20260123 toezegging beantwoording vraag -Doorlopende tekst Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Almelo 2021 na 4e wijziging
Tekst van het document
er zich in of vanuit de openbare inrichting over een tijdsbestek van twee jaren vijf of meer overtredingen van het bepaalde in deze afdeling hebben voorgedaan.
Artikel 2:28h Vervallen vergunning
De vergunning voor een openbare inrichting vervalt indien: a. de exploitatie van openbare inrichting feitelijk is beëindigd; b. de openbare inrichting geheel of gedeeltelijk is overgedragen; c. de exploitant is overleden; of d. gedurende zes aaneengesloten maanden, anders dan wegens overmacht, geen gebruik is gemaakt van de vergunning. Titel 3. Aanvullende bepalingen Artikel 2:29 Openingstijden
Openbare inrichting 1. De sluitingstijd voor een openbare inrichting wordt geregeld in de vergunning, met inachtneming van onderstaande regels. 2. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben en/of daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven: a. tussen 01:00 uur en 07:00 uur, op maandag tot en met donderdag; en b. tussen 04:00 uur en 07:00 uur, op vrijdag tot en met zondag. 3. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor de exploitant, die ten tijde van inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening reeds beschikt over een geldige vergunning en voor zover in de verleende vergunning afwijkende ruimere openingstijden zijn opgenomen. In dat geval gelden de openingstijden zoals opgenomen in de vergunning. Deze overgangstermijn geldt zolang de vergunning, zoals die gold ten tijde van de inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening, geldig is en niet is vervallen of ingetrokken. 4. Het in het tweede lid onder a gestelde verbod geldt niet als de burgemeester een ontheffing heeft verleend. Deze ontheffing kan uitsluitend betrekking hebben op de periode gelegen tussen 01:00 uur en 04:00 uur. 5. De burgemeester verleent een ontheffing voor bepaalde tijd: voor de duur van twee jaar. Een ontheffing vervalt van rechtswege na het verstrijken van twee jaar. Voor een nieuwe periode moet een nieuwe ontheffing worden aangevraagd.
6. Onverminderd de artikelen 1:6 en 1:8 kan de burgemeester een ontheffing weigeren of intrekken indien, als gevolg van de exploitatie van de openbare inrichting, de openbare orde, de openbare veiligheid of de woon- en leefomgeving op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. Een ontheffing wordt geweigerd als in de afgelopen twee jaar een ontheffing, die verleend is aan dezelfde exploitant als de aanvrager, is ingetrokken. 7. Het in het tweede lid onder a gestelde verbod (sluitingstijd tussen 01:00 uur en 07:00 uur) geldt niet geldt op de volgende (feest)dagen: a. de nacht volgend op Goede Vrijdag; b. de nacht volgend op Eerste Paasdag; c. de nacht volgend op Tweede Paasdag; d. Koningsdag en de nacht volgend op Koningsdag; e. de nacht volgend op Bevrijdingsdag; f. de nacht volgend op Hemelvaartsdag; g. de nacht volgend op Eerste Pinksterdag; h. de nacht volgend op Tweede Pinksterdag; i. Eerste Kerstdag, Tweede Kerstdag en de nacht volgend op Tweede Kerstdag. Op deze dagen geldt het verbod van artikel 2:29, tweede lid, aanhef en onder b (sluitingstijd tussen 04:00 en 07:00 uur), ook als in een vergunning een minder ruime openingstijd is opgenomen. 8. Het in het tweede lid onder a en b gestelde verbod (sluitingstijd tussen 01:00 uur en 07:00 uur of sluitingstijd tussen 01:00 uur en 07:00 uur) geldt niet tijdens de jaarwisseling (nacht van Oudejaarsdag op Nieuwjaarsdag).
Tijdens de jaarwisseling geldt een sluitingstijd tussen 05:00 uur en 07:00. 9. De burgemeester kan een ontheffing verlenen om tijdelijk af te wijken van de in het tweede lid onder a en b gestelde verbod (sluitingstijd tussen 01:00 uur en 07:00 uur of sluitingstijd tussen 04:00 uur en 07:00 uur) bij bijzondere gelegenheden. De burgemeester kan nadere regels stellen met betrekking tot hetgeen onder bijzondere gelegenheden wordt verstaan. 10. Het in het tweede lid onder a en b gestelde verbod (sluitingstijd tussen 01:00 uur en 07:00 uur of sluitingstijd tussen 04:00 uur en 07:00 uur) geldt niet voor:
a. een openbare inrichting die door de burgemeester is opgenomen in de coffeeshoplijst (en dus een coffeeshop betreft), hiervoor geldt een sluitingstijd tussen 00:00 uur en 12:00 uur; en b. een openbare inrichting die door een paracommerciële rechtspersoon wordt geëxploiteerd, hiervoor geldt een sluitingstijd tussen 00:00 uur en 07:00 uur. 11. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de zedelijkheid, de gezondheid of ter voorkoming of beperking van overlast andere openingstijden vaststellen dan de openingstijden als bedoeld in het tweede en tiende lid. 12. Het is bezoekers van een openbare inrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die inrichting bij of krachtens dit hoofdstuk gesloten dient te zijn voor bezoekers. Terras 13. De sluitingstijd voor een terras wordt geregeld in de vergunning, met inachtneming van onderstaande regels. 14. Het is verboden een bij de openbare inrichting behorend terras voor bezoekers geopend te hebben en/of daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 01:00 en 09:00 uur. 15. Het in het veertiende lid gestelde verbod (sluitingstijd terras tussen 01:00 uur en 09:00 uur) geldt niet als de burgemeester een ontheffing heeft verleend. 16.
Als de burgemeester een ontheffing heeft verleend, geldt een sluitingstijd tussen 02:00 uur en 09:00 uur, uitsluitend op de vrijdag, zaterdag en zondag in het terrassenseizoen en op de feestdagen genoemd in het zevende lid, mits die feestdagen vallen binnen het terrassenseizoen (als bedoeld in het zeventiende lid). 17. De burgemeester verleent een ontheffing voor bepaalde tijd: van 1 maart tot en met 31 oktober. Deze periode wordt aangeduid als het terrassenseizoen. Een ontheffing vervalt van rechtswege op 1 november. Voor een volgend terrassenseizoen moet een nieuwe ontheffing worden aangevraagd. Buiten het terrassenseizoen wordt geen ontheffing verleend. 18. Onverminderd de artikelen 1:6 en 1:8 kan de burgemeester een ontheffing weigeren of intrekken, indien de openbare orde, de openbare veiligheid of en het woon- en leefklimaat in de directe omgeving van het terras behorende bij de openbare inrichting op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. Een
ontheffing wordt geweigerd als in de afgelopen twee jaar een ontheffing, die verleend is aan dezelfde exploitant als de aanvrager, is ingetrokken.
Artikel 2:29a Aanwezigheid van en vereisten over exploitant en leidinggevende
1. De exploitant dan wel de leidinggevende van een openbare inrichting is in die inrichting aanwezig en bereikbaar gedurende de uren dat de openbare inrichting daadwerkelijk wordt uitgeoefend. 2. In afwijking van het eerste lid, is het een paracommerciële rechtspersoon verboden om een openbare inrichting uit te oefenen, indien in die openbare inrichting niet aanwezig is: a. een leidinggevende die vermeld staat op het aanhangsel bij de vergunning, als bedoeld in artikel 2:28c, eerste lid, onder b; b. een persoon wiens bijschrijving op grond van artikel 2:28e, eerste lid, is gevraagd, mits de ontvangst van die aanvraag is bevestigd door de burgemeester, zolang nog niet op die aanvraag is beslist; of c. een barvrijwilliger. 3. De paracommerciële rechtspersoon houdt een registratie bij van barvrijwilligers. Deze registratie of een afschrift daarvan is in de openbare inrichting aanwezig. 4. Het is verboden in een openbare inrichting of op een terras de aanwezigheid toe te laten van een persoon die in kennelijke staat van dronkenschap of kennelijk onder invloed van andere psychotrope stoffen verkeert. 5. Het is verboden in kennelijke staat van dronkenschap of kennelijk onder invloed van andere psychotrope stoffen dienst te doen in een openbare inrichting.
Artikel 2:29b Handel binnen openbare inrichtingen
De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon
in de openbare inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.
Artikel 2:29c Vrije inkijk in openbare inrichtingen
De exploitant van een openbare inrichting dient ervoor te zorgen dat er vanaf de buitenzijde voldoende vrije inkijk in de openbare inrichting is, met dien verstande dat de ramen en deuren van de openbare inrichting voorzien moeten zijn van blank doorzichtig glas en dat raam- of /deurbekleding en/of ander materiaal ten hoogste 20% van daglichttoetreding verhindert.
Artikel 2:29d Verwijderen terras
De exploitant van een openbare inrichting met een terras dient het terras te verwijderen: a. tijdens evenementen, waarvoor ingevolge artikel 2:25, eerste lid, een vergunning is verleend of ingevolge artikel 2:25a, eerste lid, tijdig een melding is gedaan; b. bij (infrastructurele) werkzaamheden op of aan de (onder)grond waarop het terras zich bevindt; en c. als de exploitant het terras langer dan twee weken niet gebruikt/zal gebruiken.
Titel 4. Bijzondere bepaling coffeeshops
Artikel 2:30 Looptijd en aanvraag- en selectieprocedure vergunning openbare inrichting met aantekening coffeeshop
1. In het geval de openbare inrichting een coffeeshop betreft stelt de burgemeester, onverminderd het bepaalde in artikel 1:7, de looptijd van de vergunning vast voor de maximale duur van vijf jaar. 2. De burgemeester stelt nadere regels vast ten behoeve van het creëren van gelijke kansen om voor een vergunning in aanmerking te komen, waarbij in ieder geval regels worden gesteld betreffende: a. de inhoud en de wijze van indiening van een aanvraag van een vergunning; b. de verdelings- en toekenningsprocedure van een vergunning.
Titel 5. Bijzondere bepaling paracommerciële rechtspersonen
Artikel 2:31 Regulering paracommerciële rechtspersonen
1. Paracommerciële rechtspersonen verstrekken uitsluitend alcoholhoudende drank gedurende de periode beginnende met één uur voor aanvang en eindigende met twee uren na beëindiging van activiteiten die passen binnen de statutaire doelomschrijving van de desbetreffende paracommerciële rechtspersoon. 2. Paracommerciële rechtspersonen verstrekken geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en tijdens bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn.
Titel 6. Handhaving
Artikel 2:32 Sluiting openbare inrichting
1. De burgemeester kan een openbare inrichting voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten indien een daar gevestigde openbare inrichting:
a. wordt geëxploiteerd zonder geldige vergunning; b. heeft gehandeld in strijd met een of meer van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde bepalingen; of c. heeft gehandeld in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen. 2. Het is eenieder verboden een op grond van het eerste lid gesloten openbare inrichting te betreden of daarin te verblijven of te laten verblijven. 3. De sluiting wordt tevens bekend gemaakt door het besluit tot sluiting aan te brengen op of nabij de toegang(en) van de openbare inrichting. 4. De sluiting kan op aanvraag van belanghebbenden door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. 5. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b van de Opiumwet
Artikel 2:33 Ordeverstoring
1. Onverminderd artikel 2:1b, eerste lid, is het verboden in een openbare inrichting de orde te verstoren. 2. Onverminderd artikel 2:1b, tweede lid, is het verboden enig gereedschap, voorwerp of middel te vervoeren of bij zich te hebben met de kennelijke bedoeling daarmee in een openbare inrichting de orde te verstoren.
Titel 7. Overgangsbepalingen
Artikel 2:34 Geldigheid vergunning
Een voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening verleende vergunning voor een openbare inrichting, niet zijnde een openbare inrichting met aantekening coffeeshop, die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening niet is ingetrokken of vervallen, geldt na de inwerkingtreding van deze verordening als een vergunning als bedoeld artikel 2:28.
Artikel 2:34a Verlengde geldigheid vergunning openbare inrichting met aantekening coffeeshop
1. Een voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening verleende vergunning voor een openbare inrichting met aantekening coffeeshop die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening niet is ingetrokken of vervallen, geldt gedurende zes maanden na de inwerkingtreding van deze verordening als een vergunning als bedoeld artikel 2:28. 2. Indien binnen zes maanden na inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag is ingediend, blijft de vergunning van kracht totdat op de aanvraag is beslist.
Artikel 2:34b Afhaal- en bezorgrestaurants
1. Afhaal- en bezorgrestaurants die op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze verordening reeds worden geëxploiteerd zonder vergunning, dienen binnen zes maanden na inwerkingtreding van deze verordening een vergunning als bedoeld in artikel 2:28 aan te vragen. 2. Afhaal- en bezorgrestaurants die op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze verordening binnen de in het eerste lid genoemde termijn een aanvraag hebben ingediend, handelen niet in overtreding met de bepalingen in dit hoofdstuk totdat op de aanvraag is beslist.
Afdeling 9. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Artikel 2:35 Begripsbepaling
In deze afdeling wordt onder inrichting verstaan: iedere al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft.
Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie
Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht daarvan binnen drie dagen daarna schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.
Artikel 2:37 Nachtregister
Vervallen.
Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister
Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of een kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.
Afdeling 10. Toezicht op speelgelegenheden
Artikel 2:38a Begripsbepalingen
1. In deze afdeling wordt onder speelgelegenheid verstaan: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.
2. De begrippen die in deze afdeling zijn omschreven hebben dezelfde betekenis als in artikel 30 op de Wet op de kansspelen.
Artikel 2:39 Vergunningplicht speelgelegenheden
1. Het is verboden een speelgelegenheid te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen. 3. De burgemeester weigert een vergunning: a. indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan, voorbereidingsbesluit of omgevingsplan; of b. indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid. 4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Artikel 2:40 Speelautomaten
1. In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan. 2. In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.
Artikel 2:40a Sluiting speelgelegenheid
1. De burgemeester kan, in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, het woon- en leefklimaat of het voorkomen van ondermijning de speelgelegenheid voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten. 2. Het is eenieder verboden een op grond van het eerste lid gesloten speelgelegenheid te betreden of daarin te verblijven of te laten verblijven. 3. De sluiting wordt tevens bekend gemaakt door het besluit tot sluiting aan te brengen op of nabij de toegang(en) van de speelgelegenheid. 4. De sluiting kan op aanvraag van belanghebbenden door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de gronden, die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. Afdeling 11. Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade
Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal
1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. 2. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. 3. Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is.
Artikel 2:42 Plakken en kladden
1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden. 2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: a. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; of b. met kalk, teer of een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen. 3. Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing voor zover gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. 4. De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht deze aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven. 5. Het college wijst aanplakborden aan voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. 6. Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. 7. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan.
Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap en dergelijke
1. Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof of verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben.
2. Het verbod is niet van toepassing als de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor verboden handelingen als bedoeld in artikel 2:42.
Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen
1. Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.
Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen en dergelijke
1. Het is verboden zich te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, begraafplaatsen, plantsoenen, groenstroken of enige andere openbare beplanting of bloemperk, anders dan op de daarin gelegen wegen, paden, grasperken, lig- of speelweides. 2. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam (onderhouds)werkzaamheden worden verricht.
Artikel 2:46 Rijden over bermen en dergelijke
1. Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant van een weg, tenzij dit door de omstandigheden redelijkerwijs wordt vereist. 2. Dit verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of
krachtens de Omgevingswet, de Provinciale omgevingsverordening of de Waterschapsverordening.
Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen
1. Het is verboden op een openbare plaats: a. te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair; of b. zich op te houden op een wijze die voor andere (weg)gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder veroorzaakt. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2:47a Verboden lachgasgebruik
Vervallen
Artikel 2:48 Verboden drankgebruik
1. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing op: a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet;
b. een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.
Artikel 2:49 Verboden gedrag in of bij gebouwen
1. Het is verboden zonder redelijk doel: a. zich in een portiek of poort op te houden; b. in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen. 2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.
Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten
Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in ieder geval verstaan: portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen. Artikel 2:50a Messen en andere voorwerpen als steekwapen
1. Het is verboden op door de burgemeester aangewezen plaatsen of in daaraan grenzende voor het publiek openstaande gebouwen of op bij die gebouwen behorende erven messen of andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt, bij zich te hebben. 2. Het verbod geldt niet voor messen of voorwerpen die als zodanig zijn ingepakt dat zij niet voor onmiddellijk gebruik gereed zijn.
3. Dit artikel is niet van toepassing voor zover het wapens betreft als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie.
Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen of bromfietsen
Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek als dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek of als daardoor die ingang versperd wordt.
Artikel 2:52 Overlast van fietsen of bromfietsen op markt en kermisterrein en dergelijke
Het is verboden zich op door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.
Artikel 2:53 Bespieden van personen
1. Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon dan wel een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon dan wel een zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindende persoon, te bespieden. 2. Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch instrument een zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindende persoon te bespieden.
Artikel 2:54 Bewakingsapparatuur
Vervallen.
Artikel 2:55 Nodeloos alarmeren
Vervallen.
Artikel 2:56 Alarminstallaties
Vervallen.
Artikel 2:57 Loslopende honden
1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: a. binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zonder dat die hond aangelijnd is; b. op een voor het publiek toegankelijk en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak, speelweide of trapveld of op een andere door het college aangewezen plaats; c. op een openbare plaats zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. 2. Het in het eerste lid, onder a, gestelde verbod geldt niet in gebieden die door het college zijn aangewezen als hondenuitlaatgebieden. 3. De verboden genoemd in het eerste lid onder a en b gelden niet voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een blindengeleide- of hulphond laat begeleiden en de hond als zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is of indien een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot blindengeleide- of hulphond.
4. Het college kan buiten de bebouwde kom gebieden aanwijzen waar een verplichting geldt tot het aanlijnen van de hond.
Artikel 2:58 Verontreiniging door honden
1. De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet op openbare plaatsen binnen de bebouwde kom. 2. De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven: a. indien de eigenaar of houder van de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd; b. op plaatsen die door het college zijn aangewezen als hondenuitlaatstroken; c. in gebieden die krachtens artikel 2:57, lid 2, door het college zijn aangewezen als hondenuitlaatgebieden. 3. De eigenaar of houder van een hond is verplicht op eerste vordering van een ambtenaar, belast met de zorg voor de naleving van het in dit artikel bepaalde, aan te tonen dat hij bij het uitlaten van de hond een deugdelijk opruimmiddel bij zich heeft, dat gezien de vorm en constructie als zodanig geschikt is voor het verwijderen van uitwerpselen. 4. Het eerste en derde lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.
Artikel 2:59 Gevaarlijke honden
1. Indien de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of
een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander. 2. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden, met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter. 3. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid, verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die: a. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen; b. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en c. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn. 4. Onverminderd artikel 2:57, eerste lid, aanhef en onder d dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.
Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren
1. Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet of bij of krachtens de Omgevingswet, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: a. aanwezig te hebben;
b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels; c. aanwezig te hebben in een groter aantal dan in het aanwijzingsbesluit is aangegeven; of d. te voeren. 2. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen plaats ontheffing verlenen van een of meer verboden als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 2:61 Wilde dieren
Vervallen.
Artikel 2:62 Loslopend vee
De rechthebbende op herkauwende of eenhoevige dieren of varkens die zich bevinden in een weiland of op een terrein dat niet van de weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken.
Artikel 2:63 Duiven
Vervallen.
Artikel 2:64 Bijen
1. Het is verboden bijen te houden: a. binnen een afstand van dertig meter van woningen of andere gebouwen waarin overdag mensen verblijven; en b. binnen een afstand van dertig meter van de weg.
2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen te voorkomen. 3. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a is niet van toepassing op de bijenhouder die rechthebbende is op de woningen of gebouwen bedoeld in dat lid. 4. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder b is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de Provinciale omgevingsverordening of de Waterschapsverordening. 5. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 6. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Artikel 2:65 Bedelarij
Het is verboden op een openbare plaats te bedelen om geld of andere zaken in door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast aangewezen gebieden.
Afdeling 12. Bestrijding van heling van goederen
Artikel 2:66 Begripsbepaling
In deze afdeling wordt onder handelaar verstaan: de handelaar aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:67 Verplichting met betrekking tot het verkoopregister
1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en door de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te nemen: a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; b. de datum van verkoop of overdracht van het goed; c. een omschrijving van het goed, voor zover van toepassing daaronder begrepen soort, merk en nummer van het goed; d. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en e. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen. 2. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen. 3. Op de aanvraag om een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht
De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: a. de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen: 1. dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging; 2. van een verandering van de onder 1 bedoelde adressen; 3. dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent; 4. dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan.
b. de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven; c. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn; d. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste vijf dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.
Artikel 2:69 Vervreemder van door opkoop verkregen goederen
Vervallen.
Artikel 2:70 Handel in horecabedrijven
Vervallen.
Afdeling 13. Vuurwerk en carbidschieten
Artikel 2:71 Begripsbepaling
In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan: vuurwerk dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.
Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen
1. Het is verboden in de uitoefening van een (neven)bedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder vergunning van het college. 2. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Artikel 2:73 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling
1. Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van het voorkomen van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats. 2. Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken. 3. De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1˚, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:73a Begripsbepalingen
In deze afdeling wordt verstaan onder: a. bus: een al dan niet originele melkbus, of een andere bus van staal of ijzer, een container, een opslagvat, een buis of een ander daarmee gelijk te stellen voorwerp; b. carbidschieten: het in een bus op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen carbid (calciumacetylide) en water of van een gasmengsel met vergelijkbare eigenschappen.
Artikel 2:73b Verbod en vrijstelling carbidschieten
1. Het is verboden carbid te schieten. 2. Het verbod om carbid te schieten is niet van toepassing als het carbidschieten plaatsvindt binnen de bebouwde kom en aan alle volgende voorwaarden is voldaan: a. het carbidschieten vindt plaats op 31 december tussen 10.00 uur en 23.59 uur en op 1 januari tussen 00.00 uur en 02.00 uur; b. daarbij gebruik wordt gemaakt van bussen en/of dergelijke voorwerpen met een maximale omvang/inhoud van ten hoogste één liter; en
c. daarbij geen handelingen worden verricht of nagelaten waarvan degene die het carbidschieten verricht weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat daardoor gevaar, schade of hinder kan optreden voor personen of voor de omgeving. 3. Het verbod om carbid te schieten is eveneens niet van toepassing als het carbidschieten plaatsvindt buiten de bebouwde kom en aan alle volgende voorwaarden is voldaan: a. het carbidschieten vindt plaats op 31 december tussen 10.00 uur en 23.59 uur en op 1 januari tussen 00.00 uur en 02.00 uur; b. daarbij gebruik wordt gemaakt van bussen en/of dergelijke voorwerpen met een maximale omvang/inhoud van ten hoogste 50 liter; c. daarbij geen handelingen worden verricht of nagelaten waarvan degene die het carbidschieten weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat daardoor gevaar, schade of hinder kan optreden voor personen of voor de omgeving; d. degene die het carbidschieten verricht, een schriftelijke toestemming daartoe kan overleggen van de eigenaar van het terrein van waaraf wordt geschoten; e. de plaats vanwaar geschoten wordt is gelegen; i. op een afstand van ten minste 75 meter van woonbebouwing; ii. op een afstand van ten minste 300 meter van inrichtingen voor intramurale zorg; iii. op een afstand van ten minste 300 meter van in gebruik zijnde voorzieningen voor het houden van dieren; iv.
op een afstand van ten minste 500 meter van een vogelbeschermingsgebied. f. het carbidschieten vindt plaats in een richting welke tegengesteld is aan de richting waarin de dichtstbijzijnde woonbebouwing is gelegen en de toeschouwers zich bevinden;
g. het vrije schootsveld is minimaal 75 meter en hierin liggen geen verharde openbare wegen of paden; h. er worden geen busdeksels of soortgelijke gevaarzettende voorwerpen gebruikt of weggeschoten; i. het gebruik van (voet)ballen of andere afsluitingen is zodanig dat daardoor geen schade aan mens, dier of goed kan veroorzaken; j. het terrein van waaraf wordt geschoten is afgezet met linten of ander vergelijkbaar materiaal; k. binnen een cirkel met een straal van 100 meter rond de plaats waar het carbidschieten plaatsvindt, in totaal niet meer dan tien bussen voor het carbidschieten worden gebruikt dan wel gebruiksklaar voor carbidschieten aanwezig worden gehouden; l. de bussen zodanig stevig in de bodem, in een frame of op andere wijze zijn verankerd, dat terugslag wordt voorkomen; m. het carbidschieten plaatsvindt door een persoon van ten minste zestien jaar oud die niet verkeert onder invloed van alcohol of andere psychotrope stoffen; n. teneinde de veiligheid van het publiek en de eigen veiligheid te waarborgen, toezicht op het carbidschieten wordt gehouden door ten minste één persoon van ten minste achttien jaar oud die niet verkeert onder invloed van alcohol of andere psychotrope stoffen; o. het terrein van waaraf wordt geschoten goed is verlicht indien het carbidschieten plaatsvindt na zonsondergang.
Artikel 2:73c Verbod bij zich hebben van carbid
1. Het is verboden op of aan de weg carbid bij zich te hebben op andere dagen dan op 31 december tussen 10.00 uur en 23.59 uur en op 1 januari tussen 00.00 uur en 02.00 uur.
2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op degenen aan wie carbid is afgeleverd, gedurende de tijd die nodig is om thuis te komen, noch op degene die aannemelijk maakt dat hij het carbid nodig heeft in de uitoefening van beroep of bedrijf.
Artikel 2:73d Aanwijzing gebieden zonder vrijstelling
De burgemeester kan ter voorkoming van gevaar, schade of overlast of in het belang van de natuurbescherming, een of meer gedeelten van de gemeente of een of meer bepaalde plaatsen aanwijzen waar het gestelde in artikel 2:73b, tweede lid, niet van toepassing is.
Artikel 2:73e Ontheffing
De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het artikel 2:73b, eerste lid, gestelde verbod.
Artikel 2:73f Toepasselijkheid
Deze afdeling is niet van toepassing voor zover de Wet milieubeheer zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet of bij of krachtens de Omgevingswet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Afdeling 14. Drugsoverlast
Artikel 2:74 Drugshandel op straat
Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met
het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
Artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik
Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.
Afdeling 15. Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester
Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats als deze personen het bepaalde in de artikelen 2:1, 2:1a, 2:1b, 2:25k, 2:26m, 2:26l, 2:33, 2:47, 2:48, 2:49, 2:50 en 3:22 groepsgewijs niet naleven. Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.
Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen
1. De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats. 2. De burgemeester heeft die bevoegdheid eveneens ten aanzien van de volgende andere plaatsen: a. parkeerterreinen; b. overige plaatsen die vanwege het doelgebonden verblijf niet onder de definitie van openbare plaats uit artikel 1 van de Wet openbare manifestaties vallen.
Artikel 2:78 Gebiedsontzegging
1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verrichten een bevel geven zich gedurende ten hoogste 48 uren niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een voor publiek toegankelijke plaats op te houden. In het geval de burgemeester een gebiedsontzegging oplegt op vrijdagavond na 18.00 uur kan de burgemeester de gebiedsontzegging laten voortduren tot maandagochtend 06.00 uur. 2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie tenminste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste acht weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.
3. Een bevel krachtens het tweede lid kan slechts worden gegeven als het strafbare feit of de openbare orde verstorende handeling binnen zes maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt. 4. De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid gestelde bevelen als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel.
Afdeling 16. Woonoverlast
Artikel 2:79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d van de Gemeentewet
1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. 2. De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke: a. geluid- of geurhinder; b. hinder van dieren; c. hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn; d. overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf; of e. intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.
Artikel 2:80 Sluiting van voor publiek openstaande gebouwen
Vervallen (verplaatst naar artikel 2:5).
Afdeling 17. Ondermijning
Artikel 2:81 Begripsbepalingen
1. In dit artikel wordt verstaan onder: a. exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; b. beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteiten; c. bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw, of daarbij behorend perceel of enig andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.
Artikel 2:81a Aanwijzing gebied, straat of gebouw waar vergunningplicht geldt voor bepaalde bedrijvigheid
1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en veiligheid, het woon- en leefklimaat of als er bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven een gebied, straat, gebouw of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waarop het verbod van artikel 2:81b van toepassing is. Een aanwijzing kan zich tot één of meer bedrijfsactiviteiten beperken. 2. De burgemeester wijst in het besluit de activiteiten aan waarvoor de vergunningplicht geldt en geeft desgewenst aan welke specifieke voorwaarden aan de vergunningplicht worden verbonden.
3. De burgemeester kan de aanwijzing intrekken zodra deze bedrijfsmatige activiteiten naar zijn oordeel niet langer de openbare orde verstoren, het woonen leefklimaat aantasten of anderszins ondermijning veroorzaken.
Artikel 2:81b Exploitatie van een bedrijf in een aangewezen gebied, straat of gebouw
Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen in een door de burgemeester aangewezen gebouw of gebied voor de door de burgemeester benoemde bedrijfsactiviteiten als bedoeld in artikel 2.81a.
Artikel 2:81c Aanvraag vergunning bedrijf in een aangewezen gebied, straat of gebouw
1. De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. 2. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier. 3. Indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van de aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd. 4. Indien er een verandering van omstandigheden optreedt, waardoor er een wijziging van de vergunning dient te komen, moet de exploitant onverwijld een wijzigingsaanvraag indienen. Indien deze aanvraag niet binnen één maand is ingediend na de verandering van omstandigheden, kan de burgemeester de verleende vergunning intrekken. Een vergunning vervalt, wanneer de vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden.
Artikel 2:81d Bijzondere weigeringsgronden
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning weigeren als:
a. naar zijn oordeel het woon- en leefklimaat in de omgeving van het bedrijf of de openbare orde of de veiligheid nadelig wordt beïnvloed of er om andere redenen sprake is van ondermijning door het bedrijf; b. indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; c. de wijze van bedrijfsvoering daartoe aanleiding geeft; d. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; e. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; f. er aanwijzingen zijn dat in strijd wordt gehandeld met de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000; of g. indien de vestiging of exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit, de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet of bij of krachtens de Omgevingswet, of een omgevingsplan.
Artikel 2:81e Bijzondere gronden voor intrekking en wijziging
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen indien: a. door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; of b. door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; of c. de voorwaarden uit de vergunning niet worden nageleefd; of d. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; of
e. de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; of f. er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; of g. de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd dan wel sprake is van een gewijzigde exploitatie; of h. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is; i. er aanwijzingen zijn dat in strijd wordt gehandeld met de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000; of j. indien de vestiging of exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan, voorbereidingsbesluit, de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of een omgevingsplan.
Artikel 2:81f Overgangsbepaling bestaande bedrijven
Voor aangewezen bedrijfsmatige activiteiten die op het tijdstip van de aanwijzing reeds worden uitgeoefend stelt de burgemeester een termijn vast waarop de vergunningplicht als bedoeld in artikel 2:81b in werking treedt.
Artikel 2:81g Sluiting bedrijf
1. De burgemeester kan, indien een bedrijf in strijd met artikel 2:81b wordt geëxploiteerd of indien een van de situaties als bedoeld in artikel 2:81e, onder a tot en met j, van toepassing is, het bedrijf voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten.
2. Het is eenieder verboden een op grond van het eerste lid gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven of te laten verblijven. 3. De sluiting wordt tevens bekend gemaakt door het besluit tot sluiting aan te brengen op of nabij de toegang(en) van het bedrijf. 4. De sluiting kan op aanvraag van belanghebbenden door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de gronden, die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.
Artikel 2:82 t/m artikel 2:91
Vervallen.
Hoofdstuk 3. Toezicht op seksbedrijven
Afdeling 1. Algemene bepaling
Artikel 3:1 Begripsbepalingen
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. advertentie: iedere commerciële uiting in een medium, die een seksbedrijf of een sekswerker onder de aandacht van het publiek brengt; b. beheerder: de natuurlijke persoon die met het feitelijk beheer en het dagelijks toezicht in een seksinrichting is belast of daartoe door de exploitant is aangesteld;
c. escortbedrijf: de activiteit bestaande uit het bedrijfsmatig, dan wel in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, aan een sekswerker gelegenheid geven tot prostitutie in de vorm van bemiddeling tussen sekswerker en klant; d. exploitant: de natuurlijke persoon of bestuurder van een rechtspersoon of, voor zover van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico een seksbedrijf wordt uitgeoefend; e. klant: degene die tegen betaling seksuele diensten afneemt van een sekswerker; f. raamprostitutiebedrijf: de activiteit bestaande uit het bedrijfsmatig, dan wel in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, gelegenheid geven tot prostitutie, waarbij het werven van klanten plaatsvindt door een sekswerker die zichtbaar is vanuit een voor publiek toegankelijke plaats; g. seksbedrijf: de activiteit bestaande uit het bedrijfsmatig, dan wel in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, gelegenheid geven tot: - het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling; of - het verrichten van seksuele handelingen voor een ander tegen betaling. Onder een seksbedrijf wordt in ieder geval verstaan: een escortbedrijf, seksinrichting, sekstheater, parenclub, seksclub, erotische massagesalon of een combinatie daarvan. h.
seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, al dan niet besloten, ruimte, onderdeel van een seksbedrijf; i. sekswerker: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling; j. prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling;
Afdeling 2. Vergunning seksbedrijf
Artikel 3:2 Vergunningplicht seksbedrijven
Het is verboden een seksbedrijf te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.
Artikel 3:3 Maximumstelsel
1. De burgemeester kan voor maximaal drie seksbedrijven een vergunning verlenen, met dien verstande dat per seksinrichting maximaal één seksbedrijf is toegestaan. 2. Voor het exploiteren van een raamprostitutiebedrijf wordt geen vergunning verleend.
Artikel 3:4 Vergunning seksbedrijven
1. De vergunning wordt voor maximaal vijf jaar verleend. 2. De vergunning wordt verleend aan de exploitant en op diens naam gesteld. De vergunning is locatie gebonden.
Artikel 3:5 Aanvraag en procedure vergunning
1. Een aanvraag om een vergunning voor een seksbedrijf wordt ingediend met gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier. 2. Bij de aanvraag van een vergunning voor een seksbedrijf wordt vermeld voor welke activiteit een vergunning wordt gevraagd en wordt opgave gedaan van in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden: a. de persoonsgegevens van de exploitant(en); b. de contactgegevens van de exploitant(en);
c. een geldig legitimatiebewijs van de exploitant(en); d. het adres waar het seksbedrijf wordt geëxploiteerd; e. het adres van de onder het seksbedrijf vallende seksinrichting; f. de handelsnaam waaronder wordt geëxploiteerd en het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; g. of in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag reeds eerder een aanvraag van een vergunning voor een seksbedrijf door de exploitant een vergunning voor een seksbedrijf is geweigerd of een aan de exploitant verleende vergunning voor een seksbedrijf is ingetrokken; h. een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimtes bestemd voor de uitoefening van het seksbedrijf; i. een beschrijving en plattegrond van de indeling (afmetingen) van de seksinrichting; j. de beoogde duur van de vergunning; k. de beoogde openingstijden; l. ieder telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt; en m. een bedrijfsplan als bedoeld in artikel 3:15. 3. Indien een beheerder is aangesteld, is het tweede lid, onder a, b, c en g, van overeenkomstige toepassing op de beheerder. 4. De burgemeester kan aanvullende gegevens of bescheiden verlangen. 5.
De burgemeester stelt nadere regels vast ten behoeve van het creëren van gelijke kansen om voor een vergunning in aanmerking te komen, waarbij in ieder geval regels worden gesteld betreffende: a. de inhoud en de wijze van indiening van een aanvraag van een vergunning;
b. de verdelings- en toekenningsprocedure van een vergunning.
Artikel 3:6 Beslistermijnen
1. De burgemeester beslist binnen twaalf weken op de aanvraag van een vergunning voor een seksbedrijf. 2. De in het eerste lid gestelde termijn kan door de burgemeester met ten hoogste twaalf weken worden verlengd. 3. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.
Artikel 3:7 Gegevens vergunning
1. De vergunning voor een seksbedrijf vermeldt in ieder geval: a. de exploitant(en); b. de beheerder(s), die vermeld worden op een bij de vergunning behorend aanhangsel, die onlosmakelijk onderdeel uitmaakt van de vergunning; c. voor welke activiteit de vergunning is verleend; d. het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend; e. het adres van de onder het seksbedrijf vallende seksinrichting waarvoor de vergunning is verleend; f. de handelsnaam waaronder wordt geëxploiteerd en het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; g. de geldigheidsduur van de vergunning; h. de lokaliteiten en afmetingen van de seksinrichting; i. de openingstijden van het seksbedrijf en de onder het seksbedrijf vallende seksinrichting;
j. ieder telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt; k. de voorschriften of beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden; en l. het nummer van de vergunning. 2. De exploitant draagt er zorg voor dat de vergunning en het daarbij behorende aanhangsel of een afschrift daarvan zichtbaar aanwezig is in de seksinrichting waarvoor de vergunning (mede) is verleend en dat tevens aan de buitenzijde of direct bij binnenkomst van de seksinrichting zichtbaar is dat hij over een vergunning voor die seksinrichting beschikt. Artikel 3:8 Melden wijzigingen en verlenen gewijzigde of nieuwe vergunning
1. De exploitant meldt iedere verandering waardoor de feitelijke situatie niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens, als bedoeld in artikel 3:7, eerste lid, onmiddellijk aan de burgemeester. De burgemeester beoordeelt vervolgens of een gewijzigde vergunning kan worden verleend of dat een nieuwe vergunning moet worden verleend. 2. Nadat de burgemeester de melding, als bedoeld in het eerste lid, heeft ontvangen, ontvangt de exploitant een door de burgemeester vastgesteld aanvraagformulier tot wijziging van de vergunning of een aanvraagformulier voor een nieuwe vergunning. Er is pas sprake van een aanvraag als de exploitant het aanvraagformulier heeft ingediend. Wijziging vergunning 3. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning in het geval de aanvraag betrekking heeft op het wijzigen van: - de handelsnaam waaronder wordt geëxploiteerd en het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; - de lokaliteiten en afmetingen van de seksinrichting; - de openingstijden van het seksbedrijf en de onder het seksbedrijf vallende seksinrichting; - het telefoonnummer dat in advertenties wordt gebruikt; en - de voorschriften en/of beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden,
mits het seksbedrijf en/of de seksinrichting voldoet aan het bepaalde in deze afdeling. Op het moment dat het seksbedrijf en/of de seksinrichting niet aan het bepaalde in deze afdeling voldoet, wordt de aanvraag geweigerd. 4. De wijziging, als bedoeld in het derde lid, ziet slechts op de onderdelen waarop de aanvraag tot wijziging betrekking heeft. Voor de overige onderdelen blijft de bestaande vergunning onverminderd van kracht. Bij het besluit tot wijziging van de vergunning ontvangt de exploitant een aan de gewijzigde situatie aangepast exemplaar van de vergunning. Nieuwe vergunning 5. De burgemeester verleent een nieuwe vergunning in het geval de aanvraag betrekking heeft op het wijzigen van: - de exploitant(en); - het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend; - het adres van de onder het seksbedrijf vallende seksinrichting waarvoor de vergunning is verleend; en - de geldigheidsduur van de vergunning. 6. Een vergunning vervalt wanneer de verlening van een vergunning strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, als bedoeld in het vijfde lid, van kracht is geworden. Artikel 3:9 Melden wijziging beheerder(s) en verlenen gewijzigd aanhangsel
1. De exploitant meldt iedere wijziging in beheerder(s), als bedoeld in artikel 3:7, eerste lid, onder b, onmiddellijk aan de burgemeester. 2. De burgemeester verleent een gewijzigd aanhangsel bij de vergunning in het geval de aanvraag betrekking heeft op: a. een persoon als beheerder te laten bijschrijven; en b. een persoon als beheerder te laten doorhalen, omdat de beheer niet langer werkzaam is in of voor het seksbedrijf en/of de seksinrichting en/of geen bemoeienis meer heeft met de bedrijfsvoering en/of exploitatie van het seksbedrijf en/of de seksinrichting. 3. De in het eerste lid bedoelde melding geldt als een aanvraag tot wijziging van het aanhangsel bij de vergunning, als bedoeld in artikel 3:7, eerste lid, onder b. 4. De burgemeester weigert de aanvraag tot wijziging van het aanhangsel bij de vergunning in het geval: