CConstaterende datAlmelo
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 4 bij RB 18 - Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Almelo

Raad 24 juni 2025, gemeente AlmeloBij agendapunt: raadsbrieven vanuit B&W30.229 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Almelo 2025 Intitulé Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Almelo 2025 Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almelo; gelet op artikel 1.3 van de verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Almelo 2025; de Algemene wet bestuursrecht en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, gezien het advies van de Wmo-adviesraad van 3 februari 2025 gelezen het voorstel van 10 juni 2025 registratienummer 749503; besluit vast te stellen: ‘Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Almelo 2025’

Hoofdstuk 1: Begripsbepalingen en algemene bepalingen Artikel 1.1 Begrippen: 1. In deze beleidsregels verstaat het college onder: a. Aanbieder: een natuurlijk persoon of rechtspersoon die jegens het college gehouden is een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening te leveren; b. ADL: algemene dagelijkse levensverrichtingen zijn de handelingen die mensen dagelijks in het gewone leven verrichten; c. Algemene voorziening: een aanbod van diensten of activiteiten dat zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat gericht is op maatschappelijke ondersteuning; een algemene voorziening is voorliggend op de Wmo 2015; d. Beleidsregels: beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Almelo 2025; e. Beschermd wonen: wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorende toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen, bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen, die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

Onder beschermd wonen wordt ook verstaan: beschermend wonen, verder te noemen: beschermd wonen; f. Cliënt: persoon die gebruik maakt van een collectieve of algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget is verstrekt of door of namens wie een melding is gedaan als bedoeld in artikel 2.3.2 eerste lid Wmo 2015; g. Coach: dit is een medewerker namens het college of de casemanager van het Cimot die het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte uitvoert en tevens de ondersteuning indiceert; h. Collectief vervoer: collectief vervoer verwijst naar een vorm van personenvervoer waarbij het vervoermiddel wordt gedeeld met andere passagiers die verschillende opstapplaatsen of bestemmingen kunnen hebben, bijvoorbeeld de regiotaxi en/of vervoer van en naar de dagbesteding; i. College: college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Almelo; j. Informele hulp: iemand uit het sociale netwerk van de cliënt die ondersteuning verleent door middel van financiering vanuit een Pgb; k. Inwoner: inwoner als bedoeld in artikel 1.1.1 eerste lid Wmo 2015 die ingezetene is van de gemeente Almelo en ingeschreven staat in de Basisregistratie Personen (BRP); l. Maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen als bedoeld in de Wmo 2015; m.

Melding: melding van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, als bedoeld in artikel 2.3.2 eerste lid 1 Wmo 2015;

1

n. Ondersteuning: hulp bij de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving, beschermd wonen of maatschappelijke opvang; o. Ondersteuningsplan: het plan dat door het college wordt opgesteld naar aanleiding van het onderzoek waarin de adviezen, verwijzingen en de afspraken die met de cliënt zijn gemaakt naar aanleiding van zijn/haar melding op grond van de Wmo 2015 staan beschreven; hierin is de ondersteuningsbehoefte van de cliënt vastgelegd en zijn de doelen (beoogde resultaten) en hoe deze te bereiken beschreven, evenals de bijdragen die zowel het college als de cliënt, door middel van eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg en/of en zijn/haar sociale netwerk hieraan kunnen leveren; p. Overbelasting: overbelasting wijst op een verstoring van het evenwicht tussen draagkracht en draaglast waardoor fysieke en/of psychische klachten kunnen ontstaan; q. Pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 Wmo 2015; r. Pgb-aanbieder: een derde die cliënt heeft betrokken om ondersteuning in te kopen. Dit kan een professionele aanbieder of een informele hulp zijn; s.

Pgb-beheerder: een persoon die de belangen van de cliënt behartigt en de aan een Pgb verbonden taken uitvoert, als de cliënt ondersteuning heeft (of wenst te ontvangen) in de vorm van een Pgb; t. Sociaal netwerk: personen uit huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt; u. Verordening: de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Almelo 2025 v. Voorliggende voorziening: een voorziening die geboden wordt op grond van andere wetgeving, zoals Zorgverzekeringswet, Wet langdurige zorg etc. Als een cliënt zijn beperking kan opheffen door daadwerkelijk aanspraak te maken op een andere wet, is er voldoende eigen kracht; w. Wet: de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; x. Zorgverlener: hiermee wordt zowel de aanbieder, de professionele aanbieder als de informele hulp aangeduid. 2. Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wmo 2015, het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 1.2 Zelfredzaamheid 1. Op grond van de Wet bevat de omschrijving van het woord ‘zelfredzaamheid’ twee elementen: • Het uitvoeren van de noodzakelijke ADL; • Het voeren van een gestructureerd huishouden. 2.

Reikwijdte ADL: algemene dagelijkse levensverrichtingen zijn handelingen die mensen dagelijks in het gewone leven verrichten, met inbegrip van het bieden van structuur bij de persoonlijke verzorging. De ADL-uitgangspunten worden gebruikt om te bepalen in hoeverre iemand zelfredzaam is. Het gaat dan om: in en uit bed komen; aan‐ en uitkleden; bewegen; lopen; gaan zitten en weer opstaan; lichamelijke hygiëne (wassen); toiletbezoek; eten/drinken; medicijnen innemen; ontspanning; sociaal contact. De overname van persoonlijke verzorging bij mensen met dementie of medische problematiek valt onder de Zorgverzekeringswet. Het bieden van structuur (aansporen) maakt deel uit van de Wmo 2015. 3. Reikwijdte gestructureerd huishouden: op grond van de Wet en de memorie van toelichting op de Wet is de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning gedefinieerd als het kunnen: a. Beschikken over een schoon en leefbaar huishouden; b. Beschikken over schone en draagbare kleding; c. Beschikken over de benodigde maaltijden; d. Het kunnen zorgen voor minderjarige kinderen. Artikel 1.3 Participatie 1. Op grond van de Wet gaat het bij participatie om het actief deelnemen aan het maatschappelijke verkeer.

Dit wil zeggen dat iemand, ondanks zijn lichamelijke of geestelijke beperkingen, op gelijke voet met anderen in redelijke mate mensen kan ontmoeten, contacten kan onderhouden, boodschappen kan doen en aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen. Daarvoor is het ook een vereiste dat iemand zich kan verplaatsen. 2. De participatie kan worden verbeterd door het verrichten van maatschappelijk zinvolle activiteiten.

2

Artikel 1.4 Leefeenheid 1. Onder een leefeenheid wordt verstaan: alle bewoners die een gemeenschappelijke woning bewonen met als doel een duurzaam huishouden te voeren. 2. Als sprake is van kamerverhuur, dan wordt de huurder van de betreffende ruimte niet tot het huishouden gerekend. De huurder heeft dan ook geen taken ten aanzien van de persoon met een beperking die in dezelfde woning woont. Hierbij gaat het wel om de feitelijke situatie. De kwalificatie die bewoners zelf aan hun situatie geven is niet doorslaggevend. Artikel 1.5 Lokaal verplaatsen 1. Met lokaal verplaatsen per vervoermiddel wordt bedoeld: lopen, fietsen, gebruik van het openbaar vervoer of autorijden in de woon- en leefomgeving van de cliënt in en rondom Almelo. De lokale verplaatsingsafstand in Almelo is gesteld op 15 tot 20 kilometer. Daarbij worden in deze beleidsregels de volgende afstanden bedoeld: • Rondom huis (zeer korte afstand) de afstand van 0 m tot 100 meter; • Korte afstand: de afstand van 0 m tot 400 meter; • Middellange afstand: de afstand van 400 m tot 10 kilometer; • Lange afstand: de afstand boven 10 kilometer. Artikel 1.6 Algemeen gebruikelijke voorzieningen 1. Het college merkt een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel (hierna: voorziening) als algemeen gebruikelijk aan als: a. Deze niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; b.

Daadwerkelijk beschikbaar is; c. Een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner tot zelfredzaamheid of participatie in staat is; en; d. Deze financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau. 2. Onder een minimuminkomen wordt een inkomen op bijstandsniveau verstaan. Daarbij is het niet relevant of de aanvrager zelf een minimuminkomen heeft. Volgens het college kan een hulpmiddel financieel worden gedragen met een inkomen op minimumniveau als de kosten daarvan binnen een termijn van 36 maanden kunnen worden terugbetaald bij een aflossing van 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag op grond van de Participatiewet ten tijde van de aanvraag. Onder bijstandsnorm wordt verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 5 onder c van de Participatiewet. 3. Bij het criterium of een voorziening financieel draagbaar is met een minimuminkomen wordt rekening gehouden met de mogelijkheid van de aanschaf van voorzieningen binnen een tweedehands aanbod. 4. Bij het onderzoek naar de vraag of een voorziening algemeen gebruikelijk is, mag het inkomen en/of vermogen van de persoon geen rol spelen. 5. Het college merkt de in bijlage 2 voorzieningen in elk geval als algemeen gebruikelijke voorzieningen aan.

Deze lijst is niet limitatief en kan door het college worden aangepast aan de hand van maatschappelijke ontwikkelingen en rechtspraak. 6. De inwoner is zelf verantwoordelijk voor de aanschaf van algemeen gebruikelijke voorzieningen. Artikel 1.7 Gebruikelijke hulp 1. Onder ‘gebruikelijke hulp’ wordt verstaan de normale dagelijkse hulp die de partner en andere huisgenoten (waaronder kinderen) geacht worden elkaar te bieden, omdat ze een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van het huishouden. 2. Onder huisgenoot wordt verstaan: iedere persoon met wie de belanghebbende duurzaam gemeenschappelijk een woning bewoont, anders dan in een commerciële huurders- of kostgangersrelatie. Een huisgenoot is bijvoorbeeld een inwonend kind, maar zijn ook inwonende ouders. Of er sprake is van inwonendheid wordt naar de concrete feitelijke situatie beoordeeld. 3. Wat concreet valt onder ‘gebruikelijke hulp’ wordt bepaald door wat naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van een partner en andere huisgenoten. 4.

Van gebruikelijke hulp is sprake indien er een huisgenoot aanwezig is, die in staat kan worden geacht om bijvoorbeeld (niet limitatief): • Het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken; • Mee te gaan met familiebezoek of naar de huisarts; • Te ondersteunen bij het uitvoeren van de (financiële) administratie of dit over te nemen; • Te ondersteunen bij de opvoeding van en zorg voor kinderen;

3

•

Te activeren tot het ondernemen van en te begeleiden bij het normale maatschappelijke verkeer binnen de levenssfeer; • Gezamenlijk activiteiten te ondernemen; • Te ondersteunen bij de persoonlijke hygiëne/zelfzorg; • Te ondersteunen bij het verkrijgen van een dag/weekstructuur; • Te ondersteunen bij verplaatsingen binnen de leefomgeving met een incidenteel karakter die gepland kunnen worden. Hieronder wordt in ieder geval verstaan het bezoeken van vrienden, familie, huisarts en specialisten. 5. Het college onderzoekt aan de hand van de individuele omstandigheden en situatie de mogelijkheden van de inwoner om met (onder meer) gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren. 6. Het college onderzoekt welke hulp in een specifieke situatie van de huisgenoot in redelijkheid gevraagd kan worden. De huisgenoot is verplicht om mee te werken aan het onderzoek. Bij het onderzoek wordt rekening gehouden met de behoeften en persoonskenmerken van de inwoner. Ook dienen de mogelijkheden van de persoon die de gebruikelijke hulp verleent daarbij betrokken te worden. 7. Voor zover een partner, ouder, volwassen kind en/of andere volwassen huisgenoot overbelast is of dreigt te raken, wordt van hem of haar geen bijdrage verwacht. Hierbij dient wel onderzocht te worden wat de reden van overbelasting is.

Voor zover de (dreigende) overbelasting wordt veroorzaakt door maatschappelijke activiteiten buiten de gebruikelijke hulp in combinatie met een fulltime school- of werkweek, gaat het verlenen van gebruikelijke hulp voor op die maatschappelijke activiteiten. Het college kan huisgenoten in dit kader vragen om een plan van aanpak op te stellen waarin zij aangeven hoe zij hun eigen kracht duurzaam kunnen versterken, waardoor zij (weer) in staat zijn zelf de hulpvraag van de cliënt op te kunnen lossen. Het college weegt dit mee in haar advies ten aanzien van de in te zetten individuele voorziening. Het plan wordt meegewogen om het effect van de ondersteuning uit een maatwerkvoorziening in beeld te krijgen. Hierdoor komt er perspectief inzake het wel/niet voortbestaan van overbelasting in relatie tot de efficiëntie van de ingezette ondersteuning. Het college kan zo een juiste afweging maken. 8. Als de cliënt een maatwerkvoorziening in de vorm van een Pgb wenst en er wordt voldaan aan de voorwaarden voor een Pgb, dan is het niet toegestaan om dat Pgb te besteden aan inzet van de (dreigende) overbelaste huisgenoot. Een verstrekking van een Pgb kan de overbelasting niet wegnemen. 9. Indien een persoon huisgenoten heeft die in staat zijn om de huishoudelijke taken over te nemen, dan wordt verondersteld dat zij deze taken overnemen.

Dit principe is gebaseerd op de achterliggende gedachte dat een leefeenheid gezamenlijk verantwoordelijk is voor het huishoudelijke werk (het draaiende houden van een huishouden). Van iedere volwassene wordt verwacht dat zij naast andere dagelijkse bezigheden (werk, vrije tijd, enz.) een huishouden kunnen voeren. Indien een huisgenoot vanwege beperkingen uitvalt, wordt verwacht dat een andere huisgenoot deze taken overneemt. Dit geldt voor alle huisgenoten van 18 jaar en ouder. Er is sprake van een verplichtend karakter. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen huisgenoten op basis van sekse, religie, cultuur, gezinssamenstelling, drukke werkzaamheden of persoonlijke opvattingen over het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden. 10. In geval de leefeenheid van de inwoner mede bestaat uit minderjarige kinderen, dan gaat het college ervan uit dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en psychosociaal functioneren, een bijdrage kunnen leveren aan het huishouden. De inzet van kinderen mag niet ten koste gaan van hun welbevinden en ontwikkeling, waaronder de schoolprestaties.

De volgende richtlijnen worden gehanteerd ten aanzien van gebruikelijke hulp van kinderen in het huishouden: • Kinderen van 0 tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan het huishouden; • Kinderen tussen 5-12 jaar worden naar hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden als helpen met: opruimen, tafeldekken/afruimen, afwassen/afdrogen, in- en uitpakken van de vaatwasser, een boodschap doen, kleding in de wasmand leggen; • Kinderen vanaf 13 jaar kunnen, naast bovengenoemde taken, hun eigen kamer op orde houden, d.w.z. rommel opruimen, stofzuigen, bed verschonen; • Het college let in het bijzonder op de situatie van de jonge mantelzorgers. De jonge mantelzorger wordt zo nodig uitgenodigd bij het onderzoek.

4

Artikel 1.8 Algemene voorzieningen 1. Uitgangspunt van het gemeentelijk beleid is dat het gebruik van algemene voorzieningen zoveel mogelijk wordt gestimuleerd. 2. Voor een algemene voorziening is geen (diepgaand) onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de inwoner nodig. 3. Er is geen beschikking nodig om deel te kunnen nemen aan een algemene voorziening. 4. Een algemeen onderzoek of iemand tot de doelgroep van een algemene voorziening behoort, is mogelijk. 5. Inzetten van een algemene voorziening wordt mogelijk geacht indien de algemene voorziening: a. Daadwerkelijk beschikbaar is; b. Een adequate compensatie biedt voor de hulpvraag van de inwoner; c. Door de cliënt financieel gedragen kan worden.

Hoofdstuk 2 Toeleiding en toegang algemeen Artikel 2.1 Melding 1. Een inwoner kan zich bij het college melden om zijn behoefte aan ondersteuning kenbaar te maken. 2. Behalve door de inwoner zelf kan de melding ook worden gedaan door een wettelijke vertegenwoordiger. Een zorgverlener kan ook een melding doen, indien hij daarvoor uitdrukkelijk toestemming heeft van de cliënt. 3. Er kan op de volgende manieren een melding worden gemaakt: • Telefonisch via het informatienummer van de gemeente (0546-541111); • Fysiek; • Digitaal, waaronder via wmo@almelo.nl; • Voor beschermd wonen moet een melding worden gemaakt via de website Cimot –

https://cimot.almelo.nl/

•

Voor maatschappelijke opvang kan een melding worden gemaakt via de website Almelo •

Humanitas Onder Dak.

4. Tijdens het eerste contact wordt beoordeeld of (een algemene) vraag om informatie of advies van de cliënt direct afdoende en naar tevredenheid kan worden beantwoord. Bij twijfel of als uit het contact blijkt dat er een onderzoek moet plaatsvinden, omdat de vraag kan worden aangemerkt als een behoefte om maatschappelijke ondersteuning, wordt de melding geregistreerd. Het onderzoek kan bestaan uit: a. Een telefonisch onderzoek tijdens het (eerste) contact waarna een verwijzing volgt naar bijvoorbeeld een andere voorziening (bijvoorbeeld een algemene voorziening). In dit geval wordt geen ondersteuningsplan geschreven; b. Een onderzoek als bedoeld in artikel 2.4 van de verordening. Dit onderzoek kan leiden tot het opstellen van een ondersteuningsplan. Artikel 2.2 Onderzoek 1. Naar aanleiding van een melding wordt een onderzoek uitgevoerd als bepaald in artikel 2.4 van de verordening. 2. Indien dit naar het oordeel van het college noodzakelijk wordt geacht mantelzorgers, familieleden of reeds aanwezige hulpverleners bij het onderzoek betrokken. Dit neemt niet weg dat degene die het onderzoek uitvoert te allen tijde het recht heeft de cliënt zonder aanwezigheid van derden te spreken, met uitzondering van de onafhankelijke cliëntondersteuning. 3.

Een aanbieder wordt in het stadium van het onderzoek naar aanleiding van de melding niet betrokken bij het onderzoek, tenzij het onderzoek c.q. de vraagverheldering in opdracht van het college door deze aanbieder wordt verricht. Een Pgb-aanbieder is derhalve niet aanwezig in het kader van het onderzoek en komt pas concreet in beeld, nadat het ondersteuningsplan is opgesteld en het de wens is van de cliënt de verstrekking van de ondersteuning te laten plaatsvinden in de vorm van een Pgb. 4. Het college onderzoekt de onderwerpen die in de Wet en de verordening staan opgenomen. 5. Het onderzoek wordt afgerond met een ondersteuningsplan dat aan de cliënt wordt verstrekt. In het ondersteuningsplan zijn in ieder geval omschreven: • De uitkomst van de stappen, zoals genoemd in artikel 2.4 van de verordening; • De resultaten die bereikt zouden moeten worden met de inzet van ondersteuning; • Indien van toepassing: het moment waarop deze resultaten door het college worden geëvalueerd; 5

•

Indien van toepassing: gemaakte afspraken met de cliënt en/of zorgverlener.

Artikel 2.2.1 Aandachtspunten tijdens het onderzoek 1. Uitgangspunt bij het onderzoek naar de hulpvraag van de cliënt op het gebied van ambulante begeleiding, is dat gebruik wordt gemaakt van het normenkader 2.0 ontwikkelt door bureau HHM en Factum Advies. Dit normenkader is ontwikkeld om het college te helpen bij het bepalen van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt en het afwegen en onderbouwen van de aard en omvang van indicaties voor Wmo-begeleiding (individuele begeleiding en dagbesteding). Het normenkader 2.0 biedt handvaten bij de afweging wat naar het oordeel van het college nodig is voor de cliënt. Het bevat een richtlijn bij het bepalen van de aard en omvang van de in te zetten ondersteuning als uit het onderzoek blijkt dat inzet van een maatwerkvoorziening noodzakelijk wordt geacht. Het college maakt bij toepassing van het normenkader 2.0 gebruik van bijlage 3 van deze beleidsregels. 2. Het kan zijn dat uit het onderzoek naar de hulpvraag blijkt dat op meerdere leefgebieden te behalen doelstellingen te formuleren zijn, waarvoor geen oplossing gevonden kan worden binnen de eigen kracht (eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen. Dit wil zeggen of de cliënt zelf of samen met zijn directe omgeving zijn situatie kan verbeteren), voorliggende of algemene voorzieningen.

Voor wat betreft de omvang van de maatwerkvoorziening is het niet zo dat de ureninschatting per gebied bij elkaar wordt opgeteld. Het gaat om maatwerk: het bereiken van de doelstelling is leidend. Zo kan bijvoorbeeld: a. In een bepaalde volgtijdelijkheid worden gewerkt aan de te bereiken doelstellingen, omdat naar het oordeel van het college het niet mogelijk wordt geacht om alle leefgebieden tegelijkertijd aan te pakken; b. Ook kan inzet van hulp op een bepaald leefgebied indirect tot een oplossing van een probleem leiden op een ander leefgebied; c. Daarnaast kan de te bereiken doelstelling ertoe leiden dat binnen de duur van de indicatie of na een verzoek om verlenging van de maatwerkvoorziening wordt afgeschaald naar een lagere intensiteit; d. Daar waar de individuele situatie dat noodzaakt, kan gemotiveerd van de richtlijn worden afgeweken. 3. De terminologie die gehanteerd wordt in het normenkader 2.0 staat los van de terminologie die verbonden is aan het gemeentelijke voorzieningenaanbod. Artikel 2.3 Spoedprocedure 1. In een acute situatie wordt de spoedprocedure gehanteerd, waarbij door het college gedurende twee weken ondersteuning ingezet kan worden zonder indicatie. Het gaat dan om: a. Een plotselinge wijziging in de (gezondheids-)situatie van een cliënt (aandoeningen, stoornissen, beperkingen) of van de mantelzorger; b.

Die leidt tot een toekenning van of inzet van substantieel andere inhoud en omvang van de benodigde zorg; c. Waarbij het noodzakelijk is om de zorg binnen 24 tot 48 uur in te zetten om onaanvaardbare gezondheidsrisico's voor de cliënt en/of zijn gezin te voorkomen. 2. Spoedzorg wordt altijd middels een maatwerkvoorziening middels Zorg in natura verstrekt. 3. In de twee weken dat de spoedvoorziening ingezet is, heeft de coach de gelegenheid om het onderzoek naar de hulpvraag uit te voeren. 4. Voor het inzetten van ondersteuning in spoedsituaties is geen aanvraag vereist. Voor het inzetten van de vervolghulp, dus de hulp na de eerste twee weken, dient wel een aanvraag te worden ingediend door de cliënt. De cliënt ontvangt na afronding van het onderzoek zo nodig een beschikking met betrekking tot de inzet van de hulp in verband met een spoedeisende situatie en de vervolghulp die wordt ingezet. 5. Spoedzorg voor hulp bij het huishouden wordt alleen verstrekt voor niet uitstelbare taken, zoals zorgen voor eten en drinken en zorg voor jonge kinderen. Eerst wordt getoetst of gebruikelijke hulp, het sociaal netwerk, mantelzorg en algemene, collectieve en/of voorliggende voorzieningen een oplossing kunnen bieden. 6.

Voor situaties waarin het toezicht in de avonduren en de nacht door familie of het sociale netwerk opgelost kan worden, is via de spoedprocedure dagbesteding voor maximaal 10 dagdelen per week mogelijk, gedurende twee weken. In deze twee weken moet beoordeeld worden of er sprake is van zorg, ondersteuning en toezicht die onder de Wlz vallen of dat er andere oplossingen binnen de Wet maatschappelijke ondersteuning gevonden moeten worden. 7. De spoedinzet van dagbesteding wordt door de coach getoetst op de criteria: 6

• Er is sprake van een acute verandering (dus geen geleidelijke verslechtering van de situatie); • Een veiligheidsaspect aanwezig is waardoor toezicht nodig is; • Cliënt beschikt niet over een Wlz-indicatie. 8. Als de zorgverlener niet geïndiceerde (spoed)zorg levert aan een cliënt, die niet voldoet aan de gestelde criteria, verleent de zorgverlener deze zorg voor eigen rekening. Artikel 2.4 Eigen kracht 1. Het college mag verwachten van een inwoner dat hij/zij zich inspant om de eigen situatie te verbeteren of dat iets gedaan wordt door een partner of familielid. Zo mag het college uitgaan van de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner door bijvoorbeeld te verwachten dat de inwoner gebruik maakt van een algemeen gebruikelijke voorziening of een andere regeling/voorziening die de beperking van de inwoner vermindert of opheft. 2. Voordat een inwoner in aanmerking kan komen voor een maatwerkvoorziening dient hij/zij in eerste instantie te kijken in hoeverre hijzelf/zijzelf, of indien mogelijk met zijn/haar directe omgeving, een bijdrage kan leveren aan het verbeteren van zijn/haar situatie. Iedere inwoner is primair zelf verantwoordelijk voor diens eigen leven en daarmee voor de eigen zelfredzaamheid en participatie.

Daarnaast behoort tot de eigen kracht ook het gebruik maken van de hulp van het sociaal netwerk of een mantelzorger en bijvoorbeeld de mogelijkheid om zich te laten behandelen. 3. Bij de beoordeling van de eigen kracht wordt ook rekening gehouden met de situatie die aan de hulpvraag voorafgaat. Bijvoorbeeld door te anticiperen op een levensfase waarin beperkingen niet ongebruikelijk meer zijn. Inwoners zullen zich bijvoorbeeld moeten voorbereiden op wat veelal hoort bij de levensfase van het ouder worden, zoals de behoefte aan een kleinere woning in verband met het vertrek van kinderen, de nabijheid van winkels en gemaksdiensten, een gelijkvloerse woning in verband met verminderde mobiliteit. 4. Onder het aanwenden van eigen kracht wordt ook verstaan deelname aan de programma’s die gericht zijn op het vergroten van de mogelijkheden van de inwoner om zelf huishoudelijke activiteiten te verrichten en/of de zelfredzaamheid te versterken. Door bijvoorbeeld de interventie Powerful Ageing, deze inzet is gericht op het verbeteren van de fysieke zelfredzaamheid van de ouder wordende mensen. 5. Ook het mogelijk maken van de inzet van (zorg-)technologie wordt beschouwd als het bestendigen van de eigen kracht. 6. Het gebruik maken van de eigen kracht betekent ook dat de inwoner zelf voorziet in de kosten/voorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn (zie ook artikel 1.6). 7.

Gebruik maken van de eigen kracht veronderstelt dat de inwoner aanspraak maakt op een door hem/haar afgesloten (aanvullende) ziektekostenverzekering indien deze mogelijkheid bestaat en daardoor een beroep op een maatwerkvoorziening kan worden voorkomen en/of worden beperkt. 8. Uitdrukkelijk behoort tot de eigen kracht ook het beroep doen op voorzieningen op grond van een andere wet (voorliggende voorzieningen). Artikel 2.5 Hulp uit het sociaal netwerk 1. Van een inwoner wordt verwacht dat hij/zij kijkt of hij/zij met hulp uit zijn/haar sociaal netwerk zijn/haar hulpvraag kan oplossen. 2. Bij de mogelijkheden van hulp uit het sociaal netwerk wordt meegewogen wat naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van iemand uit het sociaal netwerk. 3. Als inzet van het sociaal netwerk mogelijk en redelijk wordt geacht, wordt van de inwoner verwacht dat hij/zij aanspraak doet op hulp uit het sociaal netwerk. 4. Als de inwoner een individuele voorziening in de vorm van een Pgb wenst en er wordt voldaan aan de voorwaarden voor een Pgb, dan is het niet toegestaan om dat Pgb te besteden aan inzet van een (dreigende) overbelaste persoon uit het sociaal netwerk. Een verstrekking van een Pgb kan de overbelasting niet wegnemen. Artikel 2.6 Voorliggende voorzieningen en oplossingen 1.

Een voorliggende voorziening is onderdeel van het beroep op de eigen kracht van de inwoner. Als voorliggende voorziening wordt beschouwd de (al dan niet bij de Wet geregelde) voorziening waar de inwoner daadwerkelijk een beroep op kan doen en waardoor hij/zij geen of in mindere mate een beroep hoeft te doen op maatschappelijke ondersteuning. 2. Andere beschikbare voorliggende voorzieningen in Almelo worden betrokken bij het onderzoek als bedoeld in artikel 2.2. Het zal namelijk niet altijd zo zijn dat het college alle beschikbare mogelijkheden heeft gecontracteerd als algemene voorziening. Het zal wel duidelijk moeten zijn

7

welke voorliggende voorzieningen beschikbaar zijn, zodat vastgesteld kan worden of het een passende oplossing is.

Hoofdstuk 3 Voorzieningen Paragraaf 1.1 Uitgangspunten inzet maatwerkvoorzieningen Artikel 3.1 Uitgangspunten bij het inzetten van maatwerkvoorziening 1. Bij het inzetten van ondersteuning gelden de volgende algemene uitgangspunten: a. Voor de inzet van alle maatwerkvoorzieningen geldt dat het college beoordeelt welke inzet of voorziening daadwerkelijk noodzakelijk wordt geacht. Hierbij geldt het principe dat de goedkoopst adequate voorziening wordt ingezet. Indien een cliënt een andere voorziening wenst die meerkosten met zich meebrengt dan zijn deze kosten voor de cliënt; b. Normaliseren is het uitgangspunt: de cliënt en zijn/haar leefeenheid benutten voldoende hun eigen kracht om met fysieke, mentale en sociale uitdagingen in het leven om te gaan. Zij voeren daarbij zo veel als mogelijk eigen regie; c. De zorgverlener maakt gebruik van de eigen kracht van de cliënt, gebruikelijke hulp, het sociale netwerk en/of de mantelzorgers en probeert deze eigen kracht zo veel mogelijk te bevorderen. De inzet vindt plaats aanvullend op wat de cliënt en zijn/haar sociale omgeving zelf kunnen; d. De (professionele)aanbieder hanteert een systeemgerichte aanpak en zet in op de versterking van het systeem rondom de cliënt; e. De inzet van ondersteuning is integraal afgestemd op andere voorzieningen; f.

Ondersteuning vindt zo veel mogelijk plaats in de vertrouwde (leef)omgeving van de cliënt, maar is niet plaatsgebonden. Ondersteuning op een wijklocatie is hier een voorbeeld van; g. De inzet van ondersteuning is in beginsel tijdelijk; h. Als het college een maatwerkvoorziening inzet en er een keuze gemaakt kan worden tussen een groepsgerichte en een individueel gerichte voorziening, zet het college de groepsgerichte voorziening in; i. Het uitgangspunt is dat een ambulante voorziening altijd voor gaat op de inzet van een verblijfsvoorziening; j. Waar mogelijk wordt afschalen van de (zwaarte van de) maatwerkvoorziening gerealiseerd. De overgang naar een lichtere vorm van ondersteuning (zoals bijvoorbeeld het toeleiden naar een algemene voorziening) wordt gerealiseerd, zodra dit naar het oordeel van het college verantwoord is; k. De inzet van ondersteuning leidt niet tot zorg- en/of persoonsafhankelijkheid, maar draagt actief en maximaal bij aan het versterken van de eigen kracht van de cliënt en de sociale omgeving; l. Als het college meerdere maatwerkvoorzieningen inzet gedurende dezelfde periode dan kunnen deze voorzieningen niet gelijktijdig, op hetzelfde tijdstip, ingezet worden. Een cliënt kan bijvoorbeeld niet op hetzelfde tijdstip zowel dagbesteding als begeleiding individueel ontvangen; m.

Als het college de inzet van zorgtechnologieën mogelijk acht waarvoor geen (aanvullende) maatwerkvoorziening geïndiceerd hoeft te worden, is de inzet van zorgtechnologieën voorliggend op een maatwerkvoorziening. Paragraaf 1.2 Financieel Besluit Voor de voorzieningen zoals deze in hoofdstuk 3 genoemd zijn, is de financiële tegemoetkoming, voor zover van toepassing, terug te vinden in het Financieel Besluit. Paragraaf 2 Ambulante voorzieningen en logeerzorg Artikel 3.2 Criteria maatwerkvoorziening begeleiding en dagbesteding 1. Het doel van de maatwerkvoorziening begeleiding is het bevorderen, behouden en/of compenseren van zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt, zodat deze zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven wonen. 2. Begeleiding kan in de vorm van begeleiding individueel en dagbesteding plaatsvinden. Artikel 3.2.1 Algemene uitgangspunten maatwerkvoorziening begeleiding en dagbesteding 1. De ondersteuningsbehoefte van de cliënt staat centraal. Deze wordt integraal bekeken, waarbij de verschillende leefgebieden worden meegenomen. 2. Ondersteuning is laagdrempelig en dichtbij en is ontwikkelingsgericht, gericht op stabilisering en waar mogelijk, herstelgericht. 8

3. Er wordt gestuurd op doelen, casusregie en tussentijdse resultaatevaluatie. Artikel 3.2.2 Begeleiding individueel 1. Voor de maatwerkvoorziening begeleiding individueel zijn er twee niveaus: begeleiding individueel basis en begeleiding individueel plus. Voor wat betreft de in te zetten maatwerkvoorziening wordt rekening gehouden met de kenmerken van de cliënt, zoals opgenomen in de tabel in bijlage 4 en het normenkader, zoals benoemd in artikel 2.2.1 van deze beleidsregel. 2. De begeleiding vindt in principe plaats in de omgeving waar de cliënt woont, tenzij door de gemeentelijke toegang (coach) anders wordt besloten. Afhankelijk van de individuele casus kan er ook gebruik worden gemaakt van begeleiding op afstand, bijvoorbeeld door middel van (beeld)bellen of op een wijklocatie. Artikel 3.2.2.1 Begeleiding individueel basis 1. Begeleiding individueel basis is bedoeld voor een cliënt met een verstandelijke, zintuigelijke, lichamelijke, cognitieve, psychische, psychosociale of (psycho-)geriatrische beperking die zich uiten in beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie. 2. Er moet sprake zijn van matige beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie op één of meerdere leefgebieden.

De cliënt voldoet aan twee of meer van de volgende kenmerken: • De cliënt heeft in enige mate activering en/of stimulans nodig; • De cliënt kan de behoefte/ondersteuningsvraag voldoende begrijpelijk maken; • De cliënt is gemotiveerd om aan de ondersteuningsvraag te werken; • De cliënt heeft redelijk inzicht in de eigen (on)mogelijkheden; • Er kan sprake zijn van matige gedragsproblematiek bij de cliënt; • De leefsituatie is redelijk stabiel. Er is geen of slechts een geringe kans op risicovolle situaties en/of escalatie; • De cliënt is in staat tot het uitstellen van de ondersteuningsvraag. Artikel 3.2.2.2 Begeleiding individueel plus 1. Begeleiding individueel plus is bedoeld voor een cliënt met ernstige en/of meervoudige verstandelijke, zintuigelijke, lichamelijke, cognitieve, psychische, psychosociale of (psycho-) geriatrische beperkingen die zich uiten in beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie. 2. Er moet sprake zijn van ernstige beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie op meerdere levensgebieden.

De cliënt voldoet aan twee of meer van de volgende kenmerken: • De cliënt heeft in grote mate activering en/of stimulans nodig; • De cliënt kan de behoefte/ondersteuningsvraag onvoldoende begrijpelijk maken; • De cliënt is wisselend gemotiveerd om aan de ondersteuningsvraag te werken; • De cliënt heeft beperkt of geen inzicht in de eigen (on)mogelijkheden; • De cliënt vertoont zeer regelmatig onvoorspelbaar gedrag. Er is vaak sprake van ernstige gedragsproblematiek; • De leefsituatie is niet stabiel en/of er is een grote kans op risicovolle situaties en of escalatie; • De cliënt is niet in staat tot het uitstellen van de ondersteuningsvraag. Artikel 3.2.3 Dagbesteding 1. Voor de maatwerkvoorziening dagbesteding zijn er twee producten: dagbesteding basis en dagbesteding plus. Dagbesteding vindt fysiek plaats in groepsverband, op een specifiek daarvoor ingerichte locatie, buiten de woonsituatie/woning van de cliënt. Voor wat betreft de in te zetten maatwerkvoorziening wordt rekening gehouden met de kenmerken van de cliënt, zoals opgenomen in de tabel in bijlage 5 en het normenkader, zoals benoemd in artikel 2.2.1 van deze beleidsregel. 2. Het college is verantwoordelijk voor het vervoer van en naar de dagbesteding als de cliënt en zijn/haar omgeving zelf niet in een oplossing kunnen voorzien.

Uitgangspunt is dat de ondersteuning zo dicht mogelijk bij de cliënt wordt georganiseerd. Vervoer van en naar de dagbesteding kan als onderdeel van de maatwerkvoorziening worden toegekend. Het vervoer is aanbesteed en de cliënt maakt gebruik van de gecontracteerde vervoerder wanneer er zorg in natura is ingezet. De maatwerkvoorziening collectief vervoer (Regiotaxi) wordt niet ingezet voor vervoer van en naar de groepsgerichte ondersteuning.

9

Artikel 3.2.3.1 Dagbesteding basis 1. Dagbesteding basis is bedoeld voor een cliënt met een verstandelijke, zintuigelijke, lichamelijke, cognitieve, psychische, psychosociale of (psycho-)geriatrische beperking, waardoor zich beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie voordoen. 2. Er moet sprake zijn van matige beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie op één of meerdere levensgebieden. De cliënt voldoet aan meerdere van de volgende kenmerken: • De cliënt heeft in enige mate activering en/of stimulans nodig; • De cliënt kan de behoefte/ondersteuningsvraag voldoende begrijpelijk maken; • De cliënt kan beperkt of geen inzicht in de eigen beperkingen hebben, maar dit zorgt niet voor belemmeringen; • De cliënt vertoont redelijk constant gedrag. Er kan sprake zijn van matige gedragsproblematiek. Artikel 3.2.3.2 Dagbesteding plus 1. Dagbesteding plus is bedoeld voor een cliënt met ernstige en/of meervoudige verstandelijke, zintuigelijke, lichamelijke, cognitieve, psychische, psychosociale of (psycho-)geriatrische beperkingen, waardoor zich beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie voordoen. 2. Er moet sprake zijn van ernstige beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie op meerdere levensgebieden.

De cliënt voldoet aan twee of meer van de volgende kenmerken: • De cliënt heeft in grote mate activering en/of stimulans nodig; • De cliënt kan de behoefte/ondersteuningsvraag onvoldoende begrijpelijk maken; • De cliënt heeft beperkt of geen inzicht in de eigen beperkingen, wat zorgt voor belemmeringen en intensievere ondersteuning; • De cliënt vertoont zeer regelmatig onvoorspelbaar gedrag; er is vaak sprake van ernstige gedragsproblematiek; • De cliënt is snel (psychisch) uit balans en kan moeilijk omgaan met veranderingen. Artikel 3.3 Kortdurend verblijf logeerzorg 1. Logeerzorg is vergelijkbaar met de oude Awbz functie kortdurend verblijf. Het doel van deze voorziening is het bieden van ondersteuning aan de mantelzorger(s) door tijdelijk verblijf (inclusief dagbesteding) buitenshuis van de cliënt die van zorg afhankelijk is, mogelijk te maken. Het resultaat moet zijn dat de mantelzorger wordt ontlast, waardoor de cliënt langer thuis of zelfstandig kan blijven wonen. 2. Bij de zorgverlener waar de cliënt kortdurend verblijft, wordt de dagelijkse zorg overgenomen. Logeerzorg omvat in ieder geval bed, bad, maaltijden (3 per dag) en verblijf. 3. Logeerzorg is een integrale voorziening. Dagbesteding en begeleiding hoeven niet apart te worden geïndiceerd. Dit geldt ook voor verpleging en persoonlijke verzorging. 4.

De cliënt is in principe zelf verantwoordelijk voor vervoer van en naar de instelling voor logeerzorg. Hiervoor kan gebruik gemaakt worden van eigen vervoer of van hulp uit het eigen netwerk. Is de cliënt hiertoe niet in staat, dan wordt het vervoer geïndiceerd en door de (Pgb-)aanbieder georganiseerd. 5. De omvang van logeerzorg is 1, 2 of 3 etmalen per week; afhankelijk van wat noodzakelijk is in de specifieke situatie van de cliënt of diens mantelzorger(s). Er is een maximum van 3 etmalen (72 uur) per week gesteld, omdat het logeren betreft. Bij meer dan 3 etmalen in een instelling is er sprake van opname waarvoor een intramurale indicatie op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) moet worden gesteld. 6. Een vergoeding van respijtzorg op grond van het aanvullend pakket van de zorgverzekering wordt aangemerkt als een voorliggende voorziening. Paragraaf 3. Huishoudelijke ondersteuning Artikel 3.4 Huishoudelijke ondersteuning 1. Het doel van huishoudelijke ondersteuning is de cliënt in de eigen leefomgeving ondersteuning te bieden bij huishoudelijke taken, waardoor hij/zij (beter) in staat is tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen, het voeren van een gestructureerd huishouden en deelname aan het maatschappelijk verkeer. 2.

Voor het bepalen van de noodzakelijke inzet, de frequentie en de omvang van de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning wordt gebruik gemaakt van het meest recente 10

3. 4. 5.

6.

7. 8.

normenkader huishoudelijke ondersteuning (normenkader huishoudelijke ondersteuning 2025 bureau HHM). Toepassing van het normenkader vereist individueel maatwerk. Het college kan afwijken met zowel op- als neerwaartse bijstellingen. Dit kan alleen als gemotiveerd aangegeven wordt waarom de verhoging of verlaging noodzakelijk is. Voor alles geldt dat als maatwerk vraagt om hiervan af te wijken, dit voorgaat op de richtlijn. Bijlage 1 geeft het normenkader voor de huishoudelijke ondersteuning weer. Voordat de inzet van huishoudelijke ondersteuning bepaald wordt, wordt beoordeeld of de cliënt zelf in staat is om zelf huishoudelijke activiteiten te verrichten. Cliënten van wie verwacht wordt dat zij (deels) hun eigen kracht kunnen aanwenden voor het verrichten van huishoudelijke activiteiten moeten meewerken aan de verwijzing naar de intake van Powerful Ageing omdat het een onderdeel is van de onderzoeksfase en gezien wordt als een voorziening waarmee de eigen kracht wordt gestimuleerd. Het normenkader gaat uit van de basismodule Schoon en Leefbaar Huis. Als gevolg van objectiveerbare (medische) beperkingen de cliënt onvoldoende ondersteund wordt door de basismodule kunnen de volgende aanvullende modules ingezet worden: • Module regie; • Module wasverzorging; • Module maaltijdverzorging; • Module zorg voor minderjarige kinderen; • Module praktische hulp.

Het schoonhouden of schoonmaken van de buitenkant van de woning, zoals het ramen lappen aan de buitenkant, maakt geen deel uit van de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning. Van de cliënt wordt medewerking gevraagd om de ondersteuning zo efficiënt mogelijk te kunnen organiseren. Dit betekent dat hiermee rekening wordt gehouden bij de inrichting van de woning en planning van huishoudelijke werkzaamheden. Te denken valt aan het ergonomisch verantwoord inrichten van de woning, het voorkomen van grote verzamelingen en het opruimen van de woning, zodat het schoonmaken zo efficiënt mogelijk uitgevoerd kan worden.

Artikel 3.4.1 Powerful Ageing 1. Powerful Ageing wordt ingezet om met behulp van gerichte fysiotherapie het explosieve spiervermogen te vergroten, waardoor de zelfredzaamheid van de ouder wordende mens (wordt) vergroot. Door de inzet van Powerful Ageing kunnen inwoners langer vitaal en actief meedoen in de samenleving. Door inzet van Powerful Ageing kan de aanspraak op huishoudelijke ondersteuning worden voorkomen, afnemen of uitgesteld worden. 2. De coach beoordeelt of er sprake is van de noodzaak tot inzet van de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning. Na de aanmelding voor huishoudelijke ondersteuning vindt een eerste gesprek met de cliënt plaats waarna de onderzoeksfase om de noodzaak van de aanvraag van huishoudelijke ondersteuning vast te stellen. Indien de cliënt niet valt onder de gestelde uitsluitingscriteria, wordt de cliënt verwezen naar de intake voor de interventie van Powerful Ageing. 3. Na de Intake bij Powerful Ageing komt er een terugkoppeling aan de coach of de cliënt al dan niet geschikt is voor deelname aan de interventie Powerful Ageing. Op basis van deze terugkoppeling zal de coach een advies geven over de omvang van de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning. Artikel 3.4.2 Basis module schoon en leefbaar huis 1. Het resultaat van de basismodule huishoudelijke ondersteuning is dat de cliënt beschikt over een schoon en leefbaar huis.

Het omvat het lichte en zware schoonmaakwerk. Schoon staat voor een basishygiëne borgen, waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van cliënten worden voorkomen. Leefbaar staat voor opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. 2. Een schoon huis wil niet zeggen dat alle vertrekken wekelijks schoongemaakt moeten worden. Het betekent dat het huis niet vervuilt en periodiek schoon wordt gemaakt om zo een algemeen aanvaard basisniveau van schoon te realiseren. 3. De basismodule heeft betrekking op de woonruimten die nodig zijn voor het normale gebruik van de woning en die daadwerkelijk dagelijks in gebruik zijn. In het algemeen zijn dit de volgende woonruimten: a. Woonkamer; b. Slaapkamer(s) in gebruik bij de cliënt en huisgenoten; c. Badkamer; 11

4. 5.

6. 7.

d. Toilet; e. Keuken; f. Verkeersruimten (hal, overloop, bijkeuken); g. Trap, mits één van de hierboven genoemde ruimten zich op een andere etage bevindt. Per woonruimte wordt aangegeven welke activiteiten met welke frequentie moeten worden verricht om het resultaat schoon en leefbaar huishouden te behalen. Het type woning, de grootte van de woning of het aantal bewoners hebben geen invloed op de frequentie van de activiteiten. Op basis van het normenkader kan overgegaan worden tot extra inzet, omdat: a. In verband met medische en/of fysieke beperkingen (bijvoorbeeld bij COPD) een meer dan gebruikelijke hygiëne noodzakelijk is en een hoger niveau van schoon moet worden bereikt dan het algemeen aanvaard basisniveau van schoon. Deze beperkingen dienen objectief medisch aantoonbaar te zijn; b. In verband met medische en/of fysieke beperkingen het huis sneller vervuilt (bijvoorbeeld door gebruik van noodzakelijke hulpmiddelen). Deze beperkingen dienen objectief medisch aantoonbaar te zijn; c. Door de aanwezigheid van kinderen onder de 12 jaar het huis sneller vervuilt. Deze extra vervuiling dient door de ouders in redelijkheid tot het noodzakelijke beperkt te worden, maar kan aanleiding zijn aanvullende inzet toe te kennen. De aanwezigheid van dieren is in beginsel geen aanleiding voor het toekennen van extra inzet.

De extra werkzaamheden die hieruit voortvloeien behoren tot de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt. Bij wijze van uitzondering, bij aanwezigheid van een hulphond, kan huishoudelijke ondersteuning worden toegekend.

Artikel 3.4.3 Aanvullende module regie 1. Het doel van de module regie is dat ondersteuning wordt geboden bij de dagelijkse organisatie van het huishouden. Het resultaat is dat de cliënt langer zelfstandig woont. 2. Deze module wordt ingezet als in redelijkheid niet meer van de cliënt verwacht kan worden dat deze zelfstandig beslissingen neemt ten aanzien van zijn huishouden of als disfunctioneren dreigt als gevolg van bijvoorbeeld dementie. Dat kan zich uiten in vervuiling (van de woning of kleding), verwaarlozing (eten en drinken) of ontreddering van zichzelf. Ook kan sprake zijn van een grote mate van afhankelijkheid van huisgenoten. Hierdoor wordt de cliënt zowel binnens- als buitenshuis belemmerd in zijn zelfstandig functioneren. Bij deze module worden niet alleen huishoudelijke taken overgenomen, maar heeft de huishoudelijke hulp ook taken op het gebied van aansturing en regie. Daarbij geldt voor de helpende een extra verantwoordelijkheid ten aanzien van het signaleren van ongewenste situaties of toenemende kwetsbaarheid. Bewaken of het nog verantwoord is dat de cliënt zelfstandig woont, is daarom onderdeel van deze module. Ook kan de ondersteuning bestaan uit het helpen handhaven, verkrijgen of herkrijgen van structuur in het huishouden. 3. De module kan ook worden ingezet voor het aanleren van huishoudelijke taken.

Ondersteuning wordt dan voor de maximale duur van 6 weken ingezet voor het bieden van advies, instructie en voorlichting. 4. Bij de module regie moet worden overwogen of een andere maatwerkvoorziening, zoals ondersteuning zelfstandig leven, meer passend is. Een afweging die hierbij gemaakt moet worden is of de ondersteuning alleen gericht is op het huishouden of dat er ook ondersteuning op andere gebieden noodzakelijk is. Wanneer de ondersteuning gericht is op het toezien en stimuleren en er aanwezigheid gewenst is tijdens de uitvoering van de huishoudelijke taken dan kan deze ondersteuning vanuit de module regie worden uitgevoerd. Wanneer ook ondersteuning op andere gebieden noodzakelijk is en tevens gericht is op het plannen, stimuleren en organiseren van de huishoudelijke taken dan zal ondersteuning zelfstandig leven in het algemeen meer passend zijn. 5. De module regie wordt niet verstrekt in combinatie met de voorziening begeleiding. Artikel 3.4.4 Aanvullende module wasverzorging 1. Deze module wordt bij hoge uitzondering ingezet indien door beperkingen geen gebruik kan worden gemaakt van de algemene voorziening wasverzorging. Indien gebruik moet worden gemaakt van deze module dan geldt dat: a. Het resultaat van de module wasverzorging is dat de cliënt beschikt over voldoende schone en draagbare kleding en linnen- en/of beddengoed voor het volledige huishouden; b.

De module wasverzorging kan worden ingezet als het een cliënt niet lukt om zijn kleding, linnen- of beddengoed zelfstandig op orde en schoon te houden; 12

c.

Het mogelijk is dat de was op een centrale locatie uitgevoerd wordt. Wanneer dit niet het geval is mag verwacht worden dat de cliënt beschikt over een wasmachine. Als die er niet is, behoort het aanschaffen van een wasmachine tot de verantwoordelijkheid van de cliënt; d. Verwacht mag worden dat er alles aan gedaan wordt de ondersteuning zoveel mogelijk te beperken. Bijvoorbeeld door het aanschaffen van een wasdroger of het kopen van kleding die niet gestreken hoeft te worden. Alleen in uitzonderingssituaties wordt ondersteuning geboden bij het strijken, bijvoorbeeld als iemand een papieren huid heeft en kreukels al wonden kunnen geven of als iemand vanwege een verstoord immuunsysteem bijzonder bevattelijk is voor virussen en bacteriën. Het betreft uitzonderingsgevallen, waarbij maatwerk nodig is. Van de cliënt wordt tevens verwacht dat al het mogelijke wordt gedaan om het ontstaan van extra was te beperken. Bijvoorbeeld door het gebruik van incontinentiemateriaal of antiallergieproducten. 2. De vaststelling van de inhoud van de module vindt plaats door een individuele afweging met afstemming op de individuele situatie. 3. Er zijn factoren waardoor meer hulp bij de wasverzorging noodzakelijk kan zijn.

Hierbij kan gedacht worden aan (meerdere opties mogelijk): • Fysieke beperkingen, zoals incontinentie, nachtzweten, speekselvloed; • Andere medische aandoeningen, zoals bij bedlegerigheid; • Omvang en samenstelling van het huishouden (waaronder kinderen jonger dan 16 jaar). Artikel 3.4.5 Aanvullende module maaltijdverzorging 1. Deze module zal vanwege het in ruime mate voorhanden zijn van algemene voorzieningen (maaltijdenservice en boodschappendiensten) alleen in uitzonderingssituaties worden verstrekt. 2. Het resultaat van de module maaltijdverzorging is dat de cliënt kan beschikken over de benodigde dagelijkse maaltijden voor het volledige huishouden. 3. Onder de module maaltijdverzorging valt zowel het doen van de boodschappen als de maaltijdbereiding en het klaarzetten en opruimen van de maaltijd. 4. Deze module wordt ingezet wanneer de cliënt zelf of met hulp van zijn sociale netwerk, gebruikelijke hulp, mantelzorg en/of algemene en/of voorliggende voorzieningen, niet in staat is te zorgen voor de dagelijkse maaltijden. 5. De maaltijdbereiding en het klaarzetten en opruimen ervan kan vallen onder huishoudelijke ondersteuning, ondersteuning zelfstandig leven of de functie persoonlijke verzorging in de Zorgverzekeringswet. Dit hangt af van welke vorm van ondersteuning nodig is. Dit geldt voor zowel de broodmaaltijden als de warme maaltijden.

Daar waar de cliënt nog zelfstandig kan eten en dit uit eigen beweging ook doet, valt de maaltijdbereiding onder huishoudelijke ondersteuning. Als de cliënt weliswaar zelfstandig kan eten, maar gestimuleerd moeten worden om ook daadwerkelijk te gaan eten en er toegezien moet worden op inname van de maaltijd, valt de maaltijdbereiding en het klaarzetten en opruimen ervan onder ondersteuning zelfstandig leven. Persoonlijke verzorging (Zvw) kan worden geïndiceerd als een cliënt niet langer in staat is zelf te eten of als zelf eten, bij bijvoorbeeld slikproblemen, een gevaar van verstikking kan opleveren. De cliënt moet dan gevoed worden. 6. Het uitgangspunt bij broodmaaltijden is dat deze 1x per dag gemaakt worden. Broodmaaltijden die in de ochtend gemaakt zijn, kunnen tot ’s avonds in de koelkast bewaard en gegeten worden. 7. Voor broodmaaltijden kan niet worden verwezen naar een voorliggende voorziening. Er zijn wel aanbieders van broodmaaltijden (denk aan bakkers), maar dit betreffen de meer luxe en uitgebreide ontbijten en lunches. Dit kan dan ook niet worden aangemerkt als een algemeen gebruikelijke voorziening gezien de bijkomende hogere kosten. 8.

Eigen keuzes, zoals de keuze voor speciaal voedsel dat beperkt wordt aangeboden, waardoor extra reizen nodig is of het doen van boodschappen in een groot aantal winkels, resulteert niet in extra ondersteuning voor boodschappen doen. 9. Van de norm kan, voor wat betreft de frequenties, worden afgeweken in geval van: • Huishouden met meer dan 4 personen; • Thuiswonende kinderen jonger dan 12 jaar. Artikel 3.4.6 Aanvullende module zorg voor minderjarige kinderen 1. Het doel van de module zorg voor minderjarige kinderen is dat door de geboden ondersteuning de dagelijkse zorg voor minderjarige kinderen is gegarandeerd. Het resultaat is dat het gezinsverband kan worden gehandhaafd. 2. Het zorgen voor kinderen is een taak van ouders en/of verzorgers. Dat geldt ook voor ouders die door een beperking niet of moeilijk in staat zijn hun kinderen te verzorgen. Uitgangspunt is hierbij 13

3.

4.

5.

6.

dat bij uitval van één van de ouders, de andere ouder deze zorg daar waar mogelijk overneemt. Een eventuele maatwerkvoorziening is er voor ouders die door acuut ontstane problemen een oplossing nodig hebben voor minderjarige, gezonde kinderen. Aanvullend op het gestelde in de verordening kan aan de hand van de criteria in de beleidsregels tegemoetkoming kinderopvang via een Sociaal Medische Indicatie gemeente Almelo een inwoner in de leeftijd van 0-12 jaar in aanmerking komen voor een Sociaal Medisch Indicatie. (Mede) aan de hand van de criteria in artikel 2.8 van de verordening Jeugdhulp gemeente Almelo 2025 wordt beoordeeld of deze module wordt ingezet bij een cliënt. Deze module wordt in beginsel tijdelijk afgegeven met een maximale duur van 3 maanden om ouders/verzorgers de mogelijkheid te bieden een structurele oplossing te vinden. Van hen mag worden verwacht dat zij zich tot het uiterste zullen inspannen om die oplossing zo snel mogelijk te vinden. Daarbij dient ook onderzocht te worden of de persoon aanspraak kan maken op ondersteuning via de zorgverzekering. Individuele ondersteuning voor structurele opvang van kinderen is niet mogelijk binnen de Wmo 2015. Het passen op kinderen valt niet onder dit resultaat.

De activiteiten die vallen onder de module zorg voor minderjarige kinderen zijn: • Naar bed brengen en uit bed halen; • Wassen en kleden; • Eten en drinken geven; • Babyvoeding; • Luier verschonen; • Naar school/kinderopvang brengen. De frequentie waarmee de activiteiten uitgevoerd worden, worden op maat vastgesteld aan de hand van het normenkader huishoudelijke ondersteuning.

Artikel 3.4.7 Aanvullende module praktische hulp 1. De module praktische hulp is gericht op overname van taken om zelfstandig te kunnen (blijven) wonen. Onder praktische hulp verstaan wij ondersteuning die gericht is op het stabiliseren en verbeteren van de situatie van de cliënt. 2. Activiteiten van de praktische hulp zijn onder andere gericht op het sorteren van de post en het bestellen van online boodschappen. Paragraaf 4 Woonvoorzieningen Artikel 3.5 Woonvoorzieningen 1. Woonvoorzieningen hebben tot doel beperkingen, die het normale gebruik van de woning door de inwoner met beperking in de weg staan, te compenseren. Hierbij valt te denken aan aanpassingen aan de woning (aanpassing van keuken of toilet) en voorzieningen in de woning (douchezitje, toiletstoel etc.). Daarnaast kan een financiële tegemoetkoming worden verstrekt voor de verhuisen inrichtingskosten. 2. In uitzonderlijke situaties kan er sprake zijn van overleg tussen de gemeente en de woningbouwcoöperatie over de noodzaak van verhuizing naar een andere (meer) passende woning. 3. Onder het ‘normale gebruik van de woning’ verstaat het college de normale woonfuncties, zoals slapen, eten, lichaamsreiniging, het doen van huishoudelijke werkzaamheden, keukengebruik en het zich verplaatsen binnen de woning.

Onder het ‘normale gebruik van de woning’ verstaat het college ook de veiligheid in en rond de woning en de toegang van de woning. 4. Het college verstrekt, indien de noodzaak is vastgesteld, de onderstaande woonvoorzieningen: • Een financiële tegemoetkoming in de verhuis- en (her-)inrichtingskosten; • Een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening; • Overige woonvoorzieningen, zoals bijv. woningsanering. 5. Het college verstrekt de goedkoopst adequaat compenserende woonvoorziening. De extra kosten voor een duurdere voorziening betaalt de inwoner zelf. 6. Het college verstrekt alleen een woonvoorziening voor de woonruimte waar de inwoner zijn hoofdverblijf heeft, dus niet voor een vakantiewoning of een tweede woning. Een uitzondering wanneer de persoon met beperkingen in een Wlz-instelling woont en regelmatig een adres buiten de instelling bezoekt, bijvoorbeeld in het ouderlijk huis. Het college kan dan een financiële tegemoetkoming verlenen in de kosten voor het bezoekbaar maken van de woning, onder de voorwaarde dat de woonruimte regelmatig wordt bezocht. Onder regelmatig wordt verstaan het gemiddeld twee keer per maand bezoeken van de betreffende woning. Met het bezoekbaar 14

maken van de woonruimten bedoelt het college dat de inwoner de woonruimte, de woonkamer en een toiletvoorziening kan bereiken en gebruiken tot een maximum tegemoetkoming van € 1.500,-. Artikel 3.5.1 Geen recht op een woonvoorziening 1. Algemeen gebruikelijke voorziening: Het college verstrekt geen woonvoorziening die voor de inwoner algemeen gebruikelijk is. • Het aanpassen van de woning aan de eisen van de tijd en/of renovatie is algemeen gebruikelijk. Voorbeelden hiervan zijn: een ander toilet doorspoelsysteem, een extra kraan in de badkamer en het weghalen van het lavet. Of een bepaalde woonvoorziening algemeen gebruikelijk is, beoordeelt het college aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval. Hierbij worden de persoonlijke omstandigheden en behoeften van de inwoner in aanmerking genomen; • Het college merkt de in bijlage 2 genoemde voorzieningen in elk geval als algemeen gebruikelijke voorzieningen aan. Deze lijst is niet limitatief en kan door het college worden aangepast aan de hand van maatschappelijke ontwikkelingen en rechtspraak. 2. Aard van de gebruikte materialen: Wanneer de problemen, die de inwoner ondervindt, het gevolg zijn van de gebruikte materialen in de woning verstrekt het college geen woonvoorziening.

Het college wil hiermee voorkomen dat woonvoorzieningen moeten worden getroffen als gevolg van beperkingen die voortvloeien uit de in de woning gebruikte materialen, achterstallig onderhoud etc. Bij de woningeigenaar ligt immers de verantwoordelijkheid om de woning goed te onderhouden. 3. Uitrustingsniveau van sociale woningbouw: Het college verstrekt geen voorziening die van een hoger niveau is dan het uitrustingsniveau van de sociale woningbouw. Het college gaat ervan uit dat het uitrustingsniveau van de sociale woningbouw voldoende compensatie biedt. Wil de inwoner dus een voorziening van een hoger niveau, dan moet hij/zij dit zelf betalen. 4. Verhuizing vanuit een geschikte woning: Wanneer de inwoner verhuist vanuit een geschikte woning en in zijn/haar nieuwe woning beperkingen ondervindt, heeft hij/zij geen recht op een woonvoorziening. Dit is alleen anders wanneer de inwoner verhuisd is vanwege een belangrijke reden. Een belangrijke reden kan bijvoorbeeld zijn, een echtscheiding. 5. Verhuizing naar een geschikte woning: Wanneer de inwoner niet is verhuisd naar een geschikte woning, in ieder geval in de basis geschikt en/of gezien zijn of haar beperkingen, verstrekt het college geen woonvoorziening: • Door te verhuizen naar een niet geschikte woning zijn er belemmeringen in het normale gebruik van de woning ontstaan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Almelo&id=78487226-3ddb-470a-b691-8a5928618954