CConstaterende datAlmelo
Koppel je AI →
Document · PDF

12.5 Vaststelling bestemmingsplan Indië Woongebied - Bijlage 5 - Bestemmingsplan Woongebied Indië – Deel 3.pdf

Raad 7 december 2021, gemeente AlmeloBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan ‘Indië Woongebied – Deel 3 en Parapluherziening woningaantal en parkeren Indiëterrein33.852 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

5.7.4 Explosieven Door REASeuro is in januari 2005 een quick-scan verricht naar de eventuele aanwezigheid van Niet Gesprongen Explosieven (NGE) ter plaatse van het Indiëterrein (Bijlage 11). Uit de quick-scan blijkt dat het niet te verwachten is dat er tijdens de voorgenomen bouwwerkzaamheden een verhoogd risico is op het aantreffen van een NGE. De werkzaamheden kunnen derhalve op reguliere wijze worden uitgevoerd.

5.7.5 Externe veiligheidsbeleid Almelo In maart 2014 is door de gemeente Almelo het externe veiligheidsbeleid opgesteld. Visie op externe veiligheid Eén van de kerntaken van de overheid is het bieden van een veilige leefomgeving voor haar burgers. In die zin draagt de gemeente Almelo een belangrijke verantwoordelijkheid als het gaat om externe veiligheid. Om deze verantwoordelijkheid in te vullen heeft de gemeente haar visie op externe veiligheid geformuleerd. Onderdeel van de externe veiligheidsvisie is een afweging in het spanningsveld van externe veiligheidsambities enerzijds en maatschappelijke kosten anderzijds. Hierbij dient opgemerkt te worden dat het externe veiligheidsbeleid weliswaar richting geeft en bepalend is voor de benadering van externe veiligheidssituaties, maar dat in voorkomende gevallen maatwerk mogelijk blijft (verantwoording groepsrisico). Ambities binnen wettelijke kaders Als het gaat om het ambitieniveau voor externe veiligheid binnen de gemeente Almelo is door de wetgever een minimum-veiligheidsniveau gedefinieerd. Zo bestaat voor het plaatsgebonden risico een grenswaarde en een richtwaarde waar aan moet worden getoetst. Voor groepsrisico bestaat een verantwoordingsplicht en de verplichting advies te vragen aan de Veiligheidsregio Twente; daarbij dient getoetst te worden aan een oriëntatie waarde.

Binnen deze kaders staat het de gemeente Almelo vrij om eigen ambities te formuleren. De kern van de visie van Almelo is de ambitie om een verantwoord evenwicht te scheppen tussen het gebruik van gevaarlijke (afval)stoffen, met de risico's die hieraan zijn verbonden en de behoefte aan veiligheid (bijv. in de woonomgeving). Deze ambitie is gebaseerd op de overtuiging dat risico's een onderdeel zijn van het maatschappelijk verkeer. Dit laat onverlet dat de gemeente een verantwoordelijkheid heeft om deze risico's te minimaliseren en beheersbaar te maken, de nadelige effecten te reduceren en grenzen te stellen die gehandhaafd kunnen en moeten worden. De gemeente kan niet op alle activiteiten met gevaarlijke (afval)stoffen direct invloed uitoefenen. De verantwoordelijkheid voor een verantwoorde omgang met deze stoffen ligt ook bij de gebruiker of eigenaar. Daarnaast bezitten de provinciale en de nationale overheid bevoegdheden en verantwoordelijkheden inzake gevaarlijke(afvalstoffen) binnen de gemeentegrenzen van Almelo. Het is

vastgesteld bestemmingsplan Woongebied Indië - Deel 3

54

NL.IMRO.0141.00063-BP31

vanzelfsprekend dat de gemeente Almelo zich in ieder geval wenst te conformeren aan haar wettelijke verplichtingen. Dit betekent dat invulling wordt gegeven aan de wettelijke verplichting om het groepsrisico en plaatsgebonden risico te overwegen. Het plaatsgebonden risico dient daarbij minimaal te voldoen aan de wettelijke grenswaarde. Voor wat betreft groepsrisico, effectbenadering en risicovol transport ontbreekt echter een harde wettelijke norm. Dit maakt het noodzakelijk om als gemeente Almelo eigen uitgangspunten vast te leggen voor het externe veiligheidsbeleid. Wat is (aanvaardbaar) veilig? Bij het formuleren van beleid voor externe veiligheid dient duidelijk te zijn wat wordt verstaan onder de term veiligheid. In het landelijke beleid en in regelgeving ten aanzien van veiligheid, de basis voor het gemeentelijke beleid, wordt een zogeheten. risicobenadering toegepast. Dat wil zeggen dat een afweging wordt gemaakt welke effecten aanvaardbaar zijn in relatie tot de kans waarop deze effecten zouden kunnen plaatsvinden. Als een risicosituatie acceptabel is wil dat dus zeggen dat de risico's aanvaardbaar worden geacht. Voor deze insteek is gekozen omdat de wetgever van mening is dat volledige veiligheid niet te garanderen is.

Aanvaardbare veiligheid betekent dus niet: Dat er geen ongelukken, incidenten of rampen met gevaarlijke (afval)stoffen kunnen voorkomen; Dat er geen dodelijke slachtoffers vallen bij een ongeluk, incident of ramp; Dat er geen gewonden vallen bij een ongeluk, incident of ramp. Wat is aanvaardbare veiligheid wel: Voldoen aan wet- en regelgeving; Voldoen aan de ambities opgenomen in dit externe veiligheidsbeleid. Woongebied Indië Deel 3 Zoals in voorafgaande paragrafen naar voren is gekomen valt het plangebied van dit bestemmingsplan binnen de invloedssfeer van een risicobronnen (spoorlijn tussen Deventer en Almelo). Onderzoek heeft aangetoond dat het groepsrisico in zowel de huidige als toekomstige situatie kleiner is dan 0.1 keer de oriëntatiewaarde is. De realisatie van plangebied Indië - deel 3 leidt niet tot een toename van het groepsrisico. Het bestemmingsplan zal voorgelegd worden aan de brandweer Twente voor advies en er is aangetoond dat het gaat om een verantwoorde situatie zie ook paragraaf 5.7.6. Het project voldoet hiermee aan de wet en is in overeenstemming met het externe veiligheidsbeleid van de gemeente Almelo.

5.7.6 Verantwoording groepsrisico Veiligheidsregio Twente, waarvan Brandweer Twente onderdeel uitmaakt, adviseert op het gebied van rampenbestrijding en de verantwoording van het groepsrisico onder andere in het kader van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit Externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Het plangebied bevindt zich nabij het spoortracé Deventer-Hengelo waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. 5.7.6.1 Scenario's In of nabij het plangebied bevinden zich risicobronnen. De volgende scenario's kunnen zich hier voordoen. Plasbrand Op basis van de vervoerde stoffen over het spoor gaan wij in de voorbereiding op calamiteiten uit van: plasbrand als gevolg van transport van brandbare vloeistoffen (bv. benzine) koude/warme BLEVE als gevolg van transport van brandbare gassen (bv. LPG) emissie van een toxische stof als gevolg van transport van toxische vloeistoffen en gassen (bv. ammoniak).

vastgesteld bestemmingsplan Woongebied Indië - Deel 3

55

NL.IMRO.0141.00063-BP31

Bij een plasbrand zal een deel van de gebouwen door direct vlamcontact worden beïnvloed. Tot circa 30 meter van het spoor kunnen gebouwen door hittestraling mee gaan branden. Aanwezigen in objecten binnen deze afstand kunnen (dodelijk) getroffen worden. Eerste graad brandwonden zijn bovendien te verwachten tot op 60 meter van het spoor. Door hittestraling is een nog groter gebied (tot circa 100 meter) alleen te betreden door brandweermensen in beschermende kleding. De eerste bebouwing van het plangebied ligt op circa 70 meter van het doorgaande spoortracé. Hierbij gaat het om de woningen die zich aan de Haven Noordzijde bevinden. De aanwezige personen zijn bij een plasbrand binnen in principe veilig. BLEVE Bij een BLEVE explodeert een onder druk vloeibaar gemaakt brandbaar gas met als gevolg een grote vuurbal. Het bezwijken van een ketelwagon is mogelijk door mechanisch falen (bv. bij een aanrijding) of door aanstraling door een brand met brandbare vloeistoffen. De vuurbal zorgt voor een hittebelasting en een drukgolf in de omgeving. Een BLEVE-scenario heeft de grootste omvang in het geval van een incident met een spoorketelwagon. Tot 140 meter zullen aanwezigen een grote kans op overlijden hebben. Tot op 330 meter van het incident is het mogelijk dat aanwezigen dodelijk worden getroffen. Materiële schade is nog op grotere afstand te verwachten (600 meter).

De meeste woningen bevinden zich in het gebied waarbij de aanwezigen een grote kans op overlijden hebben. De overige woningen bevinden zich binnen 300 meter. Toxisch Een incident met een toxische stof kan tot op zeer grote afstand gevolgen hebben. Door de diversiteit aan stoffen en de diversiteit aan factoren die invloed hebben op de mogelijke effecten van een incident met een toxische vloeistof is het moeilijk een eenduidende effectafstand aan te geven. De effectafstanden voor de afstand tot waar nog 1% van de aanwezigen kan overlijden, varieert bijvoorbeeld van 80 meter tot maximaal 1.250 meter (worst-case scenario). Overigens merken wij op dat over het spoor, op basis van het convenant van het rijk met Akzo-Nobel, incidenteel 200 wagons met chloor mogen worden vervoerd met inachtneming van extra maatregelen in vergelijking met regulier transport van gevaarlijke stoffen. Gelet op de geringe frequentie van dit vervoer hebben wij dit scenario niet als maatgevend aangegeven. Doordat de omvang van een dergelijk incident onze hulpverleningscapaciteiten te boven gaat, is de bestuurlijke afweging gemaakt dat Twente haar repressieve voorbereiding niet op deze effecten baseert. Door middel van proactieve en preventieve middelen wordt getracht het risico (zowel kans als effect) van deze transporten te verminderen.

Afhankelijk van de windrichting en het soort incident kan verondersteld worden dat alle woningen zich binnen het effectgebied bevinden. 5.7.6.2 Bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid Maatregelen ter optimalisatie van de rampenbestrijding zijn er op gericht om door de inzet van de hulpverlenende diensten de effecten, in termen van slachtoffers en schade, te beperken. In de volgende paragrafen bekijken wij de beheersbaarheid, bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid van de situatie. De mogelijkheden om bronmaatregelen te treffen zijn slechts in beperkte mate aanwezig. Voor dit spoortracé is door de inwerkingtreding van Basisnet, een risicoplafond voor het transport van gevaarlijke stoffen ingesteld. Onlangs is echter gebleken dat de gerealiseerde aantallen wagons die over het spoortracé worden vervoerd hoger liggen dan de uitgangspunten van het risicoplafond. De maatregelen zullen zich daarom voornamelijk richten op effect beperkende maatregelen.

vastgesteld bestemmingsplan Woongebied Indië - Deel 3

56

NL.IMRO.0141.00063-BP31

Bestrijdbaarheid Voor het spoortracé nabij het plangebied geldt dat er bij de realisatie van de geluidsschermen mogelijkheden zijn gerealiseerd om het spoortracé te kunnen betreden. Door de ligging van het spoortracé tegen het kanaal aan zijn op gedeelten van het spoor deze mogelijkheden beperkter. Bij de vergunning voor het spoorwegemplacement is rekening gehouden met de bereikbaarheid van dat gebied en ook is daar een opstelplek aan het kanaal gerealiseerd. Hierdoor zijn de mogelijkheden om op te treden geoptimaliseerd. Voor de reeds getroffen maatregelen in het kader van bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid is het van belang dat deze ook in praktijk bruikbaar blijven. Zelfredzaamheid Het betreft een plangebied bestemd voor voornamelijk (grondgebonden)woningbouw. Daarnaast zijn aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten toegestaan. In de regels wordt kinderopvang echter uitgesloten, waardoor de aanwezigen over het algemeen zelfredzaam zullen zijn of zijn instaat elkaar in veiligheid te brengen. Een aandachtspunt vormt de ontwikkeling dat mensen tegenwoordig langer zelfstandig thuis blijven wonen. Daarnaast brengt de functie 'wonen' met zich mee dat de mensen niet altijd wakend zijn. 5.7.6.3 Maatregelen Type maatregel Planologisch

Inhoud maatregel In basis voldoet de hoofdstructuur en is het mogelijk om van de bron af te vluchten. Bij de ontwikkelblokken (voornamelijk binnen 140 meter van het spoortracé) adviseren wij te borgen dat het mogelijk is om rechtstreeks van de bron af te vluchten. Een aandachtspunt vormen daarbij eventuele hofjes.

Vergunningtechnisch

Het betreft voornamelijk woningbouw, waarbij de vergunningtechnische maatregelen beperkt zijn.

Overig (bijv. bouwkundig)

Indien de gemeente besluit om appartementencomplexen te realiseren is een maatregelen dat de (mechanische) ventilatie afgesloten moet kunnen worden. Met name bij het toxische scenario kan dit relevant zijn.

Bestrijdbaarheid (bluswater & bereikbaarheid)

Het plangebied dient in basis te voldoen aan de handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid. Daarnaast kan het kanaal als secundaire en tertiaire bluswatervoorziening dienen. Van belang is dat er opstelplekken aanwezig zijn, zodat hier ook gebruik van gemaakt kan worden. Bij de verdere detailuitwerking adviseren wij u hier rekening mee worden gehouden.

Zelfredzaamheid

Er is reeds in de regels geborgd dat er geen objecten voor minder of niet zelfredzame personen kunnen vestigen.

vastgesteld bestemmingsplan Woongebied Indië - Deel 3

57

NL.IMRO.0141.00063-BP31

Informatieverstrekking / Risicocommunicatie

Wij adviseren de (toekomstige) bewoners te voorzien van informatie over de mogelijke risico's en handvatten mee te geven hoe in basis te handelen in geval van een incident.

5.7.6.4 Conclusie Het voornemen is om het plangebied nabij een spoortracé te realiseren waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Onderzoek heeft aangetoond dat het groepsrisico in zowel de huidige als toekomstige situatie een factor 0,07 keer de oriëntatiewaarde is. De realisatie van de in dit bestemmingsplan voorziene ontwikkelingen leidt niet tot een toename van het groepsrisico. Door de ligging binnen de invloedssfeer van het spoor dient er bij een incident op het spoor (ter hoogte van het plangebied) rekening mee te worden gehouden dat er dodelijke slachtoffers kunnen vallen. Maatregelen kunnen er wel aan bijdragen om de effecten te beperken. Hierbij kan gedacht worden aan vluchtroutes van de bron af of mogelijkheden om de (mechanische) ventilatie uit te kunnen schakelen. Overige maatregelen zijn in vorige paragraaf beschreven.

5.8

Geur

De RWZI Almelo-Vissedijk is in beheer bij Waterschap Vechtstromen en heeft geurcontouren die tot nu toe voor een deel van het Indiëterrein woningbouw verhinderden. De RWZI wordt binnenkort gerenoveerd. Op de RWZI Almelo-Vissedijk is sprake van een aantal knelpunten. De belangrijkste is de verouderde elektrische besturingsinstallatie, welke een risico vormt binnen de huidige bedrijfsvoering. Daarnaast is sprake van een aantal knelpunten in de water- en sliblijn welke bij de geplande renovatie van de RWZI zullen worden opgelost. De wijziging en verwijdering van onderdelen, waarvoor het waterschap een omgevingsvergunning heeft ingediend, zal gevolgen hebben voor de geuremissie van de RWZI en daardoor gevolgen hebben voor de leefomgeving. Deze gevolgen zijn door Royal Haskoning onderzocht (zie Bijlage 12). In eerdere onderzoeken is geconcludeerd, dat bij een geurbelasting van 1 ou/m³ (98-percentiel) sprake is van een aanvaardbaar geurhinderniveau voor woningen. Uit het onderzoek van Royal Haskoning blijkt dat het deel van het Indiëterrein, waar Ter Steege Vastgoed woningen ontwikkelt, geheel buiten de geurcontour van 1 ou/m³ (98-percentiel) valt.

vastgesteld bestemmingsplan Woongebied Indië - Deel 3

58

NL.IMRO.0141.00063-BP31

Figuur 5.4: geurcontour huidige situatie (links) en na toepassing geplande maatregelen (rechts) (bron: Geuronderzoek wijziging RWZI Almelo-Vissedijk, Royal Haskoning d.d. 16 januari 2018, behorend bij vergunningaanvraag RWZI Vissedijk) Het aspect geur vormt hierdoor geen belemmering meer voor de realisatie van woningen.

5.9

M ilieuzonering

Het Indiëterrein onderdeel van het gezoneerde industrieterrein Turfkade. Vanwege de ligging nabij de binnenstad van Almelo en de woonbebouwing in de omgeving van het industrieterrein heeft de gemeente besloten om de milieuzone van het industrieterrein te verkleinen. Dat is door de vaststelling van de Parapluherziening Geluidzone Industrieterreinen Noord op 27 januari 2015 gebeurd. Vooruitlopend op deze herziening is in het eerder vastgestelde bestemmingsplan “De Velden” een verlaging van de daar toegestane milieucategorieën naar categorieën 1 en 2 vastgesteld, zodat de toegestane bedrijven minder milieubelastend voor de (woon)omgeving zijn dan de bedrijven die op grond van het hiervoor geldende bestemmingsplan waren toegestaan. De minimale richtafstand tot woningen in deze categorieën is 10 tot 30 meter. In het plangebied van dit bestemmingsplan wordt niet voorzien in bedrijven anders dan in de vorm van woon-werkwoningen. Er bevinden zich nog een aantal bedrijven op Indië. Het gaat hierbij vooral om kleine bedrijfjes die hier opslag huren. Alle bedrijven zullen vertrekken als dit bestemmingsplan in werking treedt. Milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

5.10 Ecologie Op 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming ingegaan. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De wet vereist, zoals de hiervoor geldende Flora- en Faunawet dat onderzocht dient te worden in hoeverre binnen het plangebied beschermde dier- en plantsoorten voorkomen en wat de gevolgen van voorgenomen ontwikkelingen zijn op eventueel aanwezige beschermde dier- en plantsoorten. Er zijn verder verbodsbepalingen opgenomen voor bepaalde activiteiten, zoals het doden, verwonden, vangen of opzettelijk verontrusten van diersoorten. Van de verbodsbepalingen kan in bepaalde gevallen ontheffing worden verleend. Het plangebied is geen aangewezen beschermd gebied in de zin van de Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor alle beschermde en onbeschermde dier- en plantsoorten geldt te allen tijde een zorgplicht, ongeacht ontheffing of vrijstelling van de verbodsbepalingen. Door een ecoloog van bureau Els & Linde B.V. is in januari 2018 beoordeeld of er beschermde plantenen diersoorten aanwezig zijn binnen het plangebied en of deze soorten schade ondervinden van de gewenste ontwikkelingen (Bijlage 13). Eerder is in het kader van het bestemmingsplan 'De Sterkerij' in februari 2017 ook voor het noordelijke deel van het plangebied een ecologische quickscan (Bijlage 14) en een afdoend onderzoek naar de boomvalk (Bijlage 15) uitgevoerd.

Beschermde planten- en diersoorten Voor het zuidelijk deel van het plangebied heeft eerder onderzoek reeds aangetoond, dat er sterke aanwijzingen zijn voor het voorkomen van de steenmarter. In de bedrijfshal binnen het plangebied kan het voorkomen van de steenmarter niet worden uitgesloten. Delen van het plangebied zijn geschikt als jachtgebied voor de steenmarter. In de bedrijfshal zijn vleermuizen, gierzwaluwen en huismussen niet uit te sluiten. De bedrijfshal blijft echter behouden. Van de bouw van woningen wordt geen schade aan mogelijke verblijfplaatsen van

vastgesteld bestemmingsplan Woongebied Indië - Deel 3

59

NL.IMRO.0141.00063-BP31

vleermuizen, gierzwaluwen en huismussen verwacht. De werkzaamheden dienen echter bij daglicht te worden uitgevoerd om verstoring op (mogelijke) vaste verblijfplaatsen te voorkomen. In de begroeiingen binnen de planlocatie zijn algemene broedvogels niet uit te sluiten. Om verstoring te voorkomen dienen de werkzaamheden buiten om de broedperiode – maart tot en met juli – te starten. In het noordelijke deel van het plangebied zijn er geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Evenmin voor deze soorten geschikte groeiplaatsen. Beschermde soorten worden niet verwacht. Er is wél een nest van mogelijk een boomvalk aangetroffen. Door de werkzaamheden kan de functionaliteit van de verblijfplaats van de boomvalk niet worden gegarandeerd, waardoor hier een afdoend onderzoek is uitgevoerd. Uit de resultaten van het afdoend onderzoek is gebleken dat binnen de planlocatie geen boomvalk voorkomt. In de bomen binnen het noordelijke deelgebied zijn nesten van de spreeuw aangetroffen. Om verstoring te voorkomen dienen de werkzaamheden hier buiten de broedperiode – die globaal loopt van maart tot en met juli – van vogels te starten, zodat vestiging van verstoringsgevoelige broedvogels wordt voorkomen, of er dient voorafgaande aan de werkzaamheden te worden gecontroleerd of er broedende vogels in de bomen aanwezig zijn.

Sinds november 2019 geeft de provincie Overijssel voor de egel en de kleine marters geen vrijstelling meer. Dat betekend dat aanvullend onderzoek naar deze soorten noodzakelijk is. Dit onderzoek is de periode van mei t/m juni 2020 conform het voorgeschreven protocol uitgevoerd (Bijlage 16). Uit het onderzoek is gebleken, dat zich geen marterachtigen en egels in het gebied bevinden. Nader onderzoek of ontheffing van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Tijdens de werkzaamheden aangetroffen dieren die niet uit zich zelf het werkgebied kunnen verlaten, dienen - onder begeleiding van een ecoloog - in veiligheid te worden gebracht en buiten het werkgebied te worden uitgezet. Schuilplekken zoals bladhopen, hout- en steenstapels e.d. dienen eerst te worden gecontroleerd op schuilende dieren. In zijn algemeenheid dienen geschikte schuil- en overwinteringsplekken voor dieren buiten het werkterrein intact te worden gelaten. Natura 2000 Door de ruimtelijke ontwikkelingen zal geen sprake zijn van een toename van stikstofdepositie (zie paragraaf 5.5). Andere aantastingen van kwalificerende habitats of soorten in het Natura 2000-gebied door de ruimtelijke ontwikkelingen, kunnen worden uitgesloten. Een effect op het Natuurnetwerk Nederland door de ruimtelijke plannen is gezien de afstand en de omvang van het voornemen uitgesloten.

5.11 Archeologie In 2005 is voor het Indiëterrein een archeologisch bureauonderzoek verricht (Bijlage 17). Vervolgens is, om te voorkomen dat door de herontwikkeling van het Indiëterrein eventuele archeologische resten zouden worden vernietigd in januari 2008 door bureau BAAC een archeologisch onderzoek uitgevoerd in het gebied direct ten zuiden van de Kolthofstraat. Dit gebied ligt buiten het onderhavige plangebied, maar maakt onderdeel uit van het Indiëterrein. Met name een mogelijke vroege voorganger van de boerderij 't Kolthof', reeds genoemd in 15de eeuwse historische bronnen, stond centraal in het onderzoek. Bij het archeologisch onderzoek zijn sporen vanaf de Volle Middeleeuwen aangetroffen, die zich met name concentreren ten noordoosten en ten zuidwesten van de Kolthofstraat. Het zwaartepunt van de bewoningsporen, maar vooral het vondstmateriaal, is gedateerd in de Volle Middeleeuwen. In het archeologisch onderzoek is de vindplaats van de boerderij beschreven. Op grond van de verzamelde gegevens en het veldonderzoek heeft 't Oversticht aangegeven dat voldoende is aangetoond dat er verder geen archeologische vindplaatsen meer in het gebied verwacht worden. Op basis van de onderzoeken acht de regio-archeoloog van 't Oversticht een vervolgonderzoek niet noodzakelijk in het plangebied Almelo Indiëterrein. Hiermee is een selectiebesluit tot vrijgave genomen.

vastgesteld bestemmingsplan Woongebied Indië - Deel 3

60

NL.IMRO.0141.00063-BP31

5.12 M onumenten en beschermd stadsgezicht Het Indiëterrein is geen onderdeel van een beschermd stadsgezicht. Op het Indiëterrein, binnen het plangebied van dit bestemmingsplan, bevindt zich één monument. Aan de Sluiskade Noordzijde staat de watertoren van de textielfabriek van Nijverdal Ten Cate, gebouwd in 1924. De fabrieksgebouwen rondom de deels ingebouwde toren zijn grotendeels na de Tweede Wereldoorlog vervangen. De achtzijdige watertoren is gemaakt van baksteen en beton en bestaat grofweg uit drie delen: het uitkragende reservoir, een gepleisterd gedeelte en de gemetselde schacht. De watertoren heeft een schilddak bedekt met dakpannen. Het brede bakstenen reservoir heeft een overstekende daklijst. Elke zijde van de watertoren heeft twee vierruitsvensters. In het bakstenen deel van de schacht is siermetselwerk opgenomen. Textiel is zeer brandbaar. De kans op brand tijdens het productieproces was behoorlijk groot. Een textielfabriek had daarom vaak een zogenoemde sprinklerinstallatie, een blusinstallatie. Het bluswater voor deze installatie was opgeslagen in de watertoren. De hoogte van de watertoren zorgde ervoor dat er voldoende druk op de installatie kwam te staan. De monumentale watertoren is van algemeen belang vanwege zijn architectuurhistorische en stedenbouwkundige waarden die tot uitdrukking komen in de typologie en de beeldbepalende betekenis in de wijk.

Op het Indiëterrein zijn daarnaast enkele objecten als waardevol aangewezen. Zo ook de fabriekshal in blok 14B, waarvoor in 2012 een apart bestemmingsplan ("Kunsthal") is vastgesteld, en welke nu ook onderdeel uitmaakt van dit bestemmingsplan. Het monument en de hal worden dus behouden en geïntegreerd in de ontwikkelingen. Anno 2017 zijn er gebouwen gesloopt, er is gebouwd en een aantal fabrieksgebouwen zijn nog in gebruik. Langs de Kalverstraat is minder gesloopt dan in het Ontwikkelplan was opgenomen. Merendeel van de gevels langs de straat, inclusief een deel van de constructie achter de gevel, is bewaard. Een bijzonder gebouw aan de Kalverstraat is het trafogebouw in blok 12. Deze is verkocht en wordt naar woning getransformeerd. De Sterkerij en Spoelerij zijn onderdeel van de ontwikkeling van blok 7. Conform het Ontwikkelplan worden deze gebouwen (deels) ingezet voor woningbouw en een kantoorfunctie. De gebouwen ten zuiden van de Laan van Indië zijn nu onderwerp van een studie naar hergebruikmogelijkheden. Behalve de Weverij en de Watertoren was hier in het Ontwikkelplan niet meer bebouwing aangewezen voor hergebruik.

vastgesteld bestemmingsplan Woongebied Indië - Deel 3

61

NL.IMRO.0141.00063-BP31

Figuur 5.5: behoud bestaande bebouwing Afwegingen op structuurniveau Voor het waterplein is in 2015 een deelstudie opgezet. Deze is met de gemeente besproken. Er is draagvlak voor een update van het Ontwikkelplan op dit punt. In de schets hiernaast is de westelijke gevelwand van de Kalverstraat behouden waarmee het Stadslab (1, zie figuur 5.5) aan het toekomstige waterbassin komt te liggen. Om het wateroppervlak niet te verkleinen wordt het geplande strandje iets in oostelijke richting verschoven. Dit kan omdat de horecagelegenheid die hier eerder was voorzien wordt vervangen door het Stadslab. De sluisconstructies (2) blijven hierbij behouden.

vastgesteld bestemmingsplan Woongebied Indië - Deel 3

62

NL.IMRO.0141.00063-BP31

Figuur 5.6: Afwegingen op structuurniveau Waterplein (3) Bij het westelijke waterbassin wordt het atelier aan de Industriestraat behouden. De gevel langs Haven Noordzijde heeft fraaie ornamenten en de schoorsteen aan de zijde van de Industriestraat is karakteristiek. Met het behoud van dit gebouw wordt de Alberdingk Thijmstraat doorgetrokken tot het kanaal. In het schema hiernaast is gekozen voor één groot waterbassin in plaats van twee smallere. Hiermee is er een gunstig ontwikkeloppervlak voor woningbouw én een waterbassin met een maat die bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit en doorzichten over en weer. (4) Over het toekomstige profiel van de Van Wulfften Palthestraat ligt een sheddakgebouw met een bijzondere draagconstructie. In het hoofdstuk dat hierna volgt wordt een suggestie gedaan voor het inpassen van (een deel van) de constructie. Het gebouw wordt niet behouden. Afwegingen op gebouwniveau Silo's aan Kalverstraat De silo's springen niet direct in het oog, maar met het passeren van de Kalverstraat vormen ze wel een bijzonder moment. Behoud van de silo's zal de uniciteit van de plek versterken. Een publieke functie van de constructie ligt niet voor de hand omdat momenteel de focus op publiek programma en -gebouwen rond het waterplein ligt. TSGO stelt voor de silo's uit te geven bij de toekomstige verkaveling van blok 11.

Hergebruik door particulieren kan op een aantal manieren worden ingevuld. Zo zou de ruimte als een grote plantenbak kunnen worden getransformeerd. Het kan ook als wateropvang fungeren en de eigen en omliggende tuinen van water voorzien. Dit is niet alleen functioneel maar draagt ook bij aan de buurtbinding.

Figuur 5.7: Transformatie silo's Een andere denkrichting is bijzondere huisvesting. De ruimte kan als extra kamer worden ingericht. Dit kan een kleine slaapkamer worden, maar wellicht meer voor de hand liggend een speelkamer of leesplek. vastgesteld bestemmingsplan Woongebied Indië - Deel 3

63

NL.IMRO.0141.00063-BP31

Bebouwing Laan van Indië In een deel van gebouwen 8 en 9 huisvest momenteel het infocentrum (6, zie figuur 5.7) voor de gebiedsontwikkeling. Gebouw 8 staat op de plek waar de Van Wulfften Palthestraat is voorzien (5). Met de inrichting van de straat kan een deel van de constructie bewaard blijven. De dragers kunnen worden hergebruikt om lichtarmaturen op een bijzondere manier op te hangen. Niet alle dragers hoeven te worden gehandhaafd. Eén aan het begin van de weg en één aan het einde en mogelijk een in het midden laat al veel van de bijzondere constructie zien en zal een enorme bijdrage aan de sfeer in de gebieden waar veel nieuwe woningen zullen worden gebouw bijdragen. Bij hergebruik zal moeten worden onderzocht of de vrije doorrijhoogte aan de normen voldoet. De constructie kan eventueel iets worden verhoogd. Gebouw 9 ligt binnen de contouren van blok 10. Hergebruik van de noordgevel en een deel van de constructie wordt overwogen. Een deel van de bestaande bebouwing kan net als de constructies langs de Kalverstraat worden opgenomen in nieuwbouw. Omdat de Laan van Indië een belangrijke gebiedsontsluiting wordt levert behoud van industrieel erfgoed langs deze weg een grote bijdrage aan de gebiedsbeleving.

Figuur 5.8: Bebouwing laan van Indië Gebouw 10 ligt eveneens binnen de contour van het toekomstige ontwikkelgebied (6). Het gebouw is bijzonder in de ontwikkeling van de textielfabriek geweest vanwege haar unieke betonconstructie met grote overspanning en een bijzonder koelingssysteem. Om de ruimtelijke kwaliteit van het interieur te behouden zou een groots programma moeten worden gevonden zoals een supermarkt of school. Dit is echter niet voorhanden. Net als bij gebouw 9 kan de noordgevel met haar bijzondere kromming een bijdrage leveren aan het uitdragen van het industriële verleden langs de Laan van Indië. TSGO stelt daarom voor dit deel van het gebouw te behouden. In combinatie met nieuwbouw kan de gevel worden geperforeerd om meer deuren en ramen in aan te brengen. Boven de karakteristieke gebogen daklijn kunnen dakopbouwen worden geplaatst die de gebogen lijn versterken én het wooncomfort van de nieuwbouw vergroot.

5.13 Water 5.13.1

Beleid

Europees- en Rijksbeleid vastgesteld bestemmingsplan Woongebied Indië - Deel 3

64

NL.IMRO.0141.00063-BP31

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. In december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP2) vastgesteld. Dit plan vervangt het Nationaal Waterplan 2009-2015 inclusief alle tussentijdse wijzigingen. Het NWP2 geeft het integrale kader voor het waterbeleid van het Rijk voor de komende zes jaar en geeft uitvoering aan de Europese richtlijnen voor waterkwaliteit, de mariene strategie en de overstromingsrisico's.

De Stroomgebiedbeheerplannen, het Programma van maatregelen mariene strategie, de Beleidsnota Noordzee en de Overstromingsrisicobeheerplannen maken onderdeel uit van het NWP2. Het NWP2 geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit NWP2 wordt een volgende ambitieuze stap gezet in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit, een duurzaam beheer en goede milieutoestand van de Noordzee en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Hierbij streven we naar een integrale benadering, door economie (inclusief verdienvermogen), natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie en cultureel erfgoed zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen. Het beleid en de maatregelen in dit Nationaal Waterplan dragen bij aan het vergroten van het waterbewustzijn in Nederland. Het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) heeft tot doel om in de periode tot 2015 het hoofdwatersysteem in Nederland te verbeteren en op orde te houden. Belangrijk onderdeel is om de drietrapsstrategie 'vasthouden, bergen, afvoeren' in alle overheidsplannen als verplicht afwegingsprincipe te hanteren.

In het Nationaal Bestuursakkoord is vastgelegd dat de watertoets een verplicht te doorlopen proces is in waterrelevante ruimtelijke planprocedures, waarbij een vroegtijdige betrokkenheid van de waterbeheerder in de planvorming wordt gewaarborgd. Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. Beleid Waterschap Vechtstromen In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2016 tot 2021) wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen uitgewerkt voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op: Voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte. Inwoners kunnen hierdoor op een goede manier wonen en werken in het beheergebied en de boeren en natuurbeheerders kunnen goed gebruik maken van de grond.

vastgesteld bestemmingsplan Woongebied Indië - Deel 3

65

NL.IMRO.0141.00063-BP31

Beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater. Een goede ecologische en chemische kwaliteit van het (oppervlakte)water is belangrijk. Het water is dan schoon en gezond en inwoners kunnen hiervan genieten. Ook de doelen voor waterkwaliteit die voortvloeien uit Europese wetgeving, de Kaderrichtlijn Water (KRW), maken onderdeel uit van het plan. Afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties effectief en efficiënt behandelen. Het waterschap haalt niet alleen schadelijke stoffen uit het afvalwater, maar wil daarmee ook nuttige producten maken en ze probeert nieuwe toepassingen te zoeken. Ook de kosten en financiering zijn weergegeven. Het waterbeheerplan is afgestemd met de plannen van het Rijk, de provincies en de gemeenten. Gemeentelijk beleid Waterplan Almelo De gidsprincipes voor het waterplan en de visie zijn gebaseerd op principes uit de Vierde Nota waterhuishouding en de aanbevelingen van de Commissie Waterbeheer 21-ste eeuw, waarbij aanpak van de bron prevaleert boven 'end-of-pipe'-maatregelen en de afwenteling van lokale problemen op (boven)regionale systemen zoveel mogelijk wordt voorkomen. Het vasthouden van water verdient de voorkeur. Wanneer dit niet meer mogelijk is, wordt zoveel mogelijk water geborgen. Daarbij speelt de waterkwaliteit een belangrijke rol. Water van verschillende kwaliteit wordt zoveel mogelijk gescheiden.

Wanneer ook berging niet meer mogelijk is, wordt het water ten slotte afgevoerd. In stedelijke in- of uitbreidingsgebieden dient zoveel mogelijk verhard oppervlak niet aangesloten te worden op de riolering. Een duurzame inrichting van het terrein moet zorgen voor het bewaken van de kwaliteit. Kortom, problemen met waterkwaliteit en –kwantiteit mogen niet worden afgewenteld en de ontwikkelingen mogen geen negatieve beïnvloeding van waterkwaliteit en –kwantiteit met zich meebrengen. Bij nieuwbouw dient grondwaterneutraal gebouwd te worden. Verbreed gemeentelijk rioleringsplan 2016-2020 Het verbreed gemeentelijk rioleringsplan 2016 t/m 2020 (vGRP) geeft inzicht in de omvang, het functioneren en de kwaliteitstoestand van de voorzieningen waarmee de gemeente invulling geeft aan de wettelijke zorgplichten voor het afval-, hemel- en grondwater, en de bekostiging hiervan. Daarnaast heeft de gemeente Almelo ook nadrukkelijk oppervlaktewater als onderdeel van het beheer van het stedelijk water gemaakt. Het vGRP beschrijft de beleidskaders en de bekostiging voor de inzameling, transport en verwerking van stedelijk afval-, hemel- en grondwater en het beheer van het oppervlaktewater in de gemeente Almelo voor de periode 2016 t/m 2020, en geeft de visie op de gemeentelijke watertaken voor de lange termijn.

Om een strategie voor de komende planperiode op te kunnen stellen is een visie voor de lange termijn van belang. Eén van de belangrijkste voorwaarden is dat ook de gemeente Almelo moet anticiperen op de financiële omstandigheden en heeft te maken met bezuinigingsdoelstellingen. Eén van de opgaven komt voort uit het Bestuursakkoord Water, dit betreft de opgave te komen tot minder- meerkosten en zodoende minder stijging van de rioolheffing. Deze opgave voert de gemeente deels samen uit met Twents waternet en de conclusie is dat Almelo op koers ligt. Het kwaliteitskader voor de gemeentelijke watertaken bestaat uit vier onderdelen (stedelijk afvalwater, hemelwater, grondwater en oppervlaktewater). Deze onderdelen corresponderen met de drie zorgplichten van de gemeente, het vierde onderdeel 'oppervlaktewater' ziet de gemeente Almelo als integraal onderdeel van het stedelijk water.

vastgesteld bestemmingsplan Woongebied Indië - Deel 3

66

NL.IMRO.0141.00063-BP31

De gemeente is voor een groot gedeelte vrij op welke wijze en in welk tempo zij invulling wil geven aan haar zorgplichten. De gemeenteraad heeft gekozen voor de volgende ambities: Ambitie en (beleids)keuze stedelijk afvalwater: De gemeentelijke taak voor stedelijk afvalwater is het zorgdragen voor de inzameling en het transport van afvalwater. De gekozen ambitie van huidige koers sluit aan bij het vervullen van de wettelijke taken zoals omschreven in Artikel 10.33 Wet Milieubeheer. De accenten richting ambitieus zitten in: De gemeente zet in de planperiode in op de transitie naar effect gestuurd beheer, met als doel het maken van transparante keuzes en het efficiënt inzetten van de beschikbare middelen (het doen, of juist laten, van investering versus de effecten daarvan). Voor dit onderwerp zijn door de raad de volgende belangrijke thema's (kernwaarden) aangedragen: 1. Volksgezondheid 2. Veiligheid 3. Duurzaamheid / Milieu 4. Leefbaarheid / kwaliteit fysieke leefomgeving De gemeente wil een duidelijk aanspreekpunt zijn voor inwoners en bedrijven voor afvalwatersysteem gerelateerde klachten en vragen. Door samenwerking, ook met buurgemeenten en partners (bv Twents waternet en het waterschap) kan er mogelijk nog efficiënter en effectiever gewerkt worden. Indien innovatieve systemen kunnen bijdragen aan (toekomstige) kostenbesparingen worden deze verkend en eventueel toegepast.

Ambitie en (beleids)keuze afvloeiend hemelwater: De gemeentelijke taak voor afvloeiend hemelwater is het doelmatig inzamelen en verwerken van hemelwater. De gekozen ambitie van huidige koers sluit aan bij het vervullen van de wettelijke taken zoals omschreven in Artikel 3.5 Waterwet. De accenten richting ambitieus zitten in: Pro-actief inzetten op afkoppelen, bv bij vervangings- en onderhoudsprojecten. Daarnaast wordt bv de regeling groene daken doorgezet (met wat praktische aanpassingen op gebied van de behandeltermijn) en worden burgers gestimuleerd om hemelwater te scheiden en vast te houden in tuinen (participatie met burgers). De definitie voor wateroverlast wordt herzien in hinder, ernstige hinder en overlast. Bij in- en uitbreidingen wordt binnen het plangebied ruimte gecreëerd voor waterberging, 40 mm bij uitbreidingen en 20 mm bij inbreidingen. Optioneel bestaat bij inbreidingen de mogelijkheid om de waterberging bij de gemeente af te kopen. Indien mogelijk wordt aangesloten bij thema's zoals ZON (Zoetwatervoorziening Oost Nederland), KAS (Klimaat Actieve Stad), Duurzaamheidsplan en dergelijke. Niet alleen de riolering maar de openbare ruimte als geheel wordt klimaatbewust ontworpen, met aandacht voor waterberging in het plangebied in het straatprofiel, in het groen of op daken.

Ambitie en (beleids)keuze grondwater: De gemeentelijke taak voor grondwater is een inspanningsverplichting om structureel nadelige gevolgen van grondwaterstanden in openbaar gebied aveel mogelijk te voorkomen of te beperken. De gekozen ambitie van huidige koers sluit aan bij het vervullen van de wettelijke taken zoals omschreven in Artikel 3.6 Waterwet. De huidig ingezette koers wordt gevolgd waarbij voor het uitvoeren van grondwatermaatregelen kritisch wordt afgewogen of normgerichte maatregelen daadwerkelijk uitgevoerd moeten worden. Relevante doelstellingen zijn: De gemeente Almelo streeft een grondwaterstand na, welke geen structurele overlast veroorzaakt bij bewoners en bedrijven. Bij oplossingen/maatregelen voor bestaand en nieuw stedelijk gebied geld de volgende voorkeursvolgorde:

vastgesteld bestemmingsplan Woongebied Indië - Deel 3

67

NL.IMRO.0141.00063-BP31

1. Ophogen van maaiveld. 2. Het aanleggen van oppervlaktewater. 3. Het aanleggen van grondwatertechnische maatregelen. Bij nieuwbouw is in het beginsel het aanleggen van grondwatertechnische maatregelen niet toegestaan. Voor de ontwatering gelden de volgende criteria: 1. Wegen minimaal 0,70 m boven de GHG. 2. Openbaar groen minimaal 0,50 m boven de GHG. 3. Vloerpeilen minimaal 0,90 m boven de GHG. Ambitie en (beleids)keuze oppervlaktewater: Er is geen wettelijk taak voor de gemeente betreffende het oppervlaktewater. Oppervlaktewater is echter voor Almelo een belangrijk onderdeel van het watersysteem en zodoende ook gezien als een integraal onderdeel van het stedelijk water. De gekozen ambitie van huidige koers met incidenteel een tandje minder komt in hoofdzaak op het volgende neer: Samen met waterschap wordt gewerkt aan droge voeten in het stedelijk gebied (voorkomen van wateroverlast). Het imago van Almelo Waterstad wordt ook in de nieuwe planperiode verder ondersteund. Daarbij is een goede waterkwaliteit en een goed functionerend watersysteem belangrijk. Waterverontreiniging vanuit stedelijk water wordt daarom zoveel mogelijk beperkt en indien mogelijk en financieel toegestaan wordt er bijgedragen aan bv waterrecreatie en -beleving. Oppervlaktewater is ook een integraal onderdeel van het klimaatbewust ontwerpen van de openbare ruimte.

De strategie voor de financiering van het baggeren wordt herzien in het nog op te stellen baggerplan zodat de achterstand in het uitvoeren van het baggerprogramma kan worden weggewerkt. Veilligheid en beschikbare financiën hebben een hogere prioriteit in de afweging dan de waterkwaliteit en de klimaatbestendigheid. Bijvoorbeeld het bergen van water op straat, in groen en speelplekken is een reële optie zolang dat niet leidt tot onveilige situaties en de kosten niet te hoog zijn. Dit kan er toe leiden dat op dit vlak een tandje minder wordt ingezet. Speerpunten voor de planperiode Bovenstaande ambitiekeuzes voor het totale watersysteem (afval-, hemel- grond- en oppervlaktewater) kan in hoofdlijn worden samengevat in de volgende speerpunten: 1. Samen op met burgers en bedrijven. 2. Toekomstgericht en klimaatbestendig. 3. Een doelmatige aanpak. 4. De organisatie en de middelen op orde. 5. Een functionerend watersysteem.

5.13.2

Watertoets

5.13.2.1

Algemeen

Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op

vastgesteld bestemmingsplan Woongebied Indië - Deel 3

68

NL.IMRO.0141.00063-BP31

een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 5.13.2.2

Watertoetsproces

Het Waterschap Vechtstromen zal tijdig geïnformeerd worden over het onderhavige bestemmingsplan. Het advies van het Waterschap zal na ontvangst in voorliggende tekst verwerkt worden. In paragraaf 5.13.2.3 is ingegaan op het plangebied en op welke wijze het water afgevoerd moet worden. 5.13.2.3

Waterhuishoudkundige aspecten in het plangebied

Het plangebied betreft een inbreidingsplan waar een nieuwbouwwijk wordt gevestigd. Het plangebied bevindt zich niet binnen een grondwaterbeschermingsgebied, een waterwingebied, beschermingszone of herinrichtingszone langs een waterloop, primair watergebied, invloedszone zuiveringstechnisch werk of een retentiecompensatiegebied. Het plan loopt geen verhoogd risico op wateroverlast als gevolg van overstromingen. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. Er dient rekening gehouden te worden met aanwezige verontreinigende stoffen bij bijvoorbeeld lokale grondwaterputten. Bij nieuwbouw zal er rekening gehouden worden met voldoende ontwateringsdiepte zodat de kans op eventuele grondwateroverlast kleiner wordt. Het plan voorziet met de twee waterbekkens in veel extra oppervlaktewater, waardoor ook extra berging wordt gecreëerd. Daarnaast voorziet het plan ook in een groenbestemming. Extra berging, indien nodig, kan ook hier gerealiseerd worden. Er kan gesteld worden dat het plan geen nadelige gevolgen veroorzaakt voor het oppervlaktewatersysteem in de omgeving. De gemeente Almelo streeft naar een volledige scheiding tussen schoon hemelwater aan de ene kant en (mogelijk) vervuild regenwater en afvalwater aan de andere kant. Afstromend regenwater is in principe schoon.

Alleen als redelijkerwijs verwacht mag worden dat het afstromende water vervuild raakt door het oppervlak (bijvoorbeeld opslagterreinen), dan worden aanvullende eisen gesteld. De methode van waterafvoer volgt vaak uit het type project waar wordt meegelift. Woningen bieden het hemelwater bovengronds aan op het openbaar terrein. Dat heeft de voorkeur van de gemeente. Indien een inwoner of bedrijf ervoor kiest om de afvoer ondergronds te laten plaatsvinden is dit voor de gemeente onder bepaalde voorwaarden acceptabel. Grondwater In de omgeving van het plangebied liggen peilbuizen van het gemeentelijke grondwatermonitoringsnetwerk, plangebied Indië ligt niet een grondwateraandachtsgebied. Lokaal kan het grondwater tot 0,7 m-mv komen waardoor er bij het bouwplan rekening gehouden moeten worden met de aanwezige ontwateringsdiepte zodat grondwateroverlast voorkomen zal worden. Aandachtspunt daarbij is de aansluiting/afwatering met de bestaande omliggende bebouwing. Het oplossen van grondwaterproblemen achteraf kost een veelvoud van maatregelen tijdens de bouwfase. De grondwateroverlast wordt bestreden (en bij nieuwbouw voorkomen) volgens ophogen en en het aanleggen van extra oppervlaktewater. Bij nieuwbouw wordt niet geaccepteerd dat de grondwaterstand verlaagd wordt. Hemelwater en oppervlaktewater

vastgesteld bestemmingsplan Woongebied Indië - Deel 3

69

NL.IMRO.0141.00063-BP31

Bij nieuwbouw moet het huishoudelijk afvalwater en het hemelwater dat op het verhard oppervlak (daken en (terrein)verharding) valt worden gescheiden. Gelet op de locatie van het bouwplan behoort het tot de mogelijkheden hemelwater binnen het plangebied te infiltreren en/of te bergen. Er is hierin voorzien door afvoer middels IT riolering naar het omliggende oppervlaktewater waar het overtollige hemelwater kan worden geborgen en/of direct geloosd. Ook is berging van hemelwater mogelijk middels aanleg van groene daken die een groene uitstraling geven aan de omgeving. Bij de toe te passen bouwmaterialen moet worden uitgegaan van afwatering op oppervlaktewater. Dit i.v.m. uitloogbaarheid en daardoor eventuele waterverontreiniging bij toekomstige afvoer. Verder wordt om de waterkwaliteit te waarborgen, conform het beleid van de gemeente Almelo, nagenoeg geen chemische onkruidbestrijding toegepast. Riolering (vuilwater) Binnen het plangebied ligt een gescheiden rioolstelsel. Het afvalwater wordt op het vuilwaterstelsel aangesloten. Eerder geconstateerde theoretisch lokale problemen zijn hierdoor niet meer aan de orde, omdat hemelwater niet meer op het vuilwaterstelsel wordt aangesloten. De riolering in het plangebied ligt diep genoeg om onder vrij verval op de buis aan te sluiten.

Klimaatadaptatie Bij de uitwerken van het maaiveld wordt gekozen voor een groene aankleding en infiltratie van het hemelwater. Groen heeft een temperende invloed op klimaatomstandigheden. 5.13.2.4 Conclusie Hemelwater moet separaat worden aangeboden aan het oppervlak aan de kavelgrens. Het hemelwater moet worden afgevoerd en aangesloten op het oppervlaktewater- of grondwatersysteem. Een berging van 20 mm voor het hele plangebied moet worden gewaarborgd. Het is mogelijk al het hemelwater vertraagd af te voeren en te bergen en infiltreren op locatie, al waar het kan overstorten op het aanliggende oppervlaktewater. Een deel van het hemelwater loost direct op het kanaal. Voor dit deel is geen berging in het plangebied nodig. Het vuile water wordt aangesloten op het bestaande vuilwaterriool. Er dient bij nieuwbouw aandacht te zijn voor de vloerpeilen in relatie tot het grondwater. Het nieuwe vloerpeil moet minimaal 1 meter boven de GHG (of RHG) liggen.

5.14 M ilieueffectrapportage 5.14.1

Wettelijk kader

In de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is vastgelegd dat voorafgaande aan het ruimtelijke plan dat voorziet in een grootschalig project met belangrijke nadelige milieugevolgen een milieueffectrapport (MER) opgesteld dient te worden. De activiteiten waarvoor een MER-rapportage opgesteld moet worden zijn opgenomen in de bijlage van het Besluit m.e.r. Een plan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn op de volgende manieren: Een plan kan m.e.r.-plichtig zijn indien een passende beoordeling op basis van artikel 19j, lid 2 van de Natuurbeschermingswet 1998 noodzakelijk is; Een plan kan m.e.r.-plichtig zijn indien sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit de onderdelen C en D overschrijden en waarbij het plan wordt genoemd in kolom 3 (plannen). Een plan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn indien het plan wordt genoemd in kolom 4 (besluiten) en er sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit onderdeel C en D

vastgesteld bestemmingsplan Woongebied Indië - Deel 3

70

NL.IMRO.0141.00063-BP31

overschrijden. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel C is in dit geval sprake van een m.e.r.-plicht. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel D is het plan m.e.r.-beoordelingsplichtig. In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage.

Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'. Het komt er op neer dat voor een bestemmingsplan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen in onderdeel D en beneden de drempelwaarden vallen, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: 1. belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; 2. belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden. De diepgang van de vormvrije m.e.r.-beoordeling hangt af van: 1. de aard van de voorgenomen activiteit; 2. de (gevoeligheid van de) omgeving waarin de activiteit is gesitueerd; 3. de maatschappelijke aandacht voor de activiteit; 4. mate van beschikbaarheid van informatie, bijvoorbeeld over de gevoeligheid van gebieden. Op 7 juli 2017 is het Besluit m.e.r. gewijzigd in werking getreden, naar aanleiding van een wijziging van de Europese Richtlijn m.e.r.

Deze wijziging heeft tot gevolg dat voor elke vergunningsaanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is de volgende procedurestappen doorlopen moeten worden. 1. Door de initiatiefnemer moet een aanmeldingsnotitie worden opgesteld. 2. Het bevoegd gezag moet binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit moet genomen zijn voor de ter inzage legging van het ontwerpbesluit. 3. Het besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden, maar wel via andere (digitale) kanalen. 4. Het (vormvrije)-m.e.r.-beoordelingsbesluit moet onderdeel zijn van de vergunningaanvraag.

5.14.2

M.e.r. en m.e.r. beoordeling

Dit bestemmingsplan voorziet in een stedelijke ontwikkeling, zoals bedoeld in bijlage D van het Besluit m.e.r. Echter wordt ver onder de drempel van 2.000 woningen gebleven (geldt voor Indië als geheel) en worden geen nadelige gevolgen voor het milieu verwacht, zodat een vormvrije m.e.r.-beoordeling volstaat. In dat kader is ook een aanmeldnotitie opgesteld (zie Bijlage 18). In het kader van dit bestemmingsplan en in het kader van eerder vastgestelde of in procedure gebrachte bestemmingsplannen voor het ernaast gelegen bedrijventerrein De Velden en Woongebied Indië Deel 1 en Deel 2, zijn alle relevante milieueffecten onderzocht (zie voorafgaande paragrafen van deze toelichting en de toelichting van de andere genoemde bestemmingsplannen). De herontwikkeling leidt niet tot een

vastgesteld bestemmingsplan Woongebied Indië - Deel 3

71

NL.IMRO.0141.00063-BP31

bijzondere toename aan nieuwe emissies of een bijzondere nieuwe verkeersaantrekkende werking. Integendeel: De herontwikkeling leidt tot het dezoneren van het oude industriegebied en tot het leggen van nieuwe bestemmingen die minder milieubelastend zijn dan de te vervangen bestemming. Het ruimtebeslag is vergelijkbaar met de bestaande situatie. Er zijn geen gevoelige gebieden in de nabijheid die beïnvloed zouden kunnen worden door de herontwikkeling.

5.14.3

Conclusie

De conclusie is dat de herontwikkeling van het Indiëterrein geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zal hebben en dat er daarom geen m.e.r. of m.e.r. beoordeling behoeft te worden gemaakt.

vastgesteld bestemmingsplan Woongebied Indië - Deel 3

72

NL.IMRO.0141.00063-BP31

Hoofdstuk 6

Economische uitvoerbaarheid

Er is een contract afgesloten tussen de gemeente en de ontwikkelaar van het Indiëterrein waardoor het plan geheel financieel uitvoerbaar is. Er wordt voldaan aan de voorwaarden zoals benoemd in artikel 6.12, lid 2, sub a, b en c van de Wro zodat er geen verplichting bestaat tot vaststelling van een exploitatieplan.

vastgesteld bestemmingsplan Woongebied Indië - Deel 3

73

NL.IMRO.0141.00063-BP31

Hoofdstuk 7 7.1

Juridische planopzet

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarin de meest gewenste ontwikkeling juridisch is vertaald. Het bestemmingsplan bestaat uit regels en een verbeelding. Deze vormen het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van gronden, de bebouwingsmogelijkheden en regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. In de regels worden de mogelijkheden in schrift vastgelegd. In de verbeelidng worden de bestemmingen per locatie vastgelegd. In dit hoofdstuk zal de juridische systematiek van het bestemmingsplan worden toegelicht, alsmede een beschrijving per bestemming en een toelichting op de algemene regels en de overgangs- en slotregels.

7.2

Juridische systematiek

In dit plan wordt een bestemmingsregeling beoogd waarbij de rechtszekerheid gewaarborgd is. Uitgegaan is van positieve bestemmingen, waarbij de ontwikkeling van nieuwbouw of verbouw mogelijk is nadat burgemeester en wethouders een bouwvergunning hebben verleend. De hoofdstukindeling van de regels ziet er als volgt uit: Hoofdstuk 1: "Inleidende regels", omvat de volgende artikelen: a. Begrippen; b. Wijze van meten; Hoofdstuk 2: "Bestemmingsregels", bevat de bestemmingen, die per artikel (indien van toepassing) het volgende stramien hebben: a. bestemmingsomschrijving: specificatie en omschrijving van de op de gronden toegelaten bestemming; b. bouwregels: regels over bouwregels; c. nadere eisen: een aanvullend stelsel van nadere eisen die burgemeester en wethouders kunnen stellen; d. afwijking van de bouwregels: bevoegdheid die burgemeester en wethouders toekomt met betrekking tot het verlenen van een omgevingsvergunning in afwijking van de bouwregels; e. specifieke gebruiksregels: aanvullende of afwijkende regels ten aanzien van het gebruik; f. afwijking van de gebruiksregels: bevoegdheid die burgemeester en wethouders toekomt met betrekking tot het verlenen van een omgevingsvergunning in afwijking van de gebruiksregels. Hoofdstuk 3: "Algemene regels", bevat: a. Anti-dubbeltelregel; b. Algemene gebruiksregels; c.

Algemene afwijkingsregels; Hoofdstuk 4: "Overgangs- en slotregels", bevat: 1. Overgangsrecht: voor bouwwerken, die op het moment van ter visielegging van het plan bestaan (of die kunnen worden opgericht volgens een voor dat tijdstip aangevraagde bouwvergunning) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bouwregels; 2. Slotregel: hierin is opgenomen hoe het bestemmingsplan kan worden aangehaald en wanneer het door de gemeenteraad is vastgesteld.

7.3

Beschrijving per bestemming

Het bestemmingsplan kent 6 bestemmingen: Gemengd, Groen, Verkeer-1, Verkeer-2, Water en Woongebied. Hierna volgt een beknopte beschrijving van de bestemmingen en bestemmingsregels.

vastgesteld bestemmingsplan Woongebied Indië - Deel 3

74

NL.IMRO.0141.00063-BP31

7.3.1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen Dit artikel bevat de definities van begrippen die in dit bestemmingsplan worden gebruikt. Daardoor wordt vermeden dat verschillende interpretaties van begrippen tot verschillen van mening over de regelgeving zouden kunnen leiden. De begripsbepalingen zijn op alfabetische volgorde. Artikel 2 Wijze van meten In dit artikel is geregeld op welke manier zal worden gemeten. De bouwhoogte wordt gemeten vanaf de hoogte van het aangrenzende maaiveld. Ook is in artikel 2 beschreven hoe de bruto vloeroppervlakte en de inhoud van een bouwwerk worden bepaald.

7.3.2 Bestemmingsregels Artikel 3 Gemengd Gronden met deze bestemming hebben betrekking op het bestaande gebouw van de voormalige weverij. Hier zijn diverse functies, zoals wonen, maatschappelijke en culturele functies, horeca, dienstverlening en andere kleinschaligere ambachtelijke bedrijvigheden toegestaan. Ook bestaat hier de mogelijkheid om een (ondergrondse) parkeergarage te realiseren. De hier voorziene horeca was eerder voorzien bij de watertoren en opgenomen in het bestemmingsplan Woongebied Indië Deel 1. Horeca komt daar echter nu ter vervallen, zodat er per saldo geen sprake is van extra horeca. De bouwhoogte bedraagt over het algemeen 12 meter. Plaatselijk is een hoogteaccent toegestaan met een bouwhoogte van maximaal 20 met een voetprint van maximaal 500 m2. Het maximum aantal grondgebonden en gestapelde woningen is voor het totale plangebied van het bestemmingsplan aangegeven en bedraagt 145. Hierdoor wordt de flexibiliteit verhoogd. Het totaal aantal woningen in het plangebied mag niet worden overschreden. Artikel 4 Groen Binnen deze bestemming zijn groenvoorzieningen toegestaan. Ook bij deze functie behorende elementen als bouwwerken, geen gebouwen zijde of speelvoorzieningen en fiets- en voetpaden en voorzieningen ten behoeve van afvoer, (tijdelijke) berging en infiltratie van hemelwater zijn toegestaan. Het parkeren van voertuigen is niet toegestaan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Almelo&id=cf2a061e-16d6-461e-a5cb-03b049d929b7