CConstaterende datAlmelo
Koppel je AI →
Document · PDF

20260123 toezegging beantwoording vraag -Doorlopende tekst Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Almelo 2021 na 4e wijziging

Raad 27 januari 2026, gemeente AlmeloBij agendapunt: Vierde wijziging Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Almelo 202122.678 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Doorlopende tekst APV na vierde wijziging

Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Almelo 2021 De Raad van de Gemeente Almelo; gelezen het voorstel van college van burgemeester en wethouders van 26 oktober 2021; gelet op de artikelen 149, 149a, 151a, 151b, 151c, 151d, 154 en 154a van de Gemeentewet, de artikelen 3 en 4 van de Wet openbare manifestaties, de artikelen 4, 25a, 25b, 25c en 25d van de Alcoholwet, artikel 5.13 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de artikelen 2.18, eerste lid, onder f en g, en vijfde lid, 2.21 en 3.148, tweede lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, artikel 30c, tweede lid, van de Wet op de kansspelen, artikel 3 van de Winkeltijdenwet artikel 64, tweede lid, van de Wet veiligheidsregio’s en artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994; besluit: vast te stellen de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Almelo 2021.

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1:1 Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder: a. bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; b. beperkingengebiedactiviteit: beperkingengebiedactiviteit als bedoeld in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; c. bevoegd bestuursorgaan: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wabo, dan wel de Omgevingswet;

d. bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van de Bouwverordening, dan wel de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; e. bromfiets: bromfiets als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder e van de Wegenverkeerswet 1994; f. college: het college van burgemeester en wethouders; g. gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1 van de Woningwet, dan wel bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving; h. handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; i. motorvoertuig: motorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; j. openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; k. openbare plaats: openbare plaats als bedoeld in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties; l. parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; m. rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft door eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; n. voertuig: voertuig als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens, zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen; o. weg: weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 1:2 Beslistermijn

1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Het bevoegde bestuursorgaan kan de termijn met maximaal acht weken verlengen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning, op de aanvraag om een vergunning voor een seksbedrijf en op de aanvraag om een vergunning voor een evenement.

Artikel 1:3 Indiening aanvraag

Vervallen.

Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen

1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing

1. De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2. Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing

De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of e. de houder dit verzoekt. 2. Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

Artikel 1:7 Termijnen

1. De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.

Artikel 1:8 Weigeringsgronden

1. Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. de openbare veiligheid; c. de volksgezondheid; d. de bescherming van het milieu. 2. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

Artikel 1:9 Lex silencio positivo

Vervallen.

Hoofdstuk 2. Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu

Afdeling 1. Voorkomen en bestrijden van ongeregeldheden Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden

1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden. 2. Het is verplicht om op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen voor degene die op een openbare plaats:

a. aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; b. aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of c. zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing; 3. Het is verboden zich te begeven naar of zich te bevinden op openbare plaatsen die door het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden of wanordelijkheden zijn afgezet of afgesloten. 4. Het is verboden een voorwerp dat ter afzetting of afsluiting is aangebracht door het bevoegde bestuursorgaan, als bedoeld in het derde lid, te verplaatsen, verwijderen of omver te halen. 5. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het derde lid. 6. Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

Artikel 2:1a Vermomming

1. Het is verboden zich gemaskerd, vermomd of op een andere wijze onherkenbaar gemaakt op de weg of op een openbare plaats te bevinden. 2. Eenieder die zich gemaskerd, vermomd of op andere wijze onherkenbaar vertoont en zich op of aan de weg of op een openbare plaats bevindt, is op eerste vordering van een politieambtenaar of toezichthouder van de gemeente verplicht zich onmiddellijk van zijn masker en/of vermomming te ontdoen of zich op andere wijze duidelijk herkenbaar te maken. 3. Het eerste lid is niet van toepassing in de volgende gevallen:

a. gedurende de dagen in de carnavalsperiode en de dagen rondom Halloween; b. in situaties waarin wordt voorzien door de Wet gedeeltelijk verbod gezichtsbedekkende kleding; en c. indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het masker en/of de vermomming niet geschiedt met het doel de openbare orde te verstoren.

Artikel 2:1b Openbare ordeverstoring

1. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 424, 426bis en 431 van het Wetboek van Strafrecht is het verboden op een openbare plaats of in een voor het publiek toegankelijk gebouw, op enigerlei wijze de openbare orde te verstoren, dan wel met het oog op verstoring van de openbare orde: a. zich hinderlijk te gedragen; b. personen lastig te vallen; c. te vechten; d. deel te nemen aan een samenscholing; e. onnodig op te dringen; of f. door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden. 2. Het is verboden om in het geval van wanordelijkheden of indien ernstig gevaar dreigt voor het ontstaan van wanordelijkheden een voorwerp of stof bij zich te hebben op de in het eerste lid genoemde plaatsen met de kennelijke bedoeling om de openbare orde te verstoren.

Artikel 2:1c Digitale ordeverstoring

1. Het is verboden om via digitale middelen, onder andere via internet, virtuele ruimtes en sociale media, uitingen te doen, te delen en/of in stand te laten, die kunnen leiden tot een fysieke verstoring van de openbare orde binnen het

grondgebied van de gemeente Almelo, dan wel tot het ontstaan van een ernstige vrees daarvoor. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 54a van het Wetboek van Strafrecht is het beheerders van websites, domeinnaamhouders, hostingproviders en sociale mediaplatforms verboden om uitingen, als bedoeld in het eerste lid, die via hun communicatiedienst worden gedaan: a. te delen of verder te (laten) verspreiden; b. in stand te laten; of c. online toegankelijk en/of zichtbaar te houden. 3. Beheerders van websites, domeinnaamhouders, hostingproviders en sociale mediaplatforms zijn verplicht om, op last van de burgemeester, uitingen als bedoeld in het eerste lid, te blokkeren, te verwijderen en verwijderd te houden, al dan niet via hun eigen notice-and-takedown procedures.

Afdeling 2. Manifestaties

Artikel 2:2 Optochten

Vervallen.

Artikel 2:3 Kennisgeving manifestaties

1. Degene die het voornemen heeft om op een openbare plaats een manifestatie te houden, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uren voordat de manifestatie wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester. 2. De kennisgeving bevat:

a. naam, adres en telefoonnummer van degene die de manifestatie houdt (organisator); b. het doel van de manifestatie; c. de datum waarop de manifestatie wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; d. de plaats en, voor zover van toepassing, de route; e. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en f. maatregelen die degene die de manifestatie houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. 3. Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een ontvangstbevestiging waarin de datum en het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. 4. Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur. 5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid genoemde termijn verkorten, een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen of een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn.

Afdeling 2a. Sluiting voor publiek openstaande gebouwen

Artikel 2:5 Sluiting voor het publiek openstaande gebouwen

1. De burgemeester kan, in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de gezondheid of de zedelijkheid of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden, een voor het publiek openstaand gebouw of

een bij dat gebouw behorend erf als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, of voor het publiek openstaande gebouwen en/of daarbij behorende erven in bepaald gebied, het voor het publiek openstaande gebouw voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten. 2. Het is eenieder verboden een op grond van het eerste lid gesloten voor het publiek openstaand gebouw te betreden of daarin te verblijven of te laten verblijven 3. De sluiting wordt tevens bekend gemaakt door het besluit tot sluiting aan te brengen op of nabij de toegang(en) van het gebouw of het erf. 4. De sluiting kan op aanvraag van belanghebbenden door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. 5. Dit artikel geldt niet voor zover in het onderwerp van de regeling wordt voorzien elders in deze verordening.

Afdeling 3. Verspreiden van gedrukte stukken

Artikel 2:6 Verspreiden gedrukte of geschreven stukken of afbeeldingen

1. Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen. 2. Het college kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3. Het verbod is niet van toepassing op het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen.

4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 5. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Afdeling 4. Vertoningen op openbare plaatsen

Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd e.d.

Vervallen.

Artikel 2:8 Begripsbepaling

1. In deze afdeling wordt onder een straatartiest verstaan: een optreden door één of meerdere personen, al dan niet als beroep, voor publiek, op een openbare plaats, waarbij door middel van zang en/of instrumenten geluid wordt geproduceerd en/of een vertoning wordt verzorgd. 2. Onder een straatartiest wordt mede verstaan: muzikant, fotograaf, levend standbeeld, acrobaat, toneelspeler, draaiorgel, tekenaar, filmoperateur of gids.

Artikel 2:9 Vertoningen op openbare plaatsen

1. Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest op te treden op een openbare plaats als de straatartiest daarvan niet ten minste vijf werkdagen voorafgaand aan de eerste vertoning daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester. 2. Als de straatartiest een melding heeft gedaan bij de burgemeester, mag de straatartiest gedurende één jaar als straatartiest optreden. 3. Een melding voor een vertoning als straatartiest wordt ingediend met gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier.

4. De straatartiest ontvangt van de melding een ontvangstbevestiging van de burgemeester. 5. De burgemeester kan, in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid, het milieu of ter bevordering van een ordelijk verloop van de vertoning, voorschriften en beperkingen stellen aan de vertoning of de vertoning verbieden. 6. De straatartiest draagt er zorg voor dat de ontvangstbevestiging, als bedoeld in het vierde lid, voorhanden is tijdens de vertoning. 7. De burgemeester kan nadere regels vaststellen ten behoeve van straatartiesten.

Afdeling 5. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen

Artikel 2:10 Voorwerpen op, aan of boven openbare plaatsen

1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan de openbare plaats of een gedeelte daarvan anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8, kan een vergunning worden geweigerd: a. als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de openbare plaats, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats; b. als het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving, niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of

c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak. 3. Het verbod is niet van toepassing op: a. zonneschermen, mits zij zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en mits: - geen onderdeel zich minder dan 2,2 meter boven dat gedeelte bevindt; - geen onderdeel van het scherm, in welke stand dat ook staat, zich op minder dan 0,5 meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt; - geen onderdeel verder dan 1,5 meter buiten de opgaande gevel reikt. b. evenementen als bedoeld in artikel 2:24; c. terrassen als bedoeld in artikel 2:27, onder g; d. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17; e. reclameborden en uitstallingen als bedoeld in de ‘Beleidsregel reclameborden en uitstallingen’, indien de plaatsing ervan in overeenstemming is met de daarin opgenomen regels; f. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard; g. nader door het college aan te wijzen categorieën van voorwerpen; h. het college stelt nadere regels vast voor de categorieën als bedoeld in sub g van lid 3; i. beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de Provinciale omgevingsverordening of de Waterschapsverordening.

4. De weigeringsgrond, bedoeld in het tweede lid, onder a, is niet van toepassing als in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. 5. De weigeringsgrond, bedoeld in het tweede lid, onder b, is niet van toepassing op bouwwerken. 6. De weigeringsgrond, bedoeld in het tweede lid, onder c, is niet van toepassing als in de voorkoming van overlast wordt voorzien door de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet of bij of krachtens de Omgevingswet.

Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. 3. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de Provinciale omgevingsverordening of de Waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.

Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd bestuursorgaan een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd: a. ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg; b. als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; c. als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of d. als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen. 3. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de Provinciale omgevingsverordening of de Waterschapsverordening.

Afdeling 6. Veiligheid op de weg

Artikel 2:13 Slapen op of aan de weg

1. Het is verboden de openbare weg als slaapplaats te gebruiken of op of aan de openbare weg of het openbaar water een voertuig, vaartuig, woonwagen, tent of ander onderkomen als slaapplaats te gebruiken, daarin te overnachten of daartoe gelegenheid te bieden, een en ander voor zover dat leidt of kan leiden

tot overlast, hinder of onveilige situaties, of op andere wijze de verstoring van de openbare orde tot gevolg heeft. 2. De burgemeester kan van dit verbod ontheffing verlenen. 3. Het verbod geldt niet voor een woonboot als bedoeld in de Verordening voor pleziervaart en overige vaartuigen Almelo 2021.

Artikel 2:14 Winkelwagentjes

1. Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt, is verplicht deze: a. te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken; en b. in de omgeving van dat bedrijf door het publiek op een openbare plaats achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen verwijderen. 2. Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een openbare plaats achter te laten. 3. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet of bij of krachtens de Omgevingswet.

Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp

1. Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat. 2. Het college kan nadere regels stellen over dit verbod.

Artikel 2:15a Gevaar door houtopstand

Het is verboden om een houtopstand in een zodanige staat te hebben dat daardoor direct gevaar voor goederen of personen ontstaat.

Artikel 2:16 Openen straatkolken en dergelijke

Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.

Artikel 2:17 Kelderingangen en dergelijke

Vervallen.

Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen

1. Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan: a. te roken gedurende een door het college aangewezen periode; en b. voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3˚, van het Wetboek van Strafrecht. 3. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.

Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp

Vervallen.

Artikel 2:20 Vallende voorwerpen

Vervallen.

Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting

1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet 1990, de Onteigeningswet, de Belemmeringenwet Privaatrecht of door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.

Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn

1. Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat. 3. Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.

Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs

1. Het is verboden: a. voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;

b. bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale vaarwegenverordening.

Afdeling 7. Toezicht op evenementen

Artikel 2:24 Begripsbepalingen

1. In deze afdeling wordt onder een evenement verstaan: iedere voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. bioscoop- en theatervoorstellingen; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet en artikel 5:22; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d. het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. activiteiten als bedoeld in de artikelen 2:9, 2:26b, eerste lid en 2:39; en g. sportwedstrijden 2. Onder een evenement wordt mede verstaan: herdenkingsplechtigheid, kermis, circus, braderie, optocht op de weg, tentfeest, een al dan niet besloten feest op een openbare plaats, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg en vechtsportwedstrijden en -gala’s met een professioneel en bedrijfsmatig karakter.

3. In deze afdeling wordt onder een klein evenement verstaan: evenement met een laag risicoprofiel, die voldoet aan de volgende voorwaarden: a. het een eendaags evenement betreft; b. het evenement plaatsvindt op zondag tussen 13.00 uur en 22.00 uur of op maandag tot en met zaterdag tussen 09.00 uur en 23.00 uur; c. het aantal bezoekers op enig moment niet meer bedraagt dan driehonderd personen; d. het evenement niet plaatsvindt op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormt voor het verkeer; e. het evenement niet de doorgang voor openbaar vervoer en hulpdiensten, zoals politie, brandweer en ambulance, belemmert; f. het evenement geen commercieel karakter heeft; g. tijdens het evenement geen (alcoholhoudende) dranken of etenswaren worden verstrekt tegen betaling of andere goederen te koop worden aangeboden; h. ten hoogste twee kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 10 m2 per object, mits er geen object wordt geplaatst met een verblijfsruimte die is bestemd voor meer dan honderdvijftig personen tegelijk; i. geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 09.00 uur (op maandag tot en met zaterdag), voor 13.00 uur (op zondag) na 22.00 uur (op zondag) of na 23.00 uur (op maandag tot en met zaterdag); j.

het maximaal toelaatbare geluidsniveau van 75 Db(c) op de gevels van omliggende panden en/of woningen niet wordt overgeschreden; en k. sprake is van een aanwijsbare organisator. 4. Onder een kleine evenement wordt mede verstaan: buurtbarbecue of straatfeest.

5. In deze afdeling wordt onderscheid gemaakt tussen vier categorieën evenementen: - klein evenement; - A-evenement (laag risico evenement); - B-evenement (gemiddeld risico evenement); en - C-evenement (hoog risico evenement).

Artikel 2:25 Vergunningplicht evenementen

1. Het is verboden een A-, B- of C-evenement te organiseren zonder vergunning van de burgemeester. 2. De vergunning wordt verleend aan de organisator en op diens naam gesteld. De vergunning is locatie gebonden.

Artikel 2:25a Meldingsplicht klein evenement

1. Het is verboden een klein evenement te organiseren zonder voorafgaande melding aan de burgemeester. 2. Een melding voor een klein evenement moet ten minste tien werkdagen voorafgaand aan het klein evenement worden gemeld aan de burgemeester. 3. Een melding voor een klein evenement wordt ingediend met gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier. 4. De organisator van een klein evenement ontvangt van de melding een ontvangstbevestiging van de burgemeester. 5. De burgemeester kan, in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid, het milieu of ter bevordering van een ordelijk verloop van het klein evenement,voorschriften en beperkingen stellen aan het klein evenement of het klein evenement verbieden.

6. De organisator draagt er zorg voor dat de ontvangstbevestiging, als bedoeld in het vierde lid, voorhanden is tijdens het klein evenement.

Artikel 2:25b Aanvraag en procedure vergunning

1. Een aanvraag om een vergunning voor een evenement wordt ingediend met gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier. 2. Bij de aanvraag van een vergunning voor een evenement wordt vermeld voor welk evenement een vergunning wordt gevraagd en wordt opgave gedaan van in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden: a. de persoonsgegevens van de organisator; b. de contactgegevens van de organisator; c. een geldig legitimatiebewijs van de organisator; d. de locatie waar het evenement wordt georganiseerd; e. de datum waarop het evenement wordt georganiseerd; f. het tijdstip waarop het evenement wordt georganiseerd; g. een bewijs waaruit blijkt dat de organisator gerechtigd is tot gebruik van de locatie waar het evenement wordt georganiseerd; h. een plattegrond van het evenement; i. een veiligheidsplan; en j. met welke onderaannemers de organisator samenwerkt ten behoeve van het evenement. 3. De burgemeester kan aanvullende gegevens of bescheiden verlangen.

Artikel 2:25c Beslistermijnen

1. De burgemeester beslist op de aanvraag van een vergunning voor een evenement: a. binnen acht weken bij een A-evenement; b. binnen tien weken bij een B-evenement; en c. binnen twaalf weken bij een C-evenement. 2. De in het eerste lid gestelde termijnen kunnen door de burgemeester met ten hoogste vier weken worden verlengd. 3. Als naast een aanvraag om een vergunning voor een evenement ook een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt ingediend, is afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing op de behandeling van de aanvragen om een vergunning. De burgemeester is het coördinerend bestuursorgaan. 4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

Artikel 2:25d Gegevens vergunning

1. De vergunning voor een evenement vermeldt in ieder geval: a. de organisator; b. de contactgegevens van de organisator; c. voor welk evenement de vergunning is verleend; d. de locatie van het evenement waarvoor de vergunning is verleend; e. de datum van het evenement waarvoor de vergunning is verleend; f. het tijdstip van het evenement waarvoor de vergunning is verleend; en g. de voorschriften of beperkingen die aan het evenement zijn verbonden.

2. De organisator dient de vergunning of een afschrift daarvan voorhanden te hebben tijdens het evenement. 3. De organisator meldt iedere verandering waardoor de feitelijke situatie niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens, als bedoeld in het eerste lid, onmiddellijk aan de burgemeester. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, indien het evenement (nog steeds) aan het in deze afdeling bepaalde voldoet.

Artikel 2:25e Voorschriften, beperkingen en verbod evenement

1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:4 kan de burgemeester, in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid, het milieu of ter bevordering van een ordelijk verloop van het evenement, voorschriften en beperkingen stellen aan het evenement of het evenement verbieden. 2. Het is verboden een evenement te organiseren of te laten plaatsvinden, wanneer de burgemeester een verbod, als bedoeld in het eerste lid, heeft uitgevaardigd.

Artikel 2:25f Aanwijzingen

De burgemeester kan, in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid, het milieu of ter bevordering van een ordelijk verloop van het evenement, voorafgaand, tijdens en na afloop van het evenement aanwijzingen geven, die de organisator terstond moet opvolgen.

Artikel 2:25g Weigeringsgronden

1. Een vergunning voor een evenement wordt geweigerd indien: a. de organisator, beoordeeld naar het verband met het karakter of de doelstelling van het evenement waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, in enig opzicht van slecht levensgedrag is; of

b. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de organisator in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen. 2. De burgemeester kan nadere regels stellen met betrekking tot hetgeen onder slecht levensgedrag, als bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt verstaan. 3. Onverminderd hetgeen is bepaald in artikel 1:8 kan een vergunning voor een evenement worden geweigerd indien: a. reeds eerder een vergunning, die verleend is aan de organisator, is ingetrokken op grond van artikel 2:25h, gedurende een periode van vijf jaar na intrekking van de vergunning; b. reeds eerder een vergunning, die verleend is aan de organisator, is ingetrokken op grond van artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, gedurende een periode van vijf jaar na intrekking van de vergunning; c. de betrokken hulpdiensten negatief hebben geadviseerd op het evenement; of d. de openbare orde, de openbare veiligheid of de woon- en leefomgeving onevenredig nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het evenement waarvoor de vergunning is aangevraagd.

Artikel 2:25h Intrekkingsgronden

1. De vergunning voor een evenement wordt ingetrokken indien: a. de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen indien bij de beoordeling daarvan de juiste of volledige gegevens bekend waren geweest; b. de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is gegeven; of

c. in het geval er sprake is van een langdurend of meerdaags evenement, zich tijdens het evenement feiten hebben voorgedaan die de vrees rechtvaardigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu. 2. Onverminderd hetgeen is bepaald in artikel 1:6 kan de vergunning voor een evenement worden ingetrokken indien: a. is gehandeld in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen; b. in verband met gewijzigde wettelijke voorschriften, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde inzichten de bescherming van de belangen met het oog waarop een vergunningsvereiste is gesteld, zwaarder wegen dan het belang van de vergunninghouder bij behoud van de vergunning; c. de organisator het toezicht op het evenement belemmert of bemoeilijkt; d. de organisator de door de burgemeester gestelde aanwijzingen, als bedoeld in artikel 2:25f, niet terstond of volledig heeft opgevolgd; of e. is gehandeld in strijd met een of meer van de bij of krachtens deze afdeling gestelde bepalingen.

Artikel 2:25i Vervallen vergunning

De vergunning voor een evenement vervalt indien: a. de organisator heeft aangegeven dat het evenement niet zal gaan plaatsvinden; b. is gebleken dat een niet in de vergunning vermeld persoon (feitelijk) organisator is geworden; of c. de organisator is overleden.

Artikel 2:25j Vereisten aan organisator

De organisator van een evenement is bereikbaar gedurende de uren dat het evenement daadwerkelijk plaatsvindt.

Artikel 2:25k Openbare ordeverstoring bij evenementen

1. Onverminderd artikel 2:1b, eerste lid, is het verboden bij een evenement de openbare orde te verstoren. 2. Onverminderd artikel 2:1b, tweede lid, is het verboden enig gereedschap, voorwerp of middel te vervoeren of bij zich te hebben met de kennelijke bedoeling daarmee bij een evenement de openbare orde te verstoren.

Artikel 2:26 Ordeverstoring

Vervallen.

Afdeling 7a. Toezicht op voetbalwedstrijden

Artikel 2:26a Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder: a. organisator: 1. een betaald voetbalorganisatie statutair gevestigd in de gemeente Almelo, indien het betreft een voetbalwedstrijd waarbij het eerste elftal van deze betaald voetbalorganisatie als thuisspelende ploeg betrokken is, uitgezonderd wedstrijden buiten enig competitieverband tegen een amateurvoetbalorganisatie; of 2. de Koninklijke Nederlandse Voetbal Bond, indien het betreft een voetbalwedstrijd tussen voetbalorganisaties afkomstig van buiten de gemeente

Almelo waarbij tenminste één betaald voetbalorganisatie betrokken is en indien het betreft een A-interland; of 3. degene die buiten de gevallen genoemd onder a en b een voetbalwedstrijd organiseert waarbij ten minste één betaald voetbalorganisatie of een nationaal elftal is betrokken; en b. risicowedstrijd: een door de burgemeester aan te merken voetbalwedstrijd die een verhoogd risico vormt voor de openbare orde en veiligheid; c. veiligheidsverklaring: veiligheidsverklaring als bedoeld in het Licentiereglement van de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond; en d. voetbalwedstrijd: een voetbalwedstrijd georganiseerd door de organisator.

Artikel 2:26b Vergunningplicht voetbalwedstrijd 1. Het is de organisator verboden een voetbalwedstrijd te houden zonder vergunning van de burgemeester. 2. De vergunning wordt verleend aan de organisator en op diens naam gesteld. De vergunning is locatie gebonden. 3. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan meerdere wedstrijden betreffen. 4. De burgemeester kan voor risicowedstrijden een afzonderlijke vergunning verlenen. Artikel 2:26c Aanvraag en procedure vergunning

1. Een aanvraag om een vergunning voor een voetbalwedstrijd wordt ingediend met gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier. 2. Bij de aanvraag van een vergunning voor een voetbalwedstrijd wordt vermeld voor welke voetbalwedstrijd(en) een vergunning wordt aangevraagd en wordt opgave gedaan van in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden: a. de gegevens van de organisator; b. de contactgegevens van degene die namens de organisator de aanvraag indient; c. de locatie waar de voetbalwedstrijd zal plaatsvinden;

d. de datum waarop de voetbalwedstrijd zal plaatsvinden; e. het tijdstip waarop voetbalwedstrijd zal plaatsvinden; en f. een calamiteitenplan. 3. De burgemeester kan aanvullende gegevens of bescheiden verlangen. Artikel 2:26d Beslistermijn

1. De burgemeester beslist binnen acht weken op de aanvraag van een vergunning voor een voetbalwedstrijd. 2. De in het eerste lid gestelde termijn kan door de burgemeester met ten hoogste acht weken worden verlengd. 3. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Artikel 2:26e Gegevens vergunning

1. De vergunning voor een voetbalwedstrijd vermeldt in ieder geval: a. de organisator; b. de contactgegevens van degene die namens de organisator de aanvraag heeft ingediend; c. voor welke voetbalwedstrijd of -wedstrijden de vergunning is verleend; d. de locatie waar de voetbalwedstrijd zal plaatsvinden; e. de datum waarop de voetbalwedstrijd zal plaatsvinden; f. het tijdstip waarop voetbalwedstrijd zal plaatsvinden; en g. de voorschriften of beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden. 2. De organisator dient de vergunning of een afschrift daarvan voorhanden te hebben tijdens de voetbalwedstrijd of -wedstrijden waarop de vergunning van toepassing is. 3. De organisator meldt iedere verandering waardoor de feitelijke situatie niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens, als bedoeld in het eerste lid, onmiddellijk aan de burgemeester. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, indien de voetbalwedstrijd (nog steeds) aan het in deze afdeling bepaalde voldoet.

Artikel 2:26f Voorschriften, beperkingen en verbod voetbalwedstrijd

1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:4 kan de burgemeester, in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid, het milieu of ter bevordering van een ordelijk verloop van de voetbalwedstrijd, voorschriften en beperkingen stellen aan de voetbalwedstrijd of de voetbalwedstrijd verbieden. 2. Als een vergunning betrekking heeft op meerdere wedstrijden kan een voorschrift, beperking of verbod betrekking hebben op één wedstrijd of meerdere wedstrijden. 3. Het is verboden een voetbalwedstrijd te houden of te laten plaatsvinden, wanneer de burgemeester een verbod, als bedoeld in het eerste lid, heeft uitgevaardigd. Artikel 2:26g Aanwijzingen en bevelen

1. De burgemeester kan, in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid, het milieu of ter bevordering van een ordelijk verloop van de voetbalwedstrijd, voorafgaand, tijdens en na afloop van de voetbalwedstrijd aanwijzingen en bevelen geven, die de organisator terstond moet opvolgen. 2. Eenieder is verplicht zich, voorafgaand, tijdens of na afloop van een voetbalwedstrijd, op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van de gemeente, de politie of de brandweer, met inachtneming van de door hem in het belang van de handhaving van de openbare orde en openbare veiligheid gegeven aanwijzingen, naar een in het bevel aangegeven plaats, dan wel buiten de gemeentegrenzen te begeven. Artikel 2:26h Weigeringsgronden

1. Een vergunning voor een voetbalwedstrijd wordt geweigerd indien de burgemeester geen veiligheidsverklaring heeft afgegeven. 2. Onverminderd hetgeen is bepaald in artikel 1:8 kan een vergunning voor een voetbalwedstrijd worden geweigerd indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de organisator in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen.

3. Als een vergunning betrekking heeft op meerdere wedstrijden kan een weigering betrekking hebben op één wedstrijd of meerdere wedstrijden. Artikel 2:26i Intrekkings- en schorsingsgronden

1. De vergunning voor een voetbalwedstrijd wordt ingetrokken indien: a. de veiligheidsverklaring is ingetrokken; b. de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen indien bij de beoordeling daarvan de juiste of volledige gegevens bekend waren geweest; of c. de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is gegeven. 2. De vergunning voor een voetbalwedstrijd kan worden geschorst of ingetrokken indien: a. is gehandeld in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen; b. in verband met gewijzigde wettelijke voorschriften, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde inzichten, de bescherming van de belangen met het oog waarop een vergunningsvereiste is gesteld, zwaarder wegen dan het belang van de organisator bij behoud van de vergunning; c. de organisator het toezicht op de voetbalwedstrijd belemmert of bemoeilijkt; d. de organisator de door de burgemeester gestelde aanwijzingen, als bedoeld in artikel 2:26g, niet terstond of volledig heeft opgevolgd; of e. is gehandeld in strijd met een of meer van de bij of krachtens deze afdeling gestelde bepalingen. 3. Als een vergunning betrekking heeft op meerdere wedstrijden kan de intrekking betrekking hebben op één wedstrijd of meerdere wedstrijden. Artikel 2:26j Vervallen vergunning

1. De vergunning voor een voetbalwedstrijd vervalt indien de organisator heeft aangegeven dat de voetbalwedstrijd niet zal gaan plaatsvinden. 2. Als een vergunning betrekking heeft op meerdere wedstrijden vervalt de vergunning slechts gedeeltelijk, namelijk voor de voetbalwedstrijd die niet meer zal plaatsvinden.

Artikel 2:26k Vereisten aan organisator

Een contactpersoon namens de organisator is bereikbaar gedurende de uren dat de voetbalwedstrijd daadwerkelijk plaatsvindt. Artikel 2:26l Openbare ordeverstoring bij een voetbalwedstrijd

1. Onverminderd artikel 2:1b, eerste lid, is het verboden bij, voorafgaand, tijdens of na afloop van een voetbalwedstrijd de openbare orde te verstoren. 2. Onverminderd artikel 2:1b, tweede lid, is het verboden enig gereedschap, voorwerp of middel te vervoeren of bij zich te hebben met de kennelijke bedoeling daarmee bij de voetbalwedstrijd de openbare orde te verstoren.

Artikel 2:26m Onnodig opdringen en wanordelijkheden bij voetbalwedstrijden

1. Het is verboden zich bij een voetbalwedstrijd onnodig op te dringen, door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden of wanordelijkheden te veroorzaken. 2. Onverminderd het bepaalde bij of krachtens de Wet Wapens en Munitie is het verboden om bij een voetbalwedstrijd slagwapens of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, op een zodanige wijze mee te voeren dat de openbare orde of openbare veiligheid in gevaar komt of kan komen.

Artikel 2:26n Supporters en bestuurlijke ophouding

1. Iedere supporter van een bezoekende betaald voetbalclub, ieder die door bijvoorbeeld kleding, uitrusting, gedragingen of anderszins uitstraalt of in het bezit is van een geldig toegangsbewijs voor de te bezoeken wedstrijd is verplicht om, indien sprake is van verstoring van de openbare orde of ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, hun weg naar het stadion te vervolgen zodra zij de gemeente bereiken. 2. Eenieder die behoort tot de supportersvereniging van een bezoekende betaald voetbalclub en dat door bijvoorbeeld kleding, uitrusting, gedraging of anderszins kenbaar maakt, is verplicht om, indien sprake is van verstoring van

de openbare orde of ernstige vrees bestaat voor het ontstaan daarvan, direct na afloop van de wedstrijd te vertrekken uit de gemeente. 3. Eenieder die behoort tot de supportersaanhang van een bezoekende betaald voetbalclub en dat door bijvoorbeeld kleding, uitrusting, gedragingen of anderszins kenbaar maakt en niet in het bezit is van een geldig plaatsbewijs voor de wedstrijd en op een of andere wijze de openbare orde verstoort of dreigt te verstoren, dan wel strafbare uitingen doet, is verplicht zich op eerste aanzegging van de politie te begeven buiten de gemeentegrenzen in een door de politie aan te geven route en richting, dan wel in een door de politie aan te geven route en richting binnen de gemeente in het geval degene woonachtig is binnen de gemeente.

Artikel 2:26o Individueel stadionomgevingsverbod

1. De burgemeester kan aan een persoon schriftelijk het verbod opleggen om zich op te houden in een door hem nader aan te wijzen gebied rondom het stadion te Almelo, waar betaald voetbalwedstrijden worden gespeeld, van vier uur voor het vastgestelde aanvangstijdstip tot vier uur na afloop van voetbalwedstrijden indien de persoon de openbare orde in de omgeving van genoemd stadion in ernstige mate heeft verstoord op een dag dat een wedstrijd van de in artikel 2:26a, onder a, genoemde organisator in dit stadion is gespeeld. 2. Het verbod geldt voor een periode van ten hoogste twee jaar.

Afdeling 8. Toezicht op openbare inrichtingen

Titel 1. Algemene bepalingen

Artikel 2:27 Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. barvrijwilliger: de natuurlijke persoon die, niet in dienstverband, dranken schenkt of rookwaren of spijzen bereid of verstrekt in een openbare inrichting in beheer van een paracommerciële rechtspersoon; b. coffeeshop: een openbare inrichting waar alcoholvrije dranken worden geschonken dan wel verstrekt en/of handel in cannabisproducten plaatsvindt; c. exploitant: de natuurlijke persoon of bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden voor wiens rekening en risico de openbare inrichting wordt uitgeoefend; d. leidinggevende: 1. de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden voor wiens rekening en risico de openbare inrichting wordt uitgeoefend; of 2. de natuurlijke persoon die algemene of onmiddellijke leiding in aan/in een openbare inrichting. e. openbare inrichting: de voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin als hoofdactiviteit bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is, dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse of consumptie elders worden bereid of verstrekt.

Onder een openbare inrichting wordt in ieder geval verstaan: een restaurant, café, cafetaria, waterpijpcafé, snackbar, ijssalon, discotheek, afhaal- en/of bezorgrestaurant, coffeeshop, paracommerciële rechtspersoon, broodjeszaak,

lunchroom of grillroom. Onder een openbare inrichting wordt tevens verstaan: een bij deze openbare inrichting behorend terras en andere aanhorigheden; f. paracommerciële rechtspersoon: een rechtspersoon, niet zijnde een naamloze vennootschap of besloten vennootschap, met beperkte aansprakelijkheid, die zich naast activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard richt op de exploitatie in eigen beheer van een openbare inrichting; g. terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel van de openbare inrichting waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt. Een terras maakt, voor de toepassing van deze afdeling, deel uit van de besloten ruimte.

Titel 2. Vergunning openbare inrichting

Artikel 2:28 Vergunningplicht openbare inrichting

1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. Indien een terras onderdeel is van een openbare inrichting wordt voor het exploiteren van het terras slechts een vergunning verleend, indien het terras onmiddellijk aansluit aan de gevel van het pand waarin zich de openbare inrichting bevindt. Voor de overige terrassen kan slechts een vergunning worden verleend, indien zij in de onmiddellijke nabijheid van een openbare inrichting zijn gelegen. 3. De vergunning wordt verleend aan de exploitant en op diens naam gesteld. De vergunning is locatie gebonden.

4. In afwijking van hetgeen is bepaald in het tweede lid en in artikel 1:5, eerste lid, is een vergunning voor een openbare inrichting die verleend is aan een paracommerciële rechtspersoon niet persoonsgebonden. De vergunning kan op naam worden gesteld van de paracommerciële rechtspersoon.

Artikel 2:28a Aanvraag en procedure vergunning

1. Een aanvraag om een vergunning voor een openbare inrichting wordt ingediend met gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier. 2. Bij de aanvraag van een vergunning voor een openbare inrichting wordt vermeld voor welke activiteit een vergunning wordt gevraagd en wordt opgave gedaan van in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden: a. de persoonsgegevens van de exploitant(en); b. de contactgegevens van de exploitant(en); c. een geldig legitimatiebewijs van de exploitant(en); d. het adres waar de openbare inrichting wordt uitgeoefend; e. de beoogde bedrijfsuitoefening; f. de handelsnaam waaronder wordt geëxploiteerd en het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; g. of in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag reeds eerder een aanvraag van een vergunning voor een openbare inrichting door de exploitant is geweigerd of een aan de exploitant verleende vergunning voor een openbare inrichting is ingetrokken; h. een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimtes bestemd voor de uitoefening van de openbare inrichting;

i. een beschrijving en plattegrond van de indeling (lokaliteiten en afmetingen) van de openbare inrichting en voor zover van toepassing een beschrijving en plattegrond van de ligging en omvang (afmetingen) van het terras; j. de beoogde duur van de vergunning; en k. de beoogde openingstijden. 3. Indien een leidinggevende is aangesteld, is het eerste lid, onder a, b, c en f van overeenkomstige toepassing op de leidinggevende. 4. De burgemeester kan aanvullende gegevens of bescheiden verlangen.

Artikel 2:28b Beslistermijnen

1. De burgemeester beslist binnen acht weken op de aanvraag van een vergunning voor een openbare inrichting. 2. De in het eerste lid gestelde termijn kan door de burgemeester met ten hoogste acht weken worden verlengd. 3. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

Artikel 2:28c Gegevens vergunning openbare inrichting

1. De vergunning voor een openbare inrichting vermeldt in ieder geval: a. de exploitant(en); b. de leidinggevende(n), die vermeld worden op een bij de vergunning behorend aanhangsel, die onlosmakelijk onderdeel uitmaakt van de vergunning; c. tot welke bedrijfsuitoefening de vergunning strekt; d. het adres waar de openbare inrichting wordt uitgeoefend;

e. de handelsnaam waaronder wordt geëxploiteerd en het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; f. in het geval de vergunning niet voor onbepaalde tijd wordt verleend, de geldigheidsduur van de vergunning; g. de lokaliteiten en afmetingen van de openbare inrichting; h. de openingstijden van de openbare inrichting; i. de voorschriften of beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden; en j. het nummer van de vergunning; en k. indien er (tevens) een terras is vergund, de afmetingen, oppervlakte en situering van het terras, inclusief een tekening/plattegrond van het terras (met details zoals bomen, parkeerplaatsen, verkeershinderingen, bebouwing, lichtmasten, et cetera). 2. De exploitant draagt er zorg voor dat de vergunning en het daarbij behorende aanhangsel of een afschrift daarvan aanwezig is in de openbare inrichting waarvoor de vergunning (mede) is verleend. 3. De exploitant meldt iedere verandering waardoor zijn openbare inrichting niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens, als bedoeld in het eerste lid, onmiddellijk aan de burgemeester. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, indien de openbare inrichting (nog steeds) aan de vereisten voldoet. Artikel 2:28d Melden wijzigingen en verlenen gewijzigde of nieuwe vergunning

1. De exploitant meldt iedere verandering waardoor de feitelijke situatie niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens, als bedoeld in artikel 2:28c, eerste lid, onmiddellijk aan de burgemeester. De burgemeester beoordeelt vervolgens of een gewijzigde vergunning kan worden verleend of dat een nieuwe vergunning moet worden verleend. 2. Nadat de burgemeester de melding, als bedoeld in het eerste lid, heeft ontvangen, ontvangt de exploitant een door de burgemeester vastgesteld

aanvraagformulier tot wijziging van de vergunning of een aanvraagformulier voor een nieuwe vergunning. Er is pas sprake van een aanvraag als de exploitant het aanvraagformulier heeft ingediend. Wijziging vergunning 3. De burgemeester wijzigt de vergunning in het geval de aanvraag betrekking heeft op het wijzigen van: - de handelsnaam waaronder wordt geëxploiteerd en het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; - de lokaliteiten en afmetingen van de openbare inrichting; - de afmetingen, oppervlakte en situering van een terras; - de openingstijden van de openbare inrichting en/of het terras; - de bedrijfsuitoefening waartoe de vergunning strekt; en - de voorschriften en/of beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden, mits de openbare inrichting voldoet aan het bepaalde in deze afdeling. Op het moment dat de openbare inrichting niet aan het bepaalde in deze afdeling voldoet, wordt de aanvraag geweigerd. 4. De wijziging, als bedoeld in het derde lid, ziet slechts op de onderdelen waarop de aanvraag tot wijziging betrekking heeft. Voor de overige onderdelen blijft de bestaande vergunning onverminderd van kracht. Bij het besluit tot wijziging van de vergunning ontvangt de exploitant een aan de gewijzigde situatie aangepast exemplaar van de vergunning. Nieuwe vergunning 5.

De burgemeester verleent een nieuwe vergunning in het geval de aanvraag betrekking heeft op het wijzigen van: - de exploitant(en); - het adres waar de openbare inrichting wordt uitgeoefend. 6. Een vergunning vervalt wanneer de verlening van een vergunning strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, als bedoeld in het vijfde lid, van kracht is geworden. Artikel 2:28e Melden wijziging leidinggevende(n) en verlenen gewijzigd aanhangsel

1. De exploitant meldt iedere wijziging in leidinggevende(n), als bedoeld in artikel 2:28c, eerste lid, onder b, onmiddellijk aan de burgemeester. 2. De burgemeester verleent een gewijzigd aanhangsel bij de vergunning in het geval de aanvraag betrekking heeft op:

a. een persoon als leidinggevende te laten bijschrijven; en b. een persoon als leidinggevende te laten doorhalen, omdat de leidinggevende niet langer werkzaam is in of voor de openbare inrichting en/of geen bemoeienis meer heeft met de bedrijfsvoering en/of exploitatie van de openbare inrichting. 3. De in het eerste lid bedoelde melding geldt als een aanvraag tot wijziging van het aanhangsel bij de vergunning, als bedoeld in artikel 2:28c, eerste lid, onder b. 4. De burgemeester weigert de aanvraag tot wijziging van het aanhangsel bij de vergunning in het geval: a. een persoon, als bedoeld in het eerste en tweede lid, niet voldoet aan het bij of krachtens artikel 2:28d, eerste lid, onder a, b, of c gestelde; en b. in het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordeling door het openbaar bestuur. 5. Alvorens te beslissen op een aanvraag tot wijziging van het aanhangsel kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen, door het openbaar bestuur om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd. Artikel 2:28f Weigeringsgronden

1. Een vergunning voor een openbare inrichting wordt geweigerd indien: a. de exploitant of de leidinggevende onder curatele staat; b. de exploitant of de leidinggevende in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is; c. de leidinggevende de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt; d. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; e. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften; of

f. de voorgenomen uitoefening van de openbare inrichting strijd zal opleveren met een geldend bestemmingsplan, een bestemmingsplan in ontwerp dat ter inzage is gelegd, een geldend exploitatieplan, voorbereidingsbesluit of omgevingsplan. 2. De burgemeester kan nadere regels stellen met betrekking tot hetgeen onder slecht levensgedrag, als bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt verstaan. Een exploitant of leidinggevende is in ieder geval van slecht levensgedrag als niet voldaan wordt aan de gestelde eisen als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Alcoholbesluit. 3. Onverminderd hetgeen bepaald is in artikel 1:8, kan een vergunning voor een openbare inrichting worden geweigerd indien: a. voor de openbare inrichting reeds eerder een vergunning is ingetrokken op grond van artikel 2:28g, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking van de vergunning; b. voor de openbare inrichting reeds eerder een vergunning is ingetrokken onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking van de vergunning; of c. de openbare orde, de openbare veiligheid of de woon- en leefomgeving nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de openbare inrichting waarvoor de vergunning is aangevraagd.

Artikel 2:28g Intrekkings- en schorsingsgronden

1. De vergunning voor een openbare inrichting wordt ingetrokken indien: a. de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen indien bij de beoordeling daarvan de juiste of volledige gegevens bekend waren geweest;

b. de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is gegeven; c. zich binnen de openbare inrichting feiten hebben voorgedaan die de vrees rechtvaardigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde of openbare veiligheid; d. zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 2:28f, eerste lid; e. de uitoefening van de openbare inrichting strijd oplevert met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan, voorbereidingsbesluit of omgevingsplan. 2. De vergunning voor een openbare inrichting kan worden geschorst of ingetrokken indien: a. is gehandeld in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen; b. in verband met gewijzigde wettelijke voorschriften, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde inzichten de bescherming van de belangen met het oog waarop het vergunningsvereiste is gesteld, zwaarder wegen dan het belang van de vergunninghouder bij behoud van de vergunning; c. een niet in de vergunning vermelde persoon (feitelijk) exploitant of leidinggevende is geworden; d. is gehandeld in strijd met een of meer van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde bepalingen e. de exploitant dan wel de leidinggevende het toezicht op de openbare inrichting belemmert of bemoeilijkt; of f.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Almelo&id=d39721ff-5534-45fc-a8ad-21002204fbca