CConstaterende datAlmelo
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 4 bij RB 18 - Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Almelo

Raad 24 juni 2025, gemeente AlmeloBij agendapunt: raadsbrieven vanuit B&W30.229 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

De landelijke toegankelijkheid voor beschermd wonen is geregeld in de Handreiking en beleidsregels landelijke toegang beschermd wonen, de nadere toelichting op handreiking en beleidsregels landelijke toegang beschermd wonen en het Convenant Landelijke Toegankelijkheid Beschermd Wonen. Artikel 3.11.2 Beschermd wonen op afstand 1. Beschermd wonen op afstand is bedoeld voor mensen waarvan verwacht mag worden dat zij, onder voorwaarden, in een meer zelfstandige vorm kunnen functioneren en wonen. Bij beschermd wonen op afstand wordt de woning door de zorgaanbieder gehuurd van de woningcorporatie en betaalt de cliënt huur aan de zorgaanbieder. Mensen die beschermd kunnen wonen op afstand moeten om in aanmerking te kunnen komen voor deze vorm van beschermd wonen voldoen aan een aantal criteria, zoals: • De cliënt is geen gevaar voor zichzelf of zijn/haar omgeving; • De cliënt weet tijdig zijn/haar hulpvraag te stellen en moet in staat zijn om zijn/haar hulpvraag 15 minuten uit te stellen; • Er is sprake van een vast dagritme of dagstructuur door bijvoorbeeld (on)betaald werk, dagbesteding, school of vrijetijdsbesteding; • De cliënt is in staat om contacten aan te gaan en deze te onderhouden.

De cliënt beschikt over enige mate van assertiviteit en is in staat om grenzen aan te geven en voor zichzelf op te komen; • De cliënt is in staat zijn/haar eigen financiën zelfstandig te beheren of heeft dit bij een instantie ondergebracht.

30

Andere belangrijke factoren zijn: • Ondersteuning en draagkracht vanuit een familie- of sociaal netwerk of vanuit de buurt. Een vertrouwde omgeving met vaste gezichten. • Duidelijke afspraken met de woningcorporatie. • Waarborging dat voorzieningen ten aanzien van de individuele ondersteuningsbehoefte van de cliënt zijn geborgd indien dit noodzakelijk wordt geacht, zoals inzet van passende algemene, voorliggende en/of maatwerkvoorzieningen (bijvoorbeeld hulpmiddelen). Artikel 3.11.3 Maatwerkvoorziening beschermd wonen 1. De voorziening beschermd wonen kan bestaan uit de volgende componenten: • Ondersteuning zelfstandig leven omvat persoonlijke verzorging, individuele begeleiding en toezicht; • Ondersteuning maatschappelijke deelname omvat dagbesteding inclusief vervoer van en naar de dagbesteding; • Component Toeslag bijzondere omstandigheden. 2. De componenten worden, indien dit noodzakelijk wordt geacht, toegekend. Zo wordt ondersteuning maatschappelijke deelname alleen verstrekt indien voorliggende voorzieningen (onder andere vrijwilligerswerk of dagbesteding binnen een algemene voorziening) niet adequaat, passend of toereikend zijn. 3. Indien de maatwerkvoorziening beschermd wonen aangewezen geacht wordt zal een geschikte plaats worden gezocht, rekening houdend met de wensen en mogelijkheden van de cliënt, de mantelzorger en de betrokken verwijzer. 4.

Een cliënt die aangewezen is op beschermd wonen kan zijn/haar voorkeur uitspreken voor één van de aanbieders waarmee een subsidierelatie bestaat. Een aanbieder die plaats heeft is verplicht de cliënt die zich –via het Cimot- bij hen meldt op te nemen. Artikel 3.11.4 BW Ondersteuning zelfstandig leven (OZL) 1. Het component OZL betreft het bevorderen of in stand houden van de zelfredzaamheid door ondersteuning te bieden bij (het omgaan met) psychische klachten, bij praktische vaardigheden (dagelijkse bezigheden regelen, onderhouden, omgaan met geld, organisatie van huishouding, persoonlijke zorg) en ondersteuning bij integratie in de samenleving met aandacht voor wonen, werk en sociaal netwerk. De cliënt kan 24 uur per dag een beroep doen op begeleiding. 2. Deze voorziening maakt altijd deel uit van de voorziening beschermd wonen. Hierbij zijn 3 varianten mogelijk, namelijk: a. Standaard begeleiding en toezicht We spreken over standaard begeleiding als de cliënt wordt geholpen bij de indeling van de dag en bij het omgaan met zijn/haar beperkingen. De begeleiding heeft dagelijks contact met de cliënt om ervoor te zorgen dat deze zo goed mogelijk in evenwicht blijft en leert omgaan met mindere perioden en om te kijken hoe de cliënt zich kan ontwikkelen. Standaard begeleiding betekent minimaal 8 uren begeleiding per week. De richtlijn voor de aanrijtijd is 15 minuten; b.

Intensieve begeleiding en toezicht Van intensieve begeleiding is sprake wanneer de psychische gesteldheid van cliënt dermate instabiel of zwaar is dat de intensiteit (en daarmee ook de nabijheid en het toezicht) van de begeleiding hoog is. De begeleiding biedt veel structuur, beschermt cliënt en zorgt voor veiligheid. Toezicht op inname en het in beheer hebben van medicatie maakt ook onderdeel uit van deze variant. Intensieve begeleiding betekent minimaal 11 uren begeleiding per week. De richtlijn voor de aanrijtijd is 15 minuten; c. Zeer intensieve begeleiding en toezicht Zeer intensieve begeleiding kan worden toegekend bij meervoudige problematiek, waarbij behoefte is aan zeer regelmatige begeleiding, persoonlijke verzorging en/of verpleging, voor zover het zorgkantoor of de zorgverzekering hiervoor niet aanspreekbaar is. De cliënt heeft ‘hand in hand’ begeleiding en permanent toezicht nodig, waarbij de zorgaanbieder op elk moment van de dag weet waar de cliënt verblijft. Dit betekent 24-uurs toezicht en aanwezigheid. De cliënt heeft een combinatie van beperkingen en aandoeningen, zoals ernstige psychiatrische problemen en een lichamelijke ziekte, een lichamelijke of verstandelijke handicap. Naast deze beperkingen is sprake van gedragsproblemen, verslavingen, problematische schulden en/of justitiële problemen.

De begeleiding moet zeer intensief zijn als er bij de cliënt sprake is van een grote onvoorspelbaarheid van gedrag, waardoor er niet of nauwelijks volgens protocollen en 31

richtlijnen kan worden gehandeld. Zeer intensieve begeleiding betekent minimaal 18 uren begeleiding per week. Artikel 3.11.5 BW Ondersteuning maatschappelijke deelname (OMD) 1. De component OMD betreft het bieden van een structurele en zinvolle daginvulling op basis van een welomschreven doel, waar mogelijk gericht op werk of opleiding en bijdragend aan het creëren van dagstructuur. Hierbij wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van algemene voorzieningen. Daarnaast dient de dagbesteding passend te zijn. Dit betekent een goede afweging tussen de wensen van de cliënt tegenover de doelmatigheid voor de aanbieder, voldoende deskundige begeleiding op de dagbestedingslocatie (aangevuld met informele hulp) en afgestemd op de individuele begeleidingsdoelstellingen. Gezamenlijke groepsmomenten vallen hier niet onder. 2. De component OMD wordt ingezet indien de cliënt niet in staat is tot maatschappelijke participatie waaronder een vorm van studeren of (vrijwilligers)werk (niet uitputtend). 3. De component OMD wordt als onderdeel van opvang en wonen geregeld door de zorgaanbieder die daarbij zoveel mogelijk gebruik maakt van algemene voorzieningen en de mogelijkheden van de cliënt om als vrijwilliger, in arbeidsmatige werkprojecten of in een beschutte omgeving werkzaamheden te verrichten.

Hierbij zullen ook het welzijnswerk en vrijwilligersorganisaties betrokken worden alsmede participatie initiatieven. Artikel 3.11.6 Component toeslag bijzondere omstandigheden Er kunnen zich omstandigheden rond de zorg, de begeleiding, de dagbesteding en/of het verblijf van een cliënt beschermd wonen voordoen waarin voorgaande componenten niet voorzien. Is dit het geval dan kan in uitzonderingsgevallen een toeslag bijzondere omstandigheden worden toegekend. De aanbieder dient hiertoe een onderbouwde aanvraag in bij het Cimot waarin wordt toegelicht waarom de specifiek te nemen extra maatregel of te bieden zorg nodig is. De hoogte van deze toeslag wordt bepaald door de centrumgemeente Almelo. Artikel 3.11.7 BW licht verstandelijk beperkten (LVB 18+) 1. De doelgroep LVB 18+ betreft meerderjarigen met een lichte verstandelijke beperking (IQ 50-85 met problemen in de sociale redzaamheid) en een tijdelijke behoefte aan een beschermende woonomgeving. 2. Om in aanmerking te komen voor een tijdelijk verblijf, op basis van een licht verstandelijke beperking, dient er sprake te zijn van een combinatie van onderstaande factoren. 3. Dit is aan de orde als de cliënt: • Meerderjarig is (18 jaar of ouder); • Een licht verstandelijke beperking heeft (of een vermoeden daarvan), dat wil zeggen een IQ tussen de 50 en 85 met een beperkt sociaal aanpassingsvermogen en bijkomende problematiek (bv.

verslavingsproblematiek en/of schulden); • Tijdelijk een beschermende woonomgeving nodig heeft omdat de cliënt leerbaar is, of omdat op dit moment nog niet kan worden vastgesteld dat de behoefte aan toezicht en begeleiding blijvend is; • Een beschermende woonomgeving nodig heeft om verslechtering van de situatie te voorkomen en/of verbetering te bereiken. Ambulante begeleiding en dagbesteding zijn hiervoor onvoldoende. De cliënt heeft een woonomgeving nodig heeft, waar toezicht en begeleiding aanwezig of in de nabijheid is. Hierbij kan er een combinatie van onderstaande factoren zijn: o De cliënt kan niet zelfstandig structuur aanbrengen in het dagelijks leven; o De cliënt heeft ondersteuning nodig in het organiseren en/of uitvoeren van activiteiten die participatie bevorderen; o De cliënt heeft begrenzing in gedrag nodig ter voorkoming van overlast en/of verwaarlozing; o De cliënt loopt een hoog risico op decompensatie en complicaties die kunnen leiden tot risicovolle situaties; o De cliënt bezit zeer beperkte adl-vaardigheden; o De cliënt is niet in staat om eigen financiën te beheren waardoor inkomsten en uitgaven in onbalans zijn. 4. Hierboven gaat het er om dat tijdelijk behoefte is aan een beschermende woonomgeving. Als het erop lijkt dat de cliënt langdurig een beschermende woonomgeving nodig heeft en zijn/haar

32

beperkte IQ de oorzaak is van zijn problematiek, dan kan hij/haar aangemeld worden voor een Wlz-indicatie bij het CIZ. Artikel 3.11.8 Omvang en ondersteuningsbehoefte doelgroep LVB Het beoordelen van de omvang en de noodzaak van de ondersteuningsbehoefte vertoont gelijkenis met de voorziening beschermd wonen. Voor de toeleiding en de toegang tot deze voorziening wordt aangesloten bij het systeem dat gehanteerd wordt voor de voorziening beschermd wonen. Artikel 3.11.9 Op- en afschalen van BW zorg 1. De doelstelling bij beschermd wonen is om de voorziening zo kort en zo licht mogelijk in te zetten waar mogelijk (en zwaarder waar nodig). Alle voorzieningen zijn gericht op verbeteringen c.q. het wegnemen van belemmeringen en doorstroom naar een meer zelfstandige vorm van wonen. Dit vraagt om een goede verbinding tussen beschermd wonen en de maatwerkvoorzieningen van de Wet maatschappelijke ondersteuning om tijdig te kunnen op- en afschalen. 2. Afspraken bij het op- en afschalen van BW zorg: a. Voorzorg/overbruggingszorg: wanneer een cliënt een geldige indicatie voor de voorziening beschermd wonen heeft, maar nog niet in een accommodatie van een instelling woont, wordt de zorg geleverd vanuit de lokale maatwerkvoorzieningen.

(maatwerk - bij specifieke gevallen waarbij het noodzakelijk is dat de voorzorg vanuit de beschermd wonen instelling wordt geleverd, kan de voorzorg vanuit beschermd wonen worden toegekend); b. Nazorg: wanneer een cliënt uitstroomt naar een zelfstandige woning, maar deze nog niet beschikbaar is, kan dit een verlenging van de beschermd wonen indicatie betekenen, totdat de ambulante woonbegeleiding kan worden ingezet; c. Ambulante woonbegeleiding tot 1 jaar na uitstroom om te borgen dat de cliënt na de overstap naar een eigen woning goed huurderschap vertoont en zichzelf goed kan redden, wordt er vanuit de lokale maatwerkvoorziening minimaal 1 jaar (woon)begeleiding ingezet. Artikel 3.11.10 Uitstroom BW Een cliënt met de voorziening beschermd wonen kan uitstromen naar zelfstandig wonen met ambulante begeleiding (minimaal 1 jaar) via het uitstroomtraject beschermd wonen, indien de cliënt voldoet aan de volgende voorwaarden: a. Er moet sprake zijn van daadwerkelijk kunnen uitstromen naar zelfstandig wonen met akkoord van de coach; b. De cliënt moet ingeschreven staan bij de woningcorporatie; c. Er moet sprake zijn van binding met de (toekomstige) woongemeente en woningcorporatie. Artikel 3.11.11 Kwaliteitseisen BW 1. De (Pgb-)aanbieder beschermd wonen zorgt voor een goede kwaliteit van de op het individu toegesneden voorzieningen, verstrekt op grond van de Wet door: a.

Inachtneming van het bepaalde in artikel 4.1 van deze beleidsregels; b. Het opstellen van een ondersteuningsplan per cliënt (bevat behoeften, doelen, afgesproken inzet, wijze van evalueren en evaluatiemomenten); c. Het periodiek evalueren en rapporteren van de vooruitgang per cliënt op basis van het ondersteuningsplan; d. Erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van de beschermd wonen voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard, adequaat zijn opgeleid en aantoonbaar regelmatig relevante bijscholing volgen. Voor OZL en OMD beschermd wonen wordt een afgeronde opleiding in de zorg op minimaal MBO-4 niveau verlangd, waarbij bij specifieke problemen of gedrag van cliënten een beroep kan worden gedaan op een gedragsdeskundige met een afgeronde opleiding op minimaal Hbo-niveau. Voor beschermd wonen geldt verder dat de beroepskrachten aantoonbaar regelmatig relevante bijscholing volgen; e. Te waarborgen dat alle werknemers ten behoeve van beschermd wonen in het bezit zijn van een verklaring omtrent gedrag (VOG) welke niet eerder is afgegeven dan 3 maanden voor het tijdstip waarop de medewerker in dienst is getreden bij de desbetreffende aanbieder. Daarnaast is de VOG niet langer dan 3 jaar geleden afgegeven; f.

Te waarborgen dat zorg en ondersteuning 24 uur per dag 7 dagen in de week bereikbaar en beschikbaar is; g. Bij OZL standaard en intensief te waarborgen dat de aanrijtijd van 15 minuten gehaald wordt;

33

h. Het zorgvuldig melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij het Cimot en de toezichthouder calamiteit en geweld en het registreren van incidenten; i. Het vaststellen en hanteren van de meldcode waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan; j. Het opstellen van kwaliteitsbeleid en het beschikken over een kwaliteitssysteem; k. Het registreren van de door de ingezette zorgverlener geleverde zorguren en zorgmomenten ten behoeve van de toezichthoudende rol uit artikel 5 van de Algemene subsidieverordening gemeente Almelo 2013. Artikel 3.12 Maatschappelijke opvang 1. Onder maatschappelijke opvang wordt verstaan: onderdak en begeleiding voor personen die de thuissituatie hebben verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 2. De doelgroep van opvang is niet beperkt tot ingezetenen van de gemeente. Daar waar het de opvang betreft, kunnen ingezetenen van elke Nederlandse gemeente zich tot elk college wenden (landelijke toegankelijkheid). Wel wordt opvang bij voorkeur verstrekt waar een opvangtraject en bijbehorende ketenbenadering voor betrokkene de meeste kans van slagen heeft.

De Wmo 2015 spreekt ook van een ‘passende bijdrage’ aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan opvang (artikel 2.3.5 lid 4 Wmo 2015). Daarbij kan bijvoorbeeld meespelen het aspect van de afwezigheid van een netwerk in de gemeente waar de cliënt zich heeft gemeld en de beschikbaarheid daarvan in een andere gemeente. Is het college van oordeel dat de opvang en het bijbehorende traject meer kans van slagen heeft in een andere gemeente, dan is het college tot welke iemand zich heeft gewend, verantwoordelijk voor een ‘warme’ overdracht naar de andere gemeente. 3. Opvang kan noodzakelijk zijn wanneer de cliënt door ernstige relationele problemen of in verband met risico’s voor zijn/haar veiligheid (bijv. in verband met huiselijk geweld) de thuissituatie met grote spoed heeft moeten verlaten en nog niet gegarandeerd is dat de thuissituatie weer veilig is of dat de cliënt ergens anders veilig kan wonen. Ook wanneer iemand door andere dan relationele problemen de thuissituatie heeft verlaten en het hem/haar niet lukt voor zichzelf onderdak te regelen (denk aan iemand die uit huis is gezet vanwege grote schulden), is aan de voorwaarde voor opvang voldaan. 4. Wanneer het gaat om personen die de thuissituatie hebben verlaten om op vakantie of op avontuur te gaan of op zoek te gaan naar werk, wordt geen maatschappelijke opvang verstrekt.

Van zulke personen wordt verwacht dat zij zelf zorgen voor onderdak. 5. Met opvang wordt zowel maatschappelijke opvang als vrouwenopvang bedoeld. De vrouwenopvang is uitgebreid tot andere personen die wegens relationele problemen of geweld in de thuissituatie onderdak en begeleiding behoeven. De vrouwenopvang wordt voor de Twentse gemeenten geregeld door de gemeente Enschede. 6. Gemeenten kunnen opvang van vreemdelingen die rechtmatig in ons land verblijven weigeren als zij: a. Minder dan 3 maanden in ons land aanwezig zijn; of b. Na 3 maanden nog werkzoekend zijn. 7. De weigeringsgrond vermeld in lid 6 is niet van toepassing op opvang in verband met risico's voor de veiligheid van de belanghebbende als gevolg van huiselijk geweld. 8. In de situatie dat er geen sprake is van dakloosheid of een concrete dreiging van dakloosheid, is het college niet gehouden om opvang te bieden op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning. Hoofdstuk 4 Kwaliteit ondersteuning Artikel 4.1 Kwaliteit van de ondersteuning 1. De zorgverlener draagt er zorg voor dat de ondersteuning van goede kwaliteit is, conform de in de Wet en verordening gestelde (kwaliteits-)eisen. Een voorziening wordt in elk geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht verstrekt.

Dat wil zeggen: • Veilig: de relatie tussen cliënt en zorgverlener is voor de cliënt vertrouwd en stabiel, de privacy wordt in acht genomen en de zorgverlener onderneemt actie bij gesignaleerde onveiligheid in de situatie van de cliënt; • Doeltreffend (effectief): de zorgverlener heeft de vereiste kennis, houding en vaardigheden om passende ondersteuning in te zetten bij de betreffende doelgroep, is aantoonbaar gericht op het behalen van resultaten, werkt waar nodig samen met andere hulpverleners en derden, zo nodig, in overleg met de cliënt;

34

•

Doelmatig (efficiënt) en cliëntgericht: de intensiteit en hoeveelheid ondersteuning is afgestemd op de persoonlijke situatie van de cliënt en hierin wordt de noodzaak van de ondersteuning vastgesteld; • Het bereiken van het doel wordt behaald met zo weinig mogelijk middelen. 2. De ondersteuning is door de (Pgb-)aanbieder afgestemd op de door het college noodzakelijk geachte ondersteuningsbehoefte van de cliënt en op andere vormen van ondersteuning of hulp die de cliënt ontvangt om ondoelmatigheden te voorkomen. Artikel 4.2 Screening 1. (Pgb-)aanbieders kunnen door het college worden gescreend op gestelde kwaliteitseisen. Deze screening kan bestaan uit: a. Het door een (Pgb-)aanbieder laten overleggen van schriftelijke bewijsstukken die aantonen dat hij/zij aan de geschiktheidseisen en/of kwaliteitseisen voldoet waaronder Verklaring omtrent Gedrag (VOG), diploma’s en kwaliteitscertificaten; b. Het doen van onderzoek in open dan wel gesloten bronnen; c. Het uitvoeren van integriteitsbeoordeling op grond van de Wet Bibob. Artikel 4.3 Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) 1. Om de veiligheid van ondersteuningsvragers te waarborgen moet degene die de ondersteuning levert en in contact komt met de cliënt, beschikken over een VOG met screeningsprofiel 45 ‘gezondheidszorg en welzijn van mens en dier’. 2.

Als de ondersteuning wordt geboden door een persoon uit het sociale netwerk, kan ervoor worden gekozen geen VOG te eisen. Bij directe familie (familie in de eerste of tweede graad) zal dit eerder het geval zijn dan bij personen die verder van de ondersteuningsvrager afstaan (denk bijvoorbeeld aan kennissen) die ondersteuning bieden. 3. Bij de aanvraag voor ondersteuning in de vorm van een Pgb verstrekt de cliënt een VOG van de directe en vervangende zorgverlener. De VOG dient op het moment van de aanvraag niet langer dan 3 jaar geleden te zijn afgegeven. Artikel 4.4 Inzet van personeel en vrijwilligers 1. De inzet van vrijwilligers is toegestaan, aanvullend op de inzet van een gekwalificeerde medewerker. De inzet van een vrijwilliger in plaats van een gekwalificeerde medewerker is niet toegestaan. Voor wat betreft de kwaliteitseisen aan de in te zetten zorgverlener gelden de in de Wet en verordening gestelde (kwaliteits-)eisen, waaronder deskundigheidseisen. 2. Voor de inzet van personeel en vrijwilligers gelden de volgende voorwaarden: a. Het in te zetten personeel dat in loondienst van de (professionele) aanbieder is, moet uitbetaald worden conform de voor (professionele) aanbieder geldende CAO; b.

Vermoedt de Nederlandse Arbeidsinspectie dat een (Pgb-)aanbieder een CAO niet naleeft, dan geeft zij dit door aan een bij de Wmo 2015 betrokken organisatie van werkgevers en werknemers. Daarop zal het college actie ondernemen naar de (professionele) aanbieder; c. De (professionele) aanbieder beschikt over voldoende ervaren, gekwalificeerd personeel om cliënten te begeleiden en te ondersteunen, passend bij de complexiteit en aard van de problematiek van de cliënt; d. Het in te zetten personeel van de (professionele) aanbieder, dat beroepsmatig in contact komt met cliënten aan wie ondersteuning wordt geboden, is tenminste in het bezit van de opleiding, certificeringen, (geldige) registratie en bekwaamheid, welke wettelijk gesteld worden aan het uitvoeren van de werkzaamheden, en die aansluiten bij de specifieke kenmerken van de cliënt. Voor wat betreft de kwaliteitseisen wordt aangesloten bij de Wet, hoofdstuk 4 van de verordening en de kwaliteitseisen opgenomen in de contracten met de aanbieders; e. Personeel en vrijwilligers van de (professionele) aanbieder hebben respect voor de cliënt ongeacht afkomst, cultuur, religie en seksuele geaardheid dan wel andere persoonlijke voorkeuren of opvattingen. De (professionele) aanbieder staat ervoor in dat discriminatie van cliënten door eigen medewerkers niet plaatsvindt.

Ook zorgt de aanbieder ervoor dat discriminatie van personeelsleden binnen de organisatie, alsook bij werving en selectie evenmin plaatsvindt; f. De medewerker staat open voor interactie waarbij de dialoog over de wijze van ondersteuning aan de cliënt centraal staat; g. De medewerker blijft binnen de grenzen van zijn of haar bekwaamheid en bevoegdheid; h. De ondersteuning aan de cliënt wordt zoveel mogelijk geboden door vaste medewerkers;

35

i.

Alle medewerkers die direct contact hebben met cliënten beheersen de Nederlandse taal in woord en geschrift; j. De (professionele) aanbieder beschikt over een vrijwilligersbeleid (wanneer gebruik gemaakt wordt van de inzet van vrijwilligers) en waarborgt daarin de continuïteit, veiligheid, kwaliteit van de ondersteuning, deskundigheid en waardering wanneer vrijwilligers bij de ondersteuning ingezet worden; k. Vrijwilligers krijgen een vrijwilligerscontract en zijn voldoende opgeleid voor hun taak; l. Vrijwilligers die in contact komen met cliënten dienen eveneens een VOG te bezitten. Deze verklaring dient specifiek voor de betreffende functie bij de (professionele) aanbieder te zijn afgegeven. De VOG is niet eerder afgegeven dan 3 maanden voor het tijdstip waarop de vrijwilliger voor de aanbieder ging werken. m. Na de start als vrijwilliger draagt de (professionele) aanbieder er zorg voor dat voor de vrijwilliger ten minste eenmaal per 3 jaar een nieuwe VOG wordt aangevraagd en verkregen. Artikel 4.5 Risico’s voor de kwaliteit van zorg 1. Het college houdt toezicht op de kwaliteit van zorg richting cliënten. 2. Van een gevaar voor de kwaliteit van de zorg is onder andere sprake indien: a. De kwaliteitseisen door (Pgb-)aanbieders niet in acht worden genomen; b.

De (Pgb-)aanbieder werkt met personeel dat niet of onvoldoende is opgeleid voor de te verzorgen maatwerkvoorziening; c. Personeel niet wordt uitbetaald volgens de van toepassing zijnde CAO; d. Het ontbreken van een volledig geïntegreerd kwaliteitssysteem en/of kwaliteitshandboek dat voldoet aan de landelijke eisen; e. Aan bestuurders of andere personeelsleden betalingen worden verricht die hoger zijn dan wat de Wet Normering Topinkomens en de regeling bezoldigingsmaxima topfunctionarissen zorg en jeugdhulp toestaat; f. Aan bestuurders, toezichthouders, aandeelhouders, personeelsleden of derden leningen worden verstrekt die geen verband houden met de te leveren zorg en/of niet verstrekt zijn met zekerheidsstelling en tegen marktconforme rente en voorwaarden; g. De (Pgb-)aanbieder vastgoed huurt van bestuurders, toezichthouders, aandeelhouders, personeelsleden of derden tegen voor de regio en de branche niet marktconforme voorwaarden; h. De (Pgb-)aanbieder diensten of leveringen afneemt van bestuurders, toezichthouders, aandeelhouders, personeelsleden of derden tegen voor de branche niet marktconforme voorwaarden; i. De (Pgb-)aanbieder management-, consultatie- of franchisevergoedingen afdraagt aan bestuurders, toezichthouders, aandeelhouders, personeelsleden of derden tegen voor de branche niet marktconforme voorwaarden; j.

De (Pgb-)aanbieder op enige andere wijze bedragen onttrekt aan de bedrijfsvoering op een voor de branche niet gebruikelijke, niet integere, dan wel niet marktconforme wijze. Hieronder wordt in ieder geval verstaan het realiseren van een marge of winstpercentage van meer dan 5%. Artikel 4.6 Onvoldoende kwaliteit 1. Als het niet voldoen aan de kwaliteitseisen gevolg is van verwijtbaar handelen of er is sprake van voortdurende wanprestatie dan zal het college daartoe maatregelen of sancties treffen, zoals opgenomen in de overeenkomst met de aanbieder en/of de Wet. 2. Indien de (Pgb-)aanbieder niet voldoet aan de gestelde voorwaarden, waardoor het college de kwaliteit van de ondersteuning niet meer kan waarborgen, zal het college de voorziening van de cliënt herzien naar een andere zorgverlener. Het college gaat samen met de cliënt op zoek naar een passende zorgverlener. 3. Het college kan de Pgb-aanbieder die niet aan de aan het Pgb verbonden voorwaarden en (kwaliteits-)eisen voldoet, een schriftelijke waarschuwing geven, waarin de Pgb-aanbieder verzocht wordt om binnen een redelijke termijn de gebreken te herstellen. Indien de Pgbaanbieder deze gebreken niet of niet tijdig herstelt, dan zal het college de Pgb-aanbieder niet (langer) meer accepteren in het kader van een Pgb. Artikel 4.7 Meldingsplicht en inlichtingenplicht 1.

Het college gaat uit van continuïteit van de dienstverlening. Wanneer de (Pgb-)aanbieder de afgesproken prestaties niet of vertraagd uitvoert, meldt zij dat per direct aan het college. 36

2. Een rapportage van de Inspectie van de Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) dient door de (Pgb-)aanbieder te worden gedeeld met het college. 3. Afhankelijk van de situatie gaat het college met de (Pgb-)aanbieder in gesprek om tot een oplossing te komen om de eventuele negatieve maatschappelijke effecten van de prestaties van de (Pgb-) aanbieder te voorkomen of te minimaliseren. 4. De cliënt doet, op grond van artikel 6.7 van de verordening, het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging melding van alle feiten en omstandigheden waarvan hem/haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van de beslissing tot toekenning van de individuele voorziening of het Pgb. Artikel 4.8 Materiële controle en onderzoek 1. Het college stelt de volgende eisen inzake materiële controle en onderzoek naar misbruik en/of oneigenlijk gebruik: a. Het college is gerechtigd tot materiële controle en tot onderzoek naar misbruik en/of oneigenlijk gebruik en dit, te verrichten op de wijze zoals aangeduid in hoofdstuk 6 van de Wmo 2015; b. De gemeenten zijn gehouden eerst de lichtste instrumenten ter controle van gedeclareerde ondersteuning in te zetten – statistische analyse, AO/IC-of bestuurdersverklaring, verbandcontrole – alvorens zwaardere controle-instrumenten als detailcontrole toe te passen; c.

Detailcontrole in opdracht van het college mag uitsluitend worden uitgevoerd onder de verantwoordelijkheid van een ter zake deskundige met een beroepsgeheim. 2. Het college mag in elk geval niet meer gegevens (doen) verzamelen dan, gelet op het onderzoeksdoel en de omstandigheden van het geval, noodzakelijk is. 3. De zorgverlener is gehouden kosteloos medewerking te verlenen aan (materiële) controle welke met inachtneming van voorgaande leden wordt uitgevoerd.

Hoofdstuk 5 Ondersteuning in zorg in natura of Pgb Artikel 5.1 Vormen van ondersteuning 1. Een maatwerkvoorziening kan worden verstrekt in zorg in natura (ZIN), als financiële tegemoetkoming of in de vorm van een Pgb. 2. Uitgangspunt is dat een cliënt een maatwerkvoorziening in zorg in natura krijgt. De cliënt kan gemotiveerd verzoeken om een Pgb. 3. Per voorziening kan alleen voor twee verschillende vormen worden gekozen als de ondersteuning wordt geboden door verschillende zorgverleners. Zo moet de cliënt voor bijvoorbeeld begeleiding van één zorgverlener kiezen tussen óf zorg in natura óf een Pgb. Bij twee verschillende maatwerkvoorzieningen of twee verschillende zorgverleners kan de cliënt wel de één in natura en de ander met een Pgb ontvangen. Artikel 5.2 Verstrekking zorg in natura 1. Uitgangspunt is dat, rekening houdend met de keuzemogelijkheid, wensen en persoonlijke voorkeuren die de cliënt heeft, een passende zorg in natura (ZIN) aanbieder wordt aangedragen. 2. Indien de cliënt, ook na rappel, geen voorkeur voor een zorgverlener aangeeft of wil geven, zal de coach die de aanvraag in behandeling heeft, een aanbieder selecteren die op basis van het onderzoek het best aansluit bij de cliënt en zijn/haar ondersteuningsbehoefte. 3.

De coach meldt de cliënt aan bij de aanbieder van diens keuze en vermeldt daarbij, naast de NAW-gegevens, voor welke maatwerkvoorziening de cliënt in aanmerking komt, op welke grondslag, de omvang van de verstrekking en de geldigheid daarvan. 4. Voor degenen aan wie een maatwerkvoorziening in de vorm een collectieve Regiotaxipas wordt verstrekt, heeft het college een contract gesloten met een taxivervoerbedrijf. De coach meldt de cliënt aan bij dit taxivervoerbedrijf en vermeldt daarbij, naast de NAW-gegevens, voor welk vervoer de cliënt in aanmerking komt, of er begeleiding noodzakelijk is tijdens de rit en er nog andere aandachtspunten afgestemd op de persoonskenmerken van de cliënt zijn of bijvoorbeeld het vervoer met een rolstoel. 5. Voor degenen aan wie een maatwerkvoorziening in de vorm een hulpmiddel verstrekt wordt, heeft het college een contract gesloten met een hulpmiddelenleverancier. De coach meldt de cliënt aan bij de leverancier en vermeldt daarbij, naast de NAW-gegevens, voor welke maatwerkvoorziening de cliënt in aanmerking komt en welk programma van eisen noodzakelijk is. 6. Voor degenen aan wie een maatwerkvoorziening in de vorm een woningaanpassing wordt verstrekt heeft het college een contract gesloten met een aannemer en een trapliftenleverancier. De coach meldt de cliënt aan bij de leverancier en vermeldt daarbij, naast de NAW-gegevens, 37

voor welke maatwerkvoorziening de cliënt in aanmerking komt en welk programma van eisen noodzakelijk is. Indien van toepassing wordt gerefereerd aan een uitgebrachte offerte. 7. Onderhoud en reparaties aan alle Wmo-voorzieningen die in natura zijn wordt verstrekt, verzorgd door de leverancier. Bij opzettelijke schade of vernietiging kan de schade worden verhaald op de gebruiker. Voorzieningen die door het college in bruikleen verstrekt worden, blijven eigendom van de leverancier. De kosten van de verzekering zijn verdisconteerd in de bruikleenkosten. Artikel 5.3 Verstrekking in een Persoonsgebonden budget (Pgb) 1. Een verstrekking in de vorm van een Pgb vindt plaats indien aan de in artikel 2.3.6 lid 2 gestelde voorwaarden van de Wet is voldaan. 2. Op grond van de Wet dient door de cliënt gemotiveerd te worden dat deze een maatwerkvoorziening in de vorm van een Pgb wil ontvangen. De cliënt moet op het aanvraagformulier motiveren dat de ondersteuning, die wordt ingekocht met een Pgb, minimaal tot een gelijkwaardig of een beter resultaat leidt dan de ondersteuning die in natura wordt verstrekt. 3. De cliënt koopt met het Pgb zelf de benodigde ondersteuning in en is daarmee ook zelf verantwoordelijk voor de kwaliteit van de ondersteuning. Artikel 5.3.1 Pgb-beheer 1.

Om ondersteuning te kunnen inkopen met een Pgb moet de cliënt en/of Pgb-beheerder zelfstandig tot een redelijke waardering van zijn/haar belangen in staat zijn en de aan een Pgb verbonden taken adequaat kunnen uitvoeren. De cliënt dient te voldoen aan de voorwaarden, zoals omschreven in artikel 5.2 van de verordening. 2. De cliënt en/of Pgb-beheerder moet, in het kader van de redelijke waardering van belangen, duidelijk kunnen maken wat de hulpvraag van de cliënt is, hoe de hulpvraag is ontstaan en welke ondersteuning de cliënt nodig heeft om de hulpvraag op te lossen. 3. Onverminderd het bepaalde in lid 2 wordt van de cliënt en/of de Pgb-beheerder verwacht dat zij de aan het Pgb verbonden taken op een verantwoorde wijze kunnen uitvoeren. Bij deze taken kan gedacht worden aan: a. Het kiezen van een zorgverlener die in de zorgvraag voldoet; b. Het aangaan van een contract (ook prijsafspraken maken); c. Het in de praktijk aansturen van de zorgverlener; d. Het bijhouden van een juiste administratie; e. Inzicht hebben in de gefactureerde en gedeclareerde bedragen; f. Verantwoording kunnen afleggen over de gedeclareerde bedragen; g. Kunnen aangeven of met de inkoop van de ondersteuning de gestelde doelen zijn behaald; h. Kunnen aangeven of de kwaliteit van de geboden ondersteuning voldoende is en hiermee de gestelde doelen kunnen worden behaald.

De vaardigheden waarover de cliënt en/of de Pgb-beheerder moet beschikken staan vermeld in bijlage 3. van de verordening. 4. Indien een cliënt niet zelfstandig zijn belangen kan behartigen en de aan een Pgb verbonden taken kan uitoefenen kan de cliënt zich laten vertegenwoordigen door een Pgb-beheerder. Het Pgb-beheer mag worden uitgevoerd door een persoon uit de directe vertrouwde omgeving van de cliënt. De Pgb-beheerder moet, onverminderd het bepaalde in dit artikel, voldoen aan de eisen, zoals gesteld in artikel 5.2 van de verordening. 5. Het juist behartigen van de belangen van de cliënten en het uitvoeren van de aan een Pgb verbonden taken kan alleen plaatsvinden indien de Pgb-beheerder voldoende fysiek aanwezig is en op redelijke afstand woont. De Pgb-beheerder moet voldoende tijd besteden aan het signaleren van de hulpvraag, het controleren van de (kwaliteit van de) ondersteuning, het aansturen van de zorgverlener en het bijhouden van een juiste administratie. 6. Bij een aanvraag krijgt de cliënt in totaal twee keer de mogelijkheid om een geschikte Pgbbeheerder aan te dragen. De cliënt dient vooraf goed te overwegen wie geschikt is als Pgbbeheerder, zodat wordt voorkomen dat ieder willekeurig persoon in de omgeving van de cliënt als Pgb-beheerder aangedragen wordt.

Indien de cliënt geen geschikte personen heeft aangedragen dan is het college van mening dat een Pgb niet passend is voor de cliënt. De aanvraag voor ondersteuning in de vorm van een Pgb zal worden afgewezen. De cliënt kan in die gevallen ondersteuning in natura ontvangen. 7. Er wordt in beginsel een maximum van 3 cliënten per Pgb-beheerder gehanteerd. Het is van belang dat een Pgb-beheerder de cliënt goed kent om deze te kunnen aansturen in zijn/haar eigen regie als de cliënt daar zelf geen inhoud aan kan geven. De Pgb-beheerder moet de bedoelingen en behoeften van de cliënt kunnen omzetten naar gepaste ondersteuning. De Pgb38

beheerder maakt bij voorkeur onderdeel uit van het netwerk van de cliënt en is een natuurlijk persoon. Indien een Pgb-beheerder van mening is dat overschrijding van de maximumnorm in zijn of haar geval verantwoord is, dan kan hij/zij dit motiveren en wordt per geval bekeken en beoordeeld of afwijking van de norm verantwoord is. 8. De communicatie tussen het college en de cliënt verloopt voornamelijk via de cliënt en/of de Pgbbeheerder. De cliënt onderhoudt zelf het contact met de coach en andere medewerkers van het college. Indien de cliënt hier niet toe in staat is, dan kan de Pgb-beheerder het woord namens de cliënt voeren. Het uitgangspunt is – gelet op de mogelijke belangenverstrengeling - dat de Pgbaanbieder niet namens de cliënt het woord kan voeren. Artikel 5.3.2 Pgb-vaardigheid 1. Een cliënt en/of Pgb-beheerder wordt niet in staat geacht de aan een Pgb verbonden taken verantwoord uit te voeren indien bij hem/haar sprake is van een of meerdere van de volgende omstandigheden: a. Schuldenproblematiek Schuldenproblematiek maakt de kans groot en aannemelijk dat cliënt en/of Pgb-beheerder voor het beheren van een Pgb belangrijke financiële vaardigheden en verantwoordelijkheden mist. Het is daarom niet wenselijk dat een cliënt en/of Pgb-beheerder, zolang hij zijn/haar financiële zaken niet goed en zelfstandig op orde heeft, zelf een Pgb beheert.

Signalen die kunnen wijzen op schulden bij de cliënt (of zijn/haar Pgb-beheerder), zijn bijvoorbeeld dat de cliënt zelf aangeeft dat er (verwijtbare) schulden zijn, cliënt in de schuldsanering zit, onder bewindvoering staat, dan wel een indicatie heeft gekregen voor ondersteuning bij de administratie, zonder een Pgb-beheerder te hebben; b. Verslavingsproblematiek Verslavingsproblematiek bij een cliënt en/of Pgb-beheerder maakt dat deze vanwege de verslaving niet in staat is regie te voeren over zijn/haar eigen leven, laat staan over een Pgb. Ook de omstandigheid van een problematische ex-verslaving of de omstandigheid dat de cliënt bezig is de verslaving de baas te worden maakt dat de cliënt en/of Pgb-beheerder minder in staat geacht wordt om regie te voeren over zijn/haar eigen leven, of over een Pgb. Bij vermoedens van ernstige verslaving kan daar in het onderzoek nader onderzoek naar gedaan worden, bijvoorbeeld door het opvragen van een medische verklaring dan wel inschakeling van het verslavingsteam. Signalen die kunnen wijzen op verslavingsproblematiek bij de cliënt, zijn bijvoorbeeld dat dit onderdeel is van de melding en uit het onderzoek komt, of dat cliënt verslaving gerelateerd gedrag vertoont; c.

Aangetoonde fraude begaan in de 4 jaar voorafgaand aan de aanvraag Wanneer een cliënt eerder frauduleus heeft gehandeld, op welk terrein dan ook, is het aannemelijk dat de verleidingsrisico’s bij het verstrekken van een Pgb te groot zijn. Dit geldt te meer indien de cliënt, dan wel Pgb-beheerder, dan wel het bedrijf waar de Pgbbeheerder werkt, eerder betrokken is geweest bij Pgb-fraude; d. Aanwezigheid van cognitieve kwetsbaarheden: Er is sprake van moeite met concentratie en aandacht en/of een laag zelfbeeld: soms zijn er bijkomende lichamelijke en/of sociale problemen ofwel is er een kwetsbare gezondheid die zonder ondersteuning- participatie en/of zelfredzaamheid in de weg staat. Er kan ook sprake zijn van een vastgestelde, al dan niet blijvende, cognitieve stoornis. Wanneer dit het geval is, is het aannemelijk dat cliënt de regie over zijn/haar leven (tijdelijk) niet in de hand heeft. Voorbeelden van blijvende cognitieve stoornissen zijn de diverse vormen van dementie en niet aangeboren hersenletsel (NAH); e. Een psychiatrisch ziektebeeld Bij GGZ-problematiek die aanwezig is, is de kans groot dat het vrijwel onmogelijk is voor de cliënt om op stabiele en consistente wijze de regie te kunnen voeren over een Pgb. Met name de beoordeling of de geleverde zorg doeltreffend en professioneel is, zal ingewikkeld zijn.

Dat maakt dat er een verhoogd risico is op niet wenselijke afhankelijkheidsrelaties tussen de cliënt en de Pgb-aanbieder; f. Het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift Het beheren van een Pgb is niet mogelijk wanneer cliënt en/of Pgb-beheerder de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst. Het voldoende kunnen begrijpen (en dus kunnen lezen) van alle voorwaarden en eisen ten aanzien van een Pgb zijn niet mogelijk bij onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal. Ook het opstellen en afsluiten van bijvoorbeeld zorgovereenkomsten is dan buiten bereik. Hiervan afgeleid kan tevens worden gesteld dat 39

2. 3. 4. 5.

6. 7.

8.

men voldoende kennis dient te hebben van de Nederlandse samenleving, zodat men bijvoorbeeld de vraag kan beantwoorden wat de SVB is en doet in relatie tot het Pgb; g. De vaardigheden zijn omschreven in bijlage 3. van de verordening Er kunnen, naast de in dit artikel genoemde omstandigheden, ook twijfels zijn op andere gronden over de Pgb-vaardigheid van de cliënt, dan wel Pgb-beheerder, waardoor sterk de indruk bestaat dat de cliënt niet in staat is om een Pgb te beheren. Voor de doelgroep van beschermd wonen en maatschappelijke opvang geldt in zeer veel gevallen dat zij voor het adequaat beheren en correct besteden van een Pgb niet altijd zelf over de daarvoor benodigde kennis en vaardigheden beschikken. Een cliënt die aangewezen is op beschermd wonen wordt daarom in beginsel niet Pgb-vaardig geacht. Indien de cliënt ondersteuning wenst in te kopen bij een (Pgb-) aanbieder waar een familielid eigenaar of werkzaam is, dan moet beoordeeld worden of sprake is van een financieel belang wat kan leiden tot belangenverstrengeling. Indien de ondersteuning wordt verleend door een professional, niet zijnde een familielid, dan kan een familielid het Pgb beheren. Indien de ondersteuning wordt verleend door een familielid, dan wordt dit aangemerkt als informele ondersteuning.

Indien de informele aanbieder de zorg verleent dan kan het Pgb beheerd worden door de cliënt en of een Pgb-beheerder. Indien de mentor, curator of bewindvoerder het Pgb gaat beheren is het van belang dat alle taken, zoals omschreven in artikel 5.2 van de verordening, met betrekking tot het beheren van het Pgb worden uitgevoerd. De bewindvoerder neemt niet enkel de administratie van de cliënt over. De belangen van de cliënt moeten voldoende behartigd worden en alle taken die aan een Pgb verbonden zijn, moeten worden uitgevoerd. Wel is het mogelijk dat de bewindvoerder de administratie voor zijn rekening neemt en een andere Pgb-beheerder de overige taken uitvoert. De kosten voor het Pgb-beheer mogen niet uit het Pgb betaald worden. De zorgverlener mag niet het Pgb beheren in verband met belangenverstrengeling. De Pgb-beheerder mag geen financiële relatie hebben met de zorgverlener. Hierdoor wordt immers een objectieve beoordeling van wat noodzakelijk is voor de cliënt en de aansturing van de werkzaamheden bemoeilijkt. Dit kan ten koste gaan van het bereiken van de gewenste resultaten. Zo mag de Pgb-beheerder bijvoorbeeld niet betaald worden door de zorgverlener van de betreffende cliënt. Het uitgangspunt is dat er geen belangenverstrengeling mag ontstaan. Zo mag niet een kennis of familielid van de professionele aanbieder het Pgb beheren.

Het oordeel van het college is leidend als het gaat om de Pgb-vaardigheid. Mocht het college van oordeel zijn dat de ondersteuningsvrager (dan wel met hulp uit zijn/haar sociale netwerk of van zijn/haar vertegenwoordiger) niet vaardig is dan kan het college het Pgb weigeren.

Artikel 5.3.3 Het zorgplan 1. De ondersteuning die met het Pgb wordt ingekocht moet van goede kwaliteit zijn. Er is sprake van goede kwaliteit als is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht worden verstrekt. Deze criteria zijn nader omschreven in hoofdstuk 5 van de verordening. 2. De zorgverlener maakt met de cliënt duidelijke werkafspraken over de levering van de ondersteuning, vastgelegd in een zorgplan. De basis voor het opstellen van het zorgplan is het ondersteuningsplan dat door een coach wordt opgesteld. Beoordeeld wordt of het zorgplan in ieder geval aan de volgende eisen voldoet: a. Het zorgplan wordt samen met (een wettelijk vertegenwoordiger of Pgb-beheerder van) de cliënt opgesteld; b. Het zorgplan dat de zorgverlener maakt, moet aansluiten op de doelen (resultaten) die in het ondersteuningsplan zijn geformuleerd; c. In het zorgplan moeten doelen worden opgenomen. Deze doelen moeten SMART geformuleerd worden. Dit houdt in dat de doelen specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch en tijdgebonden moeten zijn. Daarnaast zijn de doelen een concretisering van de doelen die zijn opgenomen in het ondersteuningsplan; d. De ondersteuning wordt conform het gemaakte zorgplan geboden.

Het zorgplan vertaalt de doelen omschreven in het zorgplan in concrete acties: welke concrete ondersteuning ontvangt de cliënt en op welke dagen en tijdstippen (passend in zijn dag-/weekprogramma) wordt deze geboden;

40

3. 4. 5. 6.

7. 8.

e. Het zorgplan wordt iedere 6 maanden met de cliënt en/of zijn Pgb-beheerder besproken. In het zorgplan wordt dit vastgelegd. Bijstellingen en veranderingen in het zorgplan worden schriftelijk vastgelegd; f. Het zorgplan beschrijft hoe de ondersteuning is afgestemd met eventuele mantelzorgers en hoe het eigen netwerk van de cliënt daar waar mogelijk een actieve rol speelt in het ondersteuningsproces; g. Het zorgplan dient door zowel cliënt en eventueel Pgb-beheerder als zorgverlener ondertekend te zijn. Het zorgplan wordt aan de cliënt (en eventueel zijn Pgb-beheerder) verstrekt. Indien delen van de ondersteuning worden uitgevoerd door anderen dan de zorgverlener, dan wordt dit in het zorgplan vermeld. Inzet van onderaannemers door een Pgb-aanbieder is alleen toegestaan indien het college hier schriftelijk toestemming voor heeft gegeven. Afhankelijk van de ondersteuningsvraag draagt de (professionele) aanbieder er zorg voor dat de medewerkers de veiligheid van de cliënt inschatten aan de hand van een gestandaardiseerd risicotaxatie instrument, zoals: • Het Risico taxatie-instrument Huiselijk Geweld (RIGH) of een aantoonbaar gelijkwaardig risicotaxatie instrument. Het zorgplan wordt door de zorgverlener in de Nederlandse taal opgesteld en in een helder en goed leesbaar format bijgehouden. De Pgb-aanbieder vult het format voor het zorgplan van de gemeente Almelo in.

Indien een coach hierom verzoekt, biedt de zorgverlener de coach de gelegenheid om aanwezig te zijn bij het startgesprek of bij het evaluatiegesprek met de cliënt. Tijdens het evaluatiegesprek dient het zorgplan en een evaluatieverslag aanwezig te zijn.

Artikel 5.3.4 Uitbetaling Pgb 1. In het kader van de uitbetaling van het Pgb geldt een trekkingsrecht: het budget wordt niet rechtstreeks aan de cliënt overgemaakt maar aan de Sociale Verzekeringsbank. 2. Het budget kan en mag alleen besteed worden voor de overeengekomen vorm van ondersteuning en wordt betaalbaar gesteld na het overleggen van facturen of declaraties aan de zorgverlener. 3. Een betaling op basis van een maandloon is niet toegestaan, hierdoor wordt voorkomen dat er betaald wordt voor niet geleverde ondersteuning. 4. De declaratie of factuur dient te worden ingediend binnen 6 weken na de maand waarin de zorg is geleverd. Het Pgb wordt in beginsel niet meer betaalbaar gesteld als de declaratie of de factuur na deze termijn van 6 weken wordt ingediend. 5. Het Pgb moet worden besteed aan een maatwerkvoorziening, waarmee de in het ondersteuningsplan gestelde doelen kunnen worden behaald. Uit het budget mogen de volgende kosten worden voldaan: • Salaris en werkgeverslasten voor zorgverleners met een arbeidsovereenkomst en wettelijk toegestane vergoedingen, zoals reiskostenvergoeding woon-werkverkeer, verlofregelingen, pensioenvoorziening en spaarloon. 6. Bij de verlening van een Pgb voor een hulpmiddel of een roerende woonvoorziening legt het college de cliënt en/of Pgb-beheerder de volgende verplichtingen op: a.

De cliënt en/of Pgb-beheerder gebruikt het Pgb uitsluitend voor de betaling van de voorziening en de daarmee noodzakelijke verbonden kosten; b. De cliënt en/of Pgb-beheerder besteedt het Pgb uitsluitend aan een kwalitatief verantwoorde en adequate voorziening conform het programma van eisen; c. De cliënt en/of Pgb-beheerder zorgt voor een goede en controleerbare verslaglegging van ontvangsten, uitgaven en verplichtingen en houdt deze gedurende 7 jaar beschikbaar; d. De cliënt en/of Pgb-beheerder verantwoordt de besteding van het Pgb waarop het budget betrekking heeft. Ter controle levert de Pgb-beheerder op verzoek van het college alle gegevens die noodzakelijk zijn om dit recht te kunnen vaststellen. Hieronder vallen in ieder geval: • De factuur van de aangeschafte voorziening; • Een betalingsbewijs van de aangeschafte voorziening; • Eventuele overige bescheiden die het college voor de verantwoording nodig acht; e. De cliënt en/of Pgb-beheerder houdt van de verrichte betalingen voor keuring, reparatie, onderhoud en verzekering een inzichtelijke administratie bij.

41

Artikel 5.3.5 Besteding en verantwoording van het Pgb 1. De cliënt verantwoordt desgevraagd de besteding van het Pgb. De cliënt dient dan de volledige administratie over te leggen waar in ieder geval de volgende documenten toe behoren: a. Het ondersteuningsplan; b. Het zorgplan; c. De (gedeeltelijke) toekenningsbeschikking; d. De overeenkomst zoals ingediend bij de SVB; e. De urenbriefjes; f. Evaluatieverslagen; g. Eventuele overige bescheiden die het college voor de verantwoording noodzakelijk acht. 2. De cliënt moet kunnen aantonen dat het budget is besteed aan het doel waarvoor het is verstrekt. Daarbij moet de cliënt en/of Pgb-beheerder controleren of de ondersteuning voldoet aan de kwaliteitseisen zoals gesteld in hoofdstuk 4 en 5 van de verordening en deze beleidsregels. Artikel 5.3.6 Administratie (professionele) aanbieder 1. De (Pgb-)aanbieder zorgt voor een juiste cliëntenadministratie. Deze cliëntadministratie bevat per cliënt minimaal: a. Het zorgplan; b. Het evaluatieverslag; c. Rapportages van de verleende ondersteuning; d. De zorgovereenkomst; e. De facturen; f. Getekende aanwezigheidslijsten. 2. De (Pgb-)aanbieder houdt een juiste administratie bij. De administratie bevat minimaal: a. Een overzicht van de cliënten; b. Een financieel overzicht van inkomsten en uitgaven; c. Een verklaring van het betalingsgedrag aan de Belastingdienst; d.

Een uittreksel van het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; e. Een overzicht van de personeelsleden; f. (Arbeids-)overeenkomsten van personeelsleden c.q. vrijwilligers; g. Diploma’s van de personeelsleden; h. VOG’s van de personeelsleden c.q. vrijwilligers; i. De huurovereenkomst of de hypotheekakte van een eventuele locatie; j. Een accountantsverklaring bij een totale productie van de Wmo 2015 groter dan € 125.000 (dus Wmo 2015 en Jeugdwet afzonderlijk, al dan niet verspreid over meerdere gemeenten en niet bij elkaar opgeteld) moet bij de productieverantwoording Wmo 2015 een controleverklaring van een gecertificeerde accountant worden toegevoegd. Voor de specifieke richtlijnen sluiten wij aan bij het landelijk ‘Algemeen Accountantsprotocol Financiële Productieverantwoording Wmo 2015 en Jeugdwet’. 3. Bij overdracht van cliënt(en) vraagt de nieuwe aanbieder het cliëntendossier op bij de vorige aanbieder. Indien de cliënt ondersteuning ontvangt in de vorm van een Pgb dient de cliënt zelf of zijn/haar Pgb-beheerder zorg te dragen voor overdracht van het dossier naar de nieuwe Pgbaanbieder en stelt het college hiervan in kennis. Artikel 5.3.7 Pgb voor ondersteuning door informele hulp 1. Een cliënt heeft de keuze om de ondersteuning in te kopen bij een professionele hulp of bij een informele hulp. 2.

Het college toetst of de persoon uit het sociaal netwerk voldoet aan de daarvoor gestelde (kwaliteits)eisen als opgenomen in hoofdstuk 5 van de verordening en hoofdstuk 4 van deze beleidsregels. 3. Een informele hulp dient ook een zorgplan op te stellen, zoals vermeld in artikel 5.3 lid 3 van de verordening. Artikel 5.3.8 Niet nakomen Pgb-regels 1. Het niet nakomen van de aan het Pgb verbonden verplichtingen kan leiden tot: a. Herziening van de voorziening van Pgb naar zorg in natura op grond van artikel 2.3.10 Wmo 2015; b. Intrekking van de voorziening op grond van artikel 2.3.10 Wmo 2015; c. Terugvordering van het ten onrechte ontvangen Pgb bij de cliënt op grond van artikel 2.4.1 Wmo 2015 in samenhang met artikel 2.3.6 Wmo 2015; 42

d. Terugvordering van het ten onrechte ontvangen Pgb door de Pgb-aanbieder, zonder opzettelijk handelen van de cliënt, op grond van artikel 5.8 van de verordening; e. De weigering om de ondersteuning nog langer in de vorm van een Pgb te verstrekken op grond van artikel 2.3.6. lid 5 in combinatie met artikel 2.3.10 Wmo 2015; f. De weigering om de ondersteuning (langer) van de Pgb-aanbieder te betrekken op grond van artikel 4.1 lid 6 of artikel 5.1 van de verordening. Artikel 5.4 Verstrekking in financiële tegemoetkoming 1. Een verstrekking in de vorm van een financiële tegemoetkoming vindt plaats als sprake is van een forfaitaire tegemoetkoming. 2. Het kan hierbij gaan om een financiële tegemoetkoming: • In de verhuis- en inrichtingskosten (woonvoorziening); • In de kosten van het bezoekbaar maken van een woning (woonvoorziening).

Hoofdstuk 6 Ingangsdatum, duur, wijzigingen Artikel 6.1 Ingangsdatum maatwerkvoorziening 1. Uitgangspunt is dat de door het college geadviseerde ingangsdatum in de beschikking gehanteerd wordt. 2. Het college kan in een beschikking een maatwerkvoorziening met terugwerkende kracht toekennen wanneer het college de noodzaak van de maatwerkvoorziening heeft vastgesteld en de inzet heeft plaatsgevonden met voorafgaande schriftelijke toestemming van het college. De ingangsdatum kan niet verder terug dan de meldingsdatum. 3. Bij het aflopen van een eerder toegekende maatwerkvoorziening geldt dat deze einddatum niet automatisch de ingangsdatum van de nieuwe maatwerkvoorziening voorziening is. Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt om tijdig een nieuwe melding te doen van zijn/haar behoefte aan voortzetting van de ondersteuning. Artikel 6.2 Duur van de maatwerkvoorziening 1. De periode waarvoor een indicatie wordt afgegeven is afhankelijk van meerdere factoren: a. De (aard van de) beperkingen van de cliënt en de veranderingen die zich daarin kunnen voordoen: • Bij een indicatie voor dienstverlening is het uitgangspunt dat deze voor langere tijd, maar maximaal voor de duur van 2 jaar wordt afgegeven. Er dient dan wel periodiek een evaluatiemoment plaats te vinden, zoals bedoeld in artikel 2.3.9 van de Wet.

• In afwijking van het eerste lid kan het college een indicatie voor onbepaalde tijd verlenen indien de dienstverlening is gericht op stabilisering van de situatie, waarbij redelijkerwijs geen verbetering te verwachten is. Dit geldt in het bijzonder voor: a. Inwoners van 75 jaar en ouder, van wie verwacht wordt dat zij permanent op de voorziening zijn aangewezen; b. Inwoners met een progressieve aandoening, waarbij verbetering van de situatie onwaarschijnlijk is; • Is er sprake van een situatie waarbij de verwachting bestaat dat er verbetering mogelijk is in de eigen kracht, al dan niet door inzet van gebruikelijke hulp of het sociaal netwerk, (niet-afdwingbare) mantelzorg of algemene voorzieningen, zal de indicatieduur worden beperkt tot de termijn waarbinnen deze verbetering verwacht wordt, òf zal een getrapte indicatie plaatsvinden, waarmee de indicatie in 1 of meerdere stappen wordt af- of opgebouwd in omvang of intensiteit; • Het toekennen van een voorziening voor een langere periode betekent niet dat de cliënt tijdens deze periode een onvoorwaardelijke aanspraak houdt op de voorziening. Het college is altijd bevoegd om tussentijds onderzoek te verrichten naar de vraag of de voorziening nog adequaat en noodzakelijk is of dat het verstrekte Pgb nog passend is.

Aan zo’n heronderzoek zijn dezelfde inhoudelijke voorwaarden verbonden als bij een onderzoek naar aanleiding van een melding; b. De woonomstandigheden en de samenstelling van het huishouden van de cliënt en de veranderingen die zich daarin kunnen voordoen: • Als het maatwerk bestaat uit dienstverlening kunnen ook de woonomstandigheden en samenstelling van het huishouden invloed hebben op de indicatieduur. Bij overige maatwerkvoorzieningen speelt dit minder. Als er bijvoorbeeld sprake is van kinderen in het gezin, zullen deze mogelijkerwijs naarmate zij ouder worden meer gebruikelijke hulp 43

kunnen verlenen. Ook kan het zijn dat na een beperkte ondersteuning van het gezin, bijvoorbeeld bij het anders organiseren van het huishouden of het aanleren van bepaalde vaardigheden, minder ondersteuning nodig is, omdat gezinsleden meer gebruikelijke hulp kunnen verlenen. Artikel 6.3 Getrapt indiceren 1. Indien wordt vastgesteld dat er, al dan niet, ontwikkeling mogelijk is in de zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt, kan een getrapte indicatie worden afgegeven. Dit betekent dat de indicatieperiode wordt ingedeeld in één of meerdere perioden, waarbij een andere (hogere of lagere) hoeveelheid van de ondersteuning wordt toegekend. 2. Bij een ontwikkelingsmogelijkheid in de zelfredzaamheid en/of participatie is meestal sprake van een afbouw van intensiteit, doch bij arbeidsmatige dagbesteding kan juist sprake zijn van een opbouw of als voorzien wordt dat mantelzorg (bijvoorbeeld door verhuizing van de mantelzorger) binnen afzienbare tijd komt te vervallen, kan indeling in een hogere hoeveelheid ondersteuning (tijdelijk) aan de orde zijn. 3. Bij de getrapte indicatie kan dus zowel een afbouw als opbouw van ondersteuning aan de orde zijn. 4. Getrapt indiceren kan toegepast worden wanneer toegewerkt wordt naar een aanbod binnen een algemene en/of collectieve voorzieningen, bijvoorbeeld als er een maatwerkvoorziening ter overbrugging wordt ingezet.

Artikel 6.4 Wijziging maatwerkvoorziening 1. Het college is bevoegd om, al dan niet periodiek, verstrekte maatwerkvoorzieningen te heronderzoeken op basis van artikel 2.9 van de Wet. 2. Als een cliënt aangeeft dat hij structureel minder of meer ondersteuning nodig heeft dan wordt er op basis van een melding van de cliënt opnieuw onderzoek verricht naar de situatie van de cliënt en mogelijk een nieuw besluit genomen. 3. De ingangsdatum van de wijziging wordt zo veel mogelijk in overleg met de cliënt vastgesteld. 4. Er kan ook sprake zijn van tijdelijke afwezigheid van de cliënt. Bijvoorbeeld als gevolg van een ziekenhuisopname, vakantie of detentie. In principe blijft de indicatie in zo’n situatie gehandhaafd, maar wordt er niet geleverd. De zorgverlener mag de niet verleende zorg niet declareren. Indien de cliënt langer dan 14 dagen geen ondersteuning ontvangt, dan dient de cliënt dit middels de inlichtingenplicht door te geven aan het college (zie artikel 6.7 van de verordening). Zodra de cliënt weer thuis is, hervat de zorgverlener de ondersteuning en zal deze de ondersteuning ook weer normaal declareren bij het college. 5. Als de cliënt, op wiens naam de indicatie is afgegeven, overlijdt of als hij/zij permanent of voor lange tijd (naar verwachting langer dan 8 weken) afwezig zal zijn, eindigt de indicatie. 6.

Als er sprake is van een achterblijvende partner, die eveneens ondersteuning nodig heeft, zal er een nieuw gesprek plaatsvinden tussen de cliënt en coach waarbij een afweging wordt gemaakt wat de goedkoopst adequate en meest doeltreffende maatwerkvoorziening is. Hiertoe kan behoren dat de maatwerkvoorziening overgezet wordt naar de achterblijvende inwoner. Artikel 6.5 Wisseling van ondersteuning 1. Het is van belang dat, bij een lopende maatwerkvoorziening, er sprake is van continuïteit in de ondersteuning richting de cliënt, zodat de ondersteuning uiteindelijk efficiënt kan worden uitgevoerd. Dit vergroot de doelmatigheid van de ondersteuning. Om deze reden zijn er grenzen gesteld aan de frequentie waarmee een cliënt mag wisselen tussen zorgverleners. Een cliënt kan, op eigen verzoek, na schriftelijke toestemming van het college, maximaal 1 keer per jaar wisselen van zorgverlener (ongeacht of het gaat om ondersteuning in natura of Pgb), tenzij de wisseling veroorzaakt wordt door een situatie die niet aan de cliënt valt te verwijten, zoals een faillissement van de aanbieder of aantoonbaar geleverde slechte kwaliteit van zorg door de aanbieder. 2.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Almelo&id=78487226-3ddb-470a-b691-8a5928618954