CConstaterende datAltena
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Concept BP Genderen Zuid - toelichting bij RV Vaststelling bp Genderen Zuid

Raadsvergadering 29 oktober 2024, gemeente AltenaBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Kern Genderen - Genderen Zuid27.052 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Voor nieuwbouw zijn de navolgende concrete werkafspraken gemaakt: - Kwantitatief bouwen we voor de vraag op basis van actuele sub regionale marktinformatie. - Op basis van de IOV (art. 5.18) zijn de provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose (primair) richting gevend. - Kijkend naar de groei- en verstedelijkingsambities van de regio Breda, zoals geformuleerd in de RIA en het Verstedelijkingsakkoord SRBT, zetten de gemeenten in op een extra versnelling in de woningbouwproductie. - Gemeentelijke woningbouwprogramma’s gaan voor de periode tot 2030 uit van gemiddeld 130% 2 capaciteit, waarbij nadrukkelijk adaptief wordt geprogrammeerd om actief in te kunnen spelen op veranderingen en nieuwe kansen. Lokaal en/of sub regionaal onderzoek en afspraken tussen gemeente(n), marktpartijen en/of corporaties vormen de inhoudelijke basis voor te realiseren programma’s. - Nieuwbouw staat deels in het teken van een strategische toevoeging op de (tekorten of het gemis aan bepaalde woningtypen/woonmilieus in de) bestaande woonvoorraad. - In principe wordt ingezet op inbreiding en transformatie van locaties en functies om aan de (boven)lokale behoeften te kunnen voldoen. In sommige gemeenten is die ruimte beperkt of ontbreekt ze. Dan is uitleg een ruimtelijke keuze, onderbouwd aan de hand van de Ladder voor duurzame verstedelijking. Een keuze die gelet op de gedeelde meerjarige 2

Zoals in de kamerbrief van Ollongren van 6 november 2020 over voortgang versnelling woningbouw staat. Tekst: ‘In de provincies waar dat nodig is heb ik afspraken gemaakt over uitbreiding van de plancapaciteit. Als uitgangspunt hanteer ik daarbij 130% plancapaciteit tot 2030 in die gebieden met de grootste opgave. 130% is daarbij niet een doel op zich, maar een middel om een grotere zekerheid te krijgen dat de benodigde woningbouwproductie gehaald kan worden. Met meer dan 100% plancapaciteit kan vertraging van plannen en planuitval opgevangen worden.’

Bestemmingsplan Kern Genderen: Genderen-Zuid’ – 15 september 2024

30

ambitie van de RIA en het verstedelijkingsakkoord de komende jaren in verschillende gemeenten zal worden gemaakt. Hierbij gelden de navolgende praktische afspraken: - Om zicht te houden op de totale ambitie van de subregio en een gevoel te ontwikkelen over de kwaliteit van de op die locaties bedachte toevoegingen worden de woningbouwambities van de gemeenten minimaal jaarlijks in de subregio besproken. - Alle nieuwe uitleglocaties (lees: de locaties buiten het bestaand stedelijk gebied in voorontwerpfase) vanaf 75 woningen in stedelijke kernen en vanaf 25 woningen in landelijke kernen worden op bestuurlijk niveau afgestemd. - Middels een brief van de bestuurlijk voorzitter van de subregio wordt het standpunt van de bestuurders aan de betreffende gemeente medegedeeld. Deze brief wordt aan de bestemmingsplanstukken toegevoegd, waarmee e.e.a. regionaal is afgestemd conform de afspraken in het vastgestelde Regionaal Perspectief op Wonen. - Woningbouwplannen die na bovengenoemde afstemming wezenlijk wijzigen worden opnieuw ter afstemming aangeboden aan de subregio. Verantwoording planvoornemen In onderhavige situatie gaat het om een ‘uitleg’ planvoornemen. Voorafgaand aan de keuze om hier te bouwen is bezien of inbreiding/ transformatie mogelijkheden bood, echter ontbreekt die ruimte.

Het planvoornemen voldoet aan de gemeentelijke woonvisie die weer gebaseerd is op de provinciale woningbouwprognoses. Daarbij geldt dat woningen gebouwd worden voor doelgroepen waar de behoefte bestaat. Dit zijn doelgroepen die ook specifiek zijn benoemd in het Perspectief op Wonen en Woningbouw. Omdat het gaat om een uitleglocatie in een landelijke kern bestaande uit meer dan 25 woningen geldt dat het plan op bestuurlijk niveau moet worden afgestemd. Dit is gebeurd tijdens het wettelijk vooroverleg. Op 22 maart 2022 heeft de regio bevestigd in te kunnen stemmen met het planvoornemen. De bevestiging is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 23). Conclusie Het beoogde plan vindt aansluiting bij het Perspectief op Wonen en Woningbouw sub regio Breda e.o. 3.4.2 Waterbeheerprogramma Waterschap Rivierenland 2022-2027 Beleidskader Waterschap Rivierenland: Waterbeheerprogramma 2022-2027 Waterschap Rivierenland verzorgt het waterbeheer in het plangebied. Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 van Waterschap Rivierenland is bepalend voor het waterbeleid. Dit programma beschrijft het waterbeheer in het gehele beheersgebied en omvat alle watertaken van het waterschap: waterveiligheid, watersysteem (kwantiteit/kwaliteit) en waterketen.

Bestemmingsplan Kern Genderen: Genderen-Zuid’ – 15 september 2024

31

Het juridische kader voor het waterschap is de Keur: een verordening waarin geboden en verboden beschreven staan die betrekking hebben op het watersysteem en de waterkeringen. De geboden beschrijven verplichtingen om het watersysteem en de keringen te behouden, terwijl de verboden die handelingen en gedragingen betreffen die in principe onwenselijk zijn voor de constructie of de functie van watergangen en waterkeringen. Als niet voldaan wordt aan de criteria van de algemene regels, kan ontheffing worden aangevraagd, in het kader van de Waterwet. Duidelijke en vastgestelde uitgangspunten hierbij zijn geformuleerd en vastgelegd in beleidsregels en richtlijnen. Initiatieven voor (bouw)werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden hieraan getoetst. Verantwoording planvoornemen In paragraaf 4.11 komt de verantwoording van het planvoornemen aan het Waterbeheerprogramma 2022-2027 aan bod. Verwezen wordt naar die paragraaf. Conclusie Voldaan wordt aan het Waterbeheerprogramma 2022 -2027. Dit is beschreven in paragraaf 4.11 van deze toelichting. Verwezen wordt naar die paragraaf. 3.5 Gemeentelijk beleid In deze paragraaf wordt het gemeentelijke beleid dat in onderhavige situatie relevant is samengevat, het planvoornemen wordt er vervolgens aan getoetst en de conclusie wordt weergegeven.

3.5.1 Structuurvisie Land van Heusden en Altena Beleidskader De voormalige gemeenten Aalburg, Werkendam en Woudrichem hebben gezamenlijk de Structuurvisie Land van Heusden en Altena opgesteld. Deze is op 25 juni 2013 door de voormalige gemeenteraad van Aalburg vastgesteld. Met deze structuurvisie is het gewenste ruimtelijke beleid richting 2025 op hoofdlijnen vastgelegd. Een belangrijk uitgangspunt voor de opzet van de structuurvisie vormt de sturingsfilosofie die de gemeenten voor de planperiode in de ruimtelijke ordening willen hanteren. Het is om deze reden dat de gemeenten voor alle vijf beleidsvelden die in hun onderlinge samenhang in deze structuurvisie langskomen - wonen, voorzieningen, economie, omgeving en eigenheid, verkeer en mobiliteit - steeds vier vormen van gemeentelijke regie onderscheiden. Het gaat dan om ruimtelijke ontwikkelingen die de gemeenten tot hun basisverantwoordelijkheid rekenen (moeten), ontwikkelingen die hun ambities betreffen (willen), ontwikkelingen die veelal van derden afkomstig zijn maar waarbij de gemeenten zo goed mogelijk kansen willen benutten (kunnen) en tenslotte ontwikkelingen die de gemeenten willen voorkomen omdat ze kwaliteiten en waarden aantasten (voorkomen). Voor het plangebied is met name het beleidsveld ‘Economie’ van belang, uitgesplitst in het onderdeel ‘maatschappelijke voorzieningen’.

Voor het plangebied is met name het beleidsveld ‘wonen’ van belang.

Bestemmingsplan Kern Genderen: Genderen-Zuid’ – 15 september 2024

32

De gemeente wil voor dit thema op basis van de volgende uitgangspunten sturen: - Een woningvoorraad moet geschikt zijn voor alle doelgroepen (moeten); - de prioriteit ligt hier bij woningen en woonomgevingen die het Land van Heusden en Altena geschikt maken voor jonge huishoudens en bij woningen die mensen in staat stellen om ook in hun latere levensfase te kunnen blijven wonen; - inbreiding mag niet ten koste gaan van de leefbaarheid, dan is uitbreiding een beter alternatief. Specifiek zijn benoemd de uitbreidingslocaties voor Werkendam en Genderen; - de gemeente stuurt bij nieuwbouw- of verbouwprojecten aan op levensloopbestendig bouwen. - Voldoen aan de prestatieafspraken (willen); - In het kader van onderhavige ontwikkeling is dit onderdeel niet van toepassing. De ontwikkelaar is geen woningbouwcorporatie of particulier. - Woningbouwinitiatieven die bijdragen aan de woonkwaliteit (kunnen); - Hiervoor heeft de gemeente en toetsingskader voor woningbouwplannen ontwikkeld per type locatie en doelgroep. In onderhavige situatie is het toetsingskader voor woningbouwplannen in de kernen van toepassing.

De gemeenten in het Land van Heusden en Altena zullen plannen en initiatieven voor woningbouw en herstructurering / renovatie van de bestaande woningvoorraad beoordelen op de bijdrage aan de kwaliteiten van de dorpen en bij de grotere dorpen de kwaliteit van de woonbuurten waar dat bouwplan gerealiseerd gaat worden. Daarnaast worden initiatieven en plannen beoordeeld op de bijdrage aan het vergroten en versterken van de woningvoorraad voor de kwetsbare doelgroepen (bijvoorbeeld in het kader van de extramuralisering). Flexibel en levensloopbestendig bouwen is daarbij uitgangspunt, aangezien op deze wijze (op termijn) meerdere doelgroepen kunnen worden bediend.

Als criteria hanteren de gemeenten: o de bijdrage aan de gewenste diversiteit van de opbouw van de woningvoorraad in de dorpen; o de bijdrage aan de gewenste verhuisdynamiek (doorstroming, terugkeer oud-inwoners) in de dorpen; o de bijdrage aan gewenste stimulering van prioritaire doelgroepen (starters/ jonge gezinnen en eht zo lang mogelijk zelfstandig kunnen laten wonen van senioren); o de bijdrage aan de ruimtelijke karakteristiek en omgevingskwaliteit van de dorpen; o de wijze waarop rekening is gehouden met duurzaamheidsaspecten (energie, klimaat, materiaalgebruik, parkeren, waterhuishoudkundige aspecten en milieuaspecten); o de wijze waarop rekening gehouden is met (hoog)waterveiligheid; o de verhouding bebouwing en openbare ruimte (recreatie, spelen, groene ruimte). - Verlies van leefbaarheid door verval van woningen en woonomgeving (voorkomen). - De gemeente wil voorkomen dat initiatieven die sociaal-maatschappelijke kwaliteiten verstoren zoveel mogelijk voorkomen;

Bestemmingsplan Kern Genderen: Genderen-Zuid’ – 15 september 2024

33

-

De kwaliteit van woningen is de verantwoordelijkheid van de eigenaar. Hij wordt eriop aangesproken als de algehele kwaliteit van de woonomgeving achteruitgaat door zijn toedoen.

Verantwoording planvoornemen Onderhavige ontwikkeling ziet op de ontwikkeling van 63 woningen. De opgave voor Genderen is circa 83 nieuwe woningen toe te voegen aan de voorraad. Een deel van deze woningen (circa 24) kan binnen het bestaand stedelijk gebied van Genderen (bebouwde kom) landen. Het overige kan alleen via uitbreiding worden gerealiseerd. In onderhavige situatie gaat het om het gedeelte dat via uitbreiding moet worden gerealiseerd. Onderhavig plangebied is als uitbreidingslocatie aangewezen in de structuurvisie Land van Heusen en Altena. Zie de afbeelding hieronder die dit illustreert (uitsnede van kaartbeeld behorende bij de structuurvisie, rode omlijning = potentiële uitbreidingslocatie).

De ontwikkeling bestaat uit een mix van verschillende typen woningen. Het gaat om vrijstaande, twee-onder-een-kap-, rij- en benedenbovenwoningen. Zowel koop als huur. De hoeveelheid en uitvoering (wel/ niet levensloopbestendig, duur/ middelduur/ goedkoop) van ieder type zal op basis van de woonvisie en een behoeftepeiling die per fase zal worden gedaan concreet worden ingevuld. Dit gebeurt voorafgaand aan de uitwerking van de omgevingsvergunning voor een fase. De basis voor de ontwikkeling van het planvoornemen is de ondergrond en de omgeving (stedenbouwkundige aansluiting, milieuaspecten, wateraspecten, parkeren, verhouding bebouwing/ openbare ruimte et cetera). Die is geanalyseerd en op basis daarvan heeft het plan vorm gekregen. In hoofdstuk 2 (bestaande en toekomstige situatie) van deze toelichting is op het aspect stedenbouw ingegaan. Ook bijlage 1 van deze toelichting geeft inzicht in hoe met deze aspecten is omgegaan. Verder komt in hoofdstuk 4 (milieuhygiënische aspecten) van deze toelichting ook e.e.a. aan bod. Aan de hand daarvan kan geconcludeerd worden dat onderhavige ontwikkeling aansluit bij de stedenbouwkundige karakteristiek van Genderen en getuigt van een goede ruimtelijke ordening.

Bestemmingsplan Kern Genderen: Genderen-Zuid’ – 15 september 2024

34

De initiatiefnemer van onderhavige ontwikkeling is Reuvers Duurzame Ontwikkeling B.V., alle projecten die zij realiseren scoren hoog op het aspect duurzaamheid. Het gaat dan niet alleen om duurzaamheid van de woningen (materiaalgebruik, energieverbruik- en opwekking, goede schil, onderhoudsarm et cetera), maar om een ontwikkeling die voor de toekomst is gebouwd. Conclusie Voldaan wordt aan de structuurvisie Land van Heusden en Altena. 3.5.2 Structuurvisie Genderen Zuid Beleidskader De gemeente Aalburg heeft op 8 oktober 2018 de structuurvisie Genderen Zuid vastgesteld. De structuurvisie is opgesteld ter uitwerking van de structuurvisie Land van Heusden en Altena 2013 voor Genderen. De huidige structuurvisie Land van Heusden en Altena 2013 biedt hiervoor wel de basis, maar is nog te veel op hoofdlijnen. Naast woningbouwontwikkeling wil de gemeente de landschappelijke structuur rond Genderen verder versterken en de mogelijkheden onderzoeken voor het maken van ommetjes. De landschappelijke versterking biedt bovendien de mogelijkheid om een ecologische meerwaarde te bieden voor het gebied. Ook vormt water een belangrijk thema in en rond het gebied van Genderen. De structuurvisie Genderen Zuid bevat een uitgebreide analyse over de mogelijkheden om deze ‘rode’, ‘groene’ en ‘blauwe’ doelstellingen met elkaar te verenigen in een ruimtelijke visie voor de komende 10 jaar.

In de visie zijn verschillende geschikte locaties voor woningbouw in Genderen opgenomen. Onderhavige ontwikkeling is als deelgebied 4 beschreven. Zie hieronder de het kaartbeeld behorende bij de visie.

Bestemmingsplan Kern Genderen: Genderen-Zuid’ – 15 september 2024

35

Voor alle ontwikkelingen geldt dat deze in samenhang met groen (landschap) en blauw (water) worden ontwikkeld. Voor ieder gebied is hiertoe een richting gegeven. In de visie staat verder beschreven dat het niet de bedoeling is om alle plekken tegelijk tot ontwikkeling te brengen. Deelgebied 1 en 3 zijn reeds ontwikkeld. Deelgebied 4 ligt nu voor. Door deze volgordelijke wijze van ‘oppakken’, wordt uitgevoerd wat met de structuurvisie qua fasering is beoogd. Deelgebied 4 In de Structuurvisie Genderen Zuid is deelgebied 4 in de huidige situatie beschreven als “Een gefragmenteerd open weidegebied. Momenteel is het agrarisch in gebruik. Vanaf Genderen lopen diverse doodlopende weggetjes naar het plangebied. Er is geen sprake van een heldere overgang van stedelijk naar landelijk gebied. Er is geen doorsteek vanaf het dorp naar de dijk. Er liggen veel achterkanten van woonkavels richting het landschap wat zorgt voor een rommelig beeld.” Het in de Structuurvisie Genderen Zuid beschreven perspectief voor deelgebied 4 is: “De grootte van deelgebied 4 kan zorgen voor een nieuwe buurt in het zuiden van Genderen met een eigen karakter. Het beeld voor de buurt is dorps wonen waar een mix van vrijstaande, twee-onder-één-kap en aaneengebouwde woningen kunnen worden gerealiseerd. Het aantal woningen is afhankelijk van de gekozen typologie en invulling van het gebied.

Belangrijk is dat deze buurt op een heldere wijze op de bestaande verkeersstructuur ontsluit en er een langzaamverkeersverbinding van/ naar de Tol komt. Daarbij geldt dat het deelgebied landschappelijk moet worden ingepast, zodat landschapsdoelstellingen worden verwezenlijkt.” Op de afbeelding hieronder is de richting die voor deelgebied 4 in de structuurvisie is opgenomen weergegeven.

Bestemmingsplan Kern Genderen: Genderen-Zuid’ – 15 september 2024

36

Verantwoording planvoornemen Deelgebied 4 hoeft niet exact te worden uitgevoerd zoals in deze visie opgenomen. Van belang is vooral dat de uitgangspunten op een goede manier een plek krijgen in het uitgewerkte plan. Het planvoornemen voldoet hieraan: - mix aan woningen; - ontsluiting op Weteringshof en de Kerkstraat; - langzaam verkeer richting de haven; - centrale groene ruimten in het plan; - natte natuur richting de dijk; - begeleiding van wegen met groen. Conclusie Onderhavige ontwikkeling voldoet aan de structuurvisie Genderen Zuid 3.5.3 Woonvisie gemeente Altena Beleidskader Op 22 juni 2021 heeft de gemeenteraad van Altena de nieuwe gemeentelijke woonvisie vastgesteld. De woonvisie vormt een belangrijke bouwsteen voor de nog op te stellen gemeentelijke Omgevingsvisie, dient als basis voor de prestatieafspraken met corporaties en huurdersorganisaties, en maakt helder hoe de gemeente haar ambities op het gebied van wonen waar wil maken, zowel binnen de gemeente als met externe betrokkenen. De volgende thema’s vormen de kern van de woonvisie: • Meer woningen met de juiste kwaliteit: kwantiteit en kwaliteit; • Betaalbaar wonen: sociale huur, middeninkomens; • Kwaliteit bestaande voorraad op peil: verduurzaming, levensloopgeschikt;

Bestemmingsplan Kern Genderen: Genderen-Zuid’ – 15 september 2024

37

• • •

Wonen met zorg: ouderen, mensen met verstandelijke beperking, maatschappelijke opvang en psychiatrische problematiek, prettige woonomgeving; Leefbare en vitale kernen: voldoende draagkracht, vitaliteit, groene woonomgeving; Bijzondere doelgroepen: spoedzoekers, arbeidsmigranten en statushouders.

Kwantitatieve behoefte Geconstateerd is dat het aantal huishoudens in de gemeente Altena de afgelopen vijf jaar met ongeveer 1.400 is gegroeid. Hierdoor neemt de druk op de woningmarkt toe. En de verwachting is dat de vraag naar woningen de komende jaren ook blijft aanhouden. Op basis van de meest recente Provinciale prognose (2020) ligt er voor de komende vijf jaar een opgave om de woningvoorraad in de gemeente Altena met 1.220 woningen uit te breiden. Om te kunnen voorzien in de woningbehoefte én als impuls voor de leefbaarheid en vitaliteit van kernen is het van belang dat er in alle kernen van Altena kan worden gebouwd. In de woonvisie is vervolgens een indicatie voor de kwantitatieve behoefte per kern weergegeven. Deze kwantitatieve behoefte geeft een richting aan, maar is niet in beton gegoten. Juist op kernniveau spelen er soms andere factoren mee die vragen om een zekere mate van flexibiliteit in het woningbouwprogramma. Kwalitatieve behoefte Ook is een indicatief kwalitatief nieuwbouwprogramma in de Woonvisie weergegeven (prijspeil 2021), als richtsnoer voor de totale bouwproductie in de gemeente in de komende 10 jaar, zie de tabel hieronder.

Woningbouwbehoefte Genderen Voor de kern Genderen is aangegeven dat de woningbehoefte de komende vijf jaar op ongeveer 50 woningen ligt. De huidige plancapaciteit ligt op 65 woningen (incl. onderhavige ontwikkeling). Er is met name vraag naar koopwoningen, maar er is op beperkte schaal ook vraag naar sociale huur en middeldure huur, met name onder senioren die levensloopgeschikt willen wonen. In de koop richt de vraag zich in de eerste plaats op betaalbare, grondgebonden woningen voor starters, maar er is ook vraag naar ruimere koopwoningen voor gezinnen. En ook in de koopsector is vraag naar levensloopgeschikt wonen voor senioren. Hierbij zal het doorgaans wat vaker om een grondgebonden woning gaan dan om een appartement. Verantwoording planvoornemen Het indicatieve woningbouwplan dat nu voorligt sluit aan bij de behoefte zoals verwoord in de woonvisie. Er worden grondgebonden koopwoningen ontwikkeld in diverse prijsklassen

Bestemmingsplan Kern Genderen: Genderen-Zuid’ – 15 september 2024

38

en sociale huurwoningen. Een groot gedeelte van de woningen is van de categorie betaalbare koop en ook worden er enkele sociale huurwoningen ontwikkeld. Verder wordt voorzien in de vraag naar ruime koopwoningen voor gezinnen, levensloopgeschikte woningen voor senioren zowel in basis als optioneel en vrije kavels. Het plangebied wordt flexibel bestemd. Dat betekent dat het stedenbouwkundig plan niet 1 op 1 is vertaald in de regels en op de verbeelding, maar dat er ruimte is om binnen het maximum aantal woningen en de bouwvlakken verschillende typologieen met elkaar uit te wisselen. Hieraan is de woonvisie als beleidsregel gekoppeld. Op die manier kan per fase op basis van de behoefte invulling worden gegeven aan de woonvisie. Conclusie Voldaan wordt aan de woonvisie. 3.5.4 Verordening doelgroepen sociale woningbouw en middenhuur gemeente Altena Beleidskader De gemeenteraad van Altena heeft op 1 februari 2022 de Verordening doelgroepen sociale woningbouw en middenhuur gemeente Altena vastgesteld. Met deze verordening geeft de gemeente uitvoering aan het gestelde in artikel 1.1.1, eerste lid, onder d, e en j van het Besluit ruimtelijke ordening en legt zij prijsgrenzen, doelgroepen en instandhoudingstermijnen voor in bestemmingsplannen aangewezen sociale huur- en koopwoningen, en middeldure huurwoningen vast.

Verantwoording planvoornemen Het planvoornemen voorziet in de realisatie van 10 sociale huurwoningen en 14 sociale koopwoningen. Om te borgen dat deze woningen ook als zodanig worden gerealiseerd zijn in de regels van dit bestemmingsplan de begrippen sociale huurwoning en sociale koopwoning opgenomen en zijn in de bestemmingsregels onder ‘Wonen’ specifiek hiervoor bedoelde bouwregels opgenomen. Conclusie De Verordening doelgroepen sociale woningbouw en middenhuur gemeente Altena is doorvertaald in de regels van dit bestemmingsplan. 3.5.5 Beleidsvisie riolering en water Beleidskader Vooruitlopend op de fusie van de gemeenten Aalburg, Werkendam en Woudrichem (die per 1 januari 2019 tot stand is gekomen) hebben deze voormalige gemeenten in 2017 een gezamenlijke ‘Beleidsvisie riolering en water’ en ‘HIOR’ opgesteld. In de ‘Beleidsvisie riolering en water’ en het ‘HIOR’ staat beschreven wat de uitgangspunten van de gemeente zijn ten aanzien van hydrologisch neutraal bouwen (compenseren dempingen en toename verhard oppervlak), maar ook de visie op een gezonde, klimaatbestendige, participerende en betaalbare leefomgeving.

Bestemmingsplan Kern Genderen: Genderen-Zuid’ – 15 september 2024

39

De ‘Beleidsvisie riolering en water’ vormt de basis voor het nog op te stellen rioleringsprogramma. De beleidsvisie en het rioleringsprogramma samen vervangen het traditionele en wettelijke planinstrument Gemeentelijk RioleringsPlan (GRP). Verantwoording planvoornemen + conclusie In de waterparagraaf (paragraaf 4.11) is dit onderdeel nader uitgewerkt. 3.5.6 Archeologie en cultuurhistorie Beleidskader Sinds de invoering van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) op 1 september 2007, en nu via de Erfgoedwet, ligt de verantwoordelijkheid ten aanzien van de archeologische erfgoedzorg grotendeels bij de gemeentelijke overheden. Het gemeentelijk beleid ten aanzien van archeologische monumentenzorg is vastgelegd in de “Nota Archeologie Tot op de bodem. Update 2018”en het bestemmingsplan “Paraplubestemmingsplan archeologie”. Verantwoording planvoornemen + conclusie In paragraaf 4.3 wordt het aspect archeologie en cultuurhistorie nader toegelicht. 3.5.7 Nota Ruimtelijke kwaliteit Beleidskader Op 12 maart 2021 is door de gemeenteraad van Altena de Nota Ruimtelijke Kwaliteit vastgesteld. Deze nota vervangt het welstandsbeleid van de drie voormalige gemeenten. Daarmee zijn de regels rondom welstand vernieuwd en ontstaat ook een eenduidig welstandsbeleid. De gemeente Altena heeft ervoor gekozen om de welstandregels zoveel mogelijk los te laten.

Alleen voor het beschermd stadsgezicht Vesting Woudrichem en voor monumenten blijven welstandsregels gelden. Bij grotere ontwikkelingen en ontwikkelingen in waardevolle gebieden, zoals de Nieuwe Hollandse Waterlinie, kan wel een beeldkwaliteitsplan worden gevraagd. Maar dit is niet verplicht. Voor de hele gemeente is wel een excessenregeling opgenomen zodat zaken achteraf onderworpen kunnen worden aan een beoordeling wanneer er een ernstige mate van negatieve invloed op de omgeving afstraalt. Verantwoording planvoornemen + conclusie Het plangebied ligt ten zuiden van de kern Genderen, waarbinnen geen monumenten aanwezig zijn. Daarmee is het gebied ‘welstandsvrij’. Desalniettemin worden in overleg met de ontwikkelende partijen wel uitgangspunten met betrekking tot het aspect beeldkwaliteit opgesteld. Deze uitgangspunten worden echter niet formeel vastgelegd en vastgesteld in een beeldkwaliteitsplan. Daarmee krijgt het aspect beeldkwaliteit voor dit project geen juridische status bij de toetsing van bouwplannen, maar dient het vooral als inspiratiebron en leidraad bij de uitwerking van de (bouw)plannen. 3.5.8 Parkeerbeleid en Nota Parkeernormen Altena Beleidskader

Bestemmingsplan Kern Genderen: Genderen-Zuid’ – 15 september 2024

40

Het parkeerbeleid in de gemeente Altena is verwoord in de beleidsnota ‘Parkeerbeleid gemeente Altena’ dat op 15 december 2020 door de gemeenteraad is vastgesteld. In deze nota wordt aan de hand van een beschrijving van de huidige situatie alsook trends en ontwikkelingen op het gebied van parkeren, een visie gegeven op verschillende parkeerbeleidsthema’s. Een van de thema’s die een belangrijke rol speelt zijn de parkeernormen. Als onderdeel van het parkeerbeleid heeft de gemeente in dit kader ook de ‘Nota Parkeernormen Altena’ vastgesteld (eveneens 15 december 2020). De Nota parkeernormen geeft duidelijkheid bij het bepalen van de parkeerbehoefte bij nieuwe ontwikkelingen. Hoewel de Nota Parkeernormen Altena als bijlage bij het parkeerbeleid is opgenomen, heeft deze nota wel een zelfstandige status. In de Nota Parkeernormen Altena is voor de functie / hoofdgroep ‘wonen’ aangegeven welke parkeernorm geldt en hoe op basis van deze norm de gemeentelijke parkeereis bij nieuwe ontwikkelingen moet worden berekend. Doordat de ‘Nota Parkeernormen Altena’ onderdeel is van het ‘Paraplubestemmingsplan beleidsharmonisatie’ dat voor de hele gemeente is vastgesteld, zijn de parkeernormen die hierin zijn opgenomen voor iedereen met een bouwplan rechtstreeks werkend geworden.

Verantwoording planvoornemen + conclusie In paragraaf 4.12 wordt de parkeersituatie in het plangebied in relatie tot de parkeernormen verwoord.

Bestemmingsplan Kern Genderen: Genderen-Zuid’ – 15 september 2024

41

4

Milieuhygiënische aspecten 4.1 Algemeen Bij ruimtelijke ingrepen is het van belang dat sprake is van een verantwoord woon- en leefklimaat. Om die reden moet in een bestemmingsplan aannemelijk worden gemaakt dat aan de milieuwetgeving kan worden voldaan. Het milieubeleid bestaat uit diverse wet- en regelgeving, waarvan een deel ruimtelijk relevant is. Deze milieunormen hebben een indirecte (zonering) en directe (sectorale wetgeving die opgenomen wordt in het bestemmingsplan, zoals de Wet Geluidshinder, Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen) werking. In dit hoofdstuk wordt hier nader op ingegaan. 4.2 Akoestiek Beleidskader De Wet geluidhinder geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan, indien het plan een geluidsgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. De Wet geluidhinder bevat geluidsnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidsniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. Indien een nieuwe geluidsbron mogelijk wordt gemaakt dient volgens de Wet geluidhinder in beeld gebracht te worden of en welke gevolgen dit heeft voor eventuele naastgelegen geluidsgevoelige objecten.

Verantwoording planvoornemen Wegverkeerslawaai In het plangebied worden nieuwe woningen ontwikkeld. Woningen zijn geluidgevoelige objecten. De nieuwe woningen zijn gelegen binnen een geluidszone van twee geluidsgezoneerde wegen: de Tol en de Hoofdstraat. Verder is in de omgeving van onderhavig plan sprake van 30 km/ uur-wegen. De geluidgezoneerde wegen moeten in het kader van de Wet geluidhinder worden onderzocht, de 30-km/uur wegen zijn relevant in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Met die redenen is door Nipa milieutechniek een geluidonderzoek uitgevoerd om de geluidsbelasting van omliggende wegen op de nieuwe woningen in het plangebied inzichtelijk te maken. In het onderzoek is ook het geluidseffect van het planvoornemen op bestaande woningen meegenomen (indirecte effecten). Het onderzoek is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 2) en kent de navolgende conclusie. “De locatie ondervindt een mogelijk relevante geluidbelasting van de niet in het kader van de Wet geluidhinder gezoneerde 30 kilometerwegen; Hoofdstraat en Kerkstraat en van de in het kader van de Wet geluidhinder gezoneerde 60 kilometer per uur wegen Tol en Hoofdstraat. Nieuwe woningen Uit de berekeningsresultaten blijkt op de gevels van de nieuwe woningen een geluidbelasting van wegverkeerslawaai van ten hoogste 54 dB.

Ervan uitgaand dat er wordt voldaan aan de minimale eis volgens het Bouwbesluit voor de geluidwering van 20 dB mag de (gecumuleerde)

Bestemmingsplan Kern Genderen: Genderen-Zuid’ – 15 september 2024

42

geluidbelasting niet hoger zijn dan 53 dB om aan de richtwaarde van het binnengeluidniveau van 33 dB te voldoen. Bij de berekende (ongecorrigeerde) geluidbelasting van ten hoogste 54 dB is een geluidwering van minimaal (54-33=)21 dB vereist. Bij nieuwe woningen is het aannemelijk dat, vanwege de eisen voor energieprestatie, de geluidwering van gevels zonder verdere akoestische voorzieningen voldoet aan 21 dB. Het woon- en leefklimaat is in de geluidgevoelige ruimten van de nieuwe woning daarom zonder nader onderzoek gewaarborgd. Indirecte hinder (bestaande woningen) Uit de berekeningsresultaten volgt bij een aantal bestaande woningen een toename van de geluidbelasting die groter is dan 1,5 dB maar ook blijkt dat in geen van de rekenpunten de geluidbelasting hoger is dan 53 dB. In beginsel is het woon- en leefklimaat uitgaande van een standaardgeluidwering van 20 dB (conform Bouwbesluit) gewaarborgd in zowel de bestaande als toekomstige situatie. Voor de woningen die zijn gebouwd vóór het Bouwbesluit (1992), en de geluidwering van 20 dB niet vanzelfsprekend aanwezig is, wordt geadviseerd in overleg tussen bewoners en planontwikkelaar een nader onderzoek naar de geluidwering van desbetreffende gevels uit te voeren en zo nodig een aanbieding voor extra gevelmaatregelen te doen.

Een voorbeeld van dergelijke maatregelen is het dempen van ventilatie (suskast), het verbeteren van kieren, of het aanbrengen van verzwaarde beglazing. Buitenruimten De hoogste geluidbelasting ter plaatse van de buitenruimte van de maatgevende nieuwe en bestaande woningen bedraagt na de planrealisatie 51 dB. Conform de classificatie milieukwaliteit volgens de milieukwaliteitmaat van de methode ‘Miedema’ is dit ‘redelijk’ (5055 dB). In betekenis is dit gelijk aan ‘aanvaardbaar’. Maatregelen zijn niet aan de orde. Wel wordt geadviseerd om in één enkele situatie, omdat de geluidbelasting van de buitenruimte daar significant toeneemt ten opzichte van de vigerende situatie binnen de stedenbouwkundige aanvaarbaarheid maatregelen te treffen door een geluidscherm te plaatsen waarmee de geluidstoename wordt verminderd.” Uit de rekenresultaten van het geluidonderzoek blijkt dat de geluidnormen die gelden voor de nieuwe en bestaande woningen niet worden overschreden. Maatregelen zijn daarom niet nodig. Voor één buitenruimte zijn maatregelen wel aan de orde. Hieronder volgt een nadere motivering ten aanzien van deze conclusie voor de bestaande woningen en buitenruimte.

Ter plaatse van de woningen die in de aanwezige situatie al een geluidsbelasting vanwege het wegverkeer ondervinden, zal de geluidsbelasting vanwege de aanvullende verkeersgeneratie tot maximaal 3 dB toenemen tot een geluidsbelasting van ten hoogste 53 dB. Ter plaatse van de woningen die thans nog geen relevante geluidsbelasting vanwege het wegverkeer op de aanwezige wegen ondervinden (het geval indien in de huidige situatie nog geen sprake is van een geluidbelasting van 48dB of hoger), gaat de geluidsbelasting met maximaal 12 dB toenemen tot een geluidsbelasting van ten hoogste 52 dB. Deze situatie is aan de orde bij de volgende woningen: •

Weteringshof 12 t.p.v. de voorgevel (+8 dB, schatting geen rekenpunt in geluidsrapport)

Bestemmingsplan Kern Genderen: Genderen-Zuid’ – 15 september 2024

43

• • •

Weteringshof 14 t.p.v. de voorgevel (+12 dB) Weteringshof 16 t.p.v. de zijgevel (+10 dB) Kerkstraat 1 t.p.v. de zijgevel (+8 dB)

Bij de woningen aan de Weteringshof 12 en 14 en Kerkstraat 1 is ter plaatse van de toenemende geluidsbelasting geen buitenruimte aanwezig die als buitenverblijfsruimte is ingericht. Aan de zijde van de zijgevel van de woning aan de Weteringshof 16 is wel sprake van een buitenverblijfsruimte (tuin). Om te kunnen beoordelen of geluidsbelastingen Lden t/m 53 dB als gevolg van het wegverkeer op de omliggende 30 km/uur-wegen vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening als goed woon- en leefklimaat getypeerd kan worden, geldt op basis van de voormalige Wet geluidhinder de voorkeursgrenswaarde, alsmede bij het sinds 1 januari 2024 in werking getreden Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) van de Omgevingswet. Onder de Wet geluidhinder was als gevolg van wegverkeer sprake van een goed woon- en leefklimaat als aan de voorkeursgrenswaarde werd voldaan. De voorkeursgrenswaarde werd gedefinieerd in artikel 82 lid 1 en bedroeg 48 dB inclusief aftrek ex artikel 110g van 5 dB. Geluidsbelastingen tot en met een Lden van 48 + 5 = 53 dB voldoen dus aan de voorkeursgrenswaarden. Onder de Omgevingswet is als gevolg van wegverkeer sprake van een goed woon- en leefklimaat (wordt thans ‘evenwichtige toedeling van functies aan locatie’ genoemd) als aan de Standaardwaarde uit het Bkl wordt voldaan.

Deze Standaardwaarde bedraagt 53 dB en komt derhalve overeen met de voormalige voorkeursgrenswaarde van de Wet geluidhinder. Hoewel onder de voormalige Wet geluidhinder de voorkeursgrenswaarde niet op 30 km/uur van toepassing was en onder de Omgevingswet de Standaardwaarde voor 30 km/uur-wegen pas geldt als het aantal motorvoertuigen meer van 1.000 mtv/etmaal bedraagt, menen wij dat de 53 dB Lden vanuit het oogpunt goede ruimtelijke ordening het beste beoordelingsmaat voor een goed woon- en leefklimaat is. Het borgen van een binnenniveau van ten hoogste 33 dB geldt voor woningen welke zijn gebouwd onder de Wet geluidhinder (vanaf 1 maart 1986). Voor woningen van voor deze datum geldt een zogenoemde saneringsgrens van 43 dB. Pas bij overschrijding van deze saneringsgrens kan sprake zijn van maatregelen die de geluidsbelasting moeten reduceren tot aan een geluidsbelasting van 38 dB. Omgekeerd betekent dit voor woningen van voor 1 maart 1986, uitgaande van een zeer slecht geluidgeïsoleerde gevel van bijvoorbeeld 15 dB, dat bij een geluidsbelasting van 43 + 15 = 58 dB tot onderzoek naar mogelijke maatregelen moet worden overgegaan. Voor woningen vanaf 1 maart 1986 geldt de eis dat deze over een minimale geluidswering van 20 dB moeten beschikken, wat dus impliceert dat vanaf een geluidsbelasting van 33 + 20 = 53 dB tot onderzoek naar mogelijke maatregelen moet worden overgegaan.

Bestemmingsplan Kern Genderen: Genderen-Zuid’ – 15 september 2024

44

Kortom, zolang de voorkeursgrenswaarde van 53 dB niet wordt overschreden is sprake van een aanvaardbaar binnengeluidniveau en is onderzoek naar geluid reducerende maatregelen niet nodig. Nu uit het uitgevoerde geluidonderzoek blijkt dat de betrokken bestaande woningen geen geluidsbelasting hoger dan 53 dB ondervinden, zal geen onderzoek naar geluid reducerende maatregelen worden uitgevoerd. Voor buitenverblijfsruimtes geldt een andere beoordeling. Hier draait het om feit of er sprake is van verstoring van het gebruik als buitenverblijfsruimte. Daarbij dient opgemerkt te worden dat een geluidsbelasting tot aan de voorkeursgrenswaarde ook hier nog als acceptabel wordt gekwalificeerd, maar als gevolg van de geluidstoename kan er wel sprake zijn van afname van het gebruiksgenot. Om deze laatste reden worden in het geluidsrapport in de tuin van Weteringshof 16, welke als buitenverblijfsruimte wordt gebruikt, geluid reducerende maatregelen besproken. In het geluidsrapport is ter plaatse van de tuin van Weteringshof 16 een rekenpunt opgenomen waarop een geluidstoename van 16 dB is berekend. Er wordt voorgesteld om langs de zuidelijke erfgrens een geluidsscherm met een hoogte van 2 meter te plaatsen waarmee de geluidsbelasting met 59dB wordt gereduceerd tot een geluidsbelasting van 41 dB. Naar ons oordeel behaalt het besproken geluidsscherm een voldoende acceptabele geluidsreductie.

Het omgevingsplan van rechtswege dat hier geldt laat de realisatie van een dergelijk scherm zowel binnen de bestemming ‘Verkeer’ als ‘Wonen’ toe, waardoor hiervoor geen herziening van de regels of kaart nodig is. UIt bovenstaande blijkt dat door de geluidstoename als gevolg van de te verwachten verkeersgeneratie van de 63 nieuw te bouwen woningen die via dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening geen onaanvaardbare situatie zal ontstaan, maar sprake zal is van een goed woon- en leefklimaat. Industrielawaai In de omgeving van het plangebied is een niet agrarisch bedrijf in de milieucategorieen 1 en 2 aan Hoofdstraat 5a toegestaan, een glastuinbouwbedrijf aan Voompad 26 en een akkerbouwbedrijf aan Tol 1. Hieronder is per functie/ bedrijf aangegeven wat op basis van de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering de in acht te nemen richtafstand is voor het aspect geluid tussen bedrijvigheid en gevels van gevoelige objecten zoals woningen en ook zijn de feitelijke afstand tussen de bedrijven en het plangebied weergegeven. Bedrijf/ functie Bedrijvigheid in milieucategorie 1 of 2 (Hoofdstraat 5a) Glastuinbouwbedrijf (Voompad 26) – sbicode 011, 012, 013 Akkerbouwbedrijf (Tol 1) – sbi-code 011, 012, 013

Richtafstand geluid 30 meter

Feitelijke afstand 48 meter

30 meter

135 meter

30 meter

185 meter

Bestemmingsplan Kern Genderen: Genderen-Zuid’ – 15 september 2024

45

Aan alle richtafstanden wordt voldaan. Industrielawaai vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. Rail- of luchtverkeerlawaai Spoorwegen hebben een door de Minister vastgestelde geluidszone. De woningen liggen niet in een geluidszone van spoorwegen, waardoor er vanuit spoorweglawaai geen beperkingen zijn. Voor wat betreft luchtverkeerslawaai geldt dat ter hoogte van het plangebied geen sprake is van een in acht te nemen Ke-contour. Conclusie Akoestiek vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en omliggende functies worden niet beperkt.

4.3 Archeologie en cultuurhistorie 4.3.1 Archeologie Beleidskader Het verdrag van Malta regelt de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Nederland heeft dit verdrag in 1992 ondertekend en in 1998 geratificeerd. Het Verdrag van Malta (ook wel Verdrag van Valletta genoemd) was geïmplementeerd in de Monumentenwet, tot deze wet op 1 juli 2016 vervangen werd door de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals die in de oude wetten en regelingen golden blijven gehandhaafd. Een belangrijk doel is de bescherming van het archeologische materiaal in de bodem (in situ), omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Het is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologisch waarden. Dit was in de voorgaande periode reeds een gebruikelijke praktijk. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die naar verwachting in 2022 in werking zal treden.

Verantwoording planvoornemen Volgens het bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan archeologie’ (vastgesteld 27-092022) gelden in het plangebied drie verschillende dubbelbestemmingen ter bescherming van eventueel in de bodem aanwezige archeologische waarden. Het gaat om de navolgende dubbelbestemmingen: - Waarde – Archeologie 2; - Waarde – Archeologie 3a; - Waarde – Arcehologie 4a. Ter plaatse van deze dubbelbestemmingen geldt dat zonder archeologisch onderzoek respectievelijk niet meer dan 100 m2, 250 m2 of 500 m2 dieper dan 0,3 m mag worden geroerd. Deze dubbelbestemmingen zijn gebaseerd op de meest recente beleidskaart archeologie van de gemeente Altena uit 2018. Hieronder is een uitsnede van die kaart ter

Bestemmingsplan Kern Genderen: Genderen-Zuid’ – 15 september 2024

46

hoogte van de beoogde nieuwbouw en het aansluitende groen en water in het plangebied opgenomen.

De ondergrenzen waarbij archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden zijn in de tabel hieronder opgenomen.

Bestemmingsplan Kern Genderen: Genderen-Zuid’ – 15 september 2024

47

Gezien de omvang van de nieuwbouwplannen en het aansluitende groen en water is er hoe dan ook archeologisch onderzoek nodig. Door KSP Archeologie is met die reden een verkennend bureau- en booronderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 4) en kent de navolgende samenvatting. “Het doel van het archeologische bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Op basis van de landschappelijke ligging op een beddinggordel van de Dussen stroomgordel heeft het noorden van het plangebied een hoge verwachting op archeologische resten uit de periode Bronstijd t/m Volle Middeleeuwen. Resten worden nabij het maaiveld verwacht tot 1 à 2 m-mv. In het zuidoosten van het plangebied geldt een middelhoge verwachting voor archeologische resten, met name uit de periode Bronstijd tot en met Romeinse tijd. Hier wordt een bedekking met komklei verwacht, maar kunnen tot enkele meters diepte oeverafzettingen van de Dussen stroomgordel niet uitgesloten worden. Door de ligging buiten de historische kern op kaarten uit de 19e eeuw is de kans klein dat er een huisplaats uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd in het plangebied aanwezig is. Vervolgens is deze verwachting getoetst door middel van een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase. Hiermee is de bodemopbouw nader in kaart gebracht.

In het noorden en westen zijn de verwachtte oever op beddingafzettingen van de Dussen stroomgordel vanaf het maaiveld aangetroffen met in de top de huidige bouwvoor. De hoge verwachting voor resten uit de Bronstijd t/m Volle Middeleeuwen is hier bevestigd. In het zuiden en oosten is er sprake van een dik pakket aan komklei-afzettingen waar een lage archeologische verwachting aan gegeven kan worden. In de overgangszone is er sprake van een dun pakket aan komklei op de oeverafzettingen. Hier kan de middelhoge archeologische verwachting

Bestemmingsplan Kern Genderen: Genderen-Zuid’ – 15 september 2024

48

echter bijgesteld worden, omdat er geen humeuze top aanwezig is in deze bedekte oeverafzettingen. In het noorden en westen wordt vervolgonderzoek aanbevolen bij graafwerkzaamheden dieper dan 30 cm-mv, omdat hier de aangetroffen bodemopbouw de hoge archeologische verwachting bevestigt. In het zuiden en oosten adviseert KSP Archeologie geen vervolgonderzoek, omdat hier de bodemopbouw duidt op een zone met een lage archeologische verwachting. In het hoofdstuk selectieadvies van het onderzoeksrapport is een uitgebreider advies opgesteld, aangezien in sommige zones ook sprake is van een verdenking op ontplofbare oorlogsresten. Bovenstaand advies vormt een zogenaamd selectieadvies. KSP Archeologie wijst erop dat dit selectieadvies nog niet betekent dat reeds bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. De resultaten van dit onderzoek zullen namelijk eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Altena), die vervolgens een selectiebesluit neemt.” De regioarcheoloog heeft het archeologisch onderzoek beoordeeld en conform het selectieadvies van KSP een advies selectiebesluit voor de gemeente Altena opgesteld. Het advies selectiebesluit is bijgevoegd bij de toelichting van dit bestemmingsplan (bijlage 6) en de gemeente Altena heeft conform het advies besloten.

Gelet op bovenstaande is voor onderhavige locatie deels aanvullend archeologisch onderzoek noodzakelijk. Het aanvullende onderzoek is echter nog niet uitgevoerd, met die reden is voor de gronden waarvoor nog een archeologische verwachting geldt in dit bestemmingsplan een dubbelbestemming in het kader van de bescherming van eventueel aanwezige archeologische waarden opgenomen. Op basis hiervan zal, wanneer men grondwerkzaamheden uit wil voeren, voorafgaand daaraan het aanvullend archeologisch onderzoek uit moeten zijn gevoerd en akkoord bevonden. Voor de gronden waar geen aanvullend archeologisch onderzoek is geadviseerd en welke via het selectiebesluit zijn vrijgegeven geldt dat het niet volledig uit is te sluiten dat toch nog archeologische resten voorkomen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 van de Erfgoedwet. Conclusie Archeologie moet nog nader worden onderzocht, gezien het feit dat archeologische vondsten ex situ kunnen worden bewaard vormt dit geen belemmering voor de ontwikkeling.

4.3.2 Cultuurhistorie en monumenten Beleidskader Wettelijk toetsingskader Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het Bestemmingsplan Kern Genderen: Genderen-Zuid’ – 15 september 2024

49

voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald.

In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet. Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. Beleid gemeente Altena De voormalige gemeenten Werkendam en Aalburg hebben samen een Cultuurhistoriekaart gemaakt (Deelrapport I van de Erfgoedkaart voor de gemeenten Aalburg en Werkendam, RAAP-rapport 2190, kaartbijlage 2).

Voor Genderen is deze kaart vertaald in het bestemmingsplan “Dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen”. Hieraan moet in de motivering van ruimtelijke besluiten zoals onderhavige toelichting worden getoetst. Verantwoording planvoornemen Uit raadpleging van de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart blijkt dat het gebied in de regio ‘Land van Heusden en Altena’ ligt. In het plangebied is geen sprake van aangewezen monumenten dan wel behoudenswaardige lijnen, punten of vlakken. Zie de afbeelding

Bestemmingsplan Kern Genderen: Genderen-Zuid’ – 15 september 2024

50

hieronder welke een uitsnede van de Cultuurhistorische Waardenkaart ter hoogte van het plangebied betreft.

Uit raadpleging van het bestemmingsplan “Dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen” blijkt dat ter hoogte van het plangebied geen sprake is van cultuurhistorische waarden. Door de ontwikkeling is het dan ook niet aannemelijk dat cultuurhistorische waarden worden aangetast. In dit bestemmingsplan zijn – doordat deze in de vigerende situatie ook niet aan de orde zijn - geen dubbelbestemming of gebiedsaanduiding opgenomen ter bescherming van cultuurhistorische waarden. In en nabij het plangebied zijn geen beschermde rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten aanwezig. Evenmin zijn er andere gekwalificeerde karakteristieke panden aanwezig. Conclusie Gezien bovenstaande constateringen wordt op het gebied van cultuurhistorie derhalve geen belemmering verwacht voor de beoogde planontwikkeling.

4.4 Bedrijven en milieuzonering Beleidskader Voor de milieuzonering van bedrijven in ruimtelijke plannen geldt in het algemeen geen wettelijk kader. Wel is het in het kader van een goede ruimtelijke ordening van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies, zoals woningen: • ter plaatse van de woning(en) een goed woon- en leefmilieu wordt gegarandeerd; • rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

Bestemmingsplan Kern Genderen: Genderen-Zuid’ – 15 september 2024

51

Verantwoording planvoornemen Het betreft hier de ontwikkeling van 63 nieuwe woningen: gevoelige objecten. In de omgeving van het plangebied zijn drie functies gelegen die een belemmering kunnen vormen voor onderhavige ontwikkeling of andersom waar de ontwikkeling een belemmering voor zou kunnen zijn. Het gaat om nabijgelegen bedrijvigheid in de vorm van een bedrijfsbestemming waar bedrijven in de milieucategorieen 1 en 2 zijn toegelaten, een glastuinbouwbedrijf en akkerbouwbedrijf. Aan Hoofdstraat 5a is de bedrijvigheid in milieucategorie 2 (maximaal toegelaten) gelegen. Dergelijke bedrijvigheid kent een richtafstand van 30 meter voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. Deze richtafstand moet tussen de dichtstbij gelegen gevel van het gevoelige object en de bedrijfsbestemming in acht kunnen worden genomen. De feitelijke afstand tussen de bedrijfsbestemming en de dichtstbij geprojecteerde gevel in onderhavig plangebied is circa 48 meter. De richtafstand wordt gehaald. Aan Voompad 26 is het glastuinbouwbedrijf gelegen. Een glastuinbouwbedrijf met kassen met gasverwarming heeft sbi-code 011, 012, 013 en kent de navolgende richtafstanden voor geur: 10 meter, stof 10 meter, geluid 30 meter en gevaar 10 meter. De feitelijke afstand tussen de bedrijfsbestemming (bouwvlak) en de dichtstbij geprojecteerde gevel in onderhavig plangebied is circa 135 meter.

De richtafstanden worden gehaald. Aan Tol 1 is een akkerbouwbedrijf gelegen. Een akkerbouwbedrijf heeft de sbi-code 011, 012 en 013 en kent de navolgende richtafstanden voor geur: 10 meter, stof 10 meter, geluid 30 meter en gevaar 10 meter. De feitelijke afstand tussen de bedrijfsbestemming (bouwvlak) en de dichtstbij geprojecteerde gevel in onderhavig plangebied is circa 185 meter. De richtafstanden worden gehaald. Conclusie Samenvattend blijkt dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omliggende functies en bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. Nader onderzoek kan achterwege blijven.

4.5 Bodem Beleidskader Vastgelegd is dat in bestemmingsplannen moet worden beschreven wat de bodemkwaliteit van het betreffende gebied is. Voor het betrekken van bodeminformatie bij het opstellen van bestemmingsplannen zijn enkele vragen relevant: - is er bodemverontreiniging die de functiedoelen kan frustreren; - zijn er gezondheids- of ecologische risico's en gebruiksbeperkingen voor de beoogde functies; - wat zijn de mogelijkheden om er tijdig iets aan te doen in termen van resultaten, kosten en kostendragers.

Bestemmingsplan Kern Genderen: Genderen-Zuid’ – 15 september 2024

52

Verantwoording planvoornemen Door Verhoeven milieutechniek is ter hoogte van het plangebied verkennend bodemonderzoek en nader onderzoek naar asbest in de bodem uitgevoerd. De rapportages zijn als bijlage 7 en 8 bij deze toelichting gevoegd. De conclusies van het verkennend bodemonderzoek zijn als volgt. “Met de uitgevoerde onderzoeken is, ons inziens, de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de diverse percelen achter de Kerkstraat te Genderen, vooralsnog, in onvoldoende mate onderzocht voor wat betreft de ernstige verontreinigingen met asbest in de grond.” “Voorafgaand aan de herontwikkeling dient een nader onderzoek naar asbest te worden uitgevoerd ter plaatse van boring B01B op deellocatie 1 en ter plaatse van de proefgaten B31 en PB34 op deellocatie 2. De nadere onderzoeken dienen te worden onderzocht middels proefsleuven, om de ernstige verontreinigingen met asbest af te perken. De aangetroffen asbestverontreiniging op deellocatie 1 wordt momenteel gerelateerd aan de gedempte sloot met puin. De aangetroffen asbestverontreiniging op deellocatie 2 wordt momenteel gerelateerd aan de voormalige paardenbak met uitloopbaantje. Op basis van de resultaten van het nader onderzoek wordt bepaald of en in welke mate sanerende maatregelen noodzakelijk zijn.

Daarnaast dient rekening te worden gehouden met het aangetroffen asbesthoudend materiaal op het maaiveld, die conform de richtlijnen door een daartoe gecertificeerde onderaannemer dienen te worden verwijderd middels handpicking.” Gezien de resultaten van het verkennend bodemonderzoek is een nader onderzoek naar asbest in de bodem uitgevoerd. De conclusies van dat onderzoek zijn als volgt. “Ter plaatse van de proefsleuven SL01 t/m SL06 is zowel zintuiglijk (fractie > 20 mm) als analytisch (fractie < 20 mm) geen asbest aangetroffen (< 2 mg/kg d.s.). Naar verwachting is het eerder aangetroffen asbest toe te schrijven aan zwerfasbest. Middels de boring B01B is dit reeds ‘gesaneerd’ met voorgaand onderzoek. Aangezien geen asbest meer is aangetoond kan worden geconcludeerd dat hier inderdaad sprake was van zwerfasbest en dat er derhalve geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest. Met de uitgevoerde voorgaande en voorliggende (bodem)onderzoeken is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van kadastraal perceel D 796 gelegen aan de Kerkstraat te Genderen, ons inziens, in voldoende mate onderzocht. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt bestaan, ons inziens, geen bezwaren tegen de voorgenomen onroerend goed transactie en herontwikkeling.” Het bevoegd gezag bepaalt of het onderzoek volstaat en/of aanvullend onderzoek noodzakelijk is.

Het bevoegd gezag heeft het uitgevoerde verkennende bodemonderzoek beoordeeld, hieruit volgt de navolgende advisering:

Bestemmingsplan Kern Genderen: Genderen-Zuid’ – 15 september 2024

53

“Op basis van de milieuhygienische bodemkwaliteit is er voor perceel sectie D nummer 796 geen bezwaar voor de voorgenomen ontwikkeling. Rapport is volledig en onderzoek voldoet op hoofdlijnen aan de gestelde kwaliteitseisen.” “Er geldt nog bezwaar tegen de voorgenomen ontwikkeling op het perceel D nummer 2275 waar boringen B31 en B34 zijn genomen. Dit omdat er asbest in de bodem is aangetroffen boven de interventiewaarde >I, 901,1 mg/kg.ds (B34) en 75,5 mg/kg.ds >T (B31). Een nader onderzoek dient de ernst van de verontreiniging te bepalen. Nader onderzoek geldt voor B01B. Daarnaast dient door middel van handpicking het asbestmateriaal op het maaiveld verwijderd te worden. Rapport is volledig en onderzoek voldoet op hoofdlijnen aan de gestelde kwaliteitseisen.” Gezien de resultaten van het nader onderzoek naar asbest in de bodem heeft een sanering plaatsgevonden. Het evaluatierapport van de sanering, het proces-verbaal en de eindbrief van het ministerie van I&W zijn bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 10). Hieruit blijkt dat er is gesaneerd tot onder de wettelijke norm zoals is gesteld in het Besluit asbestwegen en de overtreding hiermee is beeindigd. De gemeente Altena heeft op basis van de sanering en rapportering ervan beoordeeld dat de milieuhygienische bodemkwaliteit geen bezwaar voor de voorgenomen ontwikkeling vormt.

Conclusie De bodem in het plangebied is geschikt voor het planvoornemen. 4.6 Externe Veiligheid Beleidskader Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); - Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: Het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico: Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans op een bepaalde plaats, om te overlijden ten

Bestemmingsplan Kern Genderen: Genderen-Zuid’ – 15 september 2024

54

gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente).

Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Wanneer verantwoorden? Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14567923/1