CConstaterende datAltena
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage c. RV Vaststelling bestemmingsplan Kern Sleeuwijk Eikenlaan ong - Toelichting

Raadsvergadering 8 maart 2022, gemeente AltenaBij agendapunt: Bestemmingsplan Kern Sleeuwijk Eikenlaan 7 Sleeuwijk19.063 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

4

Beoordeling evaluatieverslag Besluit uniforme saneringen (BUS) voor de locatie Eikenlaan naast 5 te Sleeuwijk (gemeente Altena), NB195900985 (zaaknummer 20110025)

Gemeente Altena BP Kern Sleeuwijk: Eikenlaan (ong.) mRO b.v. / TOE / 84.27 – v3 / september 2021

27

NL.IMRO.1959.SleBP055KSeiklnong-ON01 Ontwerp

5.4

BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING

Beleid en regelgeving Om tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijven op milieuhygiënische aspecten te komen wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. De milieuzonering zorgt voor voldoende afstand tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) in ruimtelijke plannen. Hiertoe zijn bedrijven voorzien van een zone waar mogelijke nadelige effecten zijn voor woningen. Maatgevend zijn de thema’s geur, geluid, stof en gevaar. Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is het voorkomen van voorzienbare hinder door milieubelastende activiteiten van belang. Daarnaast mogen bedrijven niet worden beperkt in hun mogelijkheden. Om mogelijke hinder van bedrijven voor bewoners te voorkomen wordt de daarvoor algemeen aanvaarde VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) gebruikt. In deze uitgave is de potentiële milieubelasting voor een hele reeks van bedrijven bepaald aan de hand van een aantal milieuaspecten, zoals geur, stof, geluid en gevaar. De milieubelasting is voor die aspecten vertaald in richtlijnen voor aan te houden afstanden tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Deze richtafstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. Bovendien zijn deze afstanden alleen van toepassing op nieuwe situaties en niet op bestaande situaties.

Het milieuaspect met de grootste afstand is maatgevend en bepaalt in welke milieucategorie een bedrijfstype wordt ingedeeld. Milieuzonering in relatie tot het plangebied Invloed omgeving op plangebied Het bestemmingsplan voorziet in de realisatie van een nieuwe vrijstaande woning. Een woning is aan te merken als een milieugevoelige functie. In de directe omgeving van het plangebied zijn echter geen bedrijven gesitueerd die een belemmering kunnen vormen voor de bouw van de nieuwe woning. Bedrijven zullen ook niet worden beperkt in hun bedrijfsvoering door de komst van de nieuwe woning. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat ten noorden van het plangebied, op het perceel Eikenlaan 9-11, eveneens een nieuw bestemmingsplan in voorbereiding is. Op dit perceel wordt een nieuwbouwplan ontwikkeld, waar de realisatie van zorgwoningen is voorzien. Omdat zorgwoningen niet zijn aan te merken als een milieubelastende functie, en dus geen milieuzonering kennen waarmee rekening gehouden hoeft te worden, levert dit ook geen problemen op in relatie tot de beoogde woningbouwontwikkeling binnen het plangebied. Invloed plangebied op omgeving In de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ worden woningen niet aangemerkt als een milieubelastende functie. De nieuwe vrijstaande woning kent dus geen milieuzonering waarmee rekening gehouden dient te worden.

Derhalve zijn er geen belemmeringen voor het bestemmingsplan vanuit het aspect milieuzonering. Conclusie Er zijn geen belemmeringen voor het plan vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering.

Gemeente Altena BP Kern Sleeuwijk: Eikenlaan (ong.) mRO b.v. / TOE / 84.27 – v3 / september 2021

28

NL.IMRO.1959.SleBP055KSeiklnong-ON01 Ontwerp

5.5

WATER

Waterbeleid De gemeente Altena is niet primair verantwoordelijk voor alle watertaken, maar moet de waterbelangen wel goed beschrijven en afwegen binnen de ruimtelijke ordening. Een van de instrumenten hiervoor is de verplichte watertoets. De watertoets houdt in dat het Waterschap beoordeelt of de waterbelangen voldoende zijn afgewogen. De voor de gemeente en waterschap van belang zijnde wateraspecten zijn hieronder beschreven. Volgens de Wet gemeentelijke watertaken (2008) is de gemeente verantwoordelijk voor het inzamelen en transporteren van stedelijk afvalwater en hemelwater. De gemeente mag vervolgens zelf bepalen op welke wijze het ingezamelde hemelwater wordt verwerkt. Verder heeft de gemeente de zorgplicht voor het in openbaar gemeentelijk gebied treffen van maatregelen, om structurele problemen als gevolg van een voor de gebruiksfunctie nadelige grondwaterstand in openbaar bebouwd gebied zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken, voor zover doelmatig is en niet de verantwoordelijkheid is van het waterschap of de provincie. Het waterschap Rivierenland is verantwoordelijk voor de kwaliteit van het oppervlaktewater en beheer van het waterpeil. Daarnaast is het waterschap verantwoordelijk voor het zuiveren van het afvalwater.

Het is van belang dat de capaciteit van de rioolwaterzuiveringsinstallatie toereikend is voor de toename aan vervuilingseenheden en dat het afvalwater niet te veel verdund wordt met regenwater. Het waterschap is sinds de inwerkingtreding van de Waterwet (eind 2009) ook verantwoordelijk voor het beheer van het grondwater. Het is sinds 2003 verplicht om bij ruimtelijke plannen en besluiten een beschrijving op te nemen van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. De watertoets is een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium afspraken maken over de toepassing en uitvoering van het waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid. Het waterschap is het eerste aanspreekpunt in het watertoetsproces, waarbij het waterschap rekening houdt met het provinciale grondwaterbeleid. Hieronder is een overzicht gegeven van relevante nota’s aangaande de waterhuishouding, uitgesplitst naar de verschillende bestuursniveaus. Allen hebben als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Europa • Kaderrichtlijn water (KRW). Nationaal • Nationaal Waterplan 2016-2021 (NW); • Waterbeleid voor de 21 eeuw (WB21); • Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW); • Waterwet. Provinciaal • Provinciaal milieu- en waterplan 2016-2021 • Interim Omgevingsverordening. Waterschapsbeleid

Gemeente Altena BP Kern Sleeuwijk: Eikenlaan (ong.) mRO b.v. / TOE / 84.27 – v3 / september 2021

29

NL.IMRO.1959.SleBP055KSeiklnong-ON01 Ontwerp

• • • •

Waterbeheerprogramma 2016-2021 Keur Waterschap Rivierenland 2014. Legger wateren; Legger waterkeringen.

Gemeentelijk • Beleidsvisie riolering en water gemeente Altena (2018) Belangrijke hydrologische uitgangspunten bij de invulling van het gebied zijn als volgt; • Waterneutraal bouwen; het plan mag geen nadelige gevolgen hebben voor de omgeving; • De toename aan verhard oppervlak moet worden gecompenseerd in de vorm van nieuwe waterberging bovenop bestaand wateroppervlak. Bestaand wateroppervlak mag hier derhalve niet in worden meegerekend; • Voor de berging van het hemelwater hanteert de gemeente de voorkeursvolgorde open water of waterberging in het groen. Pas wanneer dit niet mogelijk is, kan gekozen worden voor ondergrondse voorzieningen zoals waterberging onder wegen; • Verhard oppervlak van kavels worden als volgt berekend: o Voor het dimensioneren van het (hemel)watersysteem en bepalen compensatieplicht bij nieuwbouwlocaties hanteert de gemeente een verhard oppervlak van 80% voor percelen tot 250 m² en 65% voor percelen tot 600 m². o Zijn de percelen groter dan 600 m2, dan gaat de gemeente uit van het werkelijke verhard oppervlak met een minimum van 400 m 2 verhard oppervlak.

• Verhard oppervlak van openbare verharding dient te worden berekend op basis van ontwerptekeningen of er dient een percentage te worden gehanteerd van het bruto oppervlak van de gehele wijk; • De hoeveelheid aan te leggen water dient te worden berekend op basis van 30 cm peilstijging bij een bui van eens per 10 jaar (plus 10% vanwege klimaatontwikkeling) en/of een peilstijging tot maaiveld bij een bui van eens per 100 jaar (plus 10%). Hierbij is 10% de minimumeis van het waterschap. • Rioolstelsels in uitbreidingswijken worden uitgevoerd als gescheiden rioolstelsel. Regenwater en afvalwater dienen gescheiden te worden aangeleverd bij de erfgrens; • Nieuwe rioolstelsels worden berekend op minimaal een bui 09 (eens in de vijf jaar). Voor beheersing op maaiveldniveau moet een doorkijk gemaakt worden met een bui van 75 mm in 60 minuten. Met deze doorkijk wordt gestreefd naar het voorkomen van schade en het beperken van overlast bij extreme buien. Relatie met het plangebied Huidig watersysteem Bestaande verharding Het plangebied is momenteel geheel onverhard en bestaat voornamelijk uit weide en wilgenbomen. Bodem Blijkens het uitgevoerde bodemonderzoek (zie paragraaf 5.3) bestaat de bodemopbouw vanaf het maaiveld tot de maximaal verkende boordiepte van 2,7 m-mv voornamelijk uit klei. In de ondergrond is plaatselijk ook een zand en/of

Gemeente Altena BP Kern Sleeuwijk: Eikenlaan (ong.) mRO b.v. / TOE / 84.27 – v3 / september 2021

30

NL.IMRO.1959.SleBP055KSeiklnong-ON01 Ontwerp

veenlaag aangetroffen. Grondwater De Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) wordt blijkens de Bodemkaart van Nederland tussen 0,25 en 0,40 m-mv verwacht. De Gemiddelde Laagste Grondwaterstand (GLG) wordt op meer dan 0,80 m-mv verwacht. Het plangebied is niet gelegen in een waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. Oppervlaktewater In ongeveer het midden van het plangebied is een watergang aanwezig. Het betreft een kleine sloot van ongeveer 20 meter lang en maximaal 1 meter breed. Deze sloot is in de legger wateren van het waterschap Rivierenland niet aangemerkt als A-, B-, of C- watergang. Bovendien sluit deze sloot niet aan op een van de andere watergangen in de omgeving. In figuur 13 is dit in beeld gebracht.

Figuur 13 – Uitsnede legger wateren voor het plangebied en omgeving (bron: waterschap Rivierenland)

Riolering In het plangebied zelf is geen bestaand rioleringssysteem aanwezig. Toekomstig watersysteem Keuze watersysteem en watercompensatie In het voorliggende plan wordt binnen het plangebied één nieuwe vrijstaande woning beoogde op een nieuw te realiseren woonkavel van ca. 1.300 m2 groot. Hiervoor is binnen de woonbestemming een bouwvlak (12 x 20 m) opgenomen waarbinnen de nieuw te bouwen woning gebouwd dient te worden. Dit bouwvlak mag ten behoeve van het hoofdgebouw voor maximaal 60% worden bebouwd, wat betekent dat de oppervlakte van de woning maximaal 144 m2 groot mag zijn. Ook is nog maximaal 150 m2 aan bijgebouwen toegestaan. Deze mogen binnen en/of buiten het bouwvlak gebouwd worden. In hoeverre de gronden nog op een andere

Gemeente Altena BP Kern Sleeuwijk: Eikenlaan (ong.) mRO b.v. / TOE / 84.27 – v3 / september 2021

31

NL.IMRO.1959.SleBP055KSeiklnong-ON01 Ontwerp

wijze worden verhard is momenteel niet bekend. Op basis van het gemeentelijke uitgangspunt voor woonpercelen van dergelijke omvang, wordt vooreerst uitgegaan van een verhard oppervlak van 400 m2. Voor plannen met een toename aan verharding tot 5 ha, hanteert het waterschap de vuistregel van 436 m3 waterberging per ha verharding. Dit betekent dat moet worden voorzien in circa 17,5 m³ waterberging (0,040*436). Deze benodigde waterberging is reeds aangelegd. Parallel aan het bomenlaantje ten zuiden van de wijk de Nieuwe Es is tussen de Eikenlaan en de Transvaal immers een nieuwe watergang gegraven. Deze watergang is gekoppeld met de Bijtelskil en staat daardoor in verbinding met het watersysteem waarop de verharding van dit bestemmingsplan afwatert. Met de watergang langs het bomenlaantje is 140 m³ extra waterberging gecreëerd binnen het betreffende peilgebied. Van deze 140 m³ was 7 m³ nodig als compensatie voor de aan te leggen verharding van het bomenlaantje. Daarmee resteert nog een overcompensatie van 133 m³ waterberging.

De gemeente Altena heeft met het Waterschap Rivierenland destijds afgesproken dat deze overcompensatie mag worden ingezet voor de ontwikkelingen in het plangebied en voor toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen op de gronden ten zuiden van Eikenlaan 9-11, het perceel dat voorheen werd gebruikt voor de paarden- en ponyclub en dus betrekking heeft op het voorliggende bestemmingsplangebied5. Er is geen extra compensatie voor het onderhavige bestemmingsplan nodig. Riolering Het vuile huishoudelijk afvalwater vanuit de nieuw te bouwen woning zal worden afgevoerd via een nieuw aan te leggen gescheiden rioolstelsel, welke aansluit op het gemeentelijk rioleringssysteem in de directe omgeving. De exacte vormgeving van de riolering is een uitvoeringskwestie. Dit wordt nader bepaald bij de technische uitwerking van het bouwplan. Via het gemeentelijk rioleringssysteem zal het afvalwater worden afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Hemelwaterafvoer Voor het hemelwater wordt de voorkeursvolgorde vasthouden – bergen - afvoeren gehanteerd. Het hemelwater dat op het dak van de nieuwe bebouwing neerkomt, zal apart worden ingezameld en dient gescheiden te blijven van het vuile huishoudelijke afvalwater. Dit geldt ook voor het hemelwater dat neerkomt op de terreinverharding, zoals parkeerplaatsen. Infiltratie van hemelwater lijkt binnen het plangebied echter niet goed mogelijk is.

Dit omdat de GHG hoger is dan 0,7 m – mv. Daarnaast is de bodemsamenstelling niet geschikt voor infiltratie, omdat deze uit klei en veen bestaat. Bij de nadere uitwerking van het plan zal gekeken worden naar de wijze waarop hiermee omgegaan moet worden. Wateroverlast en verdroging Vanwege de afvoer van het hemelwater naar de watergangen, wordt wateroverlast voorkomen. Vanwege de hoge GHG is verdroging in het gebied niet aan de orde. Om vochtproblemen in de toekomstige bebouwing te voorkomen, vanwege de hoge grondwaterstand, kan het maaiveld van het perceel enigszins opgehoogd worden. Hierbij moet wel gelet worden op de omliggende percelen. Bij de nadere civieltechnische uitwerking van het plan zal bepaald worden, welke oplossing

5

Zie ook de brief van het Waterschap Rivierenland, ‘Verzoek inzetten overcompensatie bestaande watergang voor bouwplan Sovak aan de Eikenlaan te Sleeuwijk’, d.d. 15 mei 2019, welke als bijlage bij de toelichting is opgenomen.

Gemeente Altena BP Kern Sleeuwijk: Eikenlaan (ong.) mRO b.v. / TOE / 84.27 – v3 / september 2021

32

NL.IMRO.1959.SleBP055KSeiklnong-ON01 Ontwerp

gekozen wordt om mogelijke vochtproblemen te voorkomen. Waterkwaliteit Omdat het hemelwater dat neerkomt op de nieuwe bebouwing direct wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater, is het belangrijk de waterkwaliteit te bewaken. Daartoe dient het gebruik van uitloogbare materialen bij het bouwen zoveel mogelijk te worden vermeden. Watertoets en vervolgtraject Het voorontwerpbestemmingsplan zal in het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 uit het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) worden toegestuurd aan het waterschap Rivierenland. Het resultaat hiervan zal in het voorliggende bestemmingsplan worden verwerkt. Conclusie Vanuit het aspect water zijn geen belemmeringen te verwachten voor de beoogde ontwikkeling. 5.6

LUCHTKWALITEIT

Beleid en regelgeving De hoofdlijnen van de regelgeving voor luchtkwaliteit zijn te vinden in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer, ook wel de Wet luchtkwaliteit genoemd. De regelgeving is uitgewerkt in onderliggende Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s) en Ministeriële Regelingen. In de Wet Luchtkwaliteit zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen in de vorm van grenswaarden en richtwaarden voor een aantal luchtverontreinigende stoffen. De belangrijkste zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) omdat deze in Nederland soms worden overschreden. De grenswaarden van de overige stoffen worden, op enkele uitzonderingen na, in de regel niet overschreden. De grenswaarde van PM10 of NO2 bedraagt 40 µg/³. De grenswaarde van PM2,5 ligt op 25 µg/³. Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) In dit besluit is bepaald in welke gevallen een ruimtelijke ontwikkeling vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet hoeft te worden getoetst aan de grenswaarden. Een project draagt ‘niet in betekende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de zogenaamde 3% grens niet wordt overschreden. De 3% grens is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM 10) of stikstofdioxide (NO2). Deze grenswaarde is gesteld op 40 µg/m 3. Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2.

Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden is het project NIBM, en hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. In de Regeling NIBM is de bovengenoemde 3%-grens uitgewerkt in concrete getallen. Zo ligt voor woningbouwplannen de grens van 3% bij 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg. Besluit gevoelige bestemmingen Het besluit gevoelige bestemmingen is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof en stikstofdioxide, met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, in beide gevallen gemeten vanaf de rand van de

Gemeente Altena BP Kern Sleeuwijk: Eikenlaan (ong.) mRO b.v. / TOE / 84.27 – v3 / september 2021

33

NL.IMRO.1959.SleBP055KSeiklnong-ON01 Ontwerp

weg. Als in een onderzoekszone de grenswaarden voor fijn stof of stikstofdioxide (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Luchtkwaliteit in relatie tot het plan Het bestemmingsplan voorziet in de functiewijziging van een onbebouwd perceel aan de Eikenlaan in de kern Sleeuwijk een woon- en tuinbestemming, ten behoeve van de bouw van één nieuwe vrijstaande woning. Hiermee is de beoogde planontwikkeling aan te merken als een project dat binnen de getalsmatige grenzen uit de ‘Regeling NIBM’ valt en daarmee ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Uit het voorgaande volgt dat de beoogde ontwikkelingen in het plangebied voldoen aan het wettelijk kader voor luchtkwaliteit. Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is daarnaast gekeken naar de concentratie stikstofdioxide en fijn stof (PM10) in het plangebied. Uit de Grootschalige Concentratiekaarten van het RIVM (peiljaar 2018) blijkt dat de achtergrondconcentratie voor stikstofdioxide ter hoogte van het plangebied niet hoger is dan ca. 24 μg/m³ en voor fijnstof (PM10) niet hoger dan ca. 20 μg/m³.

Deze concentraties zijn daarmee ruim lager dan de grenswaarde van 40 µg/m3, waardoor het plan er niet toe zal leiden dat er grenswaarden worden overschreden. De achtergrondconcentratie PM2,5 bedraagt ter hoogte van het plangebied circa 12 μg/m³ (bron: GCN kaarten RIVM, peiljaar 2018). Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening bestaan er daarom geen belemmeringen voor het plan. Voorts zijn woningen in het Besluit gevoelige bestemmingen niet aangemerkt als een gevoelige bestemming. Het plan voorziet derhalve niet in de realisatie van gevoelige bestemmingen. Conclusie Concluderend kan gesteld worden dat er voor het onderhavige bestemmingsplan geen belemmeringen zijn vanuit het aspect luchtkwaliteit. 5.7

EXTERNE VEILIGHEID

Beleid en regelgeving Externe veiligheid heeft betrekking op de gevaren die mensen lopen als gevolg van aanwezigheid in de directe omgeving van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt, transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd en ondergrondse buisleidingen. De aan deze activiteiten verbonden risico’s moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Wettelijk kader Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is het wettelijke kader vastgelegd in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de Regeling Basisnet. De regelgeving voor ondergrondse buisleidingen is vastgelegd in het Besluit Externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Gemeente Altena BP Kern Sleeuwijk: Eikenlaan (ong.) mRO b.v. / TOE / 84.27 – v3 / september 2021

34

NL.IMRO.1959.SleBP055KSeiklnong-ON01 Ontwerp

Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang: • Het plaatsgebonden risico (PR) richt zich als maat voor het risico vanwege activiteiten met gevaarlijke stoffen vooral op de basisveiligheid voor personen in de omgeving van die activiteiten. Aan het PR is een wettelijke grenswaarde verbonden die niet mag worden overschreden. Het PR wordt “vertaald” als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijv. woningen) mogen liggen. • Het groepsrisico (GR) is een maat voor de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbare aantal doden, de z.g. oriënterende waarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd, kan afwijken. Deze verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR, ook als de OW niet wordt overschreden. Beleidsvisie Externe Veiligheid 2017 Zoals genoemd in paragraaf 3.3.4 geldt er binnen de gemeente Altena de beleidsvisie externe veiligheid. In deze visie is beschreven hoe wordt omgegaan met de ruimtelijke scheiding tussen risicobronnen en kwetsbare objecten.

Relatie met het plangebied Op basis van de risicokaart is een inventarisatie van de risicobronnen in en nabij het plangebied gemaakt (zie figuur 14).

Figuur 14 - Uitsnede risicokaart in relatie tot het plangebied (bron: risicokaart.nl)

Gemeente Altena BP Kern Sleeuwijk: Eikenlaan (ong.) mRO b.v. / TOE / 84.27 – v3 / september 2021

35

NL.IMRO.1959.SleBP055KSeiklnong-ON01 Ontwerp

Risicovolle bedrijven en inrichtingen Uit de risicokaart blijkt dat in het plangebied of in de directe omgeving daarvan geen risicovolle inrichtingen zijn gelegen. Ook worden door het plan geen risicovolle inrichtingen mogelijk gemaakt. Op enige afstand van het plangebied zijn een Gasdrukregel- en meetstation (GOS) en een zwembad gelegen die worden aangemerkt als risicovolle inrichting. De afstand van het plangebied tot deze inrichtingen is echter dusdanig groot (het GOS op ruim 350 meter en het zwembad op ruim 650 meter) dat het plangebied niet is gelegen binnen de plaatsgebonden risicocontour of het invloedsgebied van deze inrichtingen. Transportroutes gevaarlijke stoffen In het plangebied zijn geen transportroutes voor gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor of water aanwezig. Direct nabij het plangebied zijn ook geen transportroutes voor dergelijke stoffen over de weg, het spoor of water aanwezig. De dichtstbijzijnde transportroute voor gevaarlijke stoffen betreft de rijksweg A27. Ingevolge de regeling Basisnet heeft het deel van de A27 tussen afrit Avelingen en knooppunt Hooipolder een veiligheidszone (de plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar) van 12 meter, gemeten vanaf het midden van de weg.

Het invloedsgebied voor het groepsrisico wordt bepaald door de stof GF3 en bedraagt op grond van de ‘Handleiding Risicoanalyse Transport’ 355 meter aan weerszijden van de weg. Tot slot kent de A27 een Plasbrand Aandacht Gebied (PAG) van 30 meter, gemeten vanaf de rechter rand van de rechterrijstrook. Het plangebied is gelegen buiten de veiligheidszone, het invloedsgebied en het PAG van de A27. Buisleidingen Uit de risicokaart komt naar voren dat in het plangebied geen buisleidingen zijn gelegen waardoor transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Op circa 325 meter afstand ligt langs De Roef een hogedrukaardgasleiding van de Gasunie met een werkdruk van 40 Bar en een diameter van 6,61 inch. Volgens het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) geldt voor gasleidingen met een druk van 40 Bar een plaatsgebonden risicocontour van 4 meter aan weerszijden van de buisleiding, gemeten vanuit het hart van de buisleiding. Het plangebied is dus niet gelegen binnen de plaatsgebonden risicocontour van de leiding. Op grond van het ‘Handboek buisleiding in bestemmingsplannen’ bedraagt het invloedgebied van de leiding 70 meter. Het plangebied ligt derhalve niet in het invloedsgebied van de leiding. Standaardadvies Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant 2019 De Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant heeft een standaardadvies (d.d.

21 december 2018, referentie U.025871) opgesteld voor de verantwoording van het groepsrisico voor ruimtelijke ontwikkelingen in het invloedsgebied van Beviinrichtingen en infrastructuur voor het transport van gevaarlijke stoffen. De gemeente heeft een standaard verantwoording groepsrisico ontwikkeld aansluitend aan het standaard advies van de Veiligheidsregio.

Gemeente Altena BP Kern Sleeuwijk: Eikenlaan (ong.) mRO b.v. / TOE / 84.27 – v3 / september 2021

36

NL.IMRO.1959.SleBP055KSeiklnong-ON01 Ontwerp

Figuur 15 – Uitsnede signaleringskaart in relatie tot het plangebied (in rood), met zone indeling standaard standaardadvies veiligheidsregio (bron: Beleidsvisie Externe Veiligheid)

Aangezien het plangebied op meer dan 750 meter afstand van een Brzo inrichting en op meer dan 200 meter afstand van een categorale Bevi-inrichting, spoorlijn, autoweg, waterweg of buisleiding gelegen is, valt het plan onder de werking van het standaardadvies. Dit blijkt ook uit bijgaande figuur 15. Conclusie Er zijn geen belemmeringen voor het plan vanuit het aspect externe veiligheid. 5.8

BRANDVEILIGHEID

Algemeen De voormalige gemeente Werkendam heeft met het Brandweercluster Land van Heusden en Altena afgesproken om het toetsingskader dat het cluster hanteert in het bestemmingsplan op te nemen. 1. Bereikbaarheid brandweer via de openbare weg Regelgeving: Bouwbesluit 2012 en Handboek Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid (NVBR) Een door de brandweer te gebruiken toegang van de gebouwen moet tot op een afstand van maximaal 40 meter te benaderen zijn met brandweervoertuigen. Een opstelplaats voor een blusvoertuig moet een minimale breedte hebben van 4 meter en een minimale lengte van 10 meter.

Gemeente Altena BP Kern Sleeuwijk: Eikenlaan (ong.) mRO b.v. / TOE / 84.27 – v3 / september 2021

37

NL.IMRO.1959.SleBP055KSeiklnong-ON01 Ontwerp

De rijloper naar een opstelplaats of een bluswatervoorziening moet: a. een vrije breedte hebben van ten minste 4,5 meter en over een breedte van ten minste 3,25 meter zijn verhard, en over een breedte van ten minste 4,5 meter een vrije hoogte hebben van ten minste 4,2 meter; b. zijn verhard op een wijze die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kg en een asbelasting van ten minste 100 kN; en c. op doeltreffende wijze kunnen afwateren. d. alleen bochten hebben met een straal c.q. een draaicirkel of rijcurve die afgestemd is op vrachtauto’s. 2. Bluswatervoorziening Regelgeving: Bouwbesluit 2012 en Handboek Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid (NVBR) Primaire bluswatervoorziening Op een afstand van maximaal 40 meter van een door de brandweer te gebruiken toegang van een gebouw moet een ondergrondse brandkraan aanwezig zijn. De capaciteit van de brandkraan dient minimaal 60m3 per uur te bedragen bij gelijktijdig gebruik van twee brandkranen. Secundaire bluswatervoorziening Binnen een straal van 225 meter en binnen een afstand van 320 meter over de weg dient voor het gebouw en de woningen een secundaire bluswatervoorziening aanwezig te zijn in de vorm van een geboorde put, een brandput, een voor de brandweer te bereiken open water of een reservoir. De capaciteit van de secundaire bluswatervoorziening dient ten minste 90 m 3 per uur te bedragen.

Deze capaciteit moet gedurende ten minste 5 uur kunnen worden geleverd. 3. Brandweerzorgnorm Regelgeving: Wet op de Veiligheidsregio’s (Dekkings- en spreidingsplan 2015-2019 Brandweer Midden- en West-Brabant). Voor (nieuwe) ruimtelijke ontwikkelingen wordt gekeken naar de opkomsttijd van de eerste basisbrandweereenheid. In de genoemde regelgeving worden de wettelijk vastgestelde opkomsttijden per gebouwsoort aangegeven. Indien hier niet aan voldaan kan worden, dan worden door de brandweer aanvullende maatregelen geadviseerd om een gelijkwaardige veiligheid te behalen. Door de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant is een toolbox ontwikkeld die door gemeenten gebruikt kan worden om tot een acceptabel niveau van gelijkwaardige veiligheid te komen. Ten aanzien van de maatregelen valt te denken aan de toepassing van een sprinklerinstallatie. Brandveiligheid in relatie tot het plangebied 1. Bereikbaarheid brandweer via de openbare weg De Brandweer heeft de mogelijkheid de nieuwe woning binnen een afstand van 40 meter vanaf de openbare weg te benaderen. Dit geldt zowel vanaf de oostzijde (Eikenlaan) alsook vanaf de noordzijde (ontsluitingsweg naar volkstuinen in verlengde van Egelantierpad). Bovendien is op deze wegen voldoende ruimte voor een opstelplaats voor een blusvoertuig, aangezien de breedte van de wegen meer dan 4 meter bedraagt en de lengte meer dan 10 meter. 2.

Bluswatervoorziening

Gemeente Altena BP Kern Sleeuwijk: Eikenlaan (ong.) mRO b.v. / TOE / 84.27 – v3 / september 2021

38

NL.IMRO.1959.SleBP055KSeiklnong-ON01 Ontwerp

In het kader van de reguliere bestemmingsplanprocedure zal het plan worden voorgelegd aan de brandweer. Door de brandweer zal een oordeel/advies gegeven worden of de aanwezige bluswatervoorzieningen toereikend zijn. 3. Brandweerzorgnorm In het Dekkings- en Spreidingsplan 2015-2019 zijn de opkomsttijden voor de brandweer vastgesteld. Voor een nieuwe woonfunctie zoals gepland is in het plangebied, geldt een maximale opkomsttijd van 12 minuten. Ook de opkomsttijd voor het plangebied zal door de brandweer in het kader van de reguliere bestemmingsplanprocedure worden getoetst. 5.9

ECOLOGIE

Beleid en regelgeving Bij het opstellen van ruimtelijke plannen is het noodzakelijk te onderzoeken of en zo ja, in hoeverre de plannen ten koste gaan van de (aanwezige) flora en fauna. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in de ‘gebiedsbescherming’ en de ‘soortenbescherming’. Gebiedsbescherming Wet Natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wnb richt zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden). Activiteiten en ontwikkelingen die kunnen leiden tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden zijn in beginsel niet toegestaan, tenzij hiervoor een vergunning op grond van de Wnb is verkregen. Natuurnetwerk Brabant Naast de bescherming van de Wet Natuurbescherming kunnen waardevolle gebieden ook beleidsmatig beschermd zijn doordat zij behoren tot het Natuurnetwerk Brabant (NNB, voorheen Ecologische Hoofdstructuur). Het NNB is een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden. Zij bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Uitgangspunt van het beleid is dat plannen, handelingen en projecten in het NNB niet toegestaan zijn indien zij de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB significant aantasten.

De provincie Noord-Brabant is verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNB en heeft dit in de Verordening Ruimte vastgelegd. Soortbescherming De soortenbescherming is eveneens geregeld in de Wnb. Het doel van de Wnb is het in stand houden en beschermen van in het wild voorkomende planten- en diersoorten. De Wnb kent zowel een zorgplicht als verbodsbepalingen. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het ‘nee, tenzij’-principe. Alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten zijn in principe verboden, maar er kunnen vrijstellingen en ontheffingen (door het bevoegd gezag) worden verleend van de verbodsbepalingen. De Wnb kent een apart beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten (alle vogels), Habitatrichtlijnsoorten en nationaal beschermde soorten. Voor Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten geldt een strikte bescherming. Voor de nationaal

Gemeente Altena BP Kern Sleeuwijk: Eikenlaan (ong.) mRO b.v. / TOE / 84.27 – v3 / september 2021

39

NL.IMRO.1959.SleBP055KSeiklnong-ON01 Ontwerp

beschermde soorten hebben provincies de bevoegdheid om in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden een vrijstelling te verlenen van de verbodsbepalingen. Dit moet worden geregeld in een provinciale verordening. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden nagegaan, c.q. onderbouwd worden, of zich in het betreffende gebied beschermde soorten bevinden. Relatie met plangebied Om te beoordelen wat de effecten zijn van de beoogde planontwikkelingen binnen het plangebied op de natuur, is door adviesbureau EcoTierra een Quickscan flora en fauna6 uitgevoerd, waarbij is gekeken naar gebiedsbescherming en naar soortenbescherming, gebaseerd op een bronnenonderzoek en een terreinbezoek. Dat laatste heeft op 13 februari 2019 plaatsgevonden. De rapportage van deze Quickscan met daarin de onderzoeksresultaten is integraal als bijlage bij deze plantoelichting opgenomen. De belangrijkste resultaten en conclusies worden hierna weergegeven. Resultaten Ecologische Quickscan Gebiedsbescherming Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Brabant. In de provincie Noord-Brabant is de externe werking van het NNB van toepassing. Het plangebied maakt geen deel uit van het NNB, waardoor ruimtebeslag op voorhand is uitgesloten.

Gelet op de afstand (circa 800 meter) tot het NNB en de barrièrewerking van tussengelegen opstallen en infrastructuur, zijn effecten vanuit de externe werking niet aan de orde. Derhalve wordt een nadere procedure in de vorm van een ‘nee, tenzij-toets’ niet noodzakelijk geacht. Het plangebied is niet gelegen binnen een straal van 3.000 meter van een Natura2000-gebied. Er zal derhalve geen rechtstreekse aantasting (veroorzaakt door bijvoorbeeld licht, trillingen, geluid of menselijke aanwezigheid) of indirecte aantasting door bijvoorbeeld verdroging plaatsvinden op soorten die voor omliggende Natura2000-gebieden zijn aangewezen. Er worden in het kader van het project mogelijk enkele (jonge) knotwilgen gekapt. Het onderdeel ‘houtopstanden’ van de Wet natuurbescherming is in onderhavige situatie echter niet van toepassing. Soortenbescherming Flora Er zijn binnen het plangebied geen beschermde wilde soorten aangetroffen. Vogels Er zijn geen jaarrond beschermde nesten aanwezig. Het plangebied betreft geen significant foerageergebied. Er dient rekening te worden gehouden met broedende vogels (zonder een jaarrond beschermd nest) binnen en nabij het plangebied.

De verstorende werkzaamheden dienen derhalve bij voorkeur van start te gaan voor de aanvang van het broedseizoen of buiten deze periode plaats te vinden (broedseizoen loopt globaal van begin maart tot en met augustus, afhankelijk van soort en weersomstandigheden). In het broedseizoen kan alleen worden gewerkt

6

EcoTierra-ecologisch adviesbureau, “Onbebouwd perceel Eikenlaan te Sleeuwijk - Quickscan flora en fauna in het kader van de Wet natuurbescherming”, 4 mei 2020

Gemeente Altena BP Kern Sleeuwijk: Eikenlaan (ong.) mRO b.v. / TOE / 84.27 – v3 / september 2021

40

NL.IMRO.1959.SleBP055KSeiklnong-ON01 Ontwerp

als voorafgaande is vastgesteld dat er geen broedgevallen binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn. Grondgebonden zoogdieren Vaste verblijfplaatsen of exemplaren van Habitatrichtlijnsoorten of van nietvrijgestelde nationaal beschermde soorten zijn niet aangetroffen. Door de provincie vrijgestelde soorten kunnen voorkomen. Vleermuizen Er zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen te verwachten binnen het plangebied. Mogelijk wordt er gefoerageerd binnen het plangebied. Foerageergebied is alleen beschermd wanneer dit gebied noodzakelijk is om de functionaliteit van een vaste verblijfplaats te behouden. In onderhavige situatie zal dit niet aan de orde zijn. Er zijn geen vliegroutes aanwezig binnen het plangebied. Er zijn geen negatieve effecten te verwachten aangaande vleermuizen. Amfibieën, reptielen en vissen Vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen of exemplaren van Habitatrichtlijnsoorten of van niet-vrijgestelde nationaal beschermde soorten zijn niet aangetroffen. Uit het recent uitgevoerde nadere onderzoek naar rugstreeppad (EcoTierraecologisch adviesbureau, mei 2019) is naar voren gekomen dat deze soort niet aanwezig is binnen het plangebied. Voor algemeen voorkomende soorten amfibieën en vissen geldt een algemene vrijstelling. Wel is de zorgplicht van toepassing.

In onderhavige situatie geldt dat de sloot, indien van toepassing, niet zomaar met de aanwezige dieren erin gedempt mag worden. De aanwezige dieren dienen de kans te krijgen om zich te verplaatsen naar een veilige locatie. Indien de sloot wordt gedempt, dan dient dit bij voorkeur plaats te vinden buiten de voortplantingsperiode van soorten (globaal februari-augustus). Er zijn geen negatieve effecten te verwachten aangaande amfibieën, reptielen en vissen, mits de zorgplicht wordt nageleefd. Ongewervelden/ overige soorten Vaste verblijfplaatsen of exemplaren van Habitatrichtlijnsoorten of van nationaal beschermde soorten zijn niet aangetroffen. Procedurele gevolgen Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan worden geconcludeerd dat er in de onderzochte situatie geen procedurele gevolgen zijn ten gevolge van de voorgenomen • Er zijn geen gevolgen aangaande het NNB, Natura2000-gebieden (soorten) en houtopstanden; • Mogelijk dient er een Aerius berekening stikstof te worden uitgevoerd; • Nader onderzoek naar soorten is niet noodzakelijk; • Een ontheffing in het kader van de Wnb (soorten) is niet noodzakelijk; • Voor algemeen voorkomende soorten geldt een algemene vrijstelling als het ruimtelijke ingrepen betreft; • Er mogen geen bezette nesten van vogels worden vernietigd of significant worden verstoord; • De zorgplicht is altijd van toepassing.

Stikstofdepositie In voornoemd onderzoek van EcoTierra (mei 2020) is aangegeven dat er mogelijk een berekening voor het aspect stikstof dient te worden uitgevoerd. In aanvulling

Gemeente Altena BP Kern Sleeuwijk: Eikenlaan (ong.) mRO b.v. / TOE / 84.27 – v3 / september 2021

41

NL.IMRO.1959.SleBP055KSeiklnong-ON01 Ontwerp

daarop is een notitie7 opgesteld waarin door middel van een zogenaamde AERIUSberekening nader is onderzocht of de beoogde woningbouwontwikkeling binnen het plangebied mogelijk (indirecte) effecten heeft op de nabijgelegen Natura 2000gebieden als gevolg van stikstofdepositie dat vrijkomt tijdens de aanlegfase en tijdens de exploitatiefase. De notitie is als bijlage bij deze plantoelichting gevoegd. Uit de berekening volgt dat de ontwikkeling van één vrijstaande woning op het perceel tussen Eikenlaan 5 en 11 te Sleeuwijk niet leidt tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden (0,00 mol stikstof ha/jaar). Dit geldt zowel voor de gebruiksfase (de beoogde situatie) als de realisatiefase (bouw woning). Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie. Het plan is daarmee uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming. Er geldt ook geen vergunningplicht in het kader van de Wet natuurbescherming ten aanzien van het aspect stikstof. Conclusie Op basis van de uitgevoerde natuurtoets en AERIUS-berekening wordt geconcludeerd dat het aspect ecologie niet in de weg staat aan de uitvoering van de met het bestemmingsplan beoogde ontwikkeling. 5.10

ARCHEOLOGIE

Beleid en regelgeving Als gevolg van het Verdrag van Malta (Valetta) zijn overheden verplicht om in het ruimtelijke beleid zorgvuldig om te gaan met het archeologische erfgoed. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient, voordat er bodemingrepen plaatsvinden, een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd. De uitkomsten hiervan dienen door het bevoegde gezag te worden meegenomen in de belangenafweging. De zorgplicht voor het archeologisch erfgoed was vastgelegd in de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz), die was geïmplementeerd in de Monumentenwet 1988. De wet regelde: • Bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem; • Inpassen van archeologisch erfgoed in de ruimtelijke ordening; • Financiering onderzoek: de veroorzaker betaalt. Op 1 juli 2016 is de nieuwe Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet vervangt onder meer de Monumentenwet 1988 en de Wamz. In artikel 9.1 van de Erfgoedwet is echter bepaald dat tot het tijdstip waarop de nieuwe Omgevingswet in werking is getreden de bepalingen uit de Monumentenwet 1988 met betrekking tot archeologie van toepassing blijven. Naar verwachting zal de Omgevingswet niet eerder dan 2022 in werking treden.

7

mRO b.v., “Notitie Stikstofdepositieonderzoek Eikenlaan, tussen nummer 5 en 11, Sleeuwijk”, 10 februari 2021

Gemeente Altena BP Kern Sleeuwijk: Eikenlaan (ong.) mRO b.v. / TOE / 84.27 – v3 / september 2021

42

NL.IMRO.1959.SleBP055KSeiklnong-ON01 Ontwerp

Gemeentelijk beleid De Wamz heeft ertoe geleid dat de gemeente Altena lokaal archeologiebeleid heeft opgesteld. Dit beleid bestaat uit de “Nota Archeologie. Tot op de Bodem. Update 2018” en de “Erfgoedverordening Altena 2019” zoals die op 14 januari 2019 is vastgesteld. Op de bijbehorende archeologische beleidskaart is aangegeven waar binnen de gemeente (bekende) archeologische waarden aanwezig zijn en waar welke archeologische verwachtingen gelden vanaf welke diepte. In de bijbehorende legenda zijn de verschillende verwachtingszones en plaatsen met een archeologische waarde weergegeven, alsmede de verwachte diepteligging daarvan. Deze zones zijn beleidsmatig gecategoriseerd; aan elke waarde of verwachtingswaarde is een diepte- en oppervlakte grens gekoppeld. De vrijstellingsgrenzen geven aan vanaf welke omvang én diepte (altijd in combinatie) van een ruimtelijk plan er archeologisch onderzoek plaats moet vinden. Op basis van een archeologisch onderzoek dat door de gemeente is goedgekeurd kan een omgevingsvergunning worden verleend. Relatie met het plangebied In de bijgaande figuur is een uitsnede van de archeologische beleidskaart opgenomen ter hoogte van het plangebied. Hieruit blijkt dat de gronden in het plangebied een middelhoge archeologische verwachting hebben met een diepteligging van 3 – 5 m –mv.

Hiervoor geldt een oppervlakte ondergrens van 500 m² en een diepte ondergrens van 3 meter voor het doen van archeologisch onderzoek.

Figuur 16 - Uitsnede Archeologische beleidskaart voor de kern Sleeuwijk met globale ligging plangebied (rood omlijnd)

Voor de realisatie van de nieuwe woning vinden geen bodemingrepen over een grotere oppervlakte dan 500 m² plaats die dieper gaan dan 3 meter. Derhalve is voor de bouw van de woning geen archeologisch onderzoek vereist. Om de archeologische resten te beschermen tegen eventuele bodemingrepen die dieper gaan dan 3 meter en groter zijn dan 500 m², is aan het plangebied de

Gemeente Altena BP Kern Sleeuwijk: Eikenlaan (ong.) mRO b.v. / TOE / 84.27 – v3 / september 2021

43

NL.IMRO.1959.SleBP055KSeiklnong-ON01 Ontwerp

dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie 5’ toegekend. Conform het archeologiebeleid waarborgt de bestemming ‘Waarde-Archeologie-5’ dat bodemingrepen groter dan 500 m² en dieper dan 3 m –mv niet kunnen plaatsvinden zonder nader archeologisch onderzoek. Het betreft in relatie tot het voorliggende plan vooral een signaleringsfunctie. Conclusie Er zijn geen belemmeringen voor het plan vanuit het aspect archeologie. 5.11

CULTUURHISTORIE

Beleid en regelgeving Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. De aandacht voor cultuurhistorie is ook wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Op grond van artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a van het Bro dienen cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk te worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Dit betekent dat gemeenten een analyse moeten verrichten van de cultuurhistorische waarden in een bestemmingsplangebied en moeten aangeven welke conclusies ze daaraan verbinden en op welke wijze ze deze waarden borgen in het bestemmingsplan. De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet.

Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van het erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet die naar verwachting in 2021 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk. In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangegeven. In het verlengde van de in paragraaf 5.10 genoemde gemeentelijke archeologische beleidskaart en Erfgoedverordening is ook een cultuurhistorische beleidsadvieskaart opgesteld, de zogenaamde Erfgoedkaart.

Op deze beleidskaart is aangegeven waar cultuurhistorische elementen (rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten, beeldbepalende en beeldondersteunende bebouwing), waardevolle lijnelementen (wegen, dijken en ontginningsassen), alsook waardevolle ruimtelijke patronen en/of structuren (zoals historische kern, beschermd stadsgezicht) voorkomen.

Gemeente Altena BP Kern Sleeuwijk: Eikenlaan (ong.) mRO b.v. / TOE / 84.27 – v3 / september 2021

44

NL.IMRO.1959.SleBP055KSeiklnong-ON01 Ontwerp

Deze informatie is gekoppeld aan een beleidsadvies. Relatie met het plangebied Blijkens de gemeentelijke cultuurhistorische beleidsadvieskaart (figuur 17) zijn er in het plangebied of in de directe omgeving daarvan geen cultuurhistorisch waardevolle elementen, waardevolle lijnelementen of waardevolle ruimtelijke patronen en/of structuren aanwezig. Derhalve herbergt het plangebied geen specifieke cultuurhistorische waarden die bescherming vanuit het bestemmingsplan behoeven.

Figuur 17 - Uitsnede Cultuurhistorische beleidsadvieskaart met globale ligging plangebied (rood omlijnd)

Conclusie Er zijn geen belemmeringen voor het plan vanuit het aspect cultuurhistorie. 5.12

VERKEER EN PARKEREN

Alle bestemmingsplannen moeten vooraf getoetst worden op verkeer en parkeren. Zoals reeds in paragraaf 3.4.7 van deze plantoelichting is aangegeven is het parkeerbeleid in de gemeente Altena verwoord in de beleidsnota ‘Parkeerbeleid gemeente Altena’, met in het verlengde daarvan de ‘Nota Parkeernormen Altena’ die beiden op 15 december 2020 door de gemeenteraad zijn vastgesteld. Daarin is aangegeven dat de gemeentelijke parkeereis bij nieuwe ontwikkelingen moet worden berekend.

Gemeente Altena BP Kern Sleeuwijk: Eikenlaan (ong.) mRO b.v. / TOE / 84.27 – v3 / september 2021

45

NL.IMRO.1959.SleBP055KSeiklnong-ON01 Ontwerp

Voor een vrijstaande woning geldt op basis van de ‘Nota Parkeernormen Altena’ een parkeernorm van 2,5 parkeerplaats per woning. Uitgangspunt daarbij is dat het parkeren op eigen terrein plaatsvindt. Parkeerplaatsen bij een woning worden vaak in de vorm van een oprit of garage gerealiseerd. Daarmee zijn in theorie voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein aanwezig. In de praktijk is de ervaring echter dat deze parkeervoorzieningen niet altijd worden gebruikt voor het parkeren van een voertuig, maar bijvoorbeeld als opslagruimte. Het gevolg is dat auto’s toch regelmatig op de openbare weg staan. Bij de toetsing houdt de gemeente daar rekening mee. Hiervoor worden rekenwaardes gehanteerd (Tabel 2 in de ‘Nota Parkeernormen Altena’). Zoals in paragraaf 4.2 van deze plantoelichting is aangegeven, is er (nog) geen bouwplan bekend. Dit is aan de toekomstige eigenaren en bewoners. Wel is duidelijk dat er binnen het plangebied voldoende ruimte aanwezig is om 2,5 (afgerond 3) parkeerplaatsen binnen het plangebied en daarmee op ‘eigen erf’ te realiseren. Om ervoor te zorgen dat er bij de uitvoering van de plannen voldoende parkeerplaatsen worden aangelegd, is in de regels behorend bij dit bestemmingsplan hiervoor een parkeerbepaling opgenomen.

5.13 KABELS EN LEIDINGEN Voor planologisch relevante kabels en leidingen gelden verschillende beschermingsen veiligheidsafstanden waar bij de bestemmingslegging van onder andere nieuwe functies rekening mee moet worden gehouden. Binnen het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Ook in de nabijheid van het plangebied aan de Eikenlaan zijn geen leidingen met gevaarlijke stoffen aanwezig (zie hiervoor ook paragraaf 5.7 van deze plantoelichting). Kabels en leidingen vormen derhalve geen belemmering voor de uitvoering van het bestemmingsplan. 5.14

TOETSING AAN M.E.R.-WETGEVING

Regelgeving De procedure van een milieueffectrapportage (m.e.r.) is volgens de Wet milieubeheer verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Welke activiteiten dat betreft is aangegeven in het Besluit m.e.r. en de daarbij behorende bijlage. In de bijlage is onderscheid gemaakt tussen een: • C-lijst met m.e.r.-plichtige activiteiten en daarbij behorende drempelwaarden; • D-lijst met m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten en de daarbij behorende drempelwaarden. Het doel van de m.e.r. is het milieubelang volwaardig mee te laten wegen bij de vaststelling van deze plannen en besluiten. Een belangrijk product van de m.e.r.procedure is het milieueffectrapport (MER). Bij sommige besluiten is niet meteen duidelijk of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. In deze grensgevallen moet eerst worden beoordeeld of sprake is van een m.e.r.plicht. Dit gebeurt door middel van een aparte procedure, de zogenoemde m.e.r.beoordeling.

Gemeente Altena BP Kern Sleeuwijk: Eikenlaan (ong.) mRO b.v. / TOE / 84.27 – v3 / september 2021

46

NL.IMRO.1959.SleBP055KSeiklnong-ON01 Ontwerp

Deze m.e.r.-beoordeling is ook vereist voor activiteiten die onder de drempelwaarden van het Besluit m.e.r. liggen. In dat geval gelden er geen vormvoorschriften en is sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling moet er volgens bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling worden getoetst aan de 3 volgende hoofdcriteria: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; 3. de kenmerken van de potentiële effecten. Beoordeling plan In het Besluit m.e.r. is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject (onderdeel D11.2) mer-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op de volgende gevallen (indicatieve drempelwaarden): • een oppervlakte van 100 hectare of meer; • een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of • een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m 2 of meer. Met voorliggend bestemmingsplan wordt maximaal 1 nieuwe vrijstaande woning op een onbebouwd perceel van ca. 1.300 m2 groot binnen het stedelijk gebied van Sleeuwijk mogelijk gemaakt. De ontwikkeling blijft daarmee ver onder de drempelwaarden. Daarmee blijft deze ontwikkeling ruim onder de genoemde drempelwaarden valt. Omdat de ontwikkeling in onderdeel D van het Besluit m.e.r.

voorkomt, dient wel te worden nagegaan of sprake kan zijn van belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu die de uitvoering van een m.e.r. noodzakelijk maken. Daarom zijn alle mogelijke milieugevolgen van de beoogde ontwikkeling onderzocht en beschreven in de ‘Notitie Vormvrije m.e.r.-beoordeling Eikenlaan ong. Sleeuwijk8’. Deze notitie is opgenomen als bijlage bij de toelichting. Hieruit blijkt dat het plan geen belangrijke negatieve gevolgen heeft voor het milieu. Op grond van deze aanmeldnotitie is voor het bestemmingsplan dan ook geen mer-procedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.. Conclusie Voor dit bestemmingsplan is geen m.e.r.-procedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.

8

mRO bv, ‘Notitie Vormvrije m.e.r.-beoordeling Eikenlaan ong. Sleeuwijk’, 12 november 2020

Gemeente Altena BP Kern Sleeuwijk: Eikenlaan (ong.) mRO b.v. / TOE / 84.27 – v3 / september 2021

47

NL.IMRO.1959.SleBP055KSeiklnong-ON01 Ontwerp

6

JURIDISCHE ASPECTEN

6.1

ALGEMEEN

Inleiding Dit hoofdstuk geeft inzicht hoe de nieuwe situatie is vertaald in juridisch bindende regels, met hieraan gekoppeld een verbeelding. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor de gebruiksmogelijkheden en bouwmogelijkheden. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van deze regels evenals de functie van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen juridisch bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan en soms voor de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Het belangrijkste onderdeel van een bestemmingsplan is de bestemming. Aan alle in het plan begrepen gronden worden ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening bestemmingen toegewezen. Zo nodig worden aan deze bestemmingen regels gekoppeld omtrent het gebruik van de in het plan begrepen gronden en van de zich daarop bevindende opstallen. Naast de bestemmingen kunnen ook dubbelbestemmingen voorkomen. Deze overlappen de 'gewone' bestemmingen en geven eigen regels, waarbij er sprake is van een rangorde tussen de bestemmingen en de dubbelbestemmingen. Bij bestemmingen kunnen aanduidingen voorkomen met als doel bepaalde zaken nader of specifieker te regelen. Aanduidingen zijn terug te vinden op de (analoge) verbeelding en hebben een juridische betekenis in het bestemmingsplan.

Alle overige op de (analoge) verbeelding voorkomende zaken worden verklaringen genoemd. Verklaringen hebben geen juridische betekenis, maar zijn op de (analoge) verbeelding opgenomen om deze beter leesbaar te maken (bijvoorbeeld topografische ondergrond). Verklaringen worden in de digitale verbeelding niet uitgewisseld, waardoor die informatie de burger via de digitale weg niet zal bereiken. Digitaliseringsvereisten Met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) zijn ook digitaliserings- verplichtingen aan een bestemmingsplan gesteld. De regels en de verbeelding dienen daarom te zijn opgesteld volgens IMRO en SVBP, onderdeel van de zogenaamde RO Standaarden. IMRO staat voor Informatie Model Ruimtelijke Ordening en heeft betrekking op de inrichting van de ruimtelijke instrumenten van de Wro. Het is het informatiemodel voor het opstellen en het uitwisselen van visies, plannen, besluiten, verordeningen en algemene regels op alle bestuurlijke niveaus. Het model is geschikt voor uitwisseling van informatie tussen de organisaties op het gebied van de ruimtelijke ordening en aanverwante werkterreinen. SVBP staat voor Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen. Doel van deze standaard is het op vergelijkbare wijze inrichten, vormgeven en verbeelden van bestemmingsplannen en de daarbij behorende uitwerkings- en wijzigingsbesluiten.

Vanaf 1 juli 2013 zijn de RO Standaarden 2012 verplicht. Concreet betekent dit dat nieuwe bestemmingsplannen vanaf die datum volgens deze nieuwe standaard opgesteld en gepubliceerd moeten worden. Het voorliggende bestemmingsplan is overeenkomstig deze vereisten opgesteld en is hiermee gereed om digitaal beschikbaar te stellen voor een ieder.

Gemeente Altena BP Kern Sleeuwijk: Eikenlaan (ong.) mRO b.v. / TOE / 84.27 – v3 / september 2021

48

NL.IMRO.1959.SleBP055KSeiklnong-ON01 Ontwerp

6.2

OPBOUW REGELS EN VERBEELDING

Regels De planregels zijn opgesteld volgens het SVBP2012 en voldoen tevens aan de eisen van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) die op 1 oktober 2010 in werking is getreden. Daarbij is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met Inleidende regels (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de bestemmingsregels, de algemene regels (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de overgangs- en slotregels. Daarbij staan de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde. Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd: • Bestemmingsomschrijving; • Bouwregels; • Nadere eisen; • Afwijking van de bouwregels; • Specifieke gebruiksregels; • Afwijking van de gebruiksregels; • Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; • Wijzigingsbevoegdheid. Opgemerkt wordt dat een bestemmingsregel niet alle elementen bevat, dit verschilt per bestemming. Analoge verbeelding (plankaart) Uit de SVBP2012 volgen diverse verplichtingen voor wat betreft de verbeelding, zoals de kleur van de ondergrond (grijs) en minimaal weer te geven aspecten op de ondergrond. Ook de diverse kleuren van de bestemmingen, alsmede de verhouding van de op de verbeelding voorkomende lijndiktes zijn verplicht voorgeschreven.

Voor wat betreft de ondergrond van de verbeelding is gebruik gemaakt van de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT), in combinatie met de Basisregistratie Kadaster (BRK). De analoge verbeelding is op een schaal van 1:1000 geplot. Toelichting op de artikelen In deze paragraaf wordt daar waar dat noodzakelijk en nuttig wordt geacht een nadere toelichting gegeven op de artikelen van de regels. Sommige regelingen zijn daarom hierna niet opgenomen, deze worden geacht voor zich te spreken. Hoofdstuk 1: Inleidende regels Artikel 1 Begrippen De begrippen die in het bestemmingsplan gebruikt worden, zijn in dit artikel gedefinieerd. Dit wordt gedaan om interpretatieverschillen te voorkomen. Artikel 2 Wijze van meten Dit artikel maakt duidelijk hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte en dergelijke van gronden en bouwwerken worden gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen worden in dit artikel verklaard.

Gemeente Altena BP Kern Sleeuwijk: Eikenlaan (ong.) mRO b.v. / TOE / 84.27 – v3 / september 2021

49

NL.IMRO.1959.SleBP055KSeiklnong-ON01 Ontwerp

Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels Artikel 3 Groen Aan het gebied langs de Eikenlaan, direct grenzend aan gronden die in het geldende bestemmingsplan ‘Kern Sleeuwijk’ is een groenbestemming toegekend. Ook in het noorden van het plangebied, parallel aan de ontsluitingsweg naar de volkstuinen en in het verlengde van Egelantierpad, hebben de gronden een groenbestemming gekregen. Het betreft een strook van 2,5 meter breed. Gronden met de bestemming ‘Groen’ zijn onder meer bestemd voor groenvoorzieningen, zoals plantsoenen, bermen en overige beplantingen. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd. Artikel 4 Tuin De voortuin van de beoogde nieuwe woning heeft de bestemming ‘Tuin’ gekregen. De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen en gazons behorende bij de woningen. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd en kleine uitbreidingen aan het hoofdgebouw, zoals erkers, luifels en balkons. Verkeers- en parkeervoorzieningen, zoals in- en uitritten en overige verhardingen zijn daarbij zonder meer toegestaan. Artikel 5 Wonen De bestemming ‘Wonen’ is gegeven aan het deel van het plangebied waar de nieuwe woning is voorzien. Deze gronden kunnen worden gebruikt voor wonen en bijbehorende zaken zoals tuinen en erven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11072706/1