CConstaterende datAlmelo
Koppel je AI →
Document · PDF

20260123 toezegging beantwoording vraag -Doorlopende tekst Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Almelo 2021 na 4e wijziging

Raad 27 januari 2026, gemeente AlmeloBij agendapunt: Vierde wijziging Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Almelo 202122.678 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

a. een persoon, als bedoeld in het eerste en tweede lid, niet voldoet aan het bij of krachtens artikel 3:10, eerste lid, onder a, b, c of d gestelde; en b. in het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordeling door het openbaar bestuur. 5. Alvorens te beslissen op een aanvraag tot wijziging van het aanhangsel kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen, door het openbaar bestuur om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd. Artikel 3:10 Weigeringsgronden

1. Een vergunning voor een seksbedrijf wordt geweigerd indien: a. de exploitant of de beheerder onder curatele staat; b. de exploitant of de beheerder is ontzet uit het ouderlijk gezag of de voogdij; c. de exploitant of de beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is; d. de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt; e. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; f. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften; g. er aanwijzingen zijn dat voor of bij de exploitant personen werken of zullen werken die, indien het sekswerkers betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt; h. er aanwijzingen zijn dat voor of bij de exploitant personen werken of zullen werken die nog niet de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000;

i. het maximum, als bedoeld in artikel 3:3, eerste lid, is bereikt; j. de vergunning is aangevraagd voor de exploitatie van een raamprostitutiebedrijf; of k. de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd zal opleveren met een geldend bestemmingsplan, een bestemmingsplan in ontwerp dat ter inzage is gelegd, een geldend exploitatieplan, voorbereidingsbesluit of omgevingsplan of een bekendgemaakte ontwerpwijziging daarvan. 2. De burgemeester kan nadere regels stellen met betrekking tot hetgeen onder slecht levensgedrag, als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt verstaan. 3. Een vergunning voor een seksbedrijf kan worden geweigerd indien: a. voor het seksbedrijf reeds eerder een vergunning is ingetrokken op grond van artikel 3:9, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking van die vergunning; b. voor het seksbedrijf reeds eerder een vergunning is ingetrokken onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking van die vergunning; c. de vergunning geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op het exploiteren van een seksbedrijf in een seksinrichting waarvoor eerder een vergunning is ingetrokken, of in die seksinrichting eerder zonder vergunning een seksbedrijf is uitgeoefend; d.

het bedrijfsplan niet voldoet aan het bepaalde in artikel 3:15, eerste en tweede lid; of e. de openbare orde, de openbare veiligheid, de woon- en leefomgeving of de gezondheid van sekswerkers of klanten nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de seksinrichting waarvoor de vergunning is aangevraagd.

Artikel 3:11 Intrekkings- en schorsingsgronden

1. De vergunning voor een seksbedrijf wordt ingetrokken indien: a. in de seksinrichting een minderjarige sekswerker wordt aangetroffen; b. de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen indien bij de beoordeling daarvan de juiste of volledige gegevens bekend waren geweest; c. de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is gegeven; d. is gehandeld in strijd met de artikelen 3:11, onder c, 3:13 en 3:14, eerste lid, en 3:16; e. zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees rechtvaardigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde of openbare veiligheid; f. zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3:8, eerste lid of g. de uitoefening van het seksbedrijf strijd oplevert met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan, voorbereidingsbesluit of omgevingsplan. 2. De vergunning voor een seksbedrijf kan worden geschorst of ingetrokken indien: a. is gehandeld in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen; b. in verband met gewijzigde wettelijke voorschriften, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde inzichten de bescherming van de belangen met het oog waarop het vergunningsvereiste is gesteld, zwaarder wegen dan het belang van de vergunninghouder bij behoud van de vergunning; c.

een niet in de vergunning vermelde persoon (feitelijk) exploitant of beheerder is geworden;

d. is gehandeld in strijd met een of meer van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde bepalingen, onverminderd het eerste lid, onder c; e. is gehandeld in strijd met de in het bedrijfsplan beschreven maatregelen; f. zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees rechtvaardigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de woon- en leefomgeving of de gezondheid van sekswerkers of klanten; of g. de exploitant dan wel de beheerder het toezicht op het seksbedrijf en/of de seksinrichting belemmert of bemoeilijkt.

Artikel 3:12 Vervallen vergunning

De vergunning voor een seksbedrijf vervalt indien: a. de exploitatie van het seksbedrijf en/of de onder het seksbedrijf vallende seksinrichting feitelijk is beëindigd; b. het seksbedrijf geheel of gedeeltelijk is overgedragen; c. de exploitant is overleden; of d. gedurende zes aaneengesloten maanden, anders dan vanwege overmacht, geen gebruik is gemaakt van de vergunning.

Artikel 3:13 Adverteren

Het is verboden in advertenties voor een seksbedrijf: a. geen vermelding op te nemen van het telefoonnummer, bedoeld in artikel 3:7, eerste lid, onder j; b. geen vermelding op te nemen van het vergunningnummer, bedoeld in artikel 3:7, eerste lid, onder l;

c. onveilige seks aan te bieden of te garanderen dat sekswerkers die voor of bij het betreffende seksbedrijf werken vrij zijn van seksueel overdraagbare aandoeningen. Afdeling 3. Aanvullende bepalingen

Artikel 3:14 Openingstijden

1. Het is de exploitant en de beheerder verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 02.00 uur en 10.00 uur. 2. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de gezondheid, de zedelijkheid, ter bescherming van sekswerkers of ter voorkoming van beperking van overlast andere sluitingstijden vaststellen. 3. Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die inrichting bij of krachtens dit hoofdstuk gesloten dient te zijn voor bezoekers.

Artikel 3:15 Toegang tot de seksinrichting

Het is de exploitant en de beheerder verboden personen die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt toe te laten of te laten verblijven in een seksinrichting.

Artikel 3:16 Vereisten aan sekswerkers

1. Het is een exploitant verboden een sekswerker voor of bij zich te laten werken: a. die nog niet de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt; b. die in Nederland verblijft of werkt in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000; of

c. indien hij het vermoeden heeft of redelijkerwijs zou moeten hebben dat de sekswerker gedwongen wordt te werken als sekswerker. 2. Indien de exploitant een vermoeden als bedoeld het eerste lid, onder c, heeft, maakt hij daarvan onmiddellijk melding bij de toezichthouder. De melding leidt niet tot intrekking van de vergunning.

Artikel 3:17 Bedrijfsplan

1. Een seksbedrijf beschikt over een bedrijfsplan, waarin in ieder geval wordt beschreven welke maatregelen de exploitant treft: a. op het gebied van hygiëne; b. ter bescherming van de gezondheid, de veiligheid en het zelfbeschikkingsrecht van de sekswerkers; c. ter bescherming van de gezondheid van de klanten; en d. ter voorkoming van strafbare feiten. 2. Uit het bedrijfsplan blijkt in ieder geval: a. welke maatregelen de exploitant neemt om te voorkomen dat in het seksbedrijf sekswerkers werkzaam zijn die het slachtoffer zijn van mensenhandel of andere vormen van uitbuiting; b. welke maatregelen worden genomen om te waarborgen dat de in het seksbedrijf werkzame sekswerkers voldoende zelfredzaam zijn; c. welke maatregelen worden genomen om te waarborgen dat de in het seksbedrijf werkzame sekswerkers niet worden verplicht tot het verrichten van seksuele handelingen tegen hun wil en tot het gebruik van drugs of tot het nuttigen van alcoholhoudende dranken; d. welke maatregelen worden genomen om te waarborgen dat de in het bedrijf werkzame sekswerkers klanten kunnen weigeren;

e. welke maatregelen worden genomen om te waarborgen dat er voldoende toezicht plaatsvindt op het seksbedrijf; f. welke maatregelen worden genomen om te waarborgen dat de gezondheid en de veiligheid van klanten voldoende wordt beschermd; g. dat de geneeskundige zorg en voorlichting met betrekking tot beroepsgerelateerde ziektes ten behoeve van de sekswerkers beschikbaar is; h. dat gewaarborgd is dat de sekswerkers vrij worden gelaten in het contact met organisaties die van belang zijn voor hun lichamelijke of geestelijke gezondheid; en i. onder welke arbeids- en verhuurvoorwaarden de in het seksbedrijf werkzame sekswerkers werken. 3. De exploitant meldt een voorgenomen wijziging van het bedrijfsplan onmiddellijk aan de burgemeester. De wijziging wordt, na schriftelijke goedkeuring van de burgemeester, als onderdeel van het bedrijfsplan aangemerkt, mits deze voldoet aan de eisen die overeenkomstig het eerste en tweede lid aan een bedrijfsplan worden gesteld. 4. De burgemeester kan nadere regels stellen ten aanzien van hetgeen in het bedrijfsplan wordt opgenomen.

Artikel 3:18 Vereisten aan exploitant en beheerder

1. De exploitant dan wel de beheerder van een seksbedrijf met een seksinrichting, is in de seksinrichting aanwezig en bereikbaar gedurende de uren dat het seksbedrijf daadwerkelijk wordt uitgeoefend, of kan zo nodig binnen vijf minuten na een oproep aanwezig zijn in de seksinrichting. 2. Het is verboden om als exploitant dan wel als beheerder, gedurende de uren dat degene werkzaam is als exploitant dan wel als beheerder, gelijktijdig werkzaam te zijn als sekswerker.

3. De exploitant draagt er zorg voor dat de voor of bij het seksbedrijf werkzame personen niet zijn veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel. 4. De exploitant draagt er zorg voor dat in de bedrijfsadministratie de actuele gegevens zijn opgenomen van de sekswerkers die voor of bij de exploitant werken en dat het daarop betrekking hebbende deel van de bedrijfsadministratie en het bedrijfsplan, bedoeld in artikel 3:15, eerste lid, te allen tijde beschikbaar zijn voor toezichthouders. 5. De exploitant dan wel de beheerder draagt er zorg voor dat er een deugdelijke bedrijfsadministratie wordt gevoerd waarin de actuele gegevens zijn opgenomen van in ieder geval: a. de voor of bij het seksbedrijf werkzame sekswerkers; b. een werkrooster van de per dag werkzame sekswerkers in de seksinrichting, waarop van iedere sekswerker is aangegeven op welk tijdstip de sekswerker is begonnen en geëindigd met werken; c. een werkrooster van de per dag werkzame beheerders in de seksinrichting; d. de verhuuradministratie, in het geval sprake is van verhuur van een kamer in de seksinrichting. 6. De exploitant en de beheerder dragen er zorg voor dat de hygiënerichtlijnen voor seksinrichtingen van het Landelijk Centrum Hygiëne en Veiligheid worden nageleefd.

Afdeling 4. Raam- en straatprostitutie

Artikel 3:19 Raam – en straatprostitutie

1. Het is een sekswerker verboden:

a. zich vanuit een gebouw of vanuit de toegang naar een gebouw aan klanten die zich op of aan de weg bevinden beschikbaar te stellen; en b. passanten hinderlijk te bejegenen of zich aan passanten op te dringen dan wel zich ongekleed of vrijwel ongekleed achter het raam van een seksinrichting of in de toegang tot een seksinrichting op te houden. 2. Het is verboden op of aan de weg of zich op, aan of in een andere vanaf de weg zichtbare plaats op te houden met het kennelijke doel zich beschikbaar te stellen voor prostitutie of op of aan de weg seksuele handelingen te verrichten als dit kennelijk geschiedt in het kader van prostitutie.

Afdeling 5. Overige bepalingen

Artikel 3:20 Verbodsbepaling klanten

1. Het is een klant verboden seksuele handelingen te verrichten met een sekswerker van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat zij werkzaam is voor of bij een exploitant aan wie geen vergunning voor een seksbedrijf is verleend. 2. Het is verboden op of aan de weg of op, aan of in een andere voor publiek toegankelijke plaats gebruik te maken van de diensten van een sekswerker. 3. Het verbod, bedoeld in het tweede lid, geldt niet in een seksinrichting waarvoor een vergunning is verleend.

Artikel 3:21 Erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke

Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk tentoon te stellen, aan te bieden of aan te brengen als de burgemeester aan de rechthebbende

heeft bekend gemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt.

Artikel 3:22 Ordeverstoring

1. Onverminderd artikel 2:1b, eerste lid, is het verboden in een seksinrichting de orde te verstoren. 2. Onverminderd artikel 2:1b, tweede lid, is het is verboden enig gereedschap, voorwerp of middel te vervoeren of bij zich te hebben met de kennelijke bedoeling daarmee in een seksinrichting de orde te verstoren.

Afdeling 6. Handhaving

Artikel 3:23 Sluiting seksinrichting

1. De burgemeester kan een seksinrichting voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten indien een daar gevestigd seksbedrijf: a. wordt geëxploiteerd zonder geldige vergunning; b. heeft gehandeld in strijd met een of meer van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde bepalingen; of c. wordt geëxploiteerd in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen. 2. Het is eenieder verboden een op grond van het eerste lid gesloten seksinrichting te betreden of daarin te verblijven of te laten verblijven. 3. De sluiting wordt tevens bekend gemaakt door het besluit tot sluiting aan te brengen op of nabij de toegang(en) van de seksinrichting.

4. De sluiting kan op aanvraag van belanghebbenden door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de gronden, die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

Afdeling 7. Overgangsbepaling

Artikel 3:24 Verlengde geldigheid vergunning

1. Een voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening verleende vergunning voor een seksbedrijf, die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening niet is ingetrokken of vervallen, geldt gedurende zes maanden na de inwerkingtreding van deze verordening als een vergunning als bedoeld artikel 3:3. 2. Indien binnen zes maanden na inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag is ingediend, blijft de vergunning van kracht totdat op de aanvraag is beslist.

Artikel 3:25 Uitgestelde inwerkingtreding

De artikelen 3:8, eerste lid, onder g, en artikel 3:14, eerste lid, onder a, zijn gedurende twaalf maanden na inwerkingtreding van deze verordening niet van toepassing op een seksbedrijf, dat op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening reeds beschikte over een niet ingetrokken of niet vervallen vergunning. Hoofdstuk 4. Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente

Afdeling 1. Voorkomen of beperken geluidhinder en hinder door verlichting

Artikel 4:1 Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder: a. Activiteitenbesluit milieubeheer: Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet; b. collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; c. gevoelige gebouwen: gevoelige gebouwen als bedoeld in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer; d. gevoelige terreinen: gevoelige terreinen als bedoeld in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer; e. houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; f. incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; g. inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer; h. onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.

Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten

1. De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5 gelden niet voor door het

college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in bepaalde delen van de gemeente. 4. Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. 5. Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een festiviteit onmiddellijk als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 6. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 65 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. 7. De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. 8.

Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5, uiterlijk om 00.00 uur beëindigd. 9. Tijdens de festiviteit moeten ramen en deuren gesloten worden gehouden, behoudens het onmiddellijke doorlaten van personen en/of goederen.

Artikel 4:3 Melding incidentele festiviteiten

1. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal vier dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5, niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. 2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal vier dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. 3. Het college stelt een formulier vast voor het doen van de melding. 4. De melding is gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats die op het formulier is vermeld. 5. De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. 6.

Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting bedraagt niet meer dan 65 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. 7. De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. 8. Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a,

2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5, uiterlijk om 00.00 uur beëindigd. 9. De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, geldt voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte. 10. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

Artikel 4:4 Verboden incidentele festiviteiten

1. Indien aan een inrichting door het college wegens geluidsoverlast een last onder dwangsom is opgelegd of een andere bestuursrechtelijke maatregel is getroffen is er geen ontheffing mogelijk voor een incidentele festiviteit zoals bedoeld in artikel 4.3.1 en 4.3.2. 2. Het in het eerste lid bepaalde verbod is van toepassing gedurende een door het college te bepalen termijn. De drijver van de inrichting wordt in kennis gesteld wanneer de verbodstermijn afloopt. Dit is afhankelijk van het klachtenpatroon en geconstateerde overtredingen.

Artikel 4:5 Onversterkte muziek

1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder f, en vijfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer binnen inrichtingen is de in het tweede lid opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat: a. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden als de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen;

b. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein; c. de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder en verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1, onder d, van het Besluit geluidhinder, zoals die wet en dat besluit luidden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet of bij of krachtens de Omgevingswet; d. bij het bepalen van de geluidsniveaus als vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast. 2. Tabel

LAr.LT op de

07-00-19.00 uur

19.00–23.00 uur

23.00-07.00 uur

50 dB(A)

45 dB(A)

40 dB(A)

35 dB(A)

30 dB(A)

25 dB(A)

70 dB(A)

65 dB(A)

60 dB(A)

55 dB(A)

50 dB(A)

45 dB(A)

gevel van gevoelige gebouwen Lar.LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen LAmax in in- en aanpandige

gevoelige gebouwen

3. Voor de duur van 21 uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid. 4. Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is dit artikel niet van toepassing. 5. Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in de artikelen 4:2 en 4:3.

Artikel 4:5c (Geluid)hinder door dieren

Degene die buiten een inrichting de zorg heeft voor een dier, voorkomt dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder veroorzaakt.

Artikel 4:6 Overige geluidhinder

1. Het is verboden op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Het verbod is niet van toepassing als de activiteit bij of krachtens de Omgevingswet is toegelaten of sprake is van een situatie waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet geluidshinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale omgevingsverordening.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Almelo&id=d39721ff-5534-45fc-a8ad-21002204fbca