Bijlage bij Raadsvoorstel Vaststelling gewijzigde gemeenschappelijke regelingen (bundeling)
Tekst van het document
Hierin is de verantwoording over de zorg voor de archiefbescheiden door het dagelijks bestuur aan het algemeen bestuur beschreven. Alle wijzigingen zijn terug te zien in het wijzigingsdocument (bijlage 2). Graag verneem ik van u of uw gemeenteraad instemt met de 'Gemeenschappelijke Regeling Streekarchief Langstraat Heusden Altena 2024'. Bij voorbaat dank, en met vriendelijke groet,
Mariska Heijmans-van Bruggen secretaris/streekarchivaris Bijlagen: 1. De vastgestelde regeling GR SALHA 2024 2. Een was/wordt weergave GR SALHA 2024 (wijzigingsdocunnent)
Gemeenschappelijke Regeling Streekarchief Langstraat Heusden Altena 2024
De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Altena, Heusden en Waalwijk, ieder voor zover hun bevoegdheden betreft, Overwegende dat: •
een langdurige samenwerking tussen de gemeenten Altena, Heusden en Waalwijk bestaat op het gebied van archiefbeheer en archiefzorg, vormgegeven in de Gemeenschappelijke Regeling Streekarchief Langstraat Heusden Altena;
•
de huidige gemeenschappelijke regeling op onderdelen aangepast en geactualiseerd moet worden, onder andere vanwege de wijzigingen in de Wet gemeenschappelijke regelingen van 1 juli 2022.
besluiten: vast te stellen de navolgende Gemeenschappelijke regeling Streekarchief Langstraat Heusden Altena 2024 HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder: a. regeling: deze gemeenschappelijke regeling; b. gemeenten: de aan deze regeling deelnemende gemeenten; c. intergemeentelijke samenwerkingsverbanden: gemeenschappelijke regelingen die gevestigd zijn in een van de aan de Gemeenschappelijke regeling Streekarchief Langstraat Heusden Altena deelnemende gemeenten; d. Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant; e. archiefbescheiden: de in artikel 1, onder c., van de Archiefwet 1995 bedoelde archiefbescheiden; f. archiefbewaarplaats: de in artikel 1, onder f., van de Archiefwet 1995 bedoelde archiefbewaarplaats; g. streekarchivaris: de in artikel 32, eerste lid, en in artikel 37, eerste lid, van de Archiefwet 1995 bedoelde archivaris; h. streekarchief: het in artikel 2, eerste lid, van deze regeling bedoelde openbaar lichaam; i. algemeen bestuur: het in artikel 4 van deze regeling bedoeld bestuursorgaan; j. dagelijks bestuur: het in artikel 4 van deze regeling bedoeld bestuursorgaan; k. Wet: Wet gemeenschappelijke regelingen. 2.
Waar in de regeling artikelen van de Gemeentewet en van verordeningen dan wel regelingen van een of meer deelnemende gemeenten van overeenkomstige toepassing worden
1
verklaard, komt in die artikelen in de plaats van de gemeente het streekarchief en in de plaats van de raad en burgemeester en wethouders respectievelijk het algemeen bestuur en dagelijks bestuur. Instelling Artikel 2 1. Er is een openbaar lichaam, genaamd ‘Streekarchief Langstraat Heusden Altena’, gevestigd te Heusden. 2. Het verzorgingsgebied van het streekarchief wordt gevormd door het grondgebied van de deelnemende gemeenten. 3. Het inwoneraantal van het streekarchief is de som van de inwoneraantallen van de gemeenten. Als inwoneraantal van de gemeenten wordt aangehouden de laatstelijk door het Centraal Bureau voor de Statistiek openbaar gemaakte bevolkingscijfers per 1 januari voorafgaande aan het begrotingsjaar. Doel en taken van de regeling Artikel 3 Het streekarchief heeft tot doel de zorg voor en het beheer van de krachtens de Archiefwet 1995 naar de archiefbewaarplaats overgebrachte archiefbescheiden; het toezicht op het beheer van de niet-overgebrachte archiefbescheiden van de gemeenten en de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, en dit te doen geschieden door of vanwege een streekarchivaris; en ten slotte het vanuit een centrale archiefbewaarplaats bevorderen van lokaal- en streekhistorisch onderzoek. HOOFDSTUK 2 HET BESTUUR Bestuur van het streekarchief Artikel 4 1.
Het bestuur van het streekarchief bestaat uit een algemeen bestuur, een dagelijks bestuur en een voorzitter. 2. Het algemeen bestuur staat aan het hoofd van het openbaar lichaam. Het algemeen bestuur Artikel 5 1. De leden van het algemeen bestuur worden aangewezen door de colleges van burgemeester en wethouders der gemeenten. 2. Ieder college wijst uit zijn midden twee leden en hun plaatsvervangers aan. 3. De leden van het algemeen bestuur worden aangewezen voor een periode van vier jaren en zij treden af op het tijdstip waarop de zittingsperiode van de gemeenteraad afloopt. 4. Indien tussentijds een zetel van het algemeen bestuur vacant komt, wijst het desbetreffende college zo spoedig mogelijk een nieuw lid aan. Artikel 6 Voor de vergaderingen van het algemeen bestuur kunnen adviseurs worden uitgenodigd. De bevoegdheden van het algemeen bestuur Artikel 7 Het algemeen bestuur oefent de bevoegdheden uit zoals in deze regeling bepaald. Artikel 8
2
Het algemeen bestuur vergadert tenminste tweemaal per jaar en voorts zo dikwijls de voorzitter of het dagelijks bestuur dit nodig oordeelt of leden van tenminste twee van de drie in het algemeen bestuur vertegenwoordigde deelnemers zulks schriftelijk, onder opgave van de te behandelen onderwerpen, verzoeken. Artikel 9 1. Het algemeen bestuur vergadert in het openbaar. De deuren worden gesloten wanneer dit door een derde gedeelte van de aanwezige leden wordt gevraagd of wanneer de voorzitter dit nodig acht. Het algemeen bestuur beslist vervolgens of met gesloten deuren zal worden vergaderd. Over de onderwerpen, in een besloten vergadering behandeld, kan daarin ook een besluit worden genomen. Van het verhandelde in een besloten vergadering dient een afzonderlijk verslag gemaakt te worden. 2. In een besloten vergadering wordt niet beraadslaagd, noch een besluit genomen over: a. het vaststellen of wijzigen van de begroting; b. het vaststellen van de rekening; c. het vaststellen, wijzigen of intrekken van verordeningen; d. het toetreden tot, uittreden uit, wijziging, vervanging en opheffing van de regeling, als bedoeld in de artikelen 36 tot en met 39 van deze regeling. Artikel 10 Het algemeen bestuur kan besluiten een lid van het dagelijks bestuur ontslag te verlenen, indien dit lid het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit. Het dagelijks bestuur Artikel 11 1.
Het dagelijks bestuur bestaat uit de voorzitter en twee of meer andere leden, door en uit het algemeen bestuur aan te wijzen. De aldus aangewezen leden van het dagelijks bestuur mogen niet allen afkomstig zijn uit dezelfde gemeente. 2. De leden van het dagelijks bestuur mogen nimmer de meerderheid van het algemeen bestuur uitmaken. 3. Het dagelijks bestuur kiest uit zijn midden een vice-voorzitter, die de voorzitter bij diens afwezigheid vervangt. 4. Indien tussentijds een zetel van het dagelijks bestuur vacant komt, wijst het algemeen bestuur in zijn eerstvolgende vergadering een lid uit zijn midden aan. Artikel 12 Voor de vergaderingen van het dagelijks bestuur kunnen adviseurs worden uitgenodigd. De bevoegdheden van het dagelijks bestuur Artikel 13 1. Het dagelijks bestuur oefent, tenzij in deze regeling anders is bepaald, de bevoegdheden uit die bij of krachtens de Archiefwet 1995 en de Gemeentewet zijn of worden toegekend aan de colleges van burgemeester en wethouders der gemeenten, voor zover die nodig zijn ter behartiging van de in artikel 3 omschreven taak van het streekarchief. 2. Het dagelijks bestuur is voorts belast met onder meer: a. het voorbereiden van al hetgeen aan het algemeen bestuur ter overweging en beslissing zal worden voorgelegd; b. het uitvoeren van de besluiten van het algemeen bestuur; c.
het beheren van de inkomsten en uitgaven van het streekarchief; d. de zorg, voor zover niet aan anderen opgedragen, voor de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding;
3
e. het nemen van alle conservatoire maatregelen, zowel in als buiten rechte en het doen van alles wat nodig is ter voorkoming van verjaring en verlies van recht op bezit; f. het houden van een voortdurend toezicht op alles wat het streekarchief aangaat. Artikel 14 1. Het dagelijks bestuur vergadert zo dikwijls als de voorzitter dit nodig oordeelt of twee leden zulks schriftelijk, onder opgave van de te behandelen onderwerpen, verzoeken. 2. Het dagelijks bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen vast, dat aan de gemeenten wordt toegezonden. Artikel 15 1. Het dagelijks bestuur verstrekt het algemeen bestuur alle inlichtingen die het algemeen bestuur voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft. 2. Het dagelijks bestuur of een of meer leden daarvan verstrekken aan het algemeen bestuur zo spoedig mogelijk doch in ieder geval binnen 6 weken na ontvangst van een daartoe strekkend verzoek, in een vergadering van dat bestuur of schriftelijk de door een of meer leden van het algemeen bestuur gevraagde inlichtingen. 3. Het algemeen bestuur kan het dagelijks bestuur of een of meer leden daarvan, nadat de inlichtingen zijn verstrekt of dienden te zijn verstrekt, in een vergadering of schriftelijk ter verantwoording roepen. De voorzitter Artikel 16 1. De voorzitter van het streekarchief is voorzitter van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur. 2.
De voorzitter wordt door en uit het algemeen bestuur aangewezen. Artikel 17 1. De voorzitter is belast met de uitvoering van de besluiten van het dagelijks bestuur. 2. De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur. 3. De voorzitter tekent de stukken die van het algemeen bestuur of van het dagelijks bestuur uitgaan. 4. De voorzitter vertegenwoordigt het streekarchief in en buiten rechte. De vertegenwoordiging kan hij opdragen aan een door hem aan te wijzen gevolmachtigde. Indien de voorzitter behoort tot het bestuur van een van de gemeenten van het samenwerkingsverband, die partij is in het geding waarbij het streekarchief betrokken is, wordt het streekarchief door de vice-voorzitter of een ander door het dagelijks bestuur aan te wijzen lid van dat bestuur vertegenwoordigd. HOOFDSTUK 3 INLICHTINGEN EN VERANTWOORDING Artikel 18 1. Het bestuur van het streekarchief verstrekt aan de raden van de deelnemende gemeenten de door een of meer leden van die raden gevraagde inlichtingen schriftelijk en zo spoedig mogelijk, voor zover dat niet strijdig is met het openbaar belang. 2. De inlichtingen worden zo spoedig mogelijk doch in ieder geval binnen twee maanden nadat het verzoek om inlichtingen is ingediend, schriftelijk verstrekt en wel door het bestuur. 3.
Onverminderd het bepaalde in lid 1, informeert het bestuur de raden van de deelnemende gemeenten actief over onderwerpen van strategisch belang.
4
4. Er worden naast de wettelijk verplichte besluiten en de reeds in deze regeling opgenomen besluiten geen andere besluiten aan de raden voorgelegd voor het indienen van een zienswijze, tenzij het bestuur anders beslist. Artikel 19 1. Een lid van het algemeen bestuur verstrekt aan het college dat hem heeft aangewezen de door een of meer leden van dat college in een vergadering van dat college of schriftelijk gevraagde inlichtingen, voor zover zulks niet strijdig is met het openbaar belang. 2. De inlichtingen worden zo spoedig mogelijk doch in ieder geval binnen twee maanden nadat het verzoek om inlichtingen bij het lid van het bestuur is ingediend, in een vergadering van dat college of schriftelijk verstrekt. 3. Nadat de inlichtingen zijn verstrekt of dienden te zijn verstrekt, kan het college het lid ter verantwoording roepen voor het door hem in het bestuur gevoerde beleid. 4. Het college kan een door hem aangewezen lid van het bestuur, indien dit lid het vertrouwen van het college niet meer bezit, als zodanig ontslag verlenen. Artikel 50 van de Gemeentewet is daarop van overeenkomstige toepassing.
HOOFDSTUK 4 BURGERPARTICIPATIE Artikel 20 Participatie van inwoners en belanghebbenden wordt toegepast bij al die bestuursbesluiten waarvan het bestuur, aanvullend op de wettelijk verplichte en al in deze regeling genoemde besluiten, afzonderlijk heeft bepaald dat deze voorgelegd worden aan de raden voor het indienen van een zienswijze. HOOFDSTUK 5 PERSONEEL EN ORGANISATIE De streekarchivaris Artikel 21 1. Het dagelijks bestuur beslist omtrent aanwijzing, schorsing en ontslag van de streekarchivaris. 2. Van aanwijzing, schorsing en ontslag van de streekarchivaris wordt mededeling gedaan aan de gemeenten. Artikel 22 1. De streekarchivaris staat de organen van het streekarchief terzijde in alles wat de hun opgedragen taak betreft. Aan hem is, onder toezicht van het dagelijks bestuur, het functioneren en leiden van het streekarchief opgedragen. Hij woont de vergaderingen van het algemeen en dagelijks bestuur bij en heeft daarin een adviserende stem. Hij draagt zorg voor het maken van een verslag van de vergaderingen. 2. Alle stukken die van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan, worden door hem mede ondertekend. Artikel 23 Het dagelijks bestuur stelt voor de streekarchivaris een instructie vast en zendt deze ter kennisneming aan de gemeenten. Het personeel Artikel 24 1. De streekarchivaris kan worden bijgestaan door een of meer medewerkers. 2.
Het dagelijks bestuur beslist omtrent benoeming, schorsing en ontslag medewerkers.
5
van de
3. Van benoeming, schorsing en ontslag van de medewerkers wordt mededeling gedaan aan de gemeenten. Artikel 25 Het dagelijks bestuur regelt de bezoldiging van het personeel alsmede de vergoeding voor reisen verblijfkosten aan het personeel. Artikel 26 De rechtspositie van het personeel wordt geregeld conform de CAO Samenwerkende Gemeentelijke Organisaties (CAO SGO), waartoe het Streekarchief is aangesloten bij de Werkgeversvereniging Samenwerkende Gemeentelijke Organisaties. Deze CAO komt grotendeels overeen met de CAO gemeenten, voorheen CAR-UWO. Artikel 27 De werkzaamheden van de streekarchivaris en zijn medewerkers, gesplitst naar de in artikel 3 onderscheiden taken, worden door het dagelijks bestuur op voorstel van de streekarchivaris geregeld in een werkplan, dat op een of meerdere jaren betrekking heeft. HOOFDSTUK 6 FINANCIËLE BEPALINGEN Artikel 28 De kosten van de archiefzorg en het archiefbeheer als bedoeld in deze regeling worden omgeslagen naar rato van het aantal inwoners zoals nader omschreven in artikel 2, lid 3. Artikel 29 1. Het algemeen bestuur stelt bij verordening de uitgangspunten en regels vast als bedoeld in de artikelen 212 en 213 van de Gemeentewet. 2. Ten aanzien van de controle op het geldelijk beheer en de administratie zijn de artikelen 212 en 213 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.
Artikel 30 Het dagelijks bestuur zendt vóór 1 februari de algemene financiële en beleidsmatige kaders voor het volgende kalenderjaar ter informatie aan de raden van de deelnemende gemeenten. Artikel 31 1. Het dagelijks bestuur stelt vóór 15 april een ontwerpbegroting op voor het volgende kalenderjaar en zendt deze, twaalf weken voordat zij door het algemeen bestuur wordt vastgesteld, aan de raden van de deelnemende gemeenten. Het aandeel van elk van de gemeenten in de voor het begrotingsjaar geraamde kosten wordt in deze ontwerpbegroting tot uitdrukking gebracht. 2. De raden van de deelnemende gemeenten dienen hun eventuele zienswijze over de ontwerpbegroting uiterlijk 1 juli kenbaar te maken. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerp-begroting, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden. 3. Het dagelijks bestuur stelt de raden van de deelnemende gemeenten voorafgaande aan het vaststellen van de begroting schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het tweede lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. 4. Nadat deze is vastgesteld, zendt het algemeen bestuur de begroting aan de raden van de deelnemende gemeenten.
6
5. Het dagelijks bestuur zendt de vastgestelde begroting vóór 15 september aan Gedeputeerde Staten. 6. Met betrekking tot wijzigingen van de begroting is de procedure als omschreven in het tweede, derde, vierde en vijfde lid van dit artikel van overeenkomstige toepassing, echter met uitzondering van de daarin genoemde data en met dien verstande, dat de gemeenteraden gedurende acht weken na ontvangst van de begrotingswijziging hun eventuele bezwaren daartegen ter kennis van het algemeen bestuur kunnen brengen. Artikel 32 1. Het algemeen bestuur stelt de jaarrekening vast over het voorafgaande jaar, zulks onder toevoeging van een verslag van het onderzoek naar de deugdelijkheid van de rekening, ingesteld door de overeenkomstig artikel 213 van de Gemeentewet aangewezen accountants en met vermelding van hetgeen hij te zijner verantwoording dienstig acht. 2. Het dagelijks bestuur zendt vóór 15 april de voorlopige jaarrekening aan de raden van de deelnemende gemeenten. 3. Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan Gedeputeerde Staten. 4. Vaststelling van de rekening strekt het dagelijks bestuur tot decharge, behoudens later in rechte gebleken valsheid in geschrifte of andere onregelmatigheden. Artikel 33 1.
Het aandeel van elk van de gemeenten in de voor het begrotingsjaar geraamde kosten moet worden betaald in twee termijnen, vervallende op 1 februari en 1 augustus van dat jaar. Binnen een maand na de vaststelling van de rekening wordt aan de gemeenten mededeling gedaan van het over dat jaar werkelijk verschuldigde aandeel. 2. Verrekening vindt, voor zoveel nodig, plaats binnen twee maanden na verzending van de in de vorige alinea bedoelde mededeling. Artikel 34 1. Het algemeen bestuur stelt financiële richtlijnen vast met betrekking tot de reserves en voorzieningen van het openbaar lichaam en benoemt daarbij een aan te houden noodzakelijk niveau van de algemene reserve. 2. De resultaatbestemming, boven de door het algemeen bestuur vastgestelde bandbreedte van maximaal 150.000 euro, wordt via een zienswijze aan de gemeenteraden voorgelegd. 3. Een besluit van het algemeen bestuur om het deel van de algemene reserve boven de vastgestelde maximale bandbreedte terug te laten vloeien naar de gemeenten, wordt niet voor een zienswijze aan de gemeenteraden voorgelegd. HOOFDSTUK 7 VERSLAG VAN DE WERKZAAMHEDEN Artikel 35 Het door de streekarchivaris samengestelde verslag van de werkzaamheden van het streekarchief over het afgelopen jaar wordt door het dagelijks bestuur voor 1 juli aan het algemeen bestuur ter vaststelling aangeboden.
Binnen vier weken na de vaststelling wordt het verslag toegezonden aan de gemeenten.
7
HOOFDSTUK 8 HET ARCHIEF VAN HET STREEKARCHIEF Artikel 36 1. Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van het streekarchief. 2. Het beheer van de archiefbescheiden van het streekarchief, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats, wordt opgedragen aan de streekarchivaris. 3. Voor de bewaring van de over te brengen archiefbescheiden van het streekarchief en van de te deponeren archieven, die belangrijk geacht kunnen worden voor de bestudering van de geschiedenis van het gebied van het streekarchief, wijst het algemeen bestuur de archiefbewaarplaats(en) van het Streekarchief aan. 4. De in lid 3 bedoelde archiefbewaarplaats(en) wordt (worden) door de colleges aangewezen tot gemeentelijke archiefbewaarplaats(en). 5. Het beheer over de archiefbewaarplaats(en), bedoeld in het derde lid van dit artikel, wordt opgedragen aan de streekarchivaris. 6. Het toezicht op het beheer van de archiefbewaarplaats, bedoeld in het vijfde lid van dit artikel, alsmede het toezicht op de archiefbescheiden van het Streekarchief, wordt opgedragen aan het dagelijks bestuur. 7. Het dagelijks bestuur informeert het algemeen bestuur jaarlijks over de uitoefening van de aan hen opgedragen zorg voor de archiefbescheiden van het bestuur van het openbaar lichaam.
Zij voegen daarbij in ieder geval: a) het verslag van de archivaris; b) voor zover van toepassing, de gedurende de betreffende periode door de archivaris aan hen uitgebrachte adviezen; en c) een voorstel voor de in het kader van de zorgplicht voor de archiefbescheiden te treffen maatregelen, zo nodig voorzien van een kostenraming. HOOFDSTUK 9 TOETREDING, UITTREDING, WIJZIGING EN OPHEFFING Toetreding Artikel 37 1. Toetreding van een gemeente tot deze regeling geschiedt bij besluiten van het college van burgemeester en wethouders, en tevens met inachtneming van het bepaalde in artikel 1 van de Wet. De toetreding treedt niet eerder in werking dan na verkregen toestemming van de gemeenteraad van de betreffende gemeente. 2. Het in het eerste lid bedoelde besluit wordt niet eerder genomen, dan nadat het algemeen bestuur met de voorgenomen toetreding heeft ingestemd. Alvorens ter zake een beslissing te nemen wint het algemeen bestuur het gevoelen in van de colleges van burgemeester en wethouders. 3. De toetreding treedt niet in werking dan na opname in de registers bedoeld in artikel 26, eerste en tweede lid, van de Wet. Uittreding Artikel 38 1. Uittreding van een gemeente geschiedt bij besluiten van het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente, en tevens met inachtneming van het bepaalde in artikel 1 van de Wet. 2.
Ten aanzien van het besluit als bedoeld in lid 1 geldt een opzegtermijn van tenminste twee jaar. 3. De uittreding vindt plaats op 1 januari na het verstrijken van de opzegtermijn. 4. Het algemeen bestuur stelt een uittredingsregeling vast waarin in ieder geval het ontvlechten van de archieven en de materialen die in de archiefbewaarplaats van het streekarchief liggen opgeslagen wordt opgenomen.
8
5. De uittredende deelnemer betaalt in jaar één van uittreding 66% en in jaar twee 33% van de bijdrage aan de begroting die de deelnemer voldeed in het jaar voorafgaand aan de uittreding. 6. Bij uittreding van een deelnemer vindt geen verrekening van het vermogen plaats. 7. Tot aan de datum van de uittreding behoudt de uittredende deelnemer alle rechten en verplichtingen die verbonden zijn aan de gemeenschappelijke regeling. 8. De uittreding treedt niet in werking dan na opname in de registers bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de Wet. Wijziging Artikel 39 De regeling kan worden gewijzigd bij besluiten van de colleges van burgemeester en wethouders van tenminste twee derde van de gemeenten, en tevens met inachtneming van het bepaalde in artikel 1 van de Wet. Opheffing Artikel 40 1. De regeling kan worden opgeheven bij besluiten van de colleges van burgemeester en wethouders van tenminste twee derde van de gemeenten, en tevens met inachtneming van het bepaalde in artikel 1 van de Wet. 2. Het besluit tot opheffing wordt toegezonden aan Gedeputeerde Staten. 3. Het algemeen bestuur regelt de gevolgen van de opheffing en liquidatie, welke regeling zo spoedig mogelijk na de vaststelling wordt gezonden aan de gemeenten. In de regeling moet ook het ontvlechten van de archieven en de materialen die in de archiefbewaarplaats van het streekarchief liggen opgeslagen worden opgenomen.
4. De gemeenten kunnen hun bezwaren tegen de in het derde lid bedoelde regeling binnen zes weken na ontvangst daarvan schriftelijk ter kennis van het algemeen bestuur brengen. 5. Indien de ingebrachte bezwaren niet door overleg tussen het algemeen bestuur en de betrokken gemeente(n) kunnen worden opgeheven binnen twee maanden na ontvangst van die bezwaren, zal aan Gedeputeerde Staten worden verzocht te bemiddelen overeenkomstig artikel 174 van de Provinciewet. 6. Het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur blijven als zodanig functioneren tot het tijdstip waarop de liquidatie beëindigd is. HOOFDSTUK 10 SLOTBEPALINGEN Artikel 41 Voor zover niet in deze regeling is voorzien, beslist het algemeen bestuur. Artikel 42 Het gemeentebestuur van Heusden is belast met de bij de wet voorgeschreven uitvoering van de regeling, inclusief de bekendmaking van deze regeling als bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet. Artikel 43 Op verzoek van minimaal twee deelnemende colleges of op initiatief van het algemeen bestuur kan deze regeling eenmaal per zes jaar worden geëvalueerd. Het algemeen bestuur besluit, in samenspraak met de colleges, over het precieze onderwerp van de evaluatie en het moment waarop deze evaluatie uitgevoerd wordt. Artikel 44 1. De regeling treedt in werking op de dag na bekendmaking als bedoeld in artikel 42 van deze regeling en werkt terug tot 1 juli 2024.
De Gemeenschappelijke regeling Streekarchief
9
2.
Langstraat Heusden Altena 2020 wordt gelijktijdig met vaststelling van deze regeling ingetrokken. Het streekarchief draagt zorg voor inschrijving in het register als bedoeld in artikel 26 lid 2 van de Wet.
Artikel 45 Deze gewijzigde regeling kan worden aangehaald onder de titel ‘Gemeenschappelijke regeling Streekarchief Langstraat Heusden Altena 2024’.
10
Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Altena in zijn vergadering van datum:
secretaris
___________________
burgemeester
Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heusden in zijn vergadering van datum:
secretaris
___________________
burgemeester
Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalwijk in zijn vergadering van datum:
secretaris
___________________
burgemeester
11
Aan de colleges van B&W van de deelnemers in de gemeenschappelijke regeling GGD West-Brabant
Kenmerk:
29447
Datum:
Datum document
Behandeld door:
B. van Iersel, directiesecretaris
E-mail:
b.iersel@ggdwb.nl
Onderwerp:
Vaststelling Gemeenschappelijke Regeling GGD West-Brabant 2024
Geacht college, Eind september 2023 zonden wij u de Ontwerpregeling voor de Gemeenschappelijke Regeling GGD West-Brabant (GR GGD West-Brabant) toe. Met deze Ontwerpregeling wordt de gemeenschappelijke regeling van de GGD West-Brabant opnieuw vastgesteld en daarmee aangepast aan de wijzigingen in de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr). Alle colleges van de deelnemers van de GR GGD West-Brabant hebben een voorgenomen besluit genomen tot vaststelling van deze Ontwerpregeling en hebben deze vervolgens voorgelegd aan hun raad voor een zienswijzeprocedure. Begin 2024 hebben wij een aantal zienswijzen ontvangen. Een overzicht van de ingekomen zienswijzen, die zijn gebundeld naar inhoud en voorzien van een gemotiveerde reactie, is ter informatie bijgevoegd (bijlage 2). Het Algemeen Bestuur van de GGD West-Brabant heeft de zienswijzen beoordeeld en komt, op onderdelen, tegemoet aan de wensen van de raden. Naast inhoudelijke reacties zijn er ook juridisch technische aanbevelingen ontvangen en zijn er enkele ambtshalve verbeteringen doorgevoerd. Alle hieruit voortvloeiende wijzigingen ten opzichte van de eerste Ontwerpregeling zijn geel gearceerd in de bijgevoegde Ontwerpregeling GR GGD West-Brabant 2024 (bijlage 1). In zijn vergadering van 31 januari 2024 is het algemeen bestuur akkoord gegaan met de definitieve Ontwerpregeling GR GGD West-Brabant 2024.
Gevraagd besluit Wij vragen u de Gemeenschappelijke Regeling GGD West-Brabant 2024 vast te stellen. U kunt de regeling pas vaststellen na verkregen toestemming van uw raad (conform artikel 1 lid 4 van de Wgr). Pas nadat alle colleges hebben besloten tot vaststelling van de nieuwe regeling is de Gemeenschappelijke Regeling GGD West-Brabant 2024 tot stand gekomen.
GGD West-Brabant Postbus 3024 5003 DA Tilburg (088) 639 20 00
Bezoekadres Doornboslaan 225-227 4816 CZ Breda
www.ggdwestbrabant.nl info@ggdwestbrabant.nl
Aangezien er sprake moet zijn van gelijkluidende besluiten van de deelnemers verzoeken wij u nadrukkelijk gebruik te maken van het bijgevoegde model-collegebesluit (bijlage 4) en ons het getekende besluit toe te sturen vóór 15 juni 2024 per mail naar directiesecretariaat@ggdwb.nl.
Publicatie Nadat alle colleges besloten hebben, wordt door de gemeente Breda, namens de deelnemende gemeenten, de gemeenschappelijke regeling via DROP (Decentrale Regelgeving en Officiële Publicaties) bekend gemaakt in het Gemeenteblad op Overheid.nl (conform artikel 26 van de Wgr). De gemeenschappelijke regeling GGD West-Brabant 2024 treedt in werking per 1 juli, na bekendmaking en publicatie.
Informatie Heeft u vragen over deze brief met bijlagen? Neem dan contact op met Bianca van Iersel, directiesecretaris (b.iersel@ggdwb.nl / 06-42336895).
Met vriendelijke groet, het dagelijks bestuur van de GGD West-Brabant, Namens deze
de voorzitter,
de secretaris,
M. Witte
S. Baan
Bijlagen: 1. Definitieve Ontwerpregeling GR GGD West-Brabant 2024; 2. Een overzicht van de ingekomen zienswijzen op de ontwerpregeling GR GGD West-Brabant; 3. Model-collegebesluit.
Wijzigingsbesluit van de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Alphen-Chaam, Altena, Baarle-Nassau, Bergen op Zoom, Breda, Drimmelen, Etten-Leur, Geertruidenberg, Halderberge, Moerdijk, Oosterhout, Roosendaal, Rucphen, Steenbergen, Woensdrecht en Zundert houdende regels omtrent de GGD West-Brabant (Gemeenschappelijke regeling GGD West-Brabant)
Intitulé Wijzigingsbesluit van de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten AlphenChaam, Altena, Baarle-Nassau, Bergen op Zoom, Breda, Drimmelen, Etten-Leur, Geertruidenberg, Halderberge, Moerdijk, Oosterhout, Roosendaal, Rucphen, Steenbergen, Woensdrecht en Zundert houdende regels omtrent de GGD West-Brabant (Gemeenschappelijke regeling GGD West-Brabant) De colleges van burgemeesters en wethouders van de gemeenten Alphen-Chaam, Altena, BaarleNassau, Bergen op Zoom, Breda, Drimmelen, Etten-Leur, Geertruidenberg, Halderberge, Moerdijk, Oosterhout, Roosendaal, Rucphen, Steenbergen, Woensdrecht, en Zundert; Overwegende dat -
ingevolge artikel 14 van de Wet publieke gezondheid de gemeenten zorgen voor de instellingen instandhouding van gemeentelijke gezondheidsdiensten;
-
de gemeenten een hechte samenwerking bij de publieke gezondheid wenselijk vinden;
-
de gemeenten daartoe een openbaar lichaam hebben ingesteld waaraan zij bevoegdheden willen overdragen en middelen ter beschikking willen stellen;
-
door het bestuur en het beheer van het openbaar lichaam de gemeentebesturen zoveel mogelijk betrokken moeten blijven bij die belangenbehartiging;
-
de financiële risico’s voor de gemeenten door een adequate bedrijfsvoering zo laag mogelijk moeten blijven;
-
gelet op de Wet gemeenschappelijke regelingen;
BESLUITEN: onder gelijktijdige intrekking van de huidige Gemeenschappelijke regeling GGD West-Brabant vast te stellen, per 1 juli 2024, de Gemeenschappelijke regeling GGD West-Brabant 2024
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Begrippen 1.
Deze regeling verstaat onder: -
publieke gezondheidszorg: de gezondheidsbeschermende en
gezondheidsbevorderende maatregelen voor de bevolking of specifieke groepen daaruit, waaronder begrepen het voorkómen en het vroegtijdig opsporen van ziekten; -
wet: Wet gemeenschappelijke regelingen;
-
regeling: Gemeenschappelijke regeling GGD West-Brabant;
-
gemeenten: aan de regeling deelnemende gemeenten;
-
college: college van burgemeester en wethouders van een gemeente;
-
raad: raad van een gemeente;
-
gedeputeerde staten: college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant;
-
GGD: Gemeentelijke Gezondheidsdienst West-Brabant;
-
geneeskundige hulpverlening: geneeskundige hulpverlening zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet veiligheidsregio’s;
-
basistaken: de taken die de gemeenten wettelijk verplicht zijn af te nemen van de GGD en de taken die de gemeenten collectief willen afnemen zoals het algemeen bestuur die heeft aangewezen;
-
aanvullende taken: taken die een gemeente boven de basistaken kan afnemen op basis van afspraken met de GGD.
2.
Waar de regeling artikelen van de Gemeentewet of een andere wettelijke regeling van overeenkomstige toepassing verklaart, wordt in die artikelen in plaats van 'de gemeente', 'de raad', 'burgemeester en wethouders' en 'de burgemeester' respectievelijk gelezen: 'de GGD', 'het algemeen bestuur', 'het dagelijks bestuur' en 'de voorzitter'.
Artikel 2 Het openbaar lichaam Er is een openbaar lichaam: de GGD West-Brabant, gevestigd te Breda.
Hoofdstuk 2 Doel en taken Artikel 3 Doel
1.
Het doel van deze regeling is: het behartigen van de belangen van de gemeenten op het gebied van de publieke gezondheid.
2.
De gemeenten houden de GGD in stand en zo nodig andere vormen van organisatie op het gebied van de publieke gezondheid.
Artikel 4 Taken
1.
De gemeenten dragen aan de GGD de uitvoering op van: a. Gemeentelijke taken in de Wet publieke gezondheid; b. Toezichtstaken in de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen;
c. Toezichtstaken in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; d. Gemeentelijke lijkschouwtaken in de Wet op de lijkbezorging; e. Taken voor de openbare geestelijke gezondheidszorg (OGGZ).
2.
Gemeenten of derden kunnen aan de GGD de uitvoering opdragen van taken voor de geneeskundige hulpverlening en van andere taken.
3.
Het algemeen bestuur kan naar redelijkheid en billijkheid de basistaken opnieuw vaststellen.
4.
Indien een gemeente wil afwijken van de afname van de overeengekomen basistaken, kan het algemeen bestuur hieraan voorwaarden verbinden, bijvoorbeeld een afbouwregeling zoals beschreven in artikel 20, lid 2
5.
De aanvullende taken zijn zo beschreven dat een gemeente op basis hiervan kan besluiten tot afname op contractbasis.
Hoofdstuk 3 De bestuursorganen Artikel 5 Het algemeen bestuur
1.
Het algemeen bestuur bestaat uit minimaal evenveel leden als het aantal gemeenten. Iedere gemeente wordt door minimaal één lid vertegenwoordigd.
2.
Elk college wijst dit lid uit zijn midden aan, zo spoedig mogelijk na de benoeming van de collegeleden na de verkiezing van de leden van de raad.
3.
Het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt op de dag waarop de collegeleden van de gemeente aftreden, als bedoeld in artikel 42 van de Gemeentewet.
4.
Als een lid van het algemeen bestuur ophoudt lid van het college te zijn, eindigt ook zijn lidmaatschap van het algemeen bestuur. Het college voorziet zo spoedig mogelijk in de vacature en deelt de voorzitter dit binnen één week mee.
5.
Het college kan een door hem aangewezen lid ontslaan als dit zijn vertrouwen niet meer heeft, nadat dit lid zich heeft kunnen verantwoorden. De artikelen 49 en 50 van de Gemeentewet zijn dan van toepassing.
6.
Het college waarvan het algemeen bestuur een lid aanwijst als lid van het dagelijks bestuur heeft het recht een tweede lid van het algemeen bestuur aan te wijzen. Het bepaalde in de leden 3 tot en met 5 van dit artikel is van toepassing op deze leden.
7.
Wanneer het in lid 6 genoemde eerst aangewezen lid geen deel meer uitmaakt van het dagelijks bestuur, vervalt het recht van het college om een tweede lid in het algemeen bestuur aan te wijzen.
8.
Het algemeen bestuur kan zich laten bijstaan door een of meer adviseurs. Artikel 6 Het dagelijks bestuur
1.
De voorzitter van het dagelijks bestuur is een burgemeester van één van de deelnemende gemeenten.
2.
Het algemeen bestuur wijst uit zijn midden tenminste drie andere leden van het dagelijks bestuur aan. De voordracht van deze leden gebeurt: -
voor een lid: door de gezamenlijke leden in het algemeen bestuur van de gemeenten met meer dan 100.000 inwoners;
-
voor een lid: door de gezamenlijke leden in het algemeen bestuur van de gemeenten met 40.000 tot 100.000 inwoners;
-
voor twee leden: door de gezamenlijke leden in het algemeen bestuur van gemeenten met minder dan 40.000 inwoners.
3.
Het dagelijks bestuur bestaat naast de leden genoemd in lid 1 van dit artikel uit twee leden die het algemeen bestuur aanwijst op grond van hun deskundigheid op het terrein van de publieke gezondheidszorg en/of financiën en bedrijfsvoering. Deze twee leden behoeven geen lid te zijn van het algemeen bestuur of het bestuur van een gemeente en kunnen, als het algemeen bestuur daartoe besluit, een vergoeding voor hun werkzaamheden en een tegemoetkoming in de kosten ontvangen.
4.
Het algemeen bestuur kan besluiten een lid van het dagelijks bestuur ontslag te verlenen als dit lid het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit. Op het ontslagbesluit is artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
5.
Hij die ophoudt lid van het algemeen bestuur te zijn, houdt ook op lid van het dagelijks bestuur te zijn.
6.
Als tussentijds een plaats in het dagelijks bestuur beschikbaar komt, kiest het algemeen bestuur zo spoedig mogelijk een nieuw lid.
7.
Onverminderd het bepaalde in lid 3 van dit artikel en van lid 4 van artikel 5 blijft hij die geen lid meer is van het dagelijks bestuur zijn zetel waarnemen totdat zijn opvolger die heeft aanvaard.
8.
Het dagelijks bestuur kan zich laten bijstaan door een of meer adviseurs.
Artikel 7 De voorzitter
1.
Als voorzitter wijst het algemeen bestuur een burgemeester van één van de deelnemende gemeenten aan.
2.
Het algemeen bestuur wijst uit zijn midden een plaatsvervangend voorzitter aan.
3.
De voorzitter vertegenwoordigt de GGD in en buiten rechte. Hij kan deze vertegenwoordiging opdragen aan een door hem aan te wijzen persoon.
4.
De voorzitter en de secretaris ondertekenen de stukken die van het openbaar lichaam uitgaan. Het algemeen bestuur kan de voorzitter toestaan de ondertekening op te dragen aan de secretaris.
Hoofdstuk 4 Werkwijze Artikel 8 Het algemeen bestuur
1.
Het algemeen bestuur vergadert jaarlijks tenminste tweemaal en verder zo dikwijls als de voorzitter of het dagelijks bestuur dit nodig vindt of tenminste drie leden dit schriftelijk verzoeken, onder opgave van de te behandelen onderwerpen.
2.
Het algemeen bestuur besluit met meerderheid van de uitgebrachte stemmen, waarbij elk lid één stem heeft. Geen stemrecht hebben de leden van het dagelijks bestuur waarvan de gemeenten een tweede lid als bedoeld in artikel 5, lid 6 aanwijzen.
3.
Voor het vaststellen van de begroting is daarnaast een meerderheid nodig van de leden die in totaal tenminste de helft vertegenwoordigen van het aantal inwoners van de gemeenten waarvan de leden een stem uitbrengen.
Artikel 9 Het dagelijks bestuur
1.
Aan het dagelijks bestuur behoren alle bevoegdheden behalve de volgende bevoegdheden van het algemeen bestuur: -
het besluiten over (voorwaarden van) toetreding, uittreding, wijziging en opheffing, zoals bedoeld in hoofdstuk 7;
-
het vaststellen van de jaarrekening en het vaststellen en/of wijzigen van de begroting ende basistaken;
-
het besluiten tot het oprichten van en deelnemen in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen.
2.
Het dagelijks bestuur vergadert tenminste zesmaal per jaar en verder zo dikwijls als de voorzitter dit nodig vindt of tenminste drie leden van het dagelijks bestuur dit schriftelijk verzoeken, onder opgave van de te behandelen onderwerpen, waarna de vergadering binnen veertien dagen plaatsvindt.
3.
De artikelen 56 en 58 van de Gemeentewet over de werkwijze bij en het stemmen tijdens De vergaderingen zijn van overeenkomstige toepassing. Elk lid heeft in de vergadering van het dagelijks bestuur één stem.
4.
De stemming in het dagelijks bestuur geschiedt mondeling, tenzij de voorzitter of één van de leden verzoekt om schriftelijke stemming.
5.
Het dagelijks bestuur kan zijn bevoegdheden binnen nadere voorwaarden mandateren aan de directie en houdt daarop toezicht. Een organisatieverordening beschrijft de relatie tussen het dagelijks bestuur en de directie.
Artikel 10 Verantwoording en inlichtingen
1.
Het dagelijks bestuur en elk van zijn leden afzonderlijk zijn aan het algemeen bestuur verantwoording schuldig over het door het dagelijks bestuur gevoerde bestuur.
2.
Het dagelijks bestuur geeft het algemeen bestuur alle inlichtingen die het algemeen bestuur voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft.
3.
Ieder lid van het algemeen bestuur heeft een actieve en passieve informatieplicht. Het algemeen bestuur is verplicht de colleges en/of de raden desgevraagd en in ieder geval binnen zes weken te informeren en inlichtingen te geven over alle zaken over deze regeling. Zij informeert de raad na de vergadering van het algemeen bestuur over de besluiten. De GGD zal hierin de leden van het algemeen bestuur faciliteren.
4.
Het algemeen bestuur is bevoegd om, gevraagd of ongevraagd, aan een of meer colleges en/of raden advies te geven of voorstellen te doen, die hij in verband met deze regeling nodig vindt.
5.
Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter zijn verplicht de door een of meer leden van de raad van een gemeente gevraagde inlichtingen te verstrekken. Zij verstrekken deze inlichtingen zo spoedig mogelijk nadat daarom is gevraagd.
6.
Elk lid van het algemeen bestuur is daarnaast verplicht de door een of meer leden van het college of de raad van zijn gemeente gevraagde inlichtingen te verstrekken. Hij verstrekt deze inlichtingen zo spoedig mogelijk nadat hem daarom is gevraagd.
7.
Elk lid van het algemeen bestuur is aan het college en de raad van de gemeente waarvan het college hem als lid heeft aangewezen verantwoording schuldig voor het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid. Hij legt deze verantwoording zo spoedig mogelijk af nadat het college of de raad hem daarom heeft gevraagd.
Artikel 11 Commissies
1.
Het algemeen bestuur kan commissies van advies, commissies ter behartiging van bepaalde belangen en klantenpanels instellen.
2.
Het dagelijks bestuur regelt de werkwijze van deze commissies en klantenpanels.
Artikel 12 Inwonerparticipatie 1. Inspraakmogelijkheden voor inwoners wordt via de raden van de gemeenten ingevuld. 2. Inwoners kunnen daarnaast participeren in klantenpanels. 3. De GGD West-Brabant werkt zoveel mogelijk outreachend en samen mét de inwoners. 4. De vergaderingen van het algemeen bestuur zijn openbaar toegankelijk.
Hoofdstuk 5 Organisatie Artikel 13 De directie
1.
De GGD heeft een directie die belast is met de dagelijkse leiding en het beheer van de dienst. Het algemeen bestuur benoemt, schorst en ontslaat de directie.
2.
Het dagelijks bestuur stelt in een organisatieverordening regels vast over de inrichting van de organisatie, de medische verantwoordelijkheden, de taken en bevoegdheden van de directie ende wijze waarop het dagelijks bestuur toeziet op de uitvoering daarvan.
3.
Het algemeen bestuur kan besluiten om een tweehoofdige directie aan te stellen.
4.
De directie is secretaris van het algemeen en dagelijks bestuur.
5.
Bij een tweehoofdige directie functioneert de door het dagelijks bestuur aangewezen directeur als secretaris.
6.
De secretaris woont de vergaderingen bij van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur en heeft daarin een adviserende stem.
Artikel 14 Archief
1.
Het dagelijks bestuur zorgt voor het archief, op basis van het bepaalde in de Archiefwet.
2.
De directie is belast met het beheer van de archiefbescheiden.
3.
Voor de bewaring van de over te brengen archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam wordt aangewezen de archiefbewaarplaats van de gemeente Breda.
4.
De gemeentearchivaris van de gemeente Breda is belast met het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats, als bedoeld in artikel 25, lid 2 van de Archiefwet.
5.
De archivaris van de gemeente Breda brengt [twee]jaarlijks aan het dagelijks bestuur verslag uit over het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, die nog niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats.
Hoofdstuk 6 Financiën
Artikel 15 Financiën
1.
De deelnemende gemeenten zullen er steeds voor zorgen dat de GGD altijd over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen, mits de GGD binnen de door het Algemeen Bestuur vastgestelde kaders blijft.
2.
Als aan het algemeen bestuur blijkt dat een gemeente weigert deze uitgaven op de begroting te zetten, doet hij onverwijld aan gedeputeerde staten het verzoek om over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 van de Gemeentewet.
3.
Het dagelijks bestuur stelt bij of krachtens de Financiële verordening en een Nota reserves en voorzieningen, beiden vastgesteld door het Algemeen Bestuur, nadere regels voor de financiële administratie van het geldverkeer.
Artikel 16 Meerjarenbeleidsplan, kaderbrief en begroting
1.
Het algemeen bestuur stelt vierjaarlijks, bij de aanvang van een nieuwe raadsperiode, een meerjarenbeleidsplan vast waarin de financiële en inhoudelijke vooruitzichten worden uiteengezet. Het stelt voorafgaand aan die vaststelling de raden van de deelnemende gemeenten in de gelegenheid hun zienswijze op het beleidsplan in te dienen. De jaarlijkse begroting dient te passen binnen deze kaders.
2.
Het in het vorige lid genoemde meerjarenbeleidsplan is samen met de jaarrekening de basis om de resultaten van de gemeenschappelijke regeling over een periode van vier jaar te evalueren.
3.
Jaarlijks vóór 1 februari zendt het dagelijks bestuur aan de raden van de deelnemende gemeenten een brief met daarin de algemene financiële en beleidsmatige kaders. In deze brief zijn de door de deelnemende gemeenten gegeven richtlijnen verwerkt. Afwijken van deze richtlijnen kan alleen als het algemeen bestuur hiertoe besluit. Daarnaast bevat de kaderbrief de belangrijkste opgaven voor het komende jaar. Voorstellen voor nieuw beleid, die niet door de deelnemende gemeenten zijn opgenomen in de richtlijnen, worden in deze kaderbrief gedaan en expliciet vermeld als nieuw beleid.
4.
Jaarlijks uiterlijk 1 april zendt het dagelijks bestuur de ontwerpbegroting voor het volgende begrotingsjaar, vergezeld van een toelichting, aan de leden van het algemeen bestuur en de raden van de deelnemende gemeenten met het verzoek aan de raden om hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren te brengen.
5.
Als de raming van de door elke gemeente verschuldigde bijdrage(n) is gebaseerd op het aantal inwoners, is dit het aantal inwoners per 1 januari van het jaar vóór het kalenderjaar conform de cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek.
6.
De zienswijzen van de raden dienen uiterlijk 1 juli door de gemeenschappelijke regeling te zijn ontvangen. Het dagelijks bestuur voegt deze zienswijzen bij de ontwerpbegroting zoals hij deze aanbiedt aan het algemeen bestuur. Daarna stelt het algemeen bestuur de begroting vast. Na de vaststelling door het algemeen bestuur dient de ontwerpbegroting uiterlijk 15 juli aangeboden te worden bij de provincie.
7.
Het algemeen bestuur kan een wijziging van de begroting die niet leidt tot een verhoging van de gemeentelijke bijdrage vaststellen zonder dat de raden daarover hun zienswijze geven.
8.
Indien een wijziging van de begroting vanuit Rijksmiddelen aan de gemeenten wordt gecompenseerd, wordt deze niet voor zienswijze aan de raden voorgelegd, tenzij het dagelijks bestuur van de GGD WB anders besluit.
Artikel 17 De jaarrekening Het dagelijks bestuur stelt de jaarrekening op over het voorgaande jaar. Hij stuurt deze naar de gemeenten en naar de accountant, met het verzoek zo spoedig mogelijk het accountantsrapport uit te brengen.
Hoofdstuk 7 Toetreding, uittreding, wijziging en opheffing Artikel 18 Toetreding 1.
Voor de toetreding van een gemeente volstaat het besluit van het college van die gemeente. Die toetreding heeft de instemming nodig van het algemeen bestuur.
2.
Aan de toetreding kan het algemeen bestuur voorwaarden verbinden,
Artikel 19 Evaluatie 1. Het algemeen bestuur kan het functioneren van de regeling desgewenst op ieder moment, bij voorkeur in het derde jaar van de AB-bestuursperiode, evalueren en betrekt de raden bij die evaluatie.
Artikel 20 Uittreding
1.
Een gemeente kan uittreden doordat het college een daartoe strekkend besluit stuurt aan het algemeen bestuur. Voor deze uittreding geldt een opzegtermijn van een kalenderjaar en zij treedt in werking op de datum die het besluit aangeeft.
2.
De uittredende gemeente is gedurende de drie jaren na afloop van het begrotingsjaar waarin de uittreding plaatsvindt een bijdrage verschuldigd van respectievelijk 100%, 66% en 33%. Hierop zijn ook de indexatie en begrotingswijzigingen van toepassing.
3.
Aan de uittreding kan het algemeen bestuur nadere voorwaarden verbinden.
Artikel 21 Wijziging
1.
Zowel het dagelijks bestuur als een college kan aan het algemeen bestuur voorstellen doen over het wijzigen van deze regeling. Het algemeen bestuur kan ook zelfstandig besluiten tot een voorstel tot wijziging.
2.
Wanneer het algemeen bestuur instemt met een voorstel tot wijziging, stuurt het dagelijks bestuur dit als voorstel naar de colleges.
3.
Deze regeling wordt gewijzigd als tenminste drie vierde van de colleges van de deelnemende gemeenten daarmee heeft ingestemd.
4.
Indien in een wijziging niet is bepaald wanneer deze in werking treedt, gaat de wijziging in op de eerste dag na die van bekendmaking in de Staatscourant door het gemeentebestuur van de gemeente Breda.
Artikel 22 Opheffing
1.
De regeling wordt opgeheven, wanneer de colleges van tenminste drie vierde van de gemeenten daartoe besluiten.
2.
Bij opheffing van de regeling besluit het algemeen bestuur tot liquidatie, gehoord de colleges.
3.
Bij opheffing blijven de organen van het openbaar lichaam zo nodig in functie totdat de liquidatie is beëindigd.
Hoofdstuk 8 Slot Artikel 23
1.
Deze regeling heet: Gemeenschappelijke regeling GGD West-Brabant en geldt voor onbepaalde tijd.
2.
Het gemeentebestuur van de gemeente Breda draagt zorg voor bekendmaking van het besluit tot vaststelling van de regeling, van de besluiten tot wijziging en opheffing van de
regeling en van de besluiten tot toetreding en uittreding in de Staatscourant en stuurt deze besluiten naar gedeputeerde staten.
3.
In alle gevallen waarin deze regeling niet voorziet, beslist het algemeen bestuur.
Ondertekening Aldus besloten door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alphen-Chaam, d.d. [DATUM]; het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Altena d.d. [DATUM]; het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Baarle-Nassau d.d. [DATUM]; het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom, d.d. [DATUM]; het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, d.d. [DATUM]; het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Drimmelen, d.d. [DATUM]; het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Etten-Leur, d.d. [DATUM]; het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Geertruidenberg, d.d. [DATUM]; het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Halderberge, d.d. [DATUM]; het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Moerdijk, d.d. [DATUM]; het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oosterhout d.d. [DATUM]; het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal, d.d. [DATUM]; het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rucphen, d.d. [DATUM]; het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Steenbergen, d.d. [DATUM]; het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woensdrecht d.d. [DATUM]; het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zundert, d.d. [DATUM];
Gemeenschappelijke regeling GGD West-Brabant - toelichting Deze regeling sluit zoveel mogelijk aan bij de bepalingen in de Wet gemeenschappelijke regelingen en/of de Gemeentewet. Waar die bepalingen verplicht zijn, staan ze meestal niet in deze regeling. Hieronder volgt een toelichting op enkele artikelen en nadere informatie over enkele punten nadere. Overal waar in de regeling 'hij' of 'zijn' staat, zou ook 'zij' of 'haar' kunnen staan. Aanhef De wet zegt dat gemeenten een gezondheidsdienst instellen en in stand houden voor de uitvoering van een aantal taken en dat ze dit doen samen met andere gemeenten. Daarom stellen de gemeenten deze gemeenschappelijke regeling vast. De regeling sluit aan bij de Wet publieke gezondheid (hierna: de wet), die in de plaats kwam van o.a. de Wet collectieve preventie volksgezondheid. De gemeente formuleert zijn gezondheidsbeleid en stuurt de GGD vanuit dat kader aan. De uitgangspunten bij de vormgeving van de bestuurlijke structuur zijn: -
gemeenten voeren de regie en moeten de GGD zo nodig direct kunnen inzetten.
-
er moet ruimte zijn voor gemeenten om de GGD individueel en gezamenlijk aan te sturen;
-
de GGD functioneert binnen die kaders als een zelfstandige, professionele organisatie;
-
gemeenten moeten kunnen ingrijpen als de GGD de taken niet goed uitvoert.
De GGD moet dus genoeg keuzevrijheid bieden en flexibel aansluiten op de lokale wensen. Hij moet ook werken met een slagvaardige bedrijfsvoering, die leidt tot het behalen van de doelen. Daarbij kunnen de gemeenten, via het algemeen bestuur, inhoudelijke kaders stellen en toezichthouden op het beheer van de GGD. Het algemeen bestuur zal zich daarbij vooral richten op de beleidskaders, de begroting en de rekening. Het dagelijks bestuur richt zich vooral op het toezicht op de directie. Artikel 4 Taken Artikel 4 van de regeling sluit aan bij de wettelijke taken en de bepalingen in artikel 14 van de wet: Artikel 14, Wet Publieke Gezondheid 1.
Ter uitvoering van bij of krachtens deze wet opgedragen taken dragen de colleges van
burgemeester en wethouders van gemeenten die behoren tot een regio als bedoeld in de Wet veiligheidsregio’s, via het treffen van een gemeenschappelijke regeling zorg voor de instelling en instandhouding van een regionale gezondheidsdienst in die regio. (...) 4.
Met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels, staat het college van burgemeester en wethouders vrij om de uitvoering van de taken of onderdelen van taken, bedoeld in de artikelen 2, tweede lid, onder h, en 5, tweede lid, onder a tot en met d, over te laten of mede over te laten aan een ander dan de gemeentelijke gezondheidsdienst.
Uit lid 4 van artikel 14 van de wet blijkt een gemeente de jeugdgezondheidszorg ook (mede) kan overlaten aan andere organisaties dan de gemeentelijke gezondheidsdienst. In West-Brabant gebeurt dit in een aantal gemeenten ook, voor de zorg voor de 0- tot 4-jarigen. Voor de andere wettelijke taken staat de koppeling met de GGD in lid 1 van artikel 14. Het algemeen bestuur bepaalt de omvang en de inhoud van het pakket bij de vaststelling van de basistaken en in de (jaarlijkse) begroting. Daarnaast zijn onderstaande artikelen uit de wet van toepassing op de gemeenschappelijke regeling: Artikel 2, Wet Publieke Gezondheid
1.
Het college van burgemeester en wethouders bevordert de totstandkoming en de continuïteit van en de samenhang binnen de publieke gezondheidszorg en de afstemming ervan met de curatieve gezondheidszorg en de geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen.
2.
Ter uitvoering van de in het eerste lid bedoelde taak draagt het college van burgemeester en wethouders in ieder geval zorg voor:
a.
het
verwerven
van,
op
epidemiologische
analyse
gebaseerd,
inzicht
in
de
gezondheidssituatie van de bevolking;
b.
het elke vier jaar, voorafgaand aan de opstelling van de nota gemeentelijke gezondheidsbeleid, bedoeld in artikel 13, tweede lid, op landelijk gelijkvormige wijze verzamelen en analyseren van gegevens over deze gezondheidssituatie;
c.
het bewaken van gezondheidsaspecten in bestuurlijke beslissingen;
d.
het bijdragen aan opzet, uitvoering en afstemming van preventieprogramma’s, met inbegrip van programma’s voor de gezondheidsbevordering;
e.
het bevorderen van medisch milieukundige zorg;
f.
het bevorderen van technische hygiënezorg;
g.
het bevorderen van psychosociale hulp bij rampen;
h.
het geven van prenatale voorlichting aan aanstaande ouders.
(...)
Artikel 5, Wet Publieke Gezondheid
1.
Het college van burgemeester en wethouders draagt zorg voor de uitvoering van de jeugdgezondheidszorg.
2.
Ter uitvoering van de in het eerste lid bedoelde taak draagt het college van burgemeester en wethouders in ieder geval zorg voor:
a.
het op systematische wijze volgen en signaleren van ontwikkelingen in de gezondheidstoestand van jeugdigen en van gezondheidsbevorderende en -bedreigende factoren,
b.
het ramen van de behoeften aan zorg,
c.
de vroegtijdige opsporing en preventie van specifieke stoornissen, met uitzondering van het perinatale onderzoek op phenylketonurie (PKU), congenitale hypothyroïdie (CHT) en adrenogenitaal syndroom (AGS) en het aanbieden van vaccinaties voorkomend uit het Rijksvaccinatieprogramma,
d.
het geven van voorlichting, advies, instructie en begeleiding,
e.
het formuleren van maatregelen ter beïnvloeding van gezondheidsbedreigingen.
(...) Artikel 6, Wet Publieke Gezondheid 1.
Het college van burgemeester en wethouders draagt zorg voor de uitvoering van de algemene infectieziektebestrijding, waaronder in ieder geval behoort:
a.
het nemen van algemene preventieve maatregelen op dit gebied,
b.
het bestrijden van tuberculose en seksueel overdraagbare aandoeningen, inclusief bron- en contactopsporing,
c.
bron- en contactopsporing bij meldingen als bedoeld in de artikelen 21, 22, 25 en
26. (...)
Artikel 8 Het algemeen bestuur Dit artikel beschrijft onder andere de besluitvorming in het algemeen bestuur. Het streven is: besluiten in consensus, maar toch is, als dat niet lukt, een nauwkeuriger beschrijving nodig. De algemene regel (in lid 2) is gelijk aan de besluitvorming in de gemeenteraad: het algemeen bestuur besluit met (absolute) meerderheid van de uitgebrachte stemmen. Voor het vaststellen van de begroting moeten die stemmen daarnaast ook de meerderheid vertegenwoordigen van de inwoners van de gemeenten (waarvan de leden hun stem uitbrachten). Daardoor weegt in die besluiten ook het financieel belang van elke gemeente mee. Artikel 12 Inwonerparticipatie De inwonerparticipatie wordt voor het grootste deel weggelegd bij de deelnemende gemeenteraden. Deze optie voldoet het meest aan de wens om de inspraak te laten verlopen via het orgaan met de meeste democratische legitimiteit. Artikel 15 Financiën Artikel 194 en 195 van de Gemeentewet luiden: Artikel 194, Gemeentewet
1.
Indien de raad weigert verplichte uitgaven op de begroting te brengen, doen gedeputeerde staten dit.
2.
Indien de raad bovendien weigert in voldoende dekking van in het eerste lid bedoelde uitgaven te voorzien, verminderen gedeputeerde staten daartoe hetzij het bedrag voor onvoorziene uitgaven, hetzij indien dit bedrag niet toereikend is, overige niet-verplichte uitgaven.
Artikel 195, Gemeentewet Gedeputeerde staten dragen zo nodig aan de bevoegde gemeenteambtenaar de betaling op ten laste van de gemeente van hetgeen als verplichte uitgaaf op de begroting is gebracht. Artikel 16 Meerjarenbeleidsplan, kaderbrief en begroting Vóór de begroting stelt het algemeen bestuur een kadernota vast. Hierin staan de hoofdlijnen van het beleid voor de komende jaren en de globale financiële gevolgen daarvan. Het algemeen bestuur bespreekt deze nota in april. Gemeenten kunnen hierdoor tijdig invloed uitoefenen. Daarnaast stelt het dagelijks bestuur in december een beheersbegroting vast, die de middeleninzet beschrijft van personeel, huisvesting en kapitaallasten
Ingekomen zienswijzen wijzigingsbesluit Gemeenschappelijke Regeling GGD West-Brabant
januari 2024
In het onderstaande overzicht vindt u de ingekomen zienswijzen op het wijzigingsbesluit op de gemeenschappelijke regeling van de GGD, die uit de collegeen raadsbehandelingen zijn gekomen. De reactie op deze zienswijzen door de GGD wordt in de vergadering van het algemeen bestuur voor instemming voorgelegd. Gemeente Etten-Leur Roosendaal
Etten-Leur
Etten-Leur
Geertruidenberg
Zienswijze Raad Zienswijze op voorgenomen besluiten Voorstel om de volgende bepaling toe te voegen: Besluiten van het algemeen bestuur die betrekking hebben op het toevoegen van het bestemmingsresultaat aan de algemene reserve voor een zienswijze aan de raden voor te leggen. Evaluatie (nieuw artikel 19 GR) Voorstel om de volgende bepaling op te nemen: De werkwijze en het functioneren van de GGD vierjaarlijks te evalueren, tenzij een meerderheid van de raden van de deelnemende gemeenten besluit af te zien van een evaluatie.
Termijnen P&C cyclus Voorstel: in de gemeenschappelijke regeling de volgende bepaling toe te voegen: Als in de Nota Verbonden Partijen van de wet afwijkende termijnen zijn opgenomen, zijn de termijnen van de Nota van toepassing. Conform de Nota Verbonden Partijen, de datum van indienen van de ontwerpbegroting te stellen op 1 april en de datum voor het indienen van de ontwerp-jaarrekening te stellen op 15 april, hetzij in de desbetreffende artikelen te verwijzen naar de datums genoemd in de nota Verbonden Partijen.