CConstaterende datAlmelo
Koppel je AI →
Document · PDF

13 Verkenning windenergie Almelo, Tubbergen en Twenterand.pdf

Raad 29 november 2022, gemeente AlmeloBij agendapunt: raadsbrieven vanuit B&W27.790 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

De begrenzing van de gebieden waartoe in Figuur 9 een minimumafstand van 1 km is aangehouden is de ‘stedelijke laag’ afkomstig uit de Omgevingsvisie Overijssel, m.u.v. delen van de stedelijke laag met het gebiedstype ‘bedrijventerreinen’. Figuur 8

Gebieden waarbinnen het plaatsen van een windturbine zou worden uitgesloten indien een minimumafstand van 1 km tot de rand van de bebouwde kom zou worden aangehouden.

29

Haalbaarheidsonderzoek windenergie Energiegebied ATT Overijssel

Figuur 9

Gebieden waarbinnen het plaatsen van een windturbine zou worden uitgesloten indien een minimumafstand van 1 km tot de ‘stedelijke laag’ (Omgevingsvisie Overijssel) zou worden aangehouden, m.u.v. delen van de stedelijke laag met het gebiedstype ‘bedrijventerreinen’.

Tot slot is in Figuur 10 weergegeven dat het aanhouden van een minimumafstand van 1 km tot alle woningen (ongeacht of deze binnen of buiten de bebouwde kom liggen) ertoe zou leiden dat binnen het gehele ATT-gebied geen ruimtelijke mogelijkheden voor windturbines overblijven. Figuur 10

Gebieden waarbinnen het plaatsen van een windturbine zou worden uitgesloten indien een minimumafstand van 1 km tot alle woningen zou worden aangehouden.

30

Haalbaarheidsonderzoek windenergie Energiegebied ATT Overijssel

3.5.4

Resultaten Omdat de begrenzing van de ‘zoekgebieden wind RES 1.0 Twente’ in het ATT-gebied windturbines binnen het Nationaal Landschap Noordoost Twente mogelijk maakt volgt uit provinciaal beleid alleen de ‘laag van de beleving’ als mogelijke (zachte) belemmering in het ATT-gebied. Vanuit gemeentelijk beleid kan de wens voor een minimumafstand van 1 km tot bewoond gebied op verschillende wijzen de ruimtelijke mogelijkheden voor windturbines beperken, afhankelijk van de exacte wijze waarop een dergelijke voorwaarde zou worden geformuleerd.

3.6

Autonome ontwikkelingen In dit onderzoek worden ook de toekomstige ontwikkelingen in het ATT-gebied in overweging meegenomen. Deze toekomstige ontwikkelingen worden hier autonome ontwikkelingen genoemd. Hieronder volgt een opsomming van de relevante autonome ontwikkelingen, alvorens deze op kaart worden weergeven (Figuur 11). Bedrijventerrein Oosterweilanden Bedrijventerrein Oosterweilanden is een nieuw bedrijventerrein in Vriezenveen gevestigd aan de N36. Het bedrijventerrein heeft hoge duurzaamheidsambities en is gefocust op bedrijven waarbij duurzaamheid hoog in het vaandel staat. Bij plaatsing van windturbines kan hierbij op een efficiënte manier worden gekeken naar afnamemogelijkheden van elektriciteit naar het bedrijventerrein Oosterweilanden. Zonnepark Oosterweilanden In de gemeente Twenterand ten noorden van het Bedrijventerrein Oosterweilanden ligt het Zonnepark Oosterweilanden waarvan gemeente Twenterand de enige aandeelhouder is. Opbrengsten van het park gaan naar een duurzaamheidsfonds waarmee nieuwe duurzame initiatieven vanuit de samenleving mogelijk worden gemaakt. Bij plaatsing van windturbines kan de mogelijkheid tot cable pooling worden verkend. Hierbij wordt de bestaande aansluiting van het zonnepark gedeeld met windturbines waardoor beide energiebronnen op één netaansluiting kunnen worden aangesloten.

Dit kan op een efficiënte manier worden gedaan omdat zonnepanelen en windturbines in hoge mate complementair zijn. Zandwingebied Ten oosten van het bedrijventerrein en zonnepark ligt een zandwingebied dat in de nabije toekomst zal worden uitgebreid. Na de exploitatiefase van ongeveer 30 jaar wordt de zandwinplas omgezet in een waterplas van ongeveer 100 hectare met een recreatieve functie aan de noordkant. Tevens vindt er natuurontwikkeling plaats aan onder andere de oostkant van de zandwinplas. Om de verkeersdruk op het Oosteinde in Vriezenveen te ontlasten is er een rondweg aangelegd voor transport van zandwagens. Ten behoeve van het ontwikkelen van de zandwinplas zullen in de toekomst 3 woningen worden gesaneerd.

31

Haalbaarheidsonderzoek windenergie Energiegebied ATT Overijssel

Duurzaamheidsinitiatieven ➢ Voor productieprocessen en/of groot wagenpark op het industrieterrein bij Vriezenveen is er mogelijk interesse in onder andere wind en een waterstofvulstation ➢ Netbeheerder Cogas is bezig met een Projectplan voor de stimulering van productie van biogas/groengas in dit gebied (agrariërs Weitemanslanden, ten zuiden en oosten van de toekomstige zandwinplas) Mogelijke woningbouw Westermaatweg Aan de Westermaatweg in de gemeente Almelo zullen mogelijk 6 nieuwe woningen worden gebouwd, hoewel nog niet vaststaat of dit plan doorgang zal vinden. Als de woningen gerealiseerd zouden worden moet hiertoe (net als bij andere woningen in het gebied) voldoende afstand worden aangehouden om aan de normen voor geluid, slagschaduw en externe veiligheid te voldoen. Figuur 11

Autonome ontwikkelingen

32

Haalbaarheidsonderzoek windenergie Energiegebied ATT Overijssel

3.7

Resultaat belemmeringenanalyse Uit de belemmeringenanalyse volgen zowel harde belemmeringen als zachte belemmeringen. In gebieden met harde belemmeringen zullen wetgeving, regelgeving en beleid sterk beperkend zijn voor de mogelijkheden tot het plaatsen van een windturbine; hier verwachten wij dat windturbines weinig kansrijk zullen zijn. Als harde belemmeringen zijn aangehouden: (toekomstige) woningen, zorg- en onderwijsinstellingen, hoogspanningslijnen, buisleidingen (tot 187 meter afstand), rijkswegen, overige wegen, de laagvliegruimte 10, Natura 2000, Natuurnetwerk Nederland en het Nationaal Landschap (buiten de zoekgebieden wind uit de RES 1.0). In gebieden met zachte belemmeringen zijn aandachtspunten vanuit wetgeving, regelgeving en beleid aanwezig die van invloed op de kansrijkheid van windturbines kunnen zijn. Deze belemmeringen zijn op voorhand niet sterk beperkend maar vragen vaak om aanvullend onderzoek of kunnen aanleiding geven een gebied als minder wenselijk voor het plaatsen van windturbines te beschouwen. Windturbines binnen de gebieden met zachte belemmeringen beschouwen wij ondanks de aandachtspunten als mogelijk kansrijk.

Als zachte belemmeringen zijn aangehouden: buisleidingen (tussen 187 en 240 meter afstand), Nationaal landschap (binnen het zoekgebied wind uit de RES 1.0), Zone ondernemen met Natuur en Water buiten het Natuurnetwerk Nederland, Leefgebieden weidevogels en de laag van de beleving ter waarborging van donkerte. In Figuur 12 en Figuur 13 zijn de harde en zachte belemmeringen samengevoegd. De resultaten zijn op twee kaarten weergegeven; één kaart waarop de beschikbare ruimte wordt getoond als de drie woningen bij de zandwinplas nog een woonbestemming kennen en één kaart waarop de beschikbare ruimte wordt getoond als de drie woningen bij de zandwinplas gesaneerd zouden zijn. Met de ongekleurde vlakken op de kaart zijn de gebieden aangegeven waarbinnen uit dit onderzoek geen belemmeringen voor windturbines volgen en het plaatsen van een windturbine dus mogelijk kansrijk zal zijn. Met de blauwe vlakken op de kaart zijn gebieden aangegeven waar enkel de mogelijke woningbouw aan de Westermaatweg als belemmering voor het plaatsen van windturbines in beeld is. De resultaten laten zien dat een windturbine-opstelling met een gemiddelde geluidsbelasting op meerdere plekken in het ATT-gebied kansrijk kan zijn, als wordt uitgegaan van de oude geluidsnorm van 47 dB Lden (zoals eerder aangegeven het meest bepalende aspect voor de afstand tussen windturbines en woningen).

De ruimtelijke mogelijkheden bevinden zich met name rondom de Weitemansweg (aan beide zijden van de gemeentegrens), de zandwinplas bij Vriezenveen en het gebied tussen de Westermaatweg en Aadijk in Almelo. Op verschillende plekken verspreid over het ATT-gebied zijn daarnaast kansen voor het ontwikkelen van een solitaire windturbine. De ruimtelijke mogelijkheden rondom de zandwinplas nemen sterk toe als hier in de toekomst drie woningen zijn gesaneerd die nu nog bewoond zijn. 33

Haalbaarheidsonderzoek windenergie Energiegebied ATT Overijssel

Figuur 12

Kansenkaart in het geval de woningen bij de zandwinplas woonbestemmingen kennen, bij een afstand tot woningen van 400 meter (verwachte afstand bij een geluidsnorm van 47 dB Lden)

Figuur 13

Kansenkaart in het geval de woningen bij de zandwinplas gesaneerd zouden zijn, bij een afstand tot woningen van 400 meter (verwachte afstand bij een geluidsnorm van 47 dB Lden)

34

Haalbaarheidsonderzoek windenergie Energiegebied ATT Overijssel

3.7.1

Gevoeligheidsanalyse i.r.t. geluidsnorm Zoals beschreven in paragraaf 2.2.2 golden tot voorkort landelijke normen vanuit het Activiteitenbesluit milieubeheer t.a.v. geluid van windparken op woningen en overige geluidgevoelige objecten. Omdat deze landelijke normen door een uitspraak van de Raad van State buiten toepassing zijn verklaard voor windparken van 3 of meer windturbines, is momenteel nog niet duidelijk aan welke geluidsnorm de toelaatbaarheid van een windpark in het ATT-gebied dient te worden getoetst10. In Figuur 12 en Figuur 13 is de kansrijkheid van windturbines aangegeven bij een afstand van 400 meter tot woningen en overige geluidgevoelige objecten. Deze afstand zal bij benadering moeten worden aangehouden om bij een windturbine-opstelling met een gemiddelde geluidsbelasting aan de oude geluidsnorm van 47 dB Lden te voldoen. Om het effect van een strengere geluidsnorm op de kansrijkheid van windturbines in het ATT-gebied in kaart te brengen zijn in deze gevoeligheidsanalyse ook kansenkaarten opgenomen waarbij tot woningen en overige geluidgevoelige objecten een afstand is aangehouden van: ➢ 600 meter. Deze afstand zal bij benadering moeten worden aangehouden om bij een windturbine-opstelling met een gemiddelde geluidsbelasting aan een geluidsnorm van 45 dB Lden te voldoen. Deze geluidsnorm komt overeen met de voorwaardelijke aanbeveling van de WHO.

De resultaten zijn weergegeven in Figuur 14 en Figuur 15, waarbij Figuur 15 uitgaat van een situatie waarbij de drie woningen ter plekke van de toekomstige zandwinplas zijn gesaneerd. ➢ 800 meter. Deze afstand zal bij benadering moeten worden aangehouden om bij een windturbine-opstelling met een gemiddelde geluidsbelasting aan een geluidsnorm van 43 dB Lden te voldoen. De resultaten zijn weergegeven in Figuur 16 en Figuur 17, waarbij Figuur 17 uitgaat van een situatie waarbij de drie woningen ter plekke van de toekomstige zandwinplas zijn gesaneerd. In paragraaf 5.1.7 is onderbouwd hoe de vuistregelafstanden van 400 meter, 600 meter en 800 meter aan de onderzochte geluidsnormen zijn gekoppeld. In Hoofdstuk 5 wordt ook aanvullende informatie over de geluidsnorm en gezondheidseffecten door windturbinegeluid gegeven. De resultaten laten zien dat, bij een geluidsnorm van 45 dB Lden, een windturbineopstelling met een gemiddelde geluidsbelasting alleen nog kansrijk zal zijn op een locatie ten zuiden van de Weitemansweg, rondom de zandwinplas bij Vriezenveen (na sanering van 3 woningen) en tussen de Westermaatweg en Aadijk in Almelo (als de woningbouw aan de Westermaatweg hier niet doorgaat). Bij een geluidsnorm van 43 dB Lden blijft, voor een windturbine-opstelling met een gemiddelde 10

Om dezelfde reden is momenteel nog niet duidelijk aan welke normen voor slagschaduw en externe veiligheid de toelaatbaarheid van een windpark in het ATT-gebied dient te worden getoetst. Echter mag verwacht worden dat, ook bij zeer strenge normen voor slagschaduw en externe veiligheid, de geluidsnorm leidend zal zijn voor de aan te houden afstand tot woningen en overige geluidgevoelige objecten. Daarom is in deze gevoeligheidsanalyse alleen het effect van een strengere geluidsnorm beschouwd.

35

Haalbaarheidsonderzoek windenergie Energiegebied ATT Overijssel

geluidsbelasting, enkel nog de zandwinplas bij Vriezenveen (na sanering van 3 woningen) als kansrijk gebied over. Figuur 14

Gevoeligheidsanalyse geluidsnorm – 600 meter afstand tot woningen – kansen in geval de woningen bij de zandwinplas woonbestemmingen kennen

Figuur 15

Gevoeligheidsanalyse geluidsnorm – 600 meter afstand tot woningen – kansen voor windturbines in geval de woningen bij de zandwinplas gesaneerd zouden zijn

36

Haalbaarheidsonderzoek windenergie Energiegebied ATT Overijssel

Figuur 16

Gevoeligheidsanalyse geluidsnorm – 800 meter tot woningen – kansen in geval de woningen bij de zandwinplas woonbestemmingen kennen

Figuur 17

Gevoeligheidsanalyse geluidsnorm – 800 meter afstand tot woningen – kansen voor windturbines in geval de woningen bij de zandwinplas gesaneerd zouden zijn

37

Haalbaarheidsonderzoek windenergie Energiegebied ATT Overijssel

3.7.2

Kansrijke locatie bij een stil windturbinetype De voorgaande kansenkaarten zijn gebaseerd op vuistregelafstanden die bij benadering moeten worden aangehouden om bij een windturbine-opstelling met een gemiddelde geluidsbelasting te voldoen aan de gestelde geluidsnormen. Echter kan de geluidsbelasting per windturbinetype sterk verschillen. Hierdoor kan een windturbine-opstelling met een relatief stil windturbinetype bij aanzienlijk kleinere afstanden aan de onderzochte geluidsnormen voldoen. Daarnaast zal het geluid van een windturbine minder ver dragen in een omgeving met een ‘zachte’ in plaats van een ‘harde’ bodem. Ook kan de geluidsbelasting bij de meeste typen windturbines verminderd worden door deze in een geluidsreducerende modus te zetten (wat wel ten koste gaat van de elektriciteitsproductie). In paragraaf 5.1.7 wordt onderbouwd dat een windturbine-opstelling met windturbines van het type Nordex N131-3.6MW en een minder harde bodem al bij een vuistregelafstand van respectievelijk 250, 350 en 450 meter aan de onderzochte geluidsnormen van 47 dB Lden, 45 dB Lden en 43 dB Lden kan voldoen. Dit is een gunstig scenario (immers behoort de Nordex N131-3.6MW tot de stilste typen grootschalige windturbines die nu commercieel verkrijgbaar zijn), maar desalniettemin een realistisch scenario.

In Figuur 18 en Figuur 19 is de kansrijkheid van een windturbine-opstelling op basis van dit zeer stille type windturbine weergegeven bij een geluidsnorm van 45 dB Lden (overeenkomstig de voorwaardelijk aanbeveling van de WHO). Om aan de geluidsnorm van 45 dB Lden te voldoen is een vuistregelafstand van 350 meter tot woningen en overige geluidgevoelige objecten aangehouden. De ruimte waarbinnen windturbines als mogelijk kansrijk kunnen worden beschouwd neemt dan (vanzelfsprekend) toe ten opzichte van de scenario’s waarbij van een windturbine-opstelling met een gemiddelde geluidsbelasting is uitgegaan. Bij het zeer stille windturbinetype en een geluidsnorm van 45 dB Lden blijken de ruimtelijke mogelijkheden zelfs groter dan bij een windturbinetype met een gemiddelde geluidsbelasting en een minder strenge geluidsnorm van 47 dB Lden. De resultaten maken duidelijk dat de grijze vlakken op de kansenkaarten van Figuur 12 t/m Figuur 17 een verwachting van de kansrijkheid weergeven, maar niet volledig als harde uitsluiting voor windturbines hoeven worden gezien. Factoren die nu nog niet bekend kunnen zijn (zoals het windturbinetype) zullen van grote invloed op de ruimtelijke mogelijkheden zijn.

38

Haalbaarheidsonderzoek windenergie Energiegebied ATT Overijssel

Figuur 18

Kansenkaart in het geval de woningen bij de zandwinplas woonbestemming kennen, bij een afstand van 350 meter tot woningen (verwachte afstand bij een geluidsnorm van 45 dB L den en een zeer stil windturbinetype)

Figuur 19

Kansenkaart in het geval de woningen bij de zandwinplas gesaneerd zouden zijn, bij een afstand van 350 meter tot woningen (verwachte afstand bij een geluidsnorm van 45 dB L den en een zeer stil windturbinetype)

39

Haalbaarheidsonderzoek windenergie Energiegebied ATT Overijssel

3.8

Maximale potentie voor windturbines binnen het ATT-gebied Om een indruk te geven van het aantal windturbines dat vanuit de verschillende scenario’s binnen het ATT-gebied kan worden gerealiseerd, is onderzocht hoeveel windturbines maximaal binnen de vlakken zonder harde belemmeringen kunnen worden geplaatst. Omdat windturbines niet te dicht bij elkaar geplaatst kunnen worden (ze zouden elkaar dan de wind ontnemen) is hierbij rekening gehouden met een minimale onderlinge afstand van vier maal de rotordiameter (een vuistregel). Bij de windturbineafmetingen die in dit onderzoek als uitgangspunt zijn genomen komt dit neer op een onderlinge afstand van 640 meter. Tabel 1 toont de resultaten van deze exercitie. Het is belangrijk te benadrukken dat de tabel de maximale potentie toont, waarbij het volledige gebied zonder harde belemmeringen ook echt ten behoeve van windturbines benut zou kunnen worden. In de praktijk zal het vaak niet wenselijk worden bevonden de maximale potentie te benutten, met name binnen scenario’s waarbij de maximale potentie groot is. De maximale potentie in onderstaande tabel zegt niets over de doelstelling voor het ATT-gebied (daarover wordt in dit onderzoek geen uitspraak gedaan), maar laten duidelijk zien in hoeverre de potentie voor windturbines afneemt naar mate de aan te houden afstand tot woningen (wegens een strengere geluidsnorm) toeneemt.

Tabel 1

Maximale potentie voor windturbines binnen de indicatieve begrenzing van het ATT-gebied Afstand tot woningen (scenario) 400 meter (geluidsnorm 47 dB Lden, gemiddelde bronsterkte) 600 meter (geluidsnorm 45 dB Lden, gemiddelde bronsterkte) 800 meter (geluidsnorm 43 dB Lden, gemiddelde bronsterkte) 350 meter (geluidsnorm 45 dB Lden, stil windturbinetype)

Sanering bij zandwinplas? nee ja nee ja nee ja nee ja

Maximale potentie (windturbines)1 14 - 15 16 - 17 2-3 4-5 0 2 24 - 25 25 - 26

1: de bandbreedte van getallen laat het verschil zien tussen een scenario waarbij de woningbouwplan-

nen aan de Westermaatweg wel doorgaan (links) of niet doorgaan (rechts).

N.B.: In Tabel 1 is nog geen rekening gehouden met mogelijke minimumafstanden tot woongebieden. Zoals geïllustreerd in paragraaf 3.5.3 zouden dergelijke voorwaarden de ruimtelijke mogelijkheden voor windturbines binnen het ATT-gebied verder beperken.

40

Haalbaarheidsonderzoek windenergie Energiegebied ATT Overijssel

Hoofdstuk 4 Conclusies technisch / ruimtelijke analyse

41

Haalbaarheidsonderzoek windenergie Energiegebied ATT Overijssel

4.1

Conclusies In dit onderzoek is de kansrijkheid van grootschalige windturbines in het ATT-gebied in kaart gebracht. Uit de belemmeringenanalyse blijkt dat binnen het ATT-gebied, net als op veel andere plekken in Nederland, de ruimtelijke mogelijkheden voor windturbines met name beperkt worden doordat voldoende afstand tot woningen moet worden aangehouden. Hiervan is vooral sprake in het noorden en oosten van het ATT-gebied (binnen de gemeente Tubbergen) waar de woningen in het algemeen op kortere afstand van elkaar staan in het buitengebied. De beschikbare ruimte voor windturbines wordt verder beperkt doordat een laagvliegruimte, een buisleiding en hoogspanningsinfrastructuur het ATT-gebied doorkruisen. Leefgebieden voor weidevogels, een zone ‘ondernemen met natuur en water buiten de NNN’ en gebieden waar wordt ingezet op beperking van lichthinder vormen aandachtspunten vanuit provinciaal beleid, maar leiden niet op voorhand tot een lage kansrijkheid voor het plaatsen van windturbines. De minimaal aan te houden afstand tussen windturbines en woningen is met name afhankelijk van de gehanteerde geluidsnorm. Op welke afstand aan de gehanteerde geluidsnorm kan worden voldaan is onder andere sterk afhankelijk van het gekozen windturbinetype. Zowel de te hanteren geluidsnorm als het windturbinetype staan in deze fase van het project echter nog niet vast.

In dit onderzoek is de kansrijkheid van windturbines daarom in beeld gebracht bij een windturbine-opstelling met een gemiddelde geluidsbelasting en bij drie verschillende geluidsnormen (47, 45 en 43 dB Lden). Daarnaast is inzichtelijk gemaakt in hoeverre de keuze voor een zeer stil type windturbine van invloed op de ruimtelijke mogelijkheden kan zijn. Uitgaande van een windturbine-opstelling met een gemiddelde geluidsbelasting en de ‘oude’ geluidsnorm van 47 dB Lden kan het realiseren van windturbines binnen het ATT-gebied op meerdere locaties binnen alle drie de gemeenten kansrijk zijn. Deze locaties bevinden zich met name rondom de Weitemansweg, de zandwinplas bij Vriezenveen en het gebied tussen de Westermaatweg en Aadijk in Almelo. Bij de zandwinplas bij Vriezenveen bestaan koppelkansen voor de gezamenlijke ontwikkeling met windturbines. Omdat ten behoeve van de uitbreiding van de zandwinplas in de toekomst drie woningen zullen worden gesaneerd, kan hier in de toekomst relatief veel afstand tot woningen worden aangehouden. Tegelijkertijd moet nog worden bezien of de ontwikkeling van de zandwinplas de realisatie van windturbines in dit gebied niet in de weg zal staan, doordat het technisch onaantrekkelijk kan zijn windturbines in het water van de zandwinplas te plaatsen.

Bij een strengere geluidsnorm van 45 dB Lden zal een windturbine-opstelling met een gemiddelde geluidsbelasting in grote delen van het ATT-gebied niet langer kansrijk zijn. Hierdoor wordt het ook moelijker om aan de landschappelijke voorwaarden te voldoen die door de verschillende gemeenten gesteld zijn, zoals de voorwaarde uit de duurzame energieladder van de gemeente Almelo dat windturbines in een windcluster van minimaal 4 of in een windlijn van minimaal 3 windturbines geplaatst moeten worden. Bij een nog strengere geluidsnorm van 43 dB Lden neemt de kansrijkheid voor een windturbine-opstelling met een gemiddelde geluidsbelasting dusdanig af dat enkel het gebied rondom de zandwinplas bij Vriezenveen (na sanering van drie woningen) als mogelijk kansrijk gebied overblijft.

42

Haalbaarheidsonderzoek windenergie Energiegebied ATT Overijssel

De bronsterkte11 van het uiteindelijk gekozen windturbinetype zal van grote invloed zijn op de afstand die tot woningen en overige geluidgevoelige objecten moet worden aangehouden. Zo blijkt een opstelling met windturbines van het zeer stille type Nordex N131-3.6MW al bij een afstand van 350 meter aan de (door de WHO voorwaardelijk aanbevolen) geluidsnorm van 45 dB Lden te kunnen voldoen. Dit is een kleinere afstand dan de 400 meter die in dit onderzoek bij de ‘oude’ geluidsnorm van 47 dB Lden voor een windturbine-opstelling met een gemiddelde geluidsbelasting als uitgangspunt is genomen. De maximale potentie voor grootschalige windturbines binnen het ATT-gebied verschilt sterk per scenario. Als bij een windturbine-opstelling met een gemiddelde bronsterkte aan de oude geluidsnorm van 47 dB Lden moet worden voldaan kent het ATT-gebied een maximale potentie voor 14 – 17 grootschalige windturbines. Voor een windturbine-opstelling met een gemiddelde bronsterkte neemt de maximale potentie sterk af tot 2 – 5 windturbines bij een geluidsnorm van 45 dB Lden en tot 0 – 2 windturbines bij een geluidsnorm van 43 dB Lden. Uitgaande van een relatief zeer stil type windturbine ligt de maximale potentie voor windturbines aanzienlijk hoger, omdat minder afstand tot woningen moet worden aangehouden.

In het doorberekende scenario kent het ATT-gebied hierdoor bij een geluidsnorm van 45 dB Lden zelfs een maximale potentie voor 24 – 26 zeer stille windturbines. Bovengenoemde potentie kan verder worden beperkt indien minimumafstanden tot woongebieden worden voorgeschreven. De mate van beperking is afhankelijk van de exacte wijze waarop een voorwaarde voor een minimumafstand zal worden omschreven.

11

Geluidproductie van een windturbine

43

Haalbaarheidsonderzoek windenergie Energiegebied ATT Overijssel

Hoofdstuk 5 Verdieping en beantwoording vragen

44

Haalbaarheidsonderzoek windenergie Energiegebied ATT Overijssel

5.1

Geluid & gezondheid

5.1.1

Waaruit bestaat geluid van windturbines? Draaiende windturbines produceren naast elektriciteit ook geluid. Dit wordt vooral veroorzaakt doordat de wieken zich door de lucht bewegen, met de uiteinden als snelst bewegende delen. Windturbines produceren een geluid dat vaak als ‘zoevend’ of ‘zwiepend’ wordt ervaren. Voor het beperken van geluid en overlast kunnen normen worden vastgelegd, bijvoorbeeld in een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning. Door innovaties bij de nieuwste generaties windturbines is het geluid minder dan bij oudere generaties. Zie voor meer informatie bijvoorbeeld het memo ‘Windturbines en geluid’ van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).

Figuur 20

Schematische weergave windturbinegeluid in vergelijking met andere bronnen. Bron: RVO, 2016.

5.1.2

Relatie tussen geluid en afmetingen In tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt maken grotere windturbines niet per se meer geluid dan kleinere. Hoewel het wel zo is dat het op grotere hoogte harder waait, zijn er ook technische ontwikkelingen die het aerodynamische geluid van de wieken door de lucht verminderen. Daarnaast geldt: hoe groter de windturbine, des te langzamer draaien de wieken. 45

Haalbaarheidsonderzoek windenergie Energiegebied ATT Overijssel

Onderstaande figuur toont van een groot aantal moderne windturbinetypes de jaargemiddelde geluidsproductie voor een locatie in het binnenland van Nederland (vergelijkbaar met het ATT-gebied). Figuur 21

Jaargemiddelde bronsterkte van een groot aantal moderne windturbines, bij gelijke ashoogte. De precieze ashoogte (en de locatie binnen Nederland) hebben uiteraard enig effect op de hoogte van de jaargemiddelde bronsterkte, maar dit effect zal voor alle types min of meer gelijk zijn.

Uit deze figuur is af te lezen dat grotere windturbines (met een grotere rotordiameter) een geluidsbelasting hebben die vergelijkbaar is met kleinere windturbines. Tegelijkertijd wekken grotere windturbines veel meer elektriciteit op, waardoor er minder windturbines nodig zijn om hetzelfde energiedoel te halen (zie ook paragraaf 5.5.1.6).

5.1.3

Geluidsnorm Voor windparken van 3 of meer windturbines geldt momenteel geen landelijke milieunorm voor geluid, omdat bij de totstandkoming van de ‘oude’ norm een vormfout is gemaakt (zie ook paragraaf 2.2.2). Voor windparken van 1 of 2 windturbines geldt de landelijke norm nog wel: een windpark mag op omliggende woningen (en andere geluidgevoelige objecten, zoals onderwijs- en zorginstellingen) niet meer geluid veroorzaken dan een Lden van 47 dB en een Lnight van 41 dB. Lden is een jaargemiddelde geluidsbelasting, waarbij geluid dat in de avond- en nachtperiode optreedt zwaarder meetelt door een straffactor van +5 respectievelijk +10 dB (den staat voor Day-Evening-Night). Deze manier om de geluidsbelasting te laten zien is in heel Europa gebruikelijk, en wordt in Nederland ook gebruikt voor bijvoorbeeld wegverkeerlawaai. Een gemeente die lokale normen wil vastleggen doet dat vrijwel altijd ook in de vorm van een maximale Lden -waarde op omliggende woningen. Het voordeel van de Lden -methodiek is dat hiermee ook het lokale windaanbod mee wordt gewogen. Lnight is de jaargemiddelde geluidsbelasting in de nachtperiode (23:00 – 07:00). 46

Haalbaarheidsonderzoek windenergie Energiegebied ATT Overijssel

Figuur 22

Schematische weergave van het geluid bij de bron (windturbine) en ontvanger (bijvoorbeeld een woning in de omgeving. De precieze waarden verschillen uiteraard per locatie en zijn afhankelijk van de afstand, het windturbinetype, het aantal windturbines, de gemiddelde windsnelheid, de hardheid van de bodem tussen de windturbine en de woning, etc.

Nu de oude landelijke geluidsnorm uit het Activiteitenbesluit milieubeheer in Nederland niet langer voor de beoordeling van windparken met 3 of meer windturbines kan worden gebruikt werkt de Rijksoverheid aan een milieueffectrapportage waarmee opnieuw rijksregels voor windturbineparken zullen worden vastgesteld. Tot die tijd kunnen gemeenten zelf lokale milieunormen opstellen aan de hand waarvan de milieueffecten van het windpark kunnen worden getoetst. De projectgroep van het ATT gebied heeft echter aangegeven de nieuwe landelijke milieunormen te willen afwachten. In het ruimtelijk-technisch haalbaarheidsonderzoek van dit rapport zijn drie geluidsnormen onderzocht (zie paragraaf 3.7). Vanzelfsprekend zal een eventueel windpark in het ATT-gebied moeten worden getoetst aan de geluidsnorm die op dat moment van toepassing is.

5.1.4

Laagfrequent geluid Windturbinegeluid bestaat uit geluid van allerlei toonhoogten, van lage tot hoge tonen, waarbij het middengedeelte het meest voorkomt. Onderstaande figuur toont een voorbeeld ‘spectrum’ van een modern windturbinetype met een rotordiameter van 163 meter.

47

Haalbaarheidsonderzoek windenergie Energiegebied ATT Overijssel

Figuur 23

Voorbeeld van het spectrum van een modern windturbinetype. De windturbine maakt geluid van allerlei toonhoogten, maar lage tonen (10-100 Hz) en hoge tonen (2000 Hz en hoger) zijn zachter dan geluid van een gemiddelde toonhoogte.

Een gedeelte van het geluid dat windturbines produceren heeft een frequentie van 4-100 Hz en wordt daarom geclassificeerd als laagfrequent geluid. Uit zienswijzen op windprojecten in Nederland is gebleken dat de vrees bestaat dat laagfrequent geluid mensen ziek kan maken, omdat bij de vaststelling van de voorheen voor windturbinegeluid geldende norm van 47 dB Lden met laagfrequent geluid geen rekening zou zijn gehouden. Om deze reden heeft de Staatssecretaris van I&M in 2014 een brief aan de Tweede Kamer gestuurd12 met twee onderzoeken van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en een literatuurstudie naar laagfrequent geluid door Bureau LBP/Sight. Op grond van inzichten uit deze onderzoeken concludeerde de Staatssecretaris dat de omgeving bij toepassing van een norm van 47 dB Lden voldoende is beschermd tegen laagfrequent geluid. Recente onderzoeken hebben aangetoond dat laagfrequent geluid niet als hinderlijker wordt ervaren vergeleken met windturbinegeluid van andere frequenties: ➢ In 2017 en 2018 heeft het RIVM een grootschalig literatuuronderzoek uitgevoerd (van Kamp & van den Berg, Health Effects Related to Wind Turbine Sound, Including Low-Frequency Sound and Infrasound, 2018) waarin 32 wetenschappelijke artikelen uit de periode 2009-2017 zijn geanalyseerd.

Dit onderzoek concludeert: Geluid van windturbines leidt tot meer hinder dan geluid van andere bronnen. Er is geen bewijs voor een specifiek effect van de laagfrequente component noch van infrageluid. ➢ Een opvolgend literatuuronderzoek van het RIVM (van Kamp & van der Berg, Health effects related to wind turbine sound: an update, 2020) concludeert dat uit literatuur niet blijkt dat laagfrequent geluid van windturbines voor extra 12

kenmerk brief: IENM/BSK-2014/44564

48

Haalbaarheidsonderzoek windenergie Energiegebied ATT Overijssel

hinder zorgt tot die gerelateerd aan ‘gewoon’ geluid. De onderzoekers geven aan: er bestaat geen enkele aanwijzing voor het feit dat laagfrequent geluid andere effecten voor omwonenden heeft dan normaal geluid of dat infrageluid met een geluidniveau ver onder de gehoordrempel enig effect kan hebben. ➢ Hetzelfde onderzoek liet duidelijk zien dat omwonenden minder hinder hebben van de windturbines als ze betrokken worden bij de plaatsing ervan.

5.1.5

Buitenlandse geluidsnormen In 15 van de 29 Europese landen zijn normen voor windturbines opgesteld. Sommige van deze landen hanteren aparte geluidsnormen voor windturbines, andere landen hanteren normen zoals deze ook voor de industrie van toepassing zijn. De meest voorkomende grenswaarde voor geluid van windturbines ligt tussen de 39 dB(A) en de 45 dB(A)13. De Nederlandse norm bevindt zich aan de bovenkant van deze bandbreedte. Wel is het moeilijk een vergelijking tussen de geluidsnormen van verschillende landen te maken. Hierbij is namelijk van belang op basis van welke indicator de geluidsnorm is vastgesteld. Overheden van verschillende landen hebben hierin verschillende keuzes gemaakt. Ook is het gehanteerde beschermingsniveau vaak afhankelijk van de omgeving of het heersende achtergrondniveau van het omgevingsgeluid. In een aantal landen geldt een minimaal aan te houden afstand. Omdat de afstand niet een doel op zich is, maar het beperken van de geluidsoverlast werkt Nederland momenteel niet met een vaste afstandsnorm. De voorheen geldende geluidsnorm van 47dB Lden en 41dB Lnight is vergelijkbaar met de Duitse en Vlaamse normen voor windturbinegeluid bij woningen. In Wallonië en Denemarken geldt een minimumafstand van 4x de tiphoogte. In Italië is de norm 6x de tiphoogte en in Polen en Beieren is de minimaal aan te houden afstand 10x de tiphoogte14.

5.1.6

Gezondheidseffecten Recent heeft RVO een ‘Factsheet gezondheidseffecten van windturbinegeluid’15 gepubliceerd. De belangrijkste conclusies zijn hieronder overgenomen: • Hinder is het meest beschreven en bewezen effect van windturbinegeluid. • De hinder die mensen ondervinden van windturbines kan indirect andere gezondheidsklachten veroorzaken. • Onderzoeken naar slaapverstoring door windturbines zijn niet eenduidig, ze laten verschillende resultaten zien. • Voor andere gezondheidseffecten zoals hart- en vaatziekten en effecten op de mentale gezondheid is onvoldoende bewijs gevonden dat die samenhangen met het geluid of wonen in de buurt van windturbines.

13

14 15

https://www.nwea.nl/kb/wat-zijn-de-geluidsnormen-in-nederland-en-hoe-verhouden-die-zich-tothet-buitenland/?lang=en https://www.nwea.nl/kb/minimumafstand-tussen-windturbines-en-woningen/ https://www.rivm.nl/sites/default/files/2021-08/Factsheet-windturbines.pdf

49

Haalbaarheidsonderzoek windenergie Energiegebied ATT Overijssel

• • •

• •

Windturbinegeluid is ’s nachts beter te horen, omdat het geluid van andere bronnen dan juist wegvalt. Kenmerkend voor windturbinegeluid is het zwiepende, zoevende en stampende karakter. Dit noemen we de amplitudemodulatie. Bij gelijke geluidsbelasting wordt geluid van windturbines als hinderlijker ervaren dan andere bronnen van omgevingsgeluid, zoals industrie, rail- en wegverkeer. Hinder van windturbines treedt bij lagere geluidsniveaus op in vergelijking met andere geluidbronnen. Om deze reden lag de toegestane geluidbelasting bij windturbines (in dB Lden) vanuit de oude normen uit het Activiteitenbesluit ook lager dan bij andere geluidsbronnen, zoals weg- of railverkeer. Het aandeel laagfrequent geluid en infrageluid van windturbinegeluid is vergelijkbaar met dat van andere alledaagse bronnen, zoals wegverkeer. Persoonlijke en contextuele factoren hebben invloed op de hinder van windturbines. Zo kan het betrekken van omwonenden in het lokale besluitvormingsproces de ervaren hinder verminderen.

Onderstaande figuur toont voor verschillende geluidsbronnen hoeveel hinder omwonenden ervaren bij verschillende geluidsniveaus: Figuur 24

Relatie tussen Lden en het percentage ernstig gehinderden (binnenshuis) bij verschillende bronnen (Verheijen et al, 2009).

De normen voor railverkeer (68 dB Lden ) en wegverkeer (58 dB Lden ) zijn met rode cirkels weergegeven. Bij beide normen ligt het aantal ernstig gehinderden (onder omwonenden die op de normgrens belast zijn) rond de 10%. De ‘oude’ norm voor windturbinegeluid van 47 dB Lden leidt ongeveer tot een vergelijkbaar hinderpercentage.

50

Haalbaarheidsonderzoek windenergie Energiegebied ATT Overijssel

5.1.7

Relatie geluidbelasting en afstand In dit onderzoek zijn ter beoordeling van de ruimtelijke mogelijkheden de onderzochte geluidsnormen van 47 dB Lden, 45 dB Lden en 43 dB Lden voor een windturbineopstelling met een gemiddelde geluidsbelasting gekoppeld aan drie vuistregelafstanden van respectievelijk 400, 600 en 800 meter. Hieronder wordt toegelicht hoe deze vuistregelafstanden aan de drie scenario’s zijn gekoppeld. De jaargemiddelde geluidbelasting van de windturbines is onder meer afhankelijk van: • het brongeluid van de windturbines (dat verschilt per type windturbine, zie paragraaf 5.1.2), • het soort ondergrond, • de windsnelheidsverdeling, • het soort opstelling, en de positie van het geluid ontvangende object t.o.v. de windturbineopstelling. In onderstaande figuren zijn de resultaten weergegeven van een geluidberekening voor een windturbinetype met een representatieve, gemiddelde bronsterkte16. Deze geluidberekening is uitgevoerd conform het reken- en meetvoorschrift windturbines17. Omdat in het ATT-gebied nog geen locaties voor windturbines zijn besloten is in de berekening uitgegaan van een harde bodem (bodemfactor 0, representatief voor water). Omdat geluid verder draagt over een harde bodem is hier dus uitgegaan van een worst-case scenario. In de berekening is verder uitgegaan van een windsnelheidsverdeling die op ashoogte gebruikelijk is binnen het ATT-gebied.

De geluidsbelasting is voor drie denkbeeldige windturbineopstellingen in beeld gebracht: een opstelling met een solitaire windturbine (Figuur 25), een lijnopstelling (Figuur 26) en een clusteropstelling (Figuur 27). Tussen windturbines in de opstellingen is een onderlinge afstand van 4x de rotordiameter (640 meter) aangehouden. Uit de figuren is af te lezen dat de exacte geluidbelasting afhankelijk is van het soort opstelling: in tegenstelling tot bij een solitaire windturbineopstelling vindt in een clusteropstelling en lijnopstelling cumulatie van geluid van meerdere windturbines plaats waardoor pas op grotere afstand aan eenzelfde geluidnorm kan worden voldaan. Afhankelijk van het soort opstelling en windturbinetype zal op ongeveer 400, 600 en 800 meter aan een geluidsnorm van respectievelijk 47 dB Lden, 45 dB Lden en 43 dB Lden kunnen worden voldaan.

16 17

Specifiek is uitgegaan van de Siemens Gamesa SG 6.0-170 Zie bijlage 4 van https://wetten.overheid.nl/BWBR0022830/2021-10-16#Bijlage4

51

Haalbaarheidsonderzoek windenergie Energiegebied ATT Overijssel

Figuur 25

Onderbouwing vuistregelafstanden bij geluidsnormen – geluidbelasting bij een solitaire windturbineopstelling, zonder mitigatie

Figuur 26

Onderbouwing vuistregelafstanden bij geluidsnormen – geluidbelasting bij een lijnopstelling, zonder mitigatie

52

Haalbaarheidsonderzoek windenergie Energiegebied ATT Overijssel

Figuur 27

Onderbouwing vuistregelafstanden bij geluidsnormen – geluidbelasting bij een clusteropstelling, zonder mitigatie

Zoals genoemd in paragraaf 5.1.2 kan de bronsterkte per windturbinetype sterk verschillen. Een windturbinetype dat stiller is dan het windturbinetype dat in de geluidsberekening hierboven als uitgangspunt is genomen, zal daarom op een kortere afstand aan de gestelde geluidsnorm kunnen voldoen. Ook kan op kortere afstand aan de geluidsnorm worden voldaan als de bodem rondom de windturbines zachter is dan in bovenstaande geluidsberekening is aangenomen. Om inzicht te geven in de vuistregelafstanden die nodig zouden zijn om in een zeer gunstig scenario aan de geluidsnormen van 47 dB Lden, 45 dB Lden en 43 dB Lden te voldoen is bovenstaande geluidsberekening opnieuw uitgevoerd, maar dan voor een relatief zeer stil windturbinetype (de Nordex N131-3.6MW) en bij een bodemfactor van 0,95 (dat representatief is voor grasland en akkerland). Figuur 28 – Figuur 30 laten zien dat bij deze aannames op een aanzienlijk kortere afstand aan de onderzochte geluidsnormen kan worden voldaan (circa 250 meter bij een geluidsnorm van 47 dB Lden, 350 meter bij een geluidsnorm van 45 dB Lden en 450 meter bij een geluidsnorm van 43 dB Lden).

53

Haalbaarheidsonderzoek windenergie Energiegebied ATT Overijssel

Figuur 28

Onderbouwing vuistregelafstanden van een stil windturbinetype bij geluidsnormen – geluidbelasting bij een solitaire windturbineopstelling, zonder mitigatie

Figuur 29

Onderbouwing vuistregelafstanden van een stil windturbinetype bij geluidsnormen – geluidbelasting bij een lijnopstelling, zonder mitigatie

54

Haalbaarheidsonderzoek windenergie Energiegebied ATT Overijssel

Figuur 30

Onderbouwing vuistregelafstanden van een stil windturbinetype bij geluidsnormen – geluidbelasting bij een clusteropstelling, zonder mitigatie

5.1.8

Handhaafbaarheid Omdat de geluidsnorm voor windturbinegeluid, net als voor bijvoorbeeld de geluidsnorm voor wegverkeer, wordt uitgedrukt in een jaargemiddelde wordt vaak de vraag gesteld hoe dan gehandhaafd kan worden. In het kader van de vergunningverlening is met gevalideerde softwaremodellen berekend wat de jaargemiddelde geluidsproductie van nieuwe windturbines is, uitgaande van de langjarige gemiddelde windsnelheid. Deze berekeningen baseren zich op gegevens van de fabrikant. Windturbines die in Nederland gebouwd mogen worden moeten gecertificeerd zijn; dat betekent dat zo’n windturbinetype lange tijd heeft moeten draaien in een testpark, waar allerlei zaken gemonitord worden, waaronder de geluidsproductie. Om er zeker van de zijn dat een windturbine niet meer geluid produceert dan uit de technische specificaties blijkt is het mogelijk om met behulp van steekproefsgewijze handhavingsmetingen te bepalen hoeveel geluid een windturbine maakt. Hiervoor kan de Omgevingsdienst Twente worden ingeschakeld. Als hieruit blijkt dat de windturbine meer geluid maakt dan vergund kan deze worden stilgezet. Daarnaast is de eigenaar van een windturbine verplicht om te registreren hoeveel geluid die windturbine door het jaar heen produceert, zodat aan het eind van het jaar de zogeheten ‘emissieterm’ kan worden berekend; de jaargemiddelde 55

Haalbaarheidsonderzoek windenergie Energiegebied ATT Overijssel

geluidsproductie. Zo kan ook worden gecontroleerd of de geluidsonderzoeken uit de vergunningprocedure correct zijn.

5.1.9

Cumulatie geluid In de praktijk is windturbinegeluid natuurlijk niet het enige geluid dat een woning ondervindt. Daarom wordt in de vergunningonderzoeken voor windparken ook aandacht besteed aan zogeheten ‘cumulatie’ (d.w.z. optelling) van windturbinegeluid met bestaande geluidsbelasting, bijvoorbeeld als gevolg van verkeer, industrie, luchtvaart en spoorwegen. De cumulatie van verschillende geluidsbronnen bevat complexe rekenregels die recht doen aan de verschillende hinderlijkheid van verschillende soorten geluid (zie Figuur 24). Cumulatieberekeningen kijken wat het huidige geluidsniveau, de toename als gevolg van de windturbines en het nieuwe geluidsniveau is. Doorgaans geldt dat bij woningen met weinig bestaand geluid de toename groter zal zijn dan bij woningen die al flink belast zijn. Het rekenvoorbeeld op de volgende pagina toont twee verschillende situaties, ter illustratie.

Tabel 2

Rekenvoorbeeld van cumulatie van geluid.

Woning A

Woning B

Ligging Afstand tot windturbine

Afgelegen buitengebied 500m

Aan een drukke weg 500m

Huidige geluidsbelasting Geluid van windturbine Nieuwe geluidsbelasting (cumulatie)

30 dB Lden 45 dB Lden 54 dB Lden

56 dB Lden 45 dB Lden 58 dB Lden

Toename

24 dB

2 dB

Vaak wordt de ‘akoestische situatie’ beschreven aan de hand van een kwalitatieve schaal, zoals de ‘Miedema methode’: Figuur 31

Methode Miedema biedt een kwalitatieve classificering op basis van het cumulatieve geluidsniveau bij een woning.

56

Haalbaarheidsonderzoek windenergie Energiegebied ATT Overijssel

In het bovenstaande rekenvoorbeeld zou de milieukwaliteit van woning A veranderen van 'Goed’ naar ‘Redelijk’. Voor woning B zou de milieukwaliteit ‘Matig’ gelijk blijven.

5.1.10

Mitigatie Door het vermogen terug te brengen kan de geluidsemissie van een windturbine tijdelijk (bijvoorbeeld ’s nachts) iets worden teruggebracht. Hiervoor kan bijvoorbeeld worden gekozen als de windturbine anders ’s nachts te veel overlast zouden veroorzaken. Het terugbrengen van het vermogen gaat ten koste van de elektriciteitsproductie van de windturbine. De windturbines ’s nachts volledig stilzetten zou de elektriciteitsproductie te veel doen verminderen en daarom in de praktijk niet voorkomen.

5.1.11

Bodemtrillingen Tijdens de gebiedsbijeenkomst van 14 februari zijn door enkele omwonenden zijn vragen gesteld over het effect van – door windturbines veroorzaakte – bodemtrillingen op de gezondheid. Onderzoek naar bodemtrillingen veroorzaakt door windturbines richt zich in de praktijk uitsluitend op de effecten op constructies. Bij dergelijk onderzoek staat bijvoorbeeld de vraag centraal of windturbines de stabiliteit van een waterkering in gevaar kunnen brengen wanneer zij op de kruin van de dijk geplaatst zouden18. Bodemtrillingen zullen met name voorkomen gedurende de constructiefase, tijdens het heien. Bodemtrillingen tijdens de exploitatiefase, bijvoorbeeld veroorzaakt door het draaien van de rotorbladen, zijn vele malen kleiner dan de bodemtrillingen die tijdens de constructiefase tijdelijk zullen voorkomen19. Omdat de intensiteit van bodemtrillingen exponentieel afneemt met de afstand tot de trillingsbron is uitgesloten dat bodemtrillingen tijdens de exploitatiefase van windturbines bij woningen in de omgeving waarneembaar zullen zijn. Uit trillingsmetingen door Fugro in 2016 bij een 6MW windturbine nabij de Eemshaven is gebleken dat op circa 15 meter afstand van de windturbine al nagenoeg geen verhogingen ten opzichte van de achtergrondtrillingen waarneembaar waren19.

18

19

Zie bijvoorbeeld P. Hölscher, dynamisch gedrag van een on-shore windturbinefundering (2016): https://publications.deltares.nl/EP3486.pdf Zie RHDV, beoordeling waterveiligheid windpark Maasvlakte 2 (2020) : https://repository.officieleoverheidspublicaties.nl/externebijlagen/exb-2021-5164/1/bijlage/exb-2021-5164.pdf

57

Haalbaarheidsonderzoek windenergie Energiegebied ATT Overijssel

5.2

Slagschaduw

5.2.1

Wat is slagschaduw van windturbines? Wanneer de schaduw van de bewegende wieken van een windturbine over de ramen van een gebouw beweegt kan dit hinder veroorzaken, doordat het binnen plotseling even donker wordt alvorens het weer licht wordt. Dit effect wordt slagschaduw genoemd. Buiten treedt het hinderlijke effect niet of nauwelijks op, doordat het verschil in lichtintensiteit veel kleiner is.

5.2.2

Wanneer treedt het op? Om te kunnen spreken van slagschaduw(hinder) op de omgeving moet aan een paar voorwaarden worden voldaan: 1. De zon schijnt en het waait voldoende om de windturbine te laten draaien. 2. De bewegende schaduw valt over de ramen van een gebouw. 3. Er is sprake van een minimale afdekking van 20% van de zonneschijf. Bij een lager percentage zal zoveel licht langs het blad vallen dat van sterke schaduwwerking sprake is. Hoe kleiner de afdekking, hoe ‘diffuser’ de schaduw. Middels gespecialiseerde software kan per woning in de omgeving van een windpark de te verwachten hoeveelheid slagschaduw worden berekend. Door invoer van klimatologische gegevens worden bovenstaande voorwaarden in de berekening meegewogen.

Figuur 32

Slagschaduw van een windturbine op jaarbasis (opgetelde slagschaduw van alle dagen in een jaar). Bron: NWEA

58

Haalbaarheidsonderzoek windenergie Energiegebied ATT Overijssel

Schaduwen zijn het langst als de zon laag staat. Slagschaduw van windturbines treedt dan ook met name op in de ochtend- en avondperiodes. Verder zal er ten zuiden van een windturbine nooit slagschaduw optreden, omdat de zon in Nederland nooit in het noorden staat.

5.2.3

Slagschaduwnorm Voor windparken van 3 of meer windturbines geldt momenteel geen landelijke milieunorm voor slagschaduw, omdat bij de totstandkoming van de ‘oude’ norm een vormfout is gemaakt. Voor windparken van 1 of 2 windturbines geldt de landelijke norm nog wel: een windpark mag op omliggende woningen (en andere gevoelige objecten) niet meer dan gemiddeld 17 dagen per jaar meer dan 20 minuten slagschaduw veroorzaken. In de praktijk wordt deze norm vaak vertaald naar een maximale slagschaduwduur per woning per jaar van 5 uur en 40 minuten (= 17 x 20 minuten). Als een windpark in een jaar meer dan deze grenswaarde aan slagschaduw op een woning dreigt te veroorzaken worden de windturbines automatisch stilgezet totdat de slagschaduw voorbij de woning is gedraaid. In de voorbereiding van een project wordt berekend wat de verwachte stilstand is die nodig is om aan de norm te voldoen. Doorgaans ligt de opbrengstderving als gevolg hiervan onder de 1%. Nu de landelijke milieunormen voor slagschaduw uit het Activiteitenbesluit milieubeheer niet langer voor de beoordeling van windparken van 3 of meer windturbines gebruikt mogen worden, kunnen gemeenten zelf lokale normen opstellen aan de hand waarvan de milieueffecten van het windpark kunnen worden getoetst. De projectgroep van het ATT gebied heeft echter aangegeven de nieuwe landelijke milieunormen af te willen wachten.

5.2.4

Relatie slagschaduw en afstand In dit ‘haalbaarheidsonderzoek wind energiegebied ATT’ wordt als uitgangspunt genomen dat de aan te houden afstand tot woningen in verband met het beperken van de geluidsbelasting, in combinatie met de mogelijkheid windturbines tijdelijk stil te zetten om slagschaduw te voorkomen, voldoende is om slagschaduw helemaal of tot een gewenst niveau terug te brengen. Slagschaduwnormen voor windturbines leiden in dit onderzoek dan ook niet tot een grotere aan te houden afstand tot woningen dan waar al rekening mee is gehouden vanwege het beperken van de geluidsbelasting.

59

Haalbaarheidsonderzoek windenergie Energiegebied ATT Overijssel

5.2.5

Lichtschittering Als gevolg van reflectie van zonnestralen op de rotorbladen kan lichtschittering optreden. Hinder door lichtschittering bij windturbines kan eenvoudig worden voorkomen door niet-reflecterende materialen of coatinglagen te gebruiken op onderdelen van de windturbine die anders hinder zouden veroorzaken. In de Activiteitenregeling milieubeheer waren dan ook normen opgenomen die het gebruik van deze materialen of coatinglagen voorschreven. Nu de Activiteitenregeling milieubeheer (net als het Activiteitenbesluit milieubeheer) buiten werking is gesteld kan het gebruik van niet-reflecterende materialen of coatinglagen middels een planregel bij het bestemmingsplan van de windturbines als voorwaarde worden opgenomen.

60

Haalbaarheidsonderzoek windenergie Energiegebied ATT Overijssel

5.3

Transportcapaciteit en infrastructuur

5.3.1

Analyse beschikbare transportcapaciteit Vanuit een zorgvuldige inpassing van duurzame energieprojecten in een gebied met beperkte capaciteit van het elektriciteitsnetwerk geldt als randvoorwaarde dat grootschalige duurzame energieprojecten moeten zijn afgestemd met de (lokale) netwerkbeheerder. Het ATT-gebied is gelegen in de omgeving van het verzorgingsgebied van netbeheerders Enexis en Coteq. In Figuur 33 is de capaciteitskaart voor invoeding in het elektriciteitsnet weergegeven. Deze kaart is bedoeld voor producenten die plannen maken voor grootschalige projecten (netaansluiting groter dan 3x80A). In en rondom het ATT-gebied heerst op dit moment structureel congestie waardoor er op korte termijn zeer beperkt tot geen ruimte beschikbaar is voor nieuwe energieprojecten. Ten zuiden van Almelo en Tubbergen lijkt nog wel transportcapaciteit beschikbaar te zijn, maar ook hier dreigt schaarste. Wel dient opgemerkt te worden dat de (lokale) netbeheerders door het hele land hard bezig zijn om de netcongestieproblematiek het hoofd te bieden. Netbeheerders investeren recordbedragen voor het betrouwbaar en toekomstbestendig houden van het energienet.

Figuur 33

Transportcapaciteit ATT-gebied

61

Haalbaarheidsonderzoek windenergie Energiegebied ATT Overijssel

5.3.2

RES-informatie netwerk Door de grote veranderingen in de energie-infrastructuur wijdt de RES 1.0 een hoofdstuk aan transportcapaciteit waarin afstemming plaatsvindt tussen provincie, netbeheerders en lokale netbeheerders. Uit de impactanalyse voor netcapaciteit20 blijkt dat het energienet op vele plekken moet worden uitgebreid. Specifiek staat beschreven dat er bij vier netstations geen transportcapaciteit beschikbaar is. Dit betreft de in Figuur 33 weergegevens stations Vroomshoop, Tubbergen Almelo Mosterdpot en Almelo Urenco. Voor drie van deze stations (Vroomshoop, Tubbergen en Almelo Mosterdpot) is reeds opdracht gegeven voor uitbreiding voor 2025.

5.3.3

Alternatieve oplossingen Gezien de beperkte capaciteit om één of meerdere windturbines aan te sluiten kan er naast de conventionele netaansluiting ook worden gekeken naar alternatieve mogelijkheden om elektriciteitslevering flexibel te maken of op een andere manier af te zetten. Voorbeeld hiervan zijn cablepooling, opslag in batterijen of opslag in waterstof. Bij cablepooling wordt één netaansluiting gecombineerd voor zon en wind. De zon schijnt niet altijd en het waait ook niet altijd. Doordat windturbines en zonnepanelen vaak niet op hetzelfde moment op piekvermogen produceren kan de infrastructuur efficiënter worden benut. Voor windenergie binnen het ATT-gebied kan bijvoorbeeld onderzocht worden of koppeling met de bestaande aansluitingen van Zonnepark Oosterweilanden bij Vriezenveen of Zonnepark Aadijk bij Almelo mogelijk is. Tevens kan opslag in waterstof of batterijen een mogelijkheid bieden wanneer er weinig tot geen transportcapaciteit beschikbaar is. Elektriciteit kan met een elektrolyser worden omgezet in waterstof wat vervolgens kan worden afgenomen bij (lokale) industrie. Bij beperkte transportcapaciteit kan opgewekte elektriciteit worden opgeslagen in een batterij. Als er vervolgens weer capaciteit op het netwerk is kan de elektriciteit weer op het net worden gezet.

5.3.4

Waar wordt de opgewekte energie gebruikt? Als windturbines in het ATT-gebied ontwikkeld zouden worden en aan het elektriciteitsnet worden aangesloten dan worden de windturbines direct onderdeel van het Nederlandse energiesysteem. Vanaf dat moment is eigenlijk niet relevant of de geproduceerd elektriciteit lokaal wordt afgenomen, of via het elektriciteitsnet naar andere delen van het land getransporteerd wordt. Om te toetsen of gemeenten aan hun energiedoelstellingen voldoen wordt enkel de totale productie van duurzame energie binnen een gemeente tegen de totale consumptie van duurzame energie 20

Netimpactrapportage RES 1.0 (Twente https://energiestrategietwente.nl/assets/media/Netimpactrapportage-RES-1.0-Twente-Ambtelijke-Versie.pdf)

62

Haalbaarheidsonderzoek windenergie Energiegebied ATT Overijssel

binnen de gemeente afgezet. Dat de elektriciteit met gebruikmaking van het elektriciteitsnet, waar ook grijze stroom op geleverd wordt, naar gebruikers wordt getransporteerd doet daar niets aan af.

63

Haalbaarheidsonderzoek windenergie Energiegebied ATT Overijssel

5.4

Levenscyclus

5.4.1

Broeikasgasemissies tijdens ontwikkelketen windturbine (LCA) Tijdens de exploitatiefase stoten windturbines, in tegenstelling tot fossiele vormen van elektriciteitsopwekking, geen broeikasgassen uit. Bij de productie, bouw, onderhoud en afbraak van de windturbines zal wel uitstoot van broeikasgassen plaatsvinden. Middels een levenscyclusanalyse (LCA) kan de uitstoot van productie tot en met afbraak van de windturbines in kaart worden gebracht. Voor een windturbine zijn in de LCA de volgende fases relevant: • Productie en bewerking van materialen tot onderdelen van windturbine • Transport van onderdelen naar locatie en installatie van de windturbine (inclusief bijbehorende voorzieningen) • Energiekosten tijdens exploitatiefase voor onderhoud • Einde levensduur; afbraak/recycling van windturbines Om te beoordelen wanneer een windturbine zichzelf heeft terugverdiend kan de totale broeikasgasuitstoot uit de LCA worden afgezet tegen de elektriciteitsproductie van de windturbine. Hierbij kan een vergelijking worden gemaakt met de broeikasgasuitstoot die zou zijn veroorzaakt als de elektriciteit middels fossiele middelen was opgewekt. Het intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) heeft 20 levenscyclusanalyses van windturbines- en parken vergeleken21. Hieruit is gebleken dat de benodigde energie voor de bouw van een windturbine binnen 6-12 maanden exploitatie terugverdiend is.

De levensduur van een windturbine ligt vaak rond de 20 jaar. De uiteindelijke besparing van broeikasgasemissies zal dan ook vele malen hoger liggen dan de totale bijdrage daaraan.

5.4.2

Productie en fabrikant windturbine Voor de productie van een windturbine zijn verschillende onderdelen benodigd. Zo bestaat een windturbine uit een fundering, een mast, een generator en rotorbladen. Elk onderdeel bestaat weer uit verschillende bouwmaterialen en grondstoffen. De specifieke soorten grondstoffen die gebruikt worden voor de productie, zijn afhankelijk van de (locatie van) de fabrikant. In deze verkennende fase van het project is nog geen beslissing over de (locatie van) de fabrikant genomen. Aangezien Nederland zich gecommitteerd heeft aan de OESO-richtlijnen voor maatschappelijk verantwoord ondernemen en de Guiding Principes van de VN, mogen enkel materialen worden gebruikt die gecertificeerd zijn voor gebruik in Nederland. Voor wat betreft de bouwfase kunnen windturbines werkgelegenheid in de omgeving opleveren. Vaak werken projectontwikkelaars en initiatiefnemers samen met 21

Wiser, R., Z. Yang, M. Hand, O. Hohmeyer, D. Infi eld, P. H. Jensen, V. Nikolaev, M. O’Malley, G. Sinden, A. Zervos, 2011: Wind Energy. In IPCC Special Report on Renewable Energy Sources and Climate Change Mitigation [O. Edenhofer, R. Pichs-Madruga, Y. Sokona, K. Seyboth, P. Matschoss, S. Kadner, T. Zwickel, P. Eickemeier, G. Hansen, S. Schlömer, C. von Stechow (eds)], Cambridge University Press, Cambridge, United Kingdom and New York, NY, USA.

64

Haalbaarheidsonderzoek windenergie Energiegebied ATT Overijssel

(bouw-)ondernemingen uit de regio. Deze bedrijven kunnen dan ingehuurd worden voor bijvoorbeeld het aanleggen van de funderingen, wegen, kabels en leidingen van het windpark.

5.4.3

Recycling van onderdelen Aan het einde van de levensduur worden de windturbines afgebroken. De kosten voor de sloop/afbraak van de windturbines worden normaal gesproken gedekt vanuit de begroting van het windpark. Afspraken hierover kunnen worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst tussen de eigenaar van het windpark en de gemeente. Voor de meeste onderdelen van de windturbines bestaat een tweedehands markt. De fundering, mast, onderdelen van de versnellingsbak en generator die 85- 90% van de windturbine uitmaken zijn recyclebaar22. Op dit moment zijn de rotorbladen van een windturbine de enige onderdelen die moeilijk tot niet te recyclen zijn. Dit heeft te maken met het thermo hardende bouwmateriaal van de bladen. De rotorbladen zijn opgebouwd uit composiet, een materiaal dat bestaat uit twee componenten, namelijk een vezel en een epoxy. De vezel kan bestaan uit glas, aramide, koolstof en zorgt voor de stijfheid van het materiaal. De epoxy daarentegen is gemaakt van kunststof en zorgt voor een bundeling van de vezels. Tijdens het productieproces worden deze materialen in vloeibare fase gegoten in de lange vorm van een rotorblad. De epoxy en vezels worden op zodoende manier gecombineerd zodat er een zeer sterk en stijfmateriaal ontstaat, dat tegelijkertijd licht van gewicht is.

Door de complexiteit van de composietsamenstelling is het ingewikkeld om de rotorbladen te recyclen. Hiervoor zijn specifieke technische recycleprocessen benodigd. Op dit moment wordt het composiet daarom vaak in kleine stukjes opgedeeld en verwerkt in cement. De glasvezels van het composiet vervangen dan de grondstoffen voor de cement productie. Daarnaast worden er door verschillende bedrijven in de windsector oplossingen (en alternatieven) gezocht voor de recycling van windturbinebladen. Siemens Gamesa heeft kort geleden ’s werelds eerste recyclebare windturbineblad voor commercieel gebruik geproduceerd, voor een offshore windturbine23. De windturbinebladen van Siemens Gamesa worden gemaakt van een combinatie van materialen. Aan het einde van de levensduur van de windturbinebladen kan de epoxy door de specifieke chemische structuur weer gescheiden worden van de andere materialen. Tijdens dit proces blijven de basiscomponenten van de expoxy intact, waardoor het materiaal wederom hergebruikt kan worden in nieuwe toepassingen, zoals nieuwe windturbinebladen.

22 23

ETIP wind (2020) ‘How wind is going circular – blade recycling’. https://www.siemensgamesa.com/newsroom/2021/09/launch-world-first-recyclable-wind-turbineblade

65

Haalbaarheidsonderzoek windenergie Energiegebied ATT Overijssel

5.5

Energieopwekking & financiële haalbaarheid

5.5.1

Elektriciteitsproductie

5.5.1.1

Windaanbod

Windturbines genereren elektriciteit uit windenergie. Hoe harder het waait, hoe meer stroom er wordt geproduceerd. Op grotere hoogte waait het gemiddeld harder, met meer productie tot gevolg. Het windaanbod verschilt daarnaast nog van plek tot plek; op dezelfde hoogte zal het aan de kust gemiddeld harder waaien dan in het binnenland. In Figuur 34 is weergegeven welke windsnelheden in het ATT gebied op verschillende hoogtes te verwachten zijn. Deze windsnelheidsverdelingen zijn gebaseerd op langjarige gemiddelde gegevens die vanuit het KNMI-KNW24 model beschikbaar zijn gesteld. Uit de figuur is af te lezen dat op grotere hoogte vaker hoge windsnelheden zullen voorkomen. Figuur 34

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Almelo&id=3594416d-b13b-4b16-8ce9-c8d55cb41123