverordening). In deze Verordening is bepaald dat alleen gewasbeschermingsmiddelen op de Europese markt mogen worden toegelaten waarvan voldoende is vastgesteld dat deze geen gevaar vormen voor de volksgezondheid. Daarbij wordt naast blootstelling via consumptie ook blootstelling bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen beoordeeld, zowel voor betreft toepassers als voor omwonenden, waaronder mensen met een bijzondere kwetsbaarheid (artikel 19 en punt 24 van bijlage VI van de Verordening). Voor wat betreft die laatste groep wordt de bescherming van zwangeren en kleine kinderen concreet benoemd (punt 3 van de considerans van de verordening). De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden betreft de uitwerking van de Biocidenverordening. Krachtens deze wet is het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) ingesteld.

Het Ctgb beoordeelt volgens internationale afspraken en de in genoemde Verordening verankerde criteria of gewasbeschermingsmiddelen en biociden – bij juist gebruik – veilig zijn voor mens, dier en milieu en of ze werkzaam zijn. Op grond van deze beoordeling besluit het college of een middel in Nederland verkocht en gebruikt mag worden. Daarbij stelt het ook duidelijke voorschriften verplicht, die minimaal op het etiket moeten staan (het zogenaamde wettelijk gebruiksvoorschrift). Het gebruiksvoorschrift schrijft niet alleen de toepassingswijze voor (professioneel en/of particulier gebruik, aantal toepassingen per jaar, toepassingsintervallen, veiligheidstermijn – d.w.z. minimale termijn tussen toepassing en oogst etc.), maar hierin is ook aangegeven voor welke doelstellingen en voor welke teelten een middel mag worden ingezet. Relevant daarbij is dat een beoordeling aan de hand van de Verordening ervan uitgaat dat een gewasbeschermingsmiddel geen gevaar voor de volksgezondheid mag opleveren, zonder dat hiervoor aanvullende maatregelen zouden moeten worden getroffen in de vorm van afscherming o.i.d., aangezien in de toelatingsprocedure een reëel, worst case gebruikspatroon dient te worden aangehouden (zie artikel 19, lid 2a van de Verordening).

Bestemmingsplan Kern Genderen: Genderen-Zuid’ – 15 september 2024

72

Bij toelating (en bij periodieke herbeoordeling) wordt een gewasbeschermingsmiddel op alle gezondheidsrisico’s beoordeeld4, ook op de lange termijn (artikel 19, lid 1 onder b ten iii van de Verordening). In ieder geval wordt getoetst op neurotoxiciteit en immunotoxiciteit (artikel 19, lid 4 onder e van de Verordening) en eventuele hormoonontregelende eigenschappen (bijlage 2 onderdeel 1, 8.9.4 van de Verordening). Verder wordt getoetst op cumulatieve en synergetische effecten (artikel 19, lid 2 onder d van de Verordening). Voorgaande betekent dat in maatschappelijk opzicht geen rekening behoeft te worden gehouden met toegelaten gewasbeschermingsmiddelen welke volgens algemeen aanvaarde toxicologische normen en op basis van beschikbare relevante en betrouwbare wetenschappelijke en technische kennis als schadelijk voor de volksgezondheid mogen worden beschouwd bij toepassing volgens het gebruiksvoorschrift. Zoals beschreven vormt de Europese Biocidenverordening het wettelijke kader voor de bescherming van de volksgezondheid. Aangezien de Biocidenverordening stelt dat blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen al vanaf de rand van een teeltperceel geen nadelen mag opleveren voor de volksgezondheid zonder extra maatregelen, is geen sprake van een afstand welke (aanvullend) aangehouden zou moeten worden tot gevoelige functies op buurpercelen.

Dit is evenmin voorgeschreven in het Omgevingsbesluit of in het van toepassing zijnde Omgevingsplan, nu de Nederlandse wetgever gekozen heeft voor hogere eisen aan driftreductie als maatregel in de zin van de artikelen 11 en 12 van richtlijn 2009/128/EU (in plaats van bijvoorbeeld extra afstand). De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn inmiddels vervangen door de Omgevingswet en het daarop gebaseerde Besluit activiteiten leefomgeving. In het onderstaande wordt kort ingegaan op zowel de oude als de geldende Nederlandse regelgeving omtrent toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Activiteitenbesluit (oud) In artikel 3.78a, lid 1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer was vastgelegd dat in ieder geval een driftreductie moet worden bereikt van 75%, bepaald volgens het Meetprotocol voor het vaststellen van de driftreductie van neerwaartse en op- en zijwaartse spuittechnieken, versie van 1 juli 2017 (artikel 3.78a, lid 2 Activiteitenbesluit milieubeheer jo. artikel 3.81 Regeling omgevingsrecht - Rarim)5. Op grond van het Activiteitenbesluit werden aanvullende beperkingen gesteld aan de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen op korte afstand van oppervlaktewater, in de

4

De Biocidenverordening is bedoeld om de menselijke gezondheid als zodanig te beschermen, niet als een regeling om bij toelating van middelen de beoordeling te beperken tot in de verordening opgenomen beoordelingscriteria, zie HvJ 24 april 2024, ECLI:EU:C:2024:356 ov. 78 e.v. 5 Door toepassing van bijvoorbeeld een tunnelspuit, een dwarsstroomspuit of axiaalspuit met schermen aan de installatie zelf of driftarme doppen. Het Activiteitenbesluit bevat op dit punt een aanvullende regeling voor wat betreft de toe te passen spuitdoppen (artikel 3.83, lid 4 Activiteitenbesluit milieubeheer).

Bestemmingsplan Kern Genderen: Genderen-Zuid’ – 15 september 2024

73

vorm van een teeltvrije zone en aanvullende driftreducerende technieken. Uitgaande van artikel 3.80 van het Activiteitenbesluit milieubeheer diende te worden uitgegaan van een teeltvrije zone van 50 centimeter tot 5 meter, afhankelijk van de teelt en de gehanteerde driftreducerende techniek. Voor handmatige spotsgewijze onkruidbestrijding met afscherming (kap) gold in principe geen teeltvrije zone. In principe was toepassing van gewasbeschermingsmiddelen bij een windsnelheid van meer dan 5 m/s niet toegelaten. Besluit activiteiten leefomgeving (geldend) In artikel 1.3 van de Omgevingswet is onder meer vastgelegd dat deze wet ten doel heeft om een gezonde fysieke leefomgeving te behouden en te bereiken. In artikel 4.723c van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is aangegeven dat ten minste een driftreducerende techniek dient te worden toegepast van 75%. In het artikel is voor verschillende teelten een referentietechniek opgenomen ten opzichte waarvan deze driftreductie dient te worden bepaald. In artikel 4.723d Bal zijn teeltvrije zones opgenomen langs watergangen welke afhankelijk van de teelt en de gebruikte driftreducerende techniek 50 cm tot 5 meter breed dienen te zijn. De artikelen 4.723f en 4.723g bevatten uitzonderingen hierop, bijvoorbeeld in de vorm van toepassing van gewasbeschermingsmiddelen met een afgeschermde dop.

In artikel 4.723e Bal is bepaald dat niet mag worden gespoten bij een windsnelheid groter dan 5 m/s, met uitzondering van teeltbedreigende situaties of bij inzet van een overkapte beddenspuit. De regeling ten aanzien van de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen is primair bedoeld ter bescherming van het waterleven. De artikelen 4.723c (driftreductie) en 4.723e (spuiten bij lage windsnelheden) zijn mede bedoeld ter bescherming van de menselijke gezondheid. Rechtspraak Aandachtszone 50 meter Uit jurisprudentie blijkt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een aandachtszone hanteert van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische percelen waar gewasbeschermingsmiddelen mogen worden gebruikt6. Indien een kortere afstand wordt aangehouden tussen een gevoelige functie en gronden waar sprake kan zijn van toepassing van gewasbeschermingsmiddelen, dan dient een planologisch wijzigingsbesluit volgens genoemde rechtspraak te voorzien in een deugdelijke motivering middels een zogenaamd ‘locatiespecifiek onderzoek’. Een reguliere aanwezigheid in de buitenlucht dient hierbij als het bepalende blootstellingsscenario te worden beschouwd. Hiervan is bijvoorbeeld sprake in de tuin bij een 6

ABRvS 30 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:855

Bestemmingsplan Kern Genderen: Genderen-Zuid’ – 15 september 2024

74

woning (verblijf op een terras, spelende kinderen etc.). Blootstelling in een gebouw is niet bepalend, omdat inpandige blootstelling via lucht en bijvoorbeeld huisstof zeer gering is ten opzichte van dermale blootstelling (blootstelling van de huid aan druppeldrift) en/of orale blootstelling (object-hand-mond bewegingen en in de mond steken van blootgestelde objecten, met name relevant voor kleine kinderen). In de onderhavige situatie is afgezien van een locatiespecifiek onderzoek nu in overleg met de betrokken agrariërs afspraken zijn gemaakt over extra voorzorgmaatregelen t.a.v. het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Standaard voor planologische besluitvorming Blijkens de uitspraak Asdonkterrein Beuningen7 accepteert de Afdeling bestuursrechtspraak de algemeen aanvaarde toxicologische normen en de beschikbare relevante en betrouwbare wetenschappelijke en technische kennis welke wordt benut in het kader van de Biocidenverordening niet voor planologische besluitvorming. In de uitspraken Lentsesteeg Rheden8, Heilig Kempke Lith9 en Slotstraat Opijnen10 is deze stellingname bevestigd. De kanttekeningen die de Afdeling plaatst hebben betrekking op wetenschappelijke onzekerheid over driftblootstelling en de effecten van die blootstelling.

Meer bepaald keurt de Afdeling de beschikbare kennis af omdat sprake is van wetenschappelijke onzekerheid over: - Druppelverspreiding; - Nalevering van emissies door uitdamping na toepassing; - Drift ten gevolge van lange boombespuitingen. - De invloed van (hoge) gebouwen; - Het driftreducerende effect van een windhaag; - Gehanteerde toxicologische normen (vanwege onzekerheid over mogelijke gezondheidseffecten van cumulatieve en geaggregeerde blootstelling aan stoffen). Verder acht de Afdeling de redenen waarom blootstelling en gezondheidsrisico’s van kinderen uit de leeftijdscategorie 1 tot 3 jaar representatief zijn voor mensen met een bijzondere kwetsbaarheid niet overtuigend. Beleid gemeente Altena De geldende milieuregelgeving beschermt de volksgezondheid via de toelatingseisen voor gewasbeschermingsmiddelen en door het stellen van beperkingen bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen (zoals driftreductie). In aanvulling hierop dient – overeenkomstig de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak – uit voorzorg in het kader van planologische besluitvorming het blootstellingsrisico aan drift te worden geminimaliseerd. 7

ARRvS 19 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3023 ARRvS 23 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3387 9 ARRvS 2 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2959 10 ARRvS 6 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4523 8

Bestemmingsplan Kern Genderen: Genderen-Zuid’ – 15 september 2024

75

Dit kan op verschillende manieren worden bereikt. Bronmaatregelen Primair kan worden gedacht aan bronmaatregelen, zoals: - beperkingen aan (de aard van de) te gebruiken gewasbeschermingsmiddelen; - beperkingen ten aanzien van spuitmethoden / spuithoogten; - en/of het gebruik van spuitapparatuur welke extra (d.w.z. bovenwettelijke) driftreductie biedt. Veelal zullen bronmaatregelen echter niet mogelijk zijn, aangezien er overeenstemming met de betrokken agrariër(s) moet zijn om dergelijke bronmaatregelen te kunnen doorvoeren. Overdrachtsmaatregelen Daarnaast kan worden gedacht aan overdrachtsmaatregelen zoals toepassing van afscherming. Dergelijke afscherming dient bij voorkeur plaats te vinden in de vorm van een haag. Eventueel kan als tijdelijke oplossing worden gedacht aan toepassing van driftwerend gaas. Maatregelen bij de ontvanger Tot slot is het in sommige gevallen mogelijk om beperkingen te stellen aan het gebruik van onbebouwde gronden ten einde het blootstellingsrisico te verminderen. Daarnaast dient er in deze context aandacht te zijn voor luchtintrek in gebouwen (zoals het aanhouden van een zo groot mogelijke afstand tussen de inlaat van een luchtbehandelingsinstallatie en een gewasperceel).

Planologisch te beschermen functies Gelet op artikel 12 lid a van richtlijn 2009/128/EU komt aan alle locaties waar uit de aard der functie menselijk verblijf voorstelbaar is bescherming toe. Hierbij wordt de mate van bescherming afhankelijk gesteld van: - de duur van menselijke aanwezigheid en - de aanwezigheid van personen met een bijzondere kwetsbaarheid. Aan de ene kant van de schaal bevinden zich kortom functies zoals woningen en speeltuinen (frequente / langdurige aanwezigheid van kwetsbare personen). Aan de andere kant van de schaal bevinden zich wegen en agrarische gronden (kortdurende aanwezigheid / aanwezigheid van niet kwetsbare personen). Voor onderhavig plangebied geldt dus dat zowel de woonbestemmingen te beschermen driftgevoelige functies zijn als de groen- en verkeersbestemming, nu in deze bestemmingen speelvoorzieningen en paden toegelaten zijn, dus voorzieningen die menselijke aanwezigheid in de buitenlucht voorstelbaar maken. Verantwoording planvoornemen (locatiespecifieke situatie en maatregelen Genderen Zuid)

Bestemmingsplan Kern Genderen: Genderen-Zuid’ – 15 september 2024

76

Gronden aan de zuidwestzijde en agrarische gronden in het plangebied zelf Aan de zuidwestzijde grenst het plangebied aan agrarische gronden welke op dit moment in gebruik zijn als grasland. In het plangebied zelf zullen ook gronden aan de zuidzijde agrarisch worden bestemd. Met de eigenaar van de gronden aan de zuidwestzijde zijn nadere afspraken gemaakt welke inhouden dat enkel gewasbescherming zal worden toegepast op basis van laagrisicostoffen binnen 50 meter tot de nieuwe driftgevoelige bestemmingen. Dit zijn stoffen in de zin van bijlage 2, onderdeel 5 van de Biocidenverordening. Concreet gaat het hierbij om stoffen die noch carcinogeen, mutageen, reprotoxisch, sensibiliserend, giftig, explosief of corrosief noch persistent, bioaccumulerend, hormoonontregelend of immunotoxisch zijn. Bedoelde afspraak is gemaakt voor alle gronden die gelegen zijn binnen 50 meter tot de nieuwe driftgevoelige bestemmingen. Verder zal deze regeling ook worden gehanteerd voor de agrarisch te bestemmen gronden in het plangebied zelf. Op onderstaande afbeelding is met een arcering aangegeven voor welke gronden dit geldt.

Het bestemmingsplan voorziet in een regeling waarmee de gemaakte afspraken ook planologisch worden vastgelegd. Dit houdt in dat de bestemmingsregeling het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen beperkt tot middelen op basis van laagrisicostoffen. Oostzijde De gronden aan de oostzijde zijn niet in gebruik voor daadwerkelijke agrarische doeleinden, maar voor hobbymatige agrarische activiteiten ten behoeve van het houden van paarden. Op deze gronden wordt geen rekening gehouden met reguliere agrarische exploitatie waarbij relevant gebruik van gewasbeschermingsmiddelen plaatsvindt (integrale gewasbehandeling met een spuitmachine). De geldende bestemming biedt immers verschillende invullingsrichtingen en op dit perceel is gekozen voor een andere invullingsrichting. Noordoostzijde, overzijde Hoofdstraat De agrarisch bestemde gronden aan de overzijde van de Hoofdstraat betreffen thans grasland. De woonpercelen aan de Kerkstraat 1, Hoofdstraat 7 en 9 bevinden zich tussen

Bestemmingsplan Kern Genderen: Genderen-Zuid’ – 15 september 2024

77

deze gronden en de woonbestemmingen in het plangebied. Deze woonpercelen kunnen al aanspraak maken op bescherming tegen blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen. De Hoofdstraat zelf zal gebruikt worden door voetgangers, welke ook beschermd worden op grond van de milieuregelgeving. Gelet hierop kan aan deze zijde worden gesproken van bestaande beperkingen, zodat onderhavig bestemmingsplan geen aanvullende beperkingen zal veroorzaken voor de agrarische exploitatie van deze gronden. De beplanting langs de Hoofdstraat, de genoemde woonpercelen en de hierop aanwezige bebouwing en vegetatie bieden daarbij ook afscherming (terreinruwheid) in de richting van het plangebied. Verder is relevant dat sprake is van de hoek van een gewasperceel, waar in de regel niet volledig geteeld zal kunnen worden aangezien er ruimte vrij moet worden gehouden voor het manoeuvreren van machines (een zogenaamde wendakker). Hierdoor is sprake van een grotere afstand tot gronden waarop gewasbescherming kan worden toegepast en van een lagere blootstelling (ten opzichte van een perceel gelegen langs de volle lengte van een grens van het plangebied). Gelet hierop wordt geen rekening gehouden met relevante gezondheidseffecten vanwege deze agrarische gronden aan de overzijde van de Hoofdstraat.

Conclusie Drift afkomstig van gewasbeschermingsmiddelen vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling.

Bestemmingsplan Kern Genderen: Genderen-Zuid’ – 15 september 2024

78

5

Toelichting op de regels 5.1 Algemeen Het bestemmingsplan bevat regels die het juridisch instrumentarium geven voor het regelen van het gebruik van de gronden en opstallen én bepalingen over de toelaatbaarheid van bebouwing. Het bestemmingsplan kan worden verbeeld op papier, en gaat vergezeld van deze toelichting. De toelichting heeft geen bindende werking en maakt juridisch geen deel uit van het bestemmingsplan. Wel heeft zij een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan. De Wet ruimtelijke ordening biedt zowel de mogelijkheid om een globaal bestemmingsplan te maken als de mogelijkheid van een gedetailleerd bestemmingsplan. In het bestemmingsplan ‘Genderen-Zuid’ is gekozen voor een globale regeling. Voor de opzet van de regels is aangesloten bij het vigerende bestemmingsplan ‘Genderen’. De regels bestaan uit vier hoofdstukken. Dit zijn de inleidende regels (artikelen 1 en 2), de bestemmingsregels (artikelen 3 tot en met 9), de algemene regels (artikelen 10 tot en met 17) en de overgangs- en slotregels (de artikelen 18 en 19). Bij de regels horen bijlagen, te weten een staat van bedrijfsactiviteiten, de woonvisie 2021-2025 en de Nota Parkeernormen Altena. In de volgende paragraaf worden de diverse artikelen uit de regels en de bijlagen toegelicht.

5.2 Regels Hoofdstuk 1: Inleidende regels Artikel 1: Begrippen In dit artikel worden de in de regels gehanteerde begrippen nader verklaard om verschillen in interpretatie te voorkomen. Artikel 2: Wijze van meten Dit artikel geeft aan op welke manier het meten van in de regels genoemde begrippen moet plaatsvinden. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels De in dit hoofdstuk geregelde bestemmingen zijn achtereenvolgens: Artikel 3: Agrarisch In deze bestemming is grondgebonden agrarische bedrijvigheid geregeld, zijn tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen toegestaan en is het hobbymatig houden van dieren toegelaten. Verder zijn wegen en paden, parkeervoorzieningen, water, groenvoorzieningen en dergelijke toegelaten. Binnen deze bestemming mogen geen gebouwen worden gebouwd. Alleen bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten, waarvoor een maximum bouwhoogte geldt.

Bestemmingsplan Kern Genderen: Genderen-Zuid’ – 15 september 2024

79

Artikel 4: Groen Gronden met deze bestemming zijn bedoeld voor groenvoorzieningen, paden, speelvoorzieningen, ontmoetingsvoorzieningen, water et cetera. Artikel 5: Verkeer Gronden met deze bestemming zijn bedoeld voor verkeersdoeleinden. Denk aan verkeer-, verblijf- en parkeervoorzieningen zoals wegen, wandel- en fietspaden. Maar ook zijn groen, water en voorzieningen voor openbaar nut toegelaten. Artikel 6: Wonen Gronden met deze bestemming zijn bedoeld voor wonen. Het gaat daarnaast om aan huis verbonden beroepen en bedrijven, tuinen, erven en verhardingen, water, groenvoorzieningen, verkeers-, verblijfs- en parkeervoorzieningen en nutsvoorzieningen. Op de gronden binnen het plangebied met deze bestemming mogen 63 woningen worden gebouwd. De regels voor het bouwen zijn in deze bestemming opgenomen. Artikel 7: Wonen – 1 Gronden met deze bestemming hebben in de vigerende situatie reeds een woonbestemming, omdat de provincie heeft verzocht om ter hoogte van deze gronden ook de herbegrenzing van het ‘zoekgebied verstedelijking’ te realiseren zijn deze gronden onderdeel van het plangebied. De regels zijn vergelijkbaar met de regels zoals die in de vigerende situatie ter plaatse gelden.

Artikel 8: Leiding – Water Deze dubbelbestemming is opgenomen om de instandhouding, het beheer, het onderhoud en de verbetering van de hier gelegen waterleiding met bijbehorende gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde te regelen. Artikel 9, 10 en 11: Waarde – Archeologie 2, 3a en 4a Deze drie dubbelbestemmingen zijn opgenomen ter bescherming van mogelijk in de bodem aanwezige archeologische waarden. In iedere dubbelbestemming zijn regels opgenomen voor het uitvoeren van bodemwerkzaamheden. Deze regels gelden bovenop de regels die in de enkelbestemmingen zijn geregeld. Artikel 12 Waterstaat – Waterkering Deze dubbelbestemming is opgenomen om de instandhouding, het beheer, het onderhoud en de verbetering van de waterkering met bijbehorende gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde te regelen. Hoofdstuk 3: Algemene regels Dit hoofdstuk geeft een aantal gebruikelijke algemene regels. Het betreft achtereenvolgens: Artikel 13: Anti-dubbeltelregel In dit artikel is geregeld dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijft.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14567923/1