CConstaterende datAltena
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 Kaderbrieven 2026 bij RV zienswijzen ontwerpbegrotingen 2026 GR

Raadsvergadering 18 juni 2025, gemeente AltenaBij agendapunt: Zienswijzen ontwerpbegrotingen 2026 gemeenschappelijke regelingen32.364 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Kaderbrief 2026 | Regionaal Bureau Leren West-Brabant | p. 5

Binnen de ketensamenwerking heeft de leerplichtplichtambtenaar voor de leer- en kwalificatieplichtige leerlingen in de meeste gevallen een adviserende en indien nodig een handhavende rol. In de meeste gevallen ligt de regierol bij de school of bij een zorgpartner. Soms ligt de (proces)regierol wel bij de leerlichtambtenaar/doorstroomcoach, bijvoorbeeld wanneer er geen schoolinschrijving is. Bij complexe gevallen waarin een doorbraak geforceerd moet worden kunnen we gebruik maken van een opschalingsroute om een doorbraak te creëren waarin het belang van het kind centraal staat. In Cluster Oost zal het niet altijd lukken om aan te sluiten. Voor jongeren vanaf 18 jaar werken doorstroomcoaches volgens de Doorstroom Routekaart van brancheorganisatie Ingrado. Dit betekent dat coaches actief inzetten op het creëren van ontwikkelperspectief voor jongeren. Het behalen van een startkwalificatie wordt gestimuleerd, maar maatwerk en de ondersteuningsbehoefte van de jongeren staan centraal (zie ook speerpunt 2). Dit betekent dat de doorstroomcoach ook expertise heeft op het gebied van mbo-certificaten, praktijkleren en maatwerkoplossingen bij ketenpartners op het gebied van ontwikkeling en mogelijkheden binnen het terrein van de arbeidsmarkt.

In 2025 hebben we de doorstroomcoaches zoveel mogelijk voorbereid op deze uitbreiding van kennis en taken, waarmee we klaar staan voor de rol die het Doorstroompunt krijgt met de invoering van de wet Van School naar Duurzaam Werk (zie speerpunt 6)

Speerpunt 5 Nazorg We hebben de ambitie om meer te investeren in nazorg. Dat betekent dat in beeld wordt gebracht hoe de jongere en/of ouders/verzorgers onze begeleiding hebben ervaren. Heeft de gekozen aanpak duurzaam resultaat of is er aanvullend nog iets nodig? Op deze manier willen we vormgeven aan nazorg en deze ervaringen benutten voor ons eigen leerproces.

Speerpunt 6 Dienstverlening van het Doorstroompunt wordt uitgebreid van 23 naar 27 jaar Een belangrijke wijziging voor het doorstroompunt is dat met de Wet Van School Naar Duurzaam Werk de doelgroep wordt uitgebreid van 23 jaar naar 27 jaar. Als onderdeel daarvan wordt ook de aanpak voortijdig schoolverlaten verbreed met het arbeidsmarktdomein. De focus in de dienstverlening verschuift daarmee ook van het behalen van een startkwalificatie naar maatwerk op het gebied van ontwikkeling, arbeid en/of zorg. Het implementeren van deze verandering is een belangrijk speerpunt voor de komende jaren. We weten dat er met de uitbreiding van de leeftijdsgrens van 23 naar 27 jaar de doelgroep met een kleine duizend jongeren wordt uitgebreid. De verwachting is dat ongeveer 10 % van deze jongeren onze begeleiding behoeft. Dit heeft vanzelfsprekend impact op de benodigde formatie voor deze veranderde taak. Om hier op een goede manier invulling aan te geven gaan we ervanuit dat de middelen die voor deze taak beschikbaar zijn ook grotendeels op deze taak worden ingezet. Om de implementatie van de nieuwe wet te faciliteren is eind 2024 een projectleider aangesteld die hiermee aan de slag is gegaan. In 2025 is duidelijk geworden wat de aanpassingen in taken en eventuele nieuwe initiatieven behelst. Zodra de wet in 2026 van kracht gaat is het RBL klaar om hier uitvoering aan te kunnen geven.

Kaderbrief 2026 | Regionaal Bureau Leren West-Brabant | p. 6

Aandachtspunten en risico's De gezamenlijk geformuleerde ambitie geeft invulling aan de transitie van leerplicht naar leerrecht. Met name in cluster Oost kunnen we daar beperkt invulling aan geven gezien de opdracht om ons te beperken tot de uitvoering van wettelijke taken. Voor de invulling van de ambitie zal vaker een beroep gedaan moeten worden op ketenpartners. Het is echter ook juist die transitie naar leerrecht die zorgt voor toegevoegde waarde in de keten en die tevens bijdraagt aan voldoening, zingeving en werkvreugde van collega’s. De focus op de uitvoering van de wettelijke taken voelt voor de collega’s als een stap terug en kan dit een aanleiding zijn om het RBL te verlaten.

Regionaal Programma Voortijdig Schoolverlaten Het huidige regionaal programma VSV liep eind 2025 af. De projecten die vanuit RBL hieronder vielen zijn daarmee afgesloten. Het betreft de projecten NEET (Not in Education, Employment or Training), On My Way en Vangnetcoördinatie op de overstap van pro/vso naar vervolgonderwijs en/of arbeid en Vangnetcoördinatie op de overstap van VMBO naar het MBO. In 2025 zijn alle opbrengsten en inzichten van de projecten NEET en ON MY WAY verzameld en daar waar mogelijk verankerd in reguliere werkwijzen en/of samenwerkingsafspraken. De vangnetcoördinatoren voeren regionale basistaken van het RBL uit, waarvoor na 2025 structurele financiering wordt gezocht. Deze taken zijn tot op heden gefinancierd met programmamiddelen, terwijl het gaat om basistaken van het RBL, die dus uit de reguliere middelen bekostigd zouden moeten worden. De afsluiting van de lopende projecten opent de deur voor nieuwe projecten. Voor de periode 20262028 wordt een nieuw regionaal programma uitgewerkt op basis van bouwstenen voor de toekomst die voorkomen uit de in 2024 uitgevoerde regio analyse. Voor dit nieuwe programma bestaat opnieuw de mogelijkheid om projectsubsidies aan te vragen. De subsidies hebben nadrukkelijk een aanjaagfunctie, met als doel om succesvolle projecten uiteindelijk duurzaam en structureel te borgen binnen de uitvoerende organisaties.

Financiën 2026 Bij het opstellen van de begroting 2026 houden wij in basis rekening met de regionale financiële richtlijnen van de deelnemende gemeenten. Deze richtlijnen geven aan dat er gestreefd dient te worden naar een stabilisering van de kosten en eventuele bespaaropties te onderzoeken. De 14 deelnemende gemeenten leveren een bijdrage in de kosten die het RBL maakt voor de uitvoering van de werkzaamheden voor niveau 1 en 2. Bij de realisering van het RBL als GR is ervoor gekozen om te werken met een dienstverleningsovereenkomst met de gemeente Breda. De daaruit voortkomende loon- en prijsindexeringen en facilitaire effecten dienen door het RBL te worden verwerkt. De indexering van de gemeentelijke bijdragen is gebaseerd op het prijsindexcijfer van de algemene prijsontwikkeling BBP uit de septembercirculaire 2024. Daarmee heeft het RBL te maken met prijs- en loonindexeringen. Aangezien het RBL geen reserves aanhoudt, moeten deze kosten worden doorberekend aan de deelnemende gemeenten.

Kaderbrief 2026 | Regionaal Bureau Leren West-Brabant | p. 7

De afgelopen jaren is in het RBL geïnvesteerd om de basis op orde te kunnen brengen De opdracht aan het RBL beperkt zich op dit moment nog steeds tot het uitvoeren van de wettelijke taak. De afgelopen jaren is het RBL in het Doorontwikkelingstraject bezig geweest met de aanscherping van deze wettelijke taken en de financiële uitwerking daarvan. Zoals eerder aangegeven zien het RBL op dit moment geen mogelijkheden voor verdere bespaaropties. Daarnaast brengt de nieuwe Wet van School Naar Duurzaam Werk een uitbreiding van de doelgroep en van de taken met zich mee. Vanuit het Rijk worden hiervoor extra middelen beschikbaar gesteld aan gemeenten. De afspraak is dat de (niv. 2) gemeenten deze kosten doorsluizen naar het RBL, zodat het RBL het uitgebreidere takenpakket tot uitvoering kan brengen. Dit zal ook zijn weerslag hebben in de begroting 2026. De inkomsten van het RBL zullen stijgen, doordat de gemeentelijke bijdragen stijgen. Daar staat ook een kostenstijging tegenover voor de uitvoering van de nieuwe en uitgebreidere taken van de wet Van School Naar Duurzaam Werk, alsmede de inbedding van de projecten uit het programma VSV, waarin basistaken worden uitgevoerd. Dit alles maakt een stabilisering van de kosten voor 2026 niet mogelijk. En hoewel het RBL altijd streeft naar het zo efficiënt mogelijk uitvoeren van de taken, ziet het RBL geen mogelijkheden tot verdere besparingen.

Dit zal terug te zien zijn in de begroting 2026. Specifieke uitkeringen Specifieke uitkeringen zijn op dit moment nog niet bekend, maar zullen zo concreet mogelijk verwerkt worden in de begroting.

In opdracht van het bestuur,

Dhr. C. Christiani Ketenmanager Jeugd

Kaderbrief 2026 | Regionaal Bureau Leren West-Brabant | p. 8

Bezoekadres: Claudius Prinsenlaan 10 4811 DJ Breda Postadres: Postbus 90156 4800 RH Breda

Uw brief

Datum

Onderwerp

Informatie

-

Kaderbrief 2026

Aan:

30 januari 2025 info@RBLWest-Brabant.nl Telefoon: 076-5298110

Tel. (076) 529 81 10 info@rblwest-brabant.nl www.rblwest-brabant.nl

Ons kenmerk Bijlagen

1. Vastgestelde Kaderbrief 2026 RBL West-Brabant 2. Koersdocument Leerrecht en Doorstroompunt West Brabant 20242026 3. Herziene uitwerking Thuiszitterspact

De colleges en de raden van de gemeenten die deelnemen in de Gemeenschappelijke Regeling Programma Schoolverzuim en Voortijdig Schoolverlaten,

Geachte mevrouw, mijnheer, Uw gemeente neemt deel aan de Gemeenschappelijke Regeling Programma Schoolverzuim en Voortijdig Schoolverlaten, beter bekend onder de naam Regionaal Bureau Leren (RBL) West Brabant. Hierbij ontvangt u de Kaderbrief 2026 van RBL West Brabant. De kaderbrief is, zoals bepaald in de Nota Verbonden Partijen, richtinggevend voor de opstelling van de begroting voor het aankomend begrotingsjaar 2026. De kaderbrief is 29 januari 2025 vastgesteld door het Algemeen Bestuur van RBL West-Brabant. Zij schetst hiermee de inhoudelijke en financiële kaders voor 2026. De kaderbrief is opgesteld aan de hand van het Koersdocument Leerrecht en Doorstroompunt West-Brabant. Dit document is één van de producten dat voortkomt uit het proces van Doorontwikkeling waar het RBL de afgelopen 2 jaar in heeft gezeten. Het document geeft richting aan de gezamenlijke ambitie in de regio en vormt daarmee een belangrijk uitgangspunt voor de Kaderbrief 2026. Het Koersdocument is door het Algemeen Bestuur van RBL WestBrabant vastgesteld op 2 oktober 2024. Het document is daarom ter informatie toegevoegd. Tevens treft u in de bijlage de Herziene uitwerking van het Thuiszitterspact.

Eind 2023 / begin 2024 heeft RBL WestBrabant samen met de betrokken samenwerkingsverbanden het initiatief genomen om samen met andere betrokken partijen (her)nieuw(d)e afspraken te maken over taken en verantwoordelijkheden in het voorkomen en bestrijden van thuiszitten. Deze afspraken zijn vastgelegd in de Herziene uitwerking Thuiszitterspact, waarmee een nieuwe impuls gegeven wordt aan het Regionale Thuiszitterspact dat sinds 2017 van kracht is. Ook dit document vormt een uitgangspunt voor de Kaderbrief 2026 en komt u daarom ter informatie toe. Via de richtlijnen die de deelnemende gemeenten aan het RBL kenbaar hebben gemaakt en via de zienswijzen die afgelopen jaar zijn ingediend ten aanzien van de begroting 2025, heeft het RBL kennis genomen van de opdracht aan alle GR’en, en dus ook aan het RBL, om te streven naar een stabilisering van de kosten en eventuele bespaaropties te onderzoeken. Hoewel het RBL begrip heeft voor deze opdracht, benadrukt het RBL dat in 2024 door de deelnemende gemeenten juist een noodzakelijke investering gedaan is om de basis binnen het RBL op orde te brengen zodat daarmee de wettelijke taak uitgevoerd kan worden. De afgelopen jaren is het RBL in het Doorontwikkelingstraject bezig geweest met de aanscherping van deze wettelijke taken en de financiële uitwerking daarvan.

Dit maakt dat het bestuur van RBL op dit moment geen mogelijkheden ziet voor verdere kostenbesparingen. Een en ander wordt verder toegelicht in bijgevoegde Kaderbrief 2026. GEERTRUIDENBERG/STEENBERGEN/BAARLE-NASSAU/ROOSENDAAL/RUCPHEN/ALTENA/DRIMMELEN/MOERDIJK/ ALPENCHAAM/ZUNDERT/OOSTERHOUT/BERGEN OP ZOOM/ETTEN-LEUR/WOENSDRECHT/BREDA/HALDERBERGE

Er op vertrouwende u in voldoende mate te hebben geïnformeerd. Met vriendelijke groet, Cas Christiani, Ketenmanager jeugd, gemeente Breda

GEERTRUIDENBERG/STEENBERGEN/BAARLE-NASSAU/ROOSENDAAL/RUCPHEN/ALTENA/DRIMMELEN/MOERDIJK/ ALPENCHAAM/ZUNDERT/OOSTERHOUT/BERGEN OP ZOOM/ETTEN-LEUR/WOENSDRECHT/BREDA/HALDERBERGE

A.B. 25/19

Kadernota 2026

SVHW

Rijksstraatweg 3b Postbus 7059

3286 ZH Klaaswaal www.svhw.nl

(0186) 57 72 00

Versie 1.0

5 februari 2025

Pagina 1 van 13

Kadernota 2026

Versie historie Versie

Datum

Status

Auteur

Controle

0.1

6-01-2025

1e concept

P. Wielaard

M. Dekker

0.2

7-01-2025

2e concept

M. Dekker

M. Heemskerk

0.3

15-01-2025

Definitief versie DB

M. Heemskerk

DB

0.3

28-01-2025

Definitief versie AC

M. Heemskerk

AC

1.0

5-2-2025

Definitief versie AB

M. Heemskerk

AB

Versie 1.0

5 februari 2025

Pagina 2 van 13

Paraaf

Kadernota 2026

Inhoudsopgave

Versie 1.0

5 februari 2025

Pagina 3 van 13

Kadernota 2026

Inleiding

1.1

Algemeen

SVHW moet op basis van de Financiële verordening voor 15 april 2025 een (meerjaren)begroting 2026 indienen. De Kadernota 2026 is hierbij een belangrijk instrument ter voorbereiding op het

samenstellen van de begroting en voor het inzichtelijk maken van een meerjarenperspectief. De

kadernota schetst de inhoudelijke en financiële ontwikkelingen voor de komende jaren en stelt de

kaders voor de Begroting 2026 en voor de meerjarenbegroting 2027-2030 vast. Na vaststelling van de kadernota door het Algemeen Bestuur (AB) van SVHW werken het Dagelijks Bestuur en de organisatie

de nieuwe begroting 2026 binnen de kaders uit deze nota verder uit.

In deze kadernota wordt volstaan met algemene financiële en beleidsmatige kaders zoals bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regeling.

In lijn met de door het AB vastgestelde “Notitie structurele indexering begroting SVHW” is het financieel perspectief in deze Kadernota uitgewerkt op basis van de Macro Economische Verkenningen van het CPB. Dit houdt in dat: •

de gepubliceerde Nationale consumentenprijsindex volgens de septembercirculaire toegepast wordt voor indexering van de materiële kosten;

• •

de cao toegepast wordt voor de indexering van de personele kosten;

bij het ontbreken van een nieuwe cao de gepubliceerde Loonvoet sector Overheid volgens de septembercirculaire toegepast wordt voor indexering van de personele kosten;

•

indien de werkelijke inflatie respectievelijk loonontwikkeling beduidend afwijkt van de vooraf

geraamde indexering wordt het oude jaar via een begrotingswijziging achteraf gecorrigeerd en daarmee op het juiste prijsniveau gebracht. •

Uitgangspunt voor de meerjarenraming is een normale economische situatie. Voor de

meerjarenbegroting na 2026 wordt gerekend met een indexering van de loon- en prijsstijging met 1%.

In de begroting 2025 was rekening gehouden met een indexering van 2,6% voor de materiële kosten en 5,3% voor personele kosten.

In de 1e wijziging van de begroting 2025 worden de effecten van de cao- en prijsontwikkelingen in

2024 (afwijking met de begroting 2024) en de afwijking op de indexering van de primaire begroting 2025 verwerkt. Ook zijn daarin de effecten van de in juli 2024 door het AB vastgestelde memo

bezuinigingsopgave 2025 verwerkt (€ 1.034.000 lagere kosten). De structurele effecten hiervan zijn ook in deze kadernota 2026 verwerkt.

De toetreding van Geertruidenberg tot de GR SVHW per 1 januari 2025 is kosten neutraal opgenomen in de begroting 2025 en wordt ook kosten neutraal verwerkt in de begroting 2026. Door de

toenemende druk van no-cure-no-paybureaus op de uitvoering van de Wet WOZ trad op 1 januari

2024 de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm in werking. Met deze wet is onder

meer de proceskostenvergoeding op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor WOZ-

bezwaarzaken verlaagd tot 25%, in de wet uitgedrukt als factor van 0,25. De Hoge Raad heeft op 12 juli 2024 bepaald dat het lage tarief voor de proceskostenvergoeding in belasting- en premiezaken in

bezwaar buiten toepassing moet blijven. Enkel het tarief voor overige zaken, dat nu dubbel zo hoog is, blijft dan over. De verlaging van de proceskostenvergoeding in WOZ-bezwaarzaken wordt hierdoor zo goed als volledig ongedaan gemaakt. De Eerste Kamer heeft op 17 december het Pakket Belastingplan Versie 1.0

5 februari 2025

Pagina 4 van 13

Kadernota 2026 2025 aangenomen. De WOZ- factor is hierin verlaagd naar 0,125. Deze aanpassing zorgt ervoor, dat de proceskostenvergoeding op het niveau blijft zoals opgenomen in de memo bezuinigingsopgave

2025. Het daarin benoemde risico hierover is met het aannemen van de belastingwet 2025 gemitigeerd.

Onderstaand overzicht geeft de effecten weer uit de 1e wijziging van de begroting 2025 en de Kadernota 2026 ten opzichte van de oorspronkelijke begroting 2025:

Bedragen x 1.000 euro

Omschrijving

Gewijzigde

begroting 2025

Kadernota 2026

Incidenteel/ structureel

Materiele kosten indexering

196

Structureel

Personele kosten indexering

318

Structureel

Ontwikkelingen: Nieuw beleid

PM

PM

-300

-303

Structureel

-484

-488

Structureel

Lagere personeelslasten

-200

-202

Structureel

Lagere kosten telefonie

-50

-51

Structureel

30

Structureel

Proceskostenvergoeding Inhuur personeel bezwaren NCNP bureau's

Lagere renteopbrengsten Totaal ontwikkeling lasten

1.2

-1.034

-500

Leeswijzer

Paragraaf 2 beschrijft de strategische richting van SVHW. In paragraaf 3 wordt een overzicht gegeven

van de belangrijkste ontwikkelingen, waarmee rekening moet worden gehouden bij het opstellen van de (meerjaren)begroting. Het betreft hier de ontwikkelingen, zoals deze worden onderkend bij het opstellen van deze Kadernota (december 2024).

Paragraaf 4 schetst de (financiële) kaders voor de (meerjaren)begroting gebaseerd op de ontwikkelingen in paragraaf 3.

Versie 1.0

5 februari 2025

Pagina 5 van 13

Kadernota 2026

Strategische richting SVHW Het financiële meerjarenperspectief van SVHW ziet op het optimaliseren van de belastingopbrengst

voor zijn deelnemers. SVHW heeft hierbij als richting om een goed kwaliteitsniveau te bieden, waarbij

het kostenniveau voor deelnemers acceptabel blijft. Daarnaast moet de dienstverlening passen binnen de context van een veranderende omgeving en deze dient daarom continu doorontwikkeld te worden. Als financieel uitgangspunt probeert SVHW de ontwikkeling van de dienstverlening zoveel mogelijk

binnen de exploitatie op te vangen (interne financiering). Dit doet SVHW door continue verbetering van de effectiviteit en de efficiency van de processen en door actief te zoeken naar samenwerking.

SVHW werkt vanuit een hoger doel, de missie van SVHW. Vanuit onze missie hebben wij een gewaagd doel bepaald. Dit gewaagde doel geeft richting aan waar we als organisatie voor gaan. Het gewaagde doel is:

In 2030 zijn wij een toonaangevende organisatie, waarbij minimaal 95% van onze dienstverlening verloopt via selfservice. Met de menselijke maat: Met een tevredenheid onder medewerkers en klanten >7,5

De doelen betekenen het volgende voor SVHW: -

-

Toonaangevende organisatie: we willen een voorloper zijn, een organisatie waar anderen

een voorbeeld aan nemen. In de wereld van belastingen kijkt men naar ons op en zijn we een zichtbare speler die het voortouw neemt;

95% Selfservice: dit is zeer ambitieus (precieze uitwerking vindt nog plaats). Mijn SVHW

moet dan zo helder zijn dat niet alleen de aanslag, maar ook de voortgang in het dossier

kan worden gezien, waar je kan betalen en de manier van betalen kunt regelen. De digitale balie heeft alle gewenste informatie helder beschikbaar. Klanten kunnen hun gegevens -

aanvullen/ wijzigen/ updaten, zodat ze onderdeel worden van ons proces;

Menselijke maat: selfservice geeft ons de ruimte en tijd om maatwerk te leveren aan hen

die dat nodig hebben. De menselijke maat geldt zowel intern als extern voor alle klanten.

Om dit gewaagde doel te behalen is dit vertaald in een strategiekaart, die richting geeft aan het

handelen van de organisatie. De doelen en missie zijn op die manier al uitgewerkt in de begroting 2025 en worden ook voor de begroting 2026 gehanteerd als uitgangspunt. In de begroting 2026

worden hier bovendien KPI’s aan gekoppeld om de voortgang te monitoren. Deels zijn deze KPI’s al voorhanden, deels moeten deze nog worden ontwikkeld.

SVHW werkt aan de strategie met een drietal kernwaarden als basis: Samenwerken, Vertrouwen en Gewoon doen. Aan deze kernwaarden wordt voortdurend aandacht besteed in onze organisatie en bij de werving van collega’s en SVHW wil hierop aangesproken kunnen worden. Voor een gestructureerde aanpak van de benodigde ICT ontwikkelingen vanwege de strategie en wetgeving is een ICT-strategie opgesteld. In 2025 wordt hiervoor een roadmap gemaakt. Vooralsnog gaan we er vanuit dat de kosten hiervoor op te vangen zijn binnen de begroting. Eventuele meerkosten worden separaat ter besluitvorming voorgelegd. De overige kosten voor projecten die noodzakelijk zijn voor het behalen van de doelen uit de strategie leiden niet tot extra kosten en dekken we uit de reguliere begroting.

Versie 1.0

5 februari 2025

Pagina 6 van 13

Kadernota 2026

Ontwikkelingen 3.1

Inleiding

Deze paragraaf geeft de relevante ontwikkelingen voor de Begroting 2026 weer, zoals deze bij het

opstellen van deze kadernota bekend zijn. De meeste ontwikkelingen hebben een meerjarig effect.

3.2

Ontwikkelingen in technologie en wetgeving

SVHW heeft net als alle andere organisaties te maken met een steeds sterkere afhankelijkheid van IT oplossingen en moet daarom ook meegaan met de veranderingen daarin. Onze contracten voor

hardware lopen in 2025 definitief af. Deze moeten dan opnieuw worden aanbesteed voor 2026. Vooruitlopend daarop onderzoeken wij wat daarbij nodig is om een betrouwbare en efficiënte

gegevensverwerking te borgen, die aansluit op de externe ontwikkelingen. Een aantal van deze

ontwikkelingen zijn: -

Landelijke stelsel van basisregistraties en aansluiting hierop;

-

Doorontwikkeling van MijnOverheid en verdere digitalisering overheidsdienstverlening;

-

-

-

De implementatie van wetsaanpassing voor de waterschapsbelastingen vanaf 1.1.2026; Informatiebeveiliging en privacy waarbij SVHW ervoor zorg moet dragen dat de digitale

weerbaarheid op peil wordt gehouden en verder wordt verbeterd waar nodig en passend binnen toenemende nationale en Europese regelgeving;

Implementatie van NIS2-richtlijn (Network and Information Security directive) verder

vormgeven;

Implementatie van de Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer (WMEBV).

De hiervoor genoemde ontwikkelingen vangen we af binnen de reguliere begroting.

3.3 3.3.1

Algemene politiek-juridische ontwikkelingen Extra druk door grote hoeveelheden bezwaren

In 2024 heeft SVHW de eerste effecten gemerkt van de wijziging in wetgeving( lagere factor

proceskostenvergoeding en proceskosten uitbetalen aan belanghebbenden) en een rustigere

ontwikkeling van de woningwaarden. Het aantal bezwaren nam na jaren van toename weer af, maar is

nog altijd hoger dan gebruikelijk. Deze trend speelt landelijk. De financiële effecten hiervan zijn reeds verwerkt in de eerste begrotingswijziging 2025 en deze aantallen uit 2024 houden we aan voor 2026 en verder. Het is overigens de vraag of en hoe de NCNP bureaus hun verdienmodel op de gewijzigde wetgeving aan zullen passen.

3.3.2

Ravijnjaar 2026

Al in een vroeg stadium heeft het Algemeen Bestuur aangedrongen op het zoeken naar

bezuinigingsmaatregelen bij SVHW om in te spelen op het komende ravijnjaar. In juli 2024 is deze

bestuursopdracht ingevuld en met de memo bezuinigingsopgave 2025 voorgelegd aan het Algemeen Bestuur. De positieve effecten hiervan worden opgenomen in de 1e begrotingswijziging 2025 en

hebben hun doorwerking naar 2026 en verder. Versie 1.0

5 februari 2025

Pagina 7 van 13

Kadernota 2026

3.3.3

Landelijke ontwikkelingen WOZ domein

Er is een tweetal ontwikkelingen gaande, dat mogelijk effect heeft op de meerjarenbegroting van SVHW al schatten we het effect voor SVHW beperkt in.

De eerste is een onderzoek naar aanleiding van de VNG-motie “Tweejaarlijkse herwaardering WOZ”.

Hierbij is de overweging dat een tweejaarlijkse herwaardering van de WOZ-waarde, in plaats van de nu geldende jaarlijkse herwaardering, leidt tot minder druk op de capaciteit in de uitvoering en tot

verbetering van de kwaliteit. Op dit moment wordt door de VNG in samenwerking met de Landelijke Vereniging voor Lokale Belastingen (LVLB) uitvoering gegeven aan het in de motie gevraagde

onderzoek.

De tweede ontwikkeling is het project van de LVLB om informeel contact onderdeel te maken van het WOZ-proces. Het idee is om woningeigenaren zoveel mogelijk te betrekken bij de registratie van de

secundaire kenmerken, door een landelijk platform te ontwikkelen die door alle WOZ-organisaties

gebruikt kan worden. Hoe het platform er precies uit komt te zien wordt uitgewerkt en getoetst in de

praktijk. SVHW was al gestart met een eigen ontwikkeling, maar volgt de landelijke ontwikkeling op de voet.

3.4 3.4.1

Ontwikkelingen Invordering Maatschappelijk verantwoord invorderen

SVHW volgt de trend van het meer maatschappelijk invorderen en blijft dit ook doen in 2026. Het

beleid van SVHW is om zoveel mogelijk te voorkomen dat er problematische schulden of een

opeenstapeling van schulden ontstaat. SVHW heeft hiervoor al de volgende maatregelen getroffen: • •

het hanteren van een betalingstermijn van 3 maanden in plaats van de wettelijke 6 weken;

de mogelijkheid om met een automatische incasso in 10 maandelijkse termijnen te betalen;

•

de mogelijkheid om tijdens het dwanginvorderingstraject binnen twee weken na ontvangst van

•

het op verzoek opsturen van een betaallink via email of sms;

een aanmaning alsnog een automatische incasso af te geven;

• •

het treffen van individuele betalingsregelingen;

gebruik eMandaat en Incasso Op Maat voor flexibel incasseren waarbij belastingplichtigen het incassomoment kunnen bepalen;

•

de pilot belacties en huisbezoeken toegevoegd om met een persoonlijke aanpak de kwetsbare

mensen in de samenleving te begeleiden naar praktische oplossingen en om kostenstapeling te voorkomen.

Verder overweegt SVHW de kosteloze herinnering in te voeren. Financiële effecten hiervan worden niet in de begroting meegenomen, maar in een separaat voorstel aan het Algemeen Bestuur voorgelegd.

Het verder invoeren van sociaal maatschappelijk invorderen kan eraan bijdragen, dat opbrengsten uit invordering afnemen of vorderingen langer open blijven staan of worden afgeboekt. De financiële effecten daarvan zijn lastig te voorspellen. Hierdoor wordt dit niet verder doorgerekend in deze kadernota enkel als risico benoemd.

Op dit moment wordt de opbrengsten uit invordering administratief in mindering gebracht op de

kosten van het invorderingsapparaat van SVHW, dus in de exploitatie van SVHW verwerkt. Daardoor kan Versie 1.0

5 februari 2025

Pagina 8 van 13

Kadernota 2026 het voor SVHW vanuit financieel perspectief minder aantrekkelijk zijn om maatschappelijk in te

vorderen, omdat deze opbrengsten voor SVHW dan terug lopen en de tarieven stijgen. Aangezien

maatschappelijk invorderen ook tot hogere belastingopbrengsten voor de deelnemers kan leiden, willen we de opbrengsten uit invordering met ingang van de begroting 2026 onder de

belastingopbrengsten verantwoorden op een voor de afzonderlijke deelnemers budgettair neutrale manier. De tarieven gaan dan eenmalig omhoog, maar dat wordt gecompenseerd door hogere

opbrengsten via de opbrengsten belastingen en invordering. Onderzocht wordt of dit ook al bij de eerste begrotingswijziging 2025 doorgevoerd kan worden.

3.5 3.5.1

Deelnemers Geen toetreding nieuwe deelnemers in 2026

Na de afgelopen jaren de gemeenten Ridderkerk, Drimmelen en Geertruidenberg te hebben verwelkomd voorzien wij geen nieuwe toetredingen in 2026.

3.5.2

Wijzigingsverzoeken en harmonisering

In potentie kunnen de kosten van SVHW verder omlaag worden gebracht als deelnemers op identieke wijze hun belastingverordeningen vormgeven en maatwerk verminderen. Dit vergroot ook de mogelijkheden om de doelstellingen voor de selfservice graad en klant- en medewerkers tevredenheid uit onze strategie te behalen. Vanaf 2025 willen we ambtelijk de mogelijkheden in samenwerking met de deelnemers verkennen. Eventuele effecten hieruit worden nog niet opgenomen in de begroting 2026.

Versie 1.0

5 februari 2025

Pagina 9 van 13

Kadernota 2026

Financiële Kaders 4.1

Inleiding

Zoals in paragraaf 1.1 vermeld wordt in de Kadernota 2026 volstaan met financiële kaders in plaats van uitgewerkte financiële paragraaf. Daarnaast wordt er in deze kadernota van uitgegaan dat er in 2025 een 1e begrotingswijzing is vastgesteld. Uitgangspunt voor deze 1e begrotingswijziging 2025 is de

memo bezuinigingsopgave 2025.

4.2

Indexering 2025

In de 1e begrotingswijzing 2025 is een daling van de personele – en materiele kosten ten opzichte van de begroting opgenomen als gevolg van de lagere kosten inzake de bezwaarafhandeling. Dit betreft € 484.000 voor minder inhuurkosten en € 300.000 voor lagere proceskostenvergoeding.

Tevens zijn de personeelslasten met € 200.000 afgenomen vanwege lagere sociale lasten en het

uitgangspunt dat niet altijd alle vacatures conform planning worden ingevuld. Tenslotte zijn de

telefoniekosten structureel verlaagd met € 50.000 door een gunstige uitkomst van de aanbesteding

telefonie.

In de begroting 2025 was rekening gehouden met een indexatie van de loonkosten van het jaar 2025 naar 2026 van 1%. Op basis van de CPB Raming Macro Economische verkenning 2025 wordt verwacht dat de loonvoet voor overheid een stijging kent van 4,7% in 2026. Hierdoor moet de indexering voor 2026 met 3,7% worden bijgesteld. Dit betekent een verhoging van de kosten ten opzichte van de

begroting 2025 van € 318.000. Hierdoor verwachten wij dat de personele kosten uitkomen voor 2026

op € 8.911.000

In onderstaand overzicht zijn de details van deze stijging weergegeven: Bedragen x 1.000 euro

Ontwikkeling personele lasten:

2026

Personele kosten in begroting 2025

8.795

Af: 1e begrotingswijziging 2025

-202

Totaal te indexeren personele lasten

8.593

Prijsindex : 4,7% minus reeds doorgerekend 1% bedrag Kadernota 2026

318 8.911

De materiële kosten in de primaire begroting 2025 zijn geïndexeerd met 1% om tot de begroting voor 2026 te komen. Door de aanhoudende inflatie is de verwachting dat de kosten voor 2026 stijgen met

3,2%. Dit brengt een stijging van de kosten van 2,2% met zich mee wat resulteert in een stijging van de

kosten van € 196.000. In de eerste begrotingswijziging is reeds een structurele verlaging opgenomen van de kosten van € 834.000 en over de afschrijvingslasten en onvoorzien vindt geen indexering

plaats. Hierdoor verwachten wij dat de materiele kosten per saldo uitkomen voor 2026 op € 9.506.000.

Dit is een verbetering ten opzichte van de begroting 2025 van per saldo € 638.000.

Versie 1.0

5 februari 2025

Pagina 10 van 13

Kadernota 2026 In onderstaande tabel is dit schematisch weergegeven: Bedragen x 1.000 euro

Ontwikkeling materiële kosten

2026

Totaal materiële kosten begroting 2025

10.144

Af: 1e begrotingswijziging 2025

-834

Af: afschrijving en onvoorzien geen indexering

-417

Totaal te indexeren materiële kosten

8.893

Prijsindex : 3,2% minus reeds doorgerekend 1% Bedrag kadernota 2026

4.3

196 9.506

Overige ontwikkelingen

Het uitgangspunt is dat het aantal bezwaren in 2026 gelijk blijft aan dat van 2025. De aantallen in 2025 zijn weer gebaseerd op de daadwerkelijke aantallen van 2024. De verwachting is dat de

waardeontwikkeling van de woningen minder explosief is als in 2023 en dat de effecten van de Wet

herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm met een wegingsfactor van 0,125 op het aantal bezwaren van NCNP bureaus zichtbaar zullen blijven.

Verder houden we de renteopbrengsten constant, waarbij wij deze iets naar beneden bijstellen,

uitgaande van onveranderd beleid. De rente is in 2024 al gedaald en de renteverwachting voor 2025 en zeker 2026 is dat de lange rente licht zal dalen. De Europese Centrale Bank (ECB) verwacht dat de inflatie in 2025 en 2026 verder zal afnemen, wat bijdraagt aan de daling van de rentes. Echter,

geopolitieke en economische onzekerheden kunnen altijd invloed hebben op deze verwachtingen.

4.4

Algemene financiële kaders

Voor de samenstelling van de Begroting 2026 en het meerjarenperspectief 2027-2030 worden naast de hierboven vermelde autonome ontwikkelingen de volgende kaders en uitgangspunten geformuleerd: •

Er is sprake van structureel en reëel evenwicht in de begroting en het meerjarenperspectief. De structurele lasten zijn gedekt door structurele baten;

•

De begroting dient te voldoen aan de Wettelijke regels begroting van het BBV, hierbij is onder andere aandacht voor: -

-

-

-

•

-

Overzicht van incidentele baten en lasten;

Specificatie van baten en lasten per programma;

(Prestatie) indicatoren;

Verloopoverzicht van het Eigen Vermogen;

Paragraaf Weerstandsvermogen en Risicobeheersing;

De begroting wordt opgesteld op basis van bestaand beleid van deelnemers. In de begroting 2026 wordt dan ook vooralsnog geen nieuw beleid verwerkt. Nieuw beleid wordt separaat

aangegeven en voorzien van een kostenbegroting, maar wordt niet verwacht.

Versie 1.0

5 februari 2025

Pagina 11 van 13

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15537918/1