CConstaterende datAlmelo
Koppel je AI →
Document · PDF

Vaststelling TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22C Pnielkerk - bijlage 1 - Toelichting

Raad 26 mei 2026, gemeente AlmeloBij agendapunt: Vaststelling TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22C Pnielkerk21.033 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Milieucategorie

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied

1

10 m

0m

2

30 m

10 m

3.1

50 m

30 m

3.2

100 m

50 m

4.1

200 m

100 m

4.2

300 m

200 m

5.1

500 m

300 m

5.2

700 m

500 m

5.3

1.000 m

700 m

6

1.500 m

1.000 m

8.6.2

Situatie plangebied

Zoals reeds hiervoor genoemd wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.

past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. Voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van grondgebonden woningen. Woningen zijn geen milieubelastende activiteit voor de omgeving. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Pniëlkerk Vastgesteld Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functie(s) binnen het projectgebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie(s) de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten. In de omgeving van het plangebied liggen enkele milieubelastende functies. In onderstaande tabel is dit uiteengezet. Adres

Functie (milieucategorie)

Grootste richtafstand

Afstand tot plangebied

Vincent van Goghplein 29

Winkelcentrum (max 2)

30 meter

108 meter

Cornelis Trooststraat 1

Bedrijfsloods (max 2)

30 meter

81 meter

Uit bovenstaande tabel blijkt dat er ruimschoots wordt voldaan aan de richtafstanden. Binnen het plangebied is milieuhinder van deze bedrijven uit te sluiten en worden de omliggende bedrijven door het voornemen niet beperkt in de ontwikkelingsmogelijkheden. 8.6.3

Conclusie

Vanuit het aspect milieuzonering is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

8.7

Gezondheid

8.7.1

Algemeen

Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. Het is wenselijk om daarnaast aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van de activiteit optreedt. 8.7.2

Situatie plangebied

Met voorgenomen ontwikkeling wordt de woningvoorraad binnen de kern Almelo en de wijk Ossenkoppelerhoek verhoogd, wat inspeelt op de bestaande woonvraag. Daarnaast worden de woningen duurzaam en met omliggende, nieuwe groenstructuren gerealiseerd, zoals eerder beschreven in hoofdstuk 3. Op deze wijze wordt de leefbaarheid verhoogd. Daarnaast is in bovenstaande paragrafen aangetoond dat er geen sprake is van negatieve milieueffecten met de realisatie van het voornemen. 8.7.3

Conclusie

Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Pniëlkerk Vastgesteld

8.8

Duurzaamheid en klimaatadaptatie

8.8.1

Algemeen

Door klimaatverandering neemt de kans op wateroverlast, hitte, droogte en overstromingen toe. Het KNMI heeft scenario’s opgesteld waarin duidelijk wordt gemaakt hoe deze toename er naar verwachting in de toekomst uit ziet. Een vergrote kans op wateroverlast, hitte, droogte en overstromingen levert risico’s op voor veiligheid, gezondheid en economie. Ruimtelijke aanpassing om deze risico’s tegen te gaan noemen we klimaatadaptatie. In bijlage 6 van deze ruimtelijke motivering is een notitie opgesteld die ingaat op het effect van de aspecten hitte, wateroverlast, droogte en overstromingen voor het plangebied. 8.8.2

Situatie plangebied

Uit de notitie in bijlage 6 bij deze ruimtelijke motivering blijkt dat de aspecten hitte, wateroverlast, droogte en overstromingen geen belemmeringen zijn voor het voornemen. Het plan houdt voldoende rekening met bovengenoemde aspecten. Daarnaast is in hoofdstuk 7 van deze ruimtelijke motivering beschreven hoe de waterhuishouding en waterberging binnen het plangebied wordt vormgegeven. Ook worden de woningen duurzaam gerealiseerd, mede door het gebruik van duurzame materialen en het ontbreken van een gasaansluiting. 8.8.3

Conclusie

Vanuit het aspect duurzaamheid en klimaatadaptatie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Pniëlkerk Vastgesteld

HOOFDSTUK 9

BESCHERMING VAN DE NATUUR

In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen het voornemen rekening wordt gehouden met het aspect natuur. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Voor deze aspecten zijn diverse regels opgenomen in het Bkl.

9.1

Gebiedsbescherming

9.1.1

Natura 2000-gebieden

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: • • •

9.1.2

Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 9.1.3

Situatie plangebied

Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt op circa 8,2 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ‘Wierdense Veld’. Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitattypen binnen Natura 2000gebieden. Om dit te beoordelen is er een AERIUS-berekening uitgevoerd voor de sloopfase en voor zowel de bouwfase en de gebruiksfase die samenhangt met de voorgenomen ontwikkeling. Deze berekeningen zijn opgenomen in bijlage 7 en 8 van deze ruimtelijke motivering. Vanuit de AERIUS-berekening blijkt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van een stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Er is daarmee geen stikstofdepositie met een significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. De voortoets voor het plan voldoet, ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

41

Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Pniëlkerk Vastgesteld NNN-gebieden Het plangebied ligt op circa 3,1 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde NNN-gebied. Het NNN kent geen externe werking. Voorgenomen ontwikkeling heeft dan ook geen negatief effect op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het NNN.

9.2

Soortenbescherming

9.2.1

Algemeen

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • •

er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. 9.2.2

Situatie plangebied

Voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van 21 grondgebonden woningen op de locatie van een voormalige kerk. Ten tijde van de sloopaanvraag is er door Natuurbank Overijssel een natuurwaarden onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als bijlage 9 bij deze ruimtelijke motivering. Uit het natuurwaardenonderzoek blijkt dat het hoofdgebouw van de voormalige kerk geschikt is als verblijfplaats voor vleermuizen. Om dit nader te onderzoeken is een vervolgonderzoek uitgevoerd. Omdat onderzoek heeft aangetoond dat vleermuizen een verblijfplaats bezetten in de het kerkgebouw, moet een Omgevingsvergunning verkregen worden, voordat het gebouw gesloopt mag worden. Van de aanwezige beplanting binnen het plangebied is alleen de groenstrook aan de westzijde geschikt als leefgebied voor vogels met beschermde nestplaatsen, evenals voor beschermde, niet-vrijgestelde grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Deze westelijk gelegen groenstrook bestaat uit een houtsingel die mogelijk geschikt is voor egels. De houtsingel zal echter niet worden aangetast bij de realisatie van de woningen. Daarnaast geldt de algemene zorgplicht op grond van de Omgevingswet. Dit betekent dat bij werkzaamheden aan groenstructuren maatregelen genomen moeten worden om schade aan beschermde soorten te voorkomen.

In de praktijk houdt dit in dat werkzaamheden bij voorkeur buiten het broedseizoen plaatsvinden, of – indien dat niet mogelijk is – voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelscan wordt uitgevoerd om de aanwezigheid van broedende vogels uit te sluiten.

9.3

Conclusie

Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de bescherming van de natuur.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

42

Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Pniëlkerk Vastgesteld

HOOFDSTUK 10 10.1

ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE

Wettelijk kader

Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden. De regelgeving over het behoud en beheer van cultureel erfgoed is sinds 2016 ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Erfgoedwet maakt de Omgevingswet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet.

10.2

Archeologie

Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden. Op basis van de gemeentelijke archeologische beleidskaart is er geen archeologische verwachtingswaarde bekend. Daarnaast is er voor het plangebied geen archeologische dubbelbestemming opgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Almelo. Gelet op bovenstaande kenmerken is er voor het voornemen geen archeologisch onderzoek noodzakelijk.

10.3

Cultuurhistorie

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het plangebied gelegen werelderfgoed. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over: • • • • • •

ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; verplaatsing van beschermde monumenten; gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; aantasting van de omgeving van een beschermend monument; aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

Op basis van de Atlas Leefomgeving liggen er in en rondom het plangebied geen cultuurhistorische elementen. Door het Oversticht is de cultuurhistorische waarde van het kerkgebouw onderzocht. Een documentatie hiervan is opgenomen in bijlage 10. Hoewel de kerk in potentie mogelijk is aan te merken als gemeentelijk monument, is het behoud van het kerkgebouw niet mogelijk. Dit aangezien er geen nieuwe functie voor de bestaande kerk kon worden gevonden, waardoor leegstaand en verloedering een reëel scenario dreigde te worden. Echter wordt ter herinnering aan het voormalige kerkgebouw en de reeds gesloopte kerktoren een historische verwijzing aangebracht aan de noordwestzijde van de woningen. De precieze invulling

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

43

Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Pniëlkerk Vastgesteld van deze verwijzing zal te zijner tijd worden afgestemd met de gemeente, wel is planologisch geborgd in dit plan dat deze verwijzing kan worden gerealiseerd. Het voornemen heeft hiermee dan ook geen negatief effect op cultuurhistorische waarden.

10.4

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het voornemen in voldoende mate rekening houdt met de bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

44

Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Pniëlkerk Vastgesteld

HOOFDSTUK 11 11.1

M.E.R.- BEOORDELING

Algemeen

Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: • • • •

In kolom 1 staan de projecten opgesomd; In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt; Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend.

Indien een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een projectmer-(beoordelings)plichtige projecten dan is een plan-mer aan de orde (artikel 16.36 lid 1 Ow). Ook is een plan-mer aan de orde als voor een plan een passende beoordeling voor natuur moet worden opgesteld zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36 lid 2 Ow). Als een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of het plan maakt een kleine wijziging mogelijk, kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft.

11.2

Situatie plangebied

Voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van 21 grondgebonden woningen. Hiermee is er sprake van een stedelijke ontwikkelingsproject uit de eerste kolom van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Het betreft een wijziging van het omgevingsplan dat wordt opgesteld voor een klein gebied op lokaal niveau. Hiervoor is een plan-merbeoordeling aan de orde. In voorliggend geval is een aanmeldnotitie opgesteld. Deze is als bijlage 11 toegevoegd bij deze toelichting. Vanuit deze aanmeldnotitie blijkt dat er geen sprake is van significante negatieve milieueffecten.

11.3

Conclusie

De vormvrije m.e.r.-beoordeling maakt duidelijk dat de milieueffecten als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling beperkt zijn en dat er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die het opstellen van een plan-MER noodzakelijk maakt.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

45

Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Pniëlkerk Vastgesteld

HOOFDSTUK 12 12.1

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

Algemeen

In deze paragraaf wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Vastgesteld moet kunnen worden dat er geen financieel-economische redenen zijn waardoor het op voorhand aannemelijk is dat de ontwikkeling niet uitgevoerd kan worden.

12.2

Kostenverhaal

Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal (zie artikel 8.13 Ob voor aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal en artikel 8.15 Ob voor de kostensoortenlijst). Pas nadat is betaald, is het toegestaan de activiteiten uit te voeren (zie artikel 13.12 Ow). Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten verhaald worden is de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie (zie artikel 8.13 aanhef en sub a Ob). Er zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen.

12.3

Situatie plangebied

In dit geval is een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. Hierin is verzekerd dat het risico op nadeelcompensatie voor rekening van de initiatiefnemer komt. De gemeentelijke kosten zijn hier ook in opgenomen. Het kostenverhaal voor de gemeente is hiermee volledig verzekerd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

46

Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Pniëlkerk Vastgesteld

HOOFDSTUK 13 13.1

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID

Participatie

Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief. Voor het voornemen is een inloopavond georganiseerd, waar de voorgenomen plannen zijn gepresenteerd aan omwonenden. Deze avond vond plaats op woensdag 9 april. Een uitgebreid verslag hiervan is opgenomen in bijlage 12 van deze ruimtelijke motivering. Naar aanleiding van deze inloopavond is benoemd dat er een onveilige verkeerssituatie bestaat bij de T-splitsing van de Andreas Schelfhoutstraat en de Johan Jongkindstraat. Enkele omwonenden waren bezorgd dat de nieuwe woningen voor minder zicht zorgen en daarmee tot meer onveiligheid leiden. Naar aanleiding hiervan is besloten om de woningen aan de Andreas Schelfhoutstraat iets richting de Rembrandtlaan te verplaatsen. Deze aanpassing komt de overzichtelijkheid en de verkeersveiligheid ten goede en werd dan ook positief ontvangen door de omwonenden. De inloopavond heeft duidelijk gemaakt dat het gepresenteerde plan positief is ontvangen door de aanwezige omwonenden.

13.2

Afstemming overlegpartners

Het plan is voorgelegd aan de relevante overlegpartners. In dit geval betreffen dit de provincie, het waterschap en de veiligheidsregio. Deze overlegpartners zijn akkoord met het plan en hebben geen opmerkingen.

13.3

Zienswijzen

Het ontwerp van dit TAM-omgevingsplan heeft tussen 10 december 2025 en 20 januari 2026 ter inzage gelegen. Naar aanleiding hiervan zijn er geen zienswijzen ingediend.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

47

Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Pniëlkerk Vastgesteld

HOOFDSTUK 14 14.1

JURIDISCHE VERANTWOORDING

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieuen omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van voorliggend TAM-omgevingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

14.2

Opzet van de regels

14.2.1 Algemeen Zoals in paragraaf 1.3.2 is aangegeven, betreft het hier een TAM-omgevingsplan. Het juridisch bindende gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit de planregels en de bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: • • • •

Inleidende regels; Functieregels en gebiedsaanwijzingen; Algemene regels aan activiteiten; Overgangsrechtbepalingen.

14.2.2 Preambule Om duidelijk te maken hoe dit TAM-omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het omgevingsplan, is een preambule opgenomen. De preambule geeft aan hoe het TAM-omgevingsplan in samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moeten worden: Preambule Dit plan beoogt het realiseren van eenentwintig woningen (21) in de wijk Ossenkoppelerhoek in de gemeente Almelo. Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk in het omgevingsplan van de gemeente Almelo. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1 lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. • • •

De in dit deel van het omgevingsplan weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22c van het omgevingsplan van de gemeente Almelo. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22c’ gelezen worden. De bijlage bij de in deze voorziening weergegeven hoofstukken moet gelezen worden als onderdeel van Bijlage 22c bij het omgevingsplan van de gemeente Almelo.

14.2.3 Toepassingsbereik Het voor een bepaalde locatie vaststellen van nieuwe regels in een TAM-omgevingsplan zorgt er niet voor dat de oude regels op die locatie automatisch vervallen. Het TAM-omgevingsplan maakt namelijk geen gebruik van de technische vereisten van de nieuwe Omgevingswet, maar gebruikt zoals hiervoor beschreven nog de ‘oude’ standaarden. Om te voorkomen dat voor het gewijzigde deel van het omgevingsplan zowel nieuwe als oude regels gelden, is in dit TAM-omgevingsplan een toepassingsbereik opgenomen in artikel 3 van de inleidende regels. Het toepassingsbereik luidt als volgt.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

48

Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Pniëlkerk Vastgesteld Artikel 3 (Toepassingsbereik) 1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid. 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk. 3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Pniëlkerk, Almelo, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0141.00004-CO1 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. 14.2.4 Begripsbepalingen Het TAM-omgevingsplan is een regeling opgesteld op grond van de Omgevingswet en maakt onderdeel uit van het nieuwe deel van het omgevingsplan. De begripsbepalingen uit de bijlage van de Omgevingswet zijn van rechtswege van toepassing op regelingen op grond van de Omgevingswet (art. 1.1 Omgevingswet) en dus ook op het TAM-omgevingsplan. Begripsbepalingen in dit TAMomgevingsplan kunnen niet afwijken van begripsbepalingen uit de Omgevingswet. Het TAMomgevingsplan bevat daarom uitsluitend aanvullende begripsbepalingen.

Tevens zijn de begripsbepalingen uit de AMvB’s en Omgevingsregeling van toepassing verklaard. Begripsbepalingen uit de AMvB’s en de Omgevingsregeling zijn namelijk niet rechtstreeks van toepassing op het omgevingsplan.

14.3

Verantwoording van de regels

Bij het opstellen van dit TAM-omgevingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de functies in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. Groen (Artikel 4) De voor groen aangewezen gronden zijn bestemd voor het groenvoorzieningen, tuinen, fiets- en voetpaden, waterhuishoudkundige doeleinden, sportvoorzieningen en nutsvoorzieningen. Daarnaast is het binnen de aanduiding ‘overige zone – herdenkingspunt’ mogelijk om een herdenkingspunt naar het voormalige kerkgebouw op te richten. Binnen deze functie mogen enkel gebouwen voor nutsvoorzieningen worden gebouwd en enkele bouwwerken ten behoeve van de functie. Verder is zoveel mogelijk aangesloten op het tijdelijk deel van het omgevingsplan, het bestemmingsplan ‘Ossenkopperhoek’. Verkeer (Artikel 5) De voor verkeer aangewezen gronden zijn bestemd voor wegen en straten, voet- en fietspaden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen en nutsvoorzieningen. Binnen deze functie mogen enkel gebouwen voor nutsvoorzieningen worden gebouwd en enkele bouwwerken ten behoeve van de functie. Verder is zoveel mogelijk aangesloten op het tijdelijk deel van het omgevingsplan, het bestemmingsplan ‘Ossenkopperhoek’.

Wonen (Artikel 6) De voor wonen aangewezen gronden zijn bestemd voor het wonen in een woning, tuinen en erven en voor voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding. Als hoofdgebouw mogen uitsluitend woningen worden gebouwd, waarbij geldt dat het aantal woningen per bouwvlak is aangegeven met de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden'. Verder is met de aanduiding ‘maximum bouwhoogte (m)' de maximale bouwhoogte van de woningen aangegeven. Verder is zoveel mogelijk aangesloten op het tijdelijk deel van het omgevingsplan, het bestemmingsplan ‘Ossenkopperhoek’. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

49

Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Pniëlkerk Vastgesteld

BIJLAGEN BIJ DE RUIMTELIJKE MOTIVERING Bijlage 1: Stedenbouwkundig plan

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

50

Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Pniëlkerk Vastgesteld

Bijlage 2: Watertoets resultaat

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

51

Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Pniëlkerk Vastgesteld

Bijlage 3: Waterhuishoudkundig plan

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

52

Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Pniëlkerk Vastgesteld

Bijlage 4: Akoestische onderzoek wegverkeerslawaai

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

53

Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Pniëlkerk Vastgesteld

Bijlage 5: Verkennend bodemonderzoek

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

54

Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Pniëlkerk Vastgesteld

Bijlage 6: Notitie klimaatadaptatie

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

55

Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Pniëlkerk Vastgesteld

Bijlage 7: AERIUS-berekening sloopfase

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

56

Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Pniëlkerk Vastgesteld

Bijlage 8: AERIUS-berekening bouwfase en gebruiksfase

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

57

Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Pniëlkerk Vastgesteld

Bijlage 9: Natuurwaarden onderzoek

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

58

Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Pniëlkerk Vastgesteld

Bijlage 10: Notitie cultuurhistorie Pniëlkerk

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

59

Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Pniëlkerk Vastgesteld

Bijlage 11: Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

60

Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Pniëlkerk Vastgesteld

Bijlage 12: Participatieverslag

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

61

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Almelo&id=bb34e547-8092-4542-ac39-3efb038ee34c