CConstaterende datAlmelo
Koppel je AI →
Document · PDF

Vaststelling TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22C Pnielkerk - bijlage 1 - Toelichting

Raad 26 mei 2026, gemeente AlmeloBij agendapunt: Vaststelling TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22C Pnielkerk21.033 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Conclusie toetsing aan het provinciale beleid

Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het provinciaal beleid zoals genoemd in de Omgevingsvisie Overijssel, die is verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel.

5.3

Regionaal beleid

De wettelijke basis om gezamenlijk besluiten te nemen ligt in artikel 2.2 lid 2 van de Omgevingswet. Het gaat om het gezamenlijk nemen van één besluit. Veel opgaven overstijgen het lokale belang, wat ertoe kan leiden dat er op regionaal niveau beleid wordt vastgesteld. In deze paragraaf wordt ingegaan op het relevante regionale beleid. 5.3.1

Regionale Woonagenda Twente

5.3.1.1 Algemeen De Regionale Woonagenda Twente (2021-2025) is een belangrijk beleidsdocument dat de visie op de woningmarkt in de regio Twente beschrijft en richting geeft aan de Woonagenda is opgesteld door de gemeenten, woningcorporaties, marktpartijen en de provincie Overijssel. De agenda is een antwoord op de grote druk op de woningmarkt, de woningtekorten en de noodzaak om voor verschillende doelgroepen passende woningen te realiseren. Naast nieuwbouw is er ook aandacht voor de transformatie van gebieden, verduurzaming van de woningvoorraad en de huisvesting van specifieke doelgroepen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

20

Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Pniëlkerk Vastgesteld 5.3.1.2 Ambitie en visie De Woonagenda heeft als doel om te voorzien in de behoefte aan woningen, de leefbaarheid te vergroten en de kwaliteit van de regio Twente te versterken. De visie op het wonen in Twente omvat een inclusieve woningmarkt (wonen voor iedereen), een toekomstbestendige leefomgeving (sterke steden en vitale kernen en buitengebied) en een duurzaam en circulair woningbestand. 5.3.1.3 Ruimtelijke strategieën Om richting te geven aan de ontwikkeling, onderscheidt de Woonagenda een drietal ruimtelijke strategieën: • • •

Buiten wonen: Wonen in het landelijk gebied en kleine kernen, met een sterke verbinding met het landschap. Wonen langs de radialen: Wonen in de grotere kernen met een goed voorzieningenniveau en een goede bereikbaarheid. Stedelijk wonen: Wonen in de steden Enschede, Hengelo en Almelo, met een diversiteit aan woonmilieus.

5.3.1.4 Kwantitatieve woningbouwopgave De regio Twente ambieert om tot 2030 in totaal circa 20.000 tot 22.000 woningen toe te voegen. Van dit aantal woningen is ruim 15.000 woningen aangemerkt als de lokale behoefte. De extra woningbouwambitie bedraagt circa 5.000 tot 7.000 woningen. Per 1-1-2020 beschikte de regio Twente over een netto harde plancapaciteit van +/- 8.330 woningen en een netto zachte plancapaciteit van +/- 5.800 woningen. 5.3.1.5 Relevantie voor de voorgenomen ontwikkeling De ontwikkeling draagt bij aan de regionale woningbouwopgave door binnenstedelijk 21 woningen te realiseren waardoor er woningen aan de lokale en regionale woningvoorraad worden toegevoegd. Dit sluit aan bij de strategie en vergroot de differentiatie in het woningaanbod. 5.3.2

Woondeal Twente 2025-2030

5.3.2.1 Algemeen De geactualiseerde Woondeal Twente 2025–2030 ‘Wonen met Kwaliteit’ is een overeenkomst tussen de regio Twente, de provincie Overijssel en het Rijk. Met deze afspraken zetten de betrokken partijen zich in om de woningbouwopgave van minimaal 19.100 nieuwe woningen tot en met 2030 te realiseren. Daarmee levert Twente een substantiële bijdrage aan de nationale woningbouwdoelstellingen én aan het behouden van de leefbaarheid, vitaliteit en economische kracht van de regio. In de geactualiseerde Woondeal Twente 2025–2030 levert de gemeente Almelo een belangrijke bijdrage aan de regionale woningbouwopgave. Almelo realiseert in de periode 2024–2030 circa 3.260 woningen, verdeeld over vijf sleutelprojecten. Het gaat daarbij om grootschalige gebiedsontwikkelingen en stedelijke vernieuwing, waaronder de Spoorzone, het Indië-terrein, Aalanderveld, de Binnenstad en de herstructurering van wijken zoals Ossenkoppelerhoek en Sluitersveld. Twente is een veelzijdige woonregio, met een aantrekkelijke mix van stedelijke centra, dorpen en buitengebied. De regio combineert een hoge kwaliteit van leven met een sterke sociaaleconomische basis, onder andere door het profiel als hightech maakindustrie-hotspot. De Woondeal draagt eraan bij dat Twente zich verder ontwikkelt als een toekomstbestendige en toegankelijke woonregio.

De afspraken in de Woondeal zijn gericht op versnelling en kwaliteit. Dat betekent: • •

Voldoende betaalbare woningen, met vastgehouden verdeling volgens het 30-40-30-principe (30% sociale huur, 40% middenhuur en betaalbare koop, 30% vrije sector). Wonen voor verschillende doelgroepen, waaronder starters, gezinnen, senioren, aandachtsgroepen en arbeidsmigranten. Voor ouderen zijn specifieke afspraken gemaakt over nultredenwoningen, geclusterde woonvormen en zorggeschikte woningen. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

21

Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Pniëlkerk Vastgesteld • •

Ruimte voor sleutelprojecten: 63 regionale sleutelprojecten vormen de kern van de programmering en leveren een grote bijdrage aan de woningproductie en de versterking van leefbaarheid. Duurzaam en toekomstbestendig bouwen, waarbij klimaatadaptatie, energiezuinigheid en natuurinclusiviteit integraal onderdeel zijn van planvorming en realisatie.

Om deze doelen te bereiken, zetten gemeenten, provincie en Rijk gezamenlijk in op versnelling en samenwerking. Dit gebeurt onder andere door het versterken van plancapaciteit, het wegnemen van knelpunten, het inzetten van flexibele woonoplossingen en het benutten van transformatiekansen in de bestaande voorraad. De provincie ondersteunt gemeenten daarbij vanuit de Overijsselse Woonaanpak en instrumenten zoals de Bouwbrigade en de Brede Bouw Coalitie. De geactualiseerde Woondeal bevestigt daarmee de gezamenlijke ambitie om niet alleen in kwantiteit, maar juist ook in kwaliteit te bouwen: voldoende, betaalbare en toekomstbestendige woningen, passend bij de diversiteit van de Twentse samenleving. 5.3.2.2 Relevantie voor de voorgenomen ontwikkeling De toevoeging van 21 grondgebonden woningen in Almelo past binnen de doelstellingen van de Woondeal. Het plan draagt bij aan de woningbouwversnelling, maakt gebruik van zorgvuldig ruimtegebruik binnen bestaand stedelijk gebied en levert woningen voor verschillende doelgroepen. Daarmee ondersteunt de ontwikkeling zowel de kwantitatieve als kwalitatieve ambities uit de Woondeal Twente.

5.4

Gemeentelijk beleid

Het gemeentelijk beleid is verwoord in tal van beleidsplannen op het gebied van wonen, gezondheid, veiligheid, goede omgevingskwaliteit en duurzaamheid als centrale thema’s gekoppeld aan maatschappelijke doelen uit artikel 1.3 van de Omgevingswet. In deze paragraaf wordt ingegaan op de omgevingsvisie en andere voor voorliggend initiatief relevante beleidsstukken. 5.4.1

Omgevingsvisie gemeente Almelo

5.4.1.1 Algemeen De Omgevingsvisie is vastgesteld op 29 september 2020 door de gemeenteraad van de gemeente Almelo. In de Omgevingsvisie staat hoe de omgeving binnen de gemeente Almelo zich tot nu toe heeft gevormd en wat de visie is voor de toekomst. Voor de Omgevingsvisie is de gemeente Almelo verdeeld in vier gebieden: het buitengebied, de bedrijventerreinen, de wijken & dorpen en de binnenstad. Daarnaast zijn er onderwerpen die voor alle gebieden hetzelfde zijn, die los van de gebiedsindeling, in algemeenheid zijn beschreven. 5.4.1.2 Ambities De gemeente Almelo wil een sterke centrumgemeente zijn en blijven, met een regionale functie voor Noordwest-Twente. Om dat op woongebied te realiseren, heeft de gemeente drie grote ambities geformuleerd. We streven naar een woningvoorraad die: flexibel, evenwichtig & gevarieerd en toekomstbestendig & duurzaam is. De gemeente wil wijken creëren met gemengde woonmilieus waar genoeg aanbod is voor elke doelgroep. De bestaande woonvoorraad heeft relatief veel sociale woningbouw en koopwoningen in het hoge(re) segment. Dit wordt meer in balans gebracht door bij herstructurering op woningen in het middensegment in te zetten. Verder wil de gemeente de bestaande woningvoorraad zo slim mogelijk benutten en daarmee aansluiten op de ontwikkeling van de bevolking.

Dit betekent dat: • de benodigde verscheidenheid wordt aangebracht door herstructureren van panden en gebieden; • de (minimale hoeveelheid) nieuwbouw in bestaande wijken (inbreiding, geen uitbreiding) wordt ontwikkeld.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

22

Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Pniëlkerk Vastgesteld 5.4.1.3 Toetsing van het initiatief aan de omgevingsvisie De gemeente Almelo zet in op voldoende aanbod van woningen voor de verschillende doelgroepen. Voorgenomen ontwikkeling voorziet in het realiseren van grondgebonden woningen binnen de kern Almelo. Hierbij worden de woningen ontwikkeld op een binnen stedelijke locatie. Op deze wijze wordt bijgedragen aan de woningvoorraad binnen de bebouwde kom van Almelo. Het voornemen is daarmee in overeenstemming met de ambities zoals deze zijn gesteld in de omgevingsvisie van de gemeente Almelo. 5.4.2

Programma Water en Riolering Almelo 2022-2026

5.4.2.1 Algemeen Het Programma Water en Riolering is de opvolger van het verbreed gemeentelijk rioleringsplan (vGRP) en geeft inzicht in de omvang, het functioneren en de kwaliteitstoestand van de voorzieningen waarmee de gemeente invulling geeft aan de wettelijke zorgplichten voor het afval-, hemel- en grondwater, en de bekostiging hiervan. Daarnaast heeft de gemeente Almelo ook nadrukkelijk oppervlaktewater als onderdeel van het beheer van het stedelijk water gemaakt. Het Programma Water en Riolering beschrijft de beleidskaders en de bekostiging voor de inzameling, transport en verwerking van stedelijk afval-, hemel- en grondwater en het beheer van het oppervlaktewater in de gemeente Almelo voor de periode 2022 t/m 2026, en geeft de visie op de gemeentelijke watertaken voor de lange termijn. Om een strategie voor de komende planperiode op te kunnen stellen is een visie voor de lange termijn van belang. Eén van de belangrijkste voorwaarden is dat ook de gemeente Almelo moet anticiperen op de financiële omstandigheden en heeft te maken met bezuinigingsdoelstellingen. Het kwaliteitskader voor de gemeentelijke watertaken bestaat uit vier onderdelen (stedelijk afvalwater, hemelwater, grondwater en oppervlaktewater).

Deze onderdelen corresponderen met de drie zorgplichten van de gemeente, het vierde onderdeel 'oppervlaktewater' ziet de gemeente Almelo als integraal onderdeel van het stedelijk water. De gemeente is voor een groot gedeelte vrij op welke wijze en in welk tempo zij invulling wil geven aan haar zorgplichten. Speerpunten voor de planperiode De gekozen ambities voor het totale watersysteem (afval-, hemel- grond- en oppervlaktewater) kunnen in hoofdlijn worden samengevat in de volgende speerpunten: 1. 2. 3. 4. 5.

Samen op met burgers en bedrijven. Toekomstgericht en klimaatbestendig. Een doelmatige aanpak. De organisatie en de middelen op orde. Een functionerend watersysteem.

5.4.2.2 Toetsing van het initiatief aan het programma Water en Riolering Almelo 2022-2026 Bij de nieuwe woningen zal de afvoer van afvalwater en hemelwater gescheiden plaatsvinden. Het afvalwater wordt afgevoerd via een aansluiting op het gemeentelijke rioolsysteem. Het hemelwater zal zoveel mogelijk binnen het plangebied worden vastgehouden. De voorgenomen ontwikkeling omvat geen onttrekking van grondwater en heeft geen invloed op het oppervlaktewater. Een detailuitwerking van de waterhuishouding binnen het plangebied is opgenomen in het waterhuishoudkundig plan in bijlage 3. 5.4.3

Klimaatadaptatie-strategie Almelo 2021-2025, samen kansen benutten

5.4.3.1 Algemeen Het veranderende klimaat heeft effect op de stad en dorpen van de gemeente Almelo. In de Almelose Klimaat- adaptatiestrategie is vastgelegd hoe we samen met partijen deze effecten willen aanpakken. Zo wordt ervoor gezorgd dat Almelo een aantrekkelijke, duurzame en leefbare stad blijft. Als er niets wordt gedaan om ons aan te passen aan het veranderende klimaat, dan komt het leefklimaat van Almelo en de gezondheid van haar inwoners in het geding. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

23

Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Pniëlkerk Vastgesteld Extreme weersomstandigheden zullen in de toekomst met meer regelmaat plaatvinden. Voorbereiding hierop is daarom gewenst. De visie is opgesteld in samenspraak met inwoners en deskundigen. Hierbij is vastgesteld dat het onwenselijk dat door wateroverlast hulpdiensten worden belemmerd of ziekenhuizen onbereikbaar zijn. Daarnaast zijn voor de aspecten wateroverlast, hittestress en droogte verschillende onwenselijke situaties vastgesteld. Binnen de gemeente zijn verschillende locaties geanalyseerd waar onacceptabele of onwenselijke situaties voorkomen. Onacceptabele situaties moeten uiterlijk in 2030 opgelost zijn. Onwenselijke situaties zijn uiterlijk in 2085 opgelost, waarbij ingezet wordt op de combinatie met andere werkzaamheden. Nieuwbouwplannen moeten klimaatbestendig worden ingericht en niet leiden tot nieuwe onwenselijke situaties. 5.4.3.2 Toetsing van het initiatief aan de klimaatadaptatie-strategie Almelo 2021-2025 Met de inrichting van het plangebied is rekening gehouden met een verandert klimaat. In paragraaf 8.8 over klimaatadaptatie zijn de concreet aspecten aangegeven waar rekening mee wordt gehouden. Dit betreffen mitigerende maatregelen tegen wateroverlast en hittestress. 5.4.4

Woonvisie Almelo 2020-2030

In de woonvisie Almelo 2020 -2030 worden drie ambities geformuleerd. De ambities bestaan uit flexibele woningvoorraad, evenwichtige en gevarieerde woningvoorraad en toekomstbestendige en duurzame woningvoorraad. De relevante onderdelen van deze ambities worden hier onder behandeld. 5.4.4.1 Ambities Ambitie 1: Flexibele woningvoorraad De verwachte groei mogelijk maken en voorbereid zijn op de te verwachten krimp De gemeente kijkt nauwkeurig wat de precieze woonvraag is, zodat niet gebouwd wordt voor leegstand (op termijn). Met herbestemmen en nieuwbouw wil de gemeente leegstand over 10 of 15 jaar zo veel mogelijk voorkomen. Nieuwe woningbouwprojecten moeten daarom zo goed mogelijk aansluiten op de vraag. De gemeente monitort de bevolkings- en huishoudensontwikkeling scherp en zal tijdig matigen en temporiseren. De gemeente wenst daarnaast in te zetten op onderscheidende nieuwbouw. Dit is nieuwbouw waar bewoners over vijftig jaar nog steeds blij van worden. Bij nieuwbouw wordt het accent op de wens van doorstromers gelegd, zodat hun woningen beschikbaar worden voor starters en vestigers. Bij het streven naar een flexibele woonprogrammering, zorgt de gemeente voor een tweejaarlijkse monitoring en evaluatie van de situatie op de woningmarkt.

Inbreiding verkiezen boven uitbreiding De gemeente gaat in het algemeen uit van uitbreiding van de woningvoorraad in het bestaande bebouwde gebied. De groei van Almelo en de huidige druk op de woningmarkt maken dat bewuste keuzes gemaakt worden in welke woningen er toegevoegd worden en waar. Hierbij geldt het credo: inbreiding voor uitbreiding. De gemeente stelt dat er in bijna alle wijken en buurten wel opgaven zijn waarmee stappen gemaakt kunnen worden in samenhang met woningbouw. Waar woningen toegevoegd worden is een kwestie van prioriteren, het toevoegen van woningen gaat hier niet alleen over nieuwbouw maar over transformatie, herstructurering en verduurzaming. Ambitie 2: Evenwichtige en gevarieerde woningvoorraad De stad meer in evenwicht brengen vanuit vraag en aanbod zowel vanuit huur en koopwoningen als typologie van woningen De gemeente Almelo heeft te maken met een situatie waarin vraag en aanbod op de woningmarkt niet altijd goed op elkaar aansluit. Soms als gevolg van schaarste, waardoor huur- en koopprijzen oplopen en ‘wachtrijen’ ontstaan in de sociale huursector. Maar ook als gevolg van veranderende woonwensen van de inwoners en externe factoren, zoals financieringsmogelijkheden. Ambitie 3: Toekomstbestendige en duurzame woningvoorraad

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

24

Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Pniëlkerk Vastgesteld Een betaalbare en duurzame energievoorziening bereikbaar maken voor iedereen en bestaande woningen voor 2050 aardgasvrij maken. Nieuwbouw wordt enkel aardgasvrij en toekomstbestendig gebouwd. De gemeente heeft de klimaatplannen en doelen vastgelegd in het programma Duurzaamheid. 5.4.4.2 Verwachte ontwikkeling in huishoudens, doelgroepen en inkomen Veruit het grootste gedeelte van de koopwoningen in Almelo zijn eengezinswoningen, het aantal dure koopwoningen is beperkt. Zo’n 48% van de koopwoningen in Almelo heeft een prijs onder de € 185.000. De grootste groei in huishoudens wordt verwacht in de categorie van de hoogste inkomensklassen. De verwachting is dat het totale aantal huishoudens binnen de gemeente zal toenemen tot 2030-2035. Daarna loopt het aantal huishoudens terug tot 2050. 5.4.4.3 Toetsing van het initiatief aan de Woonvisie Almelo 2020-2030 Voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van 21 toekomstbestendige, grondgebonden woningen in de bebouwde kom van de kern Almelo. Dit betreft een inbreidingslocatie wat aansluit op de woonvisie Almelo 2020-2030. Daarnaast voorziet het voornemen in het verhogen van het aandeel grondgebondenwoningen in de wijk Ossenkoppelerhoek, met het streven om koopwoningen te realiseren.

Hierdoor komt de woningvoorraad wat betreft type woningen meer in balans in deze wijk. Ook kunnen nieuwe bewoners door voorgenomen ontwikkeling een plek krijgen in de kern Almelo. De woningen worden duurzaam gerealiseerd, bestaande uit duurzame materialen, aardgasvrij en met zonnepanelen. 5.4.5

Uitvoeringsagenda Stadsontwikkeling

5.4.5.1 Algemeen De Uitvoeringsagenda Stadsontwikkeling vormt het handelingskader waarmee de gemeente Almelo richting geeft aan de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van de stad. Het document is geen gedetailleerd masterplan, maar een actiegerichte agenda die focus en prioriteit aanbrengt in de manier waarop wijken, gebieden en locaties zich de komende jaren zullen ontwikkelen. De agenda is een ruimtelijke vertaling van de ambities uit de Omgevingsvisie en maakt zichtbaar hoe Almelo wil doorgroeien als centrumstad van Noordwest-Twente. In de uitvoeringsagenda staat de identiteit van Almelo centraal. De stad ontwikkelt zich vanuit haar kracht als groene en waterrijke stad met een rijk historisch profiel en een sterke sociaalmaatschappelijke basis. Almelo wil een toekomstbestendige leefomgeving realiseren waarin wonen, werken, ontmoeten en bewegen hand in hand gaan. De agenda benadrukt dat ruimtelijke ontwikkeling niet op zichzelf staat, maar altijd bijdraagt aan de bredere sociaal-economische en maatschappelijke opgaven waarvoor de stad staat. Belangrijke keuzes in de uitvoeringsagenda richten zich op het versterken van de binnenstad, de herontwikkeling van de spoorzone en de aanpak van wijken met leefbaarheidsopgaven. Daarbij zijn met name het Nieuwstraatkwartier, Kerkelanden en Ossenkoppelerhoek prioritaire wijken waar een integrale aanpak nodig is.

Hier wordt gewerkt aan meer diversiteit in het woningaanbod, het verbeteren van de leefbaarheid en het verduurzamen van de bestaande voorraad. Tegelijkertijd wordt ook ruimte geboden voor nieuwe stedelijke woon- en werkmilieus, zoals in de spoorzone en bij de transformatie van bedrijventerreinen als Westerdok en Achter de Molen. De uitvoeringsagenda geeft richting aan waar de gemeente zelf regie neemt en actief stuurt, en waar ruimte is voor initiatieven vanuit markt en samenleving. Daarmee is het niet alleen een instrument voor gemeentelijke keuzes en investeringen, maar ook een uitnodiging aan corporaties, ontwikkelaars, ondernemers en bewoners om gezamenlijk te bouwen aan de stad. Het doel is dat de ontwikkeling van Almelo bijdraagt aan een gezonde, inclusieve en vitale stad, waarin de kwaliteiten van water, groen en stedelijke dynamiek samenkomen en elkaar versterken. 5.4.5.2 Toetsing van het initiatief aan de Uitvoeringsagenda Stadsontwikkeling De Uitvoeringsagenda Stadsontwikkeling benoemt Ossenkoppelerhoek expliciet als één van de prioritaire wijken met leefbaarheidsopgaven. De wijk kent een relatief eenzijdige woningvoorraad en een kwetsbare sociaaleconomische basis. Hier is een integrale aanpak nodig, waarbij wordt ingezet

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

25

Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Pniëlkerk Vastgesteld op een gevarieerder woningaanbod, versterking van de leefomgeving en verduurzaming van de voorraad. De realisatie van 21 grondgebonden woningen sluit direct aan bij deze opgave. De toevoeging van nieuwe woningen biedt kansen om de woningvoorraad te diversifiëren en nieuwe doelgroepen aan te trekken, wat kan bijdragen aan een meer gemengde en leefbare wijk. Door in te breiden binnen de wijk wordt bovendien aangesloten bij het uitgangspunt van de uitvoeringsagenda om de bestaande stad te versterken in plaats van verder uit te breiden. 5.4.6

Ruimtelijk-Programmatische Visie Wonen en Werken

5.4.6.1 Algemeen De gemeente Almelo heeft met de Ruimtelijk-Programmatische Visie Wonen en Werken (2022) de hoofdlijnen vastgelegd voor de ruimtelijke ontwikkeling van de stad. Deze visie bouwt voort op de Omgevingsvisie 2020–2040 en de Uitvoeringsagenda Stadsontwikkeling en vormt daarmee het beleidsmatige kader voor toekomstige keuzes in wonen, werken en de kwaliteit van de leefomgeving. Almelo staat voor een driedelige opgave: een sociale, economische en ruimtelijke. Enerzijds is er een sterke woningbouwbehoefte van circa 3.400 woningen tot 2035, anderzijds bestaat er een forse vraag naar nieuwe en kwalitatieve werklocaties. Deze kwantitatieve opgaven worden ingezet als katalysator voor kwalitatieve stedelijke ontwikkeling: verbetering van de binnenstad, vernieuwing van oudere wijken, verduurzaming van de woningvoorraad en versterking van het groenblauwe netwerk. De gemeentelijke visie kiest daarbij voor een integrale benadering, gericht op balans tussen wonen en werken. De belangrijkste beleidslijnen zijn: •

•

•

•

Wonen: realisatie van een divers palet aan woonmilieus, variërend van centrumstedelijk wonen in de Spoorzone en aan het kanaal, tot groenstedelijke woonmilieus in de wijken en landschappelijke woonmilieus in de stadsranden. Daarmee wordt voorzien in de vraag van uiteenlopende doelgroepen, waaronder jongeren, starters en gezinnen. Werken: versterken van Almelo als werkstad, met focus op de topsectoren innovatieve maakindustrie, logistiek en hightech. Bestaande werklocaties worden vitaal en duurzaam gehouden, terwijl uitbreiding plaatsvindt in de zuidwesthoek van de stad (Businesspark XL2 en Buitenhaven West) om te voorzien in de regionale vraag naar grootschalige kavels. Kwaliteit en identiteit: ruimtelijke ontwikkelingen dragen bij aan de profilering van Almelo als groenblauwe stad met herkenbare landschappen, groene longen en een rijk waternetwerk. Deze kwaliteiten worden ingezet om aantrekkelijke en gezonde leefomgevingen te creëren. Balans en inclusiviteit: de woningvoorraad wordt meer gedifferentieerd, zodat een evenwichtige bevolkingssamenstelling ontstaat. Tegelijk wordt ingezet op het verbeteren van leefbaarheid, sociale cohesie en bereikbaarheid.

De gemeentelijke visie benadrukt dat woningbouw en werklocaties niet los van elkaar kunnen worden gezien. Nieuwe stedelijke milieus in de binnenstad en Spoorzone combineren wonen, werken en voorzieningen, terwijl de stadsranden ruimte bieden voor grootschalige bedrijvigheid én groene woonmilieus. Op deze wijze groeit Almelo door tot een sterke centrumstad in Twente, met een gezonde balans tussen economische vitaliteit, ruimtelijke kwaliteit en maatschappelijke samenhang. 5.4.6.2 Toetsing van het initiatief aan de Ruimtelijk-Programmatische Visie Wonen en Werken Het toevoegen van 21 grondgebonden woningen in de wijk Ossenkoppelerhoek sluit aan bij de bovenstaande uitgangspunten. Met dit initiatief wordt de woningvoorraad in de wijk verrijkt met nieuwe, toekomstbestendige woningen, die bijdragen aan vernieuwing van het woonmilieu. De toevoeging van grondgebonden woningen is passend binnen de wens om gezinnen en jonge huishoudens aan de stad te binden. Daarmee draagt het plan bij aan de balans tussen verschillende doelgroepen en woonvormen in Almelo. 5.4.7

Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het gemeentelijk beleid. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

26

Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Pniëlkerk Vastgesteld

HOOFDSTUK 6 6.1

OMGEVINGSVEILIGHEID

Algemeen

Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij dit wijzigingsbesluit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • • • •

Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • • • •

Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).

Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Een gemeente kan binnen een aandachtsgebied voorschriftengebieden aanwijzen. Ze is verplicht een besluit te nemen over het wel of niet aanwijzen van voorschriftengebieden binnen een aandachtsgebied. Locaties binnen aandachtsgebieden waar zeer kwetsbare gebouwen zijn toegelaten moeten altijd als voorschriftengebied worden aangewezen. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. 6.2

Situatie in en bij het plangebied

Aan de hand van de Externe Veiligheidskaart van de Atlas Leefomgeving is het mogelijk om de risicobronnen en aandachtsgebieden in of rond het plangebied te identificeren. In afbeelding 6.1 is een uitsnede van de Externe Veiligheidskaart weergeven, het plangebied is hierop aangegeven met de blauwe ster.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

27

Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Pniëlkerk Vastgesteld

Afbeelding 6.1: Uitsnede externe veiligheidskaart (Bron: Atlastleefomgeving.nl)

Uit bovenstaande afbeelding blijkt dat in de directe omgeving van het plangebied geen risicobronnen liggen. Op grotere afstand liggen enkele risicobronnen. Ten zuidwesten van het plangebied ligt een tankstation met een brand- een explosieaandachtsgebied. Het plangebied ligt buiten deze aandachtsgebieden en op een veilige afstand van het tankstation. Ten westen van het plangebied ligt het treinspoor waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Hiervoor zijn een brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebied opgenomen. Het plangebied ligt buiten deze aandachtsgebieden en op veilige afstand van het spoor. 6.3

Conclusie

Met voorliggend wijzigingsbesluit wordt de omgevingsveiligheid in voldoende mate gewaarborgd. Het plan is voorgelegd aan de veiligheidsregio welke heeft aangegeven dat er geen belemmeringen zijn en aan de veiligheidseisen wordt voldaan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Pniëlkerk Vastgesteld

HOOFDSTUK 7

BESCHERMEN VAN DE WATERBELANGEN

Op basis van paragraaf 5.1.3 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het beschermen van de waterbelangen. In dit hoofdstuk wordt daarom ingegaan op het effect van de ontwikkeling op de waterhuishouding.

7.1

Vigerend beleid

7.1.1

Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 7.1.2

Rijksbeleid

Het Nationaal Water Programma 2022–2027 (vastgesteld op 18 maart 2022) geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: • • •

Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering; We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte; Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht.

Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven om te gaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027. 7.1.3

Provinciaal beleid

In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlaktewater en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Drents Overijsselse Delta, Vallei en Veluwe, Vechtstromen, en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. 7.1.4

Beleid Waterschap

Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta, en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan/-programma opgesteld. Het algemeen bestuur van het waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 15 december 2021 het ‘Waterbeheerprogramma 2022- 2027’ vastgesteld. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Pniëlkerk Vastgesteld Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022- 2027. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op het: • • •

7.2

voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte; beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater en het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem. het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties.

Wateraspecten

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de ontwikkeling rekening wordt gehouden met het aspect water. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets. Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). In deze paragraaf wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie.

7.3

Watertoetsproces en waterhuishouding plangebied

Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over de voorgenomen ontwikkeling door gebruik te maken van de digitale watertoets. Het resultaat is opgenomen in bijlage 2 bij deze ruimtelijke motivering. Hieruit kwam de ‘normale procedure’. De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Het waterschap Vechtstromen geeft een positief wateradvies en ziet geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Door LVA Ontwikkeling B.V. is een waterhuishoudkundig plan en een waterparagraaf opgesteld. Het waterhuishoudkundig plan is opgenomen in bijlage 3 van deze motivering. Hierna is de waterparagraaf opgenomen. Waterbeschermingsgebieden en oppervlaktewater Het plangebied ligt niet in een grondwaterbeschermings- of intrekgebied. Verder is er geen sprake van het dempen van bestaande watergangen en/of oppervlaktewater. Huishoudelijk afvalwater Het afvalwater wordt, net als in het overige gebied rondom Rembrandtlaan 352, afgevoerd in een gecombineerd stelsel. Hemelwater De hemelwaterafvoer geschiedt conform het geldende waterschapsbeleid. Schoon hemelwater wordt binnen het plangebied geïnfiltreerd. Hierbij is rekening gehouden met de reeds op locatie aanwezige verharding en pand, welke afwateren op het gecombineerd stelsel.

Zoals gebruikelijk is binnen de gemeente Almelo is deze bestaande verharding gesaldeerd met het nieuw te realiseren plan en is voor het overblijvende deel een passende infiltratievoorziening gedimensioneerd. In voorliggend geval kan het schoon hemelwater afkomstig van de woningen worden afgevoerd via de bestaande gecombineerde riolering die ter plaatse aanwezig is. Het toekomstige (semi) openbaar gebied wordt deels afgevoerd via ditzelfde gecombineerde riool en het overblijvende deel infiltreert binnen het plangebied middels een ondergrondse infiltratievoorziening. Tot slot worden binnen het plangebied geen materialen gebruikt die qua uitloogbaarheid een negatief effect hebben op het grond- en oppervlaktewater. Gelet op het vorenstaande vormt het aspect 'water' geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Pniëlkerk Vastgesteld Oppervlaktewatersysteem Uit het raadplegen van de legger van Waterschap Vechtstromen blijkt dat er binnen het plangebied geen waterlichamen aanwezig zijn. Het dichtstbijzijnde waterlichaam ligt aan de overzijde van de Thorbeckelaan. Er kan dan ook gesteld worden dat de ontwikkeling geen wijzigingen aanbrengt aan het (oppervlakte)watersysteem van de gemeente. Waterkeringen De legger geeft van Waterschap Vechtstromen geeft aan dat er binnen en in de directe omgeving van het plangebied geen waterkeringen aanwezig zijn. Riolering Het vuilwater van het gebouw wordt aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel. De riolering wordt, zoals in het gemeentelijke waterbeleid wordt aangegeven, conform het bouwbesluit aangelegd. Deze rioolaansluiting dient aangevraagd te worden bij de gemeente. Hemelwaterafvoer Het plangebied beslaat een globale oppervlakte van 3.850 m2. In de bestaande situatie is daarvan circa 2.003 m2 verhard. In de nieuwe situatie zal dat circa 2.195 m2 zijn. Dat betekent een toename van verhard oppervlak in het plangebied van ongeveer 10%. Voor het terrein waar de woningen zijn gepland is een waterhuishoudkundig plan opgesteld. Het waterhuishoudkundig plan is opgesteld door LVA-groep (d.d. 12 oktober 2025), zie bijlage Bijlage 3 Waterhuishoudkundig plan.

Het onderzoek biedt inzicht in de grondwaterhuishouding (grondwaterstanden) en bodemopbouw ter plaatse. In het rapport komt aan de orde: het vooronderzoek, geohydrologisch onderzoek, veldwerkzaamheden inclusief gronddoorlatendheid, de geldende regels voor waterhuishouding bij ruimtelijke ontwikkelingen met daaruit volgende conclusies en advies. Resultaten rapportage De planlocatie is dit moment bebouwd met een kerk en bijbehorend parkeerterrein. Alle resterende gebouwen en voorzieningen zullen worden gesloopt en er zullen verscheidene nieuwe woningen worden gerealiseerd. In de nieuwe ontwikkeling wordt met de nieuwe woningen aangesloten het gecombineerde stelsel in het openbaar gebied. De nieuw aangebrachte bestrating in het (semi) openbaar gebied wordt deels voorzien van een ondergrondse infiltratievoorziening die voorziet in de benodigde berging van 55mm volgens de meest recente richtlijn van het waterschap. Deels wordt deze middels salderen afgevoerd naar het gemengde stelsel in het openbaar gebied. Op basis van de toekomstige inrichting van het plangebied is er voldoende ruimte aanwezig om deze te sluiten op de bestaande peilen op aangrenzende percelen. Op basis van het vorenstaande vormt het aspect water geen belemmering voor de plannen.

7.4

Conclusie

Met voorliggend wijzigingsbesluit worden de waterbelangen in voldoende mate beschermd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Pniëlkerk Vastgesteld

HOOFDSTUK 8

BESCHERMING GEZONDHEID EN HET MILIEU

Op basis van paragraaf 5.1.4 houdt een omgevingsplan rekening met de bescherming van de gezondheid en het milieu, waaronder in ieder geval begrepen: • • • • •

geluid; bodemkwaliteit; de kwaliteit van de buitenlucht; geur en; trillingen.

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze het voornemen rekening houdt met bovenstaande onderwerpen. Tevens worden de aspecten ‘gezondheid’ en ‘duurzaamheid’ behandeld.

8.1

Geluid door activiteiten

8.1.1

Algemeen

In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.21 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57 Bruidsschat). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: • • •

activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS); geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS); geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS).

Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.21 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 8.1.2

Situatie plangebied

Voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van woningen, dit zijn geluidsgevoelige gebouwen. Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Dit is een gebied waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Wegen, spoorwegen en industrieterreinen hebben een geluidsaandachtsgebied.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Pniëlkerk Vastgesteld Verder kan geluidhinder worden ondervonden als gevolg van omliggende bedrijvigheid. Hierna worden deze aspecten behandeld voor de beoogde ontwikkeling. Weg- en railverkeerslawaai In het omgevingsplan zijn nog geen geluidsaandachtsgebieden opgenomen. Daarom gelden voor wegen en spoorwegen de volgende afstanden: • • •

voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 m; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m.

Het plan gebied wordt aan drie zijden omringd door wegen met een maximumsnelheid van 30 km/u. De Rembrandtlaan heeft een maximumsnelheid van 50 km/u. Het plangebied ligt binnen de geluidsaandachtsgebieden van deze wegen. Om inzicht te geven in de ter plaatse zijnde geluidsniveau is door BJZ.nu een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai opgesteld. Het rapport van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 4 bij deze ruimtelijke motivering. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies. Uit het onderzoek blijkt dat geluid door de gemeentewegen hoogstens 62 dB Lden bedraagt. Met deze waarde wordt niet voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB Lden uit het Bkl, wel wordt voldaan aan de grenswaarde van 70 dB Lden uit het Bkl. Daarnaast wordt tevens voldaan aan de bovengrens van 63 dB uit het gemeentelijk beleid. Opgemerkt wordt dat de standaardwaarde enkel wordt overschreden op de voor en zijgevels van het meest noordelijke blok. Op de overige woningen en gevels wordt voldaan aan de standaardwaarde. Het gezamenlijk geluid bedraagt ten hoogste 62 dB. Er is een gevelwering van minimaal 62-33 = 29 dB benodigd om ter plaatse van alle woningen aan de binnenwaarde van 33 dB te kunnen voldoen.

Ten tijde van de toetsing van het voornemen aan het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) dient te worden beoordeeld of sprake is van voldoende gevelwering om ter plaatse van de woningen een binnen niveau van 33 dB te waarborgen. Ter plaatse van de woningen is tevens sprake van één of meerdere geluidsluwe gevels, waardoor sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het plangebied ligt op circa 945 meter vanaf het dichtstbijzijnde spoor. Het plangebied ligt daarmee niet in een geluidsaandachtsgebied van spoorwegen. Industrielawaai Het plangebied ligt niet in de buurt van een geluidsgezoneerd industrieterrein. Solitaire bedrijvigheid In paragraaf 8.6 over milieuzonering wordt nader ingegaan op de mogelijke geluidshinder van omliggende bedrijven. 8.1.4

Conclusie

Met voorliggend wijzigingsbesluit wordt in voldoende mate rekening gehouden met het aspect geluid.

8.2

Bodemkwaliteit

8.2.1

Algemeen

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Pniëlkerk Vastgesteld De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; • • •

beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen.

De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet: • • • •

Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn. Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde. Op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn. Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname.

Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. 8.2.2

Situatie plangebied

Voorgenomen ontwikkeling voorziet in woningen, dit is een bodemgevoelige functie. Om de kwaliteit van de bodem te toetsen is er in opdracht van BJZ.nu door Sigma Geo- & Milieutechniek een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 5 bij deze motivering. Uit dit onderzoek blijkt dat in de bovengrond en in het grondwater verhoogde gehaltes zijn gemeten ten opzichte van de achtergrondwaarde en de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse wonen. Echter overschrijden de gemeten gehalten niet de indicatiewaarde voor nader onderzoek. Vanuit milieu hygiënische overweging is er geen aanleiding tot het instellen van aanvullende onderzoek. De bodemkwaliteit voldoet daarmee aan de kwaliteitseisen voor wonen. 8.2.3

Conclusie

Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

8.3

Luchtkwaliteit

8.3.1

Algemeen

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • • •

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Pniëlkerk Vastgesteld Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering is het NSL met de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook komen te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.

2.

8.3.2

Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. Situatie plangebied

Het voornemen voorziet in de realisatie van 21 grondgebonden woningen. In afbeelding 8.1 is een uitsnede van de NIBM-Tool weergeven.

Afbeelding 8.1: NIBM-Tool Pniëlkerk Almelo

Vanuit bovenstaande afbeelding blijkt dat het voornemen niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. 8.3.3

Conclusie

Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Pniëlkerk Vastgesteld

8.4

Geur

8.4.1

Algemeen

In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb’s. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: • • • •

Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 Bruidsschat); Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 Bruidsschat); Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 Bruidsschat); Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 Bruidsschat).

Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels. Veehouderijen In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: • • • • 8.4.2

Geurnormen in het omgevingsplan Rekenen Afstandseisen Randvoorwaarden Situatie plangebied

Woningen zijn geurgevoelige functies. Het plangebied ligt in de stedelijke omgeving van de kern Almelo. De dichtstbijzijnde veehouderij, bestaande uit een paardenhouderij, ligt op forse afstand van circa 880 meter. Gelet op deze afstand is er geen sprake van geurhinder ter plaatste van het plangebied. In de paragraaf milieuzonering is de eventuele geurhinder van omliggende bedrijven met een geurcontour getoetst. 8.4.3

Conclusie

Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Pniëlkerk Vastgesteld

8.5

Trillingshinder

8.5.1

Algemeen

De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen. Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen. Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1.

Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Indien de afstand tot het spoor meer dan 100 meter en minder dan 250 meter bedraagt, kan een quickscan trillinghinder raadzaam zijn indien bestaande klachten, de bodemopbouw en/of het treinbeeld hiertoe aanleiding geven. 8.5.2

Situatie plangebied

Het plangebied ligt op 945 meter vanaf het dichtstbijzijnde spoor. Gelet op de afstand is er ter plaatse van het plangebied geen sprake van enige kans op trillingshinder als gevolg van deze spoorlijn. 8.5.3

Conclusie

Vanuit het aspect trilling is er sprake van een eventwichtige toedeling van functies aan locaties.

8.6

Bedrijven en milieuzonering

8.6.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden.

De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Gebiedstypen BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Pniëlkerk Vastgesteld In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' is een tweetal gebiedstypen onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype 'rustige woonwijk' vergelijkbaar omgevingstype. Het omgevingstype 'gemengd gebied' wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' omschreven als een gebied met een matige tot sterke functiemenging waarbij bijvoorbeeld direct naast woningen andere functies voor kunnen komen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. De richtafstanden (met uitzondering van het aspect gevaar) uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van een 'gemengd gebied'. Daarbij wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is.

In voorliggend geval ligt het plangebied in een gebied waar voornamelijk woonfuncties. Hierdoor wordt uitgegaan van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. De richtafstanden worden in onderstaande tabel weergeven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Almelo&id=bb34e547-8092-4542-ac39-3efb038ee34c