CConstaterende datAltena
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 Kaderbrieven 2026 bij RV zienswijzen ontwerpbegrotingen 2026 GR

Raadsvergadering 18 juni 2025, gemeente AltenaBij agendapunt: Zienswijzen ontwerpbegrotingen 2026 gemeenschappelijke regelingen32.364 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

113.391

12.563

-19.196

2.044.308

Breda

188.078

6.918

29.159

16,59

338,87

63,04

3.120.214

2.344.303

1.838.183

493.601

301.124

103.279

77.596

60.844

-12.956

336.432

34.018

119.690

8.816.328

Drimmelen

28.192

1.017

4.067

16,59

338,87

63,04

467.705

344.631

256.384

59.526

110.117

15.481

11.407

8.486

-1.922

31.734

5.030

-58.213

1.250.366

Etten-Leur

45.237

1.675

7.533

16,59

338,87

63,04

750.482

567.607

474.880

114.923

93.055

24.841

18.788

15.719

-3.086

79.980

8.080

86.347

2.231.616

Geertruidenberg

22.060

797

3.433

16,59

338,87

63,04

365.975

270.079

216.416

55.433

62.963

12.114

8.940

7.163

-1.532

37.926

3.969

25.808

1.065.254

Halderberge

31.183

1.088

4.693

16,59

338,87

63,04

517.326

368.691

295.847

70.652

103.393

17.123

12.204

9.793

-2.141

58.695

5.578

10.285

1.467.446

Moerdijk

38.091

-

5.689

16,59

338,87

63,04

631.930

-

358.635

29.646

-

20.917

-

11.871

-2.616

93.912

6.811

25.795

1.176.901

Oosterhout

57.924

2.254

8.971

16,59

338,87

63,04

960.959

763.813

565.532

138.432

105.147

31.808

25.282

18.719

-3.954

100.362

10.425

-59.919

2.656.606

Roosendaal

77.559

-

11.599

16,59

338,87

63,04

1.286.704

-

731.201

60.281

-

42.590

-

24.203

-5.432

137.385

13.980

5.768

2.296.680

Rucphen

23.920

-

3.269

16,59

338,87

63,04

396.833

-

206.078

14.830

-

13.135

-

6.821

-1.624

35.346

4.260

-36.213

639.466

Steenbergen

24.476

-

3.494

16,59

338,87

63,04

406.057

-

220.262

17.393

-

13.440

-

7.291

-1.710

42.441

4.380

-23.617

685.937

Woensdrecht

22.208

-

3.138

16,59

338,87

63,04

368.431

-

197.820

16.220

-

12.195

-

6.548

-1.550

56.502

4.020

-7.823

652.363

Zundert

22.553

840

3.062

16,59

338,87

63,04

374.154

284.651

193.028

49.063

50.622

12.384

9.422

6.389

-1.547

29.025

4.039

-31.923

979.307

TOTAAL

726.983

17.625

111.584

16,59

338,87

63,04

12.060.647

5.972.584

7.034.257

1.364.220

1.031.374

399.207

197.693

232.835

-50.000

1.290.000

130.593

-

29.663.409

Indexering aanvullende financiering DUUP

Bijdrage per inwoner basispakket

2.454

10.455

Bijdrage Rijksvaccinatieprogramma

aantal kinderen 4 tm 18 jaar

58.277

Alphen-Chaam

Aantal per 1-1-2024

Altena

Gemeenten

aantal kinderen 0 tm 3 jaar

Totaal 2026

-

-

13

Aan de colleges en raden van de gemeenten die deelnemen in de gemeenschappelijke regeling GGD West-Brabant

Kenmerk:

1259904192-341

Datum:

31 januari 2025

Behandeld door:

Bianca van Iersel

E-mail:

b.iersel@ggdwb.nl

Onderwerp:

Kaderbrief 2026 GGD West-Brabant

Geachte raad, geacht college, Hierbij bieden wij u ter kennisgeving de kaderbrief 2026 aan van de GGD West-Brabant, welke het algemeen bestuur in zijn vergadering van 30 januari j.l. vaststelde. Deze kaderbrief vormt de basis voor de beleidsbegroting 2026 van de GGD West-Brabant. De kaderbrief 2026 De kaderbrief is een uitwerking van onze 10-jarige toekomstvisie op Publieke Gezondheid ‘Wij maken samen gezond gewoon’. Wij hebben deze visie samen met GGD Hart voor Brabant ontwikkeld. Deze toekomstvisie hebben wij vervolgens vertaald in ons meerjarenbeleidsplan 2023-2026. We willen dat gezondheid een vanzelfsprekend onderwerp wordt voor iedereen, waarbij we nadrukkelijker de samenwerking zoeken met gemeenten, (zorg)partners en inwoners. In de kaderbrief 2026, het laatste jaar van deze beleidsperiode, hebben we ervoor gekozen om de ambities die de GGD West Brabant en de GGD Hart voor Brabant hebben, gelijk op te laten lopen. Zo hopen we meer invulling te geven aan dat wat beide GGD’en van belang vinden, namelijk dat gezond gewoon wordt voor iedereen in gelijke mate, waar ook je wieg staat in Brabant. De kaderbrief is dan ook in nauwe samenspraak met GGD Hart voor Brabant tot stand gekomen. In 2026 willen wij samen met gemeenten en partners verder bouwen aan de doelen die wij in 2025 met onze gemeenten vormgeven.

De kaderbrief beschrijft de ambities die de GGD in 2026 wil realiseren voor een gezond, veilig en gelukkig West-Brabant, langs de lijn van onze 4 inhoudelijke pijlers ‘Voorkomen als het kan, beschermen als het moet’, ‘Zelf maar niet alleen’, ‘Iedereen verschillend, allemaal gelijk’ en ‘Overal om

GGD West-Brabant Postbus 3024 5003 DA Tilburg (088) 639 20 00

Bezoekadres Doornboslaan 225-227 4816 CZ Breda

www.ggdwb.nl info@ggdwb.nl

ons heen, binnen en buiten. Dit doen we vanuit onze drie kernwaarden eerlijk, gedurfd en vernieuwend. Daarnaast is in de financiële paragraaf op verzoek van ons bestuur een bezuinigingsopdracht van -4% verwerkt, conform de methodiek Trapje op, trapje af met onze gemeenten. Er is in de afgelopen periode een aantal inhoudelijke bezuinigingsopdrachten voorbereid, waaruit het bestuur keuzes heeft gemaakt om deze taakstelling te realiseren. Daarnaast is de GGD gevraagd om een groot deel van de opdracht intern om te buigen. Dit is in de kaderbrief opgenomen en wordt in de beleidsbegroting 2026 nog verder uitgewerkt. Vervolgproces van bespreken en besluiten Na beraadslaging op 30 januari 2025 heeft het algemeen bestuur de kaderbrief voor 2026 vastgesteld. We zijn te allen tijde bereid om, indien gewenst, een toelichting op de uitgangspunten in deze kaderbrief te geven en hierover in gesprek te gaan met uw gemeente(raad). U kunt dit kenbaar maken via Bianca van Iersel, directiesecretaris, bereikbaar op 06-42336895 of via b.iersel@ggdwb.nl. Op basis van de kaderbrief stellen wij de beleidsbegroting 2026 op. Deze beleidsbegroting wordt vóór 15 april voor zienswijzen aan de West-Brabantse raden gestuurd. De beleidsbegroting 2026 komt ter vaststelling in de vergadering van het algemeen bestuur van de GGD West-Brabant 3 juli 2025.

Met hartelijke groet,

Sebastiaan Baan Directeur publieke gezondheid

Cc: ambtenaren Volksgezondheid en Financiën Bijlagen: Kaderbrief 2026 GGD West-Brabant

Kadernota Begroting 2026 Gemeenschappelijke Regeling Regionale Ambulancevoorziening Brabant Midden-West-Noord

Inleiding Het beeld dat wij als ambulancevoorziening enkel patiënten voor acute zorg vervoeren naar het ziekenhuis, is de laatste jaren veranderd. In ons meerjarenbeleidsplan benoemen wij al ons te gaan richten op zorgdifferentiatie, waarbij het ons doel is om de juiste zorg tijdig te bieden op de juiste plaats. In sommige gevallen betekent dit dat, op geplande basis, een patiënt vervoerd wordt tussen twee ziekenhuizen bijvoorbeeld. Dat wordt verzorgd door onze Midden-Complexe Ambulances (“MCA”). Dit ontzorgt de reguliere ALS-ambulances. Verder werken we ook al enige jaren met Verpleegkundig Specialisten en Physician Assistants die zelfstandig inzetbaar zijn. Kortom: we brengen altijd de juiste zorg naar de patiënt, waarbij we in sommige gevallen ook de patiënt naar de zorg zullen brengen.

Een recent initiatief dat hierbij past, is de pilot voor troponinemetingen. Troponine is het eiwit dat vrijkomt in het bloed bij een infarct. Hoe hoger die waarde, des te meer risico op een infarct. Deze waarde wordt standaard in het ziekenhuis gemeten. Maar bij de Regionale Ambulancevoorziening Brabant Midden-West-Noord (de “RAV”) zijn we gestart met een nieuw zorgpad: het prehospitaal meten van troponine bij patiënten met pijn op de borst. Het doel is om meer patiënten veilig thuis te laten bij een lage verdenking van een acuut hartprobleem. We verwachten dat dit ook een positief effect heeft op beschikbare ambulances en drukverlaging in de zorgketen. De pilot in Breda verloopt naar tevredenheid. We verwachten dit in 2025 organisatiebreed te kunnen uitrollen. (Bron: https://www.ravbrabantmwn.nl/troponinemeting/) Ambulancezorg betreft uiteraard niet alleen de rijdienst, maar ook de meldkamers in Bergen op Zoom en Den Bosch. De ontwikkelingen in het veld vergen dat we anders en slimmer gaan werken. Daartoe ontplooien we initiatieven zoals verlengde triage en een AI-tool voor de uitgifte van ambulanceritten. Op technologische ontwikkelingen als deze komen we later in deze kadernota op terug. 2

Meerjarenbeleidsplan 2026-2029 Hiervoor benoemden we al ons meerjarenbeleid. Momenteel zijn we druk bezig met het schrijven van een nieuw beleidsplan dat op 1 januari 2026 in werking zal treden. We vinden het erg belangrijk dat dit tot stand komt in overleg met medewerkers en stakeholders. Voor de medewerkers hebben we, onder begeleiding van een ervaren marketing- en communicatiebureau, op verschillende plekken in ons werkgebied goedbezochte interactieve werksessies georganiseerd. Ook hebben we een representatieve selectie gemaakt van stakeholders, met wie we interviews houden. Het nieuwe beleidsplan wordt in de vergadering van het Algemeen Bestuur in juli 2025 vastgesteld. In ons meerjarenbeleid blijft voorop staan dat we de juiste zorg op het juiste moment moeten kunnen bieden. De ontwikkelingen rondom zorgcoördinatie bevorderen de samenwerking tussen de verschillende partners in een regio, zodat schaarse middelen zo efficiënt en effectief mogelijk kunnen worden ingezet. 3

Drie hoofdthema’s Gelet op de ontwikkelingen en uitdagingen die voor ons staan, zullen we ook in 2026 blijven werken aan de drie hoofdthema’s:

‘A Great Place to Work’ Naar verwachting houden de uitdagingen op de arbeidsmarkt voorlopig nog aan. In ons nieuwe meerjarenbeleid zullen we dan ook aandacht besteden hieraan. Hoe blijven we een goede plek om te werken voor onze huidige collega’s, en hoe zijn we aantrekkelijk voor een nieuwe generatie medewerkers? Een positieve werkomgeving draagt bij aan de tevredenheid en het welzijn van medewerkers, wat op zijn beurt de kwaliteit van de zorg die zij leveren kan verbeteren. Een organisatie die wordt gezien als ‘a great place to work’ kan talent aantrekken en behouden. Voor de (acute) zorg is dat extra van belang, omdat zorg mensenwerk is. Een positieve werkomgeving draagt bij aan motivatie en productiviteit, en daarmee uiteindelijk aan betere patiëntenzorg. Kortom, het streven naar ‘a great place to work’ is niet alleen gunstig voor de medewerkers van de RAV, maar ook voor de patiënten die zij bedienen. Het is een investering in de mensen die de zorg verlenen, wat uiteindelijk leidt tot een betere zorgverlening.

Netwerksamenwerking De ontwikkelingen rondom zorgcoördinatie vergen van alle zorgaanbieders in onze regio dat we optimaal gaan samenwerken als partner in het zorgnetwerk. Ketenpartners binnen de zorg worden dan ook netwerkpartners. Voor de RAV is dit ook van belang, aangezien in de acute zorg veel verschillende partijen betrokken zijn bij de zorg voor patiënten. Denk hierbij aan ziekenhuizen, huisartsen, specialisten en andere zorgverleners zoals de GGZ.

Een effectieve samenwerking tussen deze partijen kan de kwaliteit en efficiëntie van de zorg verbeteren. Door samen te werken in een netwerk, kunnen deze partijen informatie en middelen delen, wat kan leiden tot betere coördinatie van de zorg. Bovendien kan samenwerking bijdragen aan innovatie en continue verbetering in de zorg. Door samen te werken, kunnen partijen van elkaar leren, best practices delen, en gezamenlijk oplossingen ontwikkelen voor gemeenschappelijke uitdagingen. Kortom, netwerksamenwerking is niet alleen belangrijk voor de efficiëntie en effectiviteit van de zorg die de RAV levert, maar ook voor de tevredenheid van de patiënten en de continue verbetering en innovatie in de zorg. Het is een cruciaal onderdeel van het streven naar kwaliteit in de acute zorg. Uiteindelijk draagt het bij aan een zo’n optimaal mogelijke aanwending van onze schaarse, gezamenlijke middelen. Organisatieontwikkeling Dit is een belangrijk onderwerp voor de RAV. Zowel de eigen interne organisatie (sterke groei en managementwisselingen), als de buitenwereld (veranderende zorgvraag / sector, invloed van technologie, krappe arbeidsmarkt) is sterk veranderd de afgelopen tijd. Deze verandering zet zich bovendien voort. De RAV past haar organisatie en haar processen hierop aan, met als doel de interne en externe samenwerking te verbeteren.

Dit is nodig om de patiënt duurzaam de beste zorg op de juiste plek en het juiste moment te kunnen bieden. Het stelt de RAV ook in staat om effectief te reageren op veranderingen in de gezondheidszorgsector, zoals nieuwe technologieën, veranderende patiëntbehoeften en beleidswijzigingen. Kortom, organisatieontwikkeling is niet alleen belangrijk voor de groei en het succes van de RAV, maar ook voor het waarborgen van de kwaliteit en effectiviteit van de zorg die zij levert. 4

Technologische ontwikkelingen In deze kadernota staan we in het bijzonder nog stil bij technologische ontwikkelingen. Hiervoor benoemden we al diverse uitdagingen en ontwikkelingen waarvoor we staan. Denk hierbij aan de krappe arbeidsmarkt, de uitdagingen binnen de zorg (steeds ouder wordende mensen, in combinatie met multimorbiditeit), en de noodzaak om onze zorg anders te organiseren. Functiedifferentiatie is een belangrijke factor die ons hierbij helpt. In de inleiding van deze kadernota benoemden wij al enkele initiatieven die wij hiertoe hebben ontplooid aan de kant van onze rijdienst. Verderop in deze kadernota gaan we in op functiedifferentiatie op de meldkamers. Hiermee zijn we er echter nog niet. Dat geldt voor onze gehele organisatie. Dus niet alleen voor de collega’s van de rijdienst en meldkamers, maar ook voor onze collega’s die op kantoor de primaire bedrijfsvoering mogelijk maken. Voor alle collega’s geldt dat de komende jaren ingezet blijft worden op diverse ontwikkelingen. Denk hierbij aan AI-tools op de meldkamer, VR-oplossingen voor opleiding en training, nieuwe apps voor rijdienstcollega’s, etc. Komende tijd zal dan ook onderzoek worden gedaan naar de verdere toepassingsmogelijkheden van AI in de ambulancezorg.

Het doel van dit onderzoek is het verkennen en evalueren van de toepassingsmogelijkheden van AI in de ambulancezorg, met de focus op het verminderen / verlichten van administratie en het ondersteunen van het proces. Overigens wordt niet ingezet op klinische beslissingsondersteuning.

Kortom, technologische ontwikkeling zorgt ervoor dat we met een beperkt toenemende groep collega’s het sterk toenemende takenpakket zo efficiënt en effectief mogelijk kunnen blijven uitvoeren. 5

Zorgcoördinatie Met zorgcoördinatie streven de (acute) zorgaanbieders in onze provincie naar een (verdere) bevordering van de samenwerking tussen de verschillende partners in een regio, zodat schaarse middelen zo efficiënt en effectief mogelijk kunnen worden ingezet. Voor zorgcoördinatie is onze provincie opgedeeld in de vier zorgkantoorregio’s; drie daarvan vallen binnen ons werkgebied (West-Brabant, Midden-Brabant en Noord-Oost-Brabant). Vanuit het Regionaal Overleg Acute Zorg (ROAZ) is een werkgroep opgericht, onder begeleiding van het Netwerk Acute Zorg Brabant (NAZB). Doel van deze werkgroep is te komen tot een plan te maken voor de implementatie van zorgcoördinatie in de regio en daarna de implementatie te begeleiden. Deze werkgroep bestaat uit vertegenwoordigers van de betrokken partners in de acute zorg, waaronder de RAV. De huisartsen zijn penvoerder.

In de afgelopen maanden is veel gebeurd. De snelle toets voor zorgcoördinatie is goedgekeurd, een belangrijke mijlpaal! Voor de vier regio’s worden diverse bijeenkomsten georganiseerd. Het zijn inspirerende bijeenkomsten waaraan de verschillende zorgverleners, ieder vanuit de eigen deskundigheid, met veel enthousiasme hun waardevolle bijdrage leveren. De diverse huidige processen van triage, spoedzorg en vervolgzorg zijn in kaart gebracht. De daarbij behorende knelpunten zijn geïdentificeerd. In alle regio’s wordt toegewerkt naar het verwerken van de opgehaalde knelpunten tot concrete verbeterinitiatieven. Deze zullen worden gebundeld in een transformatieplan zorgcoördinatie voor ROAZ Brabant. Naast de actieve participatie in werkgroepen om zorgcoördinatie vorm te geven, werkt de RAV ook intern al jaren aan de voorwaarden die zorgcoördinatie mogelijk moeten maken. Denk hierbij aan functiedifferentiatie, het verkennen van nieuwe zorgpaden, het intensiveren van de contacten met ketenpartners, de implementatie van de richtlijn gegevensuitwisseling acute zorg (voorheen ‘MetSpoedBeschikbaar’) en de implementatie van de verbeterde urgentie-indeling. Wij zullen dit ook de komende jaren met veel enthousiasme blijven doen. 6

Wat mag de patiënt van ons verwachten? (i) De RAV stelt de patiënt centraal: optimale waardecreatie voor de patiënt is ons streven. We leveren mobiele zorg: de juiste ambulancezorg, op het juiste moment, op de juiste plaats en door de juiste hulpverlener. Dit betekent dat we in ieder geval de zorg naar de patiënt brengen, en waar nodig ook de patiënt naar de zorg. Door zorg- en functiedifferentiatie is deze zorg steeds beter afgestemd op de vraag van de patiënt. De RAV heeft de kwaliteit van zorg hoog in het vaandel staan. De eerder beschreven ontwikkelingen dragen daar aan bij. Wat ook essentieel is voor de kwaliteit van zorg is het evalueren van de geleverde zorg. Sinds 2015 vindt intercollegiale zorgevaluatiebegeleiding (ZEB) plaats. Via ZEB wordt het handelen van onze ambulanceverpleegkundigen en medisch hulpverleners geëvalueerd door middel van een methodiek, die afkomstig is uit de luchtvaart en inmiddels zeer effectief is gebleken. In 2019 is de methodiek uitgebreid naar het handelen van ambulancechauffeurs. Naar verwachting zal ZEB de komende jaren breder worden uitgerold binnen onze organisatie. Verder zijn we trots om te kunnen melden dat we zijn gestart met een patiëntenservicebureau. Dit zal de komende jaren verder worden uitgebouwd.

Kwaliteitskader Ambulancezorg 2.0 In 2019 zette de ambulancesector een grote stap voorwaarts met de ontwikkeling van het kwaliteitskader ambulancezorg 1.0. Niet langer werd de kwaliteit van de ambulancezorg beoordeeld op alleen de aanrijtijden. In een brede set van kwaliteitssignalen werd beschreven wat goede ambulancezorg is. In het afgelopen jaar is gewerkt aan een tweede, meer volwassen, versie van het eerste kwaliteitskader. Deze versie is tot stand gekomen in samenwerking met een brede vertegenwoordiging van ambulancezorgprofessionals, RAVexperts, RAV-bestuurders, cliëntenvertegenwoordigers en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Het vernieuwde kwaliteitskader bevat 23 signalen, die grotendeels al geïmplementeerd zijn. De set aan kwaliteitseisen is gebaseerd op de zeven pijlers van goede ambulancezorg; 1) bereikbaar en beschikbaar, 2) patiëntgericht, 3) veilig, 4) professioneel, 5) afgestemd met ketenpartners, 6) continu geëvalueerd en waar nodig verbeterd, 7) geleverd door organisaties die hun zaken op orde hebben. Een signaal is een meetbaar element dat een aanwijzing geeft over de kwaliteit van een aspect van de ambulancezorgverlening.

De signalen hebben betrekking op het volledige ambulancezorg proces; van het aannemen en beoordelen van de zorgvraag door de meldkamercentralist, de beoordeling ter plaatse en de behandeling en het vervoer van de patiënt tot en met de overdracht van de patiënt aan een andere zorgverlener. Uit de toelichting op voornoemde bepaling uit de Regeling ambulancezorgvoorzieningen blijkt dat tijdigheid slechts een van de aspecten is van de kwaliteit van ambulancezorg. Daarom wordt in voornoemde bepaling verwezen naar het Kwaliteitskader Ambulancezorg van branchevereniging AZN. Inmiddels is sprake van versie 2.0, waarin 23 signalen worden uitgewerkt. Jaarlijks wordt hierover in het Sectorkompas Ambulancezorg verantwoording afgelegd (telkens over het afgelopen jaar).

(Bron: https://www.ravbrabantmwn.nl/patientenservicebureau/) 7

Verbeterde urgentie-indeling

Wij informeerden u eerder al over de verbeterde urgentie-indeling, een ontwikkeling die past bij een bredere blik op ‘kwaliteit’ binnen de ambulancezorg. Daarbij past ook de verbeterde urgentie-indeling van onze ritten. Deze verbeterde indeling kent zeven in plaats van drie urgentieniveaus en onderscheidt niet alleen spoedeisende en niet-spoedeisende ambulancezorg, maar ook meldkamerzorg. Het doel van de nieuwe urgentie-indeling is om in geval van echte spoed, in levensbedreigende situaties waarin tijd er echt toe doet, sneller bij de patiënt te zijn en in gevallen waarin dat mogelijk is, iets meer tijd te nemen voor de triage, zodat de patiënt direct op de juiste plek terecht komt en de best passende zorg krijgt. Met behulp van de nieuwe urgentie-indeling is de RAV beter in staat de juiste zorg op de juiste plaats te realiseren. Momenteel wordt gewerkt aan de implementatie van de C1 en C2-urgenties. Naar verwachting is dit in 2026 volledig operationeel. Prestaties en paraatheid De jaarlijkse bekostiging van de RAV’en is afhankelijk van de prestaties die zij leveren. Momenteel zijn de responstijden en beschikbaarheid van ambulancepersoneel daarbij nog belangrijk. Daarvoor geldt op het niveau van de werkgebieden van de Veiligheidsregio’s, een inspanningsverplichting voor wat betreft responstijden.

Ook geldt een resultaatsverplichting met betrekking tot een juiste spreiding van ambulanceposten over de gebieden. Responstijd valt in drie delen uiteen: meldkamertijd, uitruktijd en aanrijdtijd. Voor de urgentieclassificatie A1 werd uitgegaan van de volgende verdeling: 2 minuten meldkamertijd, 1 minuut uitruktijd en 12 minuten aanrijdtijd. Inmiddels is de oude classificatie A1 opgedeeld in A0 en een nieuwe A1.

Wat mag de patiënt van ons verwachten? (ii) Voor A0 geldt voornoemde verdeling van 2 minuten, 1 minuut en 12 minuten. Voor de nieuwe A1-classificatie geldt een meldkamertijd van 4 minuten, een uitruktijd van 1 minuut en een rijdtijd van 12 minuten (dus 17 minuten in totaal). Op landelijk niveau wordt soms de vraag gesteld of niet op fijnmaziger niveau gekeken moet worden naar de prestaties in de ambulancezorg, dan op het niveau van de Veiligheidsregio’s. Nog afzien van het feit dat, zoals hiervoor al benoemd, kwaliteit breder is dan alleen prestaties, staan wij ook anderszins niet achter deze systematiek. Er wordt op Veiligheidsregioniveau gemeten omdat daarmee het goed en in samenhang functioneren van de verschillende crisisdiensten wordt ondersteund. Monitoren of verantwoorden op lokaal niveau sluit daar niet op aan. Om lokaal paraat te staan voor inzetten binnen de streefnorm, moet er een aanzienlijke hoeveelheid extra ambulances worden ingezet. Ook moeten dan veel ambulanceverpleegkundigen worden onttrokken uit andere sectoren van de zorg. Vervolgens neemt het aantal inzetten per ambulance flink af. Uit het oogpunt van efficiëntie en kwaliteit wordt daarom plaatsgebonden verantwoording niet wenselijk geacht. 8

Verantwoordelijkheid

Wat mag de maatschappij van ons verwachten?

Naast de zorg voor de patiënt die bij ons op de eerste plaats staat, voelen wij ook een grote verantwoordelijkheid ten opzichte van de maatschappij. Wij zijn een publieke organisatie en gaan efficiënt en verantwoord om met de middelen die aan ons zijn toevertrouwd. Daarnaast dragen wij graag bij om samen met onze partners in de acute zorgketen te onderzoeken hoe de bereikbaarheid, betaalbaarheid en kwaliteit van de acute zorg in de toekomst voor iedereen behouden blijft. Dit is een grote maatschappelijke uitdaging, die alleen in samenwerking met alle betrokkenen het hoofd kan worden geboden. Financieel Sinds de oprichting van onze Gemeenschappelijke Regeling in 2005 werken wij met een begroting die volledig is gedekt door het aan ons toegekende budget vanuit de zorgverzekeraars en hebben wij geen financiële bijdrage van de deelnemende gemeenten nodig gehad. De RAV is een financieel gezonde organisatie, die efficiënt en verantwoord omgaat met publieke middelen. Ook in 2026 wordt geen gemeentelijke bijdrage gevraagd. Duurzaamheid Onze organisatie is verweven met duurzaamheid. Onze RAV verwacht twee nieuwe vestigingen op te leveren in 2026. Naast gebruiksgemak voor onze rijdienst en moderne voorzieningen voor onze kantoorcollega’s, staan eisen rondom duurzaamheid hierbij hoog in het vaandel. Verder wordt gewerkt aan een duurzaam wagenpark.

Denk hierbij aan de elektrificatie van de ambulances en het overige wagenpark. 9

Wat mogen onze (toekomstige) collega’s van ons verwachten? Functiedifferentiatie. Zoals we aan het begin van deze

voor

kadernota al opmerkten, is de afgelopen jaren veel ingezet

gespecialiseerde als niet-gespecialiseerde verpleegkundigen

loopbaancoachingsbeleid. Ook zijn loopbaanpaden ontwikkeld

op functiedifferentiatie aan de zijde van de rijdienst; naast

opgeleid. In het hebben van een eigen opleiding zijn we

zodat verdere doorgroei en doorontwikkeling binnen onze

onze reguliere ALS-ambulances, werken we momenteel naar

uniek in Nederland. Daar zijn we trots op! Dit biedt ons regie

organisatie kan worden gestimuleerd. Denk hierbij aan het

volle tevredenheid met MC-ambulances, voor – kort gezegd –

op startmomenten en op de inhoud van de opleiding.

faciliteren van doorgroei van chauffeur naar verpleegkundige,

planbaar (niet-acuut) vervoer. Verder werken we ook met Verpleegkundig Specialisten, Physician Assistants en Medisch Hulpverleners. Daarnaast leggen we momenteel de basis voor functiedifferentiatie aan de meldkamerkant. De 112centralist wordt duurzaam ingebed in onze organisatie. In de loop van 2025 gaan we werken met functies als Klinisch Coördinator en Coördinerend Verpleegkundig Centralist. Wij

merkten

het

eerder

in

deze

nota

al

op;

personeelsmanagement kan niet worden los gezien van technologische ontwikkelingen. We verwachten bijvoorbeeld dat begin 2025 de meldkamercentralisten volledig worden ondersteund bij de uitgifte van ambulances door een AI-tool. Verder streven we ernaar dat er halverwege 2026 een aanvullend triagesysteem zal werken voor verlengde triage. Opleiding. Een belangrijk aandachtspunt voor ons is de instroom van nieuwe medewerkers. Dit kan de maximale scholingscapaciteit van de RAV beperken (bijvoorbeeld door de numerus fixus op de BMH-opleidingen). Onze RAV heeft haar

eigen,

landelijk

gecertificeerde,

opleiding

voor

ambulanceverpleegkundigen

worden

zowel

Qua ambulanceverpleegkundigen en medisch hulpverleners,

Verder

wordt

gewerkt

aan

loopbaan-

en

of van verpleegkundige naar Verpleegkundig Specialist.

streeft de RAV ernaar om zo veel mogelijk mensen aan te

Meerjarenbeleidsplan & MTO. Voor onze RAV was 2024

nemen. Wij hopen dat het lukt om in 2025 tussen de 20 en

onder ander een belangrijk jaar vanwege het uitgevoerde

30

verpleegkundigen/medisch

medewerkerstevredenheidsonderzoek (“MTO”) en het feit dat

hulpverleners te kunnen aannemen. Op geleide daarvan

we zoveel mogelijk collega’s hebben betrokken bij de

zullen wij ook chauffeurs aannemen. Met dit aantal kunnen

voorbereidingen voor het nieuwe meerjarenbeleidsplan. Dit

we het normale verloop opvangen en iets groeien. De eerste

zijn onderwerpen die de komende tijd hoog op onze agenda

tekenen zijn gunstig. In april en oktober 2025 starten onze

staan. Halverwege 2025 zal het nieuwe meerjarenbeleidsplan

opleidingsgroepen en medische hulpverleners kunnen flexibel

worden vastgesteld, in welk traject we de medewerkers

instromen. We streven ernaar deze ontwikkeling in 2026

zullen blijven betrekken. Ook houden we de medewerkers

door te zetten.

actief op de hoogte van de ontwikkelingen die voortkomen uit

nieuwe

collegae

als

Naast het opleiden van nieuwe medewerkers, ontplooien we

het MTO.

ook andere initiatieven. In ons werkgebied zijn verschillende initiatieven voor DUO-banen (waaronder met het ETZ in Tilburg,

het

Bernhoven

Bravis-ziekenhuis in

Uden).

in

Bergen

Hierdoor

op

kunnen

Zoom

en

SEH/IC-

verpleegkundigen voor een deel van de tijd worden ingezet als ambulanceverpleegkundige, en andersom.

ambulanceverpleegkundigen en -chauffeurs. In de opleiding 10

Tot slot De in deze nota geschetste kaders worden verder uitgewerkt in de conceptbegroting 2026, die uiterlijk 5 april 2025 zal worden aangeboden aan de raden van de gemeenten die deelnemen in de Gemeenschappelijke Regeling ‘Regionale Ambulancevoorziening Brabant Midden-West-Noord’.

11

12

1 REGIO WEST-BRABANT

Aan de raads- en collegeleden van de 16 RWB-gemeenten

Uw kenmerk:

Ons kenmerk: Onderwerp: Bijlage:

RWB/2025-011 Kaderbrief RWB begroting 2026 Overzicht ontvangen richtlijnen met reactie

Datum Contactpersoon Telefoon: E-mail:

29 januari 2025 Olga Arandjelovic 06 10 21 71 74 olga.arandjelovic@west-brabant.eu

Beste leden van de West-Brabantse raden en colleges, in de periode oktober-december ontvingen we van u de richtlijnen voor onze begroting 2026. Daarin dringt u aan op demping van de indexering van de gemeentelijke bijdrage aan RWB of op een verdergaande bezuiniging. U vroeg ons in de kaderbrief 2026 aan te geven hoe we hieraan tegemoet gaan komen. In de vergadering van het algemeen bestuur op 4 december hebben we de beantwoording van uw vraag besproken. De door het algemeen bestuur aangegeven denkrichting hebben we uitgewerkt in deze kaderbrief die we op 29 januari vaststelden. Algemene en specifieke richtlijnen Allereerst merken we op dat wij goed uit de voeten kunnen met de algemene financiële richtlijnen, de specifieke financiële richtlijn voor Kleinschalig Collectief Vervoer en de beleidsmatige richtlijnen die betrekking hebben op de strategische agenda van RWB. De algemene richtlijnen komen uit de vastgestelde Nota Verbonden Partijen en de KCV-richtlijn sluit aan op onze contractafspraken met de vervoerder. De vragen over de strategische agenda beantwoorden we bij de begroting. We ronden voor de start van de zienswijzetermijn van de ontwerpbegroting 2026 het jaarplan 2025-2026 af, zodat u dat bij de beoordeling van de financiële stukken kunt betrekken.

Bezuinigingsopgave 2026 Om inzicht te krijgen in de gemeentelijke bijdragen aan RWB zijn de geraamde kosten in de begroting 2025 op de volgende pagina in beeld gebracht. De begroting 2025 van RWB omvat € 30 miljoen. Daarvan is 23 miljoen toe te schrijven aan de shared services Kleinschalig Collectief Vervoer, het Mobiliteitscentrum en Regioarcheologie. De subsidie aan B.V. REWIN West-Brabant bedraagt € 2,8 miljoen. € 4,2 miljoen hangt samen met overhead, algemeen (voor het totaal van de organisatie) en voor de uitvoering van de strategische agenda (1,5 miljoen €).

Regio West-Brabant 1 Postbus 503 1 4870 AM Etten-Leur Tel: (076) 502 72 00 e-mail: info@west-brabant.eu 1 www.west-brabant.eu Inschrijvingsnr. KvK: 51448122 1 IBAN NL31BNGH0285150308

Geraamde kosten begroting RWB 2025

Geraamde inkomsten begroting RWB 2025

De bijdragen van gemeenten worden grotendeels (voor 19 miljoen €) bepaald door de afname van producten van de shared services. RWB heeft zelf geen invloed op de omvang van deze afname. RWB heeft wel de opdracht de prijs van producten zo laag mogelijk te houden, m.n. door gezamenlijke aanbestedingen. De in 2024 afgeronde aanbesteding van het deeltaxivervoer bijvoorbeeld, leidt naar verwachting in 2025 tot een kostendaling met ruim 3 miljoen €. Gemeenten betalen aan RWB in 2025 3 bijdragen gerelateerd aan de inwoneraantallen: •

De bedrijfsvoering en de strategische agenda (algemene bijdrage/inwoner, 3,4 miljoen €).

•

B.V. REWIN West-Brabant (2,8 miljoen €). RWB is hierbij doorgeefluik.

•

Het Onderzoek- en Ontwikkelfonds (4,7 ton €). Dit bedrag wordt nooit geïndexeerd.

Kortom: onze sturingsmogelijkheden om de bijdragen van gemeenten te verminderen zijn beperkt. De hoogte van de bezuinigingsopgave relateren we daarom aan de algemene bijdrage per inwoner. Om de indexatie van de loon- en prijsstijging niet alleen te dempen maar volledig te compenseren is een bezuiniging van € 150.000 nodig. Bezuinigingsmogelijkheden Het algemeen bestuur kiest er niet voor om die opgave door te zetten naar de verschillende organisatieonderdelen (kaasschaaf). Daarvoor is het nu niet het geschikte moment. Zoals u wellicht weet onderzoeken wij in 2025 in afstemming met de stedelijke regio's, B.V. REWIN West-Brabant en vertegenwoordigers van de shared services, de gewenste rolopvatting, inrichting, financiering en rechtsvorm van de verschillende RWB-onderdelen. Daarbij kijken we uitdrukkelijk ook naar de mogelijkheden van kostenbesparing.

Tegelijkertijd denken we graag met u mee met oog op het ravijnjaar. Daarom zullen we in onze begroting een besparing van € 157.000 realiseren die de indexering van de algemene bijdrage per inwoner compenseert. Dit doen we door aanpassingen van het Onderzoek- en Ontwikkelfonds, waaraan u sinds de instelling € 0,65 per inwoner bijdraagt. Het O&O-fonds is een waardevol instrument voor het realiseren van onze economische doelen. Gemiddeld ondersteunen we per jaar vanuit het fonds 15 vernieuwende projecten van uiteenlopende (en samenwerkende) partijen in onze regio. We willen dit fonds graag behouden, maar door een aantal aanpassingen verwachten we met een kleinere gemeentelijke bijdrage evenveel projecten te kunnen blijven steunen. We brengen het aantal subsidieronden terug van 3 naar 2. Daarmee verminderen we de administratieve last. We handhaven het beschikbare bedrag per ronde. Door het terugbrengen van het aantal rondes verlagen we uw bijdrage met 1/3: van € 0,65 met € 0,22 naar € 0,43 per inwoner. Omdat we onlangs de eisen ten aanzien van cofinanciering door de initiatiefnemers hebben aangescherpt, verwachten we met minder geld evenveel projecten als voorheen te kunnen subsidieren. Conclusie Samenvattend nemen we in de begroting 2026 structureel een verlaging van € 0,22/inwoner van de bijdrage aan het O&O-fonds op.

In 2026 compenseren we hiermee de reguliere indexatie van de algemene bijdrage per inwoner. In 2025 ronden wij het onderzoek naar de gewenste toekomstige rolneming, inrichting, financiering en rechtsvorm van de RWB-onderdelen af. We zetten er op in om per 2026 de daaruit voortvloeiende veranderingen in gang te zetten. Als u vragen heeft over deze brief of bijlagen, neemt u dan gerust contact op met Marijke Riksen, manager organisatie en bestuurszaken, mariike.riksen@west-brabant.eu , 06 129 630 29.

Met vriendelijke groet, namens het strategisch beraad

P. Depla voorzitter

O. Árandj lovic directe

s—e reta ns

Bijlage 1 bij kaderbrief

OVERZICHT DOOR RADEN VASTGESTELDE RICHTLIJNEN BEGROTING RWB 2026

versie 29 januari 2025

Gemeente

Richtlijnen

Reactie strategisch beraad

Altena Alphen-Chaam Baarle-Nassau Bergen op Zoom Breda Drimmelen Etten-Leur Geertruidenberg Halderberge Moerdijk Oosterhout Roosendaal Rucphen Steenbergen Woensdrecht Zundert (alle gemeenten)

1. We verwachten van het bestuur van de gemeenschappelijke regeling dat zij een structureel sluitende meerjarenbegroting, waarin vier jaar vooruit wordt gekeken, aanbiedt aan de deelnemers. De gemeenschappelijke regeling vermeldt duidelijk de uitgangspunten die gebruikt zijn voor de begroting voor het komende jaar. In de begroting voor het komende jaar neemt de gemeenschappelijke regeling ook een overzicht op met de bijdragen voor de komende vier jaar per deelnemer.

Deze richtlijn nemen we onverkort over.

2. De begroting wordt opgesteld op basis van ongewijzigd beleid. Er worden dus geen nieuwe taken of uitbreiding van bestaande taken in de primitieve begroting opgenomen, behalve als dit eerder door het algemeen bestuur is besloten.

Deze richtlijn nemen we onverkort over.

3. De begroting bevat een overzicht met het verloop van aanwezige reserves. In dit overzicht is te zien wanneer de reserve wordt ingezet en voor welk bedrag per jaar. Hierin wordt ook het doel van de reserve omschreven. Wanneer een reserve 2 jaar of langer niet wordt ingezet, dan legt de gemeenschappelijke regeling de instandhouding of vrijval van deze reserve in de besluitvorming bij de ontwerpbegroting voor. Het uitgangspunt is dat deze reserve op dat moment vrijvalt. Wordt er niet besloten tot vrijval dan geeft de gemeenschappelijke regeling in de ontwerpbegroting de planning en het doel van de uitgaven voor deze reserve opnieuw aan. Via de ontwerpbegroting worden de gemeenteraden in de gelegenheid gesteld hierop een zienswijze in te dienen.

Deze richtlijn nemen we onverkort over. We presenteren bij de ontwerpbegroting ook een nota reserves en voorzieningen.

4. De bijdrage van de deelnemende gemeenten in de begroting voor het komende jaar stijgt maximaal met de geldende CAO-indexering, overige CAO-afspraken en de prijsontwikkeling uit de meest recente circulaire. Voor het opstellen van zowel de kaderbrief als de begroting gebruikt de gemeenschappelijke regeling de dan meest recente circulaire voor zowel de loon- als de prijsindex. Hiervoor gebruiken we de meest recente ramingen zoals opgenomen in het Centraal Economisch Plan van het Centraal Plan Bureau. Voor de loonontwikkeling wordt hierbij ‘de index van de loonvoet sector overheid’ gevolgd en voor de prijsontwikkeling ‘de index van de netto materiele consumptie’. De verbonden partij geeft bij de kaderbrief en de begroting een specificatie weer van de verhouding lonen/prijzen in haar exploitatiebegroting. Voor het opvangen van afwijkingen tussen de indexeringen die in de begroting zijn opgenomen en de werkelijke CAO-indexering, overige CAO-afspraken en de werkelijke prijsontwikkeling

Dit betekent vooralsnog (in procenten): Indexering Loonkosten Overige kosten

2025* 5,8 2.5

2026 3,8 2,4

*uitgangspunt zijn de reële kosten 2024, geïndexeerd met de prognoses voor 2025 en 2026 uit de septembercirculaire 2024.

1 Overzicht begrotingsrichtlijnen 2026

Gemeente

Richtlijnen

Reactie strategisch beraad

houdt de verbonden partij een beperkte algemene reserve aan om de bedrijfsvoering in het lopende boekjaar te kunnen continueren zonder dat hiervoor een beroep moet worden gedaan op de deelnemers en een zienswijzenprocedure moet worden gevolgd. Uiteraard wijzigt de deelnemersbijdrage ook wanneer er wijzigingen zijn in de kwantiteit van de dienstverlening die de deelnemers afnemen.

Alphen-Chaam Bergen op Zoom Etten-Leur Halderberge Moerdijk Oosterhout Rucphen Woensdrecht Zundert

5. Een besluit van het algemeen bestuur van een verbonden partij tot instelling van een algemene reserve is goed gemotiveerd, onderbouwd en voorzien van bijbehorende spelregels. Op dit besluit van het algemeen bestuur wordt een zienswijzemogelijkheid geboden aan de deelnemende gemeenten bij de concept-begroting(wijziging). De algemene reserve wordt aangevuld tot de maximale hoogte zoals vastgesteld door het algemeen bestuur. Voor het bepalen van de omvang van de (beperkte) algemene reserve kan het algemeen bestuur een advies vragen aan de accountant, maar de algemene reserve bedraagt niet meer dan 8% van de totale lasten in de begroting (uitgangspunt is en blijft dat de weerstandscapaciteit bij de deelnemers wordt aangehouden).

In de ontwerpbegroting 2026 doen wij een voorstel voor een beperkte reserve waarmee het verschil tussen werkelijke en geraamde loon- en prijsontwikkeling afgedekt kan worden.

6. Een positief jaarrekeningresultaat wordt uitgekeerd aan de deelnemers. De gemeenschappelijke regeling kan hier alleen van afwijken door een duidelijk en gemotiveerd voorstel voor resultaatbestemming voor te leggen aan het algemeen bestuur. Over een dergelijk voorstel besluit het algemeen bestuur.

Deze richtlijn nemen we over.

7. In de paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing beschrijft de gemeenschappelijke regeling de risico’s met de meeste impact en de getroffen beheersingsmaatregelen. Ook geeft de gemeenschappelijke regeling inzicht in de benodigde weerstandscapaciteit.

En dat geldt ook voor deze.

Aanvullende financiële richtlijn voor alle verbonden partijen: In verband met de verwachte neerwaartse bijstelling van het Gemeentefonds in 2026 beschrijft de gemeenschappelijke regeling in de kadernota en de begroting 2026 in hoeverre de bijdrage van de gemeente/deelnemers gelijk blijft aan c.q. beperkt stijgt ten opzichte van de bijdrage voor 2025. Dit kan door besparingen voor te stellen of beleidsinhoudelijke keuzes aan te geven.

In onze begroting 2026 verlagen we de gemeentelijke bijdrage aan het Onderzoek- en Ontwikkelfonds met € 0,22 per inwoner (gaat van € 0,65 naar € 0,43 per inwoner). Dit levert een besparing van € 157.000 op waarmee we de verwachte indexering van de algemene bijdrage per inwoner (€ 150.000) compenseren. We brengen het aantal subsidieronden terug van 3 naar 2, waarmee we de administratieve last denken te verlichten. Doordat we meer eisen stellen aan cofinanciering verwachten we met een kleiner budget eenzelfde aantal projecten te kunnen ondersteunen.

Overzicht begrotingsrichtlijnen 2026

2

Gemeente

Richtlijnen

Reactie strategisch beraad Verder onderzoeken we in 2025 in afstemming met de stedelijke regio’s, B.V. REWIN West-Brabant en vertegenwoordigers van de shared services, de gewenste rolopvatting, inrichting, financiering en rechtsvorm van de verschillende RWB-onderdelen. Daarbij kijken we uitdrukkelijk ook naar de mogelijkheden van kostenbesparing.

Altena

De gemeente Altena gaat alleen akkoord met conceptbegrotingen van de gemeenschappelijke regelingen voor 2026 als daarin slechts een inflatiecorrectie wordt nagestreefd, tenzij afwijking van die lijn noodzakelijk is om te kunnen voldoen aan wettelijk verplichte taken of door onze raad vastgestelde beleidsdoelstellingen.

Zie onze reactie op de aanvullende financiële richtlijn van Alphen-Chaam, Bergen op Zoom, Etten-Leur, Halderberge, Moerdijk, Oosterhout, Rucphen, Woensdrecht, Zundert. We voldoen aan uw voorwaarde.

Baarle-Nassau

Wij verwachten dat onze verbonden partijen rekening houden met de verwachte neerwaartse bijstelling van het Gemeentefonds in 2026. De gemeenschappelijke regeling beschrijft in de kadernota en de begroting 2026 op welke manier zij ervoor kunnen zorgen dat de bijdrage van de gemeente/deelnemers gelijk blijft aan of vermindert ten opzichte van de bijdrage voor 2025. Dit kan door besparingen voor te stellen of beleidsinhoudelijke keuzes aan te geven.

Zie onze reactie op de aanvullende financiële richtlijn van Alphen-Chaam, Bergen op Zoom, Etten-Leur, Halderberge, Moerdijk, Oosterhout, Rucphen, Woensdrecht, Zundert. We compenseren de indexatie van de algemeen bijdrage per inwoner met een verlaging van de bijdrage aan het O&Ofonds.

Breda

In verband met de verwachte neerwaartse bijstelling van het Gemeentefonds in 2026 beschrijft de gemeenschappelijke regeling in de kadernota en de begroting 2026 de beleidsinhoudelijke keuzes en daar uit voortvloeiende effecten als de bijdrage van de gemeente/deelnemers gelijk blijft, dan wel daalt met 5%, 10% en 15% ten opzichte van de bijdrage voor 2025.

Zie onze reactie op de aanvullende financiële richtlijn van Alphen-Chaam, Bergen op Zoom, Etten-Leur, Halderberge, Moerdijk, Oosterhout, Rucphen, Woensdrecht, Zundert. We beperken ons nu tot de compensatie van de indexering van de algemene bijdrage per inwoner. We nemen een verdergaande kostenbesparing mee in ons onderzoek naar de rolopvatting, inrichting, financiering en rechtsvorm van de verschillende RWB-onderdelen.

Geertruidenberg

De gemeente Geertruidenberg gaat enkel akkoord met de begrotingen 2026 van de Verbonden Partijen als daarin de nul-lijn voor 2026 wordt gehanteerd, tenzij afwijking van die lijn noodzakelijk is om te kunnen voldoen aan wettelijk verplichte taken of door de gemeenteraad van Geertruidenberg vastgestelde beleidsdoelstellingen.

Steenbergen

De gemeenteraad van Steenbergen heeft een motie van de VVD met een dergelijke strekking aangenomen.

Zie onze reactie op de aanvullende financiële richtlijn van Alphen-Chaam, Bergen op Zoom, Etten-Leur, Halderberge, Moerdijk, Oosterhout, Rucphen, Woensdrecht, Zundert. We voldoen aan uw voorwaarde.

Overzicht begrotingsrichtlijnen 2026

3

Gemeente

Richtlijnen

Reactie strategisch beraad

Roosendaal

Benoemd bezuinigingsdoel: € 200.000.

Zie onze reactie op de aanvullende financiële richtlijn van Alphen-Chaam, Bergen op Zoom, Etten-Leur, Halderberge, Moerdijk, Oosterhout, Rucphen, Woensdrecht, Zundert. We realiseren nu een bezuiniging van € 157.000.

Alle gemeenten

Specifieke financiële richtlijn voor de Regio West-Brabant: Bij de uitvoeringsgerichte taak Kleinschalig Collectief Vervoer geldt voor de vervoersprijs per eenheid een aanpassing aan de hand van de branchegerichte NEA-index. Verder worden de vervoerslasten begroot aan de hand van het geprognosticeerde gebruik van de vervoersvoorziening. Doorbelasting van kosten aan gemeenten en provincie vindt plaats op basis van realisatie. Beleidsmatige richtlijn Regio West-Brabant: In de begroting 2026 wordt in heldere taal aangegeven: 1. Welke doelen uit de strategische agenda en actieprogramma 2024 – 2028 in 2026 worden gerealiseerd en welke doelen in de periode 2027-2028 worden beoogd; 2. Wat de financiële en personele inzet van de RWB hierbij is en welke aanvullende middelen (capaciteit en financiën) van de gemeenten worden gevraagd; 3. Of, en zo ja op welke wijze er voor de uitvoering van de actieagenda samenwerking nodig is met de Stedelijke Regio’s en REWIN en hoe deze samenwerking wordt vormgegeven; 4. Op welke wijze de verbinding met onderwijs en bedrijfsleven wordt gelegd bij de uitvoering van het actieprogramma.

Alle gemeenten

Deze richtlijn komt overeen met de indexeringsafspraken die vastgelegd zijn in de vervoersovereenkomst en nemen we dus over.

We werken aan het jaarplan 2025-2026 voor de strategische agenda 2024-2028. Dit leveren we gelijktijdig met de ontwerpbegroting 2026 op. Daarin komen uw vragen aan bod.

Overzicht begrotingsrichtlijnen 2026

4

Aan: De gemeenteraden van de veertien gemeenten in West-Brabant Namens: Bestuur Gemeenschappelijke Regeling Schoolverzuim en Voortijdig Schoolverlaten Betreft: Kaderbrief Begroting 2026 RBL West-Brabant Geachte raadsleden van de veertien West-Brabantse gemeenten, Met deze kaderbrief schetsen wij vanuit Regionaal Bureau Leren West-Brabant (RBL) de kaders en beleidsontwikkelingen voor 2026, als startpunt voor het opstellen van de begroting. Het koersdocument Leerrecht en Doorstroompunt 2024-2026, dat binnen de Gemeenschappelijke Regeling (GR) is ontwikkeld en vastgesteld, is hierbij leidend. De bedoeling centraal Binnen RBL werken we met veertien West-Brabantse gemeenten samen aan het voorkomen van verzuim en schooluitval. Daarbij stellen we steeds het perspectief van de jongere voorop: ieder kind heeft recht op onderwijs en op kansen om zich te ontwikkelen, ook als er extra ondersteuning nodig is. Het werken vanuit een inclusieve gedachte en vanuit de Methodische Aanpak Schoolverzuim (MAS) is vanzelfsprekend. Nieuw wettelijk kader Op het moment van schrijven van deze kaderbrief is nog onduidelijk wanneer de nieuwe Wet van School naar Duurzaam Werk van kracht wordt. Zover nu bekend is de beoogde ingangsdatum van deze nieuwe wet 1-1-2026.

Hoewel de inhoud nog onder voorbehoud van politieke besluitvorming is, heeft de wet als doel om jongeren beter voor te bereiden op de start op de arbeidsmarkt zodat zij sneller en vaker een baan kunnen vinden en structureel kunnen behouden. Een betere samenwerking in de keten schoolgemeente (Participatiewet)-doorstroompunt helpt om de jongeren beter te kunnen ondersteunen in de overgang van school naar werk. Voor het RBL heeft dit als consequentie dat de doelgroep wordt uitgebreid van 23 (nu) naar 27 jaar en dat de ondersteuning gericht is op het terugleiden naar onderwijs of, als dat niet passend is, naar werk met eventuele ondersteuning vanuit de gemeente op basis van de Participatiewet. De exacte uitwerking van de taken die hiermee gemoeid zijn worden in 2025 nader uitgewerkt. Daarnaast is in het bestuur de afspraak gemaakt dat de extra middelen die het Rijk beschikbaar stelt voor het uitvoeren van deze wet vanuit de gemeenten doorgezet worden naar het Regionaal Bureau Leren en daadwerkelijk worden ingezet ten behoeve van het uitvoeren van deze taken. Daarnaast is per 1-8-2025 de nieuwe wet Terugdringen Schoolverzuim in werking getreden. Deze wet heeft tot doel de noodzakelijk voorwaarden te creëren om langdurig schoolverzuim van leerlingen en studenten te kunnen voorkomen en verminderen.

Met de nieuwe wet worden scholen in samenwerking met samenwerkingsverbanden en leerplichtambtenaren beter in positie gebracht om verzuim tijdig te signaleren, de oorzaken van verzuim te constateren en de relevante personen in te zetten om het verzuim te kunnen aanpakken. Daarnaast beoogt de nieuwe wet te voorkomen dat jongeren door een Kaderbrief 2026 | Regionaal Bureau Leren West-Brabant | p. 1

beroep op vrijstelling op grond van lichamelijke of psychische klachten langdurig geen enkele vorm van onderwijs ontvangen, terwijl er wel een passend aanbod beschikbaar is. De wet maakt het mogelijk dat vanuit school een signaal aan de leerplichtambtenaar gegeven wordt wanneer school zich zorgen maakt over het ongeoorloofd verzuim van een leerling, nog voordat de huidige wettelijke grens van het verzuim bereikt is. Hiermee wordt onder andere het belang van (vroeg)tijdig ingrijpen en preventief handelen in verzuimsituaties erkend. Ambitie en uitdaging De ambitie voor deze kaderbrief is beschreven in het koersdocument Leerrecht en Doorstroompunt 2024-2026. Hierin hebben we nadrukkelijk de omslag gemaakt naar het faciliteren van het recht op ontwikkeling in plaats van handhaven op de wettelijke verplichting. Door het vaststellen van het koersdocument is binnen de gemeenschappelijke regeling een gezamenlijke stip op de horizon geplaatst. Half 2024 hebben de deelnemende gemeenten een extra (financiële) investering in het RBL gedaan. Met deze investering is de formatie leerplicht op orde gebracht en is de ondersteuning op verschillende niveaus verstevigd, met als doel de basis op orde te brengen zodat de wettelijke taak uitgevoerd kan worden. In 2025 is de extra investering verankerd en daarmee ook de basis dienstverlening.

Voor 2026 is de basis op orde, en dus de uitvoering van de wettelijke taak, nog steeds het uitgangspunt. Er wordt dit jaar gekeken naar wat er nodig is om een volgende stap te maken richting de gezamenlijke stip op de horizon. De dienstverlening van het RBL beperkt zich tot het uitvoeren van wat wettelijk noodzakelijk is. Afgelopen twee jaar is hard en met zorgvuldigheid gewerkt aan het aanscherpen van de taken en de financiële uitwerking daarvan. Dit maakt dat er op dit moment geen ruimte is om besparingen door te voeren of beleidsmatige keuzes te maken die leiden tot kostenbesparing. Daarnaast vraagt de nieuwe Wet van School naar Duurzaam Werk om een uitbreiding van de taak en om nieuwe initiatieven. Hiervoor worden door het Rijk financiële middelen ter beschikking gesteld aan het RBL. Dit leidt per definitie tot een verhoging van de kosten en dus de gemeentelijke bijdrage in de begroting.

Toelichting op de Gemeenschappelijke Regeling en de bedrijfsvoering De Gemeenschappelijke Regeling Programma Schoolverzuim en Voortijdig Schoolverlaten is beter bekend onder de naam Regionaal Bureau Leren (RBL) West-Brabant. Binnen RBL werken veertien gemeenten samen om schoolverzuim en voortijdig schoolverlaten onder jongeren tegen te gaan. De deelnemende gemeenten nemen een diversiteit aan diensten af. Dit betekent dat samenwerking plaatsvindt op twee verschillende niveaus: • Alle veertien deelnemende gemeenten werken samen op niveau 1. Zij voeren een centrale leerplicht- en Doorstroompunt-administratie. Daarnaast is de sturing en coördinatie op de Doorstroompunt-functie gezamenlijk vormgegeven. • Wanneer wordt samengewerkt in begeleiding en toezicht op het gebied van leerrecht en kwalificatieplicht, spreken we van niveau 2. Alle jongeren van 5 tot 23 jaar (en mogelijk van 5 tot 27 jaar, mocht de wet VSNDW al zijn ingegaan) worden begeleid naar de juiste opleiding, zorg of werk. In West-Brabant werken op dit moment vijf gemeenten intensief samen op dit niveau. Dit zijn Breda, Moerdijk, Drimmelen, Geertruidenberg en Oosterhout.

Kaderbrief 2026 | Regionaal Bureau Leren West-Brabant | p. 2

De volgende leerrecht- en doorstroomtaken worden buiten de kaders van de Gemeenschappelijke Regeling uitgevoerd: • De vijf gemeenten in West-Brabant-West (Bergen op Zoom, Halderberge, Roosendaal, Steenbergen en Woensdrecht) werken op het gebied van de begeleiding en leerrecht samen in een netwerksamenwerking, met lokale uitvoering van de leerrechttaak en Doorstroompunt begeleiding (5 tot 27 jaar). • De gemeente Altena voert de taken ten behoeve van leerrecht en begeleiding eveneens geheel zelfstandig uit. • De gemeenten Etten-Leur, Rucphen en Zundert voeren eveneens de leerrechttaken en Doorstroompunt begeleiding zelfstandig uit. Alle gemeenten streven naar zoveel mogelijk uniformiteit en eenheid in uitvoering van de leerrechttaken en de begeleiding. Met de verschillende niveaus van samenwerking geven we de deelnemende gemeenten de mogelijkheid een keuze te maken, waarbij samenwerking op niveau 1 als basis geldt. Regionaal programma VSV 2026 – 2029 Ten tijde van het schrijven van deze kaderbrief is het nieuwe regionale programma VSV nog in voorbereiding. Er ligt een regio analyse met aanbevelingen die vertaald worden naar doelstellingen voor het programma. Op basis daarvan wordt het programma gevuld met projecten die aan deze doelstellingen bijdragen. Het is nog niet duidelijk of en welke bijdrage er vanuit RBL geleverd gaat worden.

Missie en Visie van RBL West Brabant Met het opstellen van het koersdocument Leerrecht en Doorstroompunt 2024-2026 hebben we ook de missie en visie herijkt. Onderstaande missie en visie vormen de kapstok voor de verderop in dit document benoemde speerpunten van 2026. Missie (waar staan we voor): Ieder kind en jongere verdient de kans zich te ontwikkelen op een voor hem of haar passende manier. Leren in het onderwijs is een belangrijke manier voor kinderen en jongeren om zich te ontwikkelen, maar soms lopen ze daarin vast. Kinderen en jongeren die (dreigen) uit (te) vallen op school kunnen rekenen op ondersteuning van leerrecht/doorstroompunt. Visie (waar gaan we voor): • Wij bieden kinderen en jongeren die (dreigen) uit (te) vallen in het onderwijs ondersteuning om weer op een passend ontwikkelpad te komen: onderwijs of een ander passend alternatief. • Daartoe zien wij het kind en de jongere in zijn/haar omgeving (gezin, familie, sociaal netwerk, school, buurt). • Samen met onze partners in het onderwijs, zorg en arbeidsmarktnetwerk sluiten we aan bij de behoefte van het kind en de jongere. We denken en handelen vanuit kansen en mogelijkheden. • Met onze lokale en regionale partners hebben we kinderen en jongeren die (dreigen) uit (te) vallen zo snel mogelijk in beeld, waardoor escalatie voorkomen wordt.

Kaderbrief 2026 | Regionaal Bureau Leren West-Brabant | p. 3

Speerpunten en aandachtsgebieden 2026 van RBL West-Brabant Iedere jongere verdient een duurzame toekomst met perspectief. Binnen RBL West-Brabant zet een bevlogen team alles op alles om de West-Brabantse jongeren in beeld te houden en het recht op ontwikkeling te beschermen. Onze uitvoerders in de regio werken vanuit lef en liefde om dit mogelijk te maken. Daar waar mogelijk vanuit RBL zelf, binnen de kaders die er zijn. Of in nauwe samenwerking met ketenpartners zoals het onderwijs, het samenwerkingsverband, het CJG (Centrum Jeugd en Gezin) en SLT (Stevig Lokaal Team), zorgaanbieders en andere partners maar altijd in afstemming met de betreffende jongere en diens ouders. Het Koersdocument Leerrecht en Doorstroompunt 2024-2026 beschrijft de gezamenlijke ambitie van RBL West Brabant. Dit koersdocument geeft ruimte aan de verschillende uitvoeringsclusters (West, Oost, Altena en Etten-Leur / Rucphen / Zundert) om eigen keuzes te maken in de wijze waarop er invulling gegeven wordt aan de gezamenlijke ambitie. Met andere woorden; wat we willen bereiken is regionaal gelijk, hoe we hier in de praktijk vorm aan geven kan per cluster verschillen. Zoals reeds aangegeven zal team Oost in 2026 zich enkel kunnen inzetten op het uitvoeren van de wettelijke taken.

Speerpunt 1 Inzet op preventie. Voorkomen van thuiszitters, (school)uitval en voortijdig schoolverlaten Onze kerntaak binnen RBL West-Brabant is het uitvoeren van de Leerplichtwet en het Doorstroompunt. Met een startkwalificatie op zak heeft een jongere een betere uitgangspositie om duurzaam in de maatschappij te landen dan zonder. Daarom proberen we schooluitval en verzuim zoveel mogelijk te voorkomen. Aandachtsgebied 1.1 Thuiszitters In 2023 zijn er regionaal met alle partners nieuwe afspraken gemaakt over de uitvoering van het vernieuwde regionale thuiszitterspact. De aandacht in het onderwijs verschuift van melden van afwezigheid naar sturen op aanwezigheid. We streven er samen met onze ketenpartners naar om zoveel mogelijk inclusief onderwijs te kunnen bieden zodat leerlingen zo thuis nabij mogelijk onderwijs kunnen volgen. Als er extra ondersteuning nodig is wordt dit zoveel mogelijk binnen de school vormgegeven. Al bij zorgwekkend (nog niet wettelijk) verzuim gaan we met elkaar aan de slag. We beperken het aantal en de duur van vrijstellingen op grond van artikel 5 lid a van de leerplichtwet (medische redenen) zo veel mogelijk. Bij kortdurende vrijstellingen zorgen we ervoor dat er een overeengekomen plan ligt, waarin is opgenomen hoe tijdens de duur van de vrijstelling wordt gewerkt aan de ontwikkeling van de jongere.

Aandachtsgebied 1.2 Preventie schoolverzuim en schooluitval in de overgang naar vervolgonderwijs en/of arbeid Onze ambitie is om samen met onze partners schoolverzuim en schooluitval verder te voorkomen. We zetten daarbij in op de overgangsmomenten naar vervolgonderwijs. De ervaring leert dat dit risicovolle momenten zijn voor kwetsbare leerlingen. Met elkaar zorgen we voor een warme overdracht tussen de verschillende vormen van onderwijs en monitoren we of een leerling goed aankomt. Als blijkt dat het ontwikkelperspectief van een jongere niet in het onderwijs ligt dragen we zorg voor een warme overdracht richting arbeid of een arbeidsvoorziening.

Kaderbrief 2026 | Regionaal Bureau Leren West-Brabant | p. 4

Aandachtsgebied 1.3 Voorkomen voortijdig schoolverlaten Het aantal jongeren dat het onderwijs verlaat zonder startkwalificatie is in onze regio hoger dan het landelijk gemiddelde. Om deze trend te keren zetten we in op ondersteuning van 18+ die verzuimen. Om bij verzuim al ondersteuning en/of begeleiding te bieden wordt de kans op uitval kleiner. Met jongeren die het MBO zonder startkwalificatie dreigen te verlaten gaan de betreffende school, al dan niet met de aanwezigheid doorstroomcoach , actief in gesprek. Door het voeren van deze zogenaamde exitgesprekken kunnen deze jongeren beter begeleid worden richting een andere opleiding óf een duurzame plek op de arbeidsmarkt. Samen met het voortgezet onderwijs zetten we in op het verminderen van het aantal jongeren dat zonder VO-diploma de overstap naar het MBO maakt. Uit onderzoek blijkt dat deze jongeren vaker ook het MBO zonder diploma verlaten.

Speerpunt 2 Aansluiten op de ontwikkelbehoefte van het kind/de jongere Als een leerling uitvalt of uit dreigt te vallen zoeken we naar een passende oplossing. Dit is een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de school, leerrecht/doorstroompunt en andere partners. De nadruk ligt hierbij op de omstandigheden creëren die nodig zijn om een passend ontwikkel pad voor de leerling te realiseren. Bij voorkeur vindt dit zo thuis nabij mogelijk plaats. Jongeren die vastlopen op het speciaal onderwijs en/of praktijkonderwijs (pro), zijn kwetsbaar. Vaak kampen zij met problemen op meerdere leefgebieden. Deze jongeren worden actief begeleid en/of ondersteund door verschillende professionals vanuit onderwijs, zorg en/of participatie om hen zo te helpen aan een passende ontwikkelplek. Dit kan binnen of buiten het onderwijs zijn.

Speerpunt 3 Zichtbaarheid van leerrecht/doorstroompunt op scholen en in het lokale netwerk Om invulling te kunnen geven aan bovengenoemde speerpunten is een goede samenwerking met verschillende ketenpartners cruciaal. We zetten hier dan ook vol op in. We versterken de zichtbaarheid van leerrecht/doorstroompunt op scholen en in het lokale netwerk. Dat doen we bijvoorbeeld door heldere samenwerkingsafspraken met scholen, samenwerkingsverbanden en andere samenwerkingspartners te maken. Jaarlijks voeren we startgesprekken met de scholen en sluiten we (risicogericht) aan bij multidisciplinaire overleggen. Op scholen met een hoog percentage kwetsbare leerlingen (pro, vso, mbo1, mbo 2) houden we op verschillende scholen verzuimspreekuren waar zowel jongeren, als hun ouders, als professionals gebruik van kunnen maken. In cluster Oost zijn we minder goed in staat om structurele verzuimspreekuren te voeren dan in de andere clusters. Op het MBO organiseren we sectorale overleggen om trends en ontwikkelingen met het ondersteuningsteam van de sector te bespreken zodat we met elkaar nog beter in staat zijn om jongeren in het onderwijs te houden. Elke gemeente heeft een vast contactpersoon die het lokale zorglandschap kent en gemakkelijk schakelt met de betreffende beleidsadviseur.

Speerpunt 4 Samen met scholen en netwerkpartners werken aan een omslag van leerplicht naar leerrecht voor 18 min en van startkwalificatie naar ontwikkelperspectief voor 18 plus. De rol van leerrecht, kwalificatieplicht en het doorstroompunt komt het beste tot zijn recht wanneer er sprake is van een goede samenwerking met het onderwijs en ketenpartners in het zorg- en arbeidsmarktveld. De opgave om kinderen en jongeren een zo goed mogelijk ontwikkelperspectief te geven is immers een brede maatschappelijke opgave, waarin leerrecht/doorstroompunt een van de partijen is. We voorzien onze ketenpartners gevraagd en ongevraagd van advies om zo de best mogelijke omgeving te creëren waarin de kinderen/ jongeren zich zo optimaal mogelijk kunnen ontwikkelen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15537918/1