Bijlage Bundeling wijzigingen bij RV Aanvulling wijziging gemeenschappelijke regelingen - bundeling november 2023
Tekst van het document
Artikel 2 Het openbaar lichaam Er is een openbaar lichaam: de GGD West-Brabant, gevestigd te Breda.
Hoofdstuk 2 Doel en taken Artikel 3 Doel
1. Het doel van deze regeling is: het behartigen van de belangen van de gemeenten op het gebied van de publieke gezondheid.
2. De gemeenten houden de GGD in stand en zo nodig andere vormen van organisatie op het gebied van de publieke gezondheid.
Artikel 4 Taken
1. De gemeenten dragen aan de GGD de uitvoering op van: a. Gemeentelijke taken in de Wet publieke gezondheid; b. Toezichtstaken in de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen; c. Toezichtstaken in de Wet maatschappelijke opvang; d. Gemeentelijke lijkschouwtaken in de Wet op de lijkbezorging;
e. Taken voor de openbare geestelijke gezondheidszorg (OGGZ).
2. Gemeenten of derden kunnen aan de GGD de uitvoering opdragen van taken voor de geneeskundige hulpverlening en van andere taken.
3. Het algemeen bestuur kan naar redelijkheid en billijkheid de basistaken opnieuw vaststellen. 4. Indien een gemeente wil afwijken van de afname van de overeengekomen basistaken, kan het algemeen bestuur hieraan voorwaarden verbinden, bijvoorbeeld een afbouwregeling zoals beschreven in artikel 20, lid 2
5. De aanvullende taken zijn zo beschreven dat een gemeente op basis hiervan kan besluiten tot afname op contractbasis.
Hoofdstuk 3 De bestuursorganen Artikel 5 Het algemeen bestuur
1. Het algemeen bestuur bestaat uit minimaal evenveel leden als het aantal gemeenten. Iedere gemeente wordt door minimaal één lid vertegenwoordigd.
2. Elk college wijst dit lid uit zijn midden aan, zo spoedig mogelijk na de benoeming van de collegeleden na de verkiezing van de leden van de raad.
3. Het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt op de dag waarop de collegeleden van de gemeente aftreden, als bedoeld in artikel 42 van de Gemeentewet.
4. Als een lid van het algemeen bestuur ophoudt lid van het college te zijn, eindigt ook zijn lidmaatschap van het algemeen bestuur. Het college voorziet zo spoedig mogelijk in de vacature en deelt de voorzitter dit binnen één week mee.
5. Het college kan een door hem aangewezen lid ontslaan als dit zijn vertrouwen niet meer heeft, nadat dit lid zich heeft kunnen verantwoorden. De artikelen 49 en 50 van de Gemeentewet zijn dan van toepassing.
6. Het college waarvan het algemeen bestuur een lid aanwijst als lid van het dagelijks bestuur heeft het recht een tweede lid van het algemeen bestuur aan te wijzen. Het bepaalde in de leden 3 tot en met 5 van dit artikel is van toepassing op deze leden.
7. Wanneer het in lid 6 genoemde eerst aangewezen lid geen deel meer uitmaakt van het dagelijks bestuur, vervalt het recht van het college om een tweede lid in het algemeen bestuur aan te wijzen.
8. Het algemeen bestuur kan zich laten bijstaan door een of meer adviseurs. Artikel 6 Het dagelijks bestuur
1. De voorzitter van het dagelijks bestuur is een burgemeester van één van de deelnemende gemeenten.
2. Het algemeen bestuur wijst uit zijn midden tenminste drie andere leden van het dagelijks bestuur aan. De voordracht van deze leden gebeurt: -
voor een lid: door de gezamenlijke leden in het algemeen bestuur van de gemeenten met meer dan 100.000 inwoners;
-
voor een lid: door de gezamenlijke leden in het algemeen bestuur van de gemeenten met 40.000 tot 100.000 inwoners;
-
voor twee leden: door de gezamenlijke leden in het algemeen bestuur van gemeenten met minder dan 40.000 inwoners.
3.
Het dagelijks bestuur bestaat naast de leden genoemd in lid 1 van dit artikel uit twee leden die het algemeen bestuur aanwijst op grond van hun deskundigheid op het terrein van de publieke gezondheidszorg en/of financiën en bedrijfsvoering. Deze twee leden behoeven geen lid te zijn van het algemeen bestuur of het bestuur van een gemeente en kunnen, als het algemeen bestuur daartoe besluit, een vergoeding voor hun werkzaamheden en een tegemoetkoming in de kosten ontvangen.
4. Het algemeen bestuur kan besluiten een lid van het dagelijks bestuur ontslag te verlenen als dit lid het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit. Op het ontslagbesluit is artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
5. Hij die ophoudt lid van het algemeen bestuur te zijn, houdt ook op lid van het dagelijks bestuur te zijn.
6. Als tussentijds een plaats in het dagelijks bestuur beschikbaar komt, kiest het algemeen bestuur zo spoedig mogelijk een nieuw lid.
7. Onverminderd het bepaalde in lid 3 van dit artikel en van lid 4 van artikel 5 blijft hij die geen lid meer is van het dagelijks bestuur zijn zetel waarnemen totdat zijn opvolger die heeft aanvaard.
8. Het dagelijks bestuur kan zich laten bijstaan door een of meer adviseurs.
Artikel 7 De voorzitter
1. Als voorzitter wijst het algemeen bestuur een burgemeester van één van de deelnemende gemeenten aan.
2. Het algemeen bestuur wijst uit zijn midden een plaatsvervangend voorzitter aan.
3. De voorzitter vertegenwoordigt de GGD in en buiten rechte. Hij kan deze vertegenwoordiging opdragen aan een door hem aan te wijzen persoon. 4.
De voorzitter en de secretaris ondertekenen de stukken die van het openbaar lichaam uitgaan. Het algemeen bestuur kan de voorzitter toestaan de ondertekening op te dragen aan de secretaris.
Hoofdstuk 4 Werkwijze Artikel 8 Het algemeen bestuur
1. Het algemeen bestuur vergadert jaarlijks tenminste tweemaal en verder zo dikwijls als de voorzitter of het dagelijks bestuur dit nodig vindt of tenminste drie leden dit schriftelijk verzoeken, onder opgave van de te behandelen onderwerpen.
2. Het algemeen bestuur besluit met meerderheid van de uitgebrachte stemmen, waarbij elk lid één stem heeft. Geen stemrecht hebben de leden van het dagelijks bestuur waarvan de gemeenten een tweede lid als bedoeld in artikel 5, lid 6 aanwijzen.
3. Voor het vaststellen van de begroting is daarnaast een meerderheid nodig van de leden die in totaal tenminste de helft vertegenwoordigen van het aantal inwoners van de gemeenten waarvan de leden een stem uitbrengen.
Artikel 9 Het dagelijks bestuur
1. Aan het dagelijks bestuur behoren alle bevoegdheden behalve de volgende bevoegdheden van het algemeen bestuur: -
het besluiten over toetreding, uittreding, wijziging en opheffing, zoals bedoeld in hoofdstuk 7;
-
het vaststellen van de jaarrekening en het vaststellen en/of wijzigen van de begroting ende basistaken;
-
het besluiten tot het oprichten van en deelnemen in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen.
2. Het dagelijks bestuur vergadert tenminste zesmaal per jaar en verder zo dikwijls als de voorzitter dit nodig vindt of tenminste drie leden van het dagelijks bestuur dit schriftelijk verzoeken, onder opgave van de te behandelen onderwerpen, waarna de vergadering binnen veertien dagen plaatsvindt.
3. De artikelen 56 en 58 van de Gemeentewet over de werkwijze bij en het stemmen tijdens De vergaderingen zijn van overeenkomstige toepassing. Elk lid heeft in de vergadering van het dagelijks bestuur één stem.
4. De stemming in het dagelijks bestuur geschiedt mondeling, tenzij de voorzitter of één van de leden verzoekt om schriftelijke stemming.
5. Het dagelijks bestuur kan zijn bevoegdheden binnen nadere voorwaarden mandateren aan de directie en houdt daarop toezicht. Een organisatieverordening beschrijft de relatie tussen het dagelijks bestuur en de directie.
Artikel 10 Verantwoording en inlichtingen
1. Het dagelijks bestuur en elk van zijn leden afzonderlijk zijn aan het algemeen bestuur verantwoording schuldig over het door het dagelijks bestuur gevoerde bestuur.
2. Het dagelijks bestuur geeft het algemeen bestuur alle inlichtingen die het algemeen bestuur voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft.
3. Ieder lid van het algemeen bestuur heeft een actieve en passieve informatieplicht. Het algemeen bestuur is verplicht de colleges en/of de raden desgevraagd en in ieder geval binnen zes weken te informeren en inlichtingen te geven over alle zaken over deze regeling. Zij informeert de raad na de vergadering van het algemeen bestuur over de besluiten. De GGD zal hierin de leden van het algemeen bestuur faciliteren.
4. Het algemeen bestuur is bevoegd om, gevraagd of ongevraagd, aan een of meer colleges en/of raden advies te geven of voorstellen te doen, die hij in verband met deze regeling nodig vindt.
5. Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter zijn verplicht de door een of meer leden van de raad van een gemeente gevraagde inlichtingen te verstrekken. Zij verstrekken deze inlichtingen zo spoedig mogelijk nadat daarom is gevraagd.
6. Elk lid van het algemeen bestuur is daarnaast verplicht de door een of meer leden van het college of de raad van zijn gemeente gevraagde inlichtingen te verstrekken. Hij verstrekt deze inlichtingen zo spoedig mogelijk nadat hem daarom is gevraagd.
7. Elk lid van het algemeen bestuur is aan het college en de raad van de gemeente waarvan het college hem als lid heeft aangewezen verantwoording schuldig voor het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid. Hij legt deze verantwoording zo spoedig mogelijk af nadat het college of de raad hem daarom heeft gevraagd.
Artikel 11 Commissies
1. Het algemeen bestuur kan commissies van advies, commissies ter behartiging van bepaalde belangen en klantenpanels instellen.
2. Het dagelijks bestuur regelt de werkwijze van deze commissies en klantenpanels.
Artikel 12 Inwonerparticipatie 1. Inspraakmogelijkheden voor inwoners wordt via de raden van de gemeenten ingevuld. 2. Inwoners kunnen daarnaast participeren in klantenpanels. 3. De GGD West-Brabant werkt zoveel mogelijk outreachend en samen mét de inwoners. 4. De vergaderingen van het algemeen bestuur zijn openbaar toegankelijk.
Hoofdstuk 5 Organisatie Artikel 13 De directie
1. De GGD heeft een directie die belast is met de dagelijkse leiding en het beheer van de dienst. Het algemeen bestuur benoemt, schorst en ontslaat de directie.
2. Het dagelijks bestuur stelt in een organisatieverordening regels vast over de inrichting van de organisatie, de medische verantwoordelijkheden, de taken en bevoegdheden van de directie ende wijze waarop het dagelijks bestuur toeziet op de uitvoering daarvan.
3. Het algemeen bestuur kan besluiten om een tweehoofdige directie aan te stellen. 4. De directie is secretaris van het algemeen en dagelijks bestuur. 5. Bij een tweehoofdige directie functioneert de door het dagelijks bestuur aangewezen directeur als secretaris.
6. De secretaris woont de vergaderingen bij van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur en heeft daarin een adviserende stem.
Artikel 14 Archief
1. Het dagelijks bestuur zorgt voor het archief, op basis van het bepaalde in de Archiefwet. 2. De directie is belast met het beheer van de archiefbescheiden.
Hoofdstuk 6 Financiën
Artikel 15 Financiën
1. De deelnemende gemeenten zullen er steeds voor zorgen dat de GGD altijd over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen, mits de GGD binnen de door het Algemeen Bestuur vastgestelde kaders blijft.
2. Als aan het algemeen bestuur blijkt dat een gemeente weigert deze uitgaven op de begroting te zetten, doet hij onverwijld aan gedeputeerde staten het verzoek om over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 van de Gemeentewet.
3. Het dagelijks bestuur stelt bij of krachtens de Financiële verordening en een Nota reserves en voorzieningen, beiden vastgesteld door het Algemeen Bestuur, nadere regels voor de financiële administratie van het geldverkeer.
Artikel 16 Meerjarenbeleidsplan, kaderbrief en begroting
1. Het algemeen bestuur stelt vierjaarlijks, bij de aanvang van een nieuwe raadsperiode, een meerjarenbeleidsplan vast waarin de financiële en inhoudelijke vooruitzichten worden uiteengezet. Het stelt voorafgaand aan die vaststelling de raden van de deelnemende gemeenten in de gelegenheid hun zienswijze op het beleidsplan in te dienen. De jaarlijkse begroting dient te passen binnen deze kaders.
2. Het in het vorige lid genoemde meerjarenbeleidsplan is samen met de jaarrekening de basis om de resultaten van de gemeenschappelijke regeling over een periode van vier jaar te evalueren.
3. Jaarlijks vóór 1 februari zendt het dagelijks bestuur aan de raden van de deelnemende gemeenten een brief met daarin de algemene financiële en beleidsmatige kaders. In deze brief zijn de door de deelnemende gemeenten gegeven richtlijnen verwerkt. Afwijken van deze richtlijnen kan alleen als het algemeen bestuur hiertoe besluit. Daarnaast bevat de kaderbrief de belangrijkste opgaven voor het komende jaar. Voorstellen voor nieuw beleid, die niet door de deelnemende gemeenten zijn opgenomen in de richtlijnen, worden in deze kaderbrief gedaan en expliciet vermeld als nieuw beleid.
4. Jaarlijks uiterlijk 5 april zendt het dagelijks bestuur de ontwerpbegroting voor het volgende begrotingsjaar, vergezeld van een toelichting, aan de leden van het algemeen bestuur en de raden van de deelnemende gemeenten met het verzoek aan de raden om hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren te brengen.
5. Als de raming van de door elke gemeente verschuldigde bijdrage(n) is gebaseerd op het aantal inwoners, is dit het aantal inwoners per 1 januari van het jaar vóór het kalenderjaar conform de cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek.
6. De zienswijzen van de raden dienen uiterlijk 1 juli door de gemeenschappelijke regeling te zijn ontvangen. Het dagelijks bestuur voegt deze zienswijzen bij de ontwerpbegroting zoals hij deze aanbiedt aan het algemeen bestuur. Daarna stelt het algemeen bestuur de begroting vast. Na de vaststelling door het algemeen bestuur dient de ontwerpbegroting uiterlijk 15 juli aangeboden te worden bij de provincie.
7. Het algemeen bestuur kan een wijziging van de begroting die niet leidt tot een verhoging van de gemeentelijke bijdrage vaststellen zonder dat de raden daarover hun zienswijze geven.
8. Indien een wijziging van de begroting vanuit Rijksmiddelen aan de gemeenten wordt gecompenseerd, wordt deze niet voor zienswijze aan de raden voorgelegd, tenzij het dagelijks bestuur van de GGD WB anders besluit.
Artikel 17 De jaarrekening Het dagelijks bestuur stelt de jaarrekening op over het voorgaande jaar. Hij stuurt deze naar de gemeenten en naar de accountant, met het verzoek zo spoedig mogelijk het accountantsrapport uit te brengen.
Hoofdstuk 7 Toetreding, uittreding, wijziging en opheffing Artikel 18 Toetreding 1.
Voor de toetreding van een gemeente volstaat het besluit van het college van die gemeente. Die toetreding heeft de instemming nodig van het algemeen bestuur.
2.
Aan de toetreding kan het algemeen bestuur voorwaarden verbinden.
Artikel 19 Evaluatie Het algemeen bestuur kan het functioneren van de regeling desgewenst op ieder moment, bij voorkeur in het derde jaar van de AB-bestuursperiode, evalueren en betrekt de raden bij die evaluatie
Artikel 20 Uittreding
1. Een gemeente kan uittreden doordat het college een daartoe strekkend besluit stuurt aan het algemeen bestuur. Voor deze uittreding geldt een opzegtermijn van een kalenderjaar en zij treedt in werking op de datum die het besluit aangeeft.
2. De uittredende gemeente is gedurende de drie jaren na afloop van het begrotingsjaar waarin de uittreding plaatsvindt een bijdrage verschuldigd van respectievelijk 100%, 66% en 33. Hierop zijn ook de indexatie en begrotingswijzigingen van toepassing.
3. Aan de uittreding kan het algemeen bestuur nadere voorwaarden verbinden. Artikel 21 Wijziging
1. Zowel het dagelijks bestuur als een college kan aan het algemeen bestuur voorstellen doen over het wijzigen van deze regeling. Het algemeen bestuur kan ook zelfstandig besluiten tot een voorstel tot wijziging.
2. Wanneer het algemeen bestuur instemt met een voorstel tot wijziging, stuurt het dagelijks bestuur dit als voorstel naar de colleges.
3. Deze regeling wordt gewijzigd als tenminste drie vierde van de colleges van de deelnemende gemeenten daarmee heeft ingestemd.
4. Indien in een wijziging niet is bepaald wanneer deze in werking treedt, gaat de wijziging in op de eerste dag na die van bekendmaking in de Staatscourant door het gemeentebestuur van de gemeente Breda.
Artikel 22 Opheffing
1. De regeling wordt opgeheven, wanneer de colleges van tenminste drie vierde van de gemeenten daartoe besluiten.
2. Bij opheffing van de regeling besluit het algemeen bestuur tot liquidatie, gehoord de colleges. 3. Bij opheffing blijven de organen van het openbaar lichaam zo nodig in functie totdat de liquidatie is beëindigd.
Hoofdstuk 8 Slot Artikel 23
1. Deze regeling heet: Gemeenschappelijke regeling GGD West-Brabant en geldt voor onbepaalde tijd. 2. Het gemeentebestuur van de gemeente Breda draagt zorg voor bekendmaking van het besluit tot vaststelling van de regeling, van de besluiten tot wijziging en opheffing van de regeling en van de besluiten tot toetreding en uittreding in de Staatscourant en stuurt deze besluiten naar gedeputeerde staten.
3. In alle gevallen waarin deze regeling niet voorziet, beslist het algemeen bestuur. Ondertekening Aldus besloten door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alphen-Chaam, d.d. [DATUM]; het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Altena d.d. [DATUM];
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Baarle-Nassau d.d. [DATUM]; het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom, d.d. [DATUM]; het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, d.d. [DATUM]; het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Drimmelen, d.d. [DATUM]; het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Etten-Leur, d.d. [DATUM]; het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Geertruidenberg, d.d. [DATUM]; het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Halderberge, d.d. [DATUM]; het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Moerdijk, d.d. [DATUM]; het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oosterhout d.d. [DATUM]; het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal, d.d. [DATUM]; het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rucphen, d.d. [DATUM]; het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Steenbergen, d.d. [DATUM]; het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woensdrecht d.d. [DATUM]; het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zundert, d.d. [DATUM];
Gemeenschappelijke regeling GGD West-Brabant - toelichting Deze regeling sluit zoveel mogelijk aan bij de bepalingen in de Wet gemeenschappelijke regelingen en/of de Gemeentewet. Waar die bepalingen verplicht zijn, staan ze meestal niet in deze regeling. Hieronder volgt een toelichting op enkele artikelen en nadere informatie over enkele punten nadere. Overal waar in de regeling 'hij' of 'zijn' staat, zou ook 'zij' of 'haar' kunnen staan. Aanhef De wet zegt dat gemeenten een gezondheidsdienst instellen en in stand houden voor de uitvoering van een aantal taken en dat ze dit doen samen met andere gemeenten. Daarom stellen de gemeenten deze gemeenschappelijke regeling vast. De regeling sluit aan bij de Wet publieke gezondheid (hierna: de wet), die in de plaats kwam van o.a. de Wet collectieve preventie volksgezondheid. De gemeente formuleert zijn gezondheidsbeleid en stuurt de GGD vanuit dat kader aan. De uitgangspunten bij de vormgeving van de bestuurlijke structuur zijn: -
gemeenten voeren de regie en moeten de GGD zo nodig direct kunnen inzetten.
-
er moet ruimte zijn voor gemeenten om de GGD individueel en gezamenlijk aan te sturen;
-
de GGD functioneert binnen die kaders als een zelfstandige, professionele organisatie;
-
gemeenten moeten kunnen ingrijpen als de GGD de taken niet goed uitvoert.
De GGD moet dus genoeg keuzevrijheid bieden en flexibel aansluiten op de lokale wensen. Hij moet ook werken met een slagvaardige bedrijfsvoering, die leidt tot het behalen van de doelen. Daarbij kunnen de gemeenten, via het algemeen bestuur, inhoudelijke kaders stellen en toezichthouden op het beheer van de GGD. Het algemeen bestuur zal zich daarbij vooral richten op de beleidskaders, de begroting en de rekening. Het dagelijks bestuur richt zich vooral op het toezicht op de directie. Artikel 4 Taken Artikel 4 van de regeling sluit aan bij de wettelijke taken en de bepalingen in artikel 14 van de wet: Artikel 14, Wet Publieke Gezondheid 1.
Ter uitvoering van bij of krachtens deze wet opgedragen taken dragen de colleges van
burgemeester en wethouders van gemeenten die behoren tot een regio als bedoeld in de Wet veiligheidsregio’s, via het treffen van een gemeenschappelijke regeling zorg voor de instelling en instandhouding van een regionale gezondheidsdienst in die regio. (...) 4.
Met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels, staat het college van
burgemeester en wethouders vrij om de uitvoering van de taken of onderdelen van taken, bedoeld in de artikelen 2, tweede lid, onder h, en 5, tweede lid, onder a tot en met d, over te laten of mede over te laten aan een ander dan de gemeentelijke gezondheidsdienst. Uit lid 4 van artikel 14 van de wet blijkt een gemeente de jeugdgezondheidszorg ook (mede) kan overlaten aan andere organisaties dan de gemeentelijke gezondheidsdienst. In West-Brabant gebeurt dit in een aantal gemeenten ook, voor de zorg voor de 0- tot 4-jarigen. Voor de andere wettelijke taken staat de koppeling met de GGD in lid 1 van artikel 14. Het algemeen bestuur bepaalt de omvang en de inhoud van het pakket bij de vaststelling van de basistaken en in de (jaarlijkse) begroting. Daarnaast zijn onderstaande artikelen uit de wet van toepassing op de gemeenschappelijke regeling: Artikel 2, Wet Publieke Gezondheid
1. Het college van burgemeester en wethouders bevordert de totstandkoming en de continuïteit van en de samenhang binnen de publieke gezondheidszorg en de afstemming ervan met de curatieve gezondheidszorg en de geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen.
2. Ter uitvoering van de in het eerste lid bedoelde taak draagt het college van burgemeester en wethouders in ieder geval zorg voor:
a.
het
verwerven
van,
op
epidemiologische
analyse
gebaseerd,
inzicht
in
de
gezondheidssituatie van de bevolking;
b.
het elke vier jaar, voorafgaand aan de opstelling van de nota gemeentelijke gezondheidsbeleid, bedoeld in artikel 13, tweede lid, op landelijk gelijkvormige wijze verzamelen en analyseren van gegevens over deze gezondheidssituatie;
c.
het bewaken van gezondheidsaspecten in bestuurlijke beslissingen;
d.
het bijdragen aan opzet, uitvoering en afstemming van preventieprogramma’s, met inbegrip van programma’s voor de gezondheidsbevordering;
e.
het bevorderen van medisch milieukundige zorg;
f.
het bevorderen van technische hygiënezorg;
g.
het bevorderen van psychosociale hulp bij rampen;
h.
het geven van prenatale voorlichting aan aanstaande ouders.
(...)
Artikel 5, Wet Publieke Gezondheid
1. Het college van burgemeester en wethouders draagt zorg voor de uitvoering van de jeugdgezondheidszorg.
2. Ter uitvoering van de in het eerste lid bedoelde taak draagt het college van burgemeester en wethouders in ieder geval zorg voor:
a.
het op systematische wijze volgen en signaleren van ontwikkelingen in de gezondheidstoestand van jeugdigen en van gezondheidsbevorderende en -bedreigende factoren,
b.
het ramen van de behoeften aan zorg,
c.
de vroegtijdige opsporing en preventie van specifieke stoornissen, met uitzondering van het perinatale onderzoek op phenylketonurie (PKU), congenitale hypothyroïdie (CHT) en adrenogenitaal syndroom (AGS) en het aanbieden van vaccinaties voorkomend uit het Rijksvaccinatieprogramma,
d.
het geven van voorlichting, advies, instructie en begeleiding,
e.
het formuleren van maatregelen ter beïnvloeding van gezondheidsbedreigingen.
(...) Artikel 6, Wet Publieke Gezondheid 1.
Het college van burgemeester en wethouders draagt zorg voor de uitvoering van de algemene infectieziektebestrijding, waaronder in ieder geval behoort:
a.
het nemen van algemene preventieve maatregelen op dit gebied,
b.
het bestrijden van tuberculose en seksueel overdraagbare aandoeningen, inclusief bron- en contactopsporing,
c.
bron- en contactopsporing bij meldingen als bedoeld in de artikelen 21, 22, 25 en
26. (...)
Artikel 8 Het algemeen bestuur Dit artikel beschrijft onder andere de besluitvorming in het algemeen bestuur. Het streven is: besluiten in consensus, maar toch is, als dat niet lukt, een nauwkeuriger beschrijving nodig. De algemene regel (in lid 2) is gelijk aan de besluitvorming in de gemeenteraad: het algemeen bestuur besluit met (absolute) meerderheid van de uitgebrachte stemmen. Voor het vaststellen van de begroting moeten die stemmen daarnaast ook de meerderheid vertegenwoordigen van de inwoners van de gemeenten (waarvan de leden hun stem uitbrachten). Daardoor weegt in die besluiten ook het financieel belang van elke gemeente mee. Artikel 12 Inwonerparticipatie De inwonerparticipatie wordt voor het grootste deel weggelegd bij de deelnemende gemeenteraden. Deze optie voldoet het meest aan de wens om de inspraak te laten verlopen via het orgaan met de meeste democratische legitimiteit. Artikel 15 Financiën Artikel 194 en 195 van de Gemeentewet luiden:
Artikel 194, Gemeentewet
1. Indien de raad weigert verplichte uitgaven op de begroting te brengen, doen gedeputeerde staten dit. 2. Indien de raad bovendien weigert in voldoende dekking van in het eerste lid bedoelde uitgaven te voorzien, verminderen gedeputeerde staten daartoe hetzij het bedrag voor onvoorziene uitgaven, hetzij indien dit bedrag niet toereikend is, overige niet-verplichte uitgaven. Artikel 195, Gemeentewet Gedeputeerde staten dragen zo nodig aan de bevoegde gemeenteambtenaar de betaling op ten laste van de gemeente van hetgeen als verplichte uitgaaf op de begroting is gebracht. Artikel 16 Meerjarenbeleidsplan, kaderbrief en begroting Vóór de begroting stelt het algemeen bestuur een kadernota vast. Hierin staan de hoofdlijnen van het beleid voor de komende jaren en de globale financiële gevolgen daarvan. Het algemeen bestuur bespreekt deze nota in april. Gemeenten kunnen hierdoor tijdig invloed uitoefenen. Daarnaast stelt het dagelijks bestuur in december een beheersbegroting vast, die de middeleninzet beschrijft van personeel, huisvesting en kapitaallasten
Lijst met essentiële wijzigingen Gemeenschappelijke Regeling GGD West-Brabant augustus 2023
In de ‘Wordt’-kolom ziet u de nieuwe artikelen zoals deze zijn opgenomen in de Gemeenschappelijke Regeling. De wijzigingen zijn hierbij geel gearceerd. Enkele wijzigingen hebben ervoor gezorgd dat ook de nummering van de artikelen is aangepast. Die aanpassing is niet steeds in de tabel opgenomen.
Was
Wordt
Artikel 4 Taken
Artikel 4 Taken
1. De gemeenten dragen aan de GGD de uitvoering op van gemeentelijke taken in de Wet publieke gezondheid en van de toezichtstaken in de Wet kinderopvang en kwaliteitseisenpeuterspeelzalen.
1. De gemeenten dragen aan de GGD de uitvoering op van:
2. Gemeenten of derden kunnen aan de GGD de uitvoering opdragen van taken voor de geneeskundige hulpverlening en van andere taken. 3. Het algemeen bestuur stelt tenminste een maal per vier jaar de basistaken vast. 4. De aanvullende taken zijn zo beschreven dat een gemeente op basis hiervan kan besluiten tot afname op contractbasis.
1. Gemeentelijke taken in de Wet publieke gezondheid; 2. Toezichtstaken in de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen; 3. Toezichtstaken in de Wet maatschappelijke opvang; 4. Gemeentelijke lijkschouwtaken in de Wet op de lijkbezorging; 5. Taken voor de openbare geestelijke gezondheidszorg (OGGZ). 2. Gemeenten of derden kunnen aan de GGD de uitvoering opdragen van taken voor de geneeskundige hulpverlening en van andere taken. 3. Het algemeen bestuur kan naar redelijkheid en billijkheid de basistaken opnieuw vaststellen. 4. Indien een gemeente wil afwijken van de afname van de overeengekomen basistaken, kan het algemeen bestuur hieraan voorwaarden verbinden, bijvoorbeeld een afbouwregeling zoals beschreven in artikel 20, lid 2
5. De aanvullende taken zijn zo beschreven dat een gemeente op basis hiervan kan besluiten tot afname op contractbasis.
Artikel 5 Het algemeen bestuur
Artikel 5 Het algemeen bestuur
1. Het algemeen bestuur bestaat uit evenveel leden als het aantal gemeenten. Iedere gemeente wordt door één lid vertegenwoordigd.
1. Het algemeen bestuur bestaat uit minimaal evenveel leden als het aantal gemeenten. Iedere gemeente wordt door minimaal één lid vertegenwoordigd.
2. Elk college wijst dit lid uit zijn midden aan, zo spoedig mogelijk na de benoeming van de wethouders na de verkiezing van de leden van de raad.
2. Elk college wijst dit lid uit zijn midden aan, zo spoedig mogelijk na de benoeming van de collegeleden na de verkiezing van de leden van de raad.
3. Het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt op de dag waarop de wethouders van de gemeente aftreden, als bedoeld in artikel 42 van de Gemeentewet.
3. Het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt op de dag waarop de collegeleden van de gemeente aftreden, als bedoeld in artikel 42 van de Gemeentewet.
4. Als een lid van het algemeen bestuur ophoudt lid van het college te zijn, eindigt ook zijn lidmaatschap van het algemeen bestuur. Het college voorziet zo spoedig mogelijk in de vacature en deelt de voorzitter dit binnen één week mee.
4. Als een lid van het algemeen bestuur ophoudt lid van het college te zijn, eindigt ook zijn lidmaatschap van het algemeen bestuur. Het college voorziet zo spoedig mogelijk in de vacature en deelt de voorzitter dit binnen één week mee.
5. Het college kan een door hem aangewezen lid ontslaan als dit zijn vertrouwen niet meer heeft, nadat dit lid zich heeft kunnen verantwoorden. De artikelen 49 en 50 van de Gemeentewet zijn dan van toepassing. 6. Het college waarvan het algemeen bestuur een lid aanwijst als lid van het dagelijks bestuur heeft het recht een tweede lid van het algemeen bestuur aan te wijzen. Het bepaalde in de leden 3 tot en met 5 van dit artikel is van toepassing op deze leden. 7. Wanneer het in lid 6 genoemde eerst aangewezen lid geen deel meer uitmaakt van het dagelijks bestuur, vervalt het recht van het college om een tweede lid in het algemeen bestuur aan te
5. Het college kan een door hem aangewezen lid ontslaan als dit zijn vertrouwen niet meer heeft, nadat dit lid zich heeft kunnen verantwoorden. De artikelen 49 en 50 van de Gemeentewet zijn dan van toepassing. 6. Het college waarvan het algemeen bestuur een lid aanwijst als lid van het dagelijks bestuur heeft het recht een tweede lid van het algemeen bestuur aan te wijzen. Het bepaalde in de leden 3 tot en met 5 van dit artikel is van toepassing op deze leden. 7. Wanneer het in lid 6 genoemde eerst aangewezen lid geen deel meer uitmaakt van het dagelijks bestuur, vervalt het recht van
wijzen. Het algemeen bestuur kan zich laten bijstaan door een of meer adviseurs.
Artikel 6 Het dagelijks bestuur 1. Het algemeen bestuur wijst uit zijn midden de voorzitter en tenminste drie andere leden van het dagelijks bestuur aan. De voordracht van deze leden gebeurt: -
-
-
voor een lid: door de gezamenlijke leden in het algemeen bestuur van de gemeenten met meer dan 100.000 inwoners; voor een lid: door de gezamenlijke leden in het algemeen bestuur van de gemeenten met 40.000 tot 100.000 inwoners; voor twee leden: door de gezamenlijke leden in het algemeen bestuur van gemeenten met minder dan 40.000 inwoners.
2. Het dagelijks bestuur bestaat naast de leden genoemd in lid 1 van dit artikel uit twee leden die het algemeen bestuur aanwijst op grond van hun deskundigheid op het terrein van de publieke gezondheidszorg en/of financiën en bedrijfsvoering. Deze twee leden zijn geen lid van het algemeen bestuur of het bestuur van een gemeente en kunnen, als het algemeen bestuur daartoe besluit, een vergoeding voor hun werkzaamheden en een tegemoetkoming in de kosten ontvangen. 3. Het algemeen bestuur kan besluiten een lid van het dagelijks bestuur ontslag te verlenen als dit lid het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit. Op het ontslagbesluit
het college om een tweede lid in het algemeen bestuur aan te wijzen. 8. Het algemeen bestuur kan zich laten bijstaan door een of meer adviseurs. Artikel 6 Het dagelijks bestuur 1. De voorzitter van het dagelijks bestuur is een burgemeester van één van de deelnemende gemeenten. 2. Het algemeen bestuur wijst uit zijn midden tenminste drie andere leden van het dagelijks bestuur aan. De voordracht van deze leden gebeurt: -
voor een lid: door de gezamenlijke leden in het algemeen bestuur van de gemeenten met meer dan 100.000 inwoners;
-
voor een lid: door de gezamenlijke leden in het algemeen bestuur van de gemeenten met 40.000 tot 100.000 inwoners;
-
voor twee leden: door de gezamenlijke leden in het algemeen bestuur van gemeenten met minder dan 40.000 inwoners.
3. Het dagelijks bestuur bestaat naast de leden genoemd in lid 1 van dit artikel uit twee leden die het algemeen bestuur aanwijst op grond van hun deskundigheid op het terrein van de publieke gezondheidszorg en/of financiën en bedrijfsvoering. Deze twee leden behoeven geen lid te zijn van het algemeen bestuur of het bestuur van een gemeente en kunnen, als het algemeen bestuur daartoe besluit, een vergoeding voor hun werkzaamheden en een tegemoetkoming in de kosten ontvangen.
is artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. 4. Hij die ophoudt lid van het algemeen bestuur te zijn, houdt ook op lid van het dagelijks bestuur te zijn. 5. Als tussentijds een plaats in het dagelijks bestuur beschikbaar komt, kiest het algemeen bestuur zo spoedig mogelijk een nieuw lid. 6. Onverminderd het bepaalde in lid 3 van dit artikel en van lid 4 van artikel 5 blijft hij die geen lid meer is van het dagelijks bestuur zijn zetel waarnemen totdat zijn opvolger die heeft aanvaard. 7. Het dagelijks bestuur kan zich laten bijstaan door een of meer adviseurs.
4. Het algemeen bestuur kan besluiten een lid van het dagelijks bestuur ontslag te verlenen als dit lid het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit. Op het ontslagbesluit is artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. 5. Hij die ophoudt lid van het algemeen bestuur te zijn, houdt ook op lid van het dagelijks bestuur te zijn. 6. Als tussentijds een plaats in het dagelijks bestuur beschikbaar komt, kiest het algemeen bestuur zo spoedig mogelijk een nieuw lid. 7. Onverminderd het bepaalde in lid 3 van dit artikel en van lid 4 van artikel 5 blijft hij die geen lid meer is van het dagelijks bestuur zijn zetel waarnemen totdat zijn opvolger die heeft aanvaard. 8. Het dagelijks bestuur kan zich laten bijstaan door een of meer adviseurs.
Artikel 7 De voorzitter
Artikel 7 De voorzitter
1. Het algemeen bestuur wijst uit zijn midden de voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter aan.
1. Als voorzitter wijst het algemeen bestuur een burgemeester van één van de deelnemende gemeenten aan.
2. De voorzitter vertegenwoordigt de GGD in en buiten rechte. Hij kan deze vertegenwoordiging opdragen aan een door hem aan te wijzen persoon. 3.
De voorzitter en de secretaris ondertekenen de stukken die van het openbaar lichaam uitgaan. Het algemeen bestuur kan de voorzitter toestaan de ondertekening op te dragen aan de secretaris.
2. Het algemeen bestuur wijst uit zijn midden een plaatsvervangend voorzitter aan. 3. De voorzitter vertegenwoordigt de GGD in en buiten rechte. Hij kan deze vertegenwoordiging opdragen aan een door hem aan te wijzen persoon. 3.
De voorzitter en de secretaris ondertekenen de stukken die van het openbaar lichaam uitgaan. Het algemeen bestuur kan de voorzitter toestaan de ondertekening op
te dragen aan de secretaris.
Artikel 10 Verantwoording en inlichtingen
Artikel 10 Verantwoording en inlichtingen
1. Het dagelijks bestuur en elk van zijn leden afzonderlijk zijn aan het algemeen bestuur verantwoording schuldig over het door het dagelijks bestuur gevoerde bestuur.
1. Het dagelijks bestuur en elk van zijn leden afzonderlijk zijn aan het algemeen bestuur verantwoording schuldig over het door het dagelijks bestuur gevoerde bestuur.
2. Het dagelijks bestuur geeft het algemeen bestuur alle inlichtingen die het algemeen bestuur voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft.
2. Het dagelijks bestuur geeft het algemeen bestuur alle inlichtingen die het algemeen bestuur voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft.
3. Het algemeen bestuur is verplicht de colleges en/of de raden desgevraagd en in ieder geval binnen zes weken te informeren en inlichtingen te geven over alle zaken over deze regeling.
3. Ieder lid van het algemeen bestuur heeft een actieve en passieve informatieplicht. Het algemeen bestuur is verplicht de colleges en/of de raden desgevraagd en in ieder geval binnen zes weken te informeren en inlichtingen te geven over alle zaken over deze regeling. Zij informeert de raad na de vergadering van het algemeen bestuur over de besluiten. De GGD zal hierin de leden van het algemeen bestuur faciliteren.
4. Het algemeen bestuur is bevoegd om, gevraagd of ongevraagd, aan een of meer colleges en/of raden advies te geven of voorstellen te doen, die hij in verband met deze regeling nodig vindt. 5. Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter zijn verplicht de door een of meer leden van de raad van een gemeente gevraagde inlichtingen te verstrekken. Zij verstrekken deze inlichtingen zo spoedig mogelijk nadat daarom is gevraagd. 6. Elk lid van het algemeen bestuur is daarnaast verplicht de door een of meer leden van het college of de raad van zijn gemeente gevraagde inlichtingen te verstrekken. Hij verstrekt deze inlichtingen zo spoedig mogelijk nadat hem daarom is gevraagd. 7. Elk lid van het algemeen bestuur is aan het college en de raad van de gemeente waarvan het college hem als lid heeft
4.
Het algemeen bestuur is bevoegd om, gevraagd of ongevraagd, aan een of meer colleges en/of raden advies te geven of voorstellen te doen, die hij in verband met deze regeling nodig vindt.
5.
Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter zijn verplicht de door een of meer leden van de raad van een gemeente gevraagde inlichtingen te verstrekken. Zij verstrekken deze inlichtingen zo spoedig mogelijk nadat daarom is gevraagd.
6. Elk lid van het algemeen bestuur is daarnaast verplicht de door een of meer leden van het college of de raad van zijn gemeente gevraagde inlichtingen te verstrekken. Hij verstrekt deze inlichtingen zo spoedig mogelijk nadat hem daarom is
aangewezen verantwoording schuldig voor het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid. Hij legt deze verantwoording zo spoedig mogelijk af nadat het college of de raad hem daarom heeft gevraagd.
In de Gemeenschappelijke Regeling van 2019 was nog geen artikel opgenomen over inwonerparticipatie.
gevraagd. 7. Elk lid van het algemeen bestuur is aan het college en de raad van de gemeente waarvan het college hem als lid heeft aangewezen verantwoording schuldig voor het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid. Hij legt deze verantwoording zo spoedig mogelijk af nadat het college of de raad hem daarom heeft gevraagd.
Artikel 12 Inwonerparticipatie 1. Inspraakmogelijkheden voor inwoners wordt via de raden van de gemeenten ingevuld. 2. Inwoners kunnen daarnaast participeren in klantenpanels. 3. De GGD West-Brabant werkt zoveel mogelijk outreachend en samen mét de inwoners. 4. De vergaderingen van het algemeen bestuur zijn openbaar toegankelijk.
Artikel 15 Meerjarenbeleidsplan, kaderbrief en begroting
Artikel 16 Meerjarenbeleidsplan, kaderbrief en begroting
1. Het algemeen bestuur stelt vierjaarlijks, bij de aanvang van een nieuwe raadsperiode, een meerjarenbeleidsplan vast waarin de financiële en inhoudelijke vooruitzichten worden uiteengezet. Het stelt voorafgaand aan die vaststelling de raden van de deelnemende gemeenten in de gelegenheid hun zienswijze op het beleidsplan in te dienen. De jaarlijkse begroting dient te passen binnen deze kaders.
1. Het algemeen bestuur stelt vierjaarlijks, bij de aanvang van een nieuwe raadsperiode, een meerjarenbeleidsplan vast waarin de financiële en inhoudelijke vooruitzichten worden uiteengezet. Het stelt voorafgaand aan die vaststelling de raden van de deelnemende gemeenten in de gelegenheid hun zienswijze op het beleidsplan in te dienen. De jaarlijkse begroting dient te passen binnen deze kaders.
2. Het in het vorige lid genoemde meerjarenbeleidsplan is samen met de jaarrekening de basis om de resultaten van de gemeenschappelijke regeling over een periode van vier jaar te evalueren.
2. Het in het vorige lid genoemde meerjarenbeleidsplan is samen met de jaarrekening de basis om de resultaten van de gemeenschappelijke regeling over een periode van vier jaar te evalueren.
3. Jaarlijks vóór 1 februari zendt het dagelijks bestuur aan de raden van de deelnemende gemeenten een brief met daarin de algemene financiële en beleidsmatige kaders. In deze brief zijn de door de deelnemende gemeenten gegeven richtlijnen verwerkt. Afwijken van deze richtlijnen kan alleen als het algemeen bestuur hiertoe besluit. Daarnaast bevat de kaderbrief de belangrijkste opgaven voor het komende jaar. Voorstellen voor nieuw beleid, die niet door de deelnemende gemeenten zijn opgenomen in de richtlijnen, worden in deze kaderbrief gedaan en expliciet vermeld als nieuw beleid.
3. Jaarlijks vóór 1 februari zendt het dagelijks bestuur aan de raden van de deelnemende gemeenten een brief met daarin de algemene financiële en beleidsmatige kaders. In deze brief zijn de door de deelnemende gemeenten gegeven richtlijnen verwerkt. Afwijken van deze richtlijnen kan alleen als het algemeen bestuur hiertoe besluit. Daarnaast bevat de kaderbrief de belangrijkste opgaven voor het komende jaar. Voorstellen voor nieuw beleid, die niet door de deelnemende gemeenten zijn opgenomen in de richtlijnen, worden in deze kaderbrief gedaan en expliciet vermeld als nieuw beleid.
4. Jaarlijks uiterlijk 15 april zendt het dagelijks bestuur de ontwerpbegroting voor het volgende begrotingsjaar, vergezeld van een toelichting, aan de leden van het algemeen bestuur en de raden van de deelnemende gemeenten met het verzoek aan de raden om hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren te brengen.
4. Jaarlijks uiterlijk 5 april zendt het dagelijks bestuur de ontwerpbegroting voor het volgende begrotingsjaar, vergezeld van een toelichting, aan de leden van het algemeen bestuur en de raden van de deelnemende gemeenten met het verzoek aan de raden om hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren te brengen.
5. Als de raming van de door elke gemeente verschuldigde bijdrage(n) is gebaseerd op het aantal inwoners, is dit het aantal inwoners per 1 januari van het jaar vóór het kalenderjaar conform de cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek.
5. Als de raming van de door elke gemeente verschuldigde bijdrage(n) is gebaseerd op het aantal inwoners, is dit het aantal inwoners per 1 januari van het jaar vóór het kalenderjaar conform de cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek.
6. De zienswijzen van de raden dienen uiterlijk 1 juli door de gemeenschappelijke regeling te zijn ontvangen. Het dagelijks bestuur voegt deze zienswijzen bij de ontwerpbegroting zoals hij deze aanbiedt aan het algemeen bestuur. Daarna stelt het algemeen bestuur de begroting vast.
6. De zienswijzen van de raden dienen uiterlijk 1 juli door de gemeenschappelijke regeling te zijn ontvangen. Het dagelijks bestuur voegt deze zienswijzen bij de ontwerpbegroting zoals hij deze aanbiedt aan het algemeen bestuur. Daarna stelt het algemeen bestuur de begroting vast. 7. Het algemeen bestuur kan een wijziging van de begroting die niet leidt tot een verhoging van gemeentelijke bijdrage vaststellen zonder dat de raden daarover hun zienswijze geven. 1. Indien een wijziging van de begroting vanuit Rijksmiddelen aan de gemeenten wordt gecompenseerd, wordt deze niet voor zienswijze aan de raden voorgelegd, tenzij het dagelijks bestuur van de GGD WB anders besluit.
In de Gemeenschappelijke Regeling van 2019 was nog geen artikel opgenomen over evaluatie.
Artikel 19 Evaluatie Het algemeen bestuur kan het functioneren van de regeling desgewenst op ieder moment, bij voorkeur in het derde jaar van de ABbestuursperiode, evalueren en betrekt de raden bij die evaluatie.
Artikel 18 Uittreding
Artikel 20 Uittreding
1. Een gemeente kan uittreden doordat het college een daartoe strekkend besluit stuurt aan het algemeen bestuur. Voor deze uittreding geldt een opzegtermijn van een kalenderjaar en zij treedt in werking op de datum die het besluit aangeeft.
1. Een gemeente kan uittreden doordat het college een daartoe strekkend besluit stuurt aan het algemeen bestuur. Voor deze uittreding geldt een opzegtermijn van een kalenderjaar en zij treedt in werking op de datum die het besluit aangeeft.
2. De uittredende gemeente is gedurende de drie jaren na afloop van het begrotingsjaar waarin de uittreding plaatsvindt een bijdrage verschuldigd van respectievelijk 100%, 66% en 33%.
2. De uittredende gemeente is gedurende de drie jaren na afloop van het begrotingsjaar waarin de uittreding plaatsvindt een bijdrage verschuldigd van respectievelijk 100%, 66% en 33%. Hierop zijn ook de indexatie en begrotingswijzigingen van toepassing.
3. Aan de uittreding kan het algemeen bestuur verdere voorwaarden verbinden.
3. Aan de uittreding kan het algemeen bestuur nadere voorwaarden verbinden.
Aan de Colleges en Raden van de gemeenten die deelnemen in de GR Regionale Ambulancevoorziening (RAV) Brabant Midden-West-Noord
Kenmerk:
RAVUIT290923wijzgr
Datum:
28 september 2023
Behandeld door:
Gezie Pelkmans
E-mail:
g.pelkmans@ravbrabantmwn.nl
Onderwerp:
Wijzigingsvoorstel GR RAV Brabant MWN
Geacht College, geachte Raad,
Namens het Algemeen Bestuur bieden wij u aan het wijzigingsvoorstel inzake de Gemeenschappelijke Regeling (GR) RAV Brabant Midden-West-Noord (versie 8, 1 juli 2024). De wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) maakt aanpassing van de GR RAV Brabant MWN noodzakelijk. Zowel inhoudelijk als in tijdsplanning is hierbij zoveel mogelijk aangesloten bij de GGD’en in ons werkgebied. Verdere toelichting hierover vindt u in bijlage 1. Naast de aanpassing als gevolg van de gewijzigde Wgr stelt het Algemeen Bestuur voor om in de tekst van de GR RAV versie 8 op te nemen dat elk lid van het Algemeen Bestuur maximaal één ander lid mag vertegenwoordigen in haar jaarlijkse vergadering. Dit om te waarborgen dat de besluitvorming van het Algemeen Bestuur ook door kan gaan als er geen quorum fysiek aanwezig is. Alle voorgestelde wijzigingen zijn onlangs akkoord bevonden door ons Algemeen Bestuur. Graag vernemen wij uw zienswijze inzake voorliggend wijzigingsvoorstel, uiterlijk 1 januari 2024.
RAV Brabant Midden-West-Noord Postbus 3024 5003 DA Tilburg 085 044 22 00
www.ravbrabantmwn.nl info@ravbrabantmwn.nl
Na overweging van de zienswijzen en eventuele aanpassing van de ontwerpregeling zal het definitieve wijzigingsvoorstel worden voorgelegd aan colleges en raden, ditmaal ter accordering. Definitieve vaststelling door het Algemeen Bestuur is gepland in de vergadering van juni 2024. De GR RAV versie 8 kan dan per 1 juli 2024 van kracht worden, waarmee wordt voldaan aan de wettelijke termijn.
Indien u vragen heeft over het bovenstaande, kunt u contact met ons opnemen via bovenstaand e-mailadres.
Hopend u hiermede voldoende te hebben ingelicht,
Met vriendelijke groet,
Jan de Waard, algemeen directeur en secretaris van het bestuur RAV Brabant Midden-West-Noord
Bijlagen:
- bijlage 1: Toelichting op de voorgestelde wijzigingen - bijlage 2: GR RAV Brabant MWN versie 8, met annotatie van de wijzigingen
AANPASSING GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING RAV BRABANT MIDDEN-WEST-NOORD Voorstel wijziging n.a.v. aangepaste wetgeving (Wgr) van versie 7 naar versie 8 met toelichting
Achtergrond Op 1 juli 2022 is de gewijzigde Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) in werking getreden. Deze wetswijziging beoogt de betrokkenheid van volksvertegenwoordigers (in ons geval de gemeenteraden) bij het bestuur van een gemeenschappelijke regeling (GR) te verbeteren, met als doel het verhogen van de invloed op besluiten van een gemeenschappelijke regeling. Het algemeen bestuur van de GR Regionale Ambulancevoorziening Brabant Midden-West-Noord bestaat uit 35 leden uit de colleges (burgemeester of wethouder) van de 35 deelnemende gemeenten. De wet introduceert nieuwe instrumenten waarmee gemeenteraden hun controlerende en kaderstellende taken richting dit algemeen bestuur beter kunnen uitvoeren. De wetgever is zich ervan bewust geweest dat er gemeenschappelijke regelingen zijn in veel verschillende soorten en maten. Dit is de reden dat in veel gevallen ervoor gekozen is om geen harde inhoudelijke bepalingen in de nieuwe wet op te nemen, maar alleen de verplichting om met elkaar daarover in de GR afspraken te maken. Dit betekent dat er nog veel ruimte is voor een eigen invulling. De wetswijziging dient binnen 2 jaar, dus voor 1 juli 2024 te zijn geïmplementeerd in de eigen GR.
Mede vanuit de wens voor eenduidigheid hebben de GR’en in de regio West- en Midden-Brabant de handen ineen geslagen en een notitie opgesteld met de kaders voor implementatie van de wijziging van de diverse GR’en. Deze notitie (zie bijlage) is vastgesteld door het Dagelijks Bestuur van de RAV Brabant MWN op 6 april 2023 en bevat de volgende uitgangspunten: 1. Versterking eigenaarschap bestuurder Uitgangspunt 1: Het eerste aanspreekpunt voor de raad/PS ten aanzien van aangelegenheden van de GR is het eigen AB-lid en de eigen inhoudelijke portefeuillehouder. 2. Uniformiteit versus verscheidenheid Uitgangspunt 2: De GR’en zijn zo verschillend van taakveld, schaal, politieke gevoeligheid, financieel risico enz., dat er geen uniforme afspraken te maken zijn. Er wordt alleen gestreefd naar uniformiteit daar waar mogelijk is. 3. Vergroten inhoudelijke betrokkenheid Uitgangspunt 3: De nieuwe instrumenten vooral inzetten om tijdige en inhoudelijke betrokkenheid te creëren. 4. De planning & control cyclus Uitgangspunt 4: Voor de P&C-cyclus geldt als uitgangspunt de wettelijke termijnen, waarbij deze gelden als uiterste termijn. Uitgaande van bovenstaande uitgangspunten volgt hieronder het voorstel hoe de wetswijziging concreet te implementeren in de GR RAV Brabant MWN. A.
Mogelijkheid tot het instellen van een gemeenschappelijke adviescommissie De vraag is of een dergelijke adviescommissie zinvol is voor onze GR en of deze een bijdrage zou leveren aan de kaderstellende rol van de gemeenteraden. Hierbij spelen taken en aard van de GR een belangrijke rol. De RAV Brabant MWN is een uitvoerende organisatie, die een beperkt aantal basistaken, met een wettelijke grondslag, uitvoert in haar werkgebied: het instandhouden van de ambulancezorgvoorziening en de meldkamer ambulancezorg, het uitvoeren van de regionale ambulanceplannen en het leveren van een bijdrage aan de Geneeskundige Hulp bij Ongevallen
en Rampen (GHOR). Deze taken worden geheel vanuit de landelijk toegewezen budgetten gefinancierd, zonder financiële bijdrage van de gemeenten. Uitvoering van deze taken vindt plaats binnen vastomlijnde wettelijke en landelijke kaders, in nauwe afstemming met de zorgverzekeraars. De aard van de GR RAV maakt instellen van een dergelijke adviescommissie ook lastig, omdat deze met 35 deelnemende gemeenten een forse omvang heeft en een zeer groot en divers werkgebied omvat. Wij stellen daarom ook voor om vanuit de RAV geen actie te ondernemen rondom het instellen van een gemeenschappelijke adviescommissie. Mochten alle raden van de gemeenten die deelnemen in de GR dit wel willen, dan zal hieraan uiteraard worden meegewerkt. Zie artikel 15, lid 10.
B. Aanwijzen van besluiten waarvoor een zienswijzeprocedure geldt In de huidige GR is vastgelegd dat de Raden om een zienswijze wordt gevraagd over de ontwerpbegroting. De kadernota bevat geen financiële informatie en wordt in januari verstrekt aan de Raden. Het vragen van een zienswijze op de kaderbrief is tijdstechnisch onmogelijk, omdat de ontwerpbegroting uiterlijk 5 april gereed moet zijn om aan de Raden gezonden te worden. Dit en het feit dat er geen financiële bijdrage wordt gevraagd maakt dat er voor is gekozen geen zienswijze op de kaderbrief te vragen. In de nieuwe GR wordt wel opgenomen dat het AB kan beslissen of er naast de begroting ook over andere zaken een zienswijze moet worden opgevraagd. Zie artikel 19, lid 4. C. Invulling geven aan de actieve informatieplicht Uitgangspunt is dat de informatie in eerste instantie via het AB-lid verloopt: dit is al uitgebreid opgenomen in de huidige GR. Daarnaast verstrekt de RAV zeer laagdrempelig informatie aan gemeenten via de relatiebeheerder, info@ravbrabantmwn.nl en onze website. Om nog meer invulling te geven aan de actieve informatieplicht zal in de nieuwe GR de bepaling worden opgenomen dat de raden na het AB op de hoogte worden gebracht van de genomen besluiten. Zie artikel 15, lid 7. D.
Invulling geven aan de participatie van burgers en belanghebbenden De RAV beschikt sinds 2021 over een cliëntenraad, conform de Wet medezeggenschap cliëntenraden in de zorg (Wmcz). Dit is toegevoegd aan de ontwerpregeling. Participatie van burgers en belanghebbenden is niet op een andere manier geregeld dan via de gemeenteraden en de cliëntenraad. Zie artikel 15, lid 9 en 10. E. Veranderende termijnen in de P&C-cyclus De RAV werkt al met de wettelijke termijnen, zoals de 12 weken waarin de Raden de tijd krijgen om een zienswijze in te dienen op de ontwerpbegroting. De termijnen zijn gebaseerd op het feit dat het Algemeen Bestuur slechts 1x per jaar vergadert, rond 1 juli. Dit heeft tot op heden geen problemen opgeleverd. Om tegemoet te komen aan het streven naar uniformiteit met de andere GR’en wordt de uiterste datum voor indienen voor zienswijze van 15 april naar 5 april verplaatst. Zie artikel 19, lid 3. Relatie met nota Verbonden Partijen Voor de RAV betreft dit alleen de termijnen, en niet de financiële uitgangspunten, omdat de RAV geheel binnen het eigen budget opereert en er geen sprake is van een financiële bijdrage vanuit de gemeenten. F. Evaluatie van de regeling Voorgesteld wordt om in de ontwerpregeling op te nemen dat regelmatig een evaluatie van de GR plaatsvindt.
Qua planning zal hierbij rekening gehouden worden met het tijdstip waarop nieuwe colleges gevormd zijn. Zie artikel 22. G. Opstellen uittredingsvoorwaarden De uittredingsvoorwaarden zijn al afdoende opgenomen in de huidige GR. Artikel 23 blijft ongewijzigd.
Gemeenschappelijke regeling Regionale Ambulancevoorziening Brabant Midden-West-Noord
De raden en de colleges van de gemeenten Alphen-Chaam, Altena, Baarle-Nassau, Bergen op Zoom, Bernheze, Boekel, Boxtel, Breda, Dongen, Drimmelen, Etten-Leur, Geertruidenberg, Gilze en Rijen, Goirle, Halderberge, ’s-Hertogenbosch, Heusden, Hilvarenbeek, Land van Cuijk, Loon op Zand, Maashorst, Meierijstad, Moerdijk, Oisterwijk, Oosterhout, Oss, Roosendaal, Rucphen, SintMichielsgestel, Steenbergen, Tilburg, Vught, Waalwijk, Woensdrecht en Zundert;
overwegende
dat het voor een goede ambulancezorg van belang is samen te werken; -
dat deze samenwerking zich richt op ambulancezorg waarbij de patiënt centraal staat;
-
dat de ambulancezorg een onderdeel is van de keten van gezondheidszorg in Nederland;
-
dat de ambulancezorg daarnaast een belangrijke pijler is onder de geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen en het wenselijk is om het werkgebied te laten samenvallen met dat van de veiligheidsregio’s Midden- en West-Brabant en Brabant-Noord; dat zij daarvoor een gemeenschappelijke regeling willen aangaan op de schaal van Middenen West-Brabant en Brabant-Noord en daarbij een openbaar lichaam willen instellen;
gelet op: de Wet gemeenschappelijke regelingen, de Gemeentewet, de Wet ambulancezorgvoorzieningen , de Kwaliteitswet zorginstellingen, de Wet toelating zorginstellingen, de Wet marktordening gezondheidszorg en de Wet veiligheidsregio’s; besluiten de gemeenschappelijke regeling Regionale Ambulancevoorziening Brabant Midden-WestNoord te wijzigen en conform de volgende tekst vast te stellen.
Gemeenschappelijke regeling RAV Brabant Midden-West-Noord versie 8
1
Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.
Begripsbepalingen
Begrippen
Deze gemeenschappelijke regeling verstaat onder: a.
wet: Wet gemeenschappelijke regelingen;
b.
regeling: deze gemeenschappelijke regeling;
c.
gemeente: aan de regeling deelnemende gemeente;
d.
college: college van burgemeester en wethouders van een gemeente;
e.
werkgebied: het gezamenlijke grondgebied van de gemeenten in enerzijds het gebied Midden- en West-Brabant en anderzijds de gemeenten in het gebied Brabant-Noord; -
Midden- en West-Brabant: de gemeenten Alphen-Chaam, Altena, Baarle-Nassau, Bergen op Zoom, Breda, Dongen, Drimmelen, Etten-Leur, Geertruidenberg, Gilze en Rijen, Goirle, Halderberge, Hilvarenbeek, Loon op Zand, Moerdijk, Oisterwijk, Oosterhout, Roosendaal, Rucphen, Steenbergen, Tilburg, Waalwijk, Woensdrecht en Zundert;
-
Brabant-Noord: de gemeenten Bernheze, Boekel, Boxtel, Heusden, ’s-Hertogenbosch, Land van Cuijk, Maashorst, Meierijstad, Oss, Sint-Michielsgestel en Vught;
f.
gedeputeerde staten: gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant;
g.
ambulancezorg: zorg, erop gericht een zieke of gewonde ter zake van zijn aandoening of letsel hulp te verlenen en/of per ambulance te vervoeren;
h.
Regionale Ambulancevoorziening (RAV): rechtspersoon waaraan vergunning is verleend tot het verlenen van ambulancezorg;
i.
meldkamer (ambulancezorg): meldkamer als bedoeld in artikel 35, eerste Lid Wet veiligheidsregio’s;
j.
directeur RAV: directeur die bevoegd en verantwoordelijk is voor de operationele directievoering van het openbaar lichaam;
k.
directeur publieke gezondheid: functionaris als bedoeld in artikel 14, tweede lid van de Wet publieke gezondheid en artikel 32, tweede lid van de Wet veiligheidsregio’s.
2.
Waar de regeling een mannelijk voornaamwoord of een mannelijk functionarisbegrip gebruikt, bedoelt zij zowel mannelijke als vrouwelijke personen.
Hoofdstuk 2 Artikel 2 1.
Algemene bepalingen
Het openbaar lichaam
Er is een openbaar lichaam, dat heet: Regionale Ambulancevoorziening Brabant Midden-WestNoord. Het is gevestigd te Tilburg.
2.
Het bestuur van het openbaar lichaam bestaat uit het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter.
Gemeenschappelijke regeling RAV Brabant Midden-West-Noord versie 8
2
Hoofdstuk 3 Artikel 3
Doel, taken en bevoegdheden
Doel
1.
Het openbaar lichaam heeft tot doel het verlenen of doen verlenen van ambulancezorg.
2.
Het openbaar lichaam probeert dit doel te bereiken met alle wettelijk toegestane middelen die daaraan naar zijn mening kunnen bijdragen.
Artikel 4 1.
Taken
Het openbaar lichaam heeft tot taak: -
het in stand houden van een Regionale Ambulancevoorziening voor Midden- en WestBrabant;
-
het in stand houden van een Regionale Ambulancevoorziening voor Brabant-Noord;
-
het in stand houden van een meldkamer ambulancezorg voor Midden- en West-Brabant;
-
het in stand houden van een meldkamer ambulancezorg voor Brabant-Noord;
-
het vaststellen en (doen) uitvoeren van regionale ambulanceplannen voor Midden- en West-Brabant en voor Brabant-Noord;
-
het (doen) leveren van een bijdrage aan de geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen voor de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant en de Veiligheidsregio BrabantNoord;
-
alle andere taken die naar de mening van het dagelijks bestuur kunnen bijdragen aan het bereiken van het in artikel 3, lid 1 genoemde doel en de hierboven genoemde taken.
Artikel 5
Bevoegdheden
1.
Het openbaar lichaam heeft alle bevoegdheden die nodig zijn voor de uitvoering van zijn taken.
2.
Het openbaar lichaam is, voor de Regionale Ambulancevoorziening Midden- en West Brabant en de Regionale Ambulancevoorziening Brabant-Noord, zorgaanbieder zoals bedoeld in artikel 1, aanhef onder c, van de Wet marktordening gezondheidszorg.
Hoofdstuk 4 Artikel 6
Het algemeen bestuur
Samenstelling
1.
Het algemeen bestuur bestaat uit zoveel leden als het aantal deelnemende gemeenten.
2.
De raden wijzen bij voorkeur als lid aan het collegelid met de portefeuille gezondheidszorg of het collegelid dat lid is van het algemeen bestuur van de GGD West-Brabant of de GGD Hart voor Brabant.