CConstaterende datAlmelo
Koppel je AI →
Document · PDF

7.3 Bornsestraat 384 - Bijlage 3 - Vast te stellen bestemmingsplan Bornsestraat 384.pdf

Raad 13 april 2021, gemeente AlmeloBij agendapunt: Bornsestraat 38425.433 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

32

NL.IMRO.0141.00093-BP31

3.3.3.1 Afwijken van de gebruiksregels Op grond van artikel 18.4.3 (Bed & breakfast) van het bestemmingsplan 'Buitengebied correctieve herziening' kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in artikel 18.1 (bed & breakfast binnen het bestaande hoofdgebouw) voor het toestaan van bed & breakfast in bestaande bijbehorende bouwwerken, met dien verstande dat: 1. bed & breakfast mag bestaan uit maximaal vier slaapkamers en één gemeenschappelijke huiskamer met een maximale oppervlakte van 30 m2 per kamer; 2. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden; 3. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden. Toets 1. De bed & breakfast zal in de toekomstige situatie bestaan uit vier slaapkamers en één gemeenschappelijke huiskamer. De slaapkamers hebben een maximale oppervlakte van 30 m2. 2. Als gevolg van de realisatie van de twee extra B&B-kamers vindt er geen onevenredige aantasting plaats van in de omgeving aanwezige functies en waarden. Dit blijkt onder meer uit Hoofdstuk 4 Milieu-aspecten. 3. Als gevolg van de realisatie van de twee extra B&B-kamers vindt er geen onevenredige aantasting plaats van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden. Dit blijkt onder meer uit Hoofdstuk 4 Milieu-aspecten.

3.3.3.2 Wijzigingsbevoegheid Op grond van artikel 18.5.4 (Recreatieve nevenactiviteiten) van het bestemmingsplan 'Buitengebied correctieve herziening' zijn burgemeester en wethouders bevoegd het plan te wijzigen voor het toestaan van bij de woning behorende en daaraan ondergeschikte recreatieve nevenactiviteiten in de vorm van vakantieappartementen (lees tevens vakantiewoningen), mits: 1. gerealiseerd in de bestaande en met bouwvergunning gebouwde voormalige bedrijfsbebouwing, die minimaal drie jaar in agrarisch gebruik zijn geweest; 2. maximaal drie appartementen worden gerealiseerd met een woonoppervlak van maximaal 150 m2 per woning of appartement; 3. er een inpassingsplan wordt overlegd; 4. voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein; 5. opslag en stalling in verband met de nevenactiviteiten uitsluitend inpandig plaatsvinden; 6. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden; 7. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden; Toets 1. De voormalige paardenstal is in 1988 met een bouwvergunning gebouwd en sinds die tijd ten minste 3 jaar agrarisch in gebruik geweest als paardenstal; 2. Het woonoppervlak van de vakantiewoning bedraagt circa 140 m2; 3. De voormalige paardenstal is reeds goed ingepast in haar omgeving.

Daarnaast is er een landschappelijk inpassingsplan opgesteld; 4. In paragraaf 2.3.2 is uiteengezet dat de parkeerbehoefte van de vakantiewoning op 2,1 parkeerplaatsen gesteld kan worden. Op het 'erf' van de vakantiewoning is er voldoende ruimte om in deze behoefte te voorzien; 5. Als gevolg van de realisatie van de vakantiewoning vindt er geen onevenredige aantasting plaats van in de omgeving aanwezige functies en waarden. Dit blijkt onder meer uit Hoofdstuk 4 Milieu-aspecten; 6. Als gevolg van de realisatie van de vakantiewoning vindt er geen onevenredige aantasting plaats van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden. Dit blijkt onder meer uit Hoofdstuk 4 Milieu-aspecten.

vastgesteld bestemmingsplan Bornsestraat 384

33

NL.IMRO.0141.00093-BP31

Hoofdstuk 4

Milieu-aspecten

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving staan van het verrichte onderzoek naar de voor het plan relevante feiten en de af te wegen belangen (Algemene wet bestuursrecht, artikel 3.2). In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de geldende wet- en regelgeving die op voorliggend plan en plangebied van toepassing zijn. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden daarom de resultaten van het onderzoek naar o.a. de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen voor zover relevant de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, verkeer, water en vormvrije m.e.r-beoordeling.

4.1

M ilieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.

Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering Toets Bij het realiseren van een nieuwe bestemming dient gekeken te worden of die nieuwe functie past in de

vastgesteld bestemmingsplan Bornsestraat 384

34

NL.IMRO.0141.00093-BP31

omgeving (externe werking) en of de omgeving de nieuwe functie toelaat (interne werking). Bij onderhavig plan is er sprake van het omgevingstype 'buitengebied' aangezien er overwegend sprake is van agrarisch grondgebruik met daaraan ondergeschikt hoofdzakelijk woonerven. Bornsestraat 384 (B&B-kamers en muziekstudio) Externe werking Bij externe werking gaat het om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling milieubelastend is naar de omgeving. Opgemerkt dient te worden dat een B&B een functie is die op grond van het vigerende bestemmingsplan reeds mogelijk gemaakt kan worden en algemeen geaccepteerd is bij woonerven. Als er gekeken moet worden bij welke activiteit van de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' aan gesloten kan worden dan kan kan aangesloten worden bij de activiteit 'Hotels en pensions met keuken, conferentie-oorden en congrescentra' waar op grond van de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' een richtafstand van 10 meter geldt voor het aspect geluid. Voor de muziekstudio kan aangesloten worden bij de activiteit 'Studio's (film, TV, radio, geluid) ' waar op grond van de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' een maximale richtafstand van 30 meter geldt voor het aspect geluid.

Opgemerkt dient te worden dat de muziekstudio zich in de kelder van het gebouw bevindt en dat de ruimtes volledig geluidgeïsoleerd zijn waardoor er nooit sprake zal zijn van geluidsuitstraling naar buiten als gevolg van het gebruik van de studioruimtes. Om duidelijkheid te krijgen over de mogelijk akoestische overlast naar de omgeving is ten aanzien van het gebruik van de kelder als muziekstudio is n.a.v. de zienswijze een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Op basis van het onderzoek kan geconcludeerd worden dat het geluid van de oefenruimten en de verkeersbewegingen de geluidnormen niet overschrijden. Het onderzoek is bijgevoegd in Bijlage 2. Naast het geluid vanuit de studio dient ook beschouwd te worden of er voor wat betreft het parkeren voor de studio en het eventuele stemgeluid buiten de studio sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor omliggende milieugevoelige functies. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich twee milieugevoelige objecten van derden en een locatie waar een nieuw milieugevoelig object gerealiseerd kan worden. Onderstaande tabel toont de kortste afstand tussen de locaties en het bijgebouw waar de studio in gevestigd is dan wel het buitenterrein waar parkeren plaatsvindt. Adres Bornsestraat 382

Soort object Woning

Kortste afstand tot plangebied 35 m, gevel woning tot gevel bijgebouw plangebied Almelosestraat 18 Woning 45 m, gevel woning tot parkeerplaatsen plangebied Almelosestraat 16 Bestemmingsvlak 'Wonen' met bouwvlak 40 m, bouwvlak tot oprijlaan naar met de mogelijkheid tot het realiseren van parkeerplaatsen plangebied een woning Tabel 4.1: Afstand bijgebouw Bornsestraat 384 en omliggende milieugevoelige objecten. Uit tabel 4.1 volgt dat er ruimschoots voldaan wordt aan de richtsafstand ten opzichte van milieugevoelige objecten die geldt voor een studio. Daarmee wordt ook voldaan aan de richtafstand die geldt voor een B&B. Interne werking Een bed and breakfast kan gezien worden als een milieugevoelige functie. Bij interne werking gaat het om de vraag of de functie(s) binnen een plangebied hinder ondervinden van milieubelastende functies in de omgeving van het plangbied. Ten westen van het plangebied bevinden zich gronden waar bedrijven tot

vastgesteld bestemmingsplan Bornsestraat 384

35

NL.IMRO.0141.00093-BP31

en met categorie 4.1 toegestaan zijn. De kortste afstand tussen de B&B en deze gronden bedraagt minimaal 300 meter, hiermee wordt aan de maximale richtafstand van 200 meter die voor deze categorie bedrijven geldt voldaan. Hoek Grote Bavenkelsweg en de Drienemansweg (ong.) (vakantiewoning) Externe werking Voor een vakantiewoning kan aangesloten worden bij de activiteit 'Hotels en pensions met keuken, conferentie-oorden en congrescentra' waar op grond van de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' een richtafstand van 10 m ten opzichte van milieugevoelige functies geldt voor het aspect geluid. De meest nabij gelegen milieugevoelige functie - van derden - betreft de woning aan de Almelosestraat 19. De kortste afstand tussen deze woning en de vakantiewoning - gemeten van gevel tot gevel - bedraagt ruimschoots 70 meter. Er wordt daarmee ruimschoots aan de richtafstand voldaan. Interne werking Een vakantiewoning kan gezien worden als een milieugevoelige functie. Bij interne werking gaat het om de vraag of de functie(s) binnen een plangebied hinder ondervinden van milieubelastende functies in de omgeving van het plangebied. Ten westen van het plangebied bevinden zich gronden waar bedrijven tot en met categorie 4.1 toegestaan zijn.

De kortste afstand tussen de vakantiewoning en deze gronden bedraagt minimaal 210 meter, hiermee wordt aan de maximale richtafstand van 200 meter die voor deze categorie bedrijven geldt voldaan. Conclusie Op basis van vorenstaande kan geconcludeerd worden dat onderhavig plan voldoet voor wat betreft bedrijven en milieuzonering. Als gevolg van onderhavig plan zal er geen onevenredige aantasting plaatsvinden het woon- en leefklimaat van omwonenden.

4.2

Externe veiligheid

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken.

Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een

vastgesteld bestemmingsplan Bornsestraat 384

36

NL.IMRO.0141.00093-BP31

ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico. Risicokaart Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Toets Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven.

Figuur 4.2: Uitsnede risicok aart met het plangebied in paars omcirkeld (bron: risicokaart.nl) Uit de inventarisatie blijkt dat in de (directe) omgeving van het plangebied zich diverse risicobronnen op het gebied van externe veiligheid bevinden, namelijk:

vastgesteld bestemmingsplan Bornsestraat 384

37

NL.IMRO.0141.00093-BP31

Urenco Nederland BV Op ruim 200 meter ten westen van het plangebied is Urenco Nederland BV gevestigd. Aangezien het bedrijf c.q. de inrichting op geruime afstand is gelegen van het plangebied en onder de Kernenergiewet valt kan een verdere beschouwing achter wege blijven. Spoorlijn Deventer-Hengelo Op circa 950 meter ten zuiden van het plangebied bevindt zich de spoorlijn van het traject Deventer-Hengelo. Gezien de afstand tussen het plangebied en deze spoorlijn, waarover gevaarlijke stoffen worden getransporteerd, is het niet noodzakelijk verder in te gaan op de plaatsgebonden risicocontour en op de scenario's (plasbrand, BLEVE en toxisch) die zich voor kunnen doen. Leiding Gasunie N-528-33 Op ruim 540 meter ten oosten van het plangebied is een leiding van de Gasunie gelegen (hoofdroute N-531-33). De leiding is van het type NEN 3650 heeft de volgende kenmerken: Uitwendige diameter 324,00 mm; Wanddikte buisleiding 7,00 mm; Maximale werkdruk 40,00 bar Voor de gasleiding geldt een groepsrisico-aandachtsgebieden van 140 meter. Gezien de afstand van het plangebied tot deze leiding is een nadere beschouwing op en/of een verantwoording van het groepsrisico niet noodzakelijk.

Verder blijkt uit de inventarisatie dat: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en RRGS- inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen is binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Conclusie Op basis van vorenstaande moet geconcludeerd worden dat onderhavig plan in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.

4.3

Luchtkwaliteit

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:

vastgesteld bestemmingsplan Bornsestraat 384

38

NL.IMRO.0141.00093-BP31

woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleegen bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Toets Op basis van hetgeen in paragraaf 2.3 beschreven is kan voor een worst-case scenario uitgegaan worden van toename van 72 verkeersbewegingen per dag. Er zal geen sprake zijn van (extra) vrachtverkeer, waardoor het percentage vrachtverkeer op nul gezet kan worden.

In figuur 4.3 is de worst-case berekening weergegeven met 72 extra voertuigbewegingen.

Figuur 4.3: Worst-case berekening voor bijdrage van extra verkeer (bron: infomil.nl) Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig.

vastgesteld bestemmingsplan Bornsestraat 384

39

NL.IMRO.0141.00093-BP31

4.4

Geur

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen; ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.

Toets Een bed and breakfast en een vakantiewoning vallen aan te merken als een geurgevoelig object in de zin van artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij. Ten oosten van het plangebied, aan de Alenhuisweg 4, is een grondgebonden veehouderij gevestigd. Het bouwvlak van dit agrarische bedrijf bevindt zich op circa 230 meter van het B&B-gebouw en op circa 360 meter van het vakantiewoning. Vorenstaande brengt met zich mee dat onderhavig plan in overeenstemming is met de Wet geurhinder en veehouderij en het aspect 'geur' geen belemmering vormt.

4.5

Bodemkwaliteit

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht. Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen. Toets Als gevolg van de in dit plan besloten ontwikkelingen vinden er geen bodemingrepen plaats. Er vinden enkel (inpandige) verbouwingen en functiewijzigingen plaats van bestaande bouwwerken. Daarnaast wordt het plangebied geheel op juiste wijze bestemd. Het plangebied heeft reeds grotendeels de bestemming 'Wonen'.

De gronden zijn hiermee geschikt bevonden voor de woonfunctie. Derhalve kan geconcludeerd worden dat het uitvoeren van een bodemonderzoek niet noodzakelijk is en het aspect 'bodem' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

vastgesteld bestemmingsplan Bornsestraat 384

40

NL.IMRO.0141.00093-BP31

4.6

Geluid

In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies. Toets De bed and breakfast, de vakantiewoning en muziekstudio zijn geen geluidsgevoelige functies in de zin van de Wet geluidhinder, derhalve kan nadere toetsing aan de Wet geluidhinder achterwege blijven.

4.7

Flora en fauna

Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). Toetsing Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt niet in het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Gronden die tot het NNN behoren liggen op circa 95 meter ten oosten van het plangebied. Natura 2000-gebied Het plangebied behoort niet tot Natura 2000-gebied. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn ‘Lemselermaten’ en ‘Lonnekermeer’, beide gelegen op circa 11 kilometer van het plangebied. Met het gebruik van de B&B-kamers en de vakantiewoning aan de Bornsestraat 384 en overzijde te Almelo komt er NOx vrij. Door uitvoering van een AERIUS berekening, opgenomen als Bijlage 3 bij deze toelichting, is aangetoond dat dit, zowel in de aanleg- en in de gebruiksfase, niet leidt tot een meetbare depositie van NOx in Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor stikstof. De stikstofemissie op Natura 2000-gebieden als gevolg van de ontwikkeling ligt nergens hoger dan 0,00 mol/ha/j.

De ontwikkeling leidt niet tot een verslechtering van de milieukwaliteit van Natura 2000-gebieden. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden. De AERIUS Calculator 2019 biedt voldoende inzicht in het effect van de voorgenomen activiteit op Natura 2000-gebieden voor het aspect stikstof. De uitkomsten van de berekeningen met de AERIUS Calculator zijn geldig en toepasbaar voor ruimtelijke plannen.

vastgesteld bestemmingsplan Bornsestraat 384

41

NL.IMRO.0141.00093-BP31

De Wet natuurbescherming vormt voor het aspect stikstof geen belemmering voor uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling. Soortenbescherming Onderhavig plan voorziet enkel in inpandige functiewijzigingen en het op juiste wijze bestemmen van het gehele plangebied. Er worden geen bestaande gebouwen gesloopt of nieuwe bouwwerken opgericht. Ook wordt er geen opgaande begroeiing en beplanting verwijderd. Op basis hiervan zal van aantasting van leefgebied van beschermde flora en fauna geen sprake zijn. Daarnaast is de invloedsfeer van de voorgenomen ontwikkeling lokaal. Op basis van deze gegevens wordt nader onderzoek op basis van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk geacht. Conclusie Op basis van vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'flora en fauna' geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.8

Archeologie en Cultuurhistorie

Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2021 in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet. Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden.

Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Archeologie Op grond van de Archeologische waardenkaart van gemeente Almelo geldt voor het plangebied een lage archeologische verwachtingswaarde waarbij onderzoek nodig is bij bodemingrepen dieper dan 40 cm en meer dan 50.000 m2 Toets Als gevolg van onderhavig plan worden geen nieuwe gebouwen en bouwwerken opgericht. Het betreffen enkel een inpandige functiewijziging. Derhalve is archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties.

vastgesteld bestemmingsplan Bornsestraat 384

42

NL.IMRO.0141.00093-BP31

Toets Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie blijkt dat de Bornsestraat een historische route betreft die zeker in 1648 aanwezig was. De ontwikkeling die met onderhavig plan mogelijk wordt gemaakt is niet van invloed op deze route. Derhalve word geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.

4.9

Besluit M ilieueffectrapportage

4.9.1 Algemeen In de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd dat voorafgaande aan het ruimtelijke plan dat voorziet in een grootschalig project met belangrijke nadelige milieugevolgen een milieueffectrapport (MER) opgesteld dient te worden. De activiteiten waarvoor een MER-rapportage opgesteld moet worden zijn opgenomen in de bijlage van het Besluit m.e.r. Een bestemmingsplan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn op de volgende manieren: Een plan kan m.e.r.-plichtig zijn indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is; Een plan kan m.e.r.-plichtig zijn indien sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit de onderdelen C en D overschrijden en waarbij het plan wordt genoemd in kolom 3 (plannen). Een plan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn indien het plan wordt genoemd in kolom 4 (besluiten) en er sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit onderdeel C en D overschrijden. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel C is in dit geval sprake van een m.e.r.-plicht. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel D is het plan m.e.r.-beoordelingsplichtig. In het Besluit m.e.r.

neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'.

Het komt er op neer dat voor een bestemmingsplan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen in onderdeel D en beneden de drempelwaarden vallen, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden.

vastgesteld bestemmingsplan Bornsestraat 384

43

NL.IMRO.0141.00093-BP31

4.9.2 Situatie plangebied 4.9.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Gezien de aard en omvang van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling wordt geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura-2000 gebied. Dit temeer omdat het plangebied op circa 11 kilometer van de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden (Lonnekermeer en Lemselermaten) is gelegen en de ontwikkeling relatief beperkt van aard is. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk. 4.9.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Op voorhand dient beschouwd te worden of sprake is van een activiteit welke voorkomt in de D-lijst. De activiteit waar voorliggend plan de meeste aansluiting bij vindt is een stedelijk ontwikkelingsproject. In de nota van toelichting op het Besluit mer wordt het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' geduid. Hier wordt het volgende over gezegd: "Bij een stedelijk ontwikkelingsproject kan het gaan om bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Er kan overigens geen misverstand over bestaan dat ook «dorpen» hieronder vallen. Wat «stedelijke ontwikkeling» inhoudt kan van regio tot regio verschillen.

Van belang hierbij is of er per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen zijn. Indien bijvoorbeeld een woonwijk wordt afgebroken en er komt een nieuwe voor in de plaats, zal dit in de regel per saldo geen of weinig milieugevolgen hebben. Bij een uitbreiding zal er eerder sprake kunnen zijn van aanzienlijke gevolgen." Middels onderhavig bestemmingsplan wordt bestaande bebouwing voorzien van nevenactiviteiten bij de reeds bestaande woonbestemming. De concrete ontwikkeling is beschreven in de planbeschrijving in hoofdstuk 2. Het huidige gebruik van het plangebied bestaat reeds uit wonen en daarmee bestaat het plangebied reeds uit stedelijke functies met bijbehorende bebouwing. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is verplicht als het gaat over één of meer activiteiten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r. en de omvang van die activiteit ligt onder de drempelwaarde (kolom 2 van de D-lijst). De ontwikkeling wordt in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage aangemerkt als de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject waardoor een aanmeldnotitie noodzakelijk is. Een m.e.r.-beoordeling is verplicht in de gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woning omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

De genoemde maximum oppervlakken gelden als drempelwaarden, waar het onderhavige project onder blijft. Het ruimtebeslag van het onderhavige project ligt ruimschoots beneden de drempelwaarde. Op basis hiervan kan de conclusie getrokken worden dat het onderhavige project niet direct m.e.r.-beoordelingsplichtig is. Dit betekent dat volstaan kan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. In dat kader is een aanmeldnotitie opgesteld die bij het bevoegd gezag is ingediend. Op basis van de aanmeldnotitie heeft de gemeente Almelo besloten dat geen milieueffectrapport vereist is. Dit besluit is als Bijlage 6 bij deze toelichting opgenomen.

4.9.3 Conclusie Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van de ontwikkeling in voldoende mate is afgewogen. Gelet op de kenmerken van het onderhavige project (zoals het feit dat de omvang ruimschoots beneden de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. ligt), de plaats van het onderhavige project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Alternatieven hoeven dan ook niet te worden afgewogen. Het onderhavige project is niet m.e.r.-plichtig. Bij de beoordeling is rekening gehouden met de in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling aangegeven criteria.

vastgesteld bestemmingsplan Bornsestraat 384

44

NL.IMRO.0141.00093-BP31

4.10 Fysieke veiligheid 4.10.1

Inleiding

Het aspect fysieke veiligheid beoogt het beschermen van mens, dier en milieu tegen (de gevolgen van) ongevallen en rampen. Om de effecten van een incident zoveel mogelijk te beperken, is het belangrijk dat hulpverleningsdiensten op kunnen treden en dat burgers zich in veiligheid kunnen brengen. Het bestemmingsplan is op fysieke veiligheidsaspecten getoetst aan landelijke, regionale en gemeentelijke richtlijnen en/of regelgeving. Dit betreft de onderdelen: bereikbaarheid; opkomsttijd; bluswatervoorziening; zelfredzaamheid; sirenedekking; samenhang veiligheidsketen. De hoofdtaken van de brandweer zijn onderverdeeld in schakels uit de veiligheidsketen. De schakels zijn: Pro-actie; de schakel pro-actie gaat onder andere over de bluswatervoorziening, de bereikbaarheid en de sirenedekking. Preventie; voor het aspect preventie geldt dat rekening moet worden gehouden met de bestaande wet- en regelgeving. Preparatie; voor hulpdienstrelevante objecten is het wenselijk om deze op te nemen in de planvorming van de brandweer, zoals een bereikbaarheidskaart of een aanvalsplan. Repressie; vanuit de repressieve dienst wordt ter plaatse bepaald hoe er wordt ingezet. Nazorg; de taak nazorg heeft geen consequenties voor de ruimtelijke ordening. Ondanks de gerealiseerde veiligheidsmaatregelen en -voorzieningen blijft er een restrisico waarbinnen incidenten plaats kunnen vinden.

4.10.2

Bereikbaarheid

4.10.2.1 Bereikbaarheid algemeen Bij het bepalen of er een goede bereikbaarheid van de gebouwen via het openbare wegennet wordt het plangebied getoetst aan de handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid. Hierbij wordt beoordeeld of: De wegen voldoen aan de specifieke afmetingen van brandweervoertuigen; Een willekeurig adres binnen een verblijfsgebied in principe via een tweede onafhankelijke route bereikbaar is; Of de verkeersaders aan de brandweervoertuigen een onbelemmerde doorgang bieden. 4.10.2.2 Beoordeling bereikbaarheid Het plangebied is vanuit verschillende richtingen goed te bereiken. Er wordt op dit punt dan ook voldaan aan de handleiding Bluswatervoorziening en bereikbaarheid.

4.10.3

Opkomsttijd

4.10.3.1 Opkomsttijd algemeen De opkomsttijd is de optelsom van de verwerkingstijd van de melding, de uitruktijd en de aanrijtijd. De uitruktijd is daarbij de tijd tussen het alarmeren van de brandweer door de meldkamer en het tijdstip dat het voertuig de kazerne verlaat. De aanrijtijd is de tijd die het eerste voertuig nodig heeft om van de kazerne naar het plaats incident te gaan. De opkomsttijd van de brandweer wordt als een belangrijk kwaliteitskenmerk van de brandweer beschouwd.

vastgesteld bestemmingsplan Bornsestraat 384

45

NL.IMRO.0141.00093-BP31

In het Besluit Veiligheidsregio's (BVR) zijn de opkomsttijden voor de brandweer vastgelegd en staan in onderstaande tabel beschreven. Normtijd

Gebruiksfunctie

5 minuten 6 minuten 8 minuten 10 minuten

Winkel met gesloten constructie (tijdens openingsuren), wonen boven winkel, cel Portiekwoningen/portiekflats, woning verminderd zelfredzamen Overige woningen, winkels, gezondheidszorg, onderwijs, kinderdagverblijf, logies Kantoor, (lichte)industrie, sport, overige ruimtes voor bijeenkomsten, overige gebruiksfuncties

Daarnaast is het 'Dekkingsplan Brandweer Twente', dat onderdeel uitmaakt van het beleidsplan, vastgesteld. 4.10.3.2 Beoordeling opkomsttijd Voor logies (B&B en vakantiewoning) geldt een opkomsttijd van 8 minuten. Uit berekeningen blijkt dat de brandweer in theorie binnen deze norm ter plaatse kan zijn. Voor overige gebruikfuncties (muziekstudio) geldt een opkomsttijd van 10 minuten.

4.10.4

Bluswatervoorziening

4.10.4.1 Bluswatervoorziening algemeen Voor een optimale bluswatervoorziening wordt onderscheid gemaakt in primaire, secundaire en tertiaire bluswatervoorzieningen. Dit is van belang omdat de eisen voor de afstand, de capaciteit en de bereikbaarheid verschillend zijn. De basiskenmerken van deze drie modellen zijn: De primaire bluswatervoorziening Boven- of ondergrondse brandkranen die geplaatst zijn op het drinkwaterleidingnet. De secundaire bluswatervoorziening De secundaire bluswatervoorziening is in principe aanvullend op een primaire bluswatervoorziening. Een secundaire bluswatervoorziening kan bestaan uit geboorde putten, bluswaterriolen, vijvers e.d. of ondergrondse reservoirs. Hiervoor geldt een afstand van maximaal 320 meter tot het object. Daarnaast moet het brandweervoertuig het water tot maximaal 8 meter kunnen bereiken. De tertiaire bluswatervoorziening Bij de noodzakelijke inzet van grotere hoeveelheden water of gedurende langere tijd zijn de primaire en secundaire voorzieningen niet voldoende. Water wordt dan onttrokken uit bijvoorbeeld kanalen. Hiervoor geldt een afstand van maximaal 2.500 meter tot het object. Daarnaast moet het brandweervoertuig het water tot maximaal 50 meter kunnen bereiken. 4.10.4.2 Beoordeling bluswatervoorziening Tijdens de beoordeling van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt beoordeeld of een brandkraan dient te worden geplaatst.

Daarnaast geldt dat er qua brandpreventieve voorzieningen moet worden voldaan aan de geldende wet- en regelgeving.

4.10.5

Zelfredzaamheid

4.10.5.1 Zelfredzaamheid algemeen Voor de bestrijdbaarheid van een incident zijn onder andere de bereikbaarheid voor hulpdiensten, opkomsttijd en bluswatervoorziening van belang. Daarnaast speelt de zelfredzaamheid van burgers een rol.

vastgesteld bestemmingsplan Bornsestraat 384

46

NL.IMRO.0141.00093-BP31

Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan hoofdzakelijk uit schuilen en vluchten. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. De ruimtelijke inrichting van het gebied kan op verschillende manieren inspelen op de zelfredzaamheid. 4.10.5.2 Beoordeling zelfredzaamheid Het plan bestaat, onder meer, uit het realiseren van twee extra B&B-kamers, het realiseren van een vakantiewoning en het planologisch inpassen van de reeds aanwezige muziekstudio. De gasten en gebruikers van deze functies zullen in voldoende mate zelfredzaam zijn danwel geholpen kunnen worden door personen die wel zelfredzaam zijn. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om het plangebied in verschillende richtingen te ontvluchten.

4.10.6

Waarschuwings- en alarmeringssysteem

4.10.6.1 Sirenedekking algemeen De sirene is een hulpmiddel van de overheid om mensen te kunnen waarschuwen voor acute gevaren. Dit is bijvoorbeeld het geval als er gevaarlijke stoffen vrijkomen bij een brand of ongeval. Op dat moment is het gevaarlijk om buiten te blijven waar men wordt blootgesteld aan het gevaar. De sirenes kunnen dan worden ingeschakeld. Voldoet het dekkingsgebied van de sirene niet, dan zal rond rondom de diverse risico-objecten middels alternatieven moeten worden gealarmeerd. Hierbij valt onder andere te denken aan: sms berichten; sirenewagens. 4.10.6.2 Beoordeling sirenedekking Het plangebied valt binnen het dekkingsgebied van sirenes. Daarnaast is op 8 november 2012 het alarmsysteem NL-Alert in gebruik genomen. NL-Alert is een aanvulling op alarmering van de bevolking via het waarschuwings- en alarmeringssysteem. Het voordeel ten opzichte van de sirenes is dat mensen met NL-Alert niet alleen gealarmeerd worden, maar dat ze ook direct geïnformeerd kunnen worden.

vastgesteld bestemmingsplan Bornsestraat 384

47

NL.IMRO.0141.00093-BP31

Hoofdstuk 5

Wateraspecten

Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

5.1

Vigerend beleid

5.1.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.

5.1.2 Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009).

5.1.3 Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied.

5.1.4 Waterschap Vechtstromen Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta, en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het algemeen bestuur van het waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 7 oktober 2015 het 'Waterbeheerplan 2016-2021' vastgesteld. In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2016 tot 2021) wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op het: voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte; beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater en het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem. het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties.

vastgesteld bestemmingsplan Bornsestraat 384

48

NL.IMRO.0141.00093-BP31

5.1.5 Beleid gemeente Almelo 5.1.5.1 Waterplan Almelo De gidsprincipes voor het waterplan Almelo en de visie zijn gebaseerd op principes uit de Vierde Nota waterhuishouding en de aanbevelingen van de Commissie Waterbeheer 21-ste eeuw, waarbij aanpak van de bron prevaleert boven ‘end-of-pipe’-maatregelen en de afwenteling van lokale problemen op (boven)regionale systemen zoveel mogelijk wordt voorkomen. Het vasthouden van water verdient de voorkeur. Wanneer dit niet meer mogelijk is, wordt zoveel mogelijk water geborgen. Daarbij speelt de waterkwaliteit een belangrijke rol. Water van verschillende kwaliteit wordt zoveel mogelijk gescheiden. Wanneer ook berging niet meer mogelijk is, wordt het water ten slotte afgevoerd. In stedelijke in- of uitbreidingsgebieden dient zoveel mogelijk verhard oppervlak niet aangesloten te worden op de riolering. Een duurzame inrichting van het terrein moet zorgen voor het bewaken van de kwaliteit. Kortom, problemen met waterkwaliteit en –kwantiteit mogen niet worden afgewenteld en de ontwikkelingen mogen geen negatieve beïnvloeding van waterkwaliteit en –kwantiteit met zich meebrengen. Bij nieuwbouw dient grondwaterneutraal gebouwd te worden.

5.1.5.2 Verbreed gemeentelijk rioleringsplan 2016-2020 Het verbreed gemeentelijk rioleringsplan 2016 t/m 2020 (vGRP) geeft inzicht in de omvang, het functioneren en de kwaliteitstoestand van de voorzieningen waarmee de gemeente invulling geeft aan de wettelijke zorgplichten voor het afval-, hemel- en grondwater, en de bekostiging hiervan. Daarnaast heeft de gemeente Almelo ook nadrukkelijk oppervlaktewater als onderdeel van het beheer van het stedelijk water gemaakt. Het vGRP beschrijft de beleidskaders en de bekostiging voor de inzameling, transport en verwerking van stedelijk afval-, hemel- en grondwater en het beheer van het oppervlaktewater in de gemeente Almelo voor de periode 2016 t/m 2020, en geeft de visie op de gemeentelijke watertaken voor de lange termijn. Om een strategie voor de komende planperiode op te kunnen stellen is een visie voor de lange termijn van belang. Eén van de belangrijkste voorwaarden is dat ook de gemeente Almelo moet anticiperen op de financiële omstandigheden en heeft te maken met bezuinigingsdoelstellingen. Eén van de opgaven komt voort uit het Bestuursakkoord Water, dit betreft de opgave te komen tot minder meerkosten en zodoende minder stijging van de rioolheffing. Deze opgave voert de gemeente deels samen uit met Twents waternet en de conclusie is dat Almelo op koers ligt.

Het kwaliteitskader voor de gemeentelijke watertaken bestaat uit vier onderdelen (stedelijk afvalwater, hemelwater, grondwater en oppervlaktewater). Deze onderdelen corresponderen met de drie zorgplichten van de gemeente, het vierde onderdeel 'oppervlaktewater' ziet de gemeente Almelo als integraal onderdeel van het stedelijk water. De gemeente is voor een groot gedeelte vrij op welke wijze en in welk tempo zij invulling wil geven aan haar zorgplichten. Speerpunten voor de planperiode De gekozen ambities voor het totale watersysteem (afval-, hemel- grond- en oppervlaktewater) kunnen inhoofdlijn worden samengevat in de volgende speerpunten: Samen op met burgers en bedrijven. Toekomstgericht en klimaatbestendig. Een doelmatige aanpak. De organisatie en de middelen op orde. Een functionerend watersysteem.

vastgesteld bestemmingsplan Bornsestraat 384

49

NL.IMRO.0141.00093-BP31

5.2

Waterparagraaf

5.2.1 Algemeen Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

5.2.2 Watertoetsproces Bornsestraat 384 (B&B-kamers en muziekstudio) Op 24 februari 2019 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht, zie Bijlage 4 Op basis van de toets volgt dat onderhavig plan geen waterschapsbelang heeft. Dit houdt in dat waterschap kan instemmen met de planvorming. Waterschapsbelang Het plan betreft alleen een functieverandering van bestaande bebouwing en heeft geen invloed op de waterhuishouding. Met de voorgenomen ontwikkeling zijn geen waterbelangen gemoeid. De ontwikkeling heeft geen nieuwe lozingen op oppervlaktewater tot gevolg. In het gebied is geen sprake van (grond)wateroverlast. Het waterschap Vechtstromen heeft dan ook geen bezwaren tegen de voorgenomen ontwikkeling. Deze conclusie is getrokken naar aanleiding van een digitale watertoets. Het proces van de watertoets is goed doorlopen. Afvoer hemel- en afvalwater Het hemelwater van het bijgebouw wordt voor 2/3 afgevoerd op de nabijgelegen aan de zuidoostzijde van het plangebied aanwezige sloot. De overige 1/3 hemelwater wordt geïnfiltreerd in de op het perceel aanwezige wadi en kikkerpoel. Als gevolg van onderhavig plan zal, door de realisatie van de twee extra B&B-kamers, de hoeveelheid afvalwater toenemen. De afvoer van afvalwater vindt plaats via het reguliere rioolstelsel waardoor de toename evenvoudig verwerkt kan worden.

Het verschil tussen de GHG (Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand) en de bovenzijde van de begane-grondvloer bedraagt meer dan 80 cm. Hoek Grote Bavenkelsweg en de Drienemansweg (ong.) (vakantiewoning) Op 24 februari 2019 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht, zie Bijlage 4 Op basis van de toets volgt dat onderhavig plan geen waterschapsbelang heeft. Dit houdt in dat waterschap kan instemmen met de planvorming. Waterschapsbelang Het plan betreft alleen een functieverandering van bestaande bebouwing en heeft geen invloed op de waterhuishouding. Met de voorgenomen ontwikkeling zijn geen waterbelangen gemoeid. De ontwikkeling heeft geen nieuwe lozingen op oppervlaktewater tot gevolg. In het gebied is geen sprake van (grond)wateroverlast. Het waterschap Vechtstromen heeft dan ook geen bezwaren tegen de voorgenomen ontwikkeling. Deze conclusie is getrokken naar aanleiding van een digitale watertoets. Het proces van de watertoets is goed doorlopen.

vastgesteld bestemmingsplan Bornsestraat 384

50

NL.IMRO.0141.00093-BP31

Afvoer hemel- en afvalwater Het hemelwater wordt op het perceel geïnfiltreerd. Als gevolg van onderhavig plan zal, door de realisatie van de vakantiewoning, de hoeveelheid afvalwater beperkt toenemen. De afvoer van afvalwater vindt plaats via het drukriool, dit rioolsysteem heeft voldoene capaciteit om de toename evenvoudig te verwerken. Het verschil tussen de GHG (Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand) en de bovenzijde van de begane-grondvloer bedraagt meer dan 80 cm.

vastgesteld bestemmingsplan Bornsestraat 384

51

NL.IMRO.0141.00093-BP31

Hoofdstuk 6

Planuitgangspunten

In dit hoofdstuk komen de uitgangspunten die ten grondslag aan het bestemmingsplan liggen, aan de orde. Met het nieuwe bestemmingsplan voor de Bornsestraat 384 en overzijde worden diverse ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Ten behoeve van deze ontwikkeling wordt gebruik gemaakt van de standaardregels, voor zover van toepassing in de onderhavige situatie, van de gemeente Almelo. Het gaat hierbij om: 1. Het mogelijk maken van een bed & breakfast bestaande uit maximaal vier slaapkamers en één gemeenschappelijke huiskamer met een maximale oppervlakte van 30 m2 per kamer in het bijgebouw achter de woning aan de Bornsestraat 384; 2. Het planologisch inpassen van de muziekstudio in het bijgebouw achter de woning aan de Bornsestraat 384; 3. Het perceel aan de Bornsestraat 384 geheel passend te bestemmen; 4. Een vakantiewoning mogelijk te maken in de voormalige paardenstal, op het perceel op de hoek van de Grote Bavenkelsweg en de Drienemansweg; 5. Het bestemmingsvlak met de bestemming 'Wonen' van het perceel op de hoek van de Grote Bavenkelsweg en de Drienemansweg te wijzigen tot een logische vorm. Ad 1. Er wordt vastgelegd dat in bestaande bijbehorende bouwwerken een bed & breakfast toegestaan is bestaande uit maximaal vier slaapkamers en één gemeenschappelijke huiskamer met een maximale oppervlakte van 30 m2 per kamer; Ad 2.

Er wordt vastgelegd dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - muziekstudio' een bedrijf aan huis, in vorm van een muziekstudio, met een maximale oppervlakte van 145 m2 is toegestaan. Ad 3. In het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied correctieve herziening' zijn een deel van de tuin en een deel van het bijgebouw aan de Bornsestraat 384 gelegen op gronden met de bestemming 'Agrarisch met waarden'. Dit is niet conform het huidige gebruik van het bijgebouw en de inrichting van deze gronden. Dit wordt door middel van onderhavig bestemmingsplan hersteld. Ad 4. Middels onderhavig plan wordt in de voormalige paardenstal, gelegen op het perceel op de hoek van de Grote Bavenkelsweg en de Drienemansweg. De vakantiewoning wordt mogelijk gemaakt op grond van de wijzigingsbevoegdheid welke is opgenomen in artikel 18.5.4 van het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied correctieve herziening'. De vakantiewoning is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - vakantiewoning'. Ad 5. Op grond van het vigerende bestemmingsplan kent het bestemmingsvlak met de bestemming 'Wonen' - van het plangebied op de hoek van de Grote Bavenkelsweg en de Drienemansweg - een 'uitstulping' in noordwestelijke richting. Aan de zuidwestzijde van het plangebied is een deel van het plangebied bestemd als 'Agrarisch'.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Almelo&id=0665b1d6-8c9f-48a2-8689-7764eae1075e