CConstaterende datAlmelo
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 4 bij RB 18 - Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Almelo

Raad 24 juni 2025, gemeente AlmeloBij agendapunt: raadsbrieven vanuit B&W30.229 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Als een inwoner met beperking verhuist, moet hij/zij, in relatie tot die beperkingen, zoeken naar een zo geschikt mogelijke woning. Hiermee wordt voorkomen dat men een ongeschikte woning kiest en vervolgens de rekening voor de aanpassingen bij het college indient; • Uitgangspunt is dat iemand met beperkingen moet verhuizen naar een geschikte woning en wanneer geen geschikte woning beschikbaar is, naar de woning die het goedkoopst geschikt te maken is. Artikel 3.5.2 Primaat van verhuizen 1. Het college gaat uit van het primaat (voorrang) van verhuizen. Dat betekent dat wanneer verhuizen in de situatie van de inwoner de goedkoopst compenserende oplossing is, verhuizen voor gaat boven het aanpassen van de woning. Hierbij maakt het college een kostenvergelijking tussen het aanpassen van de huidige woning en het verhuizen naar een andere woning. Ook de termijn waarbinnen kan worden verhuisd, speelt een rol. Als de medische omstandigheden van een client van invloed zijn op de termijn waarbinnen moet worden verhuisd, zal uit een medisch onderzoek duidelijk moeten worden of de termijn waarbinnen kan worden verhuisd aanvaardbaar is. 2. Het college maakt niet alleen een financiële afweging, maar kijkt naar alle individuele omstandigheden en woonbehoeften van de inwoner.

Bij de afweging betrekt de gemeente onder meer de woonomgeving, de financiële gevolgen van de verhuizing, aanwezigheid mantelzorger, de sociale omstandigheden van de inwoner en beschikbaarheid van een andere woning. Dit betekent dat het college zicht moet hebben op de woningvoorraad en de mogelijkheid om te verhuizen naar een geschikte aangepaste of goedkoper aan te passen woning. De cliënt krijgt dan in plaats van een aanpassing van zijn woning een vergoeding voor de verhuis- en inrichtingskosten. Het college weegt hierbij alle belangen zorgvuldig af. 15

Artikel 3.5.3 Verhuis- en inrichtingskosten 1. Het college verstrekt geen voorziening voor verhuis- en inrichtingskosten wanneer: a. De inwoner voor het eerst zelfstandig gaat wonen; b. De verhuizing gelet op leeftijd, gezinssituatie, woonsituatie en gezondheidssituatie algemeen gebruikelijk is; c. De inwoner al is verhuisd, voordat hij een aanvraag voor verhuis- en inrichtingskosten heeft ingediend; d. De inwoner geen belemmeringen in het normale gebruik van de woning ondervindt; e. De inwoner naar een Wlz-instelling verhuist. 2. Het college vindt dat een inwoner met beperking(en) in bepaalde gevallen geld kan reserveren voor de kosten van een verhuizing. Dit is zo in de situatie dat de inwoner met beperkingen voor het eerst zelfstandig gaat wonen en hetzelfde geldt voor de inwoners in de levensfase van het ouder worden die kunnen anticiperen op hun woonsituatie. Bijvoorbeeld door te anticiperen op een levensfase waarin beperkingen niet ongebruikelijk meer zijn. 3. Vaak is een verhuizing in die gevallen te voorzien, wat betekent dat inwoners daarop kunnen anticiperen door geld te reserveren. 4. Voor het college is het belangrijk om eerst de belemmeringen in de oude woning vast te stellen. De aanvraag moet daarom worden ingediend, voordat de inwoner is verhuisd. Vanwege de medische noodzaak, geeft het college een programma van eisen waaraan de nieuwe woning moet voldoen.

Hiermee voorkomt het college dat verhuisd wordt naar een ongeschikte woning. 5. De financiële tegemoetkoming voor de verhuis- en inrichtingskosten betaalt het college uit als er is/wordt verhuisd naar een, voor de aandoeningen en/of beperkingen van de inwoner, geschikte woning. 6. Bovendien moet de inwoner uiterlijk binnen 6 maanden na datum van de beschikking tot toekenning van de financiële tegemoetkoming zijn verhuisd. 7. Het kan voorkomen dat er een inwoner zonder beperking woont in een aangepaste woning. In die situatie kan het college verhuis- en inrichtingskosten vergoeden aan deze persoon zonder aandoeningen en/of beperkingen, met het doel om de woning vrij te maken voor een persoon met aandoeningen en/of beperkingen. Artikel 3.5.4 Aanpassen gemeenschappelijke ruimten 1. Voor het aanpassen van de gemeenschappelijke ruimten in een wooncomplex heeft het college geen of slechts een beperkte compensatieplicht. Het aanpassen van gemeenschappelijke ruimten in wooncomplexen voor ouderen of personen met een beperking valt niet onder de compensatieplicht, omdat dit tot het uitrustingsniveau van een dergelijk wooncomplex behoort en daarmee algemeen gebruikelijk is. Het college moet hierbij wel onderzoeken of er sprake is van een specifiek op ouderen of personen met beperking gericht wooncomplex. 2.

Voor overige wooncomplexen verstrekt het college slechts aanpassingen als dat nodig is om de woning van de inwoner toegankelijk te maken. Om normaal gebruik te kunnen maken van een woning, moet deze toegankelijk zijn. Hierbij gaat het om de volgende aanpassingen: • Het aanbrengen van elektrische deuropeners; • De aanleg van een hellingbaan van de openbare weg naar de toegang van het gebouw; • Het plaatsen van drempelhulpen of vlonders; • Het aanbrengen van een extra trapleuning; • Het realiseren van een opstelplaats voor een rolstoel bij de toegangsdeur van het wooncomplex. 3. De aanvraag voor elektrische deuropeners kent het college alleen toe in wooncomplexen niet zijnde een woon-zorgcomplex, serviceflat of specifiek voor ouderen bestemd wooncomplex. Artikel 3.5.5 Woonwagens, woonschepen en binnenschepen 1. Wat geldt voor het aanbrengen van woonvoorzieningen in woningen, geldt in principe gelijk voor woonwagens en woonschepen. Vanwege de kenmerken en het karakter van dit type woningen gelden de volgende aanvullende voorwaarden: a. Aanvragen voor een overdekte gang van de woonwagen naar het douche/toiletgebouw komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat één van de kenmerken van het wonen in een woonwagen is dat het toilet zich buiten de woonwagen bevindt; b.

Een financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget voor de aanpassing van een woonwagen verstrekt het college alleen wanneer de: • Technische levensduur van de woonwagen minimaal 5 jaar is; 16

• •

Standplaats niet binnen 5 jaar voor opheffing in aanmerking komt; Woonwagen ten tijde van de indiening van de aanvraag bij het college op de standplaats stond; en • Hoofdbewoner van een woonwagen in het bezit is van een bewoningsvergunning. c. Een financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget voor de aanpassing van een woonschip verstrekt het college alleen wanneer: • De technische levensduur van het woonschip nog minimaal 5 jaar is; • Het woonschip nog minimaal 5 jaar op de ligplaats mag blijven liggen; d. Een financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget voor de aanpassing van een binnenschip verstrekt het college alleen wanneer: • De aanpassing betrekking heeft op het voor de schipper, de bemanning en hun gezinsleden bestemde gedeelte van het verblijf van het binnenschip; • Het binnenschip te boek is gesteld; en • Bedrijfsmatig in gebruik is voor het vervoer van goederen (laadvermogen van minimaal 15 ton) of personen (minimaal 12 personen). Artikel 3.5.6 Afschrijvingstermijn woonvoorzieningen Voor een woningaanpassing in de vorm van een aanbouw, keuken en badkamer geldt een economische afschrijvingstermijn van 10 jaren. Deze termijn wordt bijvoorbeeld gehanteerd voor het berekenen van de afschrijvingswaarde bij een verhuizing naar een andere gemeente, of wanneer de woning wordt verkocht als deze is aangepast op kosten van de gemeente.

Voor alle overige woonvoorzieningen geldt een afschrijvingstermijn van 7 jaren. Artikel 3.5.7 Berging ten behoeve van stalling vervoermiddel 1. Het gaat bij deze voorziening om een extra ruimte die geschikt is voor het stallen van een Wmovervoermiddel indien de bestaande berging niet bruikbaar is voor dit doel en er geen andere ruimte beschikbaar is om het middel te stallen. 2. Alvorens dit aan de orde is, dient belanghebbende zelf alle maatregelen te hebben getroffen om ruimte te creëren voor de stalling van het vervoermiddel. Vervolgens worden de volgende oplossingsmogelijkheden volgens onderstaande volgorde afgewogen op goedkoopst adequaat: 1. Afdakje op een beschutte (binnen)plaats; 2. Eenvoudig houten schuurtje (bouwpakket). 3. Toekenningscriteria: • De cliënt heeft recht op een Wmo-vervoermiddel op grond van beperkte mobiliteit; • De bestaande berging is niet met eenvoudige ingrepen als het verbreden van de toegangsdeur en/of het nivelleren van drempels geschikt te maken om als stalling te dienen; en • Er is geen enkele andere acceptabele mogelijkheid om het vervoersmiddel nabij de woning te stallen. 4. Wijze van verstrekken: De tegemoetkoming wordt gebaseerd op de kosten van aanschaf en plaatsing van een eenvoudige houten berging, eventueel inclusief bestrating en aanleg stopcontact ten behoeve van de oplader.

Het college gaat daarbij uit van de goedkoopst adequate voorziening. Artikel 3.5.8 Dubbele woonlasten/tijdelijke huisvesting 1. Het gaat bij deze voorziening om een vergoeding van kosten van tijdelijke huisvesting en/of dubbele woonlasten en is enkel mogelijk omdat de cliënt niet in de woning kan blijven wonen of nog niet een nieuwe woning kan betrekken gedurende de tijd dat de woning aangepast wordt en nog niet bewoonbaar is. 2. Toekenningscriteria: Cliënt ondervindt op medische gronden ergonomische belemmeringen in de woning en de woning moet ingrijpend aangepast worden. Op medische gronden is het niet mogelijk dat de cliënt in de aan te passen woning kan gaan/blijven wonen. Indien dit tot gevolg heeft dat de cliënt gedurende een bepaalde periode dubbele woonlasten betalen moet, kan een financiële tegemoetkoming worden verleend indien: • De hoofdbewoner redelijkerwijs niet kan voorkomen dat hij/zij deze dubbele woonlasten heeft; • De tijdelijke huisvesting langer dan één maand* duurt, en indien deze kosten gemaakt worden in verband met het aanpassen van de woning (* Bij verhuizing is één maand dubbele woonlasten algemeen gebruikelijk); 17

• Tijdelijk betrekken of langer moeten aanhouden van zelfstandige woonruimte; of • Tijdelijk betrekken of langer moeten aanhouden van een niet zelfstandige woonruimte. 3. Wijze van verstrekken: Als tijdelijke tegemoetkoming in de extra woonlasten voor maximaal twee maanden. Deze termijn kan eenmalig met twee maanden worden verlengd. In het financieel besluit zijn hiervoor normbedragen opgenomen. Artikel 3.5.9 Primaire woonfunctie van een gebouw (verbouwingen en aanpassingen aan) Er worden geen aanpassingen van ruimten vergoed die niet als primaire woonruimte gebruikt worden. Slechts bij grote uitzondering kan tot toekenning van een dergelijke aanvraag worden overgegaan. Denk hierbij aan het verbouwen van bijvoorbeeld een garage of berging tot een uitraaskamer, een slaapkamer en/ of een natte cel. Artikel 3.5.10 Keukenaanpassingen 1. Het gaat bij deze voorziening om een aanpassing en/of verbouwing van de keuken (niet zijnde een renovatie), bijvoorbeeld: • Verhoging/verlaging van het aanrecht; • Het ophangen van keukenkastjes op een andere hoogte; • Het gedeeltelijk onderrijdbaar maken van het aanrecht (weghalen van kastje); • Het in hoogte verstelbaar maken van het aanrecht; • Het aanbrengen van werklicht met een hoge lux-waarde (bij slechtzienden); en • Indien van toepassing het creëren van vervangende kastruimte en verrijdbare kasten. 2.

Voordat de keukenaanpassing verstrekt wordt, worden de volgende alternatieven nagegaan: • Indeling en situering van kasten en/of de koelkast; • Welke praktische oplossing zonder kosten realiseerbaar is, bijvoorbeeld verplaatsen van meubelstukken, een tafeltje bijzetten, etc.; • De mogelijkheden van de hoofdgebruiker; • De aanwezigheid van meerdere personen in huis en daarmee de noodzaak tot het zelf bereiden van maaltijden; • Bij (oudere) alleenstaanden kan tevens het aanbod van de maaltijdvoorziening bij de afweging worden betrokken. Deze vorm van dienstverlening is juist bedoeld is om het zelfstandig wonen van mensen met beperkingen mogelijk te maken; • Aangezien de aanpassing van de keuken een kostbare oplossing is, speelt tevens de medische prognose een rol betreffende alle functiebeperkingen van belanghebbende in relatie tot de vaardigheden /mogelijkheden tot het zelfstandig doen van boodschappen en/of het onderhouden van sociale contacten. 3. De keuken wordt alleen aangepast als het een aanpassing is die betrekking heeft op de lichamelijke beperkingen van de hoofdgebruiker van de keuken. 4. Voor een keukenaanpassing geldt dat deze noodzakelijk is voor degene die hoofdzakelijk gebruik maakt van de keuken voor het bereiden van de maaltijd en afwassen.

Eenvoudige verrichtingen zoals koffie/thee zetten en brood klaarmaken kunnen (in een andere, aangrenzende ruimte) aan een tafel worden uitgevoerd. Afhankelijk van de woningindeling en de beperkingen van de cliënt vinden deze eenvoudige verrichtingen in de keuken of in een andere ruimte plaats. Artikel 3.5.10.1 Uitvoering keukenaanpassingen 1. Uitgangspunt is dat er een medische reden moet zijn volgens de eisen van de sociale woningbouw om in aanmerking te komen voor een aanpassing vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning. 2. Uitgegaan wordt van een maximumprijs voor een basiskeuken voor de sociale woningbouw. 3. Alle overige extra’s die de cliënt wenst, en die niet noodzakelijk zijn in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning, komen niet voor vergoeding in aanmerking. 4. (Inbouw-) apparatuur valt niet onder de Wet maatschappelijke ondersteuning, omdat dit algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn. 5. Bij vervanging in verband met de handicap geldt altijd het uitgangspunt prijsniveau sociale woningbouw. Artikel 3.5.10.2 Renovatie/ vervanging van een economisch afgeschreven keuken 1. Indien de keukenaanpassing samenvalt (of kan samenvallen) met een renovatie of vervanging van een economisch afgeschreven keuken, komen de kosten van de nieuwe keuken voor 18

rekening van de woningeigenaar. Slechts de meerkosten t.o.v. de standaard keuken (kwaliteit en uitvoering niveau sociale woningbouw) worden dan vergoed. 2. Vervanging van keukenapparatuur valt niet onder de compensatieplicht, omdat deze worden aangemerkt als algemeen gebruikelijk. 3. Voor het vaststellen van eisen van een standaard keuken wordt uitgegaan van de normen voor de sociale woningbouw. 4. Toekenningscriteria: a. De cliënt is in staat om de gebruikelijke werkzaamheden in een aangepaste keuken uit te voeren en dit ook meerdere malen per dag te doen; en b. De cliënt is de aangewezen persoon voor het bereiden van de maaltijden en kan dit niet van de andere aanwezige huisgenoten verlangen; en c. De cliënt kan redelijkerwijs geen beroep doen op de maaltijdvoorziening; en d. De medische situatie is zodanig stabiel dat de aangepaste keuken belanghebbende langdurig in staat stelt de gebruikelijke werkzaamheden te verrichten; en e. De cliënt kan een aantal van de overige in het huishouden te vervullen taken nog uitvoeren. 5. Toelichting op de toekenningscriteria: • Indien gebruik wordt gemaakt van een trippelstoel (hoog/laag verstelbaar) is een in hoogte verstelbare keuken niet noodzakelijk, maar kan volstaan worden met het gedeeltelijk onderrijdbaar maken van het aanrecht. Vaak kan volstaan worden met het verwijderen van een kastdeurtje.

Eventueel kan aan de voorkant van het aanrecht een beugel aangebracht worden, indien cliënt niet met de voeten bij de grond kan komen om zich voort te bewegen; • Indien de cliënt permanent rolstoelafhankelijk is en er is een partner die dezelfde keuken gebruikt, is een hoog/laag verstelbare keuken meestal niet noodzakelijk. Afhankelijk van de taakverdeling tussen de partners/huisgenoten kan de goedkoopst adequate voorziening tevens een op 2 verschillenden hoogten geplaatst werkblad zijn. Indien dit geen oplossing biedt, is een handmatig in hoogte te verstellen aanrechtblok het goedkoopst adequate alternatief; • Een elektrische hoog/laag keuken wordt alleen dan verstrekt, indien de werkhoogten van beide partners verschillend zijn en beide gebruikers dusdanige belemmeringen ondervinden in de handfunctie, dat voor beiden een handmatige verstelling niet te bedienen is. 6. Wijze van verstrekken: Onverminderd de keuzevrijheid van de cliënt wordt deze voorziening in beginsel als financiële tegemoetkoming verstrekt. De financiële tegemoetkoming kan tevens worden afgestemd, als de aanpassing samenvalt met de noodzakelijke vernieuwing van het keukenblok, omdat de oude keuken afgeschreven is. In dergelijke gevallen worden alleen de meerkosten, die ontstaan zijn door de beperking van de gebruiker, vergoed. Artikel 3.5.11 Sanering (woning) 1.

Woningsanering is een aanpassing van de woning door vervanging van de vloerbedekking en/of de gordijnen in verband met een acuut geval van een longaandoening. Indien de te vervangen vloerbedekking of gordijnen nog niet afgeschreven zijn en het medisch gezien dringend noodzakelijk is dat deze direct vervangen worden. Als een artikel afgeschreven is, wordt geen financiële tegemoetkoming verleend. 2. Als de aanvraag samenvalt met een verhuizing wordt geen tegemoetkoming toegekend, omdat het algemeen gebruikelijk is bij verhuizing nieuwe vloerbedekking/raambedekking aan te schaffen. 3. Bij sanering in verband met onvoorzien rolstoelgebruik heeft de sanering van de woonkamer de hoogste prioriteit. Alleen indien nodig kan de slaapkamer en eventueel de keuken gesaneerd worden. 4. In geval van een longaandoening valt alleen de sanering van vloerbedekking en gordijnen in de slaapkamer onder de Wet maatschappelijke ondersteuning. In deze ruimte verblijft men langdurig en het is wetenschappelijk bewezen dat in die ruimte het beste klimaat bestaat voor de huisstofmijt. Voor kinderen tot 4 jaar kan ook de woonkamer gesaneerd worden, omdat die meestal zittend op de vloerbedekking van de woonkamer spelen. 5. In geval van een longaandoening zal altijd een extern medisch advies aangevraagd worden. 6. Toekenningscriteria bij een longaandoening: a.

Er is een aantoonbare allergie voor huis(stof)mijt én directe vervanging van de materialen is medisch gezien dringend noodzakelijk. Er is sprake van een calamiteit, dat wil zeggen een acuut én continu probleem door de klachten. Het gaat dus niet om situaties waarbij gedurende enkele maanden per jaar klachten ondervonden worden. 19

b. Vastgesteld moet worden of en wanneer de klachten medisch zijn geobjectiveerd, dat wil zeggen door de specialist of de huisarts vastgesteld, en wat de aard van de klachten is. c. De huidige vloerbedekking en gordijnen zijn nog niet economisch afgeschreven en/of de aanvraag valt niet samen met een verhuizing. 7. Toekenningscriteria rolstoeltapijt: a. De cliënt is rolstoelgebonden geworden en/of is recent afhankelijk geworden van een trippelstoel; b. De huidige vloerbedekking is niet geschikt voor rolstoelgebruik; c. De huidige vloerbedekking is nog niet-economisch afgeschreven en/of de aanvraag valt niet samen met een verhuizing; d. De rolstoelgebruiker dient zelfstandig en intensief gebruik te maken van de ruimte(n) waarvoor rolstoeltapijt aangevraagd wordt. 8. Wijze van verstrekken: Onverminderd de keuzevrijheid van de cliënt wordt deze voorziening in beginsel in de vorm van een financiële tegemoetkoming verstrekt bestaande uit de kosten van de aan te schaffen vloerbedekking en/of gordijnen conform de goedkoopst adequate oplossing. Betaling aan cliënt geschiedt na overleg van de facturen. Artikel 3.5.12 Tillift (patiëntenlift) 1.

Het gaat bij deze voorziening om een transfer/verplaatsingshulpmiddel, bestaande uit verschillende typen: • Patiëntenliften vast opgesteld; • Verrijdbare patiëntenliften zoals sta-liften en tilliften voorzien van een tilmat; • Patiëntenliften met een plafondrail zowel met de hand als elektrisch verplaatsbaar. 2. Afhankelijk van de te verwachten transfers, de bestemming, de mogelijkheden van de cliënt, de indeling van de woning en de aanwezige inrichtingselementen kan een keus gemaakt worden. Uitgangspunt hierbij is de goedkoopst adequate oplossing. 3. Bij de keuze voor de tilmat dienen ook de mogelijkheden van de cliënt en het gebruik vastgesteld te worden. Indien de tillift tevens wordt gebruikt voor transfers naar toilet, onder de douche of in bad, zullen er eventueel extra tilmatten of aanvullende voorzieningen verstrekt moeten worden. In dit geval is er namelijk sprake van meerdere tilsituaties, waarbij de cliënt de ene keer nat, de andere keer droog wordt getild. 4. Toekenningscriteria: a. De cliënt ondervindt belemmeringen om zelfstandig of met hulp transfers te maken vanuit en naar verschillende inrichtingselementen in de woning (bv. van bed in rolstoel, bed naar douche etc.); b. Een hoog-laagbed biedt geen of onvoldoende oplossing. Indien het alleen een verplaatsingsprobleem betreft van bed in rolstoel dient eerst bekeken te worden of een hooglaag bed een oplossing is.

(Deze voorziening is aan te vragen bij de ziektekostenverzekeraar); c. Cliënt woont zelfstandig en heeft geen indicatie voor verblijf en behandeling in een verpleeginrichting of zorginstelling; d. Er moet sprake zijn van een individuele tilsituatie, waarbij de te verstrekken patiëntenlift wordt gebruikt door de (naaste) mantelzorgers of door de thuiszorg. 5. Wijze van verstrekken: Onverminderd de keuzevrijheid van de cliënt, waarbij uitgegaan wordt van de goedkoopst adequate voorziening, wordt deze voorziening in beginsel als een natura-voorziening in bruikleen verstrekt. 6. Onderhoud: Met de leverancier is een collectief onderhoudscontract afgesloten, dat ingaat na het verstrijken van de garantietermijn. Eenmaal per jaar wordt verplicht preventief onderhoud uitgevoerd op initiatief van de leverancier. Als een tillift via andere een leverancier wordt verstrekt dan dient tevens een standaard onderhoudscontract te worden afgesloten. Artikel 3.5.13 Traplift 1. Het gaat bij deze voorziening om een woonvoorziening die bedoeld is om ergonomische belemmeringen bij het trap lopen op te heffen (verticaal verplaatsen). 2. Tijdens de aanvraagprocedure dient in overleg met de cliënt bekeken te worden of verhuizen naar een gelijkvloerse woning niet een goedkopere en meer adequate en gewenste oplossing zou kunnen zijn. 3. Toekenningscriteria: 20

a. b. c. d.

Cliënt kan geen trap meer lopen; en De slaapkamer en/of de natte cel bevinden zich op de bovenverdieping; en Een extra trapleuning biedt geen adequate oplossing; en Verhuizing naar een geschikte gelijkvloerse woning is niet wenselijk en gezien de verdere geschiktheid van de woning niet aan de orde. 4. Wijze van verstrekken: Onverminderd de keuzevrijheid van de cliënt, waarbij uitgegaan wordt van de goedkoopst adequate voorziening, wordt deze voorziening in beginsel als een natura-voorziening in bruikleen verstrekt. Afhankelijk van de depotvoorraad wordt een gebruikte of een nieuwe voorziening ingezet. Artikel 3.5.14 Unit (tijdelijke) 1. Het gaat bij deze voorziening om een semi-permanente aanbouw voorzien van een slaapkamer en/of een natte cel. 2. De unit wordt als naturavoorziening in bruikleen verstrekt. Het aanvragen van een omgevingsvergunning door de cliënt is een vereiste. Verstrekking kan uitsluitend op grond van een medisch- en ergonomisch advies, waaruit onder meer de urgentie blijkt. 3. Toekenningscriteria: a. De cliënt is als gevolg van zijn beperking aangewezen op een gelijkvloerse woning; en b. De cliënt lijdt aan een (zeer) progressieve ziekte; en c. Een geschikte woning is niet op korte termijn beschikbaar; en d. Het op de gebruikelijke manier aanpassen van de huidige woning neemt te veel tijd in beslag. 5.

Wijze van verstrekken: Onverminderd de keuzevrijheid van de cliënt, waarbij uitgegaan wordt van de goedkoopst adequate voorziening, wordt deze voorziening in beginsel als een natura-voorziening in bruikleen verstrekt en voor de overige kosten als financiële tegemoetkoming aan de eigenaar van de woning. Artikel 3.5.15 Uitraaskamer 1. Het gaat bij deze voorziening om een verblijfsruimte waarin een cliënt, die vanwege een gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag vertoont, zich kan afzonderen of tot rust kan komen. Er kan een ruimte worden gecreëerd waar de cliënt tot zichzelf kan komen of kan verblijven zonder zichzelf te verwonden en/of waar toezicht mogelijk is. Hoe zo’n ruimte er precies uit moet zien hangt af van de persoonlijke omstandigheden. Uitgangspunt daarbij is dat kinderen zonder gevaar voor eigen gezondheid in de woonruimte moeten kunnen verblijven. 2. Een uitraaskamer bestaat meestal uit een aanbouw aan de woning of een verbouwde garage. Een programma van eisen dient afgestemd te worden op de persoonlijke situatie. 3. Voor de afhandeling van dergelijke aanvragen is een medisch advies vereist. 4. Toekenningscriteria: a. De cliënt vertoont vanwege een gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag; en b. Het gaat om een verstandelijke en/of lichamelijke beperking met een psychische component in de beperking; en c.

Het ontremde gedrag is ernstig, dat wil zeggen het gedrag is te rangschikken binnen de reikwijdte van indicatie voor een opname in een inrichting; en d. De uitraaskamer is uitsluitend bedoeld voor de cliënt en dus niet om de hinder voor andere (inwonende) personen weg te nemen; en e. Het risico van fysiek letsel kan niet beheerst worden door een oppas en/of andere maatregelen. 5. Wijze van verstrekken: Onverminderd de keuzevrijheid van de cliënt, waarbij uitgegaan wordt van de goedkoopst adequate voorziening, wordt deze voorziening in beginsel als financiële tegemoetkoming verstrekt. Artikel 3.5.16 Verlichting 1. Visueel beperkten kunnen door te weinig licht ergonomische belemmeringen ondervinden bij het uitvoeren van bepaalde handelingen die nodig zijn voor de uitoefening van de elementaire woonfuncties. Een aanvraag in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning zal betrekking hebben op speciale, niet algemeen gebruikelijke verlichting bij het aanrecht of een werklicht in de badkamer.

21

2. “Meer verlichting” betekent in de praktijk meer lichtsterkte, welke wordt aangeduid in lux. Lux betekent naast (Latijn) “licht” eveneens eenheid van verlichtingsterkte: een oppervlakte heeft een verlichtingsterkte van 1 lux, als er per m2 een lichtstroom van 1 lumen op valt. “Lumen” betekent “eenheid van lichtstroom”: de totale per seconde uitgestraalde lichtenergie. Kortom, lichtsterkte wordt aangegeven in luxeenheden. 3. Een aanvraag voor betere verlichting is een woningaanpassing in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning. Het aanvragen van een medisch- en ergonomisch advies is hierbij altijd aan de orde. Door een deskundige dient aangetoond te worden dat het probleem niet met algemeen gebruikelijke verlichting en/of met andere hulpmiddelen kan worden opgelost. Zonder de gevraagde oplossing kan niet op een adequate wijze gebruik worden gemaakt van een bepaalde functionele ruimte of ruimten. 4. Toekenningscriteria: a. Er is sprake van een ernstige visuele beperking; en b. De beperking is niet oplosbaar met algemeen gebruikelijke verlichting, of met andere speciale ADL-hulpmiddelen voor een visueel beperkte cliënt; c. De beperkingen hebben betrekking op het verrichten van ADL-activiteiten. 5.

Wijze van verstrekken: Onverminderd de keuzevrijheid van de cliënt, waarbij uitgegaan wordt van de goedkoopst adequate voorziening, wordt deze voorziening in beginsel als financiële tegemoetkoming verstrekt. Artikel 3.5.17 Drempelhulpen buitenshuis 1. Drempelhulpen buitenshuis zijn een alternatief voor het verwijderen van drempels of het ophogen van de tegels. Naast het uitgangspunt goedkoopst adequaat, dient hierbij onderscheid te worden gemaakt tussen huurwoningen en woningen in eigendom. Voor deze laatste kan het verstrekken van drempelhulpen zinvol zijn, indien het een woning betreft die niet specifiek geschikt is voor ouderen. Drempelhulpen binnenshuis zijn een algemeen gebruikelijke voorziening. 2. De voorziening kan door het college ingenomen worden, als de woning verkocht wordt. 3. Toekenningscriteria: Cliënt ondervindt ergonomische belemmeringen bij het verlaten en toetreding naar de eigen woning of leefruimten 4. Wijze van verstrekken: Onverminderd de keuzevrijheid van de cliënt, waarbij uitgegaan wordt van de goedkoopst adequate voorziening, wordt deze voorziening in beginsel als een natura-voorziening in bruikleen verstrekt. Paragraaf 5 Uitgangspunten inzet vervoersvoorzieningen Artikel 3.6 Vervoersvoorzieningen 1. Het college verstrekt vervoersvoorzieningen aan mensen met beperkingen die problemen hebben met het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel.

Door het verstrekken van een vervoersvoorziening wordt de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie zoveel mogelijk behouden en verbeterd. 2. Eerst zal onderzocht worden of ondanks de beperkingen geen gebruik kan worden gemaakt van het openbaar vervoer of van (algemene) voorzieningen dichter bij huis die ondanks de beperkingen en zonder een maatwerkvoorziening wel bereikbaar zijn. In het algemeen geldt binnen de gemeente Almelo dat de afstand tussen het woonadres en de bushalte maximaal 400 meter bedraagt. Indien vastgesteld wordt dat de cliënt met of zonder hulpmiddelen zelfstandig 400 meter kan lopen hij/zij ook redelijkerwijs zelfstandig in staat is het openbaar vervoer te gebruiken, verstrekt het college geen vervoersvoorziening. 3. Als de inwoner redelijkerwijs niet in staat is het openbaar vervoer te gebruiken, gaat het college uit van het primaat (voorrang) van collectief vervoer. Dit betekent dat het college eerst nagaat of collectief vervoer volstaat. Als dat niet het geval blijkt te zijn, bekijkt het college welke individuele vervoersvoorziening het goedkoopst compenserend is. Hierbij kan het ook zo zijn dat wanneer de inwoner slechts een zeer beperkte loopafstand kan afleggen, hij of zij in aanmerking kan komen voor een aanvullend vervoersvoorziening naast een collectieve vervoersvoorziening. 4.

De compensatieplicht voor een vervoersvoorziening beperkt zich tot de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving. Dit is alleen anders in de uitzonderingssituatie waarbij het gaat om bovenregionaal contact dat, middels bovenregionaal vervoer (onder bovenregionaal vervoer wordt verstaan het vervoer buiten een 25 kilometerstraal van de gemeente Almelo), uitsluitend door de inwoner zelf bezocht kan worden en het bezoek voor hem of haar noodzakelijk is om dreigende 22

vereenzaming te voorkomen. Omdat de compensatieplicht van de gemeente veelal niet verder gaat dan lokale en nabije regionale bestemmingen subsidieert het rijk een bovenregionale vervoersketen (Valys), die mensen met een beperking naar bestemmingen buiten de lokale omgeving brengt. De kosten voor het bovenregionaal vervoer zijn gebaseerd op de kosten die verbonden zijn aan het reizen met het openbaar vervoer. 5. Ook bij vervoersvoorzieningen geldt dat wanneer de inwoner op grond van een andere wettelijke regeling aanspraak kan maken op een vervoersvoorziening, hij of zij in het algemeen niet in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning. Artikel 3.6.1 Afschrijvingstermijn vervoersvoorzieningen Voor de vervoersvoorzieningen geldt een afschrijvingstermijn van 7 jaren. Artikel 3.6.2 Algemene criteria vervoersvoorzieningen 1. Om in aanmerking te komen voor een vervoersvoorziening moet er altijd gekeken worden of de inwoner voldoet aan de volgende algemene criteria: a. Het primaat (voorrang) collectief vervoer is voorliggend op individueel vervoer: i. De inwoner is in staat op een verantwoorde wijze aan het verkeer deel te nemen; en ii. De inwoner heeft een frequente verplaatsingsbehoefte van minimaal 2 tot 3 keer per week voor het doen van boodschappen voor dagelijks levensonderhoud, bezoeken van bibliotheek, kapper etc.

en het onderhouden van sociale contacten in de directe woonomgeving; en b. Er is geen andere aanvullende vervoersvoorziening verstrekt met hetzelfde gebruiksdoel; én c. De stalling moet mogelijk zijn; en d. De woonomgeving moet geschikt zijn voor gebruik van de vervoersvoorziening; en e. De inwoner moet uit eigen kracht op de vervoersvoorziening kunnen gaan zitten, en afstappen, en de inwoner moet in staat zijn zelfstandig het vervoermiddel te stallen. 2. Onverminderd het bepaalde in lid 1, kunnen aanvullende criteria worden gesteld per vervoersvoorziening. Artikel 3.6.3 Aanpassing auto (rolstoelbus) 1. Dit is een vervoersvoorziening voor kinderen, waarbij het gaat om de aanpassing van de auto van de ouders. Ook hier geldt het primaat van het collectief vervoer en/of goedkoopst adequate oplossing. Doordat er soms schrijnende beslissingen moeten worden genomen, is het van belang om hier eveneens de sociale aspecten in mee te nemen. Stel moeder heeft de zorg over twee kinderen, waarvan 1 kind fysiek beperkt. Het collectief vervoer kan zich in dergelijke gevallen niet lenen voor het oplossen van het ondervonden mobiliteitsprobleem. Het kind moet op medische indicatie geen gebruik kunnen maken van het collectief vervoer, al dan niet met begeleiding door ouders. Verschoningsproblemen spelen hierbij geen rol. Aangezien de vervoerplicht beperkt is tot vervoer binnen de regio.

Met behulp van het moderne incontinentiemateriaal is een regionale rit (maximaal 40 minuten) bijna altijd haalbaar. Verschoning onderweg is dus vrijwel nooit nodig. 2. Toekenningscriteria voor autoaanpassing: a. Er is een medische indicatie voor individueel vervoer per eigen auto (elke vorm van taxivervoer is medisch niet verantwoord); of b. Er is een indicatie voor individueel (rolstoel)taxivervoer; en c. Inwoner beschikt over een eigen auto die niet ouder is dan 5 jaar; en d. Het gebruik van de eigen auto is verantwoord; en e. De kosten van aanpassing zijn niet hoger dan de kosten die uitgegeven zouden worden aan een andere geschikte vorm van individueel vervoer gedurende één jaar. De kosten worden in dergelijke gevallen voor 100% vergoed. Indien er een indicatie is voor individueel (rolstoel)taxivervoer, kan als alternatief worden gekozen voor een autoaanpassing mits de aanpassingskosten lager zijn dan de uitgaven voor het individueel vervoer over een periode van één jaar. 3. Wijze van verstrekken: Onverminderd de keuzevrijheid van de cliënt, waarbij uitgegaan wordt van de goedkoopst adequate voorziening, wordt deze voorziening in beginsel als financiële tegemoetkoming verstrekt. De kosten van onderhoud, reparatie en (extra) verzekering worden niet vergoed. Er wordt uitgegaan van een afschrijvingsduur van 7 jaar.

Daardoor wordt bij gelijkblijvende medische situatie van inwoner, slechts eenmaal per 7 jaar een tegemoetkoming verstrekt.

23

Artikel 3.6.4 Collectief vervoer per Regiotaxi 1. De Regiotaxi is een open collectief vraagafhankelijk vervoerssysteem (CVV) voor vervoer per taxi (personenauto of bus) van deur tot deur tot maximaal 30 kilometer vanaf het huisadres. Er geldt een eigen ritbijdrage welke jaarlijks vastgesteld/geïndexeerd wordt en beschouwd wordt als een besparingsmiddel ten aanzien van de onkosten die anders gemaakt zouden worden vanuit een eigen vervoersmiddel. Vanaf 25 tot 30 kilometer geldt een hoger tarief per kilometer. De inwoner kan vanaf 25 kilometer met Valys reizen. Ook voor reizen met Valys heeft de inwoner een pas nodig. Let op: het aanvragen van de pas kan twee weken duren. 2. Ritten langer dan 25 kilometer zijn het voordeligst als de cliënt reist met Valys. Meer informatie hierover is te vinden op www.valys.nl of bel Valys via het telefoonnummer 0900-9630. Voor dit vervoer bestaat in principe geen zorgplicht. Dit valt onder bovenregionaal vervoer. 3. Het vervoer is voor iedereen met een indicatie toegankelijk. Voor mensen die volledig rolstoelgebonden zijn wordt, op indicatie, rolstoelvervoer ingezet. Een scootmobiel(fiets), rolstoel, rollator en/of een assistentiehond kunnen worden meegenomen. Het meenemen van huisdieren is verder niet toegestaan. De taxi’s zijn rookvrij.

De chauffeur biedt hulp bij het in- en uitstappen biedt begeleiding naar de taxi en, op de plaats van bestemming, naar de voordeur. Bij wooncomplexen geldt als voordeur de centrale toegangsdeur. 4. Criteria indicatie collectief vervoer: In het algemeen geldt als afstandscriterium voor het recht op een vervoersvoorziening, dat een belanghebbende niet in staat is om – met of zonder hulpmiddelen - zelfstandig lopend een afstand van 400 meter af te leggen. Verder bestaat er recht op een vervoersvoorziening collectief vervoer als: a. Inwoner wel 400 meter kan lopen, maar aansluitend niet in staat is om 10 minuten staande te kunnen wachten; en/of b. Inwoner niet kan verblijven in het openbaar vervoer; of c. Inwoner door visuele problemen of verstandelijke handicap belemmerd is om zelfstandig gebruik te maken van het openbaar vervoer, en waarbij het collectief vervoer de zelfstandigheid van de cliënt vergroot, omdat hiervan gebruik kan worden gemaakt zonder (medisch noodzakelijke) begeleider. Artikel 3.6.5 Driewielfiets 1. Dit is een fiets met 3 wielen en meestal ook een verlaagde en verbrede instap. Een driewielfiets is in verschillende maten en uitvoeringen verkrijgbaar. 2. Toekenningscriteria: a.

Er is een indicatie voor een vervoersvoorziening in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning, omdat andere algemeen gebruikelijke verplaatsingsvoorzieningen geen oplossing bieden; b. De verplaatsingsmogelijkheden zijn, ook met gebruik van een loophulpmiddel beperkt tot maximaal 400 meter, en c. De cliënt heeft een zelfstandige verplaatsingsbehoefte over de middellange afstanden. Voor cliënten/ kinderen tot 15 jaar kan van het “400 meter criterium” worden afgeweken, indien de vervoersbehoefte bestaat uit het bezoeken van het basis- of vervolgonderwijs. In sommige gevallen bestaat dan tevens recht op een vergoeding op grond van de verordening leerlingenvervoer, mits aan de daarvoor geldende criteria voldaan wordt. 3. Wijze van verstrekken: Onverminderd de keuzevrijheid van de cliënt, waarbij uitgegaan wordt van de goedkoopst adequate voorziening, wordt deze voorziening in beginsel als een natura-voorziening in bruikleen verstrekt. Artikel 3.6.6 Handbike 1. Dit is een speciaal soort fiets waarvan de ‘pedalen’ (meestal) gelijkmatig worden voorbewogen door de armen of in ieder geval de bovenste ledematen. Dit in tegenstelling tot een ligfiets, die wordt voortbewogen door de benen. 2. Toekenningscriteria: Om in aanmerking te komen voor een handbike gelden de volgende aanvullende voorwaarden: a. De cliënt is aangewezen op een rolstoel; b.

De cliënt is niet in staat zich met behulp van een handbewogen (sport) rolstoel over een redelijke afstand (meer dan 400 meter) binnen redelijke tijd te verplaatsen; c. De cliënt heeft de voorziening nodig in verband met een specifieke verplaatsingsbehoefte boven 400 meter, die niet anderszins kan worden opgelost; 24

d. De cliënt is redelijkerwijs in staat om met de handbike een middellange afstand af te leggen; e. De cliënt moet de handbike zelfstandig kunnen afkoppelen. 3. Wijze van verstrekken: Onverminderd de keuzevrijheid van de cliënt, waarbij uitgegaan wordt van de goedkoopst adequate voorziening, wordt deze voorziening in beginsel als een natura-voorziening in bruikleen verstrekt. Artikel 3.6.7 Scootmobiel(fiets) 1. Dit is een elektrisch aangedreven driewieler speciaal voor gebruik buitenshuis. 2. Het college verstrekt in principe scootmobiel(fiets)en van 10 tot 15 kilometer per uur en met een actieradius van maximaal 30 tot 35 kilometer. 3. Toekenningscriteria: a. Er dient sprake te zijn van een balansprobleem, waardoor de cliënt ernstig beperkt is in zijn/haar mobiliteit; b. Het lopen of staan is zodanig beperkt, dat cliënt zijn/haar bestemmingsdoel niet kan bereiken met een taxi of autorit; c. De cliënt heeft een verplaatsingsbehoefte over de middellange afstanden; d. De cliënt kan zich, met of zonder loophulpmiddel, minder dan 400 meter verplaatsen; e. De beperkingen zijn langdurend van aard en de vervoersbehoefte is vrijwel dagelijks; f. Er moet een stallingsruimte, voorzien van een geaard stopcontact van 230 volt aanwezig zijn of gecreëerd kunnen worden; en g. De cliënt is in staat om, na instructie, op veilige wijze gebruik te maken van een scootmobiel(fiets). h.

Het systeem van een scootmobiel(fiets)pool heeft het primaat boven andere individuele vervoersvoorzieningen. i. Indien noodzakelijk wordt een extern medisch advies aangevraagd, tenzij het om een herverstrekking gaat bij onveranderde omstandigheden. j. Het advies om tot verstrekking van een scootmobiel(fiets) over te gaan dient te zijn gebaseerd op de volgende onderzoekspunten: • Medische situatie in relatie tot regelmatig gebruik scootmobiel(fiets); • Lokale vervoersbehoefte; • Gebruiksdoel; • Beoordeling aanwezige (aangepaste) stalling en het zelfstandig kunnen stallen van de scootmobiel(fiets); • Bekendheid met scootmobiel(fiets) gebruik en de zorg voor de accu; • Aanwezige recente ervaringen in het verkeer; • Geschiktheid directe woonomgeving voor het gebruik. 4. Wijze van verstrekken: Onverminderd de keuzevrijheid van de cliënt, waarbij uitgegaan wordt van de goedkoopst adequate voorziening, wordt deze voorziening in beginsel als een natura-voorziening in bruikleen verstrekt. 5. Rijlessen: Iedereen die voor het eerst voor een scootmobiel(fiets) in aanmerking komt, dient eerst de scootmobiel(fiets) lessen bij een ergotherapeut of bij de leverancier van de scootmobiel(fiets) met goed gevolg te hebben afgelegd. Artikel 3.6.8 Tandem 1. Een tandem is een rijwiel voor twee personen achter elkaar.

Een fietsmogelijkheid voor personen die zonder hulp van een bestuurder niet zelfstandig tot fietsen in staat zijn. Hierbij kan gedacht worden aan visueel beperkten (slechtziend of blind) of aan sommige groepen motorisch beperkten of aan verstandelijk beperkten, waarvoor het noodzakelijk is dat een ander een vast tempo aangeeft en het stuur ter hand neemt. 2. Deze voorziening kan ook aan kinderen vanaf 15 jaar worden verstrekt in combinatie met het recht op collectief vervoer. 3. Een tandem kan worden verstrekt als aanvullende vervoersvoorziening, waarbij het primaat ligt bij collectief vervoer. Bij de behandeling van de aanvraag moet tevens de stalling/berging worden beoordeeld. 4. Indien de tandem alleen wordt aangevraagd voor ontwikkeling en ontspanning valt deze niet onder de verstrekking vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning. 25

5. Toekenningscriteria: a. De cliënt ondervindt op medische gronden een mobiliteitsbeperking over een afstand van minder dan 100 meter; b. Er is sprake van een aantoonbare gevarieerde vervoersbehoefte in de directe woonomgeving; c. Er is een begeleider beschikbaar waardoor frequent gebruik mogelijk is. 6. Wijze van verstrekken: Onverminderd de keuzevrijheid van de cliënt, waarbij uitgegaan wordt van de goedkoopst adequate voorziening, wordt deze voorziening in beginsel als een natura-voorziening in bruikleen verstrekt. Artikel 3.6.9 Rolstoelvoorzieningen Artikel 3.6.9.1 Handbewogen rolstoel 1. Een handbewogen rolstoel is een voorziening die tot doel heeft beperkingen in de mobiliteit op te heffen. Beperkingen die op grond van ziekte of gebrek het dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning noodzakelijk maken én waarvoor geen beroep kan worden gedaan op hulpmiddelen krachtens de Wet langdurige zorg dan wel de Zorgverzekeringswet. Voorbeelden hiervan zijn loophulpmiddelen, zoals wandelstokken, krukken, rollators en werkstoelen. Deze laatste zijn vaak voorzien van 4 zwenkwieltjes en uitsluitend geschikt voor gebruik binnenshuis. 2. Toekenningscriteria: a.

De cliënt ondervindt op medische gronden ergonomische belemmeringen in het zich verplaatsen in en om de woning en is niet in staat om zich gedurende 5 minuten met een loophulpmiddel zoals wandelstok of rollator te verplaatsen; b. De maximale loopafstand, eventueel met hulpmiddel, bedraagt minder dan 100 meter; c. Daarnaast moet de situatie langdurig van aard zijn. Er zal op medische gronden een onderscheid gemaakt worden in het gebruiksdoel van de rolstoel. 3. Rolstoel voor kortdurend/incidenteel gebruik: De cliënt voldoet aan bovengenoemde criteria en is in staat om een transfer te maken. Bij meldingen voor het aanvragen van een rolstoel voor kortdurend/incidenteel gebruik, wordt de cliënt doorverwezen naar een thuiszorgwinkel om een incidentele transportrolstoel te lenen gedurende 6 maanden. Deze 6 maanden zijn voorliggend. 4. Rolstoel voor semi-permanent gebruik: De cliënt voldoet aan bovenstaande criteria en is niet of nauwelijks in staat om zonder hulp een transfer te maken naar een standaard stoel. Gelet op de aard van de beperking moet de rolstoel vaker en langduriger gebruikt worden. Een dergelijke rolstoel vereist meer zitcomfort. 5. Rolstoel voor permanent gebruik: Cliënt voldoet aan bovenstaande criteria en is niet of nauwelijks in staat om een transfer te maken en is voor elke verplaatsing afhankelijk van een rolstoel.

Een dergelijke rolstoel vereist een optimaal zitcomfort. 6. Selectiecriteria: Met de leverancier is een voorkeurpakket (kernpakket) overeengekomen en is een volgorde aangegeven van goedkoopst adequaat per type rolstoel. 7. Wijze van verstrekken: Onverminderd de keuzevrijheid van de cliënt, waarbij uitgegaan wordt van de goedkoopst adequate voorziening, wordt deze voorziening in beginsel als een natura-voorziening in bruikleen verstrekt. Artikel 3.6.9.2 Elektrische rolstoel 1. Een elektrische rolstoel is een voorziening die tot doel heeft beperking in de mobiliteit op te heffen. Beperkingen die op grond van ziekte of gebrek het dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning noodzakelijk maken en een handbewogen rolstoel/duwwandelwagen geen adequate oplossing biedt. Bovendien kan geen beroep worden gedaan op een rolstoelvoorziening krachtens de Wet langdurige zorg. Het besturingsmechanisme wordt afgestemd op de beperkingen van de cliënt. 2. Toekenningscriteria: a. De cliënt ondervindt op medische gronden beperkingen in het zich verplaatsen in en om de woning en is permanent afhankelijk van een rolstoel; en b. De cliënt is niet in staat om zich over een afstand van meer dan 10 meter achtereen lopend te verplaatsen; c. Er kan op medische gronden een onderscheid gemaakt worden in het gebruiksdoel van de rolstoel in semipermanent- of permanent gebruik.

De keuze hangt af van de mogelijkheden van

26

3.

4. 5.

6.

de cliënt tot het maken van een transfer. Daardoor wordt de tijd dat iemand in de stoel doorbrengt bepaald. De eisen aan het zitcomfort worden hierop afgestemd. Voor een elektrische rolstoel is daarnaast het gebruiksgebied van belang: • Uitsluitend voor binnen; • Uitsluitend voor buiten; • Binnen én buiten. Selectieproces: Het college verstrekt een goedkoopst adequate type elektrische rolstoel dat binnen het ingekochte voorkeursassortiment is opgenomen. Wijze van verstrekken: Onverminderd de keuzevrijheid van de cliënt, waarbij uitgegaan wordt van de goedkoopst adequate voorziening, wordt deze voorziening in beginsel als een natura-voorziening in bruikleen verstrekt. Verzekering: Voor elektrische rolstoelen voor gebruik buitenshuis wordt door de leverancier op het moment van aflevering een WA-verzekering afgesloten.

Paragraaf 6 Sportvoorziening Artikel 3.7 Sportvoorziening 1. De financiële tegemoetkoming voor een noodzakelijke sportvoorziening is een tegemoetkoming in de kosten voor de aanschaf en het onderhoud van een sportvoorziening of aanpassing aan de bestaande sportvoorziening. 2. De verstrekking van een financiële tegemoetkoming is bedoeld voor niet-professionele structurele sportbeoefening in verenigingsverband. 3. De goedkoopst passende voorziening blijkt uit een door het college goedgekeurde kostenbegroting of uit een door het college met (een) gecontracteerde leverancier(s) afgesloten overeenkomst. 4. Voor een niet-elektrische aangedreven sportvoorziening wordt de financiële tegemoetkoming in beginsel verstrekt voor een periode van 3 jaar. Voor een elektrische aangedreven sportvoorziening wordt het Pgb in beginsel verstrekt voor een periode van 6 jaar. 5. Een sportvoorziening kan een sportrolstoel zijn. Een sportrolstoel is een specifiek voor sportbeoefening ontwikkelde rolstoel. Zoals b.v. de marathon-/sprintrolstoel, een basketbal- of een tennisrolstoel. De sportrolstoelen zijn meestal niet bruikbaar in de gewone leefsituatie. 6. De verstrekking wordt afgestemd op het niveau van recreatiesport. De meerkosten van specifieke, duurdere sportvoorzieningen voor sportbeoefening op wedstrijdniveau komen voor rekening van de cliënt. 7. Toekenningscriteria: a.

De cliënt maakt ook in het dagelijks leven gebruik van een loophulpmiddel of een verplaatsingshulpmiddel; b. De cliënt is zonder sportvoorziening niet in staat tot sportbeoefening; c. Beoefening van de gekozen sport is uitsluitend mogelijk met een specifieke sportvoorziening, beoefening is niet op een andere wijze mogelijk; d. De cliënt is lid van een sportvereniging. 8. Wijze van verstrekken: Als forfaitaire vergoeding (Pgb, uitgaande van de goedkoopst compenserende adequate voorziening). De hoogte is vermeld in het financiële besluit. Deze vergoeding geldt voor een periode van 3 jaar. Indien de staat van de sportvoorziening na 3 jaar nog zodanig is dat door reparatie de levensduur wordt verlengd en reparatie economisch verantwoord is, kan een tegemoetkoming in de reparatiekosten worden verstrekt tot het maximumbedrag. De tegemoetkoming in de reparatiekosten dient vooraf met overleg onder het verstrekken van een offerte te worden aangevraagd. Uitbetaling vindt plaats na toekenning en na overleg van de originele factuur. Indien het een volledige tegemoetkoming betreft, dient de factuur binnen 6 maanden na de beschikkingsdatum ingediend te worden. Paragraaf 7 Kindervoorzieningen Artikel 3.8 Kindervoorzieningen 1. Tijdens de groei en ontwikkeling van een kind met beperkingen zijn vaak snel verschillende voorzieningen noodzakelijk. Het college wil hier graag tijdig op inspelen.

2. Het doel van het verstrekken van een kindervoorziening is dat het kind in staat wordt gesteld om deel te kunnen nemen aan het leven van alledag. Dat kan door: 27

a. De zelfverzorging van het kind mogelijk te maken; b. Het zich zelfstandig verplaatsen mogelijk te maken; c. De woonsituatie zo in te richten, dat het kind mee kan doen met de dagelijkse activiteiten in huis. 3. Bij kindervoorzieningen gaat het om voorzieningen die ten behoeve van het kind worden verstrekt. Het kan gaan om woonvoorzieningen, vervoer en rolstoelvoorzieningen. De cliënt zal in de meeste gevallen de ouder van het kind zijn, die de voorziening ten behoeve van het kind aanvraagt. Artikel 3.8.1 Soorten kindervoorzieningen 1. Douche- en toiletstoelen op wielen: Voor de dagelijkse verzorging van kinderen met beperkingen in de leeftijd van 2 tot 15 jaar zijn douchestoelen en gecombineerde douche- en toiletstoelen op wieltjes ontwikkeld. Het zijn al dan niet kantelbare stoelen van kunststof dat goed schoon te houden is/zijn. 2. Zitondersteuningselementen: Voor kinderen met beperkingen, die niet in een gewone kinderstoel kunnen zitten, zijn er zitondersteuningselementen. De specifieke kuipvorm van deze zitondersteuningselementen hebben als doel vergroeiingen te voorkomen en een juiste zithouding te bevorderen. De kuipen kunnen op een onderstel geplaatst worden. Er zijn twee soorten onderstellen beschikbaar: één met kleine wielen voor gebruik binnenshuis en één met grote wielen voor gebruik buitenshuis. 3.

Buggy’s en wandelwagens: Wanneer een gewone buggy of wandelwagen niet voldoet, kan een aangepaste buggy of wandelwagen een geschikte voorziening zijn. Aangepaste buggy’s zijn breder en groter dan buggy’s voor kinderen zonder beperkingen. Buggy’s en wandelwagens zijn voor jonge kinderen tot 4 jaar algemeen gebruikelijk. Dit is anders wanneer de buggy of wandelwagen nodig is voor een ouder kind met beperkingen. 4. Kinderrolstoelen: Het gebruik van een rolstoel kan een belangrijke bijdrage leveren aan de ontwikkeling van kinderen met een beperking. De rolstoel draagt bij aan de zelfstandigheid van het kind en zorgt ervoor dat het kind zoveel mogelijk gewoon mee kan doen en kan spelen met andere kinderen. De selectie moet zorgvuldig gebeuren en de rolstoel moet op maat zijn voor het kind. Hierbij houdt het college zoveel mogelijk rekening met het feit dat kinderen groeien, zodat niet elk jaar een nieuwe rolstoel nodig is. Dit kan bijvoorbeeld door een rolstoel te selecteren waarbij verschillende instellings- en aanpassingsmogelijkheden aanwezig zijn. 5. Kinderfietsen: Een normale (kinder-)driewielfiets wordt als algemeen gebruikelijk beschouwd en wordt daarom niet door het college verstrekt. Alle driewielfietsen in bijzondere uitvoering voor kinderen kunnen wel verstrekt worden. 6.

Autozitjes en fietszitjes: Voor kinderen met beperkingen zijn er speciale zitjes voor in de auto of op de fiets. Voor deze zitjes worden kuipvormige zitondersteuningselementen gebruikt. Deze voorzieningen maken het vervoer van kinderen op een verantwoorde manier mogelijk. 7. Co-Pilot/duofiets: Ook wel ouder-kind-tandem genoemd. Een Co-Pilot is een vervoersvoorziening welke in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning vergoed kan worden. Het is bedoeld voor kinderen die niet zelfstandig kunnen fietsen en die tijdens het fietsen toezicht nodig hebben. Kinderen kunnen alleen meefietsen en in principe niet meesturen. De Co-Pilot is een vervoersvoorziening voor kinderen en kan in plaats van een collectieve vervoersvoorziening verstrekt worden. Een dergelijke fiets wordt als natura-voorziening in bruikleen verstrekt dan wel in de vorm van een persoonsgebonden budget. 8. Toekenningscriteria: a. In principe geldt het afstandscriterium van 400 meter, tenzij het een kind betreft met een verstandelijke beperking. In dat geval kan het afstandscriterium voor kinderen tot 15 jaar buiten beschouwing worden gelaten. Dan geldt als uitgangspunt dat dit kind moet kunnen meedoen met de activiteiten van het gezin; b. Aantoonbaar moet zijn dat een beperkt kind niet zelfstandig kan fietsen, zowel op een tweeals een driewielfiets.

Ook een aankoppelfietsdeel moet geen oplossing kunnen bieden; c. Het kind dient tijdens het fietsen toezicht van de andere berijder nodig te hebben. Voorts dient de aanvraag afgehandeld te worden conform een vervoervoorziening. In uitzonderlijke gevallen is het mogelijk deze voorziening te verstrekken naast een driewielfiets. Daarbij moet er tenminste sprake zijn van een uiterst beperkte mobiliteit, dat wil zeggen een 28

verplaatsingsmogelijkheid van minder dan 100 meter met of zonder hulpmiddelen. 9. Rolstoelfiets: Een fiets waar een rolstoel aan gekoppeld kan worden, voor het vervoer van (bijna) rolstoelafhankelijke mensen: a. Zie algemeen deel/criteria vervoersvoorzieningen. Er dient een indicatie te zijn voor een vervoersvoorziening in de vorm van collectief vervoer; b. Een rolstoelfiets kan verstrekt worden als een aanvullende vervoersvoorziening, bijvoorbeeld voor kinderen tot 17 jaar, die een rolstoelindicatie hebben, maar door een lichamelijke of geestelijke beperking geen elektrische rolstoel kunnen besturen en zich dus buitenshuis niet kunnen verplaatsen. 10. Toekenningscriteria: a. Er is een indicatie voor een vervoersvoorziening in de vorm van collectief vervoer; b. Daarnaast is er sprake van een uiterst beperkte mobiliteit, dat wil zeggen zelfstandige verplaatsing over afstand tot 100 meter is niet mogelijk, zelfs niet met een elektrische rolstoel. c. Cliënt beschikt niet over een elektrische rolstoel voor binnen/buiten. 11. Wijze van verstrekken kindervoorzieningen: Onverminderd de keuzevrijheid van de cliënt, waarbij uitgegaan wordt van de goedkoopst adequate voorziening, wordt deze voorziening in beginsel als een natura-voorziening in bruikleen verstrekt. 12.

Duur van de verstrekking van kindervoorzieningen: Het college verstrekt een kindervoorziening voor een bepaalde periode, of voor een onbepaalde periode zo lang als de cliënt de voorziening nodig heeft. Bij het bepalen van de duur van de voorziening betrekt het college alle individuele omstandigheden van de cliënt. 13. Het college kan op eigen initiatief een onderzoek starten om te bekijken of de voorziening nog noodzakelijk is voor een cliënt. Paragraaf 8 Verplichtingen aan maatwerkvoorzieningen in Pgb Artikel 3.9 Verplichtingen aan maatwerkvoorzieningen in Pgb 1. De cliënt is verplicht voor de maatwerkvoorziening die hij/zij in bruikleen ontvangt een bruikleenovereenkomst te ondertekenen. 2. Ingeval van een verstrekking van een tweedehands maatwerkvoorziening, dan wordt de hoogte van het Pgb gebaseerd op de nog te verwachten levensduur van de betreffende voorziening. 3. Voor een maatwerkvoorziening die een cliënt middels een Pgb in bruikleen ontvangt of heeft aangeschaft, gelden de volgende verplichtingen en verboden: a. Het verbod om wijzigingen aan te brengen aan de voorziening; b. De verplichting om de maatwerkvoorziening die in bruikleen is verstrekt in de oorspronkelijke staat, los van normale slijtage als gevolg van het gebruik, in te leveren als deze niet meer wordt gebruikt; c. De verplichting om de voorziening zorgvuldig te gebruiken; d.

De verplichting om de voorziening in eigendom zorgvuldig te onderhouden en te verzekeren tegen verlies, diefstal en beschadiging; e. Het verbod om de voorziening aan derden in gebruik te geven. 4. Indien de client niet voldoet aan de in lid 3 gestelde voorwaarde kan het college besluiten de maatwerkvoorziening en het daaraan gekoppelde Pgb te herzien en/of in te trekken. Paragraaf 9 Beschermd wonen en maatschappelijke opvang Artikel 3.10 Toegang beschermd wonen en maatschappelijke opvang 1. Beschermd wonen is een centrumgemeentetaak. Deze wordt door de gemeente Almelo uitgevoerd voor de gemeenten Hellendoorn, Rijssen-Holten, Tubbergen, Twenterand, Wierden en Almelo. Het Cimot is door de gemeente Almelo in het leven geroepen om de beschermd wonen taken uit te voeren. Het Cimot staat voor Centrale Toegang opvang en beschermd wonen Twente. 2. De toegang tot zowel maatschappelijke opvang als beschermd wonen wordt geregeld door een van de aanbieders onafhankelijke organisatie: de centrale toegang opvang en beschermd wonen Twente (Cimot). Deze organisatie wordt gefinancierd en gemandateerd vanuit de twee centrumgemeenten Almelo en Enschede.

Deze organisatie heeft tevens de taken met betrekking tot: • het beoordelen van de kwaliteit van geleverde prestatie van aanbieders; • het monitoren van het verloop van de zorgplannen; • het signaleren en waar mogelijk wegnemen van belemmeringen inzake doorstroom.

29

3. Voor de Opvang toetst het Cimot achteraf of opname in de Opvang door een aanbieder terecht was. 4. Voor beschermd wonen toetst het Cimot voorafgaand aan opname of de cliënt is aangewezen op beschermd wonen (in een accommodatie van een instelling) en waar een plaats beschikbaar is c.q. kan komen, waarbij rekening wordt gehouden met de voorkeuren van de cliënt. Artikel 3.11 Beschermd wonen (BW) 1. Beschermd wonen (BW) wordt als volgt omschreven: • Beschermd wonen is toezicht en begeleiding; • Gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen; • Bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen, die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving; • Indien nodig aangevuld met het wonen in een accommodatie van de zorginstelling. Artikel 3.11.1 Toetsingscriteria beschermd wonen 1.

De volgende criteria worden door het Cimot gehanteerd om te beoordelen of iemand in aanmerking komt voor beschermd wonen binnen de centrumgemeente Almelo: • Cliënt is 18 jaar of ouder (om de zorgcontinuïteit te borgen kunnen jeugdigen een half jaar, voordat ze 18 jaar worden een aanvraag indienen); • Er zijn psychiatrische en/of psychosociale problemen. Verslaving valt hier ook onder; • De cliënt is niet in staat om een hulpvraag te stellen als hij/zij ondersteuning nodig heeft en heeft ook niemand die dat voor hem/haar kan doen; • De cliënt kan de hulpvraag niet uitstellen; • Cliënt kan niet zelfstandig wonen; • Cliënt kan niet zelfstandig structuur aanbrengen in de zelfredzaamheid en/of in de participatie; • Cliënt heeft ondersteuning nodig bij het organiseren en/of uitvoeren van activiteiten die participatie bevorderen; • Er kan sprake zijn van overlast en/of verwaarlozing; • Er is een reëel risico dat de cliënt een gevaar vormt voor zichzelf en/of zijn/haar omgeving; • Cliënt is niet in staat om zijn/haar eigen financiën te beheren waardoor inkomsten en uitgaven in onbalans zijn. 2. Er geldt een landelijke toegankelijkheid voor beschermd wonen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Almelo&id=78487226-3ddb-470a-b691-8a5928618954