Vaststelling wijziging omgevingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Fase 5 Nobelhorst (26007) MOTIVERING
Tekst van het document
Figuur 5.2 Ontsluiting van het plangebied. Bron: Het tweede addendum op het ontwikkelingsplan Fietsbereikbaarheid Voor woon-werkverkeer per fiets wordt een reistijd van circa 30 minuten als acceptabel ervaren. Met een gewone fiets kan hiermee een afstand van circa 7,5 km afgelegd worden. Met de opkomst van de e-bike wordt deze afstand vergroot tot circa 15 km. Figuur 5.3 en 5.4 tonen de afstanden die met een gewone fiets en e-bike binnen 30 minuten vanaf de ontwikkellocatie bereikt kan worden.
Figuur 5.3 Reisafstand per fiets in ca. 30 min
blad 37 van 415
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld TAM-IMRO omgevingsplan Hoofdstuk 22a Fase 5 Nobelhorst
Gemeente Almere Projectnummer 01.0493179.100
Figuur 5.4 Reisafstand per e-bike in ca. 30 min Zoals te zien kan Almere en omgeving (grotendeels) bereikt worden binnen het half uur. Ook kan het treinstation van Almere bereikt worden vanwaar de reis ook verder met OV voortgezet kan worden. Ook is de omgeving fietsvriendelijk ingericht. Daarmee is de fiets een waardig alternatief voor de auto om naar Almere stad te gaan. Dit past bij het uitgangspunt van het plan om fietsen (en wandelen) te stimuleren.
blad 38 van 415
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld TAM-IMRO omgevingsplan Hoofdstuk 22a Fase 5 Nobelhorst
Gemeente Almere Projectnummer 01.0493179.100
Figuur 5.5 Fietsverbindingen en belangrijke verblijfsplekken in het plangebied (afbeelding boven) en typering van de verschillende fietsverbindingen (afbeelding onder). Bron: Het tweede addendum op het ontwikkelingsplan Openbaar vervoer Bij een concurrerende reistijd van OV ten opzichte van de auto (maximaal factor 1,5 langer) is het OV een acceptabel alternatief. Dit is de zogenaamde 'vf-factor', de concurrentiekracht (auto-OV) uitgedrukt in de reistijdverhouding (Bron: ASVV, 2012). Tevens is bekend dat werknemers maximaal 75 minuten reistijd accepteren om naar hun werk te reizen ('BREVER wet').
blad 39 van 415
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld TAM-IMRO omgevingsplan Hoofdstuk 22a Fase 5 Nobelhorst
Gemeente Almere Projectnummer 01.0493179.100
Figuur 5.6 Busbereikbaarheid Nobelhorst in 45 min Figuur 5.6 toont de bereikbaarheid met de bus in de omgeving van het plangebied. De frequenties van de buslijn is 8 keer per uur in de spits en 4 keer per uur in de daluren. Het duurt circa 18 minuten om in Almere centrum te komen. Hiermee is de ov-verbinding voor dit gebied richting de stad Almere een redelijke verbinding. Voor locaties buiten Almere loopt de reistijd sterk op en vormt het openbaar vervoer geen waardig alternatief. Tijdens de vaststelling van het tweede addendum is een amendement aangenomen dat vraagt om meerdere varianten t.a.v. de busverbinding in fase 5 te onderzoeken. Op het moment van schrijven van dit plan is hier nog geen besluit over genomen. Derhalve wordt uitgegaan van de vastgestelde busverbinding uit het ontwikkelingsplan voor Nobelhorst uit 2010. Onderstaande afbeelding toont de ambitie ten aanzien van openbaar vervoer in Nobelhorst conform het ontwikkelingsplan uit 2010.
blad 40 van 415
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld TAM-IMRO omgevingsplan Hoofdstuk 22a Fase 5 Nobelhorst
Gemeente Almere Projectnummer 01.0493179.100
Figuur 5.7 Openbaar vervoer in Nobelhorst conform het ontwikkelingsplan uit 2010
5.1.4
Conclusie Ten aanzien van verkeer en parkeren zijn er geen belemmeringen voor het planvoornemen. De totale parkeeropgave voor wonen en maatschappelijk bedraagt 856 parkeerplaatsen. Gelet op de omvang van de aanduiding op de geometrische afbakening, waarbinnen parkeren mogelijk wordt gemaakt is het aannemelijk dat in de aanleg (en instandhouding) van voldoende parkeerplaatsen kan worden voorzien. De verkeersgeneratie bedraagt 4.372 motorvoertuigen per weekdag op basis van het verkeersmodel van de gemeente Almere (nr. ‘2040_Denkersdreef_Auto_V19). Voor dit omgevingsplan is de beoogde ontsluiting toereikend om deze verkeersgeneratie veilig en soepel af te wikkelen. De ontsluitingsstructuur (figuur 5.2) is recentelijk in verschillende varianten van het verkeersmodel (nr. ‘2040_Denkersdreef_Auto_V1 t/m V19) doorgerekend mede ten behoeve van het ontwikkelingsplan. Dit heeft onder meer geleid tot keuzes voor verkeerslichten of een rotonde. Het plan voorziet in voldoende openbaar vervoer en fietsverbindingen als alternatief voor de auto op met name de kortere afstanden binnen Almere.
5.2
Bedrijven en milieuzonering Kader Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties en beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten 'geluid', 'geur', 'stof' en 'gevaar', waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen, is de VNG-handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' opgesteld. Door toepassing te geven aan deze handreiking wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen
blad 41 van 415
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld TAM-IMRO omgevingsplan Hoofdstuk 22a Fase 5 Nobelhorst
Gemeente Almere Projectnummer 01.0493179.100
hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat die bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt. In de handreiking zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. De richtafstand geldt vanaf de grens van de inrichting tot de bestemmingsgrens van omliggende woningen en betreft nadrukkelijk een leidraad en geen norm.
Figuur 5.8 Richtafstanden bedrijven en milieuzonering. Bron: VNG Beoordeling Bouwveld 28 en 29 hebben als omgevingstype 'gemengd gebied' vanwege de geluidbelasting van de A6, Enrico Fermistraat, J.H. van 't Hofflaan (hoofdontsluitingsweg) en de busbaan. Daarnaast heeft het ook menging met school en buurtvoorzieningen. Bouwveld 26 wordt gecategoriseerd als 'rustige woonwijk'. Het beoogde planvoornemen betreft maximaal 580 woningen, een woonzorglocatie, een locatie voor beschermd wonen en een basisschool met kinderopvang en een BSO. Deze ontwikkelingen zijn verspreid over de verschillende deelgebieden 26, 28 en 29. De ontwikkeling bestaat hiermee volledig uit gevoelige functies. Ten aanzien van functiemenging in gebouwen is uitsluitend categorie A toegestaan in combinatie met geluidgevoelige (en trilling gevoelige) functies. Categorie B is uitsluitend toegestaan in combinatie met geluidgevoelige/ trillingsgevoelige functies, wanneer deze bouwkundig gescheiden zijn. Omgeving van het plangebied Ten noorden van het plangebied bevindt zich de A6 en de uit te werken bestemming 'Bedrijventerrein' ten behoeve van de toekomstige ontwikkeling van Twentsekant. Ten zuiden bevindt zich het woongebied 'Nobelhorst'. In het oosten ligt een bosgebied en in het westen bevinden zich de andere deelgebieden die worden omgevormd naar woonwijken. blad 42 van 415
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld TAM-IMRO omgevingsplan Hoofdstuk 22a Fase 5 Nobelhorst
Gemeente Almere Projectnummer 01.0493179.100
Voor de toekomstige ontwikkeling van bedrijventerrein Twentsekant is sprake van een regulier werkmilieu, met een maximale milieucategorie van 3.2. Dit houdt in dat de gecorrigeerde richtafstand tot een omgevingstype gemengd gebied 50 meter bedraagt. Voor alle deelgebieden geldt dat de afstand tot het bedrijventerrein minimaal 50 meter bedraagt (potentiële eerstelijns bebouwing). Afhankelijk van definitieve uitwerking en invulling van Twentsekant en het type bedrijfsvestiging (categorie 1 en 2 zijn ook toegestaan) zal de afstand in veel gevallen echter veel meer bedragen en kan deze richting de A6 oplopen tot 150 meter. Maatschappelijke voorzieningen ten opzichte van de woningen De school, kinderopvang en de BSO zijn gecategoriseerd als milieucategorie 2. Dit houdt in dat de gecorrigeerde afstand tussen de maatschappelijke voorzieningen en de woningen 10 meter moeten bedragen. In de uitwerkingsinrichting (onderstaand figuur) is te zien dat de woningen op voldoende afstand staan van de school en buurtvoorzieningen. Deze afstand bedraagt minimaal circa 15 meter ten opzichte van de meest nabijgelegen woningen.
Figuur 5.9 School en buurtvoorzieningen. Bron: Het tweede addendum op het ontwikkelingsplan, uitwerkingsrichting 2 Conclusie Bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.3
Externe veiligheid Kader De maatschappelijk doelen van de Omgevingswet zijn het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Veiligheid gaat daarbij over de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen bij een milieubelastende activiteit (mba). Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), een uitvoeringsbesluit van de Omgevingswet, geeft de hoofdlijnen voor de beoordeling voor de omgang met omgevingsveiligheid. Binnen de veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het
blad 43 van 415
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld TAM-IMRO omgevingsplan Hoofdstuk 22a Fase 5 Nobelhorst
Gemeente Almere Projectnummer 01.0493179.100
groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Aansluitend worden ander belangrijke begrippen toegelicht. Plaatsgebonden Risico (PR) Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die 24 uur per dag op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De bescherming die binnen deze contouren geboden moet worden is afhankelijk van de kwetsbaarheid van de functies in de gebouwen en locaties. Bijlage VI van het Besluit kwaliteit leefomgeving maakt onderscheid in zeer kwetsbare functies zoals ziekenhuizen en kinderdagverblijven, kwetsbare functies zoals woningen, en beperkt kwetsbare functies zoals kleine kantoren en werkplaatsen. Binnen de 10-6 /jaar-contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen nieuwe (zeer) kwetsbare gebouwen gerealiseerd worden. Voor beperkt kwetsbare gebouwen geldt de 10-6 /jaar-contour niet als grenswaarde, maar als een standaardwaarde. Dat betekent dat die functies in principe niet zijn toegestaan, maar dat het bevoegd gezag met een goede motivatie mogelijk kan afwijken.
Aandachtsgebieden en groepsrisico (GR) Vanaf het van kracht worden van de Omgevingswet bestaan er, voor toen bestaande risicovolle mba's, van rechtswege aandachtsgebieden langs of rondom een risicovolle mba. In bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt – voor de daarin aangewezen risicobronnen – een vaste afstand voor deze aandachtsgebieden gegeven, of is aangegeven dat deze aandachtsgebieden berekend moeten worden. Een aandachtsgebied is een gebied waarbinnen personen in een gebouw onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen. De Omgevingswet kent drie soorten aandachtsgebieden: Een brandaandachtsgebied (bijvoorbeeld voor een plasbrand langs het spoor of fakkelbrand bij een hogedruk aardgastransportleiding); Een explosieaandachtsgebied (bijvoorbeeld voor een BLEVE langs het spoor of bij een LPG-tankstation); Een gifwolkaandachtsgebied (bijvoorbeeld rondom chemische bedrijven). Binnen een aandachtsgebied moet de gemeente in het omgevingsplan beschouwen hoe groepen mensen beschermd worden en of deze bescherming afdoende is (artikel 5.15 Bkl). Een gemeente kan daarbij gebruik maken van een groepsrisicoberekening om de rekenkundige hoogte van het groepsrisico te bepalen.
Kans en effect Een aandachtsgebied markeert het gebied waarbinnen het effect van een incident met gevaarlijke stoffen het meest nadrukkelijk optreedt. De omvang van een aandachtsgebied zegt niets over de kans op een incident. Het aandachtsgebied langs de Betuweroute is bijvoorbeeld even breed als het aandachtsgebied langs een spoorlijn waarover maar weinig gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De plaatsgebonden risicocontour, de contour die de kans op een incident ruimtelijk weergeeft, is langs de Betuweroute echter vele meters breder dan bij een spoorlijn met weinig vervoer van gevaarlijke stoffen.
blad 44 van 415
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld TAM-IMRO omgevingsplan Hoofdstuk 22a Fase 5 Nobelhorst
Gemeente Almere Projectnummer 01.0493179.100
Voorschriftengebieden Aandachtsgebieden zijn geïntroduceerd om een betere communicatie over de ruimtelijke impact van incidenten met gevaarlijke stoffen mogelijk te maken. Binnen een brand- en explosieaandachtsgebied moet een gemeente voorschriftengebieden aanwijzen als het omgevingsplan zeer kwetsbare functies toestaat. Als het omgevingsplan geen zeer kwetsbare functies toestaat, maar enkel kwetsbare of beperkt kwetsbare functies, kán een gemeente een voorschriftengebied aanwijzen. Binnen een voorschriftengebied gelden er bij nieuwbouw aanvullende bouwkundige eisen, conform artikel 4.90 tot en met 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Deze bouwkundige eisen gelden niet voor de bestaande bebouwing of bij verbouw. Brzo-bedrijven zijn Seveso-bedrijven geworden De zwaardere risicovolle bedrijven zijn in lijn met de Europese regelgeving aangewezen als Seveso-bedrijven (voorheen was de Nederlandse benaming: Brzo-bedrijf). Op onderdelen verschilt het wettelijk kader van Seveso-bedrijven van dat van andere milieubelastende activiteiten (mba). Voor Seveso-bedrijven geldt eenzelfde normering van het plaatsgebonden risico en gelden ook aandachtsgebieden. Beoordeling Rijksweg A6 De Rijksweg heeft een 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour van 0 meter en ligt dus midden op de weg.
Er wordt daarmee automatisch voldaan aan de grens- en richtwaarde ten aanzien van het plaatsgebonden risico; Het plangebied (bouwveld 28 en 29) ligt deels binnen het gifwolkaandachtsgebied van de snelweg (zie onderstaand figuur). Dit aandachtsgebied moet nog worden vastgesteld, dit vindt naar verwachting plaats in 2025. Conform artikel 5.15 van het Bkl dient het bevoegd gezag in het omgevingsplan te beschouwen hoe groepen mensen beschermd worden en of deze bescherming afdoende is. Elementen van deze beschouwing zijn aangedragen in de beschouwing externe veiligheid (Antea Group, 21 augustus 2024), zoals opgenomen in bijlage 3 bij deze motivering.
Figuur 5.10 Externe veiligheid kaart met veiligheidscontouren
blad 45 van 415
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld TAM-IMRO omgevingsplan Hoofdstuk 22a Fase 5 Nobelhorst
Gemeente Almere Projectnummer 01.0493179.100
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is een handmatig afschakelbare mechanische ventilatie, een verplichte maatregel op grond van artikel 4.124, lid 4 van het besluit bouwwerken leefomgeving. Deze maatregel is ook effectief voor het scenario brand in de omgeving. Het advies is om de scenario's gifwolk van de A6 en brand in de omgeving, en bijbehorend handelingsperspectief (ramen en deuren sluiten, mechanische ventilatie afschakelen en binnen blijven) op te nemen in een instructiekaart die in elke woning aanwezig is. De bereikbaarheid voor de hulpverleningsdiensten, de bluswatervoorzieningen en de opstelplaatsen voor brandweervoertuigen, dienen conform de artikelen 22.13 tot en met 22.15 van de planregels van het omgevingsplan gemeente Almere, te worden uitgevoerd. Beschouwing beschermingsniveaus In de beschouwing externe veiligheid zijn elementen aangedragen ter beschouwing van het beschermingsniveau van groepen personen (artikel 5.15 Bkl). Het bevoegd gezag kan deze elementen betrekken bij de besluitvorming omtrent de ruimtelijke ontwikkeling. Conclusie Externe veiligheid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.4
Geluid Kader Ingevolge de Omgevingswet dient voor het opstellen van een omgevingsplan rekening te worden gehouden met het geluid door wegen op geluidgevoelige gebouwen. Hierbij dient te worden beoordeeld in hoeverre het geluideffect aanvaardbaar is en daarmee, vanuit optiek van geluid, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om de aanvaardbaarheid van het geluid te kunnen beoordelen, zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) waarden en eisen opgenomen ten aanzien van het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. Indien wordt voldaan aan de standaardwaarde, is het geluid aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein. Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen, tot ten hoogste de grenswaarde. Deze waarden zijn opgenomen in onderstaande tabel. De standaardwaarde voor het geluid is opgenomen in artikel 5.78t en in 5.78u. Tabel 5.3 Standaardwaarde en grenswaarde geluidgevoelige gebouwen (tabel 5.78t en tabel 5.78u)
Geluidbronsoort
Standaardwaarde
Grenswaarde
Provinciale wegen Rijkswegen
50 Lden
60 Lden
Gemeentewegen Waterschapswegen
53 Lden
70 Lden
Lokale spoorwegen Hoofdspoorwegen
55 Lden
65 Lden
Industrieterreinen
50 Lden 40 Lnight
55 Lden 45 Lnight
blad 46 van 415
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld TAM-IMRO omgevingsplan Hoofdstuk 22a Fase 5 Nobelhorst
Gemeente Almere Projectnummer 01.0493179.100
De waarden in tabel 5.3 zijn alleen van toepassing op verharde gemeentewegen en waterschapswegen zonder productieplafond, met een verkeersintensiteit van meer dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde (artikel 5.78 lid 1 onder c van het Bkl). Indien de standaardwaarde wordt overschreden, kan het gebouw alsnog worden toegestaan. Het besluit om meer geluid aanvaardbaar te achten dan de standaardwaarde moet voldoen aan de eisen uit de instructieregels. Deze instructieregels zijn opgenomen in artikel 5.78u t/m 5.78 ad Bkl. Hierbij dient aan de volgende voorwaarden te worden voldaan (artikel 5.78u Bkl): Er kunnen geen geluidbeperkende maatregelen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen; De overschrijding van de standaardwaarde wordt zo veel mogelijk beperkt door het treffen van geluidbeperkende maatregelen; Het geluid op de geluidgevoelige gebouwen is niet hoger dan de grenswaarde, opgenomen in tabel 5.78u. Hierbij geldt dat geluidbeperkende maatregelen zoals hierboven genoemd, in aanmerking worden genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan. Indien niet aan de standaardwaarde kan worden voldaan, dient ook het gecumuleerd geluid te worden beoordeeld.
De berekening van het gecumuleerde geluid houdt rekening met de verschillen in hinderlijkheid tussen verschillende soorten geluid. Deze rekenmethode is opgenomen in artikel 3.25 van de Omgevingsregeling. Het gecumuleerde geluid (Lcum) wordt niet aan een normenkader getoetst, het gecumuleerde geluid geeft inzicht in de geluidkwaliteit bij de gevel van een geluidgevoelig gebouw. Het bevoegd gezag beoordeelt mede aan de hand van het gecumuleerde geluid op de gevel(s) of en in welke mate het verantwoord is de afwegingsruimte boven de standaardwaarde te benutten. In deze afweging worden de omstandigheden en belangen gewogen. Naast het gecumuleerde geluid dient eveneens het gezamenlijk geluid berekend te worden, indien de standaardwaarde wordt overschreden. Het gezamenlijk geluid is het geluid van de verschillende geluidbronnen tezamen op de gevel. Het geluid van de aanwezige geluidbronnen, worden ongewogen bij elkaar opgeteld, zonder correcties voor verschillen in hinderlijkheid. Het gezamenlijk geluid wordt gebruikt om de binnenwaarde van het geluidgevoelig gebouw te waarborgen. Beoordeling Belangrijke bronnen van geluid voor het plangebied zijn: Buitenstedelijke wegen zoals snelweg A6 en de A27; Binnenstedelijke wegen, interne wegen in Nobelhorst, zoals de J.H. van ‘t Hofflaan, Marie Curielaan en Grote Denkersdreef.
Vanuit het addendum is als ontwerpeis opgenomen dat er gezorgd moet worden voor een geluidluwe gevel op de rand van het plangebied, tegen de J.H. van ‘t Hofflaan. In Nobelhorst en in Almere wordt de waarde voor geluidluw van 53 dB gehanteerd. (<1 januari 2024). Met inwerkingtreding van de Omgevingswet is nu de waarde van 55 dB gekozen bij een gecumuleerde geluidsbelasting. Dit is meer in lijn met de nota van toelichting bij het blad 47 van 415
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld TAM-IMRO omgevingsplan Hoofdstuk 22a Fase 5 Nobelhorst
Gemeente Almere Projectnummer 01.0493179.100
Aanvullingsbesluit geluid (artikelsgewijs, artikel 3.36). In onder meer MER-studies en toelichtingen bij bestemmingsplannen en in vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, is de volgende kwalificatie gebruikelijk voor gecumuleerd geluid in Lcum: Kwalificatie: 45 = Zeer goed; 46 – 50 = Goed; 51 – 55 = Redelijk; 56 – 60 = Matig; 61 – 65 = Tamelijk slecht; 66 – 70 = Slecht; 71 = Zeer slecht. De bouwvelden 28 en 29 zijn de twee grootste bouwvelden en liggen naast elkaar aan de Enrico Fermistraat en de J.H. van ‘t Hofflaan. Hier speelt het wegverkeerslawaai een grote rol, waardoor vierlaagse bebouwing aan de geluidszijden nodig is om het ‘achterland’ te beschermen tegen geluid, zie onderstaande afbeelding. De lengte en positionering van de gebouwen hangt af van de benodigde geluidsreductie.
Figuur 5.11 Eerstelijns bebouwing ten behoeve van geluidwering in de vorm van grondgebonden woningen (zwart) en appartementen (rood). Bron: Het tweede addendum op het ontwikkelingsplan, uitwerkingsrichting 2 Uit de eerste globale berekening die is gedaan ten behoeve van het ontwikkelingsplan komt generiek naar voren dat in het plangebied de eerstelijns bebouwing minimaal uit vier bouwlagen moet bestaan en op de meest westelijke hoek uit een L-vormige bouwobject om een geluidluw achterland te creëren. De bouwblokken achter de eerstelijns bebouwing moeten zoveel mogelijk aansluiten op de situering van de eerstelijns bebouwing. Daarbij geldt: hoe hoger de bebouwing over de hele linie, des te groter de kans om te voldoen aan het geluidbeleid. Op basis hiervan kan gesteld worden dat het plan ten aanzien van geluid niet evident onuitvoerbaar is en dat de opgave is om eerstelijns afschermende bebouwing te realiseren, zodat daarachter geen of nauwelijks akoestische maatregelen getroffen hoeven te worden. Dit vereist niet alleen nadere stedenbouwkundige uitwerking, maar ook flexibiliteit.
blad 48 van 415
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld TAM-IMRO omgevingsplan Hoofdstuk 22a Fase 5 Nobelhorst
Gemeente Almere Projectnummer 01.0493179.100
Onderzoek In bijlage 4 bij deze motivering is een akoestisch onderzoek opgenomen (vrije veld berekening) voor de rijksweg A6, de gemeentelijke wegen en cumulatief (Antea Group, 17 oktober 2024). De bevindingen zijn als volgt: Rijksweg A6: uit de resultaten blijkt dat de noordzijde van het plangebied het meest beïnvloed wordt door de aanwezigheid van de rijksweg (A6). Hoe lager de contourhoogte, hoe minder de geluidbelasting op het plangebied. De hoogst berekende geluidbelasting ligt tussen de 60-65 dB. Het resterende plangebied kent over het algemeen een geluidbelasting tussen de 55-60 dB. Gezien de resultaten wordt er momenteel niet voldaan aan de standaardwaarde. Een groot deel van het plangebied voldoet aan de grenswaarde, echter is er een gedeelte aan de westzijde waar sprake is van een overschrijding. Gemeentewegen: de hoogste geluidbelasting wordt geconstateerd bij een rekenhoogte van 2 meter, logischerwijs dichtbij gemeentewegen. De hoogst berekende geluidbelasting ligt tussen de 60 en 70 dB. Noemenswaardig is het feit dat deze relatief hoge geluidbelasting op een klein deel van het plangebied wordt geconstateerd. Voor het grootste deel van het plangebied kan gesteld worden dat de geluidbelasting door gemeentewegen maximaal 53 dB bedraagt, met uitschieters geconcentreerd aan de (noord)oostzijde van het plangebied.
Hoe hoger de rekenhoogte, hoe lager de geluidbelasting op het plangebied. Strikt gezien wordt er in dit geval niet voldaan aan de standaardwaarde, ondanks dat het een klein deel van het plangebied betreft. Er wordt wel voldaan aan de grenswaarde. Cumulatie: Uit de resultaten blijkt dat de noordzijde van het plangebied het meest beïnvloedt wordt door de omliggende geluidsbronnen. In dit gedeelte ligt de berekende geluidbelasting tussen de 60-65 dB, met een uitschieter op een klein gedeelte van het plangebied (noordoosten). In het zuid- en oostelijk gedeelte van het plangebied is er sprake van een geluidbelasting tussen de 55-60 dB. Gelet op de berekende resultaten, wordt er niet voldaan aan de standaardwaarde, maar wel aan de grenswaarde. Ten behoeve van flexibiliteit en een nadere toetsing aan de niet evidente onuitvoerbaarheid is in de regels een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Dit artikel bepaalt dat het in gebruik nemen van geluidgevoelige gebouwen alleen is toegestaan indien wordt voldaan aan de standaardwaarde conform art. 5.78t Bkl. Als niet kan worden voldaan dient te worden afgeweken van deze standaardwaarde. Het afwijken van deze standaardwaarde en daarmee het verkrijgen van een omgevingsvergunning, kan alleen als wordt voldaan aan paragraaf 5.1.4.2a.5 Bkl, alsmede de eisen zoals opgenomen in de geluidregeling welke onderdeel uitmaken van de planregels.
Deze geluidregeling is bedoeld om flexibiliteit in het plan te houden en stelt dat hoe hoger de geluidsbelasting, hoe meer extra akoestisch onderzoek nodig is om te komen tot een acceptabele leefomgeving. Conclusie Geluid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.5
Ecologie Kader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten
blad 49 van 415
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld TAM-IMRO omgevingsplan Hoofdstuk 22a Fase 5 Nobelhorst
Gemeente Almere Projectnummer 01.0493179.100
(waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Ontwikkelingen mogen niet zonder meer plaatsvinden indien deze negatieve gevolgen hebben op beschermde natuurwaarden (soorten, gebieden en/of houtopstanden). Er is daarom inzicht gewenst in de aanwezige beschermde natuurwaarden en de mogelijke effecten die op deze beschermde natuurwaarden kunnen optreden door de ontwikkeling. Voor de beoordeling van ecologie is een natuurtoets uitgevoerd (Antea Group, 10 juni 2024). Deze is opgenomen in bijlage 5 bij deze motivering. Beoordeling Flora Ten tijde van het bezoek zijn er geen beschermde plantensoorten waargenomen. Op basis van het terreinbezoek worden beschermde zaadplanten, varens en bladmossen niet verwacht door het ontbreken van geschikt biotoop. De aanwezigheid van groeiplaatsen van desbetreffende soorten kan zodoende worden uitgesloten. Vogels Uit de bureaustudie blijkt dat in de omgeving van het plangebied verschillende vogelsoorten zijn waargenomen waarvan de broedplaatsen jaarrond beschermd zijn. Dit betekent dat bij verwijdering of aantasting van deze rust- en verblijfplaatsen altijd een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit moet worden aangevraagd.
Voor boombroedende soorten zoals de buizerd zijn in het plangebied geen grote takkennesten aangetroffen, en het gebied vormt geen essentieel onderdeel van hun leefomgeving. Gebouwbroedende soorten zoals de huismus zijn waargenomen in de directe omgeving, maar er is geen geschikte bebouwing binnen het plangebied zelf. Ook de boerenzwaluw is waargenomen, maar er is geen broedbiotoop in het plangebied aanwezig. Overige soorten zoals de grote gele kwikstaart, torenvalk, ooievaar en steenuil hebben geen geschikte nestplaatsen in het plangebied. Concluderend kan de aanwezigheid van nestplaatsen van de huismus en gierzwaluw in de directe omgeving niet worden uitgesloten, maar het plangebied zelf vormt geen essentieel onderdeel van hun leefomgeving. Er zullen geen verstoringen optreden voor deze en andere vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten. Voor algemene broedvogels geldt dat eventuele kap- en sloopwerkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd moeten worden, of het plangebied moet vooraf gecontroleerd worden door een ecoloog om verstoring te voorkomen. Vleermuizen In de tabel bijgevoegd in de bijlagen bij de onderzoeksrapportage zijn de waarnemingen van vleermuizen binnen een straal van 1 km rond het plangebied weergegeven (NDFF, 2019-2024).
De tabel toont de aanwezigheid van diverse vleermuissoorten, waaronder de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, tweekleurige vleermuis, en watervleermuis, die alle onder Beschermingsregime Artikel 11.46 Bal vallen. Het plangebied bevat geen geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen in de bebouwing, die geen spouwmuren of dakbetimmering heeft, en deze bebouwing wordt niet aangetast. In de directe omgeving zijn echter wel geschiktere verblijfplaatsen, maar de bebouwing daar blijft intact. Om verstoring te voorkomen, worden tijdens de bouw en gebruiksfase lichtbronnen neerwaarts gericht en amberkleurig ingesteld. Er zijn geen bomen met geschikte holtes of
blad 50 van 415
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld TAM-IMRO omgevingsplan Hoofdstuk 22a Fase 5 Nobelhorst
Gemeente Almere Projectnummer 01.0493179.100
scheuren voor boombewonende vleermuizen in of nabij het plangebied, dus ook de verblijfplaatsen van deze soorten worden uitgesloten. Het plangebied bevat lijnvormige elementen zoals oevers en bomenrijen die mogelijk dienen als (essentiële) vliegroutes. Deze elementen blijven behouden en de werkzaamheden vinden alleen overdag plaats om verstoring te minimaliseren. Voor foerageergebieden geldt dat de watergangen in het plangebied mogelijk worden aangetast, maar ook worden uitgebreid, wat het foerageergebied kan versterken. Alternatieve foerageergebieden zijn in de omgeving beschikbaar, waardoor de impact op essentieel foerageergebied beperkt is. Zoogdieren In de onderstaande tabel zijn waarnemingen van zoogdieren binnen een straal van 1 km rond het plangebied weergegeven (2024). Tabel 5.4 waargenomen zoogdieren binnen een straal van 1 km rond het plangebied
Dit betreft soorten zoals bever, boommarter, bunzing, edelhert, eekhoorn, haas, konijn, otter, ree, steenmarter en wezel. Het plangebied zelf biedt geen essentieel habitat voor deze soorten, met uitzondering van de bever, die mogelijk in de nabijgelegen watergangen actief is. Er zijn geen specifieke aanwijzingen voor de aanwezigheid van bevers in het plangebied. Er dienen twee inventarisatiemomenten uitgevoerd te worden in de winter. Hierbij wordt er gezocht t.b.v. oeverholen en beversporen en kan aanwezigheid worden uitgesloten. De overige soorten hebben geen geschikte leefomstandigheden binnen het plangebied of er zijn natuurlijke barrières die hun aanwezigheid uitsluiten. Voor vrijgestelde zoogdieren zoals haas, konijn en ree geldt de zorgplicht om negatieve effecten te minimaliseren, maar specifieke maatregelen worden in de bijgevoegde natuurtoets verder besproken. Amfibieën, vissen, ongewervelden
libellen,
dagvlinders,
grondgebonden
zoogdieren
en
overige
Amfibieën zoals de bruine kikker en bastaardkikker zijn aanwezig in het plangebied, terwijl de rugstreeppad een potentieel functioneel leefgebied vindt in de nabijheid, wat nader onderzoek vereist. Reptielen, zoals de ringslang, worden uitgesloten wegens gebrek aan geschikt biotoop. De grote modderkruiper is niet aanwezig in de watergangen van het plangebied. Voor insecten zoals de grote vos, grote weerschijnvlinder en teunisbloempijlstaart blijkt het plangebied geen geschikt leefgebied te bieden. In alle blad 51 van 415
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld TAM-IMRO omgevingsplan Hoofdstuk 22a Fase 5 Nobelhorst
Gemeente Almere Projectnummer 01.0493179.100
gevallen zijn negatieve effecten op deze soorten door de werkzaamheden uitgesloten en worden geen verbodsbepalingen overtreden. Er dienen twee gerichte veldbezoeken uitgevoerd te worden ten behoeve van de rugstreeppad. De onderzoeken zijn t.b.v. schepnetinventarisatie in de periode april – mei en koorzang in juni-juli of tweemaal koorzang. Specifieke zorgplicht De algemene zorgplicht uit de Wet natuurbescherming is onder de Omgevingswet opgenomen als een specifieke zorgplicht voor een flora- en fauna-activiteit (artikel 11.27, Bal). De zorgplicht houdt in dat planten en dieren niet onnodig beschadigd, gedood of verstoord mogen worden. Het kan niet uitgesloten worden dat niet-beschermde of vrijgestelde plant- en diersoorten aanwezig zijn of gebruik maken van het werkgebied, dus dient er zorgvuldig gehandeld te worden. De initiatiefnemer/uitvoerder is verantwoordelijk voor een adequate naleving van de specifieke zorgplicht tijdens de uitvoering van de werkzaamheden.
Algemeen vrijgestelde soorten met zorgplicht zijn: Vissen: indien de watergangen aangetast worden, dient er niet gebaggerd te worden bij ijsvorming; Grondgebonden zoogdieren: voorafgaand aan de werkzaamheden dient de vegetatie in het plangebied kort gemaaid te worden; Amfibieën en vissen: er dient gewerkt te worden in de richting van een vluchtmogelijkheid bij het dempen van de watergang; Zoogdieren: er dient gewerkt te worden buiten de kwetsbare periode van voortplanting, handmatig vrijgraven van burchten bij aanwezigheid. Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt op ongeveer 5 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, Eemmeer & Gooimeer Zuidoever, dat onder de Vogelrichtlijn valt. Er zijn nog zes andere Natura 2000-gebieden binnen een straal van 15 km, zoals de Lepelaarsplassen en Oostvaardersplassen. Het plangebied kan tijdelijke en permanente effecten veroorzaken tijdens zowel de realisatie- als gebruiksfase. Hoewel de Natura 2000-gebieden buiten het directe invloedsgebied van verdroging, geluid- en lichtvervuiling liggen, kunnen stikstofdepositie en de gevolgen daarvan, zoals vermesting en verzuring, niet volledig worden uitgesloten. Daarom is door TAUW een AERIUS berekening uitgevoerd als onderdeel van een passende beoordeling. Deze is opgenomen in bijlage 6 bij deze motivering.
Deze passende beoordeling is opgesteld gelet op de mogelijke gevolgen voor de Natura 2000-plantoets van twee uitspraken van de Raad van State, de Rendac-zaak en de Amercentrale-zaak (ECLI:NL:RVS:2024:4923 (Rendac) en ECLI:NL:RVS:2024:4909 (Amercentrale)). Hierbij is de jurisprudentielijn over intern salderen in de Natura 2000-projecttoets gewijzigd. Samenvattend gaan deze uitspraken over de Natura 2000-projecttoets (natuurvergunningenspoor), maar is de verwachting dat deze lijn in de nabije toekomst wordt doorgetrokken in de plantoets. Nu voor het voorliggende (TAM IMRO) omgevingsplan voor de bouwvelden 26, 28 en 29 ook (voor wat betreft stikstof) intern wordt gesaldeerd met de beëindiging van bemesting van de agrarisch percelen in het plangebied, wordt zekerheidshalve het ‘intern salderen’ als een mitigerende maatregel beschouwd en de beoordeling van stikstof uitgevoerd in de vorm van een passende beoordeling (waarbij ook een toetsing aan het additionaliteitsvereiste hoort). Aanvullend is een herberekening gemaakt met AERIUS versie 2025. Deze herberekening is
blad 52 van 415
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld TAM-IMRO omgevingsplan Hoofdstuk 22a Fase 5 Nobelhorst
Gemeente Almere Projectnummer 01.0493179.100
eveneens opgenomen als bijlage bij deze motivering (bijlage7). Conclusie Voor de beoogde ontwikkeling uit het TAM/IMRO omgevingsplan dat voorziet Nobelhorst Fase 5 (bouwveld 26, 28 en 29) zijn stikstofberekeningen verricht. Er zijn twee berekeningen uitgevoerd: zowel voor de combinatie van de aanlegfase en gebruiksfase in het vastgestelde maatgevendejaar 2028, als een stikstofberekening voor de uiteindelijke beoogde gebruikssituatie na realisatie van het volledige plan. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van effecten op gebieden (Natura 2000, NNN en/of beschermde houtopstanden). Voor wat betreft stikstof volgt uit de passende beoordeling (zie bijlage 6 en 7 bij deze motivering) het volgende. In de stikstofberekeningen is intern gesaldeerd met de beëindiging van de bemesting op 6,2 ha agrarische gronden gelegen in het plangebied. Uit de passende beoordeling volgt dat per saldo geen sprake is van een toename in stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats in omliggende Natura 2000-gebieden. De berekende stikstofdepositie is op geen enkel relevant hexagoon hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Uitgesloten is dan ook dat de natuurlijke kenmerken van deze Natura 2000-gebieden door het omgevingsplan worden aangetast. Bij de uitgevoerde herberekening met AERIUS 2025 zijn de resultaten onveranderd.
Voor zowel het maatgevend jaar als de gebruiksfase worden geen toenames verwacht van de stikstofdepositie. Ook de conclusie uit het additionaliteitsvereiste verandert niet. Uitgesloten is dan ook dat de natuurlijke kenmerken van deze Natura 2000-gebieden door het plan worden aangetast. Het plan kan in overeenstemming met het gebiedsbeschermingsrecht (artikel 10.24 lid 1 Bkl) worden vastgesteld. Natuurnetwerk Nederland Het projectgebied is ook geen onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), en het ligt ook niet in een belangrijk weidevogelgebied. Gezien de locatie van de voorgenomen ontwikkelingen is geen significant negatief effect aanwezig op de wezenlijke waarden en kenmerken, de oppervlakte of de samenhang van de dergelijke groengebieden. Beschermde houtopstanden In het plangebied en de directe omgeving zijn bomen aanwezig die mogelijk door de geplande werkzaamheden worden aangetast. Daarom is een nadere toetsing van beschermde houtopstanden noodzakelijk. Deze toetsing bepaalt eerst of de bomen beschermd zijn en onder welk beschermingsregime ze vallen (zoals houtkapbeperkingen of het omgevingsplan). Vervolgens wordt beoordeeld of vervolgstappen nodig zijn, zoals het melden van houtkap volgens de Bal (Omgevingswet), het aanvragen van een omgevingsvergunning of het opstellen van een Boom Effect Analyse (BEA) om de impact van de werkzaamheden op de bomen te evalueren.
Conclusie Ecologie vormt geen belemmering voor het planvoornemen met in acht name van de zorgplicht en aanvullende onderzoeken en/of maatregelen ten aanzien van de volgende soorten: bever, rugstreeppad, algemene broedvogels en vleermuizen. Er is geen sprake van effecten op gebieden (Natura 2000, NNN en/of beschermde houtopstanden).
blad 53 van 415
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld TAM-IMRO omgevingsplan Hoofdstuk 22a Fase 5 Nobelhorst
Gemeente Almere Projectnummer 01.0493179.100
5.6
Luchtkwaliteit Kader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2 ) en fijnstof (PM10 ). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; Het project draagt alleen "niet in betekenende mate" bij aan de luchtverontreiniging. Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering is het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet komen te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die "niet in betekende mate" (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig.
Uit de artikelen 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project "niet in betekende mate bijdraagt" aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3 . Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2 ) en fijnstof (PM10 ). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51, lid 2 Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld: Bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; Bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter of als een tunnel gewijzigd wordt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt; Bij de aanleg van een autoweg of autosnelweg. De gemeente Almere en het plangebied liggen niet binnen een aandachtsgebied. De Rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (o.a. art. 2.4 & 2.5 Bkl). De belangrijkste omgevingswaarden zijn hieronder opgesomd: Stof
Toetsing van
Grenswaarden Wm microgram/m3
Fijn stof PM10
Jaargemiddelde
40
Fijn stof PM2,5
Jaargemiddelde
25
Stikstofdioxide NO2
Jaargemiddelde
40
Beoordeling Op basis van de berekende verkeersgeneratie van het programma (toename van 4.372 mvt/weekdag, zie paragraaf 5.1.2) is onderzoek gedaan met de NIBM-tool. Met deze tool blad 54 van 415
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld TAM-IMRO omgevingsplan Hoofdstuk 22a Fase 5 Nobelhorst
Gemeente Almere Projectnummer 01.0493179.100
wordt inzichtelijk of het planvoornemen wel of "niet in betekende mate" een bijdrage levert aan de luchtkwaliteit. Onderstaande figuur toont aan dat het extra verkeer "niet in betekenende mate" is voor de luchtkwaliteit en dat nader onderzoek niet noodzakelijk is.
Beoordeling huidige situatie omliggende wegen De luchtkwaliteit vindt landelijk plaats via het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). Deze monitoringstool wordt jaarlijks herzien. De resultaten het afgelopen zijn voor Almere te zien via het CIMLK. Via het CIMLK wordt berekend wat de omgevingswaarden zijn (NO2 en Fijnstof):
blad 55 van 415
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld TAM-IMRO omgevingsplan Hoofdstuk 22a Fase 5 Nobelhorst
Gemeente Almere Projectnummer 01.0493179.100
Uit bovenstaande gegevens Rijksomgevingswaarden.
blijkt
dat
het
plangebied
voldoet
aan
de
Conclusie Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.7
Bodemkwaliteit Kader Het bodembeleid gaat over het voorkomen en wegnemen van bodemverontreiniging. Waar het bodembeleid eerder sterk gericht was op het saneren van bodemverontreiniging legt de Omgevingswet meer nadruk op het voorkomen van verontreinigingen en het beheren van bestaande verontreinigingen. Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89k Bkl, artikel IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).
Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: Bal): Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2); Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22); Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4). Beoordeling Het woongebied voor geheel fase 5 kent de bodemfunctieklasse ‘Industrie’. De Bodematlas van de Provincie Flevoland laat zien dat het woongebied fase 5 eerder is onderzocht op bodemverontreiniging. Het gebied is aangewezen als niet ernstig, licht tot matig verontreinigd. In eerste instantie is vooronderzoek verricht (Antea Group, 18 november
blad 56 van 415
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld TAM-IMRO omgevingsplan Hoofdstuk 22a Fase 5 Nobelhorst
Gemeente Almere Projectnummer 01.0493179.100
2024). Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 8 en voorgelegd aan de omgevingsdienst. Bij toepassing van de NEN 5740 voor vooronderzoek moet een hypothese worden opgesteld omtrent de aan-/ afwezigheid, de aard en de ruimtelijke verdeling van eventuele verontreinigingen. Ten behoeve van het opstellen van een hypothese dient een vooronderzoek te worden uitgevoerd overeenkomstig de NEN 5725: 2017 (Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek). Ten aanzien van de bodemopbouw en geohydrologie kan het volgende worden vermeld: Freatische grondwaterstand: circa 1,5 m -mv. in de huidige situatie. In de toekomst wijzigt dit. Er is een peilbesluit aangevraagd bij waterschap Zuiderzeeland om het peil met 1 meter te verhogen van NAP -6,20 naar NAP -5,20.
Regionale grondwaterstroming in het eerste watervoerend pakket: oostelijk Verticale grondwaterstroming tot 10 m-mv: nee Voorkomen van oppervlaktewater in de directe omgeving: Sloten en vaart, genaamd De Hoge Vaart Voorkomen van brak/zout grondwater: nee Ligging binnen een grondwaterbeschermingsgebied: nee Ophogingen/dempingen/bodemvreemde lagen bekend?: ja ophogingen met ophoogzand (vak 29 opgehoogd met baggerspecie) Is het grondwatersysteem beïnvloed door menselijk handelen (drainage, bemalingen, onttrekkingen, infiltratie)?: ja (polder) De gegevens over de geohydrologie zijn verkregen uit de Grondwaterkaart van Nederland (DGV-TNO) en de actuele kaarten met grondwaterbeschermingsgebieden. Er zijn geen bekende Wbb-locaties in de te onderzoeken deelgebieden. Uit het historisch kaartmateriaal komen geen bijzonderheden naar voren. Vanaf de aanleg in 1968 tot recentelijk kende de deelgebieden hoofdzakelijk een agrarisch gebruik. Overige kenmerken Er zijn geen asbestverdachte locaties bekend. Vooralsnog wordt daarom ten aanzien van asbest uitgegaan van een onverdachte locatie. Gezien de afwezigheid van op PFAS verdachte puntbronlocaties in de directe omgeving, wordt aangenomen dat atmosferische depositie de enige bron van PFAS-verontreiniging op deze locatie is. Van atmosferische depositie is bekend dat dit tot beperkt verhoogde PFAS-gehaltes in de bodem kan leiden.
Zodoende wordt aangenomen dat er op deze locatie geen aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn. Uit de digitale terreinverkenning komen geen bijzonderheden naar voren. De meeste deelgebieden zijn braakliggend. Alleen deelgebieden 27 en 28 hebben wat (tijdelijke) bebouwing, waaronder een schoolgebouw, een opslagplaats voor bouwmaterialen, en enkele reeds gerealiseerde woonhuizen. Hypothese Op basis van het vooronderzoek zijn de volgende hypothese en strategie van toepassing:
Deellocatie
Hypothese
Strategie (oppervlakte in m/m2 )
Gebied 28
Onverdacht
ONV-NL
Gebied 26+29
Onverdacht
ONV-GR-NL
blad 57 van 415
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld TAM-IMRO omgevingsplan Hoofdstuk 22a Fase 5 Nobelhorst
Gemeente Almere Projectnummer 01.0493179.100
Toelichting: ONV-NL: strategie voor een onverdacht niet-lijnvormige locatie, ONV-GR-NL: strategie voor een onverdachte grootschalige niet-lijnvormige locatie. De conclusie van het vooronderzoek luidt dat de locatie onverdacht is en dat er vanuit de bodem geen belemmeringen zijn voor de beoogde wijziging in het TAM-IMRO omgevingsplan (ontwikkeling terrein voor woningbouw). Uit informatie van de Omgevingsdienst blijkt dat voor de beoogde planaanpassing en ontwikkeling de volgende paragrafen en artikelen onder de Omgevingswet van toepassing zijn: § 4.119 Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit; Art. 4.1219 t/m 4.1223; § 5.2.2 Voorafgaand bodemonderzoek; Art. 5.7a t/m/ 5.7f; Art. 5.7a: Vooronderzoek NEN 5725; Art. 5.7b: Als uit vooronderzoek bodem blijkt dat er een verdenking bestaat van de aanwezigheid van een verontreiniging van de bodem, wordt een verkennend bodemonderzoek verricht. Uit het vooronderzoek is gebleken dat er geen verdenking is op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging. Op basis hiervan kan voor de beoogde ontwikkeling worden volstaan met het uitvoeren van het historisch onderzoek, conform NEN5725. Het uitvoeren van veldonderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Conclusie Bodem vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.8
Archeologie Kader In bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet is de definitie van cultureel erfgoed opgenomen. Dit omvat monumenten, archeologische vindplaatsen, historische stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en ander cultureel erfgoed zoals beschreven in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet regelt het behoud en beheer van cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is verplicht om bij de belangenafweging de aspecten van historische (steden)bouwkunde en historische geografie te betrekken, zowel voor beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De gemeente kan lokale regels stellen over archeologisch onderzoek (artikel 5.130 lid 3, 4 en 5 Bkl). Dit kan de gemeente doen om archeologische monumenten in de bodem te beschermen of om ze deskundig te laten opgraven. Het archeologisch onderzoek kan verschillende vormen aannemen. Beoordeling Het plangebied valt in bestemmingsplan 'Almere Hout Noord'. Voor het plangebied geldt geen dubbelbestemming waarde Archeologie.
blad 58 van 415
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld TAM-IMRO omgevingsplan Hoofdstuk 22a Fase 5 Nobelhorst
Gemeente Almere Projectnummer 01.0493179.100
Op de archeologische beleidskaart Almere is te zien dat het gehele plangebied archeologievrij is (vrijgesteld). Daarmee vormt archeologie geen belemmering voor het planvoornemen.
Figuur 5.12 Archeologische beleidskaart Almere, plangebied aangeduid met rood kader. Bron: gemeente Almere Conclusie Archeologie vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Wel bestaat altijd de mogelijkheid dat tijdens werkzaamheden onverwachts archeologische resten worden aangetroffen (archeologische toevalsvondst). Dit moet onmiddellijk worden gemeld aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de resten gevonden worden, op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet en afdeling 19.2 van de Omgevingswet.
5.9
Cultuurhistorie en erfgoed Kader Onder erfgoed vallen cultureel erfgoed en werelderfgoed. Cultureel erfgoed bestaat uit rijksmonumenten, gemeentelijke- en provinciale monumenten en archeologische monumenten. De bescherming van erfgoed wordt geregeld in het Bal, de provinciale omgevingsverordening en het omgevingsplan. Het Bal stelt onder andere regels aan rijksmonumenten. De provinciale omgevingsverordening stelt regels aan provinciale monumenten (zoals provinciale monumenten, molenbiotopen en landgoed- en kasteelbiotopen). In het omgevingsplan legt de gemeente de te beschermen gemeentelijke en provinciale monumenten vast. Bij het opstellen van het omgevingsplan oet de gemeente voldoen aan de instructieregels van het
blad 59 van 415
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld TAM-IMRO omgevingsplan Hoofdstuk 22a Fase 5 Nobelhorst
Gemeente Almere Projectnummer 01.0493179.100
Rijk (paragraaf 5.1.5.5 van het Bkl). Beoordeling Na raadpleging van de provinciale cultuurhistorische waardenkaart blijkt in het plangebied het voormalige Eem-stroomgebied te liggen. Na het einde van de ijstijd behoorde het plangebied tot het oude stroomgebied van de revier de Eem, met zandruggen en kreken. Ten noorden van het plangebied bevindt zich een archeologisch monument.
Figuur 5.13 Cultuurhistorische waardenkaart provincie Flevoland. Archeologisch monument aangeduid met paarse stip. Bron: Provincie Flevoland Na raadpleging van de Almeerse Cultuurhistorische waardenkaart blijkt dat het plangebied niet in een Post 65 wijk ligt. Voorafgaand aan een ruimtelijke ontwikkeling moet in een Post 65 wijk eerst een cultuurhistorische analyse worden gemaakt. In Nobelhorst hoeft dit niet te gebeuren. In Nobelhorst zijn geen iconen, monumenten of zichtlijnen aanwezig.
blad 60 van 415
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld TAM-IMRO omgevingsplan Hoofdstuk 22a Fase 5 Nobelhorst
Gemeente Almere Projectnummer 01.0493179.100
Figuur 5.14 Almeerse Cultuurhistorische waardenkaart. Bron: Almere: Net Town met historie - Nota cultureel erfgoed (2022). Conclusie Cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.10
Kabels en leidingen Kader Kabels en leidingen kunnen in zowel openbare als niet-openbare gronden gelegen zijn, waardoor verschillende belangen geraakt worden. In het tijdelijk deel van het omgevingsplan zijn de bestaande regels met betrekking tot de bescherming van kabels en leidingen opgenomen. In het tijdelijk deel van het omgevingsplan staan regels voor buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Deze regels richten zich op de ligging en het type leiding (aard van de stof en bij gas, de maximale druk). In het tijdelijk deel van het omgevingsplan kunnen ook regels over ondergrondse hoogspanningsverbindingen staan. Deze regels richten zich op de afstand van bepaalde gebouwen tot magneetvelden. Daarnaast kunnen ook voor andere kabels en leidingen regels staan in de ruimtelijke regels van het tijdelijk deel, omdat ze naar het oordeel van het bevoegd gezag ruimtelijk relevant zijn. De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant: hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger (art. 22a Elektriciteitswet 1998); buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar (art. 5.18 en 5.135 Bkl, tevens art. 3.101 Bal); buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar (art. 3.101 Bal);
blad 61 van 415
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld TAM-IMRO omgevingsplan Hoofdstuk 22a Fase 5 Nobelhorst
Gemeente Almere Projectnummer 01.0493179.100
buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom (art. 3.135 en art. 3.101 Bkl); buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken (art. 3.101 Bal).
Beoordeling In het plangebied van fase 5 Nobelhorst zijn specifieke richtlijnen en eisen van toepassing voor de aanleg, het onderhoud en de opruiming van kabels, leidingen en riolering. Het ontwerp moet voldoen aan de Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren 2016 (AVOI) en bijbehorende regels, zoals het Handboek Kabels & Leidingen, de Schaderegeling Ingravingen en de Nadeelcompensatieregeling van gemeente Almere. Het primaire tracé voor kabels en leidingen wordt afgetakt van Leidingstraat 6 en verder vertakt naar woningen en bedrijven afhankelijk van de buurtstraten. Hierbij wordt voldoende afstand bewaard tussen de bebouwing en de leidingenstraat. Voor de riolering is aan de noordzijde nabij de A6 een hoofdrioolgemaal gepland dat het hele gebied van Almere Hout zal bedienen en onder beheer van waterschap Zuiderzeeland valt. Er wordt momenteel onderzoek gedaan naar het type rioolsysteem en de bijbehorende kosten, met een ruimtelijke reservering voor het riooltracé. Daarnaast zijn er trafo-ruimtes of middenspanningstations nodig voor de elektriciteitsdistributie. Uitgangspunt is dat er minimaal tien stations nodig zijn binnen het plangebied.
Figuur 5.15 Het primaire kabels en leidingen tracé voor fase 5, bron: tweede addendum Conclusie Kabels en leidingen vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Er wordt voldoende afstand bewaard tussen de bebouwing en de leidingenstraat.
5.11
Ontplofbare oorlogsresten Kader Niet gesprongen explosieven kunnen een gevaar vormen wanneer er trillingen worden veroorzaakt in de grond door bijvoorbeeld heiwerkzaamheden. Deze niet gesprongen explosieven kunnen dan alsnog afgaan. De initiatiefnemer is degene die onderzoek naar niet gesprongen explosieven moet uitvoeren. Dit gelet op de verplichting tot het doen van een risico-inventarisatie en -evaluatie ex artikel 5 Arbeidsomstandighedenwet. De burgemeester kan voor het handhaven van de openbare orde of voor het beperken van eventueel gevaar bevelen of algemeen verbindende voorschriften opstellen voor de locatie(s) waar een niet gesprongen explosief is aangetroffen (artikel 172, 175 en 176 Gemeentewet). Daarbij valt onder andere het vervaardigen, verhandelen, vervoeren, voorhanden hebben en dragen van
blad 62 van 415
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld TAM-IMRO omgevingsplan Hoofdstuk 22a Fase 5 Nobelhorst
Gemeente Almere Projectnummer 01.0493179.100
niet gesprongen explosieven onder de Wet Wapens en Munitie. Deze opsporing dient te worden gedaan door een bedrijf die gecertificeerd is op grond van de Beoordelingsrichtlijn voor het Procescertificaat “Opsporen Conventionele Explosieven (OCE)” zoals bedoeld in artikel 4.10 Arbobesluit. Sommige gemeenten hebben een explosievenkaart waarop verdachte gebieden zijn weergegeven. Indicatoren voor verdachte gebieden kunnen daarnaast worden afgeleid uit historische gegevens, militaire archieven en eerdere vondsten. Vanwege de nadruk op openbare orde en veiligheid worden regels over niet gesprongen explosieven niet opgenomen in het omgevingsplan. De omgang met niet gesprongen explosieven wordt ook niet gereguleerd door de Omgevingswet, omdat de wet- en regelgeving op het gebied van arbeidsomstandigheden voorziet in regulering. Beoordeling Voor de bodembelastingkaart van de gemeente Almere geldt dat: In rode gebieden altijd onderzoek verplicht is; Voor de gele gebieden het protocol toevalsvondst geldt; Voor de groene gebieden (reeds na-oorlogs aantoonbaar geroerd op vondst, diepte óf onderzocht en vrijgegeven) hoeft er niets hoeft te gebeuren. In twijfelgevallen beslist het Cluster Veiligheid & Gezondheid van de gemeente Almere. Op basis van de bodembelastingkaart van de gemeente Almere wordt Nobelhorst gecategoriseerd als 'verdacht gebied' met betrekking tot ontplofbare oorlogsresten.
Figuur 5.16 Bodembelastingkaart Nobelhorst, Twentsekant en omgeving. Bron: gemeente Almere blad 63 van 415
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld TAM-IMRO omgevingsplan Hoofdstuk 22a Fase 5 Nobelhorst
Gemeente Almere Projectnummer 01.0493179.100
Verdacht gebied Verdachte gebieden zijn locaties welke zich binnen schootsgebieden hebben bevonden en waardoor er zich hier nog ontplofbare oorlogsresten van een specifiek kaliber kunnen bevinden. Voor dit gebied geldt het protocol toevalsvondsten. Een toevalsvondst houdt in dat er een (vermoedelijk) OO wordt aangetroffen op een locatie en/of tijdstip dat niet in de risicobeoordeling is voorzien. Een toevalsvondst kan plaatsvinden in gebieden die als ‘onverdacht’ zijn aangemerkt, maar ook binnen gebieden die als ‘verdacht’ zijn aangemerkt, maar waar op dat moment geen geplande grondroerende en/of opsporingswerkzaamheden plaatsvinden. Conclusie Het gebied is verdacht en het protocol toevalsvondsten is van toepassing. Met in acht name van het protocol vormen OO geen belemmering voor het planvoornemen. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. In de loop van 2025 wordt het beleid geactualiseerd en naar verwachting wordt het plangebied dan als onverdacht geclassificeerd.
5.12
Weging van waterbelang Kader Het watertoetsproces dat sinds november 2003 wettelijk verplicht is door de verankering in het Besluit op de ruimtelijke ordening, komt onder de Omgevingswet terug als ‘Weging van het waterbelang’. De weging van het waterbelang is een proces dat ervoor zorgt dat bij alle ruimtelijke plannen de waterhuishouding voldoende toekomstbestendig is ingericht en alle waterbelangen gewogen worden. In de waterparagraaf van het ruimtelijk plan staat hoe er binnen het plan omgegaan wordt met de waterhuishouding. Uit de waterparagraaf blijkt de betrokkenheid van de waterbeheerder in het planproces en de wijze waarop het wateradvies van de waterbeheerder is meegenomen in de uitwerking van het plan. In deze afweging worden de gevolgen van het plan voor het beheer van het watersysteem aangegeven en de benodigde maatregelen bepaald voor een toekomstbestendige waterhuishouding, waarin onder andere aspecten als waterveiligheid, waterkwantiteit en waterkwaliteit geborgd zijn. Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft als doelstelling het bereiken van een goede ecologische en chemische toestand voor alle oppervlaktewaterlichamen en het beschermen en herstellen van alle grondwaterlichamen (verbinding infiltratie- en kwelgebieden).