8.1 Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Noorderes - Bijlage - Bestemmingsplan Noorderes.pdf
Tekst van het document
De wegen voldoen in beginsel aan de specifieke afmetingen, het plangebied is bereikbaar en brandweervoertuigen kunnen het plangebied onbelemmerd bereiken. 4.2.3 Opkomsttijd 4.2.3.1 Opkomsttijd algemeen De snelheid van het brandweeroptreden is een belangrijk element in de kwaliteit van de repressieve brandweerzorg. De opkomsttijd is de optelsom van de verwerkingstijd van de melding, de uitruktijd en de aanrijdtijd. De uitruktijd is daarbij de tijd tussen het alarmeren van de brandweer door de meldkamer en het tijdstip dat het voertuig de kazerne verlaat. De aanrijdtijd is de tijd die het eerste
vastgesteld Bestemmingsplan Noorderes
20
NL.IMRO.0141.00097-BP31
voertuig nodig heeft om van de kazerne naar de plaats van het incident te gaan. De opkomsttijd van de brandweer wordt als een belangrijk kwaliteitskenmerk van de brandweer beschouwd. In het Besluit Veiligheidsregio's (BVR) zijn de opkomsttijden voor de brandweer vastgelegd. Uit de Memorie van toelichting bij het BVR volgt dat bij vergunningverlening voor bouwwerken ervan uit wordt gegaan dat de brandweer binnen 30 minuten na aanvang van de brand ter plaatse is om de brandbestrijding ter hand te nemen. Bij 15 minuten ontdekkingstijd en zeven minuten voorbereidingstijd ter plaatse (werktijd voorafgaand aan de inzet) blijven er 8 minuten over voor de opkomsttijd. De opkomsttijden staan in onderstaande tabel beschreven: Normtijd
Gebruiksfunctie
5 minuten 6 minuten 8 minuten 10 minuten
Winkel met gesloten constructie (tijdens openingsuren), wonen boven winkel, cel Portiekwoningen/portiekflats, woning verminderd zelfredzamen Overige woningen, winkels, gezondheidszorg, onderwijs, kinderdagverblijf, logies Kantoor, (lichte)industrie, sport, overige ruimtes voor bijeenkomsten, overige gebruiksfuncties
Daarnaast is het ‘Dekkingsplan Brandweer Twente’, dat onderdeel uitmaakt van het beleidsplan, vastgesteld. Een beschrijving van de opkomsttijd in het plangebied staat in 4.2.3.2 beschreven. 4.2.3.2 Situatiebeschrijving opkomsttijd De brandweer is (in theorie) binnen de gestelde norm ter plaatse. 4.2.4 Bluswatervoorziening 4.2.4.1 Bluswatervoorziening algemeen Voor een optimale bluswatervoorziening wordt onderscheid gemaakt in primaire, secundaire en tertiaire bluswatervoorzieningen. Dit is van belang omdat de eisen voor de afstand, de capaciteit en de bereikbaarheid verschillend zijn. De basiskenmerken van deze drie modellen zijn: <0000> De primaire bluswatervoorziening Boven- of ondergrondse brandkranen die geplaatst zijn op het drinkwaterleidingnet. <0000> De secundaire bluswatervoorziening De secundaire bluswatervoorziening is in principe aanvullend op een primaire bluswatervoorziening. Een secundaire bluswatervoorziening kan bestaan uit geboorde putten, bluswaterriolen, vijvers e.d. of ondergrondse reservoirs. Hiervoor geldt een afstand van maximaal 320 meter tot het object. Daarnaast moet het brandweervoertuig het water tot maximaal 8 meter kunnen bereiken. <0000> De tertiaire bluswatervoorziening Bij de noodzakelijke inzet van grotere hoeveelheden water of gedurende langere tijd zijn de primaire en secundaire voorzieningen niet voldoende.
Water wordt dan onttrokken uit bijvoorbeeld kanalen. Hiervoor geldt een afstand van maximaal 2500 meter tot het object. Daarnaast moet het brandweervoertuig het water tot maximaal 50 meter kunnen bereiken. Een beschrijving van de bluswatervoorziening in het plangebied staat in 4.2.4.2 beschreven. 4.2.4.2 Situatieschets bluswatervoorziening Voor het plangebied geldt dat moet worden voldaan aan de handreiking 'Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid 2019'. Voor grondgebonden woningen, zoals de beoogde (patio)woningen, geldt dat de tankautospuit binnen 40 meter van de woning moet kunnen opstellen en dat er binnen 100 meter een primaire bluswatervoorziening (brandkraan) ligt die minimaal 30 m3 per uur levert. Dit is mogelijk, mits de capaciteit van de brandkranen in theorie ook toereikend is. Ook zijn er andere bluswaterbronnen in de directe omgeving aanwezig. Binnen 320 meter van het plangebied van voorliggend bestemmingsplan ligt open water (Sluiskade Zuidzijde).
vastgesteld Bestemmingsplan Noorderes
21
NL.IMRO.0141.00097-BP31
4.2.5 Zelfredzaamheid 4.2.5.1 Zelfredzaamheid algemeen Voor de bestrijdbaarheid van een incident zijn onder andere de bereikbaarheid voor hulpdiensten, opkomsttijd en bluswatervoorziening van belang. Daarnaast speelt de zelfredzaamheid van burgers een rol. Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan hoofdzakelijk uit schuilen en vluchten. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. De ruimtelijke inrichting van het gebied kan op verschillende manieren inspelen op de zelfredzaamheid. Een beschrijving van de zelfredzaamheid staat in 4.2.5.2 beschreven. 4.2.5.2 Zelfredzaamheid specifiek Binnen het plangebied van voorliggend bestemmingsplan 'Noorderes' zijn geen risicobronnen aanwezig die van invloed kunnen zijn op het plangebied van voorliggend bestemmingsplan. 4.2.6 Waarschuwen van de bevolking 4.2.6.1 Sirenedekking De sirene is een hulpmiddel van de overheid om mensen te kunnen waarschuwen voor acute gevaren. Dit is bijvoorbeeld het geval als er gevaarlijke stoffen vrijkomen bij een brand of ongeval. Op dat moment is het gevaarlijk om buiten te blijven waar men wordt blootgesteld aan het gevaar. De sirenes kunnen dan worden ingeschakeld.
Voldoet het dekkingsgebied van de sirene niet, dan zal rond rondom de diverse risico-objecten middels alternatieven moeten worden gealarmeerd. Hierbij valt onder andere te denken aan: <0000> sms berichten; <0000> sirenewagens. Een beschrijving van de sirenedekking in het plangebied staat in 4.2.6.2 beschreven. 4.2.6.2 Sirenedekking plangebied Het plangebied van het bestemmingsplan 'Noorderes' ligt binnen het dekkingsgebied van een sirene, waardoor mensen in geval van een incident gewaarschuwd kunnen worden.
4.3 Externe veiligheid 4.3.1 Algemeen Bij het opstellen van de externe veiligheidsparagraaf is uitgegaan van de huidige wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. In maart 2014 is het externe veiligheidsbeleid 2015 - 2018 door de gemeente Almelo vastgesteld. Dit beleid is op 19 november 2019 verlengd tot en met 2021. Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt rekening gehouden met de uitgangspunten uit dit veiligheidsbeleid. 4.3.2 Toetsingskader De wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid maakt onderscheid tussen risicovolle infirchtingen en risicovolle transportroutes. Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: <0000> Bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; <0000> Het vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), de regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) en de handreiking verantwoording groepsrisico maken onderdeel uit van het toetsingskader. Bedrijven zoals geregistreerd in het “Risico Register Gevaarlijke Stoffen” (RRGS), worden meegenomen ter beoordeling van het plaatsgebonden en groepsrisico ten aanzien van risicovolle inrichtingen voor zover in of nabij het plangebied aanwezig.
vastgesteld Bestemmingsplan Noorderes
22
NL.IMRO.0141.00097-BP31
Risicovol transport Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het Bevt maakt onderdeel uit van het wettelijke toetsingskader en de concrete uitwerking hiervan volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Voor het beoordelen van transportrisico’s is gebruik gemaakt van de circulaire “Risico normering vervoer gevaarlijke stoffen” (RNGS), het Basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Plaatsgebonden en groepsrisico Voor zowel de bedrijvigheid als het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (hierna: PR) en het groepsrisico (hierna: GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur.
Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. 4.3.3 Risicobronnen in en om het plangebied Vaststaat dat er geen risicobronnen in het plangebied van het bestemmingsplan 'Noorderes' liggen. Het bestemmingsplan 'Noorderes' maakt de bouw van zes (patio)woningen mogelijk. Verder wordt een ontsluitingsweg ten behoeve van de woningbouw planologisch mogelijk gemaakt en komt er een groenstrook (met wadi) aan de voorzijde van de beoogde woningen. Er kunnen echter wel risicobronnen buiten het plangebied liggen die van invloed zijn op het plangebied van voorliggend bestemmingsplan. Onderscheid wordt gemaakt tussen risicovolle inrichtingen en risicovol transport. Inrichtingen Het Bevi verplicht in de ruimtelijke ordening veiligheidsafstanden aan te houden tussen gevoelige objecten en risicovolle inrichtingen. De risicovolle inrichtingen zijn genoemd in het Bevi en Revi. Het draait om bedrijven waar zeer grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen worden opgeslagen en/of worden bewerkt. De afstand tussen de gevoelige objecten en de risicovolle bedrijven moet voldoen aan de norm voor het plaatsgebonden risico.
Voor wat betreft het groepsrisico, wordt een oriëntatiewaarde meegegeven en geldt een verantwoordingsplicht voor het bevoegd gezag. Transport Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs) de belangrijkste wet. De Wvgs is in de afgelopen tijd aangepast aan het Basisnet. Voor het wettelijk vastleggen van de regels voor de ruimtelijke ordening rondom het Basisnet is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) ontstaan. Dit besluit is gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet milieubeheer (Wm) en regelt ruimtelijke ordening in relatie tot de (risicovolle) transportroutes. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes.
Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 meter vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 meter binnen de transportroute.
vastgesteld Bestemmingsplan Noorderes
23
NL.IMRO.0141.00097-BP31
Afbeelding 5: Uitsnede Risicokaart
4.3.4 Conclusie Beoordeeld is of kan worden voldaan aan de grenswaarden voor het plaatsgebonden risico en de oriënterende waarde voor het groepsrisico. Vaststaat dat in het plangebied geen risicobronnen aanwezig zijn. Overeenkomstig de professionele risicokaart, waarin relevante risicobronnen getoond worden, zijn er in de omgeving van het plangebied ook geen risicovolle inrichtingen te vinden. Ook vindt er in de directe omgeving van het plangebied geen transport van gevaarlijke stoffen plaats via de weg, het water of door buisleidingen. Gelet hierop, kan geconcludeerd worden dat er in de directe omgeving van het plangebied van het bestemmingsplan 'Noorderes' geen risicobronnen aanwezig zijn die van invloed kunnen zijn op het plangebied van voorliggend bestemmingsplan. het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
4.4 Luchtkwaliteit In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Ook bij het opstellen van het bestemmingsplan 'Noorderes' is rekening gehouden met de luchtkwaliteit. 4.4.1 Toetsingskader Wet milieubeheer Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Dit onderdeel van de wet bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. In de ruimtelijke ordeningspraktijk zijn vooral de grenswaarden langs wegen voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven.
Tabel 2: Grenswaarden stikstofdioxide en fijn stof
vastgesteld Bestemmingsplan Noorderes
24
NL.IMRO.0141.00097-BP31
Op grond van artikel 5.16 Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen, als de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In het Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden: <0000> Het plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 μg/m³); <0000> Het plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden. Deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. 4.4.2 Conclusie De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van zes (patio)woningen. Voorliggend bestemmingsplan waarmee deze ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt draagt daarom in niet betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht.
Er wordt voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk. Ook uit onze NSL-monitoringstool 2019 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort, blijkt dat de gemeten waarden in de directe omgeving van het plangebied ruimschoots onder de grenswaarden liggen. Er is dan ook sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.5 Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) biedt in het ruimtelijk spoor bescherming tegen wegverkeerslawaai aan geluidsgevoelige bestemmingen Het plangebied van voorliggend bestemmingsplan 'Noorderes' ligt binnen de (wettelijke) geluidzones van verschillende wegen. 4.5.1 Wegverkeerslawaai Langs alle wegen (met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven) bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder geluidszones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden (wegverkeerslawaai). De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de ligging (binnen of buiten stedelijk gebied). De geluidhinder wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal. 4.5.1.1 Toetsingskader Nieuwe situaties Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidszone van een weg, geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is het verlenen van een hogere (grens)waarde mogelijk.
Hogere grenswaarden kunnen alleen worden verleend, nadat is onderbouwd dat maatregelen om de geluidsbelasting aan de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Deze hogere grenswaarde mag de maximale ontheffingswaarde niet te boven gaan. Op grond van artikel 110g Wgh mag het berekende geluidsniveau van het wegverkeer worden gecorrigeerd in verband met de verwachting dat motorvoertuigen in de toekomst stiller zullen worden.
vastgesteld Bestemmingsplan Noorderes
25
NL.IMRO.0141.00097-BP31
4.5.1.2 Conclusie De nieuw te realiseren (patio)woningen worden gerealiseerd op een (braakliggend) binnenterrein in reeds bestaand woongebied. Deze beoogde woningbouwontwikkling is grotendeels omsloten door reeds bestaande woningen. Het grootste deel van de woningen is al aanwezig. Verder wordt een deel van de omliggende woningen op korte termijn gerealiseerd (zie woningbouwontwikkeling Ootmarsumsestraat). Doordat de woningen aan de Ootmarsumsestraat zorgen voor een afschermende werking ten opzichte van de Ootmarsumsestraat en de Haven Zuidzijde, is dan ook sprake van een lage geluidsbelasting ten gevolge van het wegverkeer. Uit het gemeentelijk geluidsverkeersmodel (hierbij draait het om een gemodelleerde geluidskaart) blijkt dat de voorkeursgrenswaarden uit de Wet geluidhinder niet worden overschreven. Het gebied kleurt groen. Het gewenste omgevings- en binnenniveau kan dan ook worden gegarandeerd. Nadere akoestische maatregelen zijn niet noodzakelijk. Het geluidsaspect vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling. Afbeelding 6: Gemeentelijk geluidverkeersmodel
4.5.2 Spoorweglawaai In het ruimtelijke spoor biedt de Wet geluidhinder bescherming aan geluidsgevoelige bestemmingen tegen spoorweglawaai. Op voorliggend bestemmingsplan 'Noorderes' is dit niet van toepassing, omdat in (de nabije omgeving van) het plangebied geen spoorweg aanwezig is. 4.5.3 Industrielawaai De Wet geluidhinder biedt in het ruimtelijke spoor ook bescherming aan geluidsgevoelige bestemmingen tegen industrielawaai. Ook dit is op voorliggend bestemmingsplan 'Noorderes' niet van toepassing, omdat in (de nabije omgeving van) het plangebied geen gezoneerd industrieterrein aanwezig is.
4.6 Bodemkwaliteit Op grond van artikel 3.1.6 Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan rekening te worden gehouden met de bodemkwaliteit in het plangebied. 4.6.1 Toetsingskader De bodenkwaliteit dient beoordeeld te worden binnen de kaders van de Wet bodembescherming en het Besluit bodemkwaliteit. In de Wet bodembescherming is bepaald dat, indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). De Circulaire bodemsanering 2013 bevat regels die ervoor zorgen dat saneren en het toepassen van grond op een saneringslocatie op elkaar is afgestemd. Zo geldt dat bij het ontgraven van grond uitgegaan wordt van functiegericht en kosteneffectief saneren. Als grond van elders wordt aangevoerd op de saneringslocatie (bijvoorbeeld om een leeflaag van grond aan te brengen), dan is het uitgangspunt dat dit moet voldoen aan de bodemkwaliteitskaart. Functiewijziging Met voorliggend bestemmingsplan is sprake van functiewijziging. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.
vastgesteld Bestemmingsplan Noorderes
26
NL.IMRO.0141.00097-BP31
Bodemkwaliteitskaart De gemeente Almelo heeft gedurende de periode 1985-2018 veel data (afkomstig van uitgevoerde bodemonderzoeken) verzameld op basis waarvan het mogelijk was een bodemkwaliteitskaart vast te stellen. Deze bodemkwaliteitskaart gaf inzicht in de bodemkwaliteit van de bovengrond (tot 0.5m) en de ondergrond (tot 2m –mv). Op 1 juli 2008 is het hoofdstuk Grond en baggerspecie voor landbodem van het Besluit bodemkwaliteit in werking getreden. Dit was in Twente aanleiding om samen te werken bij het opstellen van nieuw beleid voor ontgraven en toepassen van grond. Het resultaat van de samenwerking was in 2010 een uniforme bodemkwaliteitskaart en de Nota bodembeheer Twents beleid veur oale groond. Het bestaande beleid is recent geactualiseerd. Er is nu slechts één bodemkwaliteitskaart met een bijbehorende Nota bodembeheer voor het gehele Twentse grondgebied opgesteld. Hiermee is uitvoering gegeven aan de wens te komen tot een verdere uniformering en vereenvoudiging van het beleid voor ontgraven en toepassen van grond. 4.6.2 Conclusie Er is verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie van het bestemmingsplan 'Noorderes'. Het verkennend bodemonderzoek is als bijlage toegevoegd. Er zijn geen chemische verontreinigingen aangetoond in gehalten/concentraties boven de tussenwaarde. Daarnaast is geen asbest aangetoond.
Het uitvoeren van nader (bodem)onderzoek is om die reden dan ook niet noodzakelijk. Op basis van de indicatieve beoordeling van het Besluit bodemkwaliteit valt de ondergrond vanwege de verhoogde halten aan PCB in de klasse 'Industrie' en dit komt niet overeen met het beoogde gebruik voor wonen. Dit kan consequenties hebben voor het beoogde gebruik. Als grond op deze locatie vrijkomt, dan moet er rekening mee worden gehouden dat de grond niet zonder meer elders toepasbaar is. De toepassing van de grond elders moet worden gemeld via het 'meldpunt bodemkwaliteit'. In de bovengrond zijn licht verhoogde gehalten aan zware metalen, PAK, PCB en minerale olie aangetroffen. De kwaliteit van de bovengrond komt overeen met de voor dit gebied geldende achtergrondwaarde 'Wonen' van de bodemkwaliteitskaart. In de ondergrond zijn licht verhoogde gehalten aan PCB, PAK en lood aangetroffen en valt in klasse Industrie. De kwaliteit van de ondergrond komt niet overeen met de voor dit gebied geldende achtergrondwaarde (AW) van de bodemkwaliteitskaart. In de boringen met puin is geen asbest aangetroffen. De gehalten aan PFAS in boven- en ondergrond zijn lager dan de tijdelijke achtergrondwaarden. Het grondwater is licht verontreinigd met enkele zware metalen. De bodemkwaliteit levert in dit geval echter geen onaanvaardbaar risico op voor de gebruikers van de bodem.
Het aspect bodem vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.7 Ecologie De regels met betrekking tot de bescherming van de natuur staan in de Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming behelst drie onderwerpen: soortenbescherming, gebiedsbescherming en de bescherming van houtopstanden. Naast het (Europese) netwerk van Natura 2000-gebieden, bestaat de kern van het Nederlandse natuurbeleid uit het Natuurnetwerk Nederland (NNN) dat een samenhangend netwerk vormt van natuurgebieden. Verbinding van natuurgebieden staat hierbij centraal. In de Wet natuurbescherming heet dit de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen (negatieve) effecten hebben op beschermende gebieden en beschermde diersoorten. De toelichting van een bestemmingsplan moet daarom een verantwoording bevatten over het effect van de ingreep op de beschermde natuur. Voor het plangebied van het bestemmingsplan 'Noorderes' is een ecologisch vooronderzoek verricht in de vorm van een quickscan. De Quickscan Flora en Fauna is als bijlage toegevoegd. Deze quickscan heeft in beeld gebracht welke mogelijke beschermde soorten in het plangebied voorkomen en/of de ontwikkeling hierop effect heeft, alsook of de ontwikkeling effect heeft op beschermde natuurgebieden in of bij het plangebied.
vastgesteld Bestemmingsplan Noorderes
27
NL.IMRO.0141.00097-BP31
4.7.1 Soortenbescherming Er mag geen schade worden toegebracht aan beschermde planten- en/of dieren(soorten). Uit de quickscan is naar voren gekomen dat de ruimtelijke ontwikkeling naar verwachting zal leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van een aantal beschermde soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt. Het gaat om beschermde diersoorten, zoals het konijn, de mol en algemene muizen. De ingreep heeft echter geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten, omdat sprake is van een tijdelijke en plaatselijke verstoring, er voldoende leefgebied aanwezig blijft en het relatief algemene soorten betreft. Voor wat betreft de soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, is het plangebied in de huidige staat ongeschikt als leefgebied. Verblijfplaatsmogelijkheden en geschikt foerageergebied ontbreken door een gebrek aan dekking. In de nieuw te realiseren woningen met bijbehorende bouwwerken kunnen juist nieuwe geschikte verblijfplaatsmogelijkheden voor bijvoorbeeld de huismus en de gierzwaluw worden gerealiseerd. Ten aanzien van vogels, welke als soort beschermd zijn in de Wet natuurbescherming, wordt geadviseerd om werkzaamheden buiten het broedseizoen op te starten. Het broedseizoen loopt van half maart tot half juli. 4.7.2 Gebiedsbescherming In de directe omgeving van het plangebied liggen geen Natura 2000-gebieden.
Op ongeveer 10 km afstand ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Wierdenseveld. De aard van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maakt dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming wordt daarom niet noodzakelijk geacht. 4.7.3 Beschermde houtopstanden Binnen het plangebied van het bestemmingsplan 'Noorderes' worden geen bomen gekapt. Het heeft geen effect op beschermde houtopstanden. Een nadere toetsing van houtopstanden wordt daarom niet noodzakelijk geacht. 4.7.4 Natuurnetwerk Nederland Het plangebied van het bestemmingsplan 'Noorderes' en het omliggende gebied maken geen onderdeel uit van het NNN. Met de voorgenomen werkzaamheden worden geen negatieve effecten verwacht op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN. Van afname van areaal is geen sprake. Tevens worden geen effecten verwacht die de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN significant aantasten. Een toetsing aan het NNN-beleid wordt daarom niet noodzakelijk geacht. 4.7.5 Conclusie Voor wat betreft de soortenbescherming is nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing niet noodzakelijk. Voor wat betreft de gebiedsbescherming wordt een toets op grond van de Wet natuurbescherming ook niet noodzakelijk geacht.
Voorliggend bestemmingsplan heeft geen negatieve effecten op beschermde houtopstanden of het NNN. De wet- en regelgeving met betrekking tot ecologie staat het bestemmingsplan 'Noorderes' niet in de weg.
4.8 Stikstof Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen effecten hebben op beschermende gebieden en beschermde diersoorten. Stikstofemissie kan een negatief effect hebben op de beschermde natuur. De toelichting van een bestemmingsplan moet daarom een verantwoording bevatten over het effect van de ingreep op de beschermde natuur, waaronder het effect van de uitstoot van stikstof. 4.8.1 Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wn) bevat regels ter bescherming van de natuur. Hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming bevat regels ten aanzien van Natura 2000-gebieden. De Natura 2000-gebieden zijn een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Voor de Natura 2000-gebieden gelden instandhoudinsdoelstellingen. De kern van gebiedsbescherming is dat, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied, habitats niet mogen verslechteren. Stikstofemissie kan negatieve effecten hebben op een Natura 2000-gebied. Het plangebied van het bestemmingsplan 'Noorderes' vormt echter geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een
vastgesteld Bestemmingsplan Noorderes
28
NL.IMRO.0141.00097-BP31
beschermde status, zoals Natura 2000-gebieden. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn het Wierdense Veld en het Engbersdijkveen. Deze Natura 2000-gebieden liggen op ruime afstand van het plangebied. Het gaat om een afstand van zeker 5 tot 10 km. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de afstand tot natuurgebieden, kunnen verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. Vermesting en verzuring als gevolg van stikstofdepostie zijn echter niet op voorhand uit te sluiten. De nieuwe woningen worden gasloos gebouwd, waardoor er geen gebouwemissies zijn. Dat betekent dat enkel stikstofemissies worden veroorzaakt in de aanlegfase door het nodige gebruik van mobiele werktuigen en verkeersbewegingen en als gevolg van de toename in verkeersgeneratie ten opzichte van de huidige situatie. Voor de realisatie van de zes (patio)woningen is een AERIUS-berekening uitgevoerd om te berekenen hoe hoog de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden zal zijn als gevolg van de aanleg- en gebruiksfase. De berekening heeft geen depositieresultaten opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr. 4.8.2 Conclusie Met het bestemmingsplan 'Noorderes' wordt de bouw van zes (patio)woningen mogelijk gemaakt. Het planinitiatief leidt niet of slechts in zeer beperkte mate tot stikstofemissies.
Deze toename is zo beperkt dat het geen negatieve effecten heeft op de Natura 2000-gebieden in de omgeving. Het planinitiatief leidt niet of slecht zeer beperkt tot stikstofemissies. Deze toename is zo beperkt dat deze op voor verzuring gevoelige Natura 2000-gebieden niet zal leiden tot een depositie.
4.9 Archeologie en cultuurhistorie Op grond van de Erfgoedwet, artikel 3.6.1 lid 1 Bro en het beleid van de gemeente Almelo, dient in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische en cultuurhistorische waarden. In de toelichting van een bestemmingsplan dient een beschrijving opgenomen te worden van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden in de grond of te verwachten monumenten rekening is gehouden. In deze paragraaf wordt ingegaan op de in het plangebied aanwezige archeologische en cultuurhistorische waarden. 4.9.1 Archeologische waarden De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: 'de veroorzaker betaalt'. Het deel van de Erfgoedwet dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze (naar verwachting) in 2022 in werking treedt. Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het overgangsrecht uit de Erfgoedwet, welke ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet in werking is.
Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ), omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Voor het plangebied van het bestemmingsplan 'Noorderes' geldt dat het een binnenstedelijke locatie betreft waar de grond al meerdere malen fors is verstoord. Ons gemeentelijk beleid geeft aan dat het voor initiatieven van beperkte omvang niet noodzakelijk is om archeologisch onderzoek te doen. Om deze redenen bestaat dan ook geen noodzaak voor nader archeologisch onderzoek. Ter voorkoming van een verstoring en vernietiging van eventuele archeologische waarden is in het gehele plangebied van het bestemmingsplan 'Noorderes' de dubbelbestemming 'Waarde Archeologische verwachting midden hoog' opgenomen. In de dubbelbestemming zijn afwijkings- en uitzonderingsmogelijkheden geformuleerd om normaal grondgebruik mogelijk te maken.
4.9.2 Cultuurhistorische waarden Vanaf 1 januari 2012 is het verplicht om in ruimtelijke plannen rekening te houden met de cultuurhistorische waarden in het plangebied. Om een stabiele en meer structurele basis te geven aan de borging van cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening, is aan artikel 3.1.6 Bro toegevoegd dat
vastgesteld Bestemmingsplan Noorderes
29
NL.IMRO.0141.00097-BP31
gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen niet alleen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden onder de grond (archeologische waarden), maar ook met waarden boven de grond. Dat betekent dat gemeenten een analyse moeten maken van de cultuurhistorie in een bestemmingsplangebied en daar conclusies aan moeten verbinden die in het bestemmingsplan verankerd worden. In het plangebied zijn geen waardevolle cultuurhistorische objecten en/of monumenten aanwezig. De ontwikkeling heeft dan ook geen negatieve effecten op gemeentelijke, provinciale of Rijksmonumenten, dan wel andere objecten met cultuurhistorische waarde. 4.9.3 Conclusie Binnen het plangebied van het bestemmingsplan 'Noorderes' of in de directe omgeving daarvan zijn geen gemeentelijke, provinciale of Rijksmonumenten aanwezig. Ook is er geen hoge archeologische verwachtingswaarde voor deze locaties. Hierdoor kan worden geconcludeerd dat de archeologische en cultuurhistorische waarden de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan niet in de weg staan.
4.10 Milieueffectrapportage Het doel van de m.e.r.-procedure is het milieu mee te laten wegen bij de vaststelling van het bestemmingsplan. Het milieu krijgt hiermee een volwaardige plaats in de belangenafweging. 4.10.1 Toetsingskader De Nederlandse m.e.r.-regelgeving is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Onderscheid wordt gemaakt tussen een project-m.e.r. en een plan-m.e.r. Er bestaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C (m.e.r.-plichtig) en D (m.e.r.-beoordelingsplichtig) van de bijlage van het Besluit m.e.r. waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). In onderdeel D, onder 11.2 van de bijlage bij het Besluit m.e.r is de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen genoemd. Het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' is niet gedefinieerd. Op grond van de bijlage bij het Besluit m.e.r. geldt voor een bestemmingsplan dat een 'stedelijk ontwikkelingsproject' mogelijk maakt alleen een m.e.r.-beoordelingsplicht als de activiteit betrekking heeft op: <0000> Een oppervlakte van 100 hectare of meer; <0000> Een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of <0000> Een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. Als activiteiten voorkomen op de D-lijst uit de bijlage bij het Besluit m.e.r. en onder de in kolom 2 genoemde drempelwaarden vallen, dan moet alsnog een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Dit is de vormvrije m.e.r.-beoordeling. 4.10.2 Conclusie Met het bestemmingsplan 'Noorderes' wordt de bouw van zes (patio)woningen mogelijk gemaakt op een braakliggend terrein in bestaand stedelijk gebied. Woningbouw wordt in beginsel aangemerkt als 'stedelijk ontwikkelingsproject'. Dit betekent dat sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht als wordt voldaan aan de drempelwaarden uit kolom 2 van onderdeel D, onder 11.2 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Met de bouw van zes (patio)woningen wordt echter niet voldaan aan de in kolom 2 van de in onderdeel D, onder 11.2 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. genoemde drempelwaarden. Dit betekent dat, gelet op de wijziging van het Besluit m.e.r. in 2017, wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. Ten behoeve van de m.e.r.-beoordelingsbeslissing is dan ook een notitie vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld. Het bevoegd gezag heeft een m.e.r.-beoordelingsbeslissing genomen, waarin wordt aangegeven dat geen volledige m.e.r.-procedure doorlopen hoeft te worden.
vastgesteld Bestemmingsplan Noorderes
30
NL.IMRO.0141.00097-BP31
Hoofdstuk 5 Water In dit hoofdstuk wordt het wateraspect en de wijze waarop in het bestemmingsplan 'Noorderes' rekening is gehouden met de waterhuishuiding nader behandeld.
5.1 Europees beleid en Rijksbeleid In deze paragraaf wordt het Europees beleid en het Rijksbeleid voor het wateraspect behandeld. 5.1.1 Algemeen Op grond van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn in 2009 stroomgebiedbeheerplannen opgesteld. Hierin staan de doelen en maatregelen om chemisch schoon en ecologisch gezond oppervlakte- en grondwater voor duurzaam gebruik te realiseren. Het gaat om een combinatie van landelijke en gebiedsgerichte maatregelen. De uitvoering van landelijke maatregelen uit het Nationaal Waterplan is in het algemeen volgens schema. De gebiedsgerichte maatregelen zijn uitgevoerd door waterschappen, Rijkswaterstaat, provincies en gemeenten. De omvang van de gebiedsgerichte maatregelen is tussentijds wel bijgesteld, bijvoorbeeld doordat de maatregelen in de rijkswateren die onder het kabinet Rutte 1 zijn getemporiseerd pas na 2015 worden ingelopen. Eind 2015 zijn de stroomgebiedbeheerplannen voor 2016-2021 vastgesteld. Hierin zijn aanvullende landelijke en gebiedsgerichte maatregelen opgenomen. In december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP2) vastgesteld. Dit plan vervangt het Nationaal Waterplan 2009-2015 inclusief alle tussentijdse wijzigingen.
Het NWP2 geeft het integrale kader voor het waterbeleid van het Rijk voor de komende zes jaar en geeft uitvoering aan de Europese richtlijnen voor waterkwaliteit, de mariene strategie en de overstromingsrisico’s. Om veilig en comfortabel in onze delta te kunnen blijven wonen is het nodig wateropgaven en andere ruimtelijke plannen te combineren. Bijvoorbeeld dijkversterkingen met natuurontwikkeling of bestrijding van wateroverlast met stedelijke herinrichting. Door het slimmer verbinden van water en ruimte moet Nederland de veiligste delta in de wereld blijven. De Stroomgebiedbeheerplannen, het Programma van maatregelen mariene strategie, de Beleidsnota Noordzee en de Overstromingsrisicobeheerplannen maken onderdeel uit van het NWP2. Het NWP2 geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit NWP2 wordt een volgende ambitieuze stap gezet in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit, een duurzaam beheer en goede milieutoestand van de Noordzee en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart.
Hierbij streven we naar een integrale benadering, door economie (inclusief verdienvermogen), natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie en cultureel erfgoed zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen. Het beleid en de maatregelen in dit Nationaal Waterplan dragen bij aan het vergroten van het waterbewustzijn in Nederland. 5.1.2 Klimaatadaptie Overheden, private partijen en maatschappelijke organisaties werken aan klimaatadaptie, met de Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS) als kader. Het doel is Nederland waterrobuust en klimaatbestendig in te richten. De klimaatadaptatieopgave krijgt voor een belangrijk deel invulling via het Deltaprogramma. Alle overheden werken met het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie – onderdeel van het Deltaprogramma – stap voor stap toe naar maatregelen. Eind 2019 hadden vrijwel alle gemeenten, waterschappen en provincies stresstesten uitgevoerd die de risico’s van wateroverlast, droogte, hitte en de gevolgen van overstromingen in beeld brengen. Ook het Rijk heeft voor de rijkswegen en het spoor (op onderdelen) stresstesten uitgevoerd. Veel gemeenten, waterschappen en provincies hebben een risicodialoog gevoerd of zijn bezig met de voorbereidingen ervan en sommige hebben uitvoeringsprogramma’s opgesteld.
vastgesteld Bestemmingsplan Noorderes
31
NL.IMRO.0141.00097-BP31
5.1.3 Deltaplan Zoetwater De uitvoering van het Deltaplan Zoetwater fase 1 (2015-2021) loopt grotendeels volgens schema. Bijna alle maatregelen zullen in 2021 klaar zijn. In april 2019 is besloten tot en met 2021 7 miljoen euro te besteden aan maatregelen die voortkomen uit de Beleidstafel Droogte, urgente projecten op de Hoge Zandgronden en het verbeteren van de kennisbasis. Inmiddels zijn ook kansrijke strategieën en maatregelen voor de tweede fase van het Deltaplan Zoetwater in beeld gebracht. In 2019 is de geactualiseerde knelpuntenanalyse beschikbaar gekomen. Hieruit en uit de deltascenario’s, blijkt dat in de toekomst vaker watertekorten kunnen optreden door klimaatverandering, verzilting en sociaaleconomische ontwikkelingen. 5.1.4 Impuls met de Delta-aanpak Waterkwaliteit Met de Delta-aanpak Waterkwaliteit geeft Nederland een impuls aan het verbeteren van de waterkwaliteit. Dat is nodig om in 2027 de geplande maatregelen voor de Kaderrichtlijn Water (KRW) af te kunnen ronden en aan de doelen van de richtlijn te voldoen. In 2019 zijn voor de prioritaire onderwerpen drie bestuurlijke versnellingstafels ingericht: de landbouwtafel (meststoffen en gewasbescherming), de stoffentafel (opkomende stoffen en medicijnresten) en de brede tafel (onder meer Kaderrichtlijn Water, kennisimpuls en communicatie). In 2019 is gestart met de Nationale analyse waterkwaliteit.
Deze brengt in beeld welke effecten de voorgestelde maatregelen op de waterkwaliteit in 2027 hebben, op basis van regionale en nationale analyses. De waterbeheerders gebruiken deze resultaten om de stroomgebiedbeheerplannen van de Kaderrichtlijn Water voor de periode 2022-2027 in te vullen met nieuwe maatregelen. Dit loopt parallel met het opstellen van waterplannen door het Rijk, de provincies en de waterschappen. 5.1.5 Omgevingswet De Omgevingswet zal (naar verwachting) op 1 januari 2022 in werking treden. Het betreft een stelselherziening van het bestaande omgevingsrecht. De Waterwet gaat grotendeels op in de Omgevingswet. De wet- en regelgeving uit de Waterwet voor waterveiligheid - met de nieuwe normen voor waterkeringen die sinds 2017 van kracht zijn - worden opgenomen in de Omgevingswet. 5.1.6 Nationale Omgevingsvisie en Nationaal Waterprogramma 2022-2027 Op 20 juni 2019 bood de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de Ontwerp Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) aan de Tweede Kamer aan. Onderdeel hiervan is de beleidskeuze dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust is (prioriteit 1). Voor de hele NOVI is water als een van de ordenende principes gehanteerd. De NOVI wordt vastgesteld bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet. De ontwerp-NOVI geeft de strategische hoofdlijnen van het waterbeleid.
Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 geeft daar nadere uitwerking en uitvoering aan. In november 2019 kon iedereen zienswijzen indienen over het voornemen voor het opstellen van het Nationaal Waterprogramma en het bijbehorende MER. Eind 2020 zal het kabinet het ontwerp-Nationaal Waterprogramma vaststellen.
5.2 Provinciaal beleid De provincie Overijssel houdt toezicht op de waterschappen en is verantwoordelijk voor veilig drinkwater. Ook zorgt zij voor het overleg en de plannen voor waterbeheer in de regio. In deze paragraaf wordt het provinciaal beleid voor het wateraspect behandeld. 5.2.1 Provinciale Omgevingsvisie In de Omgevingsvisie (2017) wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. Provinciale Staten hebben de Actualisatie 2018-2019 van de provinciale Omgevingsvisie op 13 november 2019 gewijzigd vastgesteld. De ambities voor water zijn: <0000> Watersystemen met goede ecologische en chemische kwaliteit, die voor de lange termijn klimaatbestendig, veilig en beleefbaar zijn; <0000> Voorbereid zijn op de lange termijn gevolgen van klimaatverandering (veiligheid en droogte); <0000> Optimale watercondities (kwaliteit en kwantiteit) voor landbouw, wonen, natuur en landschap; <0000> Betrouwbare drinkwatervoorziening (kwaliteit en kwantiteit); <0000> Zorgen voor waterveiligheid, externe veiligheid en verkeersveiligheid; <0000> Zorgvuldig gebruik van de ondergrond (energie, zoutwinning, opslag, zandwinning, WKO, hoofdtransportleidingen, voorraadvorming grondwater).
vastgesteld Bestemmingsplan Noorderes
32
NL.IMRO.0141.00097-BP31
5.2.2 Provinciale Omgevingsverordening In de provinciale Omgevingsverordening is het onderdeel 'Waterverordening' opgenmen. Provinciale Staten hebben de Actualisatie 2018-2019 van de provinciale Omgevingsvisie op 13 november 2019 gewijzigd vastgesteld. De watervordening bevat regels over de volgende onderelen die op grond van de Waterwet verplicht zijn: <0000> Regionale waterkeringen (2.4. Waterwet); <0000> Waterkwantiteit (2.8. Waterwet); <0000> Toedeling vaarwegbeheer (3.2. Waterwet); <0000> Regionale waterplannen (3.11., 4.5. en 4.7. Waterwet); <0000> Beheersplannen betreffende regionale wateren (3.10., 4.5. en 4.7. Waterwet); <0000> Peilbesluiten (5.2. Waterwet); <0000> Grondwateronttrekkingen (8.1. in relatie te lezen tot 6.4. Waterwet); <0000> Handhaving. Met oog op de Omgevingswet die (naar verwachting) op 1 januari 2022 in werking treedt, zijn de regels voor wat betreft het wateraspect in hoofdstuk 4 van de provinciale Omgevingsverordening bijeengebracht in één gebiedsdekkende regeling. De gebiedsdekkende regeling geldt voor de waterschappen Drents Overijsselse Delta, Vechtstromen, Rijn en IJssel en Vallei en Veluwe. De gemeente Almelo valt binnen het waterschap Vechtstromen. Dit hoofdstuk richt zich op het regionale waterbeheer en de taakuitoefening van deze waterschappen voor zover gelegen binnen het grondgebied van de provincie Overijssel.
5.3 Beleid Waterschap Vechtstromen In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap Vechtstromen de taken de komende jaren (2016 tot 2021) wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen uitgewerkt voor de thema’s waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op: <0000> Voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte. Inwoners kunnen hierdoor op een goede manier wonen en werken in het beheergebied en de boeren en natuurbeheerders kunnen goed gebruik maken van de grond; <0000> Beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater. Een goede ecologische en chemische kwaliteit van het (oppervlakte)water is belangrijk. Het water is dan schoon en gezond en inwoners kunnen hiervan genieten. Ook de doelen voor waterkwaliteit die voortvloeien uit Europese wetgeving, de Kaderrichtlijn Water (KRW), zijn hier een onderdeel van. <0000> Afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties effectief en efficiënt behandelen. Het waterschap haalt niet alleen schadelijke stoffen uit het afvalwater, maar wil daarmee ook nuttige producten maken en ze probeert nieuwe toepassingen te zoeken. Ook de kosten en financiering zijn weergegeven. Het Waterbeheerplan is afgestemd met de plannen van het Rijk, de provincies en de gemeenten.
5.4 Gemeentelijk beleid In deze paragraaf wordt het gemeentelijk beleid voor het wateraspect behandeld. 5.4.1 Waterplan Almelo De gidsprincipes voor het waterplan Almelo en de visie zijn gebaseerd op principes uit de Vierde Nota waterhuishouding en de aanbevelingen van de Commissie Waterbeheer 21-ste eeuw, waarbij aanpak van de bron prevaleert boven ‘end-of-pipe’-maatregelen en de afwenteling van lokale problemen op (boven)regionale systemen zoveel mogelijk wordt voorkomen. Het vasthouden van water verdient de voorkeur. Wanneer dit niet meer mogelijk is, wordt zoveel mogelijk water geborgen. Daarbij speelt de waterkwaliteit een belangrijke rol. Water van verschillende kwaliteit wordt zoveel mogelijk gescheiden. Wanneer ook berging niet meer mogelijk is, wordt het water ten slotte afgevoerd. In stedelijke in- of uitbreidingsgebieden dient zoveel mogelijk verhard oppervlak niet aangesloten te worden op de riolering. Een duurzame inrichting van het terrein moet zorgen voor het bewaken van de kwaliteit. Kortom, problemen met waterkwaliteit en –kwantiteit mogen niet worden afgewenteld en de ontwikkelingen mogen geen negatieve beïnvloeding van waterkwaliteit en –kwantiteit met zich meebrengen. Bij nieuwbouw dient grondwaterneutraal gebouwd te worden.
vastgesteld Bestemmingsplan Noorderes
33
NL.IMRO.0141.00097-BP31
5.4.2 Verbreed gemeentelijk rioleringsplan 2016-2020 Het verbreed gemeentelijk rioleringsplan 2016 t/m 2020 (vGRP) geeft inzicht in de omvang, het functioneren en de kwaliteitstoestand van de voorzieningen waarmee de gemeente Almelo nvulling geeft aan de wettelijke zorgplichten voor het afval-, hemel- en grondwater, en de bekostiging hiervan. Daarnaast heeft de gemeente Almelo ook nadrukkelijk oppervlaktewater als onderdeel van het beheer van het stedelijk water gemaakt. Het vGRP beschrijft de beleidskaders en de bekostiging voor de inzameling, transport en verwerking van stedelijk afval-, hemel- en grondwater en het beheer van het oppervlaktewater in de gemeente Almelo voor de periode 2016 tot en met 2020 en geeft de visie op de gemeentelijke watertaken voor de lange termijn. Om een strategie voor de komende planperiode op te kunnen stellen is een visie voor de lange termijn van belang. Eén van de belangrijkste voorwaarden is dat ook de gemeente Almelo moet anticiperen op de financiële omstandigheden en te maken heeft met bezuinigingsdoelstellingen. Eén van de opgaven komt voort uit het Bestuursakkoord Water. Dit betreft de opgave te komen tot minder meerkosten en zodoende minder stijging van de rioolheffing. Deze opgave voert de gemeente deels samen uit met Twents waternet en de conclusie is dat de gemeente Almelo op koers ligt.
Het kwaliteitskader voor de gemeentelijke watertaken bestaat uit vier onderdelen (stedelijk afvalwater, hemelwater, grondwater en oppervlaktewater). Deze onderdelen corresponderen met de drie zorgplichten van de gemeente. Het vierde onderdeel 'oppervlaktewater' ziet de gemeente Almelo als integraal onderdeel van het stedelijk water. De gemeente Almelo is voor een groot gedeelte vrij op welke wijze en in welk tempo zij invulling wil geven aan haar zorgplichten. Speerpunten voor de planperiode De gekozen ambities voor het totale watersysteem (afval-, hemel- grond- en oppervlaktewater) kunnen in hoofdlijn worden samengevat in de volgende speerpunten: <0000> Samen op met burgers en bedrijven; <0000> Toekomstgericht en klimaatbestendig; <0000> Een doelmatige aanpak; <0000> De organisatie en de middelen op orde; <0000> Een functionerend watersysteem.
5.5 Watertoets 5.5.1 Algemeen Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht om in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Bij de besluitvorming dient gemotiveerd te worden op welke manier rekening is gehouden met het wateradvies. De initiatiefnemer verantwoordt de ruimtelijke keuzen ten aanzien van water in de waterparagraaf, als onderdeel van het ruimtelijk plan. 5.5.2 Huidige situatie Oppervlaktewater: Direct ten zuiden van het plangebied ligt het kanaal Almelo-Nordhorn. Deze is in beheer bij het waterschap Vechtstromen.
vastgesteld Bestemmingsplan Noorderes
34
NL.IMRO.0141.00097-BP31
Door het waterschap Vechtstromen is aangegeven dat de watergangen naar verwachting in goed hydraulisch contact staan met het grondwatersysteem en deze dus beïnvloeden. Grondwater: In de periode 2010 t/m 2015 zijn er onderzoeken uitgevoerd naar de huidige grondwaterstanden in Almelo. Tijdens deze onderzoeken zijn grondwateraandachtsgebieden vastgesteld waar mogelijk (te) hoge grondwaterstanden optreden. Op basis van aanvullend onderzoek is er onderzocht of er ook daadwerkelijk sprake is van te hoge grondwaterstanden. Het plangebied valt niet binnen een grondwateraandachtsgebied en er zijn qua grondwater geen problemen te verwachten. De gemeente Almelo beschikt over een grondwatermeetnet welke bestaat uit peilbuizen verspreid over Almelo, Aadorp en Bornerbroek. Het doel van het meetnet is om informatie over de stijghoogten en de stromingsrichting van het grondwater te verkrijgen. Daarnaast worden de gegevens gebruikt voor onderzoeken naar de oorzaken van wateroverlast. De peilbuizen zijn sinds 1996 ca. twee keer per maand handmatig bemeten en worden vanaf eind 2010 met een datalogger automatisch uitgelezen. De data is te zien op de website: https://grondwater.webscada.nl/twentswaternet/. Dit betreft de data vanaf 2010. Direct ten zuiden van het plangebied ligt een peilbuis.
Afval en hemelwater: De riolering in het stedelijk gebied van de gemeente Almelo bestaat globaal uit drie types rioolstelsels, te weten een gemengd stelsel, een gescheiden stelsel en een verbeterd gescheiden stelsel. Bij een gescheiden stelsel ligt er een ondergronds of bovengronds hemelwatersysteem. In het plangebied ligt een gescheiden stelsel. Het hemelwaterwater wordt via een ondergronds IT-riool afgevoerd naar de bodem of naar oppervlaktewater. Door nieuwe ontwikkelingen mag de kwaliteit van het afstromende water van deze oppervlakken niet negatief worden beïnvloed. Het vuile water uit het gebied wordt onder vrijverval afgevoerd naar de RWZI Vissedijk. Het hydraulisch functioneren van het rioolstelsel is getoetst met bui 8 uit de Leidraad Riolering. Bui 8 is een theoretische regenbui die gemiddeld eenmaal per 2 jaar voorkomt en een intensiteit heeft van circa 20 mm in een uur tijd. Uitgangspunt is dat bij bui 8 maximaal een half uur water op straat mag optreden. In 2020 is het rioolstelsel hydraulisch doorgerekend. In het plangebied komen bij bui 8 theoretisch geen water op straat locaties voor. 5.5.3 Toekomstige situatie Streefbeeld: In stedelijk gebied is het veilig wonen en werken, de kans op overstromingen is bijzonder klein.
Bij grootschalige nieuwbouw en bij vitale functies in risicovolle gebieden zijn inrichtingsmaatregelen getroffen om schade, slachtoffers of maatschappelijke ontwrichting zo veel mogelijk te voorkomen. Wateroverlast komt nu eenmaal af en toe voor, maar is teruggebracht tot een maatschappelijk geaccepteerd niveau. Grondwateroverlast komt vrijwel nergens meer voor. Burgers zijn zich bewust van hun verantwoordelijkheden en van de gevolgen van eigen handelen op het watersysteem. Ze nemen hun eigen verantwoordelijkheid voor het (tijdelijk) bergen van regenwater dat op hun perceel valt. De bebouwde omgeving is in hoge mate zelfvoorzienend, waar mogelijk worden zomerse tekorten aangevuld met in de winter gevulde zoetwaterbuffers. Water, cultuurhistorie en groen leveren een duidelijke bijdrage aan de kwaliteit van de leefomgeving en bepalen mede de culturele identiteit van de stad. Bewoners hebben toegang tot voldoende en aantrekkelijk oppervlaktewater waarop veilig gerecreëerd kan worden. Stadswater brengt verkoeling tijdens warme zomers. Het zelfreinigend vermogen van zowel het watersysteem als het bodem- en grondwatersysteem is groot. Het gezuiverde effluent van rioolwaterzuiveringen wordt veelal benut als een continue waterbron met waardevolle gebruiksfuncties in plaats van het zonder bestemming te lozen.
Er zijn innovatieve oplossingen gevonden voor deze wateropgaven in stedelijk gebied. Gemeenten en waterschappen werken hierbij nauw samen met onder meer projectontwikkelaars, woningbouwcorporaties, bouwers, banken en burgers. vastgesteld Bestemmingsplan Noorderes
35
NL.IMRO.0141.00097-BP31
Klimaat Actieve Stad Als Klimaat Actieve Stad Stedenband Twente, kortweg KAS, hebben de gemeenten Almelo, Enschede en Hengelo, waterschap Vechtstromen en provincie Overijssel de krachten gebundeld. De rode draden uit de ‘Klimaatagenda: weerbaar, welvarend en groen’ zijn als uitgangspunten genomen: Mitigatie: maatregelen die bijdragen aan de beperking van de klimaatverandering; Juist in de stad liggen er veel kansen om bij te dragen aan beperking van de klimaatverandering. Met al haar stromen van mensen, energie, voedsel en producten werkt ze mee aan de uitstoot van broeikasgassen. Ze heeft daarom een belangrijke taak in het vinden van slimme oplossingen voor transport, consumptie, verwarming en koeling. Dat vraagt naast andere gebouwen en installaties ook om een andere inrichting van de stad. Watergerichte maatregelen wijzen de weg: afkoppeling van hemelwater reduceert het energiegebruik van rioolwaterzuiverings- installaties, koudewinning is een adequaat (en lucratief!) alternatief voor airconditioning, terwijl groene daken en bomen garant staan voor natuurlijke koeling en opname van CO2. Adaptie: maatregelen om de gevolgen van de klimaatverandering te beperken; Intussen is de klimaatverandering al volop gaande. De cruciale vraag is hoe we hiermee nu al omgaan. Dat is klimaatadaptatie: hetgeen we nu kunnen doen om de gevolgen van de klimaatverandering op te vangen.
Door bijvoorbeeld te inventariseren waar de effecten van extreme neerslag, hitte en droogte het grootst zijn en wie dan het kwetsbaarst zijn. Met die kennis kunnen we vanaf vandaag de risico’s van waterschade en hittestress beperken. Door meer groen aan te brengen in onze wijken, meer ruimte te maken voor (de opvang van) water in de stad en het aantal verharde vierkante meters terug te brengen. Ruimtelijke kwaliteit: het streven om de omgeving duurzamer en (be)leefbaarder te maken; Het stedelijk gebied is een optelsom van vele uiteenlopende functies. De woonomgeving heeft invloed op factoren die het welzijn van de bewoners bepalen, zoals volksgezondheid en de mogelijkheden voor recreatie en sociale contacten. Bij de ruimtelijke kwaliteit gaat het erom de juiste functies de juiste fysieke plek te geven, met de juiste vormgeving en inpassing. Als groen daar ligt waar het mensen aantrekt, komen ze naar buiten en ontmoeten ze andere mensen. Ze ervaren de leefomgeving als prettig en voelen zich gezonder. Zichtbaar water, aansprekende gebouwen en herinrichting hebben een overeenkomstig effect. Verbetering van de ruimtelijke kwaliteit gaat dan gelijk op met de versterking van de sociale en duurzame kwaliteiten van de stad. De wateropgave: meer ruimte voor water maken.
Het Rijk, de provincies, de gemeenten en de waterschappen hebben de gezamenlijke ambitie om het Nederland van 2050 klimaatbestendig en waterrobuust in te richten. Bij de (verdere) inrichting van ons land is het daarom van belang water en ruimte te verbinden. Maatregelen in het waterbeheer worden gekoppeld aan ruimtelijke ontwikkelingen en vice versa. Scope, programmering en financiering van de ruimtelijke plannen sluiten zo goed mogelijk op elkaar aan of, beter nog, versterken elkaar. Stedelijk afvalwater: De gemeentelijke taak voor stedelijk afvalwater is het zorgdragen voor de inzameling en het transport van afvalwater. De in het vGRP gekozen ambitie van huidige koers sluit aan bij het vervullen van de wettelijke taken zoals omschreven in Artikel 10.33 Wet Milieubeheer. De accenten richting ambitieus zitten in: <0000> De gemeente zet in de planperiode in op de transitie naar effect gestuurd beheer, met als doel het maken van transparante keuzes en het efficiënt inzetten van de beschikbare middelen (het doen, of juist laten, van investering versus de effecten daarvan).