CConstaterende datAlmelo
Koppel je AI →
Document · PDF

8.3 Vaststelling bestemmingsplan De Savornin Lohmanstraat - Bijlage 3 - Het vast te stellen bestemmingsplan Compleet Analoog BP De Savornin Lohmanstraat.pdf

Raad 20 december 2022, gemeente AlmeloBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan De Savornin Lohmanstraat37.230 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

24

NL.IMRO.0141.00141-BP31

het geluid van het emplacementsterrein te beoordelen en de effecten op de nieuw te bouwen woningen in beeld te brengen. Uit een memo van de ODT d.d. 10 oktober 2022, bijgevoegd als bijlage 3, blijkt dat ProRail een milieuvergunning heeft gekregen voor het rangeerterrein, waarmee de bijbehorende geluidruimte en geluidniveaus vastliggen. Gelet op de getroffen geluidreducerende maatregelen en de geluidnormen in de vergunning mag worden aangenomen dat de geluidbelastingen vanwege het rangeren bij de nieuwe woningen lager ligt dan 50, 45 en 40 dB(A) tijdens de dag-, avond en nachtperiode. Uit de memo volgt dat de meetpunten 1, 2, 14 en 15 zijnde de woningen aan de Parallelweg respectievelijk met de huisnummers 240, 212, 232 en 214 voldoen aan de maximaal toegestane geluidbelasting welke door de emplacementsactiviteiten mogen worden veroorzaakt. De nieuw te bouwen woningen worden op grotere afstand dan de genoemde meetpunten gerealiseerd. Bovendien worden de emplacementsactiviteiten van het plangebied aan de De Savornin Lohmanstraat afgeschermd door onder andere de (woon)bebouwing bij deze meetpunten. Het rangeren wordt dan ook niet belemmerd door de realisatie van de nieuwe woningen. 4.3.4 Conclusie De Wet geluidhinder vormt, mits gelijktijdig met dit bestemmingsplan een hogere waarde wordt vastgesteld ten behoeve van de 8 eengezinswoningen van maximaal 58 dB t.g.v.

de Aalderinkssingel en maximaal 54 dB t.g.v. de César Franckstraat, evenals maximaal 60 dB t.g.v. spoorweglawaai, geen belemmering voor de uitvoering van het voorgenomen plan. Uit de beoordeling van de vergunde geluidruimte in de vergunning van de emplacementsactiviteiten mag worden aangenomen dat de geluidbelastingen vanwege het rangeren bij de nieuwe woningen lager ligt dan 50, 45 en 40 dB(A) tijdens de dag-, avond en nachtperiode. Het rangeren wordt dan ook niet belemmerd door de realisatie van de nieuwe woningen en de nieuwe woningen ondervinden geen onevenredige hinder van de emplacementsactiviteiten. Aan de noordwestzijde van het plangebied komt een tuinmuur van 2,0 meter hoog, die het geluid van de Aalderinkssingel moet beperken. Deze muur wordt met een aanduiding 'geluidscherm' op de verbeelding en in de regels opgenomen. Daarnaast dienen geluidwerende voorzieningen te worden aangebracht om het maximale binnenniveau van 33 dB niet te overschrijden. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning zal dit verder uitgewerkt moeten worden.

4.4 Trilling railverkeer In Nederland bestaat geen wetgeving voor het voorkomen van hinder of schade door trillingen. Dit betekent niet dat bij het opstellen van ruimtelijke plannen het aspect trillingen geen aandachtspunt is. Voor de normstelling wat betreft trillingen wordt de SBR-richtlijn 'Meet- en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen' deel B 'hinder voor personen in gebouwen' aangehouden. Deze richtlijn sluit grotendeels aan bij internationale richtlijnen. Om deze metingen te kunnen uitvoeren, moet echter het gebouw al gerealiseerd zijn. Om vooraf een inschatting te maken wat betreft de kans op trillingshinder wordt de 'Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen' gehanteerd. De locatie is gelegen ten zuiden van de spoorlijn Deventer Oost - Hengelo West. Op dit traject rijden zowel reizigerstreinen als goederentreinen. De afstand van de spoorlijn tot de te realiseren woningen aan de De Savornin Lohmanstraat bedraagt minimaal 60 m. Bovendien gaat het om woningbouw in het plangebied, wat tweedelijns bebouwing betreft ten opzichte van het spoor. Andere woningen en bijbehorende bouwwerken zijn namelijk tussen de voorgenomen woningen en het spoor gelegen. Het is daarom aannemelijk dat er geen onoverkomelijke problemen ontstaan om een goed woon- en leefklimaat te waarborgen.

Eventuele knelpunten zijn oplosbaar met bouwkundige/technische maatregelen, waarbij trillingshinder bijvoorbeeld in de fundering wordt opgevangen. In artikel 9 Algemene bouwregels is daarom een bepaling opgenomen dat er slechts mag worden gebouwd nadat is vastgesteld dat er maatregelen genomen zijn tegen trillingshinder, die ervoor zorgen dat Vmax niet hoger uitkomt dan de voelbaarheidsgrens van 0,1. Het gaat hierbij om gebouwen waarin gevoelige functies (waar mensen langdurig verblijven), zoals woningen, gevestigd kunnen

vastgesteld Bestemmingsplan De Savornin Lohmanstraat

25

NL.IMRO.0141.00141-BP31

worden. Bij de aanvraag omgevingsvergunning bouwen zal dit nader berekend/onderbouwd moeten zijn.

4.5 Bedrijven en milieuzonering Om een leefbare woonomgeving te waarborgen worden de ruimtelijk relevante milieu-invloeden van bedrijfsmatige activiteiten, in relatie tot de omgeving, beschreven. Vanuit deze doelstelling ligt in de woongebieden het accent op wonen en worden bedrijfsmatige activiteiten geweerd of ontmoedigd. Andersom ligt het accent in gebieden waar bedrijvigheid is toegestaan op activiteiten en wordt wonen niet direct toegestaan. Functiemenging van detailhandel en wonen, kan gewenst zijn voor zover deze niet leidt tot een onleefbare situatie en deze bedrijvigheid direct is gerelateerd aan de woonomgeving (bv. buurtsuper, schoolgebouw). 4.5.1 Wijze van beoordelen

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: <0000> ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; <0000> rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling een belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen te kunnen maken, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden in de publicatie gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Voor een 'gemengd gebied' mogen de richtafstanden met een milieucategorie verlaagd worden. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. 4.5.2 Onderzoek In de beoogde situatie worden 8 woningen gerealiseerd. Hiermee worden milieugevoelige functies opgericht en moet worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG-brochure.

In de omgeving van het plangebied staan voornamelijk woningen. De functie 'wonen' betreft geen milieubelastende functie voor de omgeving en is daarom niet opgenomen in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering'. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Naast de woningen zijn in beperkte mate ook andere functies in de omgeving aanwezig, zoals wegen en het spoor. Gezien de overwegende woonfunctie kan de omgeving niettemin getypeerd worden als 'rustige woonwijk'. Kleinschalige activiteiten, zoals detailhandel en kantoor of bedrijven aan huis, leveren geen problemen op en zijn buiten beschouwing gelaten. De bedrijvigheid aan de overzijde van de Aalderinkssingel betreffen kantoren, dienstverlening, (groot)handel en maatschappelijke functies, zoals onderwijsdoeleinden, kinderopvang en/of een dagactiviteitencentrum. Deze functies vallen allen onder milieucategoriëen 1 en 2, waarbij in een rustige woonwijk een richtafstand van 30 m behoort. Omdat de afstand tot het plangbied aan de overzijde van de Aalderinkssingel minimaal 45 m bedraagt, wordt aan de richtafstand ruimschoots voldaan. In en om het plangebied zijn verder geen bedrijven aanwezig die een negatieve invloed hebben op de nieuw te realiseren woningen en hierdoor belemmerd zouden kunnen worden in hun bedrijfsvoering of in hun ontwikkelingsmogelijkheden.

4.5.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat het gewenste plan in het kader van milieuzonering in overeenstemming is te achten met een goede ruimtelijke ordening.

vastgesteld Bestemmingsplan De Savornin Lohmanstraat

26

NL.IMRO.0141.00141-BP31

4.6 Fysieke veiligheid 4.6.1 Inleiding Het aspect fysieke veiligheid beoogt het beschermen van mens, dier en milieu tegen (de gevolgen van) ongevallen en rampen. Om de effecten van een incident zoveel mogelijk te beperken, is het belangrijk dat hulpverleningsdiensten op kunnen treden en dat burgers zich in veiligheid kunnen brengen. Het bestemmingsplan is op fysieke veiligheidsaspecten getoetst aan landelijke, regionale en gemeentelijke richtlijnen en/of regelgeving. Dit betreft de onderdelen: <0000> bereikbaarheid; <0000> opkomsttijd; <0000> bluswatervoorziening; <0000> zelfredzaamheid; <0000> sirenedekking. De hoofdtaken van de brandweer zijn onderverdeeld in schakels uit de veiligheidsketen. De schakels zijn: Pro-actie; de schakel pro-actie gaat onder andere over de bluswatervoorziening, de bereikbaarheid en de sirenedekking. Preventie; voor het aspect preventie geldt dat rekening moet worden gehouden met de bestaande wet- en regelgeving. Preparatie; voor hulpdienstrelevante objecten is het wenselijk om deze op te nemen in de planvorming van de brandweer, zoals een bereikbaarheidskaart of een aanvalsplan. Repressie; vanuit de repressieve dienst wordt ter plaatse bepaald hoe er wordt ingezet. Nazorg; de taak nazorg heeft geen consequenties voor de ruimtelijke ordening.

Ondanks de gerealiseerde veiligheidsmaatregelen en -voorzieningen blijft er een restrisico waarbinnen incidenten plaats kunnen vinden. 4.6.2 Bereikbaarheid 4.6.2.1 Bereikbaarheid algemeen Bij het bepalen of er in het plangebied sprake is van een goede bereikbaarheid van de gebouwen via het openbare wegennet wordt het plangebied getoetst aan de handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid. Hierbij wordt beoordeeld of: <0000> de weg voldoet aan de specifieke afmetingen van brandweervoertuigen; <0000> een willekeurig adres binnen een verblijfsgebied in principe via een tweede onafhankelijke route bereikbaar is; <0000> of de verkeersaders aan de brandweervoertuigen een onbelemmerde doorgang bieden. 4.6.2.2 Beoordeling bereikbaarheid Het plangebied is vanuit verschillende richtingen goed te bereiken, met name via de Aalderinkssingel. Er wordt op dit punt dan ook voldaan aan de handleiding Bluswatervoorziening en bereikbaarheid. 4.6.3 Opkomsttijd 4.6.3.1 Opkomsttijd algemeen De opkomsttijd is de optelsom van de verwerkingstijd van de melding, de uitruktijd en de aanrijdtijd. De uitruktijd is daarbij de tijd tussen het alarmeren van de brandweer door de meldkamer en het tijdstip dat het voertuig de kazerne verlaat. De aanrijdtijd is de tijd die het eerste voertuig nodig heeft om van de kazerne naar de plaats van het incident te gaan.

De opkomsttijd van de brandweer wordt als een belangrijk kwaliteitskenmerk van de brandweer beschouwd. In het Besluit Veiligheidsregio's (BVR) zijn de opkomsttijden voor de brandweer vastgelegd en staan in onderstaande tabel beschreven. Normtijd

Gebruiksfunctie

5 minuten 6 minuten

Winkel met gesloten constructie (tijdens openingsuren), wonen boven winkel, cel Portiekwoningen/portiekflats, woning verminderd zelfredzamen

vastgesteld Bestemmingsplan De Savornin Lohmanstraat

27

NL.IMRO.0141.00141-BP31

8 minuten 10 minuten

Overige woningen, winkels, gezondheidszorg, onderwijs, kinderdagverblijf, logies Kantoor, (lichte)industrie, sport, overige ruimtes voor bijeenkomsten, overige gebruiksfuncties

Daarnaast is het ‘Dekkingsplan Brandweer Twente’, dat onderdeel uitmaakt van het beleidsplan, vastgesteld. 4.6.3.2 Beoordeling opkomsttijd De grondgebonden rijwoningen vallen in de categorie overige woningen, waarvoor een opkomsttijd van 8 minuten geldt. Uit berekeningen blijkt dat de brandweer in theorie binnen deze norm ter plaatse kan zijn. 4.6.4 Bluswatervoorziening 4.6.4.1 Bluswatervoorziening algemeen Voor een optimale bluswatervoorziening wordt onderscheid gemaakt in primaire, secundaire en tertiaire bluswatervoorzieningen. Dit is van belang omdat de eisen voor de afstand, de capaciteit en de bereikbaarheid verschillend zijn. De basiskenmerken van deze drie modellen zijn: <0000> De primaire bluswatervoorziening Boven- of ondergrondse brandkranen die geplaatst zijn op het drinkwaterleidingnet. <0000> De secundaire bluswatervoorziening De secundaire bluswatervoorziening is in principe aanvullend op een primaire bluswatervoorziening. Een secundaire bluswatervoorziening kan bestaan uit geboorde putten, bluswaterriolen, vijvers e.d. of ondergrondse reservoirs. Hiervoor geldt een afstand van maximaal 320 meter tot het object. Daarnaast moet het brandweervoertuig het water tot maximaal 8 meter kunnen bereiken.

<0000> De tertiaire bluswatervoorziening Bij de noodzakelijke inzet van grotere hoeveelheden water of gedurende langere tijd zijn de primaire en secundaire voorzieningen niet voldoende. Water wordt dan onttrokken uit bijvoorbeeld kanalen. Hiervoor geldt een afstand van maximaal 2500 meter tot het object. Daarnaast moet het brandweervoertuig het water tot maximaal 50 meter kunnen bereiken. 4.6.4.2 Beoordeling bluswatervoorziening Tijdens de beoordeling van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt beoordeeld of een brandweerkraan dient te worden geplaatst. 4.6.5 Zelfredzaamheid 4.6.5.1 Zelfredzaamheid algemeen Voor de bestrijdbaarheid van een incident zijn onder andere de bereikbaarheid voor hulpdiensten, opkomsttijd en bluswatervoorziening van belang. Daarnaast speelt de zelfredzaamheid van burgers een rol. Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan hoofdzakelijk uit schuilen en vluchten. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. De ruimtelijke inrichting van het gebied kan op verschillende manieren inspelen op de zelfredzaamheid.

4.6.5.2 Beoordeling zelfredzaamheid De toekomstige bewoners van de nieuwe woningen worden in beginsel aangemerkt als zelfredzaam. De omgeving van het plangebied biedt voldoende mogelijkheden om uit te wijken in geval van calamiteiten. 4.6.6 Waarschuwings- en alarmeringssysteem De sirene is een hulpmiddel van de overheid om mensen te kunnen waarschuwen voor acute gevaren. Dit systeem zal in de komende jaren verdwijnen. Daarna zullen de aanwezige personen in bedreigd gebied worden gewaarschuwd middels NL-Alert. Dit is bijvoorbeeld het geval als er

vastgesteld Bestemmingsplan De Savornin Lohmanstraat

28

NL.IMRO.0141.00141-BP31

gevaarlijke stoffen vrijkomen bij een brand of ongeval. In het bericht wordt tevens het handelingsperspectief vermeld, zodat de personen die zich in het bedreigde gebied bevinden weten hoe te handelen.

4.7 Externe veiligheid 4.7.1 Algemeen Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: <0000> bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; <0000> vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet.

Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute.

Gemeentelijk beleid Bij het opstellen van de externe veiligheidsparagraaf is uitgegaan van de huidige wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Door de gemeente Almelo is in maart 2014 het externe veiligheidsbeleid 2015-2018 vastgesteld. Dit beleid, inclusief de 16 algemene uitgangspunten, is op 19 november 2019 verlengd tot en met 2021. Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt rekening gehouden met de uitgangspunten uit dit veiligheidsbeleid. 4.7.2 Onderzoek Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In figuur 4.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (blauwe cirkel) en omgeving weergegeven. In de omgeving van het plangebied zijn een aantal kwetsbare objecten, zoals onderwijsinstellingen (staande groene driehoekjes) te vinden, maar geen risicovolle inrichtingen.

vastgesteld Bestemmingsplan De Savornin Lohmanstraat

29

NL.IMRO.0141.00141-BP31

Figuur 4.1: Uitsnede risicokaart met ter plaatse van de blauwe cirkel het plangebied (bron: risicokaart.nl) Ook vindt er geen transport van gevaarlijke stoffen plaats via de weg, het water of door buisleidingen. Wel vindt er vervoer van gevaarlijke stoffen plaats via spoortraject 30 (Deventer Oost – Hengelo West). Over de spoorlijn vindt vervoer plaats van gevaarlijke stoffen. Het invloedsgebied bedraagt meer dan 4 kilometer als gevolg van het vervoer van stofcategorie D4, toxische stoffen. Het maatgevende invloedsgebied voor het groepsrisico bedraagt 460 meter. Het plangebied De Savornin Lohmanstraat ligt op een afstand van minimaal 40 meter. De dichtstbijzijnde woninggevel ligt op circa 60 meter van het spoor. Om de volgende redenen kan een berekening van het groepsrisico achterwege blijven: <0000>

<0000>

de afstand tot de dichtstbijzijnde woninggevel is weliswaar minder dan 200 m, zodat het groepsrisico inzichtelijk gemaakt zou moeten worden met een QRA. Bij het op 14 september 2021 vastgestelde bestemmingsplan 'Bornerbroeksestraat, Parallelweg en Thorbeckelaan' is voor de nabijgelegen Parallelweg een dergelijke berekening gemaakt. Het plangebied van de Parallelweg is circa 700 m ten zuidoosten van deze planontwikkeling gesitueerd. De planomvang aldaar van 10 woningen is vergelijkbaar met dit intiatief van 8 woningen. De woningen van de Parallelweg zijn op circa 30 m van het spoor voorzien, terwijl deze bij de De Savornin Lohmanstraat op circa 60 m afstand zijn gepland. Uit het onderzoek aldaar blijkt dat het groepsrisico onder de oriëntatiewaarde ligt. Het groepsrisico is in zowel de huidige als toekomstige situatie een factor 0.07 keer de oriëntatiewaarde. Het is onwaarschijnlijk dat een berekening bij de De Savornin Lohmanstraat een wezenlijk andere uitkomst oplevert. Hierdoor kan worden volstaan met een beknopte verantwoording; de toename van het aantal personen als gevolg van de ontwikkeling in verhouding tot de personen in het invloedsgebied van het spoor (stedelijk gebied van Almelo) is zeer beperkt. Dit kan een toename van 10% van het groepsrisico uitsluiten;

vastgesteld Bestemmingsplan De Savornin Lohmanstraat

30

NL.IMRO.0141.00141-BP31

<0000>

voor de gemeente Almelo is berekend dat er door het vaststellen van het Basisnet spoor geen overschrijding van de oriënterende waarde van het groepsrisico is te verwachten (0,2 maal de oriënterende waarde van het groepsrisico) (bron: Basisnet spoor gemeente Almelo, 2011).

Bovenstaande komt overeen met uitgangspunt 15 uit het gemeentelijke Externe Veiligheidsbeleid, waarbij de Gemeente Almelo in bepaalde gevallen een korte standaard groepsrisicoverantwoording hanteert, zoals in bijlage 8 van het Externe veiligheidsbeleid is opgenomen. Dit luidt als volgt: Verantwoordingsplicht Het groepsrisico (GR) kent geen vaste norm, maar een oriëntatie waarde waaraan wordt getoetst. Bij het vaststellen van bestemmingsplannen dient elke (mogelijke) verandering van het groepsrisico verantwoord te worden (de verantwoordingsplicht). Deze verantwoordingsplicht geldt ook als het groepsrisico wijzigt maar wel onder de oriëntatie waarde blijft. Voor onderhavige situatie is gekeken naar de consequenties voor het groepsrisico. Gezien de (beperkte) wijziging die de ruimtelijke ontwikkeling (van 8 eengezinswoningen) met zich mee brengt in aantallen personen binnen het invloedsgebied van de risicobron is de Gemeente Almelo van mening dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling geen onevenredige risico's voor de omgeving met zich meebrengen. Hierdoor kan worden volstaan met een beperkte invulling van de verantwoordingsplicht groepsrisico, waarbij aanvullend op bovenstaande informatie alleen ingegaan hoeft te worden op de punten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Het groepsrisico hoeft dan ook niet in berekend te worden.

In het kader van het BEVT dient wel het groepsrisico te worden verantwoord en dient te worden ingegaan op de aspecten bereikbaarheid, bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. De woningen aan de De Savornin Lohmanstraat worden goed ontsloten vanuit meerdere windrichtingen waardoor de bereikbaarheid goed te noemen is. Van belang is verder dat voor een scenario bleve (boiling liquid expanding vapour explosion) een (nood)uitgang aanwezig is die van de bron af gericht is zodat aanwezige personen van de bron af kunnen vluchten. De voordeuren van de woningen aan de zuidzijde voldoen aan deze eis. Bij een toxisch scenario is het van belang dat het ventilatiesysteem handmatig kan worden uitgeschakeld zodat de mensen kunnen schuilen in het gebouw. Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Zowel voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen.

Tevens speelt een snelle alarmering ten allen tijde een belangrijke rol. Het plangebied is ontsloten via De Savornin Lohmanstraat naar de Aalderinkssingel of eventueel via de Schaepmanlaan naar het noordoosten richting de Parallelweg of het zuiden richting de Thorbeckelaan. Dit kan worden bestempeld als een gedegen netwerk gezien de verschillende toegangswegen en de bereikbaarheid vanuit tegengestelde windstreken. Daarnaast kan via verschillende straten van de bron af worden gevlucht. Deze dienen minimaal 4,5 meter breed te zijn met een minimale verharding van 3,25 en een vrije hoogte van 4,2 meter om de bereikbaarheid te garanderen. Zelfredzaamheid De beoogde ontwikkeling voorziet in de toevoeging van 8 eengezinswoningen. De toekomstige bewoners van de nieuwe woningen worden in beginsel aangemerkt als zelfredzaam. 4.7.3 Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van het spoortraject Deventer Oost – Hengelo West waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het groepsrisico nabij dit spoortraject ligt in de huidige situatie ruimschoots onder de oriëntatie waarde. Dit initiatief betreft de toevoeging van 8 woningen, dit vastgesteld Bestemmingsplan De Savornin Lohmanstraat

31

NL.IMRO.0141.00141-BP31

draagt niet significant bij aan een verhoging van het groepsrisico. Tevens blijkt uit de beknopte risicoverantwoording dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle bronnen aanwezig. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.8 Kabels en leidingen 4.8.1 Toetsingskader Rond planologisch relevante leidingen dient rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden (belemmeringenzones). 4.8.2 Onderzoek Onder de De Savornin Lohmanstraat loopt een waterleiding, die ook als zodanig in het geldende bestemmingsplan is bestemd. De vigerende dubbelbestemming 'Leiding - Water' is in voorliggend bestemmingsplan overgenomen. 4.8.3 Conclusie De bestaande waterleiding staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg. Voor het overige zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig.

4.9 Luchtkwaliteit 4.9.1 Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van deze maatgevende stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven. Stof

Toetsing van

Grenswaarde

Stikstofdioxide (NO2)

Jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

Uurgemiddelde concentratie

Max. 18 keer p.j. meer dan 200 µg/m³

Jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

24-uurgemiddelde concentratie

Max. 35 keer p.j. Meer dan 50 µg / m³

Jaargemiddelde concentratie

25 µg/m³

Fijn stof (PM10)

Fijn stof (PM2,5)

Besluit niet in betekenende mate (nibm) In het Besluit nibm en de bijbehorende regeling is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden: <0000>

een project heeft een effect van minder dan 3% toename van concentratie NO2 (stikstof dioxide) en PM10 ( fijn stof) in de buitenlucht;

vastgesteld Bestemmingsplan De Savornin Lohmanstraat

32

NL.IMRO.0141.00141-BP31

<0000>

een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m² bvo bij één ontsluitingsweg.edrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid.

4.9.2 Onderzoek De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van 8 woningen. Het plan draagt daarom in niet betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht. Er wordt voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2021 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. Het dichtstbijzijnde meetpunt ligt aan de Aalderinkssingel, direct ten westen van het plangebied. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat aan de Aalderinkssingel in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide 13,6 µg/m³, fijn stof PM10 15,9 µg/m³ (met 6 overschrijdingsdagen per jaar) en fijn stof PM2,5 8,8 µg/m³ bedroegen. Deze waarden liggen ruimschoots onder de grenswaarden. Hierdoor is er ter plaatse van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 4.9.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.10 Bodemkwaliteit 4.10.1 Toetsingskader Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient een bodemonderzoek te worden verricht. Kruse Milieu B.V. heeft ter plaatse een verkennend (asbest)bodemonderzoek conform NEN5740 en NEN5707 uitgevoerd. Een samenvatting van de resultaten en de conclusies uit dit onderzoek is in de volgende subparagraaf opgenomen. Voor een nadere toelichting op de resultaten wordt verwezen naar het complete bodemonderzoek, opgenomen in bijlage 4 van deze toelichting. 4.10.2 Onderzoek De belangrijkste resultaten en conclusies van het door Kruse Milieu B.V. uitgevoerde verkennend (asbest) bodemonderzoek op een terrein ter grootte van circa 2.487 m² aan De Savornin Lohmanstraat in Almelo zijn als volgt: In de bovengrond (BG II en BG III) en in het grondwater (PB 1) zijn enkele van de onderzochte stoffen in een (zeer) licht verhoogde concentratie aangetoond. Op basis van een indicatieve toetsing aan het Besluit Bodemkwaliteit valt de bovengrond (BG II) met betrekking tot PAK (en minerale olie) in de functieklasse “Industrie”. De 4 deelmonsters uit BG II zijn separaat op PAK onderzocht.

Na de indicatieve toetsing van de resultaten van de separate PAK-analyses valt de bovengrond (BG II) met betrekking tot PAK in functieklasse “Wonen”. Het gemeten minerale oliegehalte in BG II (87 mg/kg droge stof) is lager dan de vastgestelde waarde voor minerale olie in het “Twents beleid veur oale groond” (minerale olie < 100 mg/kg d.s.). Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4. In de boven- en ondergrond (BG I en OG) zijn geen gehalten boven de achtergrondwaarden gemeten. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, wordt het uitvoeren van nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. De analyseresultaten van de grondmonsters zijn indicatief getoetst aan het Besluit Bodemkwaliteit. Op basis hiervan vallen de bovengrond (BG I) en ondergrond (OG) in de functieklasse “Altijd toepasbaar”. De bovengrond (BG II) valt op basis van het gemeten gehalte aan minerale olie in de functieklasse “Industrie”. Binnen de regio Twente voldoet deze grond conform het “Twents beleid veur oale groond” aan de klasse “Wonen”. De bovengrond (BG III) valt op basis van het gemeten gehalte aan PCB in de functieklasse “Wonen”.

vastgesteld Bestemmingsplan De Savornin Lohmanstraat

33

NL.IMRO.0141.00141-BP31

In de fijne fractie van de mengmonsters MM FF - 01, MM FF - 02 en MM FF - 03 is geen asbest aangetoond. Uit het doorlatendheidsonderzoek is gebleken dat de bodem ter plekke van de toekomstige wadi geschikt is voor infiltratie. De gemiddelde doorlatendheid van beide meetpunten bedragen 1,15 en 1,45 m/dag. Uit milieukundig oogpunt is er naar onze mening geen bezwaar tegen de voorgenomen werkzaamheden, aangezien de vastgestelde verontreinigingen in de grond geen risico’s voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin). 4.10.3 Conclusie Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de voorgenomen nieuwbouwplannen, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. Geconcludeerd wordt dat het aspect bodemkwaliteit de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat.

4.11 Flora en fauna 4.11.1 Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: <0000> alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; <0000> het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van sociale of economische aard, en <0000> de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming

vastgesteld Bestemmingsplan De Savornin Lohmanstraat

34

NL.IMRO.0141.00141-BP31

In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: <0000> soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; <0000> soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; <0000> overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb.

De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt, waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. 4.11.2 Onderzoek Eelerwoude heeft een Quickscan Flora en Fauna inclusief stikstofberekening voor de De Savornin Lohmanstraat uitgevoerd. Dit rapport is bijgevoegd als bijlage 5. Gebiedbescherming Niet stikstof-gerelateerde effecten Op ruim 7,6 km ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Wierdense Veld. Gezien de afstand tot het Natura 2000-gebied en de aard van de ruimtelijke ontwikkeling worden negatieve effecten op beschermde natuurwaarden van het Natura 2000-gebied niet verwacht. Er is geen aanleiding voor een verdere toetsing in het kader van de Wet natuurbescherming, onderdeel gebieden.

Stikstof-gerelateerde effecten Aan de hand van de berekening worden de volgende conclusies getrokken: <0000> De eventuele stikstofdepositie veroorzaakt in de bouwfase van de woningen is door de tijdelijkheid niet vergunningplichtig en is daarom niet uitgerekend. <0000> De nieuwe gebruiksfase van de 8 woningen hebben een niet significante stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jaar tot gevolg. Een vergunning Wet natuurbescherming, onderdeel stikstof is niet aan de orde voor de bouw en het gebruik van de acht woningen. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied en het omliggende gebied maken geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de Ecologische Hoofdstructuur). Nadere toetsing is niet aan de orde. Soortenbescherming Met betrekking tot vleermuizen dient rekening gehouden te worden met verlichting. Eelerwoude

vastgesteld Bestemmingsplan De Savornin Lohmanstraat

35

NL.IMRO.0141.00141-BP31

adviseert daarom het volgende: <0000> Gebruik geen uitstralende armaturen. <0000> Voorkom verlichting van wateroppervlakten en eventuele aan te planten vegetatie en bomen. Zo worden potentiële foerageergebieden en verblijven niet verlicht. <0000> Gebruik alleen verlichting op momenten dat deze daadwerkelijk nodig is. Nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag zijn niet noodzakelijk. Met betrekking tot vogels dienen verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te worden gevoerd. De periode van 15 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen. Indien het perceel binnen het broedseizoen bouwrijp gemaakt wordt dient voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie uitgevoerd te worden. Indien rekening wordt gehouden met broedende vogels en verstoring van vleermuizen als gevolg van verlichting wordt voorkomen dat met de voorgenomen ontwikkelingen geen negatieve effecten verwacht wordt op beschermde soorten. Op deze wijze is nader onderzoek en een ontheffing Wet natuurbescherming niet noodzakelijk. 4.11.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden of beschermde soorten. De Wet natuurbescherming staat de ontwikkeling niet in de weg. Wel dienen de werkzaamheden buiten het broedseizoen van algemene broedvogels te worden gestart of wanneer geen broedgeval aanwezig is.

Daarnaast is voor eventuele aanwezige soorten de algemene zorgplicht van kracht. Geconcludeerd wordt dat het aspect flora en fauna de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat.

4.12 Archeologie en cultuurhistorie 4.12.1 Archeologie Regelgeving en beleid Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. Onderzoek Op de archeologische waardenkaart heeft het plangebied alsmede de gehele strook langs de Aalderinkssingel een groene kleur gekregen, wat betekent dat het gebied is afgegraven dan wel grootschalig geroerd is. Dit is vermoedelijk gebeurd bij de sloop van het garagebedrijf en de flatgebouwen evenals de aanleg van de vijverpartijen.

Volgens het geldende bestemmingsplan 'Kerkelanden e.o.' heeft het plangebied echter nog grotendeels de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologische verwachting middelhoog’. Dit betekent dat een verkennend archeologisch onderzoek (bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek/IVO) nodig is, tenzij het nieuw te bebouwen oppervlak kleiner is dan 5.000 m² of minder diep steekt dan 0,50 meter. De te realiseren woningen met bijbehorende funderingen zullen hooguit circa 1.000 m² bedragen, waarbij de verstoringen dieper dan 0,50 m plaats zullen vinden. In de noordwesthoek is een wadi voorzien, maar daar is geen archeologische verwachting van toepassing. Bij het aan te leggen parkeerterrein zijn de verstoringen sowieso niet dieper dan 0,50 m.

vastgesteld Bestemmingsplan De Savornin Lohmanstraat

36

NL.IMRO.0141.00141-BP31

Het nieuw te bebouwen oppervlak is aanzienlijk kleiner dan de onderzoeksgrens van 5.000 m2. Bovendien is de archeologische waardenkaart gedetailleerder en van recentere datum dan het geldende bestemmingsplan, zodat er meer waarde aan deze kaart dient te worden toegekend. Het handhaven van de dubbelbestemming heeft geen toegevoegde waarde. Archeologisch onderzoek is voor deze locatie derhalve niet noodzakelijk. 4.12.2 Cultuurhistorie Toetsingskader Vanaf 1 januari 2012 is het verplicht om in ruimtelijke plannen rekening te houden met cultuurhistorische waarden. Om een stabiele en meer structurele basis te geven aan de borging van cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening, is per 1 januari 2012 aan artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) toegevoegd dat gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen niet alleen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden onder de grond (archeologische waarden), maar ook met waarden boven de grond. Dat betekent dat gemeenten een analyse moeten maken van de cultuurhistorie in een bestemmingsplangebied, en daar conclusies aan moeten verbinden die in het bestemmingsplan verankerd worden. Onderzoek Volgens historisch kaartmateriaal heette het gebied ten zuiden van de spoorlijn in het verleden Westeschhoekslanden.

Toen het gebied in de jaren 50 en 60 van de vorige eeuw werd ontwikkeld werd de wijk al snel begrensd door een nog te ontwikkelen rondweg: De Aalderinkssingel. Begin jaren 60 wordt deze weg daadwerkelijk aangelegd evenals het garagebedrijf en de flats hierlangs. Met de herstructurering van de wijk Kerkelanden en de sloop van de bebouwing zijn er weinig tot geen cultuurhistorische elementen bewaard gebleven. Het planinitiaitef heeft dan ook geen negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden. 4.12.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er is geen sprake van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.

vastgesteld Bestemmingsplan De Savornin Lohmanstraat

37

NL.IMRO.0141.00141-BP31

Hoofdstuk 5 Waterparagraaf 5.1 Waterbeheer en watertoets Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Vechtstromen en de gemeente Almelo, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de voorgestane ontwikkeling. Uitgangspunt is dat bij een bouwplan moet worden voorkomen dat er grond- of oppervlaktewateroverlast ontstaat en de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater niet negatief wordt beïnvloed.

5.2 Vigerend beleid Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente nader wordt behandeld. Europa: <0000>

Kaderrichtlijn Water (KRW)

Nationaal: <0000> <0000> <0000> <0000>

Nationaal Waterplan (NW); Waterbeleid voor de 21e eeuw (WB21); Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW); Waterwet.

Provinciaal: <0000>

Partiële herziening omgevingsvisie voor kaderrichtlijn water en richtlijn overstromingsrisico's

Gemeentelijk: <0000> <0000>

Almelose Klimaat Adaptatiestrategie (AKAS); Programma Water en Riolering –De verbindende kracht van water (2022-2026).

5.2.1 Beleid Waterschap Vechtstromen Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021 een Watervisie en een waterbeheerprogramma. De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn waterveiligheid, klimaatbestendigheid omgeving en ruimte voor waterberging. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2016 tot 2021) wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op het: <0000> voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte; <0000> beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater en het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem; <0000> het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties. Het waterbeheerprogramma 2022-2027 is op 15 december 2021 vastgesteld. Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg). vastgesteld Bestemmingsplan De Savornin Lohmanstraat

38

NL.IMRO.0141.00141-BP31

Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Daarbij kan het gaan om zowel nieuw beleid als staand beleid en maatregelen. Voor het nieuwe beleid, dat nog niet is vastgesteld door dagelijks en/of algemeen bestuur en waarbij het participatieproces nog niet voltooid is, heeft het waterbeheerprogramma een agenderende functie. 5.2.2 Waterbeleid gemeente Almelo 5.2.2.1 Almelose Klimaatadaptatie Strategie (AKAS) Sinds 2018 het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie van kracht. Hierin hebben Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten met elkaar afgesproken dat ons land van af 2050 klimaatrobuust en waterbestendig is ingericht. De verschillende overheden werken hiervoor met elkaar samen in zogenaamde werkregio’s. Voor de gemeente Almelo is dit Twents waternet (TWN).

Het Deltaprogramma werkt volgens een aantal stappen: <0000> WETEN: we brengen de effecten en kwetsbaarheden in beeld <0000> WILLEN: we gaan met de stad in gesprek om de gezamenlijke ambitie te bepalen <0000> WERKEN: we stellen een agenda op met concrete acties die Almelo klimaatrobuust maken De stappen zijn vertaald in 7 ambities: 1.Kwetsbaarheden in beeld brengen 2.Risicodialoog voeren en strategie opstellen 3.Uitvoeringsagenda opstellen 4.Meekoppelkansen benutten 5.Stimuleren en faciliteren 6.Reguleren en borgen 7.Handelen bij calamiteiten In het AKAS zijn de ambities gekoppeld aan de klimaattrends en zoveel mogelijk uitgewerkt in kwalitatieve en getalsmatige uitgangspunten voor nieuwbouw, openbare ruimte en privaat terrein. Het AKAS beperkt zich tot de klimaattrends wateroverlast (inclusief overstromen van beken en kanalen), hitte en droogte. Wateroverlast: Uitgangspunt bij wateroverlast is dat bij extreme regenval hoofd- en gebiedsontsluitingswegen toegankelijk voor hulpdiensten blijven. Ter voorkoming van overlast bij extreme regenval zijn uitgangspunten voor te nemen maatregelen opgesteld. <0000> Voor nieuw aan te leggen hoofd- en gebiedsontsluitingswegen geldt dat de waterdiepte (waterplassen op straat) gemiddeld over de breedte van de weg niet groter mag zijn dan 10 cm bij een bui van respectievelijk 70mm (hoofdwegen) en 45mm (gebiedsontsluitingswegen) in één uur.

Voor bestaande hoofd- en gebiedsontsluitingswegen (inclusief tunnels) met kans op een waterdiepte van meer dan 25 cm bij een bui is het uitgangspunt dat deze voor 2030 worden aangepakt. Voor bestaande hoofd- en gebiedsontsluitingswegen met minder dan 25 cm maar meer dan 10 cm waterdiepte geldt dat de gemeente bij herinrichting streeft de duur van water op straat bij een bui van 45 mm in één uur te beperken tot maximaal 2 uur, voor private wegen geldt een waterdiepte van meer dan 10 cm bij een bui van 70mm of 45mm in één uur. <0000> Voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen en nutsvoorzieningen geldt dat het vloerpeil minimaal 30 cm boven het wegpeil dient te liggen. Voor stedelijke in- en uitbreidingen geldt bovendien dat water binnen het plangebied op doelmatige wijze geborgen moet worden (40 mm (uitbreidingslocaties) of 20 mm (inbreidingslocaties)). De wijze waarop is ter goedkeuring door de gemeente. <0000> Bij de herinrichting van de openbare ruimte streeft de gemeente ernaar dat een bui van 70 mm in één uur, door een gebied/wijk verwerkt kan worden zonder dat er nieuwe onacceptabele situaties ontstaan. De gemeente hanteert hierbij de volgorde: water vasthouden op locatie, berging in het gebied en indien nodig afvoeren. Voor de riolering kan eventueel worden uitgegaan van een afvoercapaciteit van 20 mm per uur; de overige waterberging moet in het gebied worden gecreëerd.

Eigenaren van bestaande percelen worden gestimuleerd af te koppelen en hun tuin te ontstenen / vergroenen.

vastgesteld Bestemmingsplan De Savornin Lohmanstraat

39

NL.IMRO.0141.00141-BP31

<0000>

Om overlast van grondwater bij nieuwbouw tegen te gaan geldt een vloerhoogte van minimaal 100 cm en straatpeil van 80 cm ten opzichte van de GHG (Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand). Voor gebieden in de openbare ruimte waar structureel sprake is van grondwateroverlast neemt de gemeente maatregelen indien dat doelmatig is. Voor bestaande bouw geldt een vloerhoogte van minimaal 90 cm en straatpeil van 70 cm ten opzichte van de GHG (Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand). Eigenaren van privaat terrein zijn zelf verantwoordelijk voor het voorkomen of beperken van schade door grondwater.

Hitte en droogte Ten aanzien van hitte en droogte heeft de gemeente de ambitie uitgesproken dat de hitte impact in 2050 niet erger is dan in 2020 en droogte niet mag leiden tot onomkeerbare schade aan openbaar groen en natuur. <0000> Om die reden wordt bij nieuwbouwontwikkeling en herinrichting gestreefd naar een zodanige inrichting van het gebied dat er voldoende koelteplekken en schaduw is. Bij het beheer en onderhoud van wegen wordt onderzocht op welke manier de opwarming van verharding kan worden teruggedrongen. Inwoners, bedrijven en instellingen zijn zelf verantwoordelijk maatregelen te treffen om schade en gezondheidsimpact van hitte in gebouwen en op privaat terrein te beperken, door het toevoegen van groen, warmte werend of verkoelend dak, schaduw en koele plekken. <0000> Ter voorkoming van droogte wordt bij nieuwbouw het gebied neerslag bergend en afvoer vertragend ingericht. Zodanig dat bij droogte bomen, groen, (dak)tuinen of andere voorzieningen van water uit het plangebied worden voorzien. Oppervlaktewater wordt zo ingericht dat droogval zoveel als mogelijk voorkomen kan worden en circulatie mogelijk is. Bij de herinrichting van de openbare ruimte in de bestaande stad treft de gemeente maatregelen om de gevolgen van droogte structureel te beperken.

Op privaat terrein zijn eigenaren zelf verantwoordelijk voor het droogtebestendig maken van hun groen of voor het beperken van de gevolgen. 5.2.2.2 Programma Water en Riolering - De verbindende kracht van water (2022-2026) Met de invoering van de Omgevingswet vervalt de verplichting van het opstellen van een (verbreed) Gemeentelijk RioleringsPlan(vGRP). In plaats daarvan kunnen gemeenten een (vrijwillig) Programma opstellen. Met dit Programma Water en Riolering sorteren we voor op komst van de Omgevingswet. In het Programma Water en Riolering –De verbindende kracht van water (2022-2026) worden de ambities en doelstellingen zoals verwoord in de Almelose Omgevingsvisie en de Klimaatadaptatiestrategie(AKAS) uitgewerkt tot maatregelen. Met het programma wordt voorgesorteerd op een meer integrale aanpak en maken we gerichter keuzes om nog doelmatiger en efficiënter te kunnen werken. Hiermee houden we ons watersysteem ondanks extra kosten en de uitdagingen die klimaatverandering met zich meebrengt haalbaar en betaalbaar.Met ons watersysteem streven we daarom naar het integreren van de vier waterstromen: <0000> stedelijk afvalwater <0000> hemelwater (regenwater) <0000> grondwater <0000> oppervlaktewater Deze watertaken corresponderen met de drie zorgplichten van de gemeente. Oppervlaktewater zien we als integraal onderdeel van het stedelijk water.

De gemeentelijke zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater zijn momenteel opgenomen in de Wet Milieubeheer en de Waterwet. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is dit opgenomen in artikel 2.16 Ow (lid1a). De maatregelen voor de komende planperiode zijn bepaald door de huidige situatie te toetsen aan de normen die volgen uit de doelstellingen. Maatregelen betreffen onderzoeks-, borgings-en fysieke maatregelen en zijn gericht op het meer datagedreven, gebiedsgericht en samen met de stad inrichten, onderhouden en vervangen van het watersysteem. Datagedreven, gebiedsgericht en samen met de stad vormen dan ook de drie pijlers van onze werkwijze.

5.3 Watertoets De Savornin Lohmanstraat Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (http://www.dewatertoets.nl). Op basis van deze digitale toetsing valt de ontwikkeling onder de normale procedure. In verband hiermee is een waterhuishoudkundig plan (WHHP) voor De Savornin Lohmanstraat te Almelo opgesteld door Incite Project, waarin de waterhuishoudkundige aspecten worden beschouwd. Het rapport is bijgevoegd in bijlage 6. In het plan

vastgesteld Bestemmingsplan De Savornin Lohmanstraat

40

NL.IMRO.0141.00141-BP31

worden de uitgangspunten uit het voorkeursbeleid van het waterschap betrokken. Hieronder wordt op enkele waterhuishoudkundige aspecten in het plangebied ingegaan. 5.3.1 Nieuwe situatie Binnen het plangebied wordt de bouw van 8 grondgebonden woningen en bijbehorende verhardingen voorzien. Dit betreft een inbreidingslocatie, omdat hier voorheen een garagebedrijf gevestigd was. Voor een inbreidingslocatie geldt een eis van 20 mm waterberging per m2 aan toename van verhard oppervlak. Het maaiveld in het plangebied ligt op een hoogte tussen +10,55 en +11,15 m NAP. De Savonin Lohmanstraat zelf ligt op +10,50 m NAP, de Schaepmanlaan op +10,57 m NAP en de Aalderinkssingel op +12,06 (noordzijde) tot +10,80 (zuidzijde) m NAP. Uit het rapport blijkt dat voor het plangebied kan worden uitgegaan van een Representatieve Hoogste Grondwaterstand (RHG) van +9,60 m NAP. De RHG is een nauwkeurige/representatievere berekenwijze dan de GHG, zodat er minder snel wateroverlast kan optreden. Op elk uitgeefbaar perceel wordt 20 mm berging gerealiseerd: dit kan bijvoorbeeld met infiltratiekratten. Voor het bergen van hemelwater dat in openbaar gebied valt wordt in het noordwesten van het plangebied een wadi aangelegd. Aangezien dit gedeelte van het plangebied hoger ligt ten opzichte van het zuidelijke deel van het plangebied is het noodzakelijk dat dit deel van het plangebied wordt verlaagd.

In het technisch ontwerp dient nader gekeken te worden of al het water van het plangebied hier onder vrij verval naar toe kan stromen. De gemeente heeft als eis gesteld dat de bodem van de wadi 0,50 m boven de GHG/RHG moet liggen. Dit betekent dat de bodem van de wadi minimaal op +10,10 m NAP moet liggen.Uit het rapport blijkt dat voor de verwerking van de 20 mm berging dat valt op het verhard oppervlak van 573 m2 in openbaar terrein, een bergingscapaciteit van 11 m3 nodig is. De voorgestelde wadi heeft met een waking van 15 cm een capaciteit van 17 m3 en bij een vulling tot op maaiveld 30 m3. Hiermee wordt voldaan aan de bergingseis van 20 mm. Ook blijkt bij extremere buien van 70 mm wordt het ontstane water op maaiveld binnen de norm van 1 uur afgevoerd, zodat geen onacceptabele situaties ontstaan. Uit het infiltratieonderzoek zijn voor de onverzadigde zone K-waarden afgeleid van 0,2 m/dag. Aangezien in de wadi grondverbetering wordt toegepast, wordt voor het berekenen van de ledigingstijd gerekend met een K-waarde van 0,5 m/dag. Ondanks deze beperkte infiltratiecapaciteit heeft de wadi een ledigingstijd van circa 19 uur, wat voldoet aan de eis van de gemeente om binnen 24 uur te infiltreren. Onder de Savornin Lohmanstraat ligt een riool met een diameter van ø400 mm. Gezien het stedenbouwkundig ontwerp kunnen de woningen direct op dit riool aansluiten.

Dit initiatief zorgt voor een beperkte toename van vuilwater, waarvoor de bestaande riolering ruimschoots voldoende capaciteit heeft. 5.3.2 Watertoets Vanwege de uitkomst van de watertoets is het waterhuishoudkundig plan voorgelegd aan het waterschap. Op basis van dit plan heeft het waterschap aangegeven dat: In tabel 4 (in het rapport) staat dat de ontwerphoogte van de woningen in het plangebied + 10,60 m NAP dient te zijn, waarbij aangegeven wordt dat voor het vloerpeil van de woningen 0,20 m boven het omringend maaiveld aangehouden dient te worden. Volgens de AHN bedraagt in het zuidelijke deel van het plangebied de maaiveldhoogte + 10,53 m tot + 10,59 m NAP, de klimaatatlas geeft dan ook enige wateroverlast aan bij met name kortdurende buien. Met inachtneming van deze gegevens is het advies van het waterschap om minimaal 30 cm hoogteverschil aan te houden tussen straatpeil en het vloerpeil van de woningen. Wellicht ten overvloede, de waterhuishouding in de bestaande of directe omgeving mag te allen tijde geen nadelige gevolgen ondervinden van het plan (waterkwaliteit/waterkwantiteit). Verder geen opmerkingen en voor de overige zaken kan het waterschap zich vinden in het WHHP.

vastgesteld Bestemmingsplan De Savornin Lohmanstraat

41

NL.IMRO.0141.00141-BP31

De procedure is in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Het waterschap Vechtstromen geeft een positief wateradvies.

5.4 Conclusie In het plan wordt rekening gehouden met het wateradvies van het waterschap. Het advies om minimaal 30 cm hoogteverschil aan te houden tussen straatpeil en het vloerpeil van de woningen, is in het definitieve rapport van het WHHP verwerkt. Voor de ontwerphoogte van de woningen dient derhalve minimaal + 10,80 m NAP als vloerpeil aangehouden te worden. Dit omdat de De Savornin Lohmanstraat op + 10,50 m NAP is gelegen. Het plan voldoet daarnaast aan de gemeentelijke beleidsuitgangspunten voor een inbreidingslocatie. De voorgenomen ontwikkeling heeft, mits rekening gehouden wordt met het advies van het waterschap, geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Almelo&id=9b678d7c-5b83-4dab-a088-c8fe5be11361